CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:920
Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 23, vierde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Meststoffenwet Fosfaatrechten – overdracht of beëindigen bedrijf – ontheffing artikel 38 Msw - procesbelang Het fosfaatrecht van appellant is door verweerder vastgesteld op 0 kg omdat hij zijn bedrijf op de oude locatie had beëindigd. Ook al is ontheffing verleend waarmee appellant dezelfde bedrijfsvoering kan hebben op de nieuwe locatie, er is sprake van procesbelang. Dat belang is gelegen in de economische waarde van de fosfaatrechten en de (ruimere) mogelijkheid voor appellant deze te verhandelen. In deze mogelijkheden voorziet de ontheffing niet. Voor toepassing van een relativiteitstoets bij de beoordeling van procesbelang ziet het College geen grondslag. De omstandigheid dat appellant met de verkoop van zijn boerderij en gronden op de oude locatie nooit heeft bedoeld te stoppen met het exploiteren van een melkveehouderij, doet er niet aan af dat deze verkoop wel tot gevolg heeft dat hij het (voeren van het) bedrijf op de oude locatie heeft beëindigd. Het College volgt verweerder in de uitleg van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Msw dat sprake is van een uitdrukkelijke koppeling tussen het fysieke bedrijf en de toe te kennen fosfaatrechten. Omdat appellant op 1 januari 2018 geen eigenaar meer was van de essentiële productiefactoren grond en gebouwen op de oude locatie heeft verweerder appellant terecht geen fosfaatrechten voor dit bedrijf toegekend op grond van artikel 23, derde lid, van de Msw. Het vorenstaande laat onverlet dat onverkorte toepassing van het fosfaatrechtenstelsel zoals volgt uit de Meststoffenwet in het specifieke geval van appellant onevenredig uitpakt. Verweerder heeft dit onderkend en daarin aanleiding gezien om de onevenredige gevolgen hiervan te compenseren door appellant een ontheffing ingevolge artikel 38, tweede lid, van de Msw te verlenen die hem in staat stelt zijn bedrijfsvoering voort te zetten als ware hij in het bezit van de fosfaatrechten die rusten op de boerderij op de oude locatie. Anders dan appellant meent was verweerder niet gehouden om hem daarnaast de mogelijkheid te bieden om de fosfaatrechten los van zijn bedrijf aan derden te verkopen. Het bestreden besluit is gelet daarop niet onevenredig.
De uitspraak op rechtspraak.nl