CBb 8 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:605
artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel kk, van de Msw artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrechten. Het fosfaatrecht moet hoger worden vastgesteld aangezien 6 op de peildatum gehouden dieren ten onrechte niet waren meegerekend als jongvee ouder dan 1 jaar (diercategorie 102). Stierkalveren jonger dan één jaar die niet worden gehouden voor de melkveehouderij vallen niet onder de definitie sub 2 van artikel 1, onder kk, van de Msw. De uitzondering voor roodvleesstieren en fokstieren waarop appellant zich beroept ziet alleen op de categorie sub 3 van artikel 1, onder kk, van de Msw. Uit artikel 23, derde lid, van de Msw volgt dat voor de toekenning van het aantal fosfaatrechten aan bedrijven met melkvee de peildatum van 2 juli 2015 bepalend is. De bestemming die een dier op de peildatum had, is dus bepalend voor de vraag of het dier moet worden aangemerkt als melkvee, en bijgevolg moet worden betrokken bij het vaststellen van het fosfaatrecht. Of die bestemming na de peildatum wijzigt, is niet relevant. In beginsel geldt daarbij de registratie van het dier op de peildatum als uitgangspunt, tenzij verweerder desalniettemin aannemelijk maakt dat de dieren op de peildatum niet bestemd waren voor de melkveehouderij. Verweerder heeft gezien de aard van het bedrijf aannemelijk gemaakt dat het mannelijk jongvee op de peildatum niet werd gehouden voor de melkveehouderij. De enkele stelling van appellant dat het in zijn algemeenheid binnen zijn bedrijfsvoering mogelijk is dat een stierkalf wordt gebruikt als dekstier om koeien te fokken is onvoldoende om aan te nemen dat de stierkalveren werden gehouden voor de melkveehouderij. Het betoog van appellant dat het fosfaatrechtenstelsel strijd oplevert met artikel 1 van het EP faalt. Uit hetgeen appellant heeft aangevoerd is niet af te leiden in welke mate de uitvoering van het fosfaatrechtenstelsel concreet een belemmering betekent voor de exploitatie van zijn bedrijf. Het College is verder van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Appellant heeft volstaan met het, niet verder geconcretiseerde betoog dat het fosfaatrechtstelsel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft op geen enkele wijze onderbouwd in hoeverre het fosfaatrechtenstelsel onderscheid maakt tussen gelijke gevallen. Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 23 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:291
- CBb 25 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:244
- CBb 16 april 2019, ECLI:NL:CBB:2019:139
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:1
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:2
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:3
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:4
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:5
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:6
- CBb 9 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:7
- CBb 17 oktober 2018, ECLI:NL:CBB:2018:522