CBb 10 december 2019, ECLI:NL:CBB:2019:656
Accountantstuchtrecht. Het College onderschrijft niet dat de accountant het verwijt treft dat hij tijdens zijn verhoor als getuige niet steeds het voor hem geldende fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid in acht heeft genomen. De accountantskamer heeft onvoldoende onderkend dat niet zonder meer kan worden gezegd dat het aan degene is die in het kader van een strafrechtelijk onderzoek als getuige wordt gehoord om duidelijkheid over de betekenis en strekking van aan hem gestelde vragen te krijgen alvorens deze te beantwoorden. Dat de als getuige gehoorde persoon het beroep uitoefent van accountant en op grond daarvan in overeenstemming met de fundamentele beginselen moet handelen, maakt dit niet anders. Ook die omstandigheid doet er niet aan af dat de verhorende functionarissen de regie over het getuigenverhoor hebben en dat de kwaliteit van de bewijsgaring hun verantwoordelijkheid is. Het is aan hen te bepalen hoe de vragen in de gegeven omstandigheden het best kunnen worden gesteld en te beslissen of de gehoorde, indien een vraag niet bevredigend wordt beantwoord, nader moet worden bevraagd. Gezien de context van het getuigenverhoor en de omstandigheid dat hij over het strafrechtelijk kader waarin hij werd gehoord in het ongewis werd gelaten, valt het de accountant niet aan te rekenen dat hij tijdens het getuigenverhoor, en zeker bij aanvang van het verhoor, enigszins op zijn hoede is gebleven en bij de beantwoording van sommige vragen enige reserve aan de dag heeft gelegd. Het feit dat over de aard van het strafrechtelijk onderzoek een misverstand kon ontstaan, dient naar het oordeel van het College voor rekening te komen van de verhorende opsporingsambtenaren, die in hun vraagstelling onvoldoende duidelijk zijn geweest en, indien zij niet tevreden waren over de beantwoording, hebben nagelaten (voldoende) door te vragen.
De uitspraak op rechtspraak.nl