CBb 19 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:586
Fosfaatrecht, grond behorend tot het bedrijf, generieke korting, grondgebondenheid, knelgevallenregeling, excretiewaarden 2014 en 2015. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de 26 ha grond in 2015 tot haar bedrijf behoorden. Uit de verklaring van de eigenaar blijkt dat hij destijds welbewust de beschikkingsmacht over zijn eigen grond heeft behouden, om de gemaakte afspraken terug te kunnen draaien op een door hem gewenst ogenblik, afhankelijk van eventuele nieuwe regelgeving. Appellante heeft deze gronden ook niet opgegeven in haar Gecombineerde opgave 2015. De excretienorm van 2014 is niet van toepassing bij de toetsing aan de knelgevallenregeling. Op het moment dat verweerder het fosfaatrecht voor appellante vaststelde golden de nieuwe, verlaagde excretienormen. Dat verweerder voor de toepassing van de knelgevallenregeling voor de dieraantallen terugkijkt naar de begindatum van de calamiteit in 2014, maakt niet dat verweerder ook moet teruggrijpen op de excretienormen die toen golden. Dat volgt niet uit de wet- of regelgeving en de excretienorm van 2015 is voor de wetgever zelf de referentie geweest bij het vaststellen van de regels die zien op de vaststelling van het fosfaatrecht per 1 januari 2018. Toepassing van de oude excretienorm kan bovendien leiden tot een door de wetgever niet voorzien en ongerechtvaardigd verschil met melkveehouders die geen beroep doen op de knelgevallenregeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl