CBb 27 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:375
Appellante verlangt een voorziening in de Msw die inhoudt dat biologische bedrijven om niet fosfaatrechten kunnen krijgen als zij hun bedrijf uitbreiden en vordert (ook) dat het College verweerder zal veroordelen om een ministeriële regeling te treffen als bedoeld in art 38a Msw. Art 38a Msw maakt ontheffing ter bevordering van de grondgebondenheid mogelijk, maar de daarvoor benodigde ministeriële regeling is nog niet getroffen. Dat biedt appellante dus geen soulaas. Het College heeft niet de bevoegdheid om de minister opdracht te geven een ministeriële regeling te slaan. Art 12 Wet algemene bepalingen verbiedt de rechter “bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak te doen”. Het pleidooi voor een knelgevallenregeling voor biologische landbouw hoort thuis in het politieke domein. De rechter moet volgens de wet recht spreken en hij onthoudt zich van een oordeel over de innerlijke waarde of billijkheid van de wet (artikel 11 Wet algemene bepalingen). Het College heeft al eerder geoordeeld dat het behoud van de derogatie het belang van de melkveesector als geheel dient en dat grondgebonden (biologische) melkveehouders tegemoetgekomen worden doordat zij zijn vrijgesteld van de generieke korting. Zie de uitspraken van 17 oktober 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:522) en 9 januari 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:7).
De uitspraak op rechtspraak.nl