CBb 13 augustus 2019, ECLI:NL:CBB:2019:355

Meststoffenwet: artikelen 21b en eerste lid, 23, derde en zesde lid. Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrechten; - knelgevallenregeling, omvang melkproductie: verweerder is ten onrechte van gemiddelde melkproductie over 2014 uitgegaan, gezien de gestelde bijzondere omstandigheden in dat jaar; - beroep op artikel 1 van het EP in verband met uitbreiding van het bedrijf waarvoor investeringen zijn gedaan maar die op de peildatum nog niet gerealiseerd was, slaagt niet. Appellant beschikte op de peildatum nog niet over de voor het beoogde aantal dieren vereiste omgevingsvergunning. Voor zover appellant varkensrechten wilde inruilen en dat uiteindelijk niet mogelijk was, geldt dat dit op zichzelf een onvoldoende bijzondere omstandigheid vormt. Gesteld noch gebleken is dat appellant in weerwil van de voorzienbaarheid van maatregelen ter beperking van de mestproductie feitelijk (om bedrijfseconomische redenen) gedwongen was zijn bedrijf uit te breiden. Verder heeft appellant zijn stelling dat zijn bedrijf door het fosfaatrechtenstelsel ernstig in de problemen komt onvoldoende onderbouwd en blijft onduidelijk in hoeverre alternatieve aanwending van de reeds gedane investeringen verlichting van de gestelde financiële last kan geven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken