CBb 16 juli 2019, ECLI:NL:CBB:2019:284

Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in artikel 1.1 van de Taxiverordening een wettelijke grondslag ontbeert omdat daarin een andere maatstaf besloten ligt dan in artikel 75 van de Wp2000. Daar waar artikel 75 van de Wp2000 het verrichten van taxivervoer gelijkstelt met het aanbieden van dat vervoer, gaat de Taxiverordening in artikel 1.1 een stap verder door te bepalen dat (reeds) van verboden taxivervoer sprake is wanneer een betrokkene zich op aangewezen delen van de openbare weg bevindt met het kennelijke doel om consumenten te werven. Het College is verder van oordeel dat appellant wel degelijk taxivervoer heeft aangeboden. Daartoe is redengevend dat appellant met zijn auto met daarop het bord TAXI stilstond op een als een illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plek, te weten de laad- en losplaats gelegen voor het Park Hotel. Daargelaten de aannemelijkheid van de stelling van appellant dat hij zijn auto aan de kant heeft gezet om op zijn telefoon te kijken in verband met de mogelijkheid van app-werk, doet deze niet af aan het oordeel dat appellant, door op de hiervoor bedoelde wijze en gedurende een viertal minuten stil te staan op de betreffende laad- en losplaats, taxivervoer aanbood in de zin van artikel 75 van de Wp2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen