CBb 22 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:44
Koersmanipulatie – Appellant heeft met de door hem verrichte transacties de koers van de aandelen NSE kunstmatig heeft opgestuwd. Tevens heeft AFM buiten redelijke twijfel gesteld dat appellant daartoe ook de intentie heeft gehad. Appellant beschikte destijds bij ING Bank N.V. (ING) over een effectenkrediet. Met de onderhavige kooporders vergrootte appellant ook zijn kredietruimte bij ING, nu deze ruimte afhankelijk was van de waarde van zijn aandelenportefeuille, die op een verwaarloosbaar percentage na destijds alleen uit aandelen NSE bestond. Een door de rechtbank weergegeven rekenvoorbeeld brengt mede tot uitdrukking dat appellant met het krediet bij ING een hogere prijs (in het voorbeeld: € 1,80 per aandeel) kon betalen voor de aandelen NSE en zijn aandelenportefeuille daardoor nog meer waard werd, dan indien hij de aandelen tegen een lagere prijs zou hebben gekocht. Gesteld noch gebleken is dat appellant naast zijn kredietruimte nog andere middelen inzette om aandelen te kopen, voor zover hij daar al over beschikte. Gelet op deze overwegingen en in aansluiting bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, volgt het College derhalve appellant niet in zijn betoog dat hij de transacties niet zou hebben verricht teneinde de koers op een kunstmatig (in dit geval: hoger) niveau te brengen. – Er was geen rechtvaardiging voor de door appellant begane overtreding. – Het College ziet geen aanknopingspunten om vanwege de persoonlijke situatie van appellant de boete van € 100.000 verder te matigen. Daarbij neemt het College in aanmerking dat appellant in een periode van ongeveer 6 weken 37 keer heeft gehandeld met een aanzienlijke kunstmatige koersstijging tot gevolg en dat hij als resultaat van zijn handelwijze op enig moment kon beschikken over een aandelenportefeuille van ongeveer € 600.000. – Evenmin ziet het College reden de boete verder te matigen op grond van de draagkracht van appellant. Appellant heeft, hoewel hij daartoe uitdrukkelijk verschillende keren in de gelegenheid gesteld, ook in hoger beroep nagelaten om voldoende inzicht te geven in zijn financiële situatie, in het bijzonder wat betreft zijn inkomsten en vermogen. Partijen zijn het erover eens dat appellant (uiteindelijk) geen of weinig winst heeft gemaakt door zijn handelwijze omdat ING hem contractueel heeft verplicht zijn aandelenportefeuille te liquideren met een restschuld als gevolg, maar voor het overige kan niet worden vastgesteld wat de financiële situatie van appellant was ten tijde van de boeteoplegging op 19 april 2013 en evenmin wat deze thans is, zodat geen gefundeerd oordeel kan worden gegeven of de boete voor appellant niet te dragen is.
De uitspraak op rechtspraak.nl