CBb 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:325

Kartelverbod, artikel 6 Mededingingswet. Prijslenen ("cover pricing") bij onderhandse aanbestedingen voor sloopwerken in Rotterdam. Naar het oordeel van het College is sprake van gedragingen met een mededingingsbeperkende strekking. Ondernemingen die actief zijn op aanbestedingsmarkten dienen zelfstandig te bepalen hoe zij omgaan met een situatie waarin zij worden verzocht in te schrijven op een aanbesteding voor een opdracht waarin zij niet zijn geïnteresseerd. Door prijslenen verschaffen ondernemingen zichzelf een oneigenlijk voordeel ten opzichte van andere ondernemingen, hetgeen de concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen frustreert en het concurrentieproces bij aanbestedingen aantast. Daarnaast kan prijslenen tot prijsopdrijving leiden. De rechtbank en ACM hebben de gedragingen in de juiste context geplaatst, en hebben terecht geoordeeld dat de gedragingen de mededinging bij de onderhavige aanbestedingen in die mate nadeling beïnvloeden dat zij kunnen worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben. Wel ziet het College aanleiding de boetes te matigen, door de ernstfactor - die door de rechtbank op 1,5 was gesteld - te verlagen. Hoewel prijslenen de mededinging naar zijn aard verstoort, moet er wat de ernst van de overtreding betreft een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen prijslenen en andere, verdergaande vormen van "bid ridding". Alle relevante omstandigheden in aanmerking nemende, is het College van oordeel dat de onderhavige gedragingen niet als een zeer zware, maar als een zware overtreding dienen te worden aangemerkt. Gelet op de voor zware overtredingen geldende brandbreedte van tussen 0 en 2, acht het College een ernstfactor van 1 in deze zaken passend en geboden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken