CBb 28 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:112

Het bepaalde in artikel 149a, tweede lid, aanhef en onder a, van het BGfo bevat, gelet op het begrip "kennelijk onredelijk", een open normstelling. De regelgever heeft ervoor gekozen dat begrip niet nader in te vullen. Hij heeft het in beginsel aan de bemiddelaars en adviseurs overgelaten een provisie vast te stellen, mits zij niet kennelijk onredelijk is. Die norm wordt eerst overtreden, indien de desbetreffende vergoeding een excessief karakter heeft. Nu het hier gaat om het opleggen van een bestuurlijke boete, is het aan AFM om het excessieve karakter van de provisies van A. aan te tonen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen vermag het College niet in te zien dat - bij de AFM rustende bewijslast - van belang is of er, zoals in dit geval, een vaste vergoeding voorafgaand aan de dienstverlening is overeengekomen. Bepalend is slechts de hoogte van de provisie in verhouding tot de aard en reikwijdte van de dienstverlening. AFM heeft aannemelijk gemaakt dat A. in genoemde klantdossiers daadwerkelijk substantieel minder uren aan werkzaamheden heeft verricht dan op grond van het inducementbeleid van tevoren is ingeschat. Daarbij neemt het College mede in aanmerking dat wat tijdsbesteding betreft A. in haar zienswijze van 4 november 2003 slechts heeft geconcretiseerd dat het adviesproces, bestaande uit een adviesgesprek, een adviescontrole en het onderhouden van het contact met de klant en de overnemende partij, in totaal 3 tot 3,75 uur bedraagt. Dit aantal uren komt overeen met de bevindingen van AFM uit haar onderzoek van februari 2012 dat adviseurs gemiddeld 3,5 tot 4,2 uur besteden aan het oversluiten van een beleggingsverzekering. In zoverre heeft AFM voldoende aannemelijk gemaakt dat de provisies van A. (te) hoog zijn. Het College dient echter de vraag te beantwoorden of AFM heeft aangetoond dat de (te) hoge provisies ook kennelijk onredeljik zijn. Die vraag beantwoordt het College ontkennend. Het College acht in dat verband de provisies niet te hoog en de verschillende, door A. opgevoerde en niet door AFM weersproken, advies- en bemiddelingsdiensten naar hun aard en reikwijdte niet te minimaal. Niet valt op voorhand uit te sluiten dat bij een vergelijking met vergoedingen die in de branche in het algemeen voor vergelijkbare diensten gebruikelijk zijn, deze vergoedingen niet als excessief zijn aan te merken. Het was aan AFM om, bijvoorbeeld aan de hand van een vergelijkend onderzoek als vorenbedoeld, het excessieve karakter van de vergoedingen nader te concretiseren, hetgeen zij echter heeft nagelaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen