CBb 27 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:421

Depositogarantiestelsel. Uitkering door DNB van vergoedingen voor hoofdsommen van achtergestelde deposito’s. Het geschil betreft (15/372 en 15/373) de vraag of appellanten mogen kiezen welke van hun (concurrente of achtergestelde) vorderingen het eerst voor toekenning van een vergoeding in aanmerking komen (“keuzevrijheid”) en (alle zaken) de datum wanneer de wettelijke rente over die vergoeding begint te lopen. Enkele appellanten (15/372 en 15/373) hebben een schikking getroffen en hebben daarbij afstand gedaan van alle aanspraken op DSB en DNB. Het hoger beroep van die appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard. De beroepsgrond over keuzevrijheid faalt. De beroepsgrond over de ingangsdatum van de wettelijke rente slaagt, omdat de bepaling dat DNB de vergoeding binnen drie maanden na de aanvraag dient uit te keren (art. 27, eerste lid, Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft) strijdig is met art. 10, eerste lid van richtlijn 94/19/EG (oud). Volgens laatstgenoemde bepaling is DNB in verzuim wanneer zij niet binnen drie maanden na de daarin bedoelde datum (i.c. de datum van de faillietverklaring, zijnde 19 oktober 2009) tot uitkering van de vergoeding overgaat. Het beroep is dan ook t.a.v. de wettelijke rente gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken