CBb 9 juni 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AP4489

Op 18 juli 1995 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een namens verweerder door de voorzitter van het Hoofdproductschap Akkerbouwproducten (hierna: HPA) op 19 juni 1995 genomen besluit. Bij dat besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen een heffing die haar was opgelegd op grond van Verordening (EEG) nr. 2670/81 wegens het niet voldoen aan de exportverplichting van partijen C-suiker in het jaar 1993. Bij brief van 15 augustus 1995 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld. Verweerder heeft op 26 oktober 1995 een verweerschrift ingediend. Op 18 december 1995 heeft appellante een conclusie van repliek ingediend en bij schrijven van 16 januari 1996 heeft verweerder gedupliceerd. Op 16 juni 1997 heeft appellante de gronden van haar beroep verder aangevuld. Op 29 januari 1998 heeft verweerder, desgevraagd, een aanvullend verweerschrift ingediend. Op 15 april 1998 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Bij beschikking van 8 juli 1998 heeft het College het onderzoek heropend in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak van De Haan Beheer, C-61/98. Bij brieven van 30 september 1999 heeft het College partijen in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999 in genoemde zaak. Op verzoek van partijen heeft het College de verdere behandeling aangehouden hangende een bij de Europese Commissie ingediend verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde heffing. Op 29 oktober 2002 heeft appellante, nadat de Europese Commissie bedoeld verzoek niet-ontvankelijk had verklaard, nadere opmerkingen ingediend. Op 20 augustus 2003 is het onderzoek ter zitting voortgezet, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen