Gerecht EU 3 juni 2026, T-224/25, ECLI:EU:T:2026:360

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters)

3 juni 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Douanewetboek van de Unie – Methode voor de vaststelling van de douanewaarde – Aangegeven transactiewaarde – Artikel 15 van verordening (EU) nr. 952/2013 – Artikel 140 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 – Bijkomende methoden – Artikel 74 van verordening nr. 952/2013 – Fall-backmethode – Artikel 144 van uitvoeringsverordening 2015/2447 – Invoer van bulkgoederen – Geen bewijs van daadwerkelijke betaling – Ontoereikendheid van de gegevens over de wezenlijke kenmerken van de goederen – Gebruik van gegevens uit de nationale databank – Gewoon rekenkundig gemiddelde van de eenheidsprijzen”

In zaak T‑224/25,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije) bij beslissing van 20 maart 2025, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2025, in de procedure

VÁM4ALL Kft. „felszámolás alatt”

tegen

Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters),

samengesteld als volgt: M. Sampol Pucurull, president, T. Pynnä, J. Laitenberger, M. Stancu en W. Valasidis (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Martín y Pérez de Nanclares,

griffier: A. Juhász-Tóth, administrateur,

gelet op de doorzending door het Hof van het verzoek om een prejudiciële beslissing aan het Gerecht op 8 april 2025 overeenkomstig artikel 50 ter, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie,

gelet op de in artikel 50 ter, eerste alinea, onder c), van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde materie en het ontbreken van een opzichzelfstaande uitleggingsvraag in de zin van artikel 50 ter, tweede alinea, van dat Statuut,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 28 januari 2026,

gelet op de opmerkingen van:

– VÁM4ALL „felszámolás alatt”, vertegenwoordigd door L. Maruzs, ügyvéd,

– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

– de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Núñez Silva, abogado del Estado,

– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Dani en F. Moro als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 15, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „douanewetboek van de Unie”), gelezen in samenhang met artikel 140, lid 1, en artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van [het douanewetboek van de Unie] (PB 2015, L 343, blz. 558), en van artikel 74, leden 1 en 2, van dit wetboek.

2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen VÁM4ALL Kft. „felszámolás alatt”, een vennootschap naar Hongaars recht, in haar hoedanigheid van indirecte douanevertegenwoordiger van een importeur van goederen uit China, en de Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága (afdeling bezwaar van de nationale belasting- en douanedienst, Hongarije) (hierna: „hogere douaneautoriteit”) over het besluit van deze autoriteit tot goedkeuring van de methode die de Hongaarse lagere douaneautoriteit (hierna: „lagere douaneautoriteit”) heeft toegepast voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen die in het vrije verkeer worden gebracht en de heffing van de douanerechten van de Europese Unie.

Toepasselijke bepalingen

Douanewetboek van de Unie

3 Artikel 15 („Verstrekking van inlichtingen aan de douaneautoriteiten”) van het douanewetboek van de Unie bepaalt: „1. Eenieder die direct of indirect bij het vervullen van douaneformaliteiten of douanecontroles is betrokken, dient de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen in de passende vorm alle nodige bescheiden en inlichtingen te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen voor het vervullen van deze formaliteiten of controles. 2. Eenieder die een douaneaangifte, een aangifte tot tijdelijke opslag, een summiere aangifte bij binnenbrengen, een summiere aangifte bij uitgaan, een aangifte tot wederuitvoer of een kennisgeving van wederuitvoer bij de douaneautoriteiten indient, of een aanvraag voor een vergunning of enige andere beschikking indient, aanvaardt de aansprakelijkheid voor al het volgende: a) de juistheid en volledigheid van de in de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag verstrekte inlichtingen; b) de echtheid, juistheid en geldigheid van de stukken ter staving van de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag; […] De eerste alinea is ook van toepassing op alle inlichtingen die in enigerlei andere vorm door de douaneautoriteiten worden verlangd of aan hen worden verstrekt. Indien de aangifte, de kennisgeving of de aanvraag wordt ingediend, of de inlichtingen worden verstrekt door een douanevertegenwoordiger van de betrokken persoon, zoals bedoeld in artikel 18, gelden de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde verplichtingen ook voor die douanevertegenwoordiger.”

4 Artikel 18 („Douanevertegenwoordiger”) van het douanewetboek van de Unie is als volgt geformuleerd: „1. Eenieder kan zich laten vertegenwoordigen door een douanevertegenwoordiger. De vertegenwoordiging kan direct zijn, in welk geval de douanevertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel indirect, in welk geval de douanevertegenwoordiger in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt. […]”

5 Artikel 48 („Controle na vrijgave”) van het douanewetboek van de Unie luidt als volgt: „Ten behoeve van douanecontrole kunnen de douaneautoriteiten de juistheid en de volledigheid van de informatie die is verstrekt in een douaneaangifte, aangifte tot tijdelijke opslag, summiere aangifte bij binnenbrengen, summiere aangifte bij uitgaan, aangifte tot wederuitvoer of kennisgeving van wederuitvoer, en het bestaan, de echtheid, de juistheid en de geldigheid van bewijsstukken controleren, alsook de bedrijfsboekhouding van de aangever en andere bescheiden betreffende deze goederen of betreffende voorafgaande of latere handelstransacties met deze goederen, na de vrijgave daarvan, onderzoeken. Die autoriteiten kunnen eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen en/of tot het nemen van monsters, zolang zij daartoe nog de mogelijkheid hebben. Deze controles kunnen worden verricht bij de houder van de goederen of zijn vertegenwoordiger, bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij deze transacties is betrokken, en bij elke andere persoon die beroepshalve over die documenten en gegevens beschikt.”

6 Artikel 70 („Op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde”) van dit wetboek bepaalt het volgende: „1. De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast. 2. De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht. […]”

7 Artikel 74 („Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde”) van dit wetboek luidt als volgt: „1. Indien de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van artikel 70 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van toepassing is en dient de douanewaarde van de goederen te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt. De volgorde waarin de punten c) en d) van lid 2 worden toegepast, dient te worden omgekeerd indien de aangever daarom verzoekt. 2. De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is: a) de transactiewaarde van identieke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen; b) de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen; c) de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers; of d) de berekende waarde, bestaande uit de som van: i) de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte be- of verwerkingen; ii) een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk is aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Unie verkopen; iii) de kosten of waarde van de in artikel 71, lid 1, onder e), genoemde elementen. 3. Indien de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van al het volgende: a) de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel; b) artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel; c) dit hoofdstuk.”

8 Artikel 163 („Bewijsstukken”) van het douanewetboek van de Unie bepaalt: „1. De bewijsstukken die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, zijn in het bezit van de aangever en staan ter beschikking van de douaneautoriteiten op het tijdstip waarop de douaneaangifte wordt ingediend. 2. De bewijsstukken worden aan de douaneautoriteiten verstrekt indien de Uniewetgeving dat vereist of indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is. […]”

9 Artikel 188 („Verificatie van een douaneaangifte”) van dit douanewetboek bepaalt het volgende: „Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde douaneaangifte vermelde gegevens kunnen de douaneautoriteiten: a) de aangifte en de bij te voegen documenten aan een onderzoek onderwerpen; b) van de aangever eisen dat andere documenten worden overgelegd; c) de goederen aan een onderzoek onderwerpen; d) monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen.”

Uitvoeringsverordening 2015/2447

10 Artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447 bepaalt in de punten 4 en 14: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […] 4) identieke goederen: in de context van de douanewaarde, in hetzelfde land geproduceerde goederen die in alle opzichten hetzelfde zijn, met inbegrip van de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie. Geringe verschillen in uiterlijk zijn geen beletsel om goederen die voor het overige aan de definitie voldoen als identiek aan te merken; […] 14) soortgelijke goederen: in de context van de douanewaarde, in hetzelfde land geproduceerde goederen die, hoewel zij niet in alle opzichten hetzelfde zijn, gelijke kenmerken vertonen en gelijksoortige bestanddelen bevatten waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel onderling vervangbaar kunnen zijn: de kwaliteit van de goederen, de reputatie ervan en de aanwezigheid van een fabrieks- of handelsmerk zijn factoren die onder meer in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of goederen soortgelijk zijn.”

11 Artikel 140 („Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden”) van uitvoeringsverordening 2015/2447 bepaalt: „1. Wanneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie], kunnen zij de aangever om aanvullende informatie vragen. 2. Wanneer hun twijfels niet worden weggenomen, kunnen de douaneautoriteiten besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie].”

12 Artikel 144 („Fall-backmethode”) van uitvoeringsverordening 2015/2447 bepaalt het volgende: „1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, van het [douanewetboek van de Unie] kan bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, van [dit] wetboek vastgestelde methoden een redelijke soepelheid worden betracht. De aldus vastgestelde douanewaarde dient zoveel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden te worden gebaseerd. 2. Wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, worden andere passende methoden gebruikt. In dit geval wordt de douanewaarde niet vastgesteld op basis van een van de volgende zaken: […] b) een stelsel waarbij de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde wordt gebruikt; […] g) willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13 VÁM4ALL „felszámolás alatt” heeft tussen 25 januari en 8 juli 2019 in haar hoedanigheid van indirecte douanevertegenwoordiger douaneaangiften ingediend voor allerlei uit China ingevoerde bulkgoederen (hierna: „betrokken goederen”). De douanewaarde van die goederen is vastgesteld volgens de in artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie beschreven transactiewaardemethode. De door VÁM4ALL „felszámolás alatt” ingediende aangiften waren vergezeld van facturen die een betalingstermijn vermeldden van 120 dagen vanaf de levering.

14 Op 7 april 2020 is de lagere douaneautoriteit begonnen met een controle achteraf. In de loop van deze controle heeft zij de importeur en VÁM4ALL „felszámolás alatt” meermaals verzocht om documenten over te leggen tot staving van de transactiewaarde die voor de betrokken invoerverrichtingen was aangegeven als douanewaarde. Blijkens de verwijzingsbeslissing is aan die verzoeken geen gevolg gegeven.

15 Nadat VÁM4ALL „felszámolás alatt” opnieuw was gevraagd om dergelijke documenten over te leggen, heeft zij naast de eerder ingediende douaneaangiften handelsfacturen met betrekking tot de invoer, paklijsten, scheepsvervoersdocumenten, aangiften van de douanewaarde, spreadsheets met voor elk van de betrokken verrichtingen de algemene omschrijving van de betrokken goederen en de hoeveelheden materiaal, en door de importeur verstrekte foto’s overgelegd.

16 De financiële instelling die de rekening van de importeur beheert, heeft de lagere douaneautoriteit op haar verzoek betalingsgegevens verstrekt aan de hand waarvan niet kon worden vastgesteld dat de tegenwaarde van de betrokken goederen was betaald. Die goederen konden niet achteraf worden gecontroleerd omdat zij reeds verkocht waren.

17 Gelet op die omstandigheden heeft de lagere douaneautoriteit overeenkomstig artikel 140 van uitvoeringsverordening 2015/2447 besloten dat de douanewaarde van de betrokken goederen niet volgens de transactiewaardemethode kon worden vastgesteld. Tevens was zij van mening dat de bijkomende methoden van artikel 74, lid 2, onder a) tot en met d), van het douanewetboek van de Unie niet toepasbaar waren. Derhalve heeft zij de douanewaarde van de betrokken goederen vastgesteld volgens de methode van artikel 74, lid 3, van dit wetboek, zoals aangevuld bij artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447.

18 Te dien einde heeft de lagere douaneautoriteit uit de nationale douanedatabank (hierna: „databank”) gegevens geselecteerd over goederen die uit hetzelfde land afkomstig zijn als de betrokken goederen en onder dezelfde code van het geïntegreerd douanetarief van de Europese Unie (Taric), dezelfde code van de regeling en dezelfde code van de waarderingsmethode vallen, en die in Hongarije in het vrije verkeer waren gebracht in de periode van 45 dagen vóór de aanvaarding van de in punt 13 hierboven genoemde douaneaangiften tot 45 dagen daarna, waarbij zij bepaalde gegevens die niet relevant leken buiten beschouwing heeft gelaten. Op basis van die gegevens heeft zij de eenheidsprijs per kilogram berekend van alle posten die vergelijkbare ingevoerde goederen bevatten, waarbij zij telkens is uitgegaan van een prijs die gelijk aan of lager is dan het rekenkundig gemiddelde van al die eenheidsprijzen. De douanewaarde van de betrokken goederen is vervolgens vastgesteld door het nettogewicht ervan te vermenigvuldigen met de aldus berekende eenheidsprijs. Op basis van de aldus vastgestelde nieuwe douanewaarde heeft de lagere douaneautoriteit een besluit vastgesteld waarbij met name het bedrag van de douaneschuld van VÁM4ALL „felszámolás alatt” is vastgesteld op 65427800 Hongaarse forint (HUF) (ongeveer 163570 EUR).

19 VÁM4ALL „felszámolás alatt” heeft dit besluit aangevochten bij de hogere douaneautoriteit, die het heeft bevestigd.

20 VÁM4ALL „felszámolás alatt” heeft dan beroep in rechte ingesteld tegen het besluit van de hogere douaneautoriteit. Dat beroep is in eerste aanleg verworpen. Vervolgens heeft zij zich gewend tot de Kúria (hoogste rechterlijke instantie, Hongarije), de verwijzende rechter.

21 Deze rechter heeft twijfels bij de uitlegging die moet worden gegeven aan verschillende bepalingen van het douanewetboek van de Unie en van uitvoeringsverordening 2015/2447 die in het hoofgeding van toepassing zijn.

22 In de eerste plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of het douanewetboek van de Unie en artikel 140 van uitvoeringsverordening 2015/2447 de douaneautoriteiten toestaan om van een indirecte douanevertegenwoordiger te eisen dat hij de transactiewaarde van de ingevoerde goederen aantoont door bewijs van betaling van die goederen over te leggen, en die transactiewaarde af te wijzen indien dat bewijs niet wordt overgelegd. Hij merkt dienaangaande op dat het aan de douaneautoriteiten staat om de „gegronde twijfels” of de aangegeven transactiewaarde conform is, als bedoeld in artikel 140, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447, per geval te onderbouwen.

23 In de tweede plaats heeft de verwijzende rechter vragen bij het feit dat de douaneautoriteiten kunnen besluiten dat de in artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie genoemde bijkomende methoden niet toepasbaar zijn op grond dat de douanevertegenwoordiger geen inlichtingen heeft verstrekt over de wezenlijke kenmerken van de ingevoerde goederen, terwijl zij geen gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om de goederen te onderzoeken bij het in het vrije verkeer brengen ervan.

24 In de derde plaats twijfelt de verwijzende rechter eraan of de door de douaneautoriteiten toegepaste methode voor de berekening van de douanewaarde, die niet enkel berust op de producten van de verkoper van de betrokken goederen maar op alle producten die onder dezelfde Taric-code als die goederen zijn ingedeeld, in de omstandigheden van het hoofdgeding in overeenstemming is met artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447.

25 In deze omstandigheden heeft de Kúria de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Moet artikel 15, lid 1, van [het douanewetboek van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de indirecte douanevertegenwoordiger, naast de documenten die noodzakelijk zijn voor de inklaring, ook in het bezit moet zijn van alle andere documenten met betrekking tot de ingevoerde goederen, waaronder ook de documenten betreffende de transactie (contract tussen de importeur en de verkoper, bankafschrift waaruit blijkt dat de goederen zijn betaald, bewijsstukken met betrekking tot de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie van de goederen), en deze bij de controle ter beschikking van de douaneautoriteit moet stellen? 2) Moet artikel 140, lid 1, van [uitvoeringsverordening 2015/2447] aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit, bij de invoer van bulkgoederen zonder unieke of specifieke eigenschappen, haar grondige twijfel om de transactiewaarde te aanvaarden terecht kan baseren op de omstandigheid dat de belastingplichtige, ondanks herhaalde verzoeken van de douaneautoriteit, niet met betrouwbare documenten heeft aangetoond dat de aankoopprijs werkelijk is betaald? 3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet dan artikel 74, leden 1 en 2, van het douanewetboek [van de Unie] aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteit de toepassing van de in dat artikel omschreven bijkomende methode kan uitsluiten omdat de indirecte douanevertegenwoordiger geen gegevens heeft verstrekt over de voornaamste kenmerken van het goed (materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie)? 4) Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dan de toepassing van de in artikel 74, lid 2, onder a) tot en met d), van het douanewetboek [van de Unie] omschreven bijkomende methoden worden uitgesloten wanneer de douaneautoriteit, hoewel zij over de mogelijkheid beschikte, geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om monsters van het goed te nemen op het moment van de inklaring [en/of] van haar overige bevoegdheden krachtens artikel 188 van [dit wetboek], op basis waarvan zij kennis had kunnen nemen van de kenmerken ervan? 5) Indien het antwoord op de derde en de vierde vraag bevestigend is, moet dan artikel 144, lid 2, van [uitvoeringsverordening 2015/2447] dan aldus worden uitgelegd dat het de douaneautoriteit de mogelijkheid biedt om de douanewaarde uitsluitend met behulp van gegevensfiltering in de nationale douanedatabase vast te stellen door goederen te onderzoeken die uit hetzelfde land afkomstig zijn en onder dezelfde Taric-code vallen als de gecontroleerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken, die in de periode van 45 dagen vóór en na de aanvaarding van de betrokken douaneaangifte in het vrije verkeer waren gebracht, en het rekenkundig gemiddelde van de eenheidsprijzen per kilogram van de met behulp van de gegevensfiltering verkregen goederen in aanmerking te nemen? Zo ja, kan dan de goede werking van artikel 144, lid 2, onder b) en g), van [uitvoeringsverordening 2015/2447] met deze methode worden gewaarborgd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

26 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 15, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, en artikel 163, lid 2, van dit wetboek, aldus moet worden uitgelegd dat een indirecte douanevertegenwoordiger naast de voor de inklaring vereiste documenten alle andere documenten met betrekking tot de ingevoerde goederen, waaronder documenten waaruit de werkelijk betaalde prijs blijkt, moet kunnen overleggen en ter beschikking van de douaneautoriteiten moet stellen wanneer zij hem daar in het kader van een douanecontrole om hebben verzocht.

27 Ten eerste zij eraan herinnerd dat artikel 15 van het douanewetboek van de Unie in lid 1 bepaalt dat eenieder die direct of indirect bij douanecontroles is betrokken, de douaneautoriteiten alle nodige bescheiden en inlichtingen dient te verstrekken, en dat de indirecte douanevertegenwoordiger volgens artikel 18, lid 1, van dit wetboek in eigen naam doch voor rekening van een andere persoon handelt.

28 Wanneer een indirecte douanevertegenwoordiger een douaneaangifte indient, doet hij dit dus in eigen naam doch voor rekening van de persoon die hem een vertegenwoordigingsvolmacht heeft gegeven, zodat hij optreedt als aangever [zie in die zin arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger),C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 40], waardoor alle in artikel 15, lid 1, van het douanewetboek van de Unie genoemde verplichtingen inzake het verstrekken van bescheiden en inlichtingen op hem rusten.

29 Ten tweede blijkt uit artikel 163, lid 2, van het douanewetboek van de Unie dat bewijsstukken aan de douaneautoriteiten moeten worden verstrekt indien dat met het oog op douanecontroles noodzakelijk is. Aangezien een indirecte douanevertegenwoordiger zoals in punt 28 hierboven is opgemerkt als aangever handelt, moet hij die bewijsstukken dus kunnen verstrekken.

30 Ten derde wordt de transactiewaarde in artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie gedefinieerd als de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast. In lid 2 preciseert dit artikel dat de werkelijk betaalde of te betalen prijs de totale betaling is die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en alle betalingen omvat die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.

31 Aangezien een indirecte douanevertegenwoordiger als aangever ertoe gehouden is om de douaneautoriteiten op hun verzoek bescheiden en inlichtingen te verstrekken, moet hij, wanneer de aankoopprijs voor de ingevoerde goederen na de indiening van de douaneaangifte is betaald, kunnen aantonen dat die betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, in voorkomend geval door zich te wenden tot de persoon die hem een vertegenwoordigingsvolmacht heeft gegeven.

32 Gelet op het bovenstaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 15, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, en artikel 163, lid 2, van dit wetboek, aldus moet worden uitgelegd dat een indirecte douanevertegenwoordiger naast de voor de inklaring vereiste documenten alle andere documenten met betrekking tot de ingevoerde goederen, waaronder documenten waaruit de werkelijk betaalde prijs blijkt, moet kunnen overleggen en ter beschikking van de douaneautoriteiten moet stellen wanneer zij hem daar in het kader van een douanecontrole om hebben verzocht.

Tweede vraag

33 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 140, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447 aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten, bij de invoer van bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken, terecht gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag, als bedoeld in artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, wanneer de indirecte douanevertegenwoordiger ondanks een verzoek daartoe niet met betrouwbare documenten heeft aangetoond dat de aankoopprijs werkelijk is betaald.

34 Volgens artikel 140 van uitvoeringsverordening 2015/2447 kunnen de douaneautoriteiten in bepaalde omstandigheden gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde van de ingevoerde goederen overeenstemt met het totale daarvoor betaalde of te betalen bedrag, als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie. Zij kunnen dan besluiten de aangegeven transactiewaarde niet te aanvaarden indien hun twijfels blijven bestaan nadat zij, in voorkomend geval, om aanvullende informatie of documenten hebben verzocht en de betrokkene de gelegenheid hebben geboden om zijn standpunt over de redenen voor die twijfels kenbaar te maken (zie in die zin arresten van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 76).

35 Deze regels gelden ongeacht de aard en de kenmerken van de ingevoerde goederen, aangezien de bewoordingen van artikel 140 van uitvoeringsverordening 2015/2447 dienaangaande geen onderscheid maken.

36 In omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de douaneautoriteit na het verstrijken van de betalingstermijn voor de ingevoerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken de indirecte douanevertegenwoordiger verzoekt om aan te tonen dat de aankoopprijs voor die goederen werkelijk is betaald, moet worden geoordeeld dat het ontbreken van dit bewijs volstaat als grond van de twijfels van die autoriteit of de betrokken verrichting werkelijk heeft plaatsgevonden en, bijgevolg, over de aangegeven transactiewaarden.

37 Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 140, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447 aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten bij de invoer van bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken terecht gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag, als bedoeld in artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie, wanneer de indirecte douanevertegenwoordiger ondanks een verzoek daartoe niet met betrouwbare documenten heeft aangetoond dat de aankoopprijs werkelijk is betaald.

Derde en vierde vraag

38 Met zijn derde en zijn vierde vraag, die samen dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 74, leden 1 en 2, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten voor bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken de toepassing van de bijkomende methoden voor de vaststelling van de in lid 2 van dat artikel genoemde douanewaarde kunnen uitsluiten wanneer de indirecte douanevertegenwoordiger geen gegevens heeft verstrekt over de wezenlijke kenmerken van die goederen – noch over de fysieke kenmerken noch over de kwalitatieve aspecten ervan – en die autoriteiten, hoewel zij over de mogelijkheid daartoe beschikten, geen gebruik hebben gemaakt van de in artikel 188 van dit wetboek genoemde bevoegdheden maar een controle achteraf hebben verricht overeenkomstig artikel 48 van dat wetboek.

39 Allereerst zij eraan herinnerd dat het aan de lidstaten staat om overeenkomstig de verplichtingen die krachtens artikel 325, lid 1, VWEU op hen rusten de financiële belangen van de Unie te beschermen tegen fraude en alle andere onwettige activiteiten die die belangen schaden, en om de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat de douanerechten, die traditionele eigen middelen van de Unie zijn, daadwerkelijk en volledig worden geïnd (zie in die zin arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40 Om de financiële belangen van de Unie te beschermen beschikken de nationale douaneautoriteiten over alle bevoegdheden die het douanewetboek van de Unie en uitvoeringsverordening 2015/2447 hun verlenen, alsook over de daarin opgenomen controle- en waarderingsmethoden. In dit verband moet worden opgemerkt dat de procedure van verificatie van de douaneaangifte van artikel 188 van het douanewetboek van de Unie en de in artikel 48 van dit wetboek omschreven procedure van controle na vrijgave elkaar geenszins uitsluiten. Met name blijkt uit de bewoordingen van deze bepalingen geenszins dat de mogelijkheid om de ene procedure te gebruiken beperkt is in geval van gebruik van de andere, noch dat de douaneautoriteiten verplicht zijn om de ene of de andere procedure toe te passen.

41 Die ruime beoordelingsbevoegdheid die aan de douaneautoriteiten is verleend blijkt uit het gebruik, zowel in artikel 48 van het douanewetboek van de Unie als in artikel 188 van dit wetboek, van het werkwoord „kunnen”, dat die autoriteiten de keuze laat van de middelen die hen het best in staat stellen om te voldoen aan hun in punt 39 hierboven in herinnering gebrachte verplichtingen.

42 Bijgevolg kan de omstandigheid dat de douaneautoriteiten in een geval als in het hoofdgeding, namelijk bij de invoer van bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken, geen beroep hebben gedaan op artikel 188 van het douanewetboek van de Unie en in het bijzonder op de mogelijkheid waarin artikel 188, onder d), van dit wetboek voorziet om monsters te nemen voor een analyse of een grondige controle van de goederen, niet van invloed zijn op de toepassing door deze autoriteiten, in het kader van een controle achteraf, van artikel 74 van dat wetboek en met name op het besluit van die autoriteiten om de in lid 2 van dit laatste artikel genoemde bijkomende methoden niet toe te passen.

43 Wat vervolgens de mogelijkheid zelf betreft om te besluiten dat de in artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie genoemde bijkomende methoden niet worden toegepast, zij eraan herinnerd dat het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde van een ingevoerd goed moet bijgevolg de werkelijke economische waarde ervan weergeven en dus rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen (zie arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44 De artikelen 70 tot en met 74 van het douanewetboek van de Unie leggen uitdrukkelijk een hiërarchie vast tussen de verschillende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde waarin die wetboeken voorzien, zodat het een importeur niet vrijstaat om te kiezen welke methode hij toepast (zie in die zin arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Bijgevolg moet de douanewaarde van ingevoerde goederen in de eerste plaats worden bepaald volgens de transactiewaardemethode als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie. Die methode wordt namelijk als de meest geschikte beschouwd. De in artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie genoemde bijkomende methoden mogen alleen worden gebruikt wanneer de douanewaarde van de goederen niet kan worden bepaald door toepassing van artikel 70. Dat geldt des te meer voor de in artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie vermelde fall-backmethode, die enkel van toepassing is wanneer de douanewaarde niet volgens de transactiewaardemethode noch volgens een van de in artikel 74, lid 2 van het douanewetboek van de Unie vermelde bijkomende methoden kan worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46 Ten slotte moet worden opgemerkt dat de douanewaarde wordt vastgesteld door de in artikel 74, lid 2, onder a) tot en met d), van het douanewetboek van de Unie genoemde methoden achtereenvolgens toe te passen (zie naar analogie arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga, C‑1/18, EU:C:2019:519, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak), zodat de douaneautoriteiten voor elk van die methoden achtereenvolgens moeten onderzoeken of zij eventueel relevant zijn.

47 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing, waarvan de wezenlijke onderdelen met name in de punten 14 tot en met 16 hierboven zijn samengevat, dat, ten eerste, VÁM4ALL „felszámolás alatt” de bescheiden en inlichtingen waar de lagere douaneautoriteit meermaals om had verzocht niet heeft overgelegd en, ten tweede, deze autoriteit na raadpleging van de betalingsgegevens die de financiële instelling die de rekening van de importeur beheerde haar op haar verzoek had verstrekt, niet had kunnen vaststellen dat de aankoopprijs van de betrokken goederen werkelijk was betaald.

48 Uit hetgeen in punt 37 hierboven is geoordeeld, volgt dus dat een dergelijke omstandigheid voor de douaneautoriteiten kan volstaan om gegronde twijfel te hebben of de handelstransactie werkelijk heeft plaatsgevonden en, bijgevolg, de aangegeven transactiewaarde niet te aanvaarden.

49 In een dergelijk geval moeten de douaneautoriteiten, zoals in punt 46 hierboven in herinnering is gebracht, de toepasbaarheid van elk van de in artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie genoemde bijkomende methoden achtereenvolgens onderzoeken.

50 Wanneer de douaneautoriteiten niet in staat zijn de ingevoerde goederen fysiek te controleren om vast te stellen of zij identiek dan wel soortgelijk zijn aan de goederen die zij voor de bepaling van de douanewaarde moeten gebruiken, en de omschrijving van deze goederen in de aan de douaneaangiften gehechte facturen summier of onvolledig is, beschikken zij niet over de nodige informatie om de methode van artikel 74, lid 2, van het wetboek van de Unie toe te passen (zie in die zin arrest 29 januari 2026, Keladis I en Keladis II, C‑72/24 en C‑73/24, EU:C:2026:51, punt 82).

51 Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om na te gaan of de toelichting die de douaneautoriteiten dienaangaande hebben gegeven, juist is.

52 Gelet op een en ander moet op de derde en de vierde vraag dus worden geantwoord dat artikel 74, leden 1 en 2, van het douanewetboek van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat indien een indirecte douanevertegenwoordiger niet heeft kunnen aantonen dat de aankoopprijs van ingevoerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken werkelijk is betaald, hetgeen ertoe leidt dat de douaneautoriteiten de aangegeven transactiewaarde van die goederen niet aanvaarden, deze autoriteiten kunnen besluiten dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde bijkomende methoden niet worden toegepast indien zij elk van deze methoden met de vereiste zorgvuldigheid hebben onderzocht en die vertegenwoordiger, die daartoe naar behoren in staat is gesteld, onvoldoende gegevens heeft kunnen verstrekken over de wezenlijke kenmerken van deze goederen – noch over de fysieke kenmerken noch over de kwalitatieve aspecten ervan – zonder dat de omstandigheid dat die autoriteiten niet vooraf gebruik hebben gemaakt van hun in artikel 188 van dit wetboek genoemde bevoegdheden, van invloed is op het besluit om deze methoden niet toe te passen.

Vijfde vraag

53 Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447 aldus moet worden uitgelegd dat: – het de douaneautoriteit de mogelijkheid biedt om de douanewaarde vast te stellen op basis van uit de databank opgehaalde gegevens betreffende goederen die afkomstig zijn uit hetzelfde land als de ingevoerde goederen, die zijn ingedeeld onder dezelfde Taric-code als deze goederen en die in de periode van 45 dagen vóór en 45 dagen na de aanvaarding van de douaneaangifte in het vrije verkeer zijn gebracht; – het deze autoriteiten ook toestaat om, op basis van de filtering van bovengenoemde gegevens, rekening te houden met het gewone rekenkundige gemiddelde van de eenheidsprijzen per kilogram van de goederen waar die gegevens betrekking op hebben.

54 Er zij aan herinnerd dat wanneer de douanewaarde niet met toepassing van een van de in artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie genoemde bijkomende methoden kan worden vastgesteld, deze wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 74, lid 3, van dat wetboek, dat wil zeggen dat zij wordt vastgesteld aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens, met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van de in deze bepaling genoemde internationale overeenkomsten en hoofdstuk 3 van titel II van dat wetboek.

55 Te dien einde bepaalt artikel 144 van uitvoeringsverordening 2015/2447 in lid 1 dat de douaneautoriteiten voor het vaststellen van de douanewaarde een redelijke soepelheid kunnen betrachten bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, van het douanewetboek van de Unie vastgestelde methoden en dat de aldus vastgestelde douanewaarde zo veel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden dient te worden gebaseerd. Wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, worden luidens lid 2 ervan andere passende methoden gebruikt, in welk geval deze waarde onder meer niet mag worden vastgesteld op basis van een stelsel waarbij de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde wordt gebruikt [artikel 144, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening 2015/2447], noch op basis van willekeurig vastgestelde of fictieve waarden [artikel 144, lid 2, onder g), van deze verordening].

56 Uit de bewoordingen zelf van artikel 144 van uitvoeringsverordening 2015/2447 volgt dus dat lid 2 van dit artikel slechts van toepassing is indien de douaneautoriteiten geen uitvoering hebben kunnen geven aan lid 1 van dat artikel, dat wil zeggen wanneer zij niet met een „redelijke soepelheid” ofwel de transactiewaardemethode van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie ofwel de bijkomende methoden van artikel 74, lid 2, van dit wetboek hebben kunnen toepassen. Bijgevolg vooronderstelt het antwoord op de vijfde vraag van de verwijzende rechter, betreffende artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447, dat wordt vastgesteld dat lid 1 van dat artikel in casu niet kon worden toegepast, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om na te gaan.

57 Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte inlichtingen, aangevuld met de toelichtingen die onder meer door de Hongaarse regering ter terechtzitting zijn verstrekt, lijkt het niet uitgesloten dat het hoofdgeding een situatie betreft waarin een indirecte douanevertegenwoordiger in zijn hoedanigheid van aangever te weinig gegevens over de inhoud en de kwaliteit van de ingevoerde goederen heeft verstrekt om toepassing van artikel 144, lid 1, van uitvoeringsverordening 2015/2447 mogelijk te maken. In dat geval moeten de douaneautoriteiten gebruikmaken van „andere passende methoden”, als bedoeld in artikel 144, lid 2, van deze verordening.

58 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de door de lagere douaneautoriteit gekozen methode, die door de hogere douaneautoriteit is bevestigd, er in essentie in bestond de douanewaarde vast te stellen op basis van uit de databank opgehaalde gegevens betreffende goederen die afkomstig zijn uit hetzelfde land als de betrokken goederen, die zijn ingedeeld onder dezelfde Taric-code als deze goederen en die in de periode van 45 dagen vóór en 45 dagen na de aanvaarding van de douaneaangifte in het vrije verkeer zijn gebracht. Na filtering van deze gegevens is het gewone rekenkundige gemiddelde berekend van de eenheidsprijzen per kilogram van de goederen waarop deze gegevens betrekking hebben.

59 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat uit de rechtspraak volgt dat de praktijk waarbij de douaneautoriteiten op basis van uit de databank opgehaalde gegevens betreffende goederen die zijn ingedeeld onder dezelfde Taric-code en afkomstig zijn van hetzelfde land als de ingevoerde goederen, moet worden gezien als het gebruik van „in de Unie beschikbare gegevens”, als bedoeld in artikel 74, lid 3, van het douanewetboek van de Unie, „met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met [alle] beginselen en […] algemene bepalingen” waarnaar deze bepaling verwijst (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punten 54‑56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

60 Deze enkele vaststelling volstaat in beginsel om uit te sluiten dat een dergelijke praktijk berust op willekeurig vastgestelde of fictieve waarden in de zin van artikel 144, lid 2, onder g), van uitvoeringsverordening 2015/2447.

61 In de tweede plaats biedt het gebruik van het gewone rekenkundige gemiddelde van de eenheidsprijzen per kilogram van de goederen waar de door de douaneautoriteit in aanmerking genomen gegevens betrekking op hebben, de mogelijkheid om het in artikel 144, lid 2, onder b), van uitvoeringsverordening 2015/2447 neergelegde verbod om de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde te gebruiken, aangezien een rekenkundig gemiddelde ten eerste slechts één waarde oplevert en deze waarde ten tweede per definitie een gemiddelde is zodat het niet mogelijk is om systematisch de hoogste waarde te kiezen.

62 In de derde plaats volgt uit de rechtspraak dat een periode van 90 dagen, waarvan 45 vóór en 45 na de inklaring van de te waarderen goederen, geschikt lijkt om het risico te vermijden dat de handelspraktijken en de marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijzen van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, wezenlijk veranderen (arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 71). Het feit dat de lagere douaneautoriteit een periode van 90 dagen in aanmerking heeft genomen, waarvan 45 vóór en 45 na de aanvaarding van de douaneaangifte, kan dan ook niet in strijd zijn met artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447.

63 Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag dus worden geantwoord dat artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten op omstandige wijze hebben kunnen vaststellen dat lid 1 van dit artikel niet kon worden toegepast, de vaststelling, door deze autoriteiten, van de douanewaarde van ingevoerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken op basis van uitsluitend uit de databank opgehaalde gegevens betreffende goederen die afkomstig zijn uit hetzelfde land als de ingevoerde goederen, die zijn ingedeeld onder dezelfde Taric-code als deze goederen en die in de periode van 45 dagen vóór en 45 dagen na de aanvaarding van de douaneaangifte in het vrije verkeer zijn gebracht, waarbij na filtering van deze gegevens het gewone rekenkundige gemiddelde van de eenheidsprijzen per kilogram van de goederen waar die gegevens betrekking op hebben in aanmerking wordt genomen, een andere passende methode in de zin van lid 2 van dat artikel vormt.

Kosten

64 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

HET GERECHT (Vijfde kamer, zitting hebbend met vijf rechters) verklaart voor recht:

1) Artikel 15, lid 1, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, gelezen in samenhang met artikel 18, lid 1, en artikel 163, lid 2, van deze verordening, moet aldus worden uitgelegd dat een indirecte douanevertegenwoordiger naast de voor de inklaring vereiste documenten alle andere documenten met betrekking tot de ingevoerde goederen, waaronder documenten waaruit de werkelijk betaalde prijs blijkt, moet kunnen overleggen en ter beschikking van de douaneautoriteiten moet stellen wanneer zij hem daar in het kader van een douanecontrole om hebben verzocht.

2) Artikel 140, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening nr. 952/2013 moet aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten bij de invoer van bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken terecht gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag, als bedoeld in artikel 70, lid 1, van verordening nr. 952/2013 wanneer de indirecte douanevertegenwoordiger ondanks een verzoek daartoe niet met betrouwbare documenten heeft aangetoond dat de aankoopprijs werkelijk is betaald.

3) Artikel 74, leden 1 en 2, van verordening nr. 952/2013 moet aldus worden uitgelegd dat indien een indirecte douanevertegenwoordiger niet heeft kunnen aantonen dat de aankoopprijs van ingevoerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken werkelijk is betaald, hetgeen ertoe leidt dat de douaneautoriteiten de aangegeven transactiewaarde van die goederen niet aanvaarden, deze autoriteiten kunnen besluiten dat de in lid 2 van dit artikel bedoelde bijkomende methoden niet worden toegepast indien zij elk van deze methoden met de vereiste zorgvuldigheid hebben onderzocht en die vertegenwoordiger, die daartoe naar behoren in staat is gesteld, onvoldoende gegevens heeft kunnen verstrekken over de wezenlijke kenmerken van deze goederen – noch over de fysieke kenmerken noch over de kwalitatieve aspecten ervan – zonder dat de omstandigheid dat die autoriteiten niet vooraf gebruik hebben gemaakt van hun in artikel 188 van dit wetboek genoemde bevoegdheden, van invloed is op het besluit om deze methoden niet toe te passen.

4) Artikel 144, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2447 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de douaneautoriteiten op omstandige wijze hebben kunnen vaststellen dat lid 1 van dit artikel niet kon worden toegepast, de vaststelling, door deze autoriteiten, van de douanewaarde van ingevoerde bulkgoederen zonder unieke of specifieke kenmerken op basis van uitsluitend uit de databank opgehaalde gegevens betreffende goederen die afkomstig zijn uit hetzelfde land als de ingevoerde goederen, die zijn ingedeeld onder dezelfde Taric-code als deze goederen en die in de periode van 45 dagen vóór en 45 dagen na de aanvaarding van de douaneaangifte in het vrije verkeer zijn gebracht, waarbij na filtering van deze gegevens het gewone rekenkundige gemiddelde van de eenheidsprijzen per kilogram van de goederen waar die gegevens betrekking op hebben in aanmerking wordt genomen, een andere passende methode in de zin van lid 2 van dat artikel vormt.

Sampol Pucurull Pynnä Laitenberger Stancu Valasidis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 juni 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Hongaars.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken