Gerecht EU 29 april 2026, T-573/24, ECLI:EU:T:2026:295

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

29 april 2026 ( *1 )

„Kweekproducten – Verlening van een communautair kwekersrecht voor het aardappelras Melrose – Niet-betaling binnen de termijn van de jaarlijkse rechten – Vervallenverklaring van de bescherming – Verzoek tot herstel in de vorige toestand – Bevoegdheid van de kamer van beroep – Begrip ,bijzondere omstandigheden’ – Voorwaarden voor de kennisgeving van beslissingen en mededelingen van het CPVO”

In zaak T‑573/24,

Romagnoli Fratelli SpA, gevestigd te Bologna (Italië), vertegenwoordigd door E. Truffo en A. Iurato, advocaten,

verzoekster,

tegen

Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO), vertegenwoordigd door M. García-Moncó Fuente, M. Fortin, A. Christ en A. Pontecorvi als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl, president, I. Nõmm (rapporteur) en D. Kukovec, rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken, met name de maatregel tot organisatie van de procesgang van 26 november 2025 en de antwoorden van verzoekster en het CPVO, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 12 en 11 december 2025,

gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten om overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Romagnoli Fratelli SpA, nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) van 3 augustus 2024 (zaak A001/2023) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan

2 Op 10 december 2009 heeft Meranini & C. Srl bij het CPVO een aanvraag voor een communautair kwekersrecht ingediend krachtens verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB 1994, L 227, blz. 1). Deze aanvraag werd ingeschreven onder nummer 2009/2240.

3 Het kweekproduct waarvoor een communautair kwekersrecht is aangevraagd, is het aardappelras Melrose, dat behoort tot de soort Solanum tuberosum L.

4 Bij beslissing van het CPVO van 20 februari 2012 is er een communautair kwekersrecht verleend voor het betrokken kweekproduct.

5 Na overdracht van het betrokken communautaire kwekersrecht is verzoekster sinds 24 april 2018 houder van het communautaire kwekersrecht.

6 Op 27 oktober 2021 heeft het CPVO een debetnota betreffende de betaling van de jaarlijkse rechten voor het betrokken communautair kwekersrecht opgesteld en naar verzoeksters gebruikersaccount in het CPVO-systeem „MyPVR” gezonden.

7 Aangezien de debetnota niet binnen de gestelde termijn was betaald, is overeenkomstig artikel 83, lid 2, van verordening nr. 2100/94 op 10 januari 2022 via MyPVR een formele herinnering aan verzoekster gestuurd. Daarin verzocht het CPVO verzoekster het uit hoofde van de jaarlijkse rechten verschuldigde bedrag binnen een maand te betalen om te voorkomen dat het betrokken communautaire kwekersrecht overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder c), van deze verordening vervallen zou worden verklaard.

8 Aangezien verzoekster de documenten betreffende de jaarlijkse rechten nog steeds niet van MyPVR had gedownload, heeft het CPVO haar op 16 februari 2022 opnieuw een herinnering gestuurd via e-mail, zonder evenwel de betalingstermijn te verlengen.

9 Op 21 maart 2022 heeft het CPVO het betrokken communautair kwekersrecht vervallen verklaard omdat de jaarlijkse rechten niet binnen de gestelde termijn waren betaald (hierna: „beslissing van 21 maart 2022”). De beslissing betreffende deze vervallenverklaring is op 22 maart 2022 ter kennis van verzoekster gebracht en wordt geacht op 30 maart 2022 te zijn betekend.

10 Op 6 mei 2022 heeft verzoekster op grond van artikel 80 van verordening nr. 2100/94 een verzoek tot herstel in de vorige toestand ingediend met betrekking tot de termijn voor betaling van bovengenoemde jaarlijkse rechten.

11 Op dezelfde dag heeft verzoekster de tot dan toe onbetaalde jaarlijkse rechten betaald.

12 Bij beslissing van 7 november 2022 heeft het CPVO verzoeksters verzoek tot herstel in de vorige toestand afgewezen (hierna: „beslissing van 7 november 2022”).

13 Op 5 januari 2023 heeft verzoekster tegen de beslissing van 7 november 2022 beroep ingesteld bij het Gerecht. Dit beroep is ingeschreven onder het nummer T‑2/23.

14 Op 6 januari 2023 heeft verzoekster bij de kamer van beroep van het CPVO beroep ingesteld tegen de beslissing van 21 maart 2022 waarbij het CPVO het betrokken communautaire kwekersrecht vervallen had verklaard.

15 Op dezelfde dag heeft verzoekster een verzoek tot herstel in de vorige toestand ingediend met betrekking tot de termijn voor het instellen van beroep tegen de beslissing van 21 maart 2022, aangezien de in artikel 69 van verordening nr. 2100/94 gestelde termijn van twee maanden om die beslissing aan te vechten bij de kamer van beroep van het CPVO, was verstreken.

16 Bij arrest van 17 april 2024, Romagnoli Fratelli/CPVO (Melrose) (T‑2/23, EU:T:2024:247), heeft het Gerecht het beroep tegen de beslissing van 7 november 2022 verworpen. Op 14 juni 2024 heeft rekwirante tegen dit arrest hogere voorziening ingesteld.

17 Op 3 augustus 2024 heeft de kamer van beroep de bestreden beslissing vastgesteld. Ten eerste was zij van mening dat het beroep tegen de beslissing van 21 maart 2022 te laat was ingesteld. Zij wees er namelijk op dat die beslissing werd geacht op 30 maart 2022 aan verzoekster te zijn betekend, dat de termijn voor het instellen van beroep dus op 30 mei 2022 was verstreken en dat het beroep meer dan zeven maanden na het verstrijken van die termijn was ingesteld. Ten tweede was de kamer van beroep van het CPVO van mening dat zij bevoegd was om zelf uitspraak te doen op het verzoek tot herstel in de vorige toestand. Ten derde heeft zij het verzoek tot herstel in de vorige toestand ten gronde afgewezen op grond dat verzoekster niet had aangetoond dat zij te maken had met bijzondere omstandigheden noch dat zij de noodzakelijke waakzaamheid had betracht om aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, van verordening nr. 2100/94 te voldoen. Ten vierde is de kamer van beroep op basis van deze afwijzing tot de slotsom gekomen dat het beroep tegen de beslissing van 21 maart 2022 niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Op 10 september 2024 is de bestreden beslissing ter kennis van verzoekster gebracht.

18 Bij arrest van 1 augustus 2025, Romagnoli Fratelli/CPVO (C‑426/24 P, niet gepubliceerd, EU:C:2025:619), heeft het Hof de hogere voorziening tegen het arrest van 17 april 2024, Melrose (T‑2/23, EU:T:2024:247), afgewezen.

Conclusies van partijen

19 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – de bestreden beslissing nietig te verklaren; – het verzoek tot herstel in de vorige toestand voor de kamer van beroep van het CPVO ontvankelijk te verklaren; – het betrokken communautaire kwekersrecht te herstellen; – het CPVO te verwijzen in de kosten.

20 Het CPVO verzoekt het Gerecht in wezen: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

Ontvankelijkheid van bewijselementen die voor het eerst zijn aangevoerd voor het Gerecht

21 Het CPVO verzoekt in wezen om een deel van bijlage 10 en de bijlagen 11 tot en met 14 en 16 tot en met 18 van het verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren, op grond dat verzoekster die bijlagen niet heeft overgelegd tijdens de administratieve procedure bij het CPVO.

22 Vastgesteld moet worden dat de bijlagen 10 tot en met 14 (met uitzondering van verzoeksters organigram voor het jaar 2022, dat op de vierde bladzijde van bijlage 10 is weergegeven) en de bijlagen 16 tot en met 18 bij het verzoekschrift niet in het dossier van de procedure bij het CPVO zijn opgenomen.

23 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak de rechtmatigheid van een handeling van de Unie moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de instelling kon beschikken op het ogenblik waarop zij deze vaststelde. Derhalve kan niemand zich voor de Unierechter beroepen op feitelijke gegevens die tijdens de administratieve procedure niet zijn meegedeeld (arrest van 17 april 2024, Melrose,T‑2/23, EU:T:2024:247, punt 32; zie ook naar analogie arrest van 8 maart 2023, Novasol/ECHA, T‑70/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:106, punt 22).

24 Aangezien de in punt 22 hierboven vermelde bijlagen voor het eerst zijn overgelegd aan het Gerecht, kan daarmee geen rekening worden gehouden bij de toetsing van de rechtmatigheid van de bestreden beslissing en moeten zij bijgevolg buiten beschouwing worden gelaten.

Ten gronde

25 Vooraf zij opgemerkt dat vaststaat dat het bij de kamer van beroep van het CPVO tegen de beslissing van 21 maart 2022 ingestelde beroep meer dan zeven maanden na het verstrijken van de beroepstermijn is ingesteld. Het door verzoekster op 6 januari 2023 ingediende verzoek tot herstel in de vorige toestand strekte er dus toe haar te herstellen in haar recht om beroep in te stellen tegen de beslissing van 21 maart 2022.

26 In dit verband heeft de kamer van beroep van het CPVO in de punten 28 en 29 van de bestreden beslissing aangevoerd dat de termijn die was verstreken en die tot het verzoek tot herstel in de vorige toestand had geleid, betrekking had op een termijn die ten aanzien van die kamer in acht moest worden genomen, en niet ten aanzien van het CPVO in eerste aanleg. Bijgevolg was zij van mening dat het beroep tegen de beslissing van 21 maart 2022 en het verzoek tot herstel in de vorige toestand onlosmakelijk met elkaar verbonden waren en dat zij dus bevoegd was om dit verzoek te behandelen.

27 Deze conclusie van de kamer van beroep van het CPVO dat zij bevoegd was om uitspraak te doen op het verzoek tot herstel in de vorige toestand, waarmee partijen het overigens eens zijn, moet worden aanvaard.

28 In dit verband zij eraan herinnerd dat hoofdstuk VI van het vierde deel van verordening nr. 2100/94 een reeks „procedurebepalingen” bevat.

29 Een van de in punt 28 hierboven genoemde bepalingen is artikel 80, lid 1, van verordening nr. 2100/94. Dit artikel bepaalt dat „[de] aanvrager van een communautair kwekersrecht, de houder of iedere andere partij in een procedure voor het [b]ureau die, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid, niet in staat is geweest tegenover het [b]ureau een termijn in acht te nemen, […] op verzoek in zijn rechten [wordt] hersteld indien de verhindering ingevolge [die] verordening rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg heeft”.

30 Benadrukt dient te worden dat, anders dan andere procedurebepalingen in hoofdstuk VI van het vierde deel van verordening nr. 2100/94, zoals artikel 77 van deze verordening, die een onderscheid maken tussen de procedure „voor het [b]ureau” en de procedure „voor de kamer van beroep”, in artikel 80, lid 1, van deze verordening niets erop wijst dat het daarin vervatte begrip „[b]ureau” de kamer van beroep uitsluit. Net als bij de werkingssfeer van artikel 75 van verordening nr. 2100/94, dat bepaalt dat „[d]e beslissingen van het [b]ureau […] met redenen [worden] omkleed”, kan de werkingssfeer van artikel 80, lid 1, van deze verordening aldus worden opgevat dat zij de kamer van beroep omvat.

31 Het feit dat geen enkele bepaling van verordening nr. 2100/94 uitdrukkelijk bepaalt dat wanneer een verzoek tot herstel in de vorige toestand betrekking heeft op een termijn die een aanvrager niet in acht heeft kunnen nemen voor de kamer van beroep van het CPVO, deze kamer bevoegd is om daarover uitspraak te doen, betekent niet dat die kamer niet over die bevoegdheid beschikt.

32 Ten eerste moet namelijk worden benadrukt dat artikel 35 van verordening nr. 2100/94, dat betrekking heeft op de interne verdeling van de bevoegdheden met betrekking tot de beslissingen van het CPVO, in lid 1 voorziet in een principiële bevoegdheid van de voorzitter van het CPVO voor alle beslissingen die niet onder de bevoegdheid van de kamers van beroep vallen, en in lid 2 in een bevoegdheid van de comités.

33 Artikel 81, lid 1, van verordening nr. 2100/94 bepaalt dat in zoverre in die verordening of in de bepalingen ter uitvoering van die verordening procedurevoorschriften ontbreken, het CPVO de in de lidstaten algemeen aanvaarde beginselen van procesrecht toepast. Op het gebied van herstel in de vorige toestand is de instantie die bevoegd is om uitspraak te doen op het verzoekschrift, in beginsel en krachtens het beginsel van parallellisme van bevoegdheden, de instantie die bevoegd was om vast te stellen dat de termijn niet in acht was genomen.

34 De gecombineerde lezing van de artikelen 35 en 81 van verordening nr. 2100/94 kan er dus toe leiden dat wordt erkend dat de Uniewetgever impliciet de kamer van beroep van het CPVO in staat heeft willen stellen een verzoek tot herstel in de vorige toestand te behandelen dat betrekking heeft op een termijn die een aanvrager voor die kamer niet in acht heeft kunnen nemen.

35 Ten tweede is het juist dat artikel 7 van verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr. 2100/94 wat betreft de procedures voor het CPVO (PB 2009, L 251, blz. 3) bepaalt dat de comités beslissingen nemen over kwesties in verband met herstel in de vorige toestand overeenkomstig artikel 80 van verordening nr. 2100/94. Artikel 7 van verordening nr. 874/2009 bepaalt echter ook dat het onderzoek van die kwesties een aanvulling vormt op de beslissingen die de comités nemen op grond van de hun bij artikel 35, lid 2, van verordening nr. 2100/94 toegewezen bevoegdheid. Bijgevolg kan artikel 7 van verordening nr. 874/2009, gelezen in het licht van laatstgenoemde bepaling, aldus worden uitgelegd dat het de comités slechts de bevoegdheid verleent om uitspraak te doen over herstel in de vorige toestand in aangelegenheden waarin zij krachtens artikel 35, lid 2, van verordening nr. 2100/94 een toegewezen bevoegdheid hebben gekregen. Een dergelijke uitlegging strookt met het beginsel dat een uitvoeringsverordening, voor zover mogelijk, moet worden uitgelegd in overeenstemming met de bepalingen van de basisverordening (arresten van 24 juni 1993, Dr Tretter,C‑90/92, EU:C:1993:264, punt 11, en 10 september 1996, Commissie/Duitsland,C‑61/94, EU:C:1996:313, punt 52). Volgens een dergelijke uitlegging van artikel 7 van verordening nr. 874/2009 valt herstel in de vorige toestand met betrekking tot een termijn die een aanvrager niet in acht heeft kunnen nemen voor de kamer van beroep van het CPVO, niet onder de bevoegdheid van de comités.

36 Hieraan moet worden toegevoegd dat de bestaansreden van artikel 7 van verordening nr. 874/2009 gelegen is in de noodzaak om op het niveau van het CPVO te bepalen welke persoon (te weten de voorzitter of iemand onder diens gezag) of welk comité bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek tot herstel in de vorige toestand wanneer voor die instantie een termijn niet in acht is genomen. Het is daarentegen zinloos om in die verordening te bepalen wie bevoegd is wanneer het gaat om een verzoek tot herstel in de vorige toestand dat betrekking heeft op een termijn die niet in acht is genomen voor de kamer van beroep van het CPVO. Deze laatste is namelijk juist als enige bevoegd om de kwestie te beslechten en hoeft in dit verband dus niet uitdrukkelijk in verordening nr. 2100/94 te worden aangeduid.

37 Ten derde blijkt uit de zesentwintigste overweging van verordening nr. 2100/94 dat „de taken en bevoegdheden van het [CPVO], met inbegrip van de [k]amers van beroep, ten aanzien van het verlenen, het beëindigen of het controleren van een communautair kwekersrecht, en ten aanzien van de publicaties, voor zover mogelijk gebaseerd zijn op de voor andere regelingen reeds bestaande voorschriften; dat dit eveneens geldt voor de structuur en het huishoudelijk reglement van het [b]ureau, de samenwerking met de Commissie en de lidstaten, met name via de raad van bestuur, de inschakeling van onderzoeksbureaus voor het technisch onderzoek en, bovendien, de noodzakelijke begrotingsmaatregelen”.

38 In dit verband is de kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) bevoegd om kennis te nemen van een verzoek tot herstel in de vorige toestand wanneer de niet-verrichte handeling waarop dat verzoek betrekking heeft, betrekking heeft op een beroep dat te laat bij haar is ingesteld. Artikel 104, lid 4, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), met als opschrift „Herstel in de vorige toestand”, bepaalt namelijk dat „[d]e instantie die bevoegd is te beslissen over de niet verrichte handeling, beslist over het verzoek”, overeenkomstig het in punt 33 hierboven in herinnering gebrachte beginsel van parallellisme van bevoegdheden.

39 In die zin moeten ook zo mogelijk de bevoegdheden van het CPVO, met inbegrip van die van zijn kamers van beroep, worden uitgelegd aan de hand van de bovengenoemde regels die voor het EUIPO zijn vastgesteld bij verordening 2017/1001. Dit pleit ook voor de vaststelling dat de kamer van beroep van het CPVO bevoegd moet zijn om een verzoek tot herstel in de vorige toestand te behandelen dat betrekking heeft op een termijn die een aanvrager voor haar niet in acht heeft kunnen nemen.

40 Uit de punten 28 tot en met 39 hierboven volgt dat de kamer van beroep van het CPVO op goede gronden heeft geoordeeld dat zij bevoegd was om uitspraak te doen op het verzoek tot herstel in de vorige toestand, dat erop was gebaseerd dat verzoekster voor die kamer de beroepstermijn niet in acht had genomen.

41 Het beroep is gebaseerd op vier middelen: ten eerste, onjuiste beoordeling van de vraag of er sprake was van overmacht als gevolg van de COVID‑19-pandemie, ten tweede, onjuiste beoordeling van de vraag of er sprake was van een verschoonbare dwaling, ten derde, onjuiste of onnauwkeurige uitlegging van het bewijs en, ten vierde, schending van artikel 65 van verordening nr. 874/2009.

42 Het Gerecht acht het opportuun om de eerste drie middelen samen te onderzoeken en vervolgens het vierde middel te onderzoeken.

Eerste, tweede en derde middel: onjuiste beoordeling van de vraag of er sprake was van overmacht als gevolg van de COVID‑19-pandemie, onjuiste beoordeling van de vraag of er sprake was van een verschoonbare dwaling en onjuiste of onnauwkeurige uitlegging van het bewijs

43 Met haar eerste, tweede en derde middel verwijt verzoekster de kamer van beroep van het CPVO in wezen dat zij is voorbijgegaan aan het feit dat zij te maken had met overmacht als gevolg van de COVID‑19-pandemie. Zij is namelijk van mening dat die kamer van beroep geen beoordeling op basis van de feiten heeft verricht, maar enkel heeft geoordeeld dat de overgelegde bewijzen niet overtuigend waren. Ten eerste beroept verzoekster zich op talrijke afwezigheden om medische redenen van haar personeelsleden. Zij wijst in het bijzonder op de afwezigheid van de enige werknemer die belast is met contacten en correspondentie met het CPVO. Ten tweede stelt zij dat, gezien het feit dat zij een middelgrote landbouwonderneming is, elke vorm van personeelstekort voor haar een geval van overmacht vormde. Zij voegt daar in dit verband aan toe dat zowel financiële als juridische belemmeringen haar hebben belet het personeelstekort op te vangen.

44 Het CPVO betwist het ter ondersteuning van deze middelen aangevoerde betoog.

45 Overeenkomstig artikel 80, lid 1, van verordening nr. 2100/94, wordt de aanvrager van een communautair kwekersrecht, de houder of iedere andere partij in een procedure bij het bureau die, ondanks het betrachten van alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid, niet in staat is geweest tegenover het bureau om een termijn in acht te nemen, op verzoek in zijn rechten hersteld indien de verhindering ingevolge die verordening rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg heeft.

46 Uit artikel 80, lid 1, van verordening nr. 2100/94 blijkt dat voor herstel in de vorige toestand aan twee voorwaarden moet zijn voldaan. Ten eerste moet de betrokkene alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid hebben betracht en, ten tweede, moet de verhindering van de betrokkene rechtstreeks het verlies van een recht of van een rechtsmiddel tot gevolg hebben gehad [zie naar analogie arrest van 15 september 2011, Prinz Sobieski zu Schwarzenberg/BHIM – British-American Tobacco Polska (Romuald Prinz Sobieski zu Schwarzenberg), T‑271/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:478, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

47 Bovendien is de inachtneming van termijnen van openbare orde, en kan herstel in de vorige toestand afbreuk doen aan de rechtszekerheid. Bijgevolg moeten de voorwaarden voor de toepassing van herstel in de vorige toestand strikt worden uitgelegd [zie in die zin en naar analogie beschikking van 9 december 2022, AMO Development/EUIPO (Medische instrumenten), T‑311/22, niet gepubliceerd, EU:T:2022:822, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48 In casu betwist verzoekster in het kader van de drie gezamenlijk aangevoerde middelen in wezen de beoordeling van de kamer van beroep van het CPVO met betrekking tot de eerste in punt 46 hierboven vermelde voorwaarde, voor zover die kamer tot de slotsom is gekomen dat zij niet had bewezen dat zij te maken had met bijzondere omstandigheden en dat zij alle in de gegeven omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid had betracht.

49 In de eerste plaats moet het argument worden onderzocht dat is gebaseerd op de afwezigheden van verzoeksters personeelsleden als gevolg van de COVID‑19-pandemie.

50 Ten eerste heeft de kamer van beroep terecht geoordeeld dat verzoekster geen overtuigende argumenten had aangevoerd op grond waarvan kon worden vastgesteld dat de betrokken afwezigheden verklaarden waarom de termijn voor het instellen van beroep bij haar niet in acht was genomen.

51 Verzoekster betwist immers niet dat zij de beslissing van 21 maart 2022 op 30 maart 2022 heeft ontvangen. Zij diende dus concreet aan te tonen waarom zij de beroepstermijn, die liep van 30 maart tot en met 30 mei 2022, niet in acht had kunnen nemen.

52 Verzoekster heeft echter geen enkel bewijs aangedragen waaruit blijkt dat de afwezigheden om medische redenen van haar personeelsleden zich in de periode van 30 maart tot en met 30 mei 2022 hebben voorgedaan.

53 Wat ten tweede het meer specifieke argument betreft dat de enige werknemer die belast was met de correspondentie met het CPVO afwezig was, blijkt om te beginnen uit de verklaring van de betrokkene dat zij eerder in januari 2022 afwezig was geweest. Verzoekster heeft geen enkel document overgelegd waaruit blijkt gedurende welke periode deze werknemer, die belast zou zijn met de correspondentie met het CPVO, afwezig was en dus niet in staat was de haar toevertrouwde taken met betrekking tot die correspondentie uit te voeren.

54 Bijgevolg heeft verzoekster geen bewijzen aangedragen waaruit blijkt dat de met de correspondentie met het CPVO belaste werknemer afwezig was in de periode tussen maart en mei 2022 en dat zij aldus te maken had gehad met bijzondere omstandigheden als gevolg van de COVID‑19-pandemie, waardoor zij de termijn voor het instellen van beroep bij de kamer van beroep van het CPVO tegen de beslissing van 21 maart 2022 niet in acht had kunnen nemen.

55 Vervolgens heeft verzoekster, gesteld al dat deze werknemer in de periode van 30 maart tot en met 30 mei 2022 afwezig was geweest, geen enkel element aangevoerd dat kan rechtvaardigen dat die werknemer niet kon worden vervangen.

56 Ten slotte moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft uitgelegd waarom zij geen andere mogelijke oplossingen had toegepast ter compensatie van de afwezigheid van haar werknemer die met de correspondentie met het CPVO zou zijn belast. Zo heeft verzoekster, zelfs al zou zijn bewezen dat deze werknemer afwezig was, hetgeen in casu niet het geval is, niet uitgelegd of met bewijzen gestaafd wat haar heeft belet om de taken van die werknemer en de gegevens waarmee deze toegang kon krijgen tot MyPVR, gedurende de betrokken periode over te dragen aan een ander personeelslid.

57 In dit verband heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat de onbeschikbaarheid van een persoon binnen een onderneming, gesteld al dat deze is bewezen, niet kan worden beschouwd als een omstandigheid die zich buiten toedoen van de verzoekende partij heeft voorgedaan, ook al is die persoon belast met de correspondentie met een instelling [zie in die zin beschikking van 24 maart 2022, Cheers Interactive (India)/EUIPO – Furrion Property (Afbeelding van drie horizontale zwarte strepen), T‑544/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:202, punt 36].

58 Wat ten derde het argument betreft dat is ontleend aan de cyberaanval van een partneronderneming waarvan verzoekster onbedoeld slachtoffer is geweest, heeft verzoekster niet aangegeven, laat staan aangetoond, in welk opzicht een cyberaanval die eind december 2021 heeft plaatsgevonden en waartegen op 7 januari 2022 een klacht bij de openbaar aanklager van de Italiaanse Republiek is ingediend, kon rechtvaardigen dat een termijn die vijf maanden later verviel, niet in acht werd genomen, temeer daar niet wordt betwist dat verzoekster de beslissing van 21 maart 2022 op 30 maart 2022 heeft ontvangen.

59 Ten vierde moet verzoeksters argument worden afgewezen dat het CPVO haar in wezen niet naar behoren in kennis heeft gesteld van de toepasselijke regels en de beroepsmogelijkheden. Om te beginnen heeft het CPVO in de beslissing van 21 maart 2022 verzoekster duidelijk gewezen op de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen deze beslissing binnen twee maanden na de inwerkingtreding ervan.

60 Vervolgens is verzoekster, zoals het CPVO zeer terecht benadrukt, bij e-mail van 5 mei 2022 duidelijk geïnformeerd over de mogelijkheid om beroep in te stellen en de voorwaarden daarvoor. Het CPVO heeft zelfs gepreciseerd aan welke voorwaarden moest zijn voldaan om zowel een beroep tot nietigverklaring als een verzoek tot herstel in de vorige toestand in te stellen.

61 Ten slotte bevat geen enkele bepaling de verplichting voor het CPVO om een partij in kennis te stellen van de procedures waarover zij beschikt, laat staan dat het die partij moet adviseren om procedurele stappen te ondernemen [zie naar analogie arrest van 4 mei 2018, Skyleader/EUIPO – Sky International (SKYLEADER), T‑34/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:256, punt 43].

62 In de tweede plaats kan verzoeksters betoog dat zij als middelgrote onderneming niet over voldoende financiële middelen beschikte om extra personeel aan te werven om personeel met ziekteverlof te vervangen, niet slagen. Zij beroept zich eveneens tevergeefs op juridische belemmeringen die haar zouden hebben belet om personeel aan te werven.

63 Ten eerste komt verzoeksters vage betoog namelijk erop neer dat elke vorm van personeelstekort voor een middelgrote landbouwonderneming als overmacht moet worden beschouwd.

64 Een dergelijke redenering volstaat niet om concreet aan te tonen dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van herstel in de vorige toestand en dat het CPVO dienaangaande een beoordelingsfout heeft gemaakt. Zoals in punt 47 hierboven is benadrukt, moet eraan worden herinnerd dat deze voorwaarden strikt moeten worden uitgelegd.

65 Ten tweede wordt voor het Gerecht voor het eerst het argument aangevoerd dat verzoekster wegens de Italiaanse wetgeving wettelijk verhinderd was om personeel aan te werven.

66 De rechtmatigheid van de bestreden beslissing moet door de Unierechter worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover het CPVO kon beschikken op het ogenblik waarop het die beslissing heeft vastgesteld (zie in die zin arrest van 24 september 2025, AQ/ECHA, T‑1101/23, niet gepubliceerd, EU:T:2025:894, punt 33).

67 Bovendien is de wetgevingshandeling waarop verzoekster haar redenering baseert niet bij het verzoekschrift gevoegd. In dat verzoekschrift wordt slechts vaag en zonder context verwezen naar een bepaling van die wettelijke regeling, en het bevat dus geen concrete toelichting aan de hand waarvan kan worden bepaald of en op welke wijze de betrokken wettelijke regeling in casu daadwerkelijk van toepassing zou zijn geweest.

68 Bijgevolg is het CPVO, na rekening te hebben gehouden met de feiten die het bureau ten tijde van het verzoek tot herstel in de vorige toestand waren verstrekt, terecht tot de slotsom gekomen dat verzoekster niet had bewezen dat zij met bijzondere omstandigheden te kampen had, noch dat zij de in die omstandigheden noodzakelijke waakzaamheid had betracht.

69 Hieruit volgt dat de eerste drie middelen ongegrond moeten worden verklaard.

Vierde middel: schending van artikel 65 van verordening nr. 874/2009

70 Met haar vierde middel betoogt verzoekster ten eerste dat zij de op 10 januari 2022 door het CPVO toegezonden herinnering betreffende de onbetaalde jaarlijkse rechten niet heeft ontvangen. Zij verwijt het CPVO artikel 65 van verordening nr. 874/2009 te hebben geschonden omdat het niet had aangetoond dat die herinnering daadwerkelijk aan verzoekster was betekend en dat zij die ontvangen had. Ten tweede betwist zij in wezen dat het platform MyPVR wordt beschouwd als een officiële wijze van betekening van documenten of beslissingen in de zin van verordening nr. 2100/94 en verordening nr. 874/2009, en trekt zij bijgevolg de toepasselijkheid in twijfel van de algemene voorwaarden voor het gebruik van elektronische systemen voor communicatie die afkomstig is van of bestemd is voor het CPVO (hierna: „algemene voorwaarden van MyPVR”), zoals omschreven in het besluit van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016.

71 Het CPVO betwist de argumenten die ter ondersteuning van dit middel zijn aangevoerd.

72 Vooraf moet worden benadrukt dat de ter ondersteuning van het vierde middel aangevoerde argumenten in wezen identiek zijn aan die welke zijn aangevoerd in het kader van het tweede middel in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 17 april 2024, Melrose (T‑2/23, EU:T:2024:247), dat in hogere voorziening is bevestigd bij het arrest van 1 augustus 2025, Romagnoli Fratelli/CPVO (C‑426/24 P, niet gepubliceerd, EU:C:2025:619). Zij dienen op dezelfde wijze te worden beantwoord.

73 In de eerste plaats vormt MyPVR een geldig officieel kanaal voor de betekening van de debetnota van 27 oktober 2021 en de herinnering van 10 januari 2022 (arrest van 17 april 2024, Melrose,T‑2/23, EU:T:2024:247, punten 52‑65).

74 Overeenkomstig artikel 79 van verordening nr. 2100/94 betekent het CPVO namelijk ambtshalve alle beslissingen en oproepen, alsook de kennisgevingen en mededelingen die een termijn doen ingaan of waarvan de betekening is voorgeschreven in andere bepalingen van deze verordening, in bepalingen ter uitvoering van deze verordening of in opdracht van de voorzitter van het CPVO. De betekening kan geschieden door tussenkomst van de bevoegde bureaus voor plantenrassen van de lidstaten.

75 Aangezien in casu zowel in de debetnota van 27 oktober 2021 als in de herinnering van 10 januari 2022 een door verzoekster in acht te nemen termijn is vastgesteld, moeten zij worden beschouwd als „kennisgevingen [of] mededelingen die een termijn doen ingaan” in de zin van artikel 79 van verordening nr. 2100/94.

76 Overeenkomstig artikel 64, lid 4, van verordening nr. 874/2009 geschiedt de betekening van stukken of afschriften van stukken, die betrekking hebben op handelingen waarvoor in artikel 79 van verordening nr. 2100/94 betekening is voorgeschreven, via door de voorzitter van het CPVO vast te stellen elektronische middelen of per post bij aangetekende zending met verzoek om ontvangstbevestiging.

77 Uit de bewoordingen van artikel 64, lid 4, van verordening nr. 874/2009 blijkt dat de mededelingen en kennisgevingen van het CPVO die een termijn in de zin van artikel 79 van verordening nr. 2100/94 doen ingaan, langs elektronische weg kunnen worden betekend en dat de nadere regels voor die betekening langs elektronische weg worden vastgesteld door de voorzitter van het CPVO.

78 Overeenkomstig artikel 64, lid 4, van verordening nr. 874/2009 heeft de voorzitter van het CPVO op 20 december 2016 een beslissing vastgesteld betreffende elektronische communicatie van en naar het CPVO.

79 Artikel 3, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 bepaalt dat het CPVO op zijn website „www.cpvo.europa.eu” een elektronisch communicatieplatform ter beschikking stelt dat gebruikers in staat stelt alle elektronisch beschikbare documenten en kennisgevingen van het CPVO alsmede het antwoord op kennisgevingen en verzoeken om dossiers en andere documenten te ontvangen te visualiseren, af te drukken en op te slaan. Dit elektronische communicatieplatform is een systeem met beperkte toegang dat „MyPVR” wordt genoemd.

80 Artikel 3, vierde alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 bepaalt dat MyPVR na de oprichting ervan de mogelijkheid zal bieden om alle mededelingen van het CPVO langs elektronische weg te ontvangen. Als de gebruiker voor deze optie kiest, zal het CPVO alle kennisgevingen elektronisch via dit platform sturen, behoudens wanneer dit om technische redenen onmogelijk is.

81 Volgens artikel 4, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 worden alle officiële kennisgevingen van het CPVO die beschikbaar zijn in elektronische vorm, via MyPVR aan de gebruiker meegedeeld zodra deze de mogelijkheid activeert om langs elektronische weg met het CPVO te communiceren. Stukken die handelingen bevatten waarvoor artikel 79 van verordening nr. 2100/94 in een ambtshalve betekening voorziet, worden via MyPVR betekend.

82 Volgens artikel 6 van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016„worden in de op de website van [het CPVO] vermelde algemene gebruiksvoorwaarden voor elektronische communicatie van en naar [het CPVO] via MyPVR, de elektronische stappen, de desbetreffende voorwaarden en de technische voorschriften voor en de elektronische kennisgevingen en/of mededelingen van en naar [het CPVO], alsook de door de gebruikers na te komen gebruiksverplichtingen nader omschreven”.

83 Uit artikel 3, eerste en vierde alinea, en artikel 4, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016, die in de bovengenoemde punten 79 tot en met 81 zijn vermeld, volgt dat alle mededelingen en kennisgevingen, met inbegrip van die welke onder artikel 79 van verordening nr. 2100/94 vallen, kunnen worden gedaan via het platform MyPVR, op voorwaarde dat de gebruiker de optie heeft geactiveerd die het CPVO in staat stelt langs elektronische weg met hem te communiceren.

84 Bovendien bepaalt het in punt 82 hierboven genoemde artikel 6 van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 dat in de algemene voorwaarden van MyPVR de elektronische stappen, de desbetreffende voorwaarden en de technische voorschriften voor de elektronische kennisgevingen en/of mededelingen van het CPVO nader worden omschreven. Bijgevolg kan evenmin ter discussie worden gesteld dat die algemene voorwaarden van toepassing zijn.

85 Voorts wordt in punt 4, onder b), van versie 3.0 van de algemene voorwaarden van MyPVR opnieuw bevestigd dat wanneer de gebruiker voor elektronische communicatie heeft gekozen, het CPVO hem op rechtsgeldige wijze langs elektronische weg in kennis stelt van de besluiten, mededelingen en andere documenten via MyPVR, tenzij dit om technische redenen onmogelijk blijkt of wanneer bepaalde functionaliteiten van dat platform in ontwikkeling zijn. In dergelijke gevallen kan elektronische communicatie per e-mail of via enig ander geldig communicatiemiddel als erkend middel van betekening worden toegelaten.

86 De grief dat het MyPVR in wezen onrechtmatig is voor zover dit een van de officiële wijzen van betekening vormt, kan dus niet slagen.

87 Uit artikel 3, vierde alinea, en artikel 4, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 en uit punt 4, onder b), van versie 3.0 van de algemene voorwaarden van MyPVR blijkt echter dat voor het gebruik van MyPVR als officiële wijze van betekening als voorwaarde geldt dat de gebruiker de optie heeft geactiveerd waarmee hij het CPVO toestaat elektronisch met hem te communiceren.

88 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster niet betwist dat zij had gekozen voor elektronische communicatie via MyPVR in de zin van de in punt 87 hierboven genoemde bepalingen en dat zij versie 3.0 van de algemene voorwaarden van MyPVR had aanvaard en aldus heeft bevestigd dat zij voor elektronische communicatie had gekozen.

89 Volgens punt 2 van versie 3.0 van de algemene voorwaarden van MyPVR verbinden de gebruikers zich ertoe dit platform te gebruiken om met name kennisgevingen en documenten van het CPVO te ontvangen. Elektronische communicatie per e-mail kan alleen als erkend communicatiemiddel worden aanvaard wanneer het platform niet geschikt is. Bovendien bepaalt de tweede alinea van punt 2 van de algemene voorwaarden van MyPVR dat de gebruiker zich er met de gebruikmaking van MyPVR toe verbindt om de in punt 2, eerste alinea, van die algemene voorwaarden genoemde verplichtingen na te komen.

90 Bijgevolg lijdt het geen twijfel dat verzoekster, door gebruik te maken van MyPVR en door de algemene voorwaarden ervan te aanvaarden, ermee heeft ingestemd om kennisgevingen en mededelingen van het CPVO te ontvangen via MyPVR.

91 Gelet op het voorgaande moet de grief dat MyPVR als wijze van officiële betekening aan verzoekster onrechtmatig is, worden afgewezen.

92 In de tweede plaats moet de grief dat artikel 65 van verordening nr. 874/2009 is geschonden op grond dat het CPVO niet had aangetoond dat de op 10 januari 2022 verzonden herinnering daadwerkelijk aan verzoekster was betekend en zij die ontvangen had, worden afgewezen om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in het arrest van 17 april 2024, Melrose (T‑2/23, EU:T:2024:247, punten 71‑77).

93 Er zij namelijk op gewezen dat de herinnering van 10 januari 2022 via MyPVR is verzonden. Bijgevolg kan artikel 65 van verordening nr. 874/2009, dat betrekking heeft op betekening per post, in casu geen toepassing vinden. In dit verband moet worden verwezen naar artikel 64 bis van verordening nr. 874/2009, dat betrekking heeft op betekening langs elektronische weg of via andere technische middelen.

94 Artikel 64 bis, lid 1, van verordening nr. 874/2009 bepaalt dat betekening langs elektronische weg geschiedt door het toezenden van een elektronisch exemplaar van het stuk dat ter kennis moet worden gebracht. Betekening wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de datum waarop de ontvanger de mededeling heeft ontvangen. De voorzitter van het CPVO stelt de nadere voorschriften betreffende betekening langs elektronische weg vast. Volgens artikel 64 bis, lid 3, van diezelfde verordening stelt de voorzitter van het CPVO de nadere voorschriften betreffende betekening via andere technische middelen voor het verstrekken van informatie vast.

95 Zoals reeds is vastgesteld in de punten 88 tot en met 90 hierboven, betwist verzoekster niet dat zij ermee heeft ingestemd de mededelingen en kennisgevingen van het CPVO via MyPVR te ontvangen. In dit verband dient er tevens aan te worden herinnerd dat volgens artikel 4, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016, zodra de gebruiker de mogelijkheid heeft geactiveerd om langs elektronische weg met het CPVO te communiceren, alle officiële kennisgevingen van het CPVO die beschikbaar zijn in elektronische vorm, met inbegrip van documenten die stukken bevatten waarvoor betekening is voorgeschreven in artikel 79 van verordening nr. 2100/94, via MyPVR aan hem worden meegedeeld. MyPVR moet dus worden beschouwd als de enige officiële wijze voor het toezenden van de officiële kennisgevingen, met inbegrip van die waarin artikel 79 van verordening nr. 2100/94 voorziet.

96 Bijgevolg heeft het CPVO verzoekster krachtens artikel 4, eerste alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 via MyPVR in kennis gesteld, ten eerste, op 27 oktober 2021 van een debetnota betreffende de betaling van de jaarlijkse rechten, gevolgd door een automatische e-mail op 28 oktober 2021, en, ten tweede, op 10 januari 2022, van de betrokken herinnering tot betaling van de niet-betaalde rechten overeenkomstig artikel 83, lid 2, van verordening nr. 2100/94, gevolgd door een automatische e-mail op 11 januari 2022.

97 Wat de daadwerkelijke betekening van de herinnering van 10 januari 2022 betreft, preciseert artikel 4, vierde alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016 dat een beslissing of enig ander document wordt geacht te zijn betekend bij het verstrijken van de zevende dag volgende op die waarop een e-mail aan de gebruiker is verzonden om hem te waarschuwen dat het CPVO de digitale kopie van de beslissing of het document heeft geüpload naar het gebruikersaccount op MyPVR. In casu volgt hieruit dat de herinnering van 10 januari 2022 moet worden geacht te zijn betekend op 18 januari 2022, te weten de zevende dag na 11 januari 2022, de datum van verzending van de automatische e-mail waarbij verzoekster ervan in kennis werd gesteld dat het betrokken document naar MyPVR was geüpload.

98 Bovendien moet de gebruiker overeenkomstig artikel 4, vijfde alinea, van de beslissing van de voorzitter van het CPVO van 20 december 2016, indien hij er niet in slaagt een beslissing of ander document in te zien, het CPVO daarvan onverwijld in kennis stellen. In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster het CPVO niet in kennis heeft gesteld van enig probleem met de toegang tot de betrokken documenten.

99 Bijgevolg kan het CPVO niet worden verweten dat het de herinnering van 10 januari 2022 niet heeft betekend. Bij gebreke van tegenbewijs van verzoekster wordt zij geacht de betrokken herinnering op 18 januari 2022 te hebben ontvangen. Ook deze grief moet dus ongegrond worden verklaard.

100 Gelet op het voorgaande dient het vierde middel, en bijgevolg het beroep in zijn geheel, ongegrond te worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over verzoeksters tweede vordering, die er in wezen toe strekt dat het Gerecht het door de kamer van beroep onderzochte verzoek tot herstel in de vorige toestand toewijst, en evenmin over verzoeksters derde vordering, die ertoe strekt dat het Gerecht het betrokken communautaire kwekersrecht herstelt.

Kosten

101 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

102 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het CPVO te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Romagnoli Fratelli SpA wordt verwezen in de kosten.

Škvařilová-Pelzl Nõmm Kukovec Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 april 2026. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken