Gerecht EU 29 oktober 2025, T-351/24, ECLI:EU:T:2025:996
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
29 oktober 2025 ( *1 )
„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniewoordmerk DEVIN – Absolute weigeringsgronden – Beschrijvend karakter – Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009 – Recht om te worden gehoord na een arrest houdende vernietiging van het Gerecht – Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik – Artikel 7, lid 3, en artikel 52, lid 2, van verordening nr. 207/2009”
In zaak T‑351/24,
Devin EAD, gevestigd te Devin (Bulgarije), vertegenwoordigd door B. Van Asbroeck, G. de Villegas en R. Meys, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door T. Klee als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:
Haskovo Chamber of Commerce and Industry, gevestigd te Haskovo (Bulgarije), vertegenwoordigd door D. Dimitrova en I. Pakidanska, advocaten,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, U. Öberg (rapporteur) en P. Zilgalvis, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gelet op het feit dat de partijen niet binnen drie weken te rekenen vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling om een terechtzitting hebben verzocht en na de beslissing krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster, Devin EAD, om de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 7 mei 2024 (zaak R 2535/2019‑4; hierna: „bestreden beslissing”) te wijzigen.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 11 juli 2014 heeft interveniënte, Haskovo Chamber of Commerce and Industry (HCCI, kamer van koophandel en industrie van Haskovo, Bulgarije), bij het EUIPO een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het Uniemerk dat op 21 januari 2011 was ingeschreven naar aanleiding van de op 29 september 2010 ingediende aanvraag voor het woordteken DEVIN.
3 Het litigieuze merk betreft waren die behoren tot klasse 32 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Deze waren zijn omschreven als volgt: „Alcoholvrije dranken; mineraalwater; selterswater; dranken met een vruchtensmaak; sappen; siropen en andere preparaten voor de vervaardiging van dranken; aperitieven, alcoholvrije dranken; bronwater; gearomatiseerd water; alcoholvrije vruchtenextracten; alcoholvrije vruchtendranken; tafelwater; waters (dranken); selterswater; groentesappen (dranken); isotone dranken; alcoholvrije cocktails; vruchtennectars, alcoholvrij; sodawater (spuitwater)”.
4 De tot staving van de vordering tot nietigverklaring aangevoerde gronden waren die van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, onder c), f) en g), van die verordening, aangezien het litigieuze merk beschrijvend is voor de erdoor aangeduide waren, hetgeen in strijd is met de openbare orde of de goede zeden en het publiek kan misleiden.
5 Op 29 januari 2016 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring toegewezen op grond van artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009. Zij was met name van oordeel dat de geografische benaming Devin onder die bepalingen viel, aangezien die benaming door het grote publiek in Bulgarije en door een deel van het publiek in de buurlanden werd opgevat als een beschrijving van de geografische oorsprong van de betrokken waren.
6 Op 24 maart 2016 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.
7 Bij beslissing van 2 december 2016 heeft de tweede kamer van beroep verzoeksters beroep verworpen.
8 Bij een op 22 februari 2017 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tot vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van 2 december 2016. Dit beroep is ingeschreven onder zaaknummer T‑122/17.
9 Bij arrest van 25 oktober 2018, Devin/EUIPO – Haskovo (DEVIN) (T‑122/17, EU:T:2018:719), heeft het Gerecht de beslissing van de kamer van beroep van 2 december 2016 vernietigd. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de kamer van beroep blijk had gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het litigieuze merk een plaats van herkomst beschreef in de perceptie van de gemiddelde consument van de buurlanden van Bulgarije – Griekenland en Roemenië – evenals van die van alle andere lidstaten van de Unie met uitzondering van Bulgarije, en dat zij aldus artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 had geschonden.
10 Bij een op 19 december 2018 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft interveniënte hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 25 oktober 2018, DEVIN (T‑122/17, EU:T:2018:719).
11 Bij beschikking van 11 juli 2019, Haskovo/Devin (C‑800/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:606), heeft het Hof die hogere voorziening afgewezen.
12 Op 11 november 2019 heeft de president van de kamers van beroep de zaak terugverwezen naar de eerste kamer van beroep.
13 Bij beslissing van 28 mei 2020 heeft de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd voor zover het litigieuze merk nietig was verklaard voor de waar van klasse 32 „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [beschermde geografische aanduiding (hierna: ‚BGA’)] Devin Natural Mineral Water”. Wat de andere waren betreft, heeft de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling bevestigd en het litigieuze merk nietig verklaard.
14 Bij een op 12 augustus 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster beroep ingesteld tot vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van 28 mei 2020. Dit beroep is ingeschreven onder zaaknummer T‑526/20.
15 Bij arrest van 14 december 2022, Devin/EUIPO – Haskovo Chamber of Commerce and Industry (DEVIN) (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), heeft het Gerecht de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 28 mei 2020 gedeeltelijk vernietigd voor zover deze kamer had vastgesteld dat het litigieuze merk nietig moest worden verklaard voor alle waren, met uitzondering van „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [BGA] Devin Natural Mineral Water”. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de kamer van beroep blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te beoordelen of er in de ogen van het relevante publiek een verband bestond tussen de geografische benaming Devin, die het litigieuze merk vormt, en de andere aangeduide waren van klasse 32 dan „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [BGA] Devin Natural Mineral Water”.
16 Bij een op 13 februari 2023 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft interveniënte hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816).
17 Bij beschikking van 27 juni 2023, Haskovo Chamber of Commerce and Industry/EUIPO en Devin (C‑77/23 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:519), heeft het Hof de hogere voorziening afgewezen.
18 Op 20 oktober 2023 heeft de president van de kamers van beroep de zaak terugverwezen naar de vierde kamer van beroep.
19 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep op grond van artikel 52, lid 2, van verordening nr. 207/2009 de geldigheid van het litigieuze merk bevestigd voor twee waren van klasse 32, namelijk „mineraalwater [en] selterswater”, en dat merk nietig verklaard voor de andere waren.
20 In de eerste plaats heeft de kamer van beroep de absolute nietigheidsgronden van artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder f) en g), van verordening nr. 207/2009 onderzocht. Op die punten heeft zij de motivering van de beslissing van de nietigheidsafdeling bevestigd, die van oordeel was dat niet was aangetoond dat het litigieuze merk in strijd was met de openbare orde en het relevante publiek kon misleiden, en heeft zij bijgevolg de vordering tot nietigverklaring afgewezen voor zover deze op die gronden was gebaseerd.
21 In de tweede plaats heeft de kamer van beroep de absolute nietigheidsgrond van artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 onderzocht. Overeenkomstig het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), is zij nagegaan of het relevante publiek het litigieuze merk opvatte of in de toekomst zou kunnen opvatten als een aanduiding van de geografische oorsprong van andere door dat merk aangeduide waren dan „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [BGA] Devin Natural Mineral Water”. Dienaangaande heeft zij vastgesteld dat het relevante publiek het litigieuze merk ten tijde van de indiening van de merkaanvraag voor alle erdoor aangeduide waren kon opvatten als een verwijzing naar de plaats van herkomst ervan en eventueel naar de gezondheidsvoordelen van het gebruik van mineraalwater en bronwater van de stad Devin. Bijgevolg was het litigieuze merk op de datum van indiening van de merkaanvraag beschrijvend in de zin van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009.
22 Wat het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen betreft, was de kamer van beroep van oordeel dat verzoekster door gebruik verkregen onderscheidend vermogen had geclaimd voor „mineraalwater [en] selterswater”, zonder een dergelijk onderscheidend vermogen te claimen voor de andere door het litigieuze merk aangeduide waren. Aldus heeft de kamer van beroep onder verwijzing naar het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal vastgesteld dat dit merk op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag onderscheidend vermogen door gebruik had verkregen en op de datum van de vordering tot nietigverklaring dat onderscheidend vermogen nog steeds had voor „mineraalwater [en] selterswater” van klasse 32.
Conclusies van partijen
23 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing in die zin te wijzigen dat de beslissing van de nietigheidsafdeling van 29 januari 2016 wordt vernietigd en de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze merk geheel (of, subsidiair, gedeeltelijk) af te wijzen en bijgevolg te gelasten dat de inschrijving van het litigieuze merk wordt gehandhaafd voor de volgende waren: – primair, alle door dit merk aangeduide waren van klasse 32; – subsidiair, de door dit merk aangeduide waren „mineraalwater; selterswater; bronwater; tafelwater; gearomatiseerd water; dranken met een vruchtensmaak; waters (dranken); selterswater; sodawater (spuitwater)” van klasse 32; – het EUIPO te verwijzen in zijn eigen en in haar kosten, en interveniënte te verwijzen in haar eigen kosten.
24 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.
25 Interveniënte verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
26 Gelet op de datum van indiening van de betrokken inschrijvingsaanvraag, te weten 29 september 2010, die bepalend is voor de vaststelling van het voor het onderzoek van een vordering tot nietigverklaring toepasselijke materiële recht, zijn op de feiten van de onderhavige zaak de materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009 van toepassing (zie in die zin arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Wat de materiële regels betreft, zal het Gerecht bijgevolg de relevante materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009 toepassen.
27 Wat de procedureregels betreft, zij erop gewezen dat, aangezien deze volgens vaste rechtspraak in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de inwerkingtreding ervan (zie arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje,C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), op het geding de procedurele bepalingen van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) van toepassing zijn. Aangezien het beroep bij de kamer van beroep voorts is ingesteld op 24 maart 2016, zijn de procedurele bepalingen van titel V van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) in casu niet van toepassing, zodat de bepalingen van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1041/2005 (PB 2005, L 172, blz. 4), op beroepsprocedure voor de kamer van beroep van toepassing waren.
Ontvankelijkheid van het voor het eerst voor het Gerecht overgelegde bewijsmateriaal
28 Vooraf moet worden onderzocht of het door verzoekster voor het Gerecht overgelegde bewijsmateriaal ontvankelijk is, hetgeen door het EUIPO en interveniënte wordt betwist. Zij voeren namelijk aan dat het bewijsmateriaal in de bijlagen A.9.a tot en met A.9.g bij het verzoekschrift niet-ontvankelijk zijn omdat zij voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd.
29 In dat verband betoogt verzoekster dat voornoemd aanvullend bewijsmateriaal ontvankelijk is omdat het is bedoeld om de beoordeling van de kamer van beroep te betwisten dat het litigieuze merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen, doch uitsluitend voor „mineraalwater [en] selterswater”, een beoordeling die volgens haar ambtshalve is verricht zonder ten volle rekening te houden met haar argument inzake het door het gebruik van het litigieuze merk verkregen onderscheidend vermogen.
30 Bijlage A.9.a toont de verkoopvolumes van bronwater en mineraalwater tussen 2011 en 2013. Bijlage A.9.b betreft een onderzoek van Market Links van 2010 naar de prestaties van het litigieuze merk in Bulgarije. De bijlagen A.9.c en A.9.d, betreffende respectievelijk de periode 2007‑2011 en de periode 2010‑2014, bevatten door Canadean opgestelde rapporten getiteld „Overzicht van de markt voor alcoholvrije dranken in Bulgarije”. Bijlage A.9.e betreft een rapport van Nielsen Bulgaria uit 2014 over de verkoopvolumes van water. Bijlage A.9.f bevat een brief van de algemeen directeur van de Bulgaarse vereniging voor alcoholvrije dranken van 1 juli 2024 en bijlage A.9.g een kopie van de etiketten van de gearomatiseerde en koolzuurhoudende wateren van het litigieuze merk.
31 Het is belangrijk om erop te wijzen het de in punt 30 hierboven genoemde bewijsmateriaal voor het eerst voor het Gerecht is overgelegd.
32 Het Gerecht herinnert eraan dat in artikel 188 van zijn Reglement voor de procesvoering, met als opschrift „Voorwerp van [het] geschil voor het Gerecht”, de omvang van zijn toetsing van de beslissingen van het EUIPO wordt bepaald. Volgens die bepaling kunnen „[d]e memories van de partijen die in het kader van de procedure voor het Gerecht worden neergelegd, [...] geen wijziging brengen in het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep”.
33 Dienaangaande hangt de ontvankelijkheid van het betoog van partijen en van het bewijsmateriaal dat ter beoordeling voor het Gerecht mag worden gebracht, af van het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep.
34 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de verzoekende partij in staat moet zijn bij het Gerecht op te komen tegen de bevindingen van de kamer van beroep, aangezien zij op grond van artikel 263 VWEU, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, iedere feitelijke kwestie of rechtskwestie waarop een EU-orgaan zijn beslissingen baseert, voor de Unierechter moet kunnen betwisten (arrest van 18 juni 2020, Primart/EUIPO,C‑702/18 P, EU:C:2020:489, punt 46).
35 Bovendien heeft de verzoekende partij het recht om voor het Gerecht stukken over te leggen om de juistheid van een algemeen bekend feit te staven of te betwisten [arrest van 12 december 2014, Ludwig Schokolade/BHIM – Immergut (TrinkFix), T‑105/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1070, punt 128].
36 De toepasselijkheid van de rechtspraak volgens welke een niet eerder voor de kamer van beroep gedaan bewijsaanbod niet-ontvankelijk moet worden verklaard zonder dat de bewijskracht ervan hoeft te worden onderzocht, hangt dus af van de vraag of het door dit nieuwe bewijsaanbod gestaafde feit tot het feitelijke kader van het geding behoort, zoals dat door partijen voor de kamer van beroep is afgebakend, dan wel of dit bewijsaanbod integendeel strekt tot weerlegging van een feitelijke beoordeling die door de kamer van beroep ambtshalve is verricht en voor het eerst voorkomt in de bestreden beslissing, in welk geval die rechtspraak niet van toepassing is [zie in die zin arrest van 26 april 2018, Convivo/EUIPO – Porcesadora Nacional de Alimentos (M’Cooky), T‑288/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:231, punten 22‑26 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37 Aangezien het in casu aan verzoekster stond om in voorkomend geval al haar bewijsaanbiedingen ter ondersteuning van haar stelling dat het litigieuze merk onderscheidend vermogen door gebruik had verkregen voor alle waren waarop de procedure voor het EUIPO betrekking had, over te leggen, moet worden vastgesteld dat de door de bijlagen A.9.a tot en met A.9.g bij het verzoekschrift gestaafde feiten tot het feitelijke kader van de procedure voor de kamer van beroep behoren en niet strekken tot weerlegging van een feitelijke beoordeling van de kamer van beroep noch tot staving of betwisting van de juistheid van een algemeen bekend feit in de zin van de in de punten 34 en 35 hierboven aangehaalde rechtspraak. Bijgevolg moeten die bijlagen niet-ontvankelijk worden verklaard zonder dat de bewijskracht ervan hoeft te worden onderzocht.
Voorwerp van het beroep
38 Met haar eerste vordering verzoekt verzoekster om wijziging van de bestreden beslissing. Dienaangaande is in artikel 72, lid 4, van verordening 2017/1001 bepaald dat „[b]eroep kan worden ingesteld door partijen in de procedure voor de kamer van beroep voor zover zij door de beslissing van deze kamer in het ongelijk zijn gesteld”.
39 Bij de punten 1 en 2 van het dictum van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep verzoeksters beroep gedeeltelijk toegewezen door de beslissing van de nietigheidsafdeling te vernietigen voor zover daarbij het litigieuze merk nietig was verklaard voor „mineraalwater [en] selterswater” van klasse 32.
40 Met haar beroep verzoekt verzoekster dus in wezen om wijziging van punt 3 van het dictum van de bestreden beslissing, dat wil zeggen voor zover de kamer van beroep het beroep tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling wat de andere door het litigieuze merk aangeduide waren betreft, heeft verworpen [zie in die zin arresten van 26 februari 2015, 9Flats/BHIM – Tibesoca (9flats.com), T‑713/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:114, punten 16‑19, en 4 mei 2018, Bernard Krone Holding/EUIPO (Mega Liner), T‑187/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:254, punten 15‑18].
41 Gelet op de inhoud van het verzoekschrift moet de vordering tot wijziging van punt 3 van het dictum van de bestreden beslissing aldus worden uitgelegd dat zij noodzakelijkerwijs een vordering tot vernietiging van die beslissing omvat voor zover zij op dat punt betrekking heeft [zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Advance Magazine Publishers/BHIM – Nanso Group (TEEN VOGUE), T‑509/12, EU:T:2014:89, punten 15 en 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
Ten gronde
42 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009, doordat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ambtshalve te verklaren dat het litigieuze merk beschrijvend was voor „bronwater”. Het tweede middel is ontleend aan schending van artikel 52, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 juncto artikel 7, lid 3, van die verordening of artikel 59, lid 2, van verordening 2017/1001, doordat de kamer van beroep een beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk. Het derde middel is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van proceseconomie, doordat de kamer van beroep de bestreden beslissing heeft vastgesteld zonder partijen uit te nodigen hun opmerkingen in te dienen. Het vierde middel is ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling, rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, doordat de kamer van beroep hetzelfde bewijsmateriaal anders heeft beoordeeld met betrekking tot mineraalwater dan met betrekking tot de andere door het litigieuze merk aangeduide waren.
Eerste middel: onjuiste rechtsopvatting doordat de kamer van beroep ambtshalve uitspraak heeft gedaan over het beschrijvende karakter van het litigieuze merk wat „bronwater” van klasse 32 betreft
43 Met haar eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden door ambtshalve te onderzoeken of het litigieuze merk beschrijvend was voor „bronwater” van klasse 32 en te beslissen dat dit inderdaad het geval was. Verzoekster verklaart dat een Uniemerk krachtens de artikelen 59 en 62 van verordening 2017/1001 wordt vermoed geldig te zijn.
44 Het staat dus aan de persoon die de vordering tot nietigverklaring heeft ingesteld, om de feiten, bewijzen en argumenten aan te voeren waarmee de geldigheid van het betrokken merk in twijfel kan worden getrokken. Interveniënte heeft haar stelling inzake het beschrijvende karakter van het litigieuze merk minstens impliciet beperkt tot andere door dit merk aangeduide waren dan „bronwater”. Door niettemin vast te stellen dat het litigieuze merk beschrijvend was voor deze waar, heeft de kamer van beroep uitspraak gedaan op een wijze die de aangevoerde feiten, bewijzen en argumenten te buiten gaat.
45 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
46 Vooraf moet worden opgemerkt dat, ofschoon verzoekster schending van artikel 52, lid 1, onder a), juncto artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009 aanvoert, haar argumenten aldus moeten worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op schending van artikel 95 van verordening 2017/1001.
47 Dienaangaande zij erop gewezen dat artikel 95 van verordening 2017/1001, met als opschrift „Ambtshalve onderzoek van de feiten”, in lid 1 ervan bepaalt dat het EUIPO tijdens de procedure ambtshalve de feiten onderzoekt. In nietigheidsprocedures op basis van artikel 59 van die verordening beperkt het Bureau zijn onderzoek tot de door de partijen aangevoerde gronden en argumenten.
48 In casu heeft interveniënte in haar vordering tot nietigverklaring aangevoerd dat „[h]et litigieuze merk [...] met betrekking tot de erdoor aangeduide waren door het relevante publiek [zou] worden opgevat als de geografische benaming van het dorp Devin, de benaming van de mineraalafzetting Devin en de ingeschreven geografische aanduiding van natuurlijk mineraalwater” en dat „[e]r [...] uit het oogpunt van het relevante publiek derhalve een voldoende rechtstreeks en specifiek verband [bestond] tussen het teken en alle waren van klasse 32”.
49 Dus anders dan verzoekster stelt, heeft interveniënte in haar vordering tot nietigverklaring aangevoerd dat er in de ogen van het relevante publiek een verband bestond tussen de geografische benaming Devin en alle door het litigieuze merk aangeduide waren, en heeft zij bijgevolg een nietigheidsgrond aangevoerd die is gebaseerd op het beschrijvende karakter van dat merk voor alle erdoor aangeduide waren, met inbegrip van „bronwater”.
50 Aan die slotsom wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat interveniënte door het aanvoeren van specifieke feiten, bewijzen en argumenten voor alle door het litigieuze merk aangeduide waren behalve voor „bronwater” haar stelling inzake het beschrijvende karakter van dat merk minstens impliciet heeft beperkt. Zoals het EUIPO terecht stelt, vormden die specifieke feiten, bewijzen en argumenten slechts een aanvulling op de argumenten en bewijzen van interveniënte met betrekking tot alle door het litigieuze merk aangeduide waren.
51 Hieruit volgt dat de kamer van beroep met haar onderzoek van het beschrijvende karakter van het litigieuze merk voor „bronwater” haar onderzoek heeft beperkt tot de door partijen aangevoerde feiten, bewijzen en argumenten. De kamer van beroep heeft dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich uit te spreken over het beschrijvende karakter van het litigieuze merk voor „bronwater”.
52 Bijgevolg moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.
Tweede middel: onjuiste beoordeling van de feiten doordat de kamer van beroep er ten onrechte van is uitgegaan dat verzoekster enkel voor „mineraalwater [en] selterswater” van klasse 32 door gebruik verkregen onderscheidend vermogen had geclaimd
53 Met haar tweede middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep er ten onrechte van is uitgegaan dat zij enkel voor „mineraalwater [en] selterswater” van klasse 32 door gebruik verkregen onderscheidend vermogen had geclaimd. Verzoekster heeft voor de nietigheidsafdeling uitdrukkelijk, of althans impliciet maar noodzakelijkerwijs, door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk in Bulgarije geclaimd voor alle door dat merk aangeduide waren en daarvoor bewijsmateriaal overgelegd. Verzoekster meent bovendien dat, aangezien de kamer van beroep heeft geoordeeld dat de door haar overgelegde bewijzen volstonden om tot de slotsom te komen dat er sprake was van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen voor „mineraalwater [en] selterswater”, zij dezelfde conclusie had moeten trekken voor de andere door dit merk aangeduide waren.
54 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
55 In punt 80 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep allereerst geoordeeld dat verzoekster door gebruik verkregen onderscheidend vermogen voor „mineraalwater” en voor „koolzuurhoudend mineraalwater of selterswater” had geclaimd, maar niet voor de andere door het litigieuze merk aangeduide waren. Vervolgens heeft de kamer van beroep het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal onderzocht en is zij in punt 88 van die beslissing tot de conclusie gekomen dat dit merk op de datum van indiening van de litigieuze merkaanvraag en nog steeds op de datum van de vordering tot nietigverklaring in de ogen van het relevante publiek onderscheidend vermogen door gebruik had verkregen voor die waren.
56 Het Gerecht herinnert eraan dat de bewijslast inzake het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen volgens artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009 en artikel 52, lid 2, van die verordening op de houder van het betrokken merk rust [arrest van 22 maart 2023, Beauty Biosciences/EUIPO – Société de Recherche Cosmétique (BIO-BEAUTÉ), T‑750/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:147, punt 43]. Er is met name geoordeeld dat een verzoekende partij die zich beroept op het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van een merk, concrete en gefundeerde gegevens moet verschaffen ten bewijze dat dit merk een dergelijk vermogen bezit (arrest van 25 oktober 2007, Develey/BHIM, C‑238/06 P, EU:C:2007:635, punt 50).
57 Hieruit volgt dat wanneer een merk in strijd met artikel 7, lid 1, onder b), c) of d), van verordening nr. 207/2009 is ingeschreven, de inschrijving van het litigieuze merk enkel kan worden gehandhaafd voor de waren en diensten waarvoor is bewezen dat dit merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen.
58 Derhalve dient te worden onderzocht of de kamer van beroep haar analyse van het door het gebruik van het litigieuze merk verkregen onderscheidend vermogen terecht heeft beperkt tot „mineraalwater [en] selterswater”.
59 Vooraf moet worden opgemerkt dat interveniënte in wezen aanvoert dat alle door verzoekster voor de kamer van beroep aangevoerde argumenten inzake het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk voor andere waren dan „mineraalwater [en] selterswater” niet-ontvankelijk zijn. In dat verband baseert interveniënte zich op de vermeende vaststelling van de nietigheidsafdeling dat verzoekster alleen voor mineraalwater door gebruik verkregen onderscheidend vermogen heeft geclaimd, en stelt zij dat die vaststelling gezag van gewijsde heeft.
60 Met betrekking tot het beginsel van het gezag van gewijsde, dat vereist dat het onherroepelijke karakter van een rechterlijke beslissing niet ter discussie wordt gesteld, moet er meteen op worden gewezen dat dit beginsel niet van toepassing is op beslissingen van het EUIPO, die bestuurlijk en niet rechterlijk van aard zijn [zie in die zin arrest van 12 februari 2025, Alberts/EUIPO – Techtex [Kartonnen dozen (verpakkingen)], T‑245/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:145, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61 Indien interveniëntes argument aldus moet worden opgevat dat de nietigheidsafdeling heeft vastgesteld dat verzoekster alleen voor mineraalwater door gebruik verkregen onderscheidend vermogen had geclaimd en dat die vaststelling bij gebreke van betwisting door verzoekster met haar beroep voor de kamer van beroep onherroepelijk is geworden en gezag van gewijsde heeft verkregen, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat interveniënte lijkt te verwijzen naar de samenvatting van verzoeksters argumenten door de nietigheidsafdeling, die verzoekster tijdens de procedure voor het EUIPO niet heeft betwist. Een samenvatting van de argumenten van een van de partijen is evenwel geen feitelijk of juridisch punt waarover de nietigheidsafdeling heeft beslist, en kan derhalve geen gezag van gewijsde hebben (zie in die zin en naar analogie beschikking van 28 november 1996, Lenz/Commissie,C‑277/95 P, EU:C:1996:456, punt 50).
62 Voorts heeft verzoekster in casu in haar opmerkingen voor de nietigheidsafdeling meermaals verklaard dat het litigieuze merk onderscheidend vermogen had verkregen „voor de waren van klasse 32, te weten mineraalwater”. Verzoekster heeft die claim van het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk, die beperkt was tot mineraalwater, in haar latere opmerkingen voor de nietigheidsafdeling herhaald.
63 Dienaangaande kunnen verzoeksters algemene verklaringen in haar opmerkingen voor de nietigheidsafdeling volgens welke het litigieuze merk een op Bulgaars grondgebied algemeen bekend merk is en derhalve door gebruik verkregen onderscheidend vermogen heeft, zonder dat zij verwijzen naar de door dat merk aangeduide waren, niet worden beschouwd als een claim van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 3, van verordening nr. 207/2009.
64 Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeksters tijdens de bestuurlijke procedure voor het EUIPO gevoerde betoog inzake het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen alsook de ter zake door haar aangevoerde bewijzen nagenoeg volledig verband hielden met „mineraalwater [en] selterswater”.
65 Zoals blijkt uit de in punt 56 hierboven aangehaalde rechtspraak, staat het aan verzoekster om concrete en gefundeerde gegevens te verschaffen ten bewijze dat het litigieuze merk onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen.
66 Uit verzoeksters algemene opmerkingen over de bekendheid van het litigieuze merk en het feit dat de door verzoekster voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen niet uitsluitend verband hielden met „mineraalwater [of] selterswater”, kon de kamer van beroep dus niet afleiden dat de claim, anders dan verzoekster in dat verband uitdrukkelijk had verklaard, moest worden geacht alle waren van klasse 32 te bestrijken.
67 Bijgevolg moet verzoeksters argument dat zij door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk heeft geclaimd voor alle door dit merk aangeduide waren, worden afgewezen.
68 Aan die slotsom wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten.
69 Wat ten eerste verzoeksters argument betreft dat uit de samenvatting van haar argumenten in de beslissing van de kamer van beroep van 2 december 2016 blijkt dat zij door gebruik verkregen onderscheidend vermogen heeft geclaimd voor alle door het litigieuze merk aangeduide waren, volstaat de vaststelling dat de beslissing van de kamer van beroep van 2 december 2016 met terugwerkende kracht haar gelding is ontnomen door het arrest van 25 oktober 2018, DEVIN (T‑122/17, EU:T:2018:719) [zie naar analogie arrest van 1 september 2021, Gruppe Nymphenburg Consult/EUIPO (Limbic® Types), T‑96/20, EU:T:2021:527, punt 28].
70 Wat ten tweede verzoeksters argument betreft dat zij in haar verzoekschrift in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), haar claim van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen voor alle door het litigieuze merk aangeduide waren heeft herhaald, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 188 van het Reglement voor de procesvoering de memories van partijen in het kader van de procedure voor het Gerecht geen wijziging kunnen brengen in het voorwerp van het geschil voor de kamer van beroep.
71 Wat ten derde verzoeksters argument betreft dat het Gerecht bij zijn arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), de draagwijdte van haar stelling inzake het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk uitdrukkelijk heeft bevestigd, dient in navolging van het EUIPO te worden vastgesteld dat het Gerecht in die zaak geen uitspraak heeft gedaan over de omvang van de claim van het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van dat merk.
72 Wat ten slotte het aanvullende bewijsmateriaal betreft dat verzoekster heeft aangevoerd om aan te tonen dat het litigieuze merk onderscheidend vermogen door gebruik heeft verkregen voor andere waren dan mineraalwater (bijlagen A.9.a tot en met A.9.g bij het verzoekschrift), zij erop gewezen dat dit bewijsmateriaal, zoals in punt 37 hierboven is vastgesteld, niet-ontvankelijk is.
73 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel worden afgewezen.
Derde middel: schending van de rechten van de verdediging, van het recht om te worden gehoord en van het beginsel van proceseconomie
74 Met haar derde middel voert verzoekster aan dat artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001, artikel 70, lid 2, van die verordening en artikel 27, lid 2, van gedelegeerde verordening 2018/625 is geschonden. Dit middel bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats stelt verzoekster dat de kamer van beroep haar rechten van verdediging heeft geschonden door de beslissing van de nietigheidsafdeling te vernietigen zonder partijen uit te nodigen om hun opmerkingen in te dienen. In de tweede plaats betoogt zij dat de kamer van beroep het beginsel van proceseconomie heeft geschonden door de bestreden beslissing ambtshalve vast te stellen zonder partijen in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816).
– Eerste onderdeel van het derde middel: schending van de rechten van de verdediging
75 Verzoekster stelt dat de kamer van beroep haar rechten van verdediging heeft geschonden door de beslissing van de nietigheidsafdeling te vernietigen zonder partijen uit te nodigen om hun opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816). Volgens verzoekster had de beoordeling van het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk in de bestreden beslissing tot een ander resultaat kunnen leiden dan uiteindelijk het geval was, indien zij haar opmerkingen had kunnen indienen.
76 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
77 Volgens artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 kunnen de beslissingen van het EUIPO slechts worden genomen op gronden waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren. Die bepaling vormt een specifieke toepassing van het algemene beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging, dat overigens is verankerd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, volgens hetwelk personen wier belangen worden geraakt door besluiten van overheidsinstanties, in staat moeten worden gesteld hun standpunt naar behoren kenbaar te maken [arrest van 13 december 2016, Guiral Broto/EUIPO – Gastro & Soul (Café del Sol), T‑548/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:720, punt 30].
78 Het recht om te worden gehoord strekt zich uit tot alle elementen, feitelijk of rechtens, waarop de beslissing is gebaseerd, maar niet tot het standpunt dat de administratie uiteindelijk wil innemen [zie arrest van 3 december 2003, Audi/BHIM (TDI), T‑16/02, EU:T:2003:327, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
79 In dat verband volgt uit vaste rechtspraak dat artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 niet vereist dat de verzoekende partij na het heropenen van de procedure voor het EUIPO volgend op een vernietiging van de beslissing van de kamers van beroep door het Gerecht, opnieuw wordt verzocht haar opmerkingen te maken over feitelijke en juridische punten waarover zij zich reeds had kunnen uitspreken in het kader van de eerder plaatsgevonden schriftelijke behandeling, aangezien het dossier ongewijzigd werd overgenomen door de kamer van beroep [zie arrest van 25 november 2020, Group/EUIPO – Iliev (GROUP Company TOURISM & TRAVEL), T‑57/20, niet gepubliceerd, EU:T:2020:559, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
80 Voorts wordt in artikel 70, lid 2, van verordening 2017/1001 bepaald dat „[b]ij het onderzoek van het beroep [...] de kamer van beroep zo dikwijls als nodig de partijen [verzoekt], binnen een door de kamer te stellen termijn, te antwoorden op mededelingen van de andere partijen of van de kamer zelf”.
81 In casu staat vast dat de kamer van beroep partijen niet heeft verzocht om naar aanleiding van het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), aanvullende opmerkingen in te dienen over het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk voor andere waren dan „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [BGA] Devin Natural Mineral Water”.
82 Er dient evenwel te worden vastgesteld dat verzoekster in het kader van de bestuurlijke procedure voor het EUIPO de mogelijkheid heeft gehad om over de onderdelen van interveniëntes nietigheidsprocedure, waaronder het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk, opmerkingen te formuleren.
83 Derhalve was de kamer van beroep in casu niet verplicht om verzoekster over het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk, en meer in het bijzonder over de verkrijging van dat onderscheidend vermogen voor andere waren dan „mineraalwater dat voldoet aan de bijzonderheden van de [BGA] Devin Natural Mineral Water”, opnieuw te horen alvorens in de bestreden beslissing haar eigen beoordeling te geven.
84 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel worden afgewezen.
– Tweede onderdeel van het derde middel: schending van het beginsel van proceseconomie
85 Verzoekster voert aan dat de kamer van beroep het beginsel van proceseconomie heeft geschonden door de bestreden beslissing ambtshalve vast te stellen zonder partijen in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816). De kamer van beroep heeft verzoekster dan ook geen andere keuze gelaten dan een derde beroep bij het Gerecht in te stellen.
86 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
87 Meteen moet worden vastgesteld dat, zoals in punt 83 hierboven is uiteengezet, de kamer van beroep in casu niet verplicht was om verzoekster over het door het gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk opnieuw te horen alvorens in de bestreden beslissing haar eigen beoordeling te geven.
88 Voorts wordt in de rechtspraak van het Hof weliswaar erkend dat het beginsel van proceseconomie van toepassing is tijdens de bestuurlijke procedure voor het EUIPO, maar lijkt die rechtspraak beperkt te zijn tot specifieke gevallen. Het Hof heeft met name geoordeeld dat het in strijd zou zijn met dat beginsel indien de partij die een reconventionele vordering heeft ingesteld wordt verplicht om, bij intrekking van de hoofdvordering door de verzoeker, een nieuwe procedure in te leiden bij het EUIPO (arrest van 13 oktober 2022, Gemeinde Bodman-Ludwigshafen,C‑256/21, EU:C:2022:786, punt 56).
89 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat het in strijd zou zijn met het beginsel van proceseconomie om te oordelen dat een reconventionele vordering die is gebaseerd op een van de in artikel 7, lid 1, onder a) tot en met m), van verordening 2017/1001 vermelde nietigheidsgronden, die betrekking hebben op alle waren of diensten waarvoor dat merk is ingeschreven, alleen kan leiden tot gedeeltelijke nietigverklaring van het merk waarop de betrokken inbreukprocedure steunt [arrest van 8 juni 2023, LM (Reconventionele vordering tot nietigverklaring), C‑654/21, EU:C:2023:462, punt 44].
90 Ofschoon verzoekster in casu verwijst naar het arrest van 8 juni 2023, LM (Reconventionele vordering tot nietigverklaring) (C‑654/21, EU:C:2023:462), moet worden vastgesteld dat haar vordering geen reconventionele vordering in de zin van verordening 2017/1001 is, maar dat zij aanvoert dat het litigieuze merk door gebruik onderscheidend vermogen heeft verkregen. Bijgevolg kan de rechtspraak waarop verzoekster zich beroept, niet rechtstreeks of naar analogie op het onderhavige geval worden toegepast.
91 Hieruit volgt dat de kamer van beroep in casu het beginsel van proceseconomie niet heeft geschonden door de bestreden beslissing vast te stellen zonder partijen in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen in te dienen naar aanleiding van het arrest van 14 december 2022, DEVIN (T‑526/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:816), temeer daar niets hen heeft belet om op eigen initiatief dergelijke opmerkingen in te dienen.
92 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het derde middel, en dus het derde middel in zijn geheel, worden afgewezen.
Vierde middel: schending van de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid
93 Verzoeksters vierde middel, ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en rechtszekerheid, bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de kamer van beroep het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door vergelijkbare situaties verschillend te behandelen. In de tweede plaats verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij het rechtszekerheidsbeginsel en, daaruit uitvloeiend, het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden door te oordelen dat het door haar overgelegde bewijsmateriaal volstond om aan te tonen dat het litigieuze merk door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen voor „mineraalwater [en] selterswater”, maar niet voor de andere door dit merk aangeduide waren.
– Eerste onderdeel van het vierde middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
94 Verzoekster beroept zich op het in de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten neergelegde beginsel van gelijke behandeling. In dat verband voert verzoekster aan dat zij door gebruik verkregen onderscheidend vermogen heeft geclaimd voor alle door het litigieuze merk aangeduide waren en daartoe bewijsmateriaal heeft overgelegd. Door vast te stellen dat het litigieuze merk alleen voor „mineraalwater [en] selterswater” en niet voor de andere door het litigieuze merk aangeduide waren onderscheidend vermogen door gebruik had verkregen, heeft de kamer van beroep vergelijkbare situaties verschillend behandeld zonder dat objectief te rechtvaardigen. Meer in het bijzonder heeft de kamer van beroep geoordeeld dat hetzelfde bewijsmateriaal met gelijkwaardige informatie over het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk in Bulgarije, volstond om het onderscheidend vermogen aan te tonen voor „mineraalwater [en] selterswater”, doch niet voor de andere door dat merk aangeduide waren.
95 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
96 Het beginsel van gelijke behandeling verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arrest van 15 juli 2021, DK/EDEO, C‑851/19 P, EU:C:2021:607, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
97 In casu stelt verzoekster dat de kamer van beroep het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door te oordelen dat „hetzelfde bewijsmateriaal met gelijkwaardige informatie over het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het [litigieuze] merk in Bulgarije voor alle door [dat merk] aangeduide waren”, volstond om het onderscheidend vermogen aan te tonen voor „mineraalwater [en] selterswater”, doch niet voor de andere door dat merk aangeduide waren.
98 Meteen moet worden opgemerkt, zoals in de punten 56 tot en met 73 hierboven is vastgesteld, dat verzoekster geen door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk heeft geclaimd – laat staan bewezen – voor de andere door dat merk aangeduide waren dan „mineraalwater [en] selterswater”.
99 Voorts moet hoe dan ook worden vastgesteld dat verzoekster niet uiteenzet welk bewijs of welke informatie zij met die stelling beoogt. Dienaangaande verwijst verzoekster enkel naar de punten 41 tot en met 47 van het verzoekschrift, waarin zij stelt dat zij het bewijs van door gebruik verkregen onderscheidend vermogen heeft overgelegd.
100 Verzoekster heeft weliswaar in punt 41 van het verzoekschrift melding gemaakt van bepaalde bewijzen die zij samen met haar opmerkingen voor de nietigheidsafdeling had overgelegd, met name betreffende bronwater en gebotteld water, maar zij toont niet aan dat het gaat om „hetzelfde bewijsmateriaal met gelijkwaardige informatie” als het bewijsmateriaal op basis waarvan de kamer van beroep door gebruik onderscheidend vermogen heeft vastgesteld voor „mineraalwater [en] selterswater”.
101 Ofschoon verzoeksters grief in het verzoekschrift wordt uiteengezet, bevat dat verzoekschrift geen argumenten waarmee die grief kan worden gestaafd. De tekst van het verzoekschrift bevat dus geen elementen die voldoende nauwkeurig zijn om het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen en het EUIPO in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden.
102 Hieruit volgt dat het niet de taak van het Gerecht is om in de bijlagen te zoeken wat verzoeksters argumenten met betrekking tot de betrokken grief zouden kunnen zijn [zie arrest van 22 juni 2017, Biogena Naturprodukte/EUIPO (ZUM wohl),T‑236/16, EU:T:2017:416, punt 12 en aldaar aangehaalde rechtspraak] en voorts dat die grief niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 177, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien zij niet de wezenlijke elementen bevat die het Gerecht in staat stellen om zijn toezicht uit te oefenen en de verwerende partij in staat stellen om haar verweer te voeren.
103 Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het vierde middel te worden afgewezen.
– Tweede onderdeel van het vierde middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het daaruit voortvloeiende beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen
104 Verzoekster voert aan dat de kamer van beroep met haar oordeel in punt 85 van de bestreden beslissing dat het door haar overgelegde bewijsmateriaal volstond om aan te tonen dat het litigieuze merk door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen voor de waren van klasse 32, bij haar het gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat dit merk niet alleen voor „mineraalwater [en] selterswater”, maar ook voor de andere door het litigieuze merk aangeduide waren van klasse 32 zou worden gehandhaafd. De kamer van beroep heeft dit gewettigd vertrouwen geschonden in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
105 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.
106 Het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene rechtsbeginselen van het Unierecht, vereist dat de rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, opdat de belanghebbenden daaraan houvast hebben in de door het Unierecht beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen (arresten van 8 december 2011, France Télécom/Commissie,C‑81/10 P, EU:C:2011:811, punt 100, en 9 oktober 2014, Traum,C‑492/13, EU:C:2014:2267, punt 28).
107 Uit dit beginsel vloeit het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen voort, dat zich uitstrekt tot eenieder die zich in een situatie bevindt waaruit blijkt dat de autoriteiten van de Unie bij hem gegronde verwachtingen hebben gewekt door nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen te hebben gedaan die van bevoegde en betrouwbare bronnen afkomstig zijn [zie in die zin arrest van 9 juli 2008, Reber/BHIM – Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Mozart), T‑304/06, EU:T:2008:268, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
108 Verzoekster betoogt met name dat de kamer van beroep de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden door in punt 88 van de bestreden beslissing vast te stellen dat het litigieuze merk alleen voor „mineraalwater [en] selterswater” door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen, terwijl zij in punt 85 van de bestreden beslissing had vastgesteld dat dit merk door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen zonder die vaststelling te beperken tot een van de door dat merk aangeduide waren.
109 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat punt 85 van de bestreden beslissing geen enkele toezegging, laat staan nauwkeurige, onvoorwaardelijke en onderling overeenstemmende toezeggingen in de zin van de in punt 107 hierboven aangehaalde rechtspraak bevat met betrekking tot het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het litigieuze merk voor alle erdoor aangeduide waren.
110 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het vierde middel, en dus het vierde middel in zijn geheel, te worden afgewezen.
111 Uit een en ander volgt dat geen van de door verzoekster aangevoerde middelen kan worden aanvaard en dat het beroep derhalve in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
112 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
113 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van interveniënte worden verwezen in de kosten van laatstgenoemde. Daar het EUIPO alleen heeft gevorderd dat verzoekster in de kosten wordt verwezen indien er een terechtzitting wordt gehouden, dient het EUIPO bij gebreke van een terechtzitting te worden verwezen in zijn eigen kosten.
HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Devin EAD wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Haskovo Chamber of Commerce and Industry.
3) Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten.
Costeira Öberg Zilgalvis Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 oktober 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 8 juni 2023, C-654/21, ECLI:EU:C:2023:462
- HvJ EU 13 oktober 2022, C-256/21, ECLI:EU:C:2022:786
- Gerecht EU 1 september 2021, T-96/20, ECLI:EU:T:2021:527
- HvJ EU 15 juli 2021, C-851/19, ECLI:EU:C:2021:607
- HvJ EU 18 juni 2020, C-702/18, ECLI:EU:C:2020:489
- Gerecht EU 25 oktober 2018, T-122/17, ECLI:EU:T:2018:719
- Gerecht EU 22 juni 2017, T-236/16, ECLI:EU:T:2017:416
- HvJ EU 9 oktober 2014, C-492/13, ECLI:EU:C:2014:2267
- Gerecht EU 27 februari 2014, T-509/12, ECLI:EU:T:2014:89
- HvJ EU 11 december 2012, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781
- HvJ EU 8 december 2011, C-81/10, ECLI:EU:C:2011:811
- Gerecht EU 9 juli 2008, T-304/06, ECLI:EU:T:2008:268
- HvJ EU 25 oktober 2007, C-238/06, ECLI:EU:C:2007:635
- Gerecht EU 3 december 2003, T-16/02, ECLI:EU:T:2003:327