Gerecht EU 10 september 2025, T-1189/23, ECLI:EU:T:2025:864
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid)
10 september 2025 ( *1 )
„Institutioneel recht – Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen – Besluit waarbij een politieke partij een financiële sanctie wordt opgelegd – Artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 – Niet-contractuele aansprakelijkheid”
In zaak T‑1189/23,
Patriotes.eu, voorheen Identiteit en Democratie (ID), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door P. Prigent, advocaat,
verzoekster,
tegen
Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, vertegenwoordigd door P. Schonard en N. Entchev als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Alves en J.‑C. Puffer als gemachtigden,
door
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en L. Atzeni als gemachtigden,
en door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher en S. Pardo Quintillán als gemachtigden,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. J. Costeira (rapporteur), president, M. Kancheva, C. Mac Eochaidh, P. Zilgalvis en E. Tichy-Fisslberger, rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de beschikking van 5 maart 2024, ID/Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (T‑1189/23 R, niet gepubliceerd, EU:T:2024:145),
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 14 mei 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep vordert verzoekster, Patriotes.eu, voorheen Identiteit en Democratie (ID), ten eerste, krachtens artikel 263 VWEU nietigverklaring van het besluit van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (hierna: „Autoriteit”) van 25 oktober 2023 waarbij deze Autoriteit haar een financiële sanctie heeft opgelegd op grond van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB 2014, L 317, blz. 1) (hierna: „bestreden besluit”) en, ten tweede, krachtens artikel 268 VWEU vergoeding van de schade die zij door de vaststelling van dat besluit zou hebben geleden.
I. Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een vereniging naar Frans recht die bij besluit van de Autoriteit van 14 september 2017 om Mouvement pour une Europe des nations et des libertés te registreren (PB 2018, C 84, blz. 5) als Europese politieke partij is ingeschreven.
3 Op 9 maart 2022 heeft verzoekster de Autoriteit een brief van haar voorzitter toegestuurd die als bijlage met name een bijgewerkte lijst van de leden van haar bureau bevatte waarop sinds 16 februari 2022 de naam van een van de leden ervan (hierna: „betrokken bureaulid” of „betrokkene”) niet meer voorkwam.
4 De informatie dat het betrokken bureaulid sinds 16 februari 2022 geen deel meer uitmaakte van verzoeksters bureau, was niet onmiddellijk verwerkt op verzoeksters website en sociaalnetwerkaccounts, waardoor het betrokken bureaulid daarop nog steeds voorkwam als lid van haar bureau.
5 In deze context heeft de Autoriteit verzoekster op 23 maart 2023 verzocht om informatie over de inconsistenties tussen de mededeling van 9 maart 2022 en de publicaties op haar website en sociaalnetwerkaccounts.
6 Na meerdere contactmomenten met verzoekster heeft de Autoriteit op 14 juni 2023 besloten een onderzoek naar verzoekster in te stellen wegens mogelijk onjuiste informatie over de samenstelling van haar bureau en heeft zij haar in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen en corrigerende maatregelen overeenkomstig artikel 29 van verordening nr. 1141/2014 voor te stellen.
7 Na haar oude website te hebben vervangen door een nieuwe website waarop het betrokken lid niet langer als lid van haar bureau werd genoemd, heeft verzoekster bij brief van 28 september 2023 de Autoriteit laten weten dat was besloten om op sociale netwerken de publicaties te handhaven waarin het werd voorgesteld alsof de betrokkene nog lid was van haar bureau.
8 Op 25 oktober 2023 heeft de Autoriteit bij het bestreden besluit, na meerdere nieuwe contactmomenten tussen partijen, verzoekster op grond van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 een financiële sanctie opgelegd ter hoogte van 5 % van haar jaarlijkse begroting, namelijk 47020,54 EUR, op grond dat zij op sociale netwerken onjuiste publicaties had gehandhaafd waarin het werd voorgesteld alsof de betrokkene op dat moment nog lid was van haar bureau terwijl hij dat niet meer was, hetgeen een inbreuk op artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 vormt.
II. Conclusies van partijen
9 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – vast te stellen dat artikel 6 van verordening nr. 1141/2014 onwettig is en „bijgevolg” besluit (EU, Euratom) 2021/1271 van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 26 juli 2021 tot benoeming van de directeur van de Autoriteit (PB 2021, L 277, blz. 145) nietig te verklaren; – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Autoriteit te veroordelen tot betaling van een bedrag van 55000 EUR ter vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de vaststelling van het bestreden besluit; – de Autoriteit te verwijzen in de kosten.
10 De Autoriteit, ondersteund door de Commissie, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
11 Het Parlement verzoekt het Gerecht de door verzoekster opgeworpen excepties van onwettigheid af te wijzen.
12 De Raad verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.
III. In rechte
A. Bevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van verzoeksters eerste vordering
13 Met het eerste onderdeel van de eerste vordering verzoekt verzoekster het Gerecht de onwettigheid van artikel 6 van verordening nr. 1141/2014 vast te stellen.
14 In dit verband zij eraan herinnerd dat in het kader van een vordering tot nietigverklaring van een individuele bezwarende handeling inderdaad krachtens artikel 277 VWEU de onwettigheid van de handeling van algemene strekking kan worden ingeroepen op grond waarvan de bezwarende handeling is vastgesteld. Volgens die bepaling is immers alleen de Unierechter bevoegd om de onwettigheid van een handeling van algemene strekking vast te stellen en om gevolgen te trekken uit de daaruit resulterende niet-toepasselijkheid voor het individuele besluit dat voor hem wordt bestreden (zie arrest van 14 december 2018, GQ e.a./Commissie,T‑525/16, EU:T:2018:964, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 De vaststelling van de onwettigheid door de Unierechter overeenkomstig artikel 277 VWEU heeft echter geen gevolgen erga omnes, omdat deze vaststelling, ook al leidt zij tot de onwettigheid van de bestreden bezwarende individuele handeling, de handeling van algemene strekking in de rechtsorde laat voortbestaan zonder aantasting van de wettigheid van de andere handelingen die op basis daarvan zijn vastgesteld en niet binnen de beroepstermijn zijn aangevochten (zie arrest van 14 december 2018, GQ e.a./Commissie,T‑525/16, EU:T:2018:964, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Hieruit volgt dat het Gerecht in het kader van een vordering tot nietigverklaring van een individueel bezwarend besluit inderdaad bevoegd is om bij wijze van incident de onwettigheid vast te stellen van een bepaling van algemene strekking waarop het bestreden besluit is gebaseerd, maar dat hij niet bevoegd is om dergelijke vaststellingen in het dictum van zijn arresten te doen (zie arrest van 14 december 2018, GQ e.a./Commissie,T‑525/16, EU:T:2018:964, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van verzoeksters eerste vordering wegens onbevoegdheid worden afgewezen.
18 Met het tweede onderdeel van de eerste vordering verzoekt verzoekster het Gerecht „bijgevolg” besluit 2021/1271 nietig te verklaren.
19 Dit onderdeel is zonder voorwerp geraakt, aangezien het eerste onderdeel van verzoeksters eerste vordering wegens onbevoegdheid is afgewezen en het tweede onderdeel van deze vordering afhankelijk is van de toewijzing van het eerste onderdeel.
B. Ten gronde
1. Vordering tot nietigverklaring
20 Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring voert verzoekster elf middelen aan, die in essentie zijn ontleend aan respectievelijk: – schending van de motiveringsplicht; – schending van het recht om te worden gehoord; – exceptie van onwettigheid van artikel 6 van verordening nr. 1141/2014 en schending van het beginsel van onpartijdigheid en het beginsel van behoorlijk bestuur; – schending van de procedureregels en van het recht op behoorlijk bestuur; – schending van het recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht; – schending van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, en schending van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening; – schending van het non‑discriminatiebeginsel; – misbruik van bevoegdheid; – schending van het evenredigheidsbeginsel; – schending van de vrijheid van meningsuiting en van de vrijheid van vereniging; – schending van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen.
21 Alvorens de door verzoekster aangevoerde middelen te onderzoeken, moet eerst worden herinnerd aan het regelgevingskader en de sanctieregeling van verordening nr. 1141/2014 en aan de in het bestreden besluit vastgestelde sanctie.
a) Inleidende opmerkingen over het regelgevingskader en de sanctieregeling van verordening nr. 1141/2014
22 Bij verordening nr. 1141/2014 worden volgens artikel 1 ervan de voorwaarden vastgesteld betreffende het statuut en de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau.
23 Volgens de overwegingen 7, 8 en 12 van verordening nr. 1141/2014 hebben Europese politieke partijen een Europese rechtsstatus, die wordt verkregen door registratie en die een aantal rechten en verplichtingen met zich meebrengt.
24 In het bijzonder zijn Europese politieke partijen overeenkomstig artikel 9, lid 5, van verordening nr. 1141/2014 verplicht de Autoriteit in kennis te stellen van elke wijziging met betrekking tot de documenten of statuten die in het kader van hun registratieverzoek zijn ingediend.
25 De naleving door Europese politieke partijen van de bij verordening nr. 1141/2014 opgelegde verplichtingen wordt gecontroleerd door de verschillende toezichthoudende autoriteiten.
26 In het bijzonder bepaalt artikel 24, lid 2, eerste alinea, en lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 1141/2014 het volgende: „2. De Autoriteit controleert de naleving door de Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder wat betreft artikel 3, artikel 4, lid 1, onder a), b), en d) tot en met f), artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), artikel 9, leden 5 en 6, en de artikelen 20 [tot en met] 22. [...] 4. De Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen verstrekken alle informatie die wordt gevraagd door de Autoriteit, de ordonnateur van het Europees Parlement, de Rekenkamer, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of de lidstaten, en die nodig is voor het uitvoeren van de controles waarvoor zij krachtens deze verordening verantwoordelijk zijn.”
27 Voorts is de Autoriteit, zoals blijkt uit overweging 8 en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1141/2014, ook opgericht om Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen overeenkomstig die verordening sancties op te leggen.
28 In dit verband voorziet verordening nr. 1141/2014 volgens overweging 31 ervan in een duidelijke en krachtige sanctieregeling met afschrikkende werking, om ervoor te zorgen dat de verplichtingen betreffende de activiteiten van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen op doeltreffende, evenredige en eenvormige wijze worden nageleefd en die het ne-bis-in-idembeginsel eerbiedigt, op grond waarvan hetzelfde strafbaar feit niet twee keer mag worden bestraft.
29 De sancties zijn vastgelegd in artikel 27 van verordening nr. 1141/2014. In het bijzonder bepaalt artikel 27, leden 2, 4 en 5, van deze verordening het volgende: „2. De Autoriteit legt in de volgende gevallen financiële sancties op: a) niet-kwantificeerbare inbreuken: [...] iv) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting haar verplichtingen die zijn vastgelegd in artikel 23, lid 1, of artikel 24, lid 4, niet is nagekomen; [...] vi) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk [informatie heeft achtergehouden of] onjuiste of misleidende informatie heeft [...] geleverd, of indien de organen die op grond van deze verordening gemachtigd zijn de begunstigden van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie aan audits of controles te onderwerpen fouten in de jaarrekeningen ontdekken die overeenkomstig de in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1606/2002 gedefinieerde internationale standaarden voor jaarrekeningen worden beschouwd als weglatingen of onjuiste weergaves van informatie van materieel belang; [...] 4. Voor de toepassing van de leden 2 en 3 worden de volgende financiële sancties opgelegd aan een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting: a) voor niet-kwantificeerbare inbreuken: een vast percentage van de jaarlijkse begroting van de betreffende Europese politieke partij of Europese politieke stichting: – 5 %, of – 7,5 % bij samenloop van inbreuken, of – 20 % bij een herhaalde inbreuk, of – een derde van bovengenoemde percentages indien de Europese politieke partij of Europese politieke stichting de inbreuk uit eigen beweging heeft aangegeven voordat de Autoriteit een officieel onderzoek is gestart, zelfs in het geval van een samenloop van inbreuken of een herhaalde inbreuk, en de betrokken partij of stichting passende corrigerende maatregelen heeft genomen; – 50 % van de jaarlijkse begroting van de betrokken Europese politieke partij of Europese politieke stichting van het voorgaande jaar, indien de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing is veroordeeld voor onwettige activiteiten die de financiële belangen van de Europese Unie schaden in de zin van artikel 106, lid 1, van het Financieel Reglement; [...] 5. Indien een Europese politieke partij of Europese politieke stichting schuldig is aan een samenloop van inbreuken, begaan tegen deze verordening, wordt alleen een sanctie opgelegd voor de ernstigste van die inbreuken, tenzij anders bepaald in lid 4, onder a).”
30 Artikel 29, leden 1 en 2, van verordening nr. 1141/2014 bepaalt het volgende: „1. Voordat het Europees Parlement een definitief besluit neemt inzake een van de in artikel 27 bedoelde sancties, stelt de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de Europese politieke partij of de Europese politieke stichting in kwestie in de gelegenheid de maatregelen te treffen die nodig zijn om de situatie binnen een redelijke termijn, die normaal gesproken niet langer mag duren dan een maand, te verhelpen. In het bijzonder geeft de Autoriteit of de ordonnateur van het Europees Parlement de gelegenheid tot het corrigeren van schrijf‑ en rekenfouten, het zo nodig verstrekken van aanvullende documenten of informatie of het rechtzetten van kleine tekortkomingen. 2. Indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting heeft nagelaten binnen de in lid 1 voorgeschreven termijn corrigerende maatregelen te nemen, worden passende sancties overeenkomstig artikel 27 opgelegd.”
b) Inleidende opmerkingen over de bij het bestreden besluit opgelegde sanctie
31 In het bestreden besluit heeft de Autoriteit, ten eerste, in de overwegingen 19 tot en met 33 vastgesteld dat er sprake was van een inbreuk in de zin van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, vanwege antwoorden die onvolledig waren en tegenstrijdig met de openbare mededeling die verzoekster haar bij hun contactmomenten had verstrekt. De Autoriteit heeft, ten tweede, in de overwegingen 34 tot en met 44 van het bestreden besluit vastgesteld dat er sprake was van een inbreuk in de zin van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening, op grond dat verzoekster op sociale netwerken onjuiste publicaties had gehandhaafd waarin het werd voorgesteld alsof het betrokken bureaulid op dat moment nog lid was van haar bureau terwijl hij dat niet langer was. Niettemin heeft zij in overweging 54 van het bestreden besluit opgemerkt dat de uit artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 voortvloeiende sanctie wegens opzettelijk gedrag een lex specialis was waarin, in het licht van artikel 27, lid 5, van deze verordening, de sanctie opging die overigens voortvloeide uit artikel 27, lid 2, onder a), iv), gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van die verordening, aangezien het ging om dezelfde feiten met betrekking tot hetzelfde betrokken bureaulid. In artikel 1 van het bestreden besluit heeft de Autoriteit verzoekster dus uitsluitend voor de in artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 bedoelde inbreuk een financiële sanctie ter hoogte van 5 % van verzoeksters jaarlijkse begroting opgelegd.
32 In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat, ongeacht de overwegingen waarop een dergelijk besluit berust, alleen het dispositief ervan rechtsgevolgen kan hebben en derhalve bezwarend kan zijn. De in de motivering van een besluit geformuleerde beoordelingen zijn daarentegen als zodanig niet vatbaar voor beroep tot nietigverklaring en kunnen door de Unierechter slechts op hun wettigheid worden getoetst voor zover zij, als motivering van een bezwarende handeling, noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief van deze handeling (zie arrest van 1 februari 2012, Waals Gewest/Commissie,T‑237/09, EU:T:2012:38, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Aangezien in het onderhavige geval de beoordelingen in de overwegingen 19 tot en met 33 van het bestreden besluit inzake de inbreuk op grond van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, niet noodzakelijk zijn ter ondersteuning van het dispositief van het bestreden besluit, kunnen zij niet op hun wettigheid worden getoetst.
34 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat voor niet-kwantificeerbare inbreuken, zoals blijkt uit punt 29 hierboven, krachtens artikel 27, lid 4, onder a), eerste en tweede streepje, van verordening nr. 1141/2014 een financiële sanctie ter hoogte van 5 % van de jaarlijkse begroting van de Europese politieke partij moet worden opgelegd en dat voor een samenloop van inbreuken deze sanctie 7,5 % van die jaarlijkse begroting moet bedragen. Voorts bepaalt lid 5 van dit artikel dat bij een samenloop van inbreuken alleen een sanctie wordt opgelegd voor de ernstigste van die inbreuken, tenzij lid 4, onder a), van dat artikel anders bepaalt.
35 Zo hangt voor niet-kwantificeerbare inbreuken de aan een Europese politieke partij op te leggen sanctie af van het aantal gepleegde inbreuken. Indien wordt vastgesteld dat er slechts één niet-kwantificeerbare inbreuk is gepleegd, moet op grond van artikel 27, lid 4, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 1141/2014 een financiële sanctie ter hoogte van 5 % van de jaarlijkse begroting van de Europese politieke partij worden opgelegd. Gaat het daarentegen om een situatie waarin wordt vastgesteld dat er in het kader van dezelfde onrechtmatige handeling ten minste twee niet-kwantificeerbare inbreuken zijn gepleegd, dan is er sprake van een samenloop van inbreuken als bedoeld in artikel 2, punt 12, van deze verordening, waarbij op grond van artikel 27, lid 4, onder a), tweede streepje, van die verordening een financiële sanctie ter hoogte van 7,5 % van de jaarlijkse begroting van de Europese politieke partij moet worden opgelegd.
36 Gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 27, lid 4, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 1141/2014 beschikt de Autoriteit dus over geen enkele beoordelingsmarge bij de vaststelling van de financiële sanctie voor niet-kwantificeerbare inbreuken. Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door artikel 27, lid 5, van verordening nr. 1141/2014, zoals blijkt uit de woorden „tenzij anders bepaald in lid 4, onder a)” in dat artikel.
37 In het licht van deze overwegingen moeten het zesde en het elfde middel van verzoekster eerst gezamenlijk worden onderzocht.
c) Zesde en elfde middel: schending van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4 van deze verordening, schending van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van deze verordening en schending van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen
38 Verzoekster betoogt in essentie dat de Autoriteit een Europese politieke partij slechts een sanctie kan opleggen indien deze partij haar rechtstreeks onjuiste informatie verstrekt en de rechtstreeks aan het publiek meegedeelde informatie niet onder verordening nr. 1141/2014 valt.
39 In het kader van het zesde middel voert verzoekster in essentie aan dat de Autoriteit door haar een financiële sanctie op te leggen artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, en artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening heeft geschonden en beoordelingsfouten heeft gemaakt.
40 In het kader van het elfde middel stelt verzoekster in essentie dat de Autoriteit door haar een financiële sanctie op te leggen ook het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen heeft geschonden.
41 De Autoriteit betoogt dat het zesde middel niet ter zake dienend is, dat de in repliek aangevoerde argumenten inzake de uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 niet-ontvankelijk zijn en dat dit middel hoe dan ook ongegrond is.
42 Het elfde middel moet volgens de Autoriteit ongegrond worden verklaard.
43 In het licht van de argumenten van partijen moet eerst worden onderzocht of het zesde middel ter zake dienend is en of de in repliek aangevoerde argumenten inzake de uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 ontvankelijk zijn.
1) Relevantie van het zesde middel
44 De Autoriteit betoogt dat het zesde middel niet ter zake dienend is, aangezien verzoekster de elementen betreffende de inbreuk op grond van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, waarvoor geen sanctie is opgelegd, combineert met de elementen betreffende de inbreuk op grond van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening, waarvoor wel een sanctie is opgelegd.
45 In antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang die is vastgesteld op grond van artikel 89, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft verzoekster in essentie aangevoerd dat het zesde middel ter zake dienend was voor zover het betrekking had op de argumenten inzake schending van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014.
46 In dat verband dient eraan te worden herinnerd dat een middel dat niet tot de door de verzoekende partij nagestreefde nietigverklaring kan leiden, volgens vaste rechtspraak wordt geacht irrelevant te zijn, ook al is het gegrond (beschikking van 26 februari 2013, Castiglioni/Commissie, T‑591/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:94, punt 45, en arrest van 15 januari 2015, Frankrijk/Commissie,T‑1/12, EU:T:2015:17, punt 73; zie in die zin ook arrest van 21 september 2000, EFMA/Raad,C‑46/98 P, EU:C:2000:474, punt 38).
47 In de onderhavige zaak kan uit verzoeksters schriftelijke stukken worden afgeleid dat zij in essentie schending aanvoert van, ten eerste, artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, en van, ten tweede, artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening.
48 In de punten 135 en 136 van het verzoekschrift haalt verzoekster namelijk artikel 24 en artikel 27, lid 2, van verordening nr. 1141/2014 aan. Voorts betoogt verzoekster in punt 139 van het verzoekschrift, onder verwijzing naar deze bepalingen, dat de Autoriteit een Europese politieke partij slechts kan veroordelen in het geval waarin deze partij „bewust en opzettelijk onjuiste informatie aan [de Autoriteit] heeft geleverd” en voert zij in de punten 140 tot en met 152 van dat verzoekschrift aan dat dit in de onderhavige zaak niet het geval was, gezien de chronologische volgorde van de gebeurtenissen. Bovendien voert zij in punt 159 van het verzoekschrift in essentie aan dat geen inbreuk op de artikelen 24 en 27 van verordening nr. 1141/2014 kan worden vastgesteld „[o]mdat de Autoriteit in staat is gesteld om haar toezicht op de samenstelling [van haar] organen uit te oefenen [...], en aangezien haar een proces-verbaal is overhandigd dat bewijs levert zolang het tegendeel niet is bewezen en het (onopzettelijke) verzuim om de website bij te werken duidelijk geen enkele invloed heeft gehad op het toezicht door de Autoriteit”.
49 Uit de in punt 48 hierboven vermelde argumenten van verzoekster blijkt dus dat daarmee wordt beoogd aan te tonen dat, ten eerste, verzoekster juiste informatie aan de Autoriteit heeft verstrekt zodat deze haar controlebevoegdheid heeft kunnen uitoefenen, en dat verzoekster bijgevolg geen inbreuk op artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, kan worden verweten en, ten tweede, een Europese politieke partij slechts kan worden bestraft indien zij opzettelijk onjuiste informatie aan de Autoriteit levert en dat de Autoriteit, aangezien dit in de onderhavige zaak niet het geval is geweest, artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 heeft geschonden.
50 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat verzoekster in repliek verwijst naar „[s]trijdigheid met de artikelen 24 en 27 van [v]erordening [nr. 1141/2014] en [naar een] beoordelingsfout bij de toepassing ervan in de onderhavige zaak”.
51 In deze context moet worden geoordeeld dat de argumenten inzake schending van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, zoals verzoekster ter terechtzitting in wezen heeft betoogd, weliswaar niet ter zake dienend zijn aangezien zij zijn gericht tegen overwegingen die het dispositief van het bestreden besluit niet onderbouwen, en dus niet kunnen leiden tot vernietiging van dat besluit overeenkomstig de in punt 46 hierboven aangehaalde rechtspraak, maar dat dit niet geldt voor de argumenten inzake schending van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening.
52 Bijgevolg is het zesde middel niet ter zake dienend voor zover het betrekking heeft op de argumenten inzake schending van artikel 27, lid 2, onder a), iv), van verordening nr. 1141/2014, gelezen in samenhang met artikel 24, lid 4, van deze verordening, en wel ter zake dienend voor zover het betrekking heeft op de argumenten inzake schending van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van die verordening.
53 Derhalve moet het onderzoek worden voortgezet en de ontvankelijkheid worden onderzocht van de in repliek aangevoerde argumenten van verzoekster inzake de uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014.
2) Ontvankelijkheid van de in repliek aangevoerde argumenten inzake de uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014
54 In repliek stelt verzoekster vast dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 op twee manieren kan worden uitgelegd. Zij betoogt dat deze bepaling, volgens de ruime uitlegging ervan, de Autoriteit de bevoegdheid verleent om elke verspreiding van onjuiste of misleidende informatie te bestraffen, ongeacht de ontvanger en de communicatiemiddelen, en ook al is zij niet misleid. Volgens de strikte uitlegging van dit artikel kan de Autoriteit op grond ervan enkel bestraffen dat onjuiste of misleidende informatie aan haar wordt verstrekt. Verzoekster meent dat deze laatste uitlegging in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever om de Autoriteit in staat te stellen haar controlebevoegdheid uit te oefenen, en volgt uit de bewoordingen van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, waarin wordt verwezen naar situaties waarin een Europese politieke partij informatie levert of had moeten leveren.
55 In dupliek stelt de Autoriteit vast dat deze argumenten als niet-tijdig moeten worden afgewezen en dus niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Zij betoogt dat deze argumenten noch met het zesde noch met het elfde middel van het verzoekschrift in verband kunnen worden gebracht.
56 In antwoord op een op grond van artikel 89, lid 2, onder c), van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang voor beantwoording ter terechtzitting heeft verzoekster in essentie aangevoerd dat deze argumenten ontvankelijk waren, aangezien zij in het verzoekschrift argumenten in die zin had aangevoerd.
57 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op juridische of feitelijke gegevens waarvan pas in de loop van de behandeling is gebleken.
58 Volgens de rechtspraak is artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering ook van toepassing op grieven of argumenten (zie arrest van 14 juli 2021, AQ/eu‑LISA, T‑164/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:456, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Een middel, grief of argument dat een uitwerking is van een eerder in het verzoekschrift uitdrukkelijk of stilzwijgend opgeworpen middel, grief of argument, moet echter ontvankelijk worden verklaard (zie in die zin arrest van 24 september 2019, Yanukovych/Raad, T‑301/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:676, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Om een nieuw argument te kunnen aanmerken als een uitwerking van een reeds eerder ingeroepen middel, grief of argument, moet het met de aanvankelijk in het verzoekschrift uitgewerkte middelen, grieven of argumenten een zodanig verband vertonen dat het kan worden beschouwd als voortvloeiend uit een normale ontwikkeling van het debat in een contentieuze procedure (zie arrest van 20 november 2017, Petrov e.a./Parlement,T‑452/15, EU:T:2017:822, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat verzoekster, zoals de Autoriteit benadrukt, in het verzoekschrift in het kader van het zesde middel niet uitdrukkelijk argumenten heeft aangevoerd inzake de „draagwijdte” van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014.
62 Niettemin moet worden opgemerkt dat verzoekster, zoals blijkt uit punt 48 hierboven, in punt 139 van het verzoekschrift heeft aangevoerd dat de Autoriteit een Europese politieke partij slechts kon veroordelen in de gevallen waarin die partij haar „bewust en opzettelijk onjuiste informatie” heeft geleverd, en zij in de punten 140 tot en met 152 van dat verzoekschrift heeft gepreciseerd dat dit in de onderhavige zaak niet het geval was gezien de chronologische volgorde van de gebeurtenissen, alvorens tot de slotsom te komen dat de Autoriteit ondanks deze omstandigheid in essentie van mening was dat haar gedrag „onder de in artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening [nr. 1141/2014] genoemde gevallen” viel. Voorts heeft verzoekster in punt 154 van het verzoekschrift opgemerkt dat de Autoriteit zelf had benadrukt dat zij „duidelijk was ingelicht over de samenstelling van het bureau”.
63 Deze beoordelingen komen precies overeen met de „strikte” uitlegging die verzoekster in repliek heeft ontwikkeld en die zij onderschrijft, namelijk dat een sanctie op grond van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 alleen mag worden opgelegd wanneer een Europese politieke partij opzettelijk onjuiste informatie levert aan de Autoriteit.
64 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat verzoekster, anders dan de Autoriteit stelt, in het kader van het elfde middel, onder verwijzing naar artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, in essentie heeft aangevoerd dat uit deze bepaling niet kon worden afgeleid dat de Autoriteit een Europese politieke partij kon bestraffen voor een publicatie op sociale netwerken.
65 De in punt 54 hierboven vermelde argumenten die verzoekster in repliek heeft aangevoerd, vertonen dus een voldoende verband met de in het verzoekschrift ontwikkelde argumenten en zijn dus ontvankelijk.
3) Gegrondheid van het zesde en het elfde middel
66 In de overwegingen 34 tot en met 44 van het bestreden besluit heeft de Autoriteit vooraf vastgesteld dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, gelet op de bewoordingen en het doel ervan, aldus moest worden uitgelegd dat het ertoe strekt een Europese politieke partij te bestraffen voor het onjuist informeren van het publiek over haar structurele en financiële kenmerken. De Autoriteit heeft opgemerkt dat verzoekster in de onderhavige zaak in publicaties op sociale netwerken had vermeld dat het betrokken bureaulid nog lid was van haar bureau terwijl hij dat op het moment van die publicaties niet meer was, en op een bepaald moment had besloten om die publicaties te handhaven terwijl zij wist dat deze publicaties onjuist waren, zodat moest worden vastgesteld dat er sprake was van opzet bij verzoekster. De Autoriteit is tot de slotsom gekomen dat verzoekster, door de publicaties waarin werd vermeld dat het betrokken bureaulid op dat moment nog lid was van haar bureau op sociale netwerken te handhaven terwijl zij wist dat deze onjuist waren, opzettelijk onjuiste informatie heeft geleverd en zo heeft voldaan aan de elementen van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014.
67 Verzoekster betoogt in essentie dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op situaties waarin een Europese politieke partij opzettelijk onjuiste informatie aan de Autoriteit levert. Zij voert in wezen aan dat de Autoriteit het recht onjuist heeft toegepast alsmede beoordelingsfouten heeft gemaakt en het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen heeft geschonden, door haar uit hoofde van die bepaling een financiële sanctie op te leggen op grond dat zij op sociale netwerken publicaties had gehandhaafd waarin werd vermeld dat het betrokken bureaulid op dat moment nog lid was van haar bureau terwijl zij wist dat deze onjuist waren.
68 De Autoriteit betwist verzoeksters argumenten. Zij betoogt in essentie dat uit een letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 blijkt dat onjuiste informatie die opzettelijk aan het publiek ter beschikking wordt gesteld en betrekking heeft op het statuut of de financiering van Europese politieke partijen, niet van de werkingssfeer ervan is uitgesloten. Zij meent dus dat zij, door verzoekster op grond van die bepaling een financiële sanctie op te leggen, het recht niet onjuist heeft toegepast, noch beoordelingsfouten heeft gemaakt, noch het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, aangezien het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen in het onderhavige geval niet van toepassing is.
69 In het licht van de argumenten van partijen moet vooraf artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 worden uitgelegd.
i) Uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014
70 Zoals in punt 29 hierboven in herinnering is gebracht, luidt artikel 27, lid 2, van verordening nr. 1141/2014 als volgt: „2. De Autoriteit legt in de volgende gevallen financiële sancties op: a) niet-kwantificeerbare inbreuken: [...] vi) indien een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk [informatie heeft achtergehouden of] onjuiste of misleidende informatie heeft [...] geleverd, of indien de organen die op grond van deze verordening gemachtigd zijn de begunstigden van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie aan audits of controles te onderwerpen fouten in de jaarrekeningen ontdekken die overeenkomstig de in artikel 2 van verordening (EG) nr. 1606/2002 gedefinieerde internationale standaarden voor jaarrekeningen worden beschouwd als weglatingen of onjuiste weergaves van informatie van materieel belang[.]”
71 Uit de in punt 66 hierboven in herinnering gebrachte motivering van het bestreden besluit blijkt dat de Autoriteit verzoekster uit hoofde van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 een financiële sanctie heeft opgelegd op grond dat zij opzettelijk onjuiste informatie had geleverd.
72 De uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 moet dus worden beperkt tot situaties waarin de betrokken Europese politieke partij, op enig moment, opzettelijk onjuiste informatie heeft geleverd.
73 Overeenkomstig vaste rechtspraak moet een letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 worden gegeven [zie in die zin arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. In dat verband dient rekening te worden gehouden met het feit dat de teksten van het Unierecht zijn opgesteld in meerdere talen en dat alle taalversies authentiek zijn, hetgeen een vergelijking van die versies noodzakelijk kan maken (zie arrest van 14 juli 2016, Letland/Commissie,T‑661/14, EU:T:2016:412, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk,C‑422/19 en C‑423/19, EU:C:2021:63, punt 65).
– Letterlijke uitlegging
74 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, zoals de Autoriteit betoogt, niet preciseert tot wie de onjuiste informatie gericht is of op welke wijze deze wordt geleverd.
75 Niettemin moet worden opgemerkt dat de in deze bepaling gebruikte term „geleverd” in de gebruikelijke betekenis van het dagelijks taalgebruik met name verwijst naar het idee dat iets wat vereist is, wordt ingediend, meegedeeld of overgelegd.
76 Voorts moet worden vastgesteld dat de term „leveren” in combinatie met het woord „informatie” in andere bepalingen van verordening nr. 1141/2014 wordt gebruikt om aan te duiden dat Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, aan verschillende bevoegde autoriteiten, informatie verstrekken die in een procedure vereist is. Dat is met name het geval in artikel 23, lid 4, artikel 24, lid 4, eerste alinea, artikel 25, lid 6, en artikel 29, lid 1, van deze verordening.
77 Daarentegen moet worden opgemerkt dat wanneer in verordening nr. 1141/2014 de informatieverstrekking aan het publiek ter sprake komt, de uitdrukking „beschikbaar stellen” wordt gebruikt, zoals blijkt uit overweging 41 ervan, en wanneer de verordening ziet op informatie die bestemd is om op internet te worden gepubliceerd, de gebruikte bewoordingen „is beschikbaar” en „publiceert” zijn, zoals blijkt uit respectievelijk artikel 7, lid 1, en artikel 32 ervan.
78 Bovendien moet worden opgemerkt dat er op dit punt geen verschillen zijn tussen de Franse versie en andere taalversies van verordening nr. 1141/2014, waaronder de Engelse, de Duitse, de Italiaanse en de Spaanse versie.
79 In deze context pleit de in artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 gebruikte uitdrukking „onjuiste [...] informatie heeft [...] geleverd” voor een uitlegging waarbij deze uitdrukking verwijst naar het idee dat onjuiste vereiste informatie wordt ingediend, meegedeeld of overgelegd.
80 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het bijwoord „opzettelijk” in de gebruikelijke betekenis van het dagelijks taalgebruik verwijst naar een doelbewuste, weloverwogen verrichte daad.
81 De uitdrukking „opzettelijk onjuiste [...] informatie heeft [...] geleverd” pleit dus voor een uitlegging waarbij een Europese politieke partij zich bij de indiening, mededeling of overlegging van de vereiste informatie bewust is van de onjuistheid ervan, maar weloverwogen besluit deze informatie in te dienen, mee te delen of over te leggen.
82 In de derde plaats wijst de uitdrukking „op enig moment” in de gebruikelijke betekenis van het dagelijks taalgebruik erop dat iets zich op elk moment in een bepaalde periode kan voordoen.
83 In de context van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 leidt de uitdrukking „op enig moment” tot een uitlegging waarbij een Europese politieke partij, op welk moment dan ook, weloverwogen besluit de onjuiste vereiste informatie in te dienen, mee te delen of over te leggen.
84 Anders dan de Autoriteit betoogt, is de uitdrukking „op enig moment” in redactioneel opzicht niet bedoeld om te benadrukken dat de wetgever geen elementen wenst op te nemen die de toepasselijkheid van deze bepaling beperken tot bepaalde situaties van informatieoverdracht, maar eerder om een temporele verduidelijking toe te voegen.
85 De voorgaande overwegingen pleiten voor een letterlijke uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 waarbij deze bepaling van toepassing is op situaties waarin een Europese politieke partij weloverwogen, op welk moment dan ook, onjuiste vereiste informatie indient, meedeelt of overlegt, terwijl zij weet dat deze onjuist is.
– Contextuele uitlegging
86 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat verordening nr. 1141/2014, zoals blijkt uit punt 22 hierboven, het rechtskader en financiële kader van Europese politieke partijen regelt.
87 Wat het rechtskader betreft, blijkt uit artikel 8, lid 1, en artikel 9, leden 1 en 2, van verordening nr. 1141/2014 dat Europese politieke partijen een registratieverzoek indienen bij de Autoriteit, en dat de Autoriteit dit verzoek onderzoekt om vast te stellen of deze partijen voldoen aan de registratievoorwaarden en aan de bepalingen inzake goed bestuur die in het bijzonder aan de statuten zijn verbonden, waarna zij besluit om de partijen wel of niet te registreren. Zoals voorts uit punt 24 hierboven blijkt, stellen Europese politieke partijen overeenkomstig artikel 9, lid 5, van die verordening de Autoriteit in kennis van elke wijziging van de bij het registratieverzoek ingediende documenten of statuten. Op haar beurt verifieert de Autoriteit krachtens artikel 10, lid 1, en lid 3, vierde alinea, van die verordening regelmatig of Europese politieke partijen aan de registratievoorwaarden en de bepalingen inzake goed bestuur blijven voldoen en kan zij, indien dit niet langer het geval is, besluiten deze partijen te schrappen. Bovendien controleert de Autoriteit volgens artikel 24, lid 2, eerste alinea, van die verordening op de naleving door Europese politieke partijen van de verplichtingen met betrekking tot die voorwaarden en bepalingen.
88 Wat het financiële kader betreft, kunnen Europese politieke partijen zodra zij zijn geregistreerd onder bepaalde voorwaarden overeenkomstig artikel 17, lid 1, en artikel 20, leden 1 en 7, van verordening nr. 1141/2014 bij het Parlement een verzoek om financiering uit de algemene begroting van de Unie indienen, donaties van natuurlijke of rechtspersonen aanvaarden en bijdragen van hun leden ontvangen. Op grond van artikel 23, lid 1, en artikel 20, leden 2 tot en met 4, van deze verordening zijn zij echter verplicht hun jaarrekeningen en begeleidende nota’s, een externe-auditverslag van deze jaarrekeningen, alsmede een lijst van al hun donoren en contribuanten en hun respectieve donaties en bijdragen bij de Autoriteit in te dienen. De Autoriteit en de ordonnateur van het Parlement waarborgen overeenkomstig artikel 24, lid 2, van die verordening dat de verplichtingen in verband met de financiering worden nagekomen.
89 Uit de in punt 88 hierboven vermelde bepalingen blijkt dat Europese politieke partijen de Autoriteit zowel bij hun registratie als tijdens hun gehele bestaan informatie over de registratievoorwaarden en de bepalingen inzake goed bestuur die in het bijzonder verband houden met de statuten alsmede informatie over hun financiële situatie moeten verstrekken, door met name hun jaarrekeningen, een externe-auditverslag, alsmede een lijst van hun donoren en contribuanten en hun respectieve donaties en bijdragen bij de Autoriteit in te dienen.
90 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat de Autoriteit krachtens artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1141/2014 een register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen opzet en beheert.
91 Ook moet worden opgemerkt dat uit overweging 2 en artikel 1 van gedelegeerde verordening (EU, Euratom) 2015/2401 van de Commissie van 2 oktober 2015 betreffende de inhoud en de werking van het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen (PB 2015, L 333, blz. 50), die is vastgesteld op de grondslag van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1141/2014, blijkt dat het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen gegevens en documenten bevat die worden ingediend in het kader van verzoeken tot registratie als Europese politieke partijen of Europese politieke stichtingen, alsmede gegevens en documenten die later worden ingediend.
92 Volgens overweging 5 en artikel 3, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/2401 stelt de Autoriteit standaarduittreksels op uit het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen en verstrekt zij deze op verzoek aan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon.
93 Het register van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen is overeenkomstig overweging 4 van gedelegeerde verordening 2015/2401 dus bedoeld als openbare dienstverlening ten behoeve van transparantie, verantwoording en rechtszekerheid, en de Autoriteit dient dit register daarom zodanig te beheren dat in passende toegang tot en certificering van de erin opgenomen informatie wordt voorzien.
94 Voorts moet worden vastgesteld dat uit overweging 33 van verordening nr. 1141/2014 blijkt dat informatie over Europese politieke partijen die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht en met name betrekking heeft op hun statuten, samenstelling, jaarrekeningen, donateurs en hun donaties, bijdragen en subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie omwille van de transparantie en ter versterking van de democratische controle en verantwoording van Europese politieke partijen dient te worden bekendgemaakt.
95 Overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder a) en d) tot en met f), van verordening nr. 1141/2014 publiceert het Parlement, onder het gezag van zijn ordonnateur of die van de Autoriteit, op een speciaal daartoe gecreëerde website in het bijzonder de statuten van alle Europese politieke partijen, de bij hun registratieverzoek ingediende documenten en de nadien daartoe meegedeelde wijzigingen, alsmede hun jaarrekeningen en externe-auditverslagen, de gemelde namen van hun donateurs en de donaties of gemelde bijdragen van hun donateurs.
96 Uit de voorgaande bepalingen blijkt dat informatie over Europese politieke partijen, in het bijzonder informatie die wordt geacht een belangrijk openbaar belang te dienen, door de bevoegde autoriteiten – waaronder de Autoriteit – aan het publiek ter beschikking moet worden gesteld zodat het publiek er op passende wijze toegang toe heeft.
97 Daarentegen moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1141/2014 Europese politieke partijen niet verplicht om informatie aan het publiek ter beschikking te stellen. De enige onderdelen van verordening nr. 1141/2014 die betrekking hebben op de openbaarmaking door Europese politieke partijen van voor het publiek bestemde informatie zijn namelijk, ten eerste, overweging 32 en, ten tweede, artikel 31, met als opschrift „Informatieverstrekking aan de burgers”, op grond waarvan Europese politieke partijen voor de verkiezingen voor het Parlement de burgers van de Unie mogen inlichten over hun banden met de nationale politieke partijen en kandidaten. Naast het feit dat deze overweging en deze bepaling de reikwijdte van voor burgers bestemde informatie beperken tot specifieke omstandigheden, te weten het kader van de verkiezingen voor het Parlement en het specifieke onderwerp van de banden van Europese politieke partijen met de nationale politieke partijen en kandidaten, voorzien zij dus in de mogelijkheid, en niet in de verplichting, voor Europese politieke partijen om burgers in te lichten.
98 In de derde plaats moet worden opgemerkt dat voor de andere soorten inbreuken dan de in punt 72 hierboven vermelde inbreuk, bedoeld in artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, is voorzien in sancties ingeval Europese politieke partijen de eisen inzake informatieverstrekking aan bevoegde autoriteiten niet naleven. Wat betreft situaties waarin „een Europese politieke partij of een Europese politieke stichting op enig moment opzettelijk [...] informatie heeft achtergehouden”, volstaat het immers eraan te herinneren, zoals in punt 97 hierboven is gepreciseerd, dat in geen enkele bepaling van verordening nr. 1141/2014 wordt vereist dat Europese politieke partijen informatie openbaar maken, zodat een sanctie wegens opzettelijk verzuim om informatie te leveren alleen aldus kan worden uitgelegd dat zij ziet op de informatie die Europese politieke partijen in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van die verordening aan de toezichthoudende autoriteiten moeten meedelen.
99 Wat de situaties betreft waarin „de organen die op grond van [...] verordening [nr. 1141/2014] gemachtigd zijn de begunstigden van financiering uit de algemene begroting van de Europese Unie aan audits of controles te onderwerpen fouten in de jaarrekeningen ontdekken die overeenkomstig de [...] internationale standaarden voor jaarrekeningen worden beschouwd als weglatingen of onjuiste weergaves van informatie van materieel belang”, volstaat het op te merken dat Europese politieke partijen bij dit soort inbreuken worden bestraft wanneer fouten in hun jaarrekeningen worden ontdekt door organen die gemachtigd zijn om audits of controles uit te voeren.
100 Al het voorgaande pleit voor een contextuele uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 waarbij deze bepaling van toepassing is op situaties waarin een Europese politieke partij opzettelijk onjuiste informatie levert aan de bevoegde autoriteiten, waaronder de Autoriteit.
101 Hoewel de Autoriteit betoogt dat zij overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1141/2014 op grond van haar controlebevoegdheden verplicht is zich ervan te vergewissen dat de antwoorden die Europese politieke partijen haar rechtstreeks meedelen betrouwbaar zijn, volstaat de vaststelling dat de Autoriteit op grond van deze bepaling regelmatig moet verifiëren of geregistreerde Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen blijven voldoen aan de registratievoorwaarden van artikel 3 van verordening nr. 1141/2014 en de overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), b) en d) tot en met f), en artikel 5, lid 1, onder a) tot en met e) en g), van die verordening vastgestelde bepalingen inzake goed bestuur. De verwijzing naar deze bepalingen bevestigt dat geregistreerde Europese politieke partijen de Autoriteit correcte informatie moeten verstrekken in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van die verordening.
– Teleologische uitlegging
102 Ten eerste moet worden opgemerkt dat overweging 1 van verordening nr. 1141/2014 verwijst naar artikel 10, lid 4, VEU en artikel 12, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens welke de politieke partijen op Europees niveau bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie. Voorts moeten volgens overweging 23 van deze verordening criteria worden vastgesteld voor de toekenning van de beperkte middelen uit de algemene begroting van de Europese Unie die „het doel van Europese politieke partijen om volledig deel te nemen aan het democratische proces van de Unie en om actief bij te dragen tot de representatieve democratie van Europa, teneinde uitdrukking te geven aan de standpunten, meningen en politieke wensen van de burgers van de Unie” moeten weerspiegelen. Uit deze overwegingen blijkt dat verordening nr. 1141/2014 uiteindelijk tot doel heeft om het Europese politieke bewustzijn en de representatieve democratie van Europa te versterken.
103 Ten tweede moet worden opgemerkt dat overweging 24 van verordening nr. 1141/2014 verwijst naar het idee om de financiering van Europese politieke partijen transparanter te maken en mogelijk misbruik van de financieringsregels te voorkomen. Dat geldt ook voor overweging 34 van deze verordening, waarin wordt gesproken van het „legitieme openbaar belang van transparantie op het gebied van de financiering van Europese politieke partijen”, en voor overweging 38 daarvan, waarin wordt verwezen naar de wens om de transparantie van de financiering van Europese politieke partijen en van hun samenstelling te waarborgen. In overweging 33 van die verordening staat te lezen dat „[o]mwille van de transparantie [...] informatie die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht [...] [dient] te worden bekendgemaakt.” Hieruit volgt dat de versterking van de transparantie van Europese politieke partijen een andere doelstelling is van verordening nr. 1141/2014.
104 Ten derde moet worden opgemerkt dat overweging 26 van verordening nr. 1141/2014 de versterking van de „verantwoording en verantwoordelijkheid van Europese politieke partijen” vermeldt. Voorts wordt in overweging 33 van deze verordening verwezen naar de „democratische [...] verantwoording” van Europese politieke partijen. Daaruit volgt dat de versterking van de verantwoording van Europese politieke partijen eveneens een van de doelstellingen van verordening nr. 1141/2014 is.
105 Voorts moet worden vastgesteld dat de wetgever in overweging 33 van verordening nr. 1141/2014 preciseert dat „[o]mwille van de transparantie en ter versterking van de democratische controle en verantwoording van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen [...] informatie die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht en met name betrekking heeft op hun statuten, samenstelling, jaarrekeningen, donateurs en donaties, bijdragen en subsidies uit de algemene begroting van de Europese Unie, evenals informatie betreffende de besluiten van de Autoriteit en de ordonnateur van het Europees Parlement inzake registratie, financiering en sancties, [dient] te worden bekendgemaakt”. De wetgever vermeldt ook dat „[h]et doeltreffendste middel om gelijke voorwaarden voor en eerlijke mededinging tussen politieke krachten te bevorderen en voor open, transparante en democratische wetgevings‑ en verkiezingsprocessen te zorgen, teneinde het vertrouwen van de burgers en kiezers in de Europese representatieve democratie te sterken, en meer in het algemeen corruptie en machtsmisbruik te voorkomen, [...] het tot stand brengen van een regelgevingskader [is] dat waarborgt dat deze informatie openbaar wordt gemaakt”.
106 Zoals blijkt uit punt 95 hierboven, publiceert het Parlement op grond van artikel 32, lid 1, van verordening nr. 1141/2014 de in overweging 33 bedoelde informatie, onder het gezag van zijn ordonnateur of die van de Autoriteit, op een speciaal daartoe gecreëerde website.
107 Voorts moet volgens overweging 34 van verordening nr. 1141/2014 „[o]penbaarmaking van donaties van meer dan 3000 EUR per jaar per donateur [...] een doeltreffende publieke toetsing van en controle op de betrekkingen tussen donoren en Europese politieke partijen waarborgen.”
108 Uit bovengenoemde overwegingen en bepalingen blijkt dat de wetgever met de vaststelling van verordening nr. 1141/2014 de in de punten 102 tot en met 104 hierboven genoemde doelstellingen heeft willen verwezenlijken door een regelgevingskader in te voeren dat ervoor moet zorgen dat de informatie over Europese politieke partijen die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht, door de bevoegde autoriteiten aan het publiek ter beschikking wordt gesteld zodat het publiek op passende wijze toegang tot die informatie kan krijgen en een doeltreffende publieke toetsing van de activiteiten van deze partijen gewaarborgd is.
109 In dit verband volstaat het op te merken dat de wetgever in overweging 33 van verordening nr. 1141/2014 uitdrukkelijk heeft bepaald dat de invoering van een dergelijk regelgevingskader „[h]et doeltreffendste middel [was] om [...] voor open, transparante en democratische wetgevings‑ en verkiezingsprocessen te zorgen, teneinde het vertrouwen van de burgers en kiezers in de Europese representatieve democratie te sterken”, zoals blijkt uit punt 105 hierboven.
110 Het voorgaande leidt tot een teleologische uitlegging van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 waarbij deze bepaling van toepassing is op situaties waarin een Europese politieke partij de bevoegde autoriteiten opzettelijk onjuiste informatie levert binnen het in punt 108 hierboven vermelde regelgevingskader.
111 Dat stelt de Autoriteit overigens zelf in punt 96 van haar verweerschrift, waarin zij preciseert dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 tot doel heeft „ervoor te zorgen dat de Autoriteit in staat is haar toezichthoudende taken uit te voeren [...] en op basis van met name van Europese politieke partijen verkregen informatie nauwkeurige structurele en financiële gegevens voor het publiek bekend te maken”.
112 Anders dan de Autoriteit betoogt, is een dergelijke uitlegging noch in strijd met artikel 10, lid 4, VEU, noch met de door haar genoemde „doelstelling van de aan burgers verschuldigde integriteit”. In dit verband moet worden vastgesteld dat Europese politieke partijen, doordat zij de Autoriteit correcte informatie verstrekken teneinde ervoor te zorgen dat het publiek toegang heeft tot betrouwbare informatie van aanzienlijk openbaar belang, ongetwijfeld bijdragen aan de vorming van het Europese politieke bewustzijn en aan de door die autoriteit genoemde „doelstelling van de aan burgers verschuldigde integriteit”.
113 Bovendien kan deze uitlegging, anders dan de Autoriteit betoogt, het nuttig effect van verordening nr. 1141/2014 waarborgen. Europese politieke partijen worden immers bestraft voor het opzettelijk leveren van onjuiste informatie aan de Autoriteit om die partijen ertoe aan te zetten correcte informatie aan de Autoriteit mee te delen, zodat het publiek op passende wijze toegang kan krijgen tot informatie die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht.
114 Hoewel de Autoriteit opmerkt dat de aan haar verstrekte informatie haar geldigheid verliest indien zij niet overeenstemt met de informatie die Europese politieke partijen aan het publiek meedelen, volstaat het om op te merken, net als de Autoriteit zelf, dat zij krachtens artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening nr. 1141/2014 controlebevoegdheden heeft en dat Europese politieke partijen volgens lid 4 van dat artikel verplicht zijn om haar alle informatie te verstrekken die nodig is voor de uitvoering van de controles waarvoor zij verantwoordelijk is.
115 Voor zover de Autoriteit betoogt dat er geen vermoeden bestaat dat de aan haar verstrekte informatie „waarheidsgetrouwer” is dan de aan het publiek meegedeelde informatie, moet in dezelfde lijn worden opgemerkt dat verordening nr. 1141/2014 verplichtingen oplegt met betrekking tot de aan de Autoriteit verstrekte informatie en niet met betrekking tot de aan het publiek meegedeelde informatie, en dat de Autoriteit bij twijfel beschikt over de nodige middelen om zich van de juistheid van de aan haar verstrekte informatie te vergewissen.
116 Wat voorts de beweringen van de Autoriteit betreft dat burgers alle vertrouwen in haar zouden verliezen en dat de bestaansreden van de voor haar bestemde mededelingen in twijfel zou worden getrokken indien informatie wordt verstrekt met een andere inhoud dan de informatie die door Europese politieke partijen is bekendgemaakt, volstaat het eraan te herinneren dat de wetgever in overweging 33 van verordening nr. 1141/2014 uitdrukkelijk heeft bepaald dat de invoering van een regelgevingskader dat ervoor moet zorgen dat informatie over Europese politieke partijen die van aanzienlijk openbaar belang wordt geacht, door de bevoegde autoriteiten aan het publiek ter beschikking wordt gesteld, „[h]et doeltreffendste middel [was] om [...] voor open, transparante en democratische wetgevings‑ en verkiezingsprocessen te zorgen, teneinde het vertrouwen van de burgers en kiezers in de Europese representatieve democratie te sterken”, zoals in punt 109 hierboven is gepreciseerd. Het regelgevingskader van verordening nr. 1141/2014 houdt dus al rekening met de bezwaren die de Autoriteit in dit verband heeft geuit.
117 Gelet op een en ander moet artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, voor zover het ziet op situaties waarin de betrokken Europese politieke partij, op enig moment, opzettelijk onjuiste informatie heeft geleverd, aldus worden uitgelegd dat het van toepassing is op situaties waarin een Europese politieke partij in het kader van haar verplichtingen uit hoofde van deze verordening opzettelijk onjuiste informatie levert aan de bevoegde autoriteiten, waaronder de Autoriteit.
118 Het onderzoek moet worden voortgezet en de toepassing van deze bepaling op de onderhavige zaak moet worden onderzocht.
ii) Toepassing van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 in de onderhavige zaak
119 Zoals blijkt uit punt 66 hierboven, heeft de Autoriteit verzoekster een financiële sanctie opgelegd uit hoofde van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 op grond dat verzoekster op sociale netwerken publicaties had gehandhaafd waarin werd vermeld dat het betrokken bureaulid op dat moment nog lid was van haar bureau, terwijl zij wist dat deze onjuist waren.
120 Ten eerste moet worden vastgesteld dat artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014, zoals blijkt uit punt 117 hierboven, van toepassing is op situaties waarin een Europese politieke partij in het kader van haar verplichtingen uit hoofde van deze verordening opzettelijk onjuiste informatie levert aan de Autoriteit.
121 Ten tweede is artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 blijkens de bewoordingen ervan van toepassing op situaties waarin een Europese politieke partij opzettelijk onjuiste informatie „levert”. Het werkwoord „handhaven”, dat in de gebruikelijke betekenis van het dagelijks taalgebruik „bewaren”, „langdurig behouden” of „niet wijzigen” betekent, heeft niet dezelfde strekking als het werkwoord „leveren”, dat met name verwijst naar het idee dat iets wat vereist is, wordt ingediend, meegedeeld of overgelegd, zoals in punt 75 hierboven is gepreciseerd.
122 Hieruit volgt dat de Autoriteit, door verzoekster uit hoofde van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening nr. 1141/2014 een financiële sanctie op te leggen op grond dat zij op sociale netwerken publicaties had gehandhaafd waarin werd vermeld dat het betrokken voormalig bureaulid op dat moment nog lid was van haar bureau terwijl zij wist dat deze publicaties onjuist waren, het recht onjuist heeft toegepast, hetgeen tot nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden.
123 Gelet op een en ander moet het bestreden besluit nietig worden verklaard zonder dat de andere in het kader van het zesde en het elfde middel aangevoerde argumenten of verzoeksters andere middelen hoeven te worden onderzocht.
2. Schadevorderingen
124 Verzoekster vordert veroordeling van de Autoriteit tot vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden. Zij vermeldt twee schadeposten, die zij op 55000 EUR raamt.
125 De Autoriteit betwist verzoeksters argumenten.
126 Er zij vooraf aan herinnerd dat een beroep tot schadevergoeding een zelfstandige voorziening in rechte is die niet strekt tot nietigverklaring van een bepaalde handeling, maar tot het verkrijgen van een vergoeding voor de door een instelling veroorzaakte schade (zie in die zin arrest van 2 december 1971, Zuckerfabrik Schöppenstedt/Raad,5/71, EU:C:1971:116, punt 3).
127 Volgens artikel 340, tweede alinea, VWEU moet de Unie inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben, namelijk de schade vergoeden die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt.
128 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 340, tweede alinea, VWEU, dat voor het ontstaan van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en de uitoefening van een recht op vergoeding van de geleden schade moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden inzake de onrechtmatigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, het werkelijk bestaan van de schade en een oorzakelijk verband tussen dat gedrag en de gestelde schade (zie arrest van 18 maart 2010, Trubowest Handel en Makarov/Raad en Commissie, C‑419/08 P, EU:C:2010:147, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
129 Wat allereerst de voorwaarde inzake het aan de betrokken instelling of het betrokken orgaan verweten onrechtmatige gedrag betreft, moet volgens de rechtspraak worden aangetoond dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Wat het vereiste van een voldoende gekwalificeerde schending betreft, geldt als beslissend criterium dat de betrokken instelling of het betrokken orgaan van de Unie de grenzen van haar of zijn beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden. Wanneer deze instelling of dit orgaan slechts over een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge beschikt, kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending vast te stellen (zie arrest van 8 november 2017, De Nicola/Hof van Justitie van de Europese Unie, T‑99/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:790, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
130 Wat vervolgens de voorwaarde inzake het werkelijke bestaan van de schade betreft, kan de Unie slechts aansprakelijk worden gesteld wanneer de verzoekende partij schade heeft geleden die „reëel en zeker” is. De verzoekende partij moet de Unierechter bewijsmateriaal overleggen om het bestaan en de omvang van die schade te bewijzen (zie arrest van 8 november 2017, De Nicola/Hof van Justitie van de Europese Unie, T‑99/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:790, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
131 Wat ten slotte de voorwaarde betreft van een oorzakelijk verband tussen het gestelde gedrag en de aangevoerde schade, zij opgemerkt dat deze schade een voldoende rechtstreeks gevolg dient te zijn van het verweten gedrag, in die zin dat dit gedrag de belangrijkste oorzaak van de schade moet zijn, zonder dat evenwel alle nadelige gevolgen van een onrechtmatige situatie, hoe ver verwijderd ook, moeten worden vergoed. Het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het verweten gedrag en de gestelde schade (zie arrest van 8 november 2017, De Nicola/Hof van Justitie van de Europese Unie, T‑99/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:790, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
132 Wanneer aan een van de drie voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie niet is voldaan, moeten de schadevorderingen worden afgewezen zonder dat de twee andere voorwaarden hoeven te worden onderzocht. De Unierechter is overigens niet verplicht deze voorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken (zie arrest van 8 november 2017, De Nicola/Hof van Justitie van de Europese Unie, T‑99/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:790, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
133 In het licht van deze overwegingen moeten verzoeksters schadevorderingen worden onderzocht.
a) Materiële schade
134 Verzoekster merkt op dat zij, aangezien haar een financiële sanctie ter hoogte van 5 % van haar jaarlijkse begroting is opgelegd, de verlaging van haar begroting met andere middelen heeft moeten compenseren. Voorts heeft zij om zich te kunnen verdedigen kosten gemaakt voor aanvankelijk niet voorziene taken, met name voor advocaten en de inzet van haar personeel. Zij raamt de materiële schade op 25000 EUR.
135 De Autoriteit betwist verzoeksters argumenten.
136 In de eerste plaats, wat betreft de door verzoekster aangevoerde advocaatkosten, volstaat het eraan te herinneren dat de kosten die partijen voor de gerechtelijke procedure hebben gemaakt overeenkomstig vaste rechtspraak als zodanig niet kunnen worden beschouwd als een van de proceskosten onderscheiden schadepost (arrest van 10 juni 1999, Commissie/Montorio,C‑334/97, EU:C:1999:290, punt 54, en beschikking van 14 september 2005, Ehcon/Commissie,T‑140/04, EU:T:2005:321, punt 79; zie in die zin ook arrest van 8 november 2011, Idromacchine e.a./Commissie,T‑88/09, EU:T:2011:641, punt 98). Deze vordering moet derhalve worden afgewezen.
137 In de tweede plaats, voor zover verzoekster stelt dat zij haar personeel heeft moeten inzetten voor aanvankelijk niet voorziene taken om zich met spoed te kunnen verdedigen, zij eraan herinnerd dat het Gerecht reeds heeft geoordeeld dat het aanmerken van tijdens de precontentieuze procedure gemaakte kosten als schade die in het kader van een beroep tot schadevergoeding kan worden vergoed, in strijd zou zijn met de regel dat de tijdens die fase gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen [zie arrest van 16 juni 2021, CE/Comité van de Regio’s, T‑355/19, EU:T:2021:369, punt 144 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Dat geldt ook voor kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt als gevolg van de inzet van haar personeel met het oog op haar verdediging. Deze vordering moet derhalve eveneens worden afgewezen.
138 Wat in de derde plaats de omstandigheid betreft dat verzoekster „de verlaging van haar begroting met andere middelen heeft moeten compenseren”, moet worden vastgesteld dat verzoekster geen enkel bewijs levert dat de schade die zij stelt te hebben geleden reëel en aanzienlijk is. Overeenkomstig de in punt 130 hierboven aangehaalde rechtspraak moet de verzoekende partij aan de Unierechter echter bewijsmateriaal overleggen om het bestaan en de omvang van die schade te bewijzen. Een dergelijke vordering kan dus evenmin slagen.
139 Bijgevolg moet verzoeksters vordering tot vergoeding van materiële schade worden afgewezen.
b) Immateriële schade
140 Verzoekster stelt immateriële schade te hebben geleden doordat zij wegens de verlaging van haar begroting gedwongen was om haar communicatie‑ en politieke activiteiten te verminderen. Voorts wordt deze schade verergerd door imagoschade als gevolg van de verspreiding van het bestreden besluit. Zij raamt de immateriële schade op 30000 EUR.
141 De Autoriteit betwist verzoeksters argumenten.
142 Wat in de eerste plaats de omstandigheid betreft dat verzoekster wegens de verlaging van haar budget gedwongen was om haar communicatie‑ en politieke activiteiten te verminderen, moet worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak de overlegging van bewijzen of bewijsaanbiedingen weliswaar niet noodzakelijk wordt beschouwd als een voorwaarde voor de erkenning van immateriële schade, maar de verzoekende partij minstens dient aan te tonen dat het aan de betrokken instelling verweten gedrag voor haar een dergelijke schade kon veroorzaken (zie arrest van 16 oktober 2014, Evropaïki Dynamiki/Commissie, T‑297/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:888, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 28 januari 1999, BAI/Commissie,T‑230/95, EU:T:1999:11, punt 39).
143 In de onderhavige zaak wijst verzoekster echter geen enkele objectieve omstandigheid aan die de in punt 140 hierboven vermelde stelling zou kunnen staven, en voert zij geen enkel bewijs aan van haar verminderde communicatie‑ en politieke activiteiten waarmee de gestelde immateriële schade kan worden aangetoond.
144 Wat in de tweede plaats de imagoschade betreft, dient eraan te worden herinnerd dat immateriële schade volgens de rechtspraak in beginsel kan worden vergoed aan een rechtspersoon (zie in die zin arresten van 28 januari 1999, BAI/Commissie,T‑230/95, EU:T:1999:11, punt 37, en 15 oktober 2008, Camar/Commissie, T‑457/04 en T‑223/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:439, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en dat dergelijke schade de vorm kan aannemen van aantasting van het imago of de reputatie van die rechtspersoon (zie in die zin arresten van 9 juli 1999, New Europe Consulting en Brown/Commissie, T‑231/97, EU:T:1999:146, punten 53 en 69; 8 november 2011, Idromacchine e.a./Commissie,T‑88/09, EU:T:2011:641, punten 70‑76, en 25 november 2014, Safa Nicu Sepahan/Raad,T‑384/11, EU:T:2014:986, punten 80‑85).
145 Er zij ook aan herinnerd dat de nietigverklaring van een onrechtmatige handeling op zichzelf een passend en in beginsel toereikend herstel kan vormen van elke immateriële schade die deze handeling kan hebben veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die kan worden losgekoppeld van de aan de nietigverklaring ten grondslag liggende onrechtmatigheid en door die nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld (zie arrest van 14 september 2017, Bodson e.a./EIB,T‑504/16 en T‑505/16, EU:T:2017:603, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
146 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat verzoekster slechts stelt dat „de Autoriteit het bestreden besluit uitvoerig via haar eigen communicatiemiddelen heeft meegedeeld”, maar geen enkel element aandraagt waaruit blijkt dat deze mededeling het gedrag van derde personen of entiteiten jegens haar heeft beïnvloed. Deze mededeling lijkt dus niet meer aandacht te hebben getrokken dan dat de daaropvolgende vaststelling van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit zal doen. Verzoekster heeft derhalve niet aangetoond dat er sprake is van immateriële schade die kan worden losgekoppeld van de aan de nietigverklaring ten grondslag liggende onrechtmatigheid.
147 Hieruit volgt dat verzoeksters vordering tot vergoeding van immateriële schade eveneens moet worden afgewezen.
148 Gelet op een en ander moeten verzoeksters schadevorderingen worden afgewezen.
Kosten
149 Volgens artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld.
150 Aangezien in de onderhavige zaak verzoeksters vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit is toegewezen terwijl haar vordering tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie is afgewezen, moeten verzoekster en de Autoriteit worden verwezen in hun eigen kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.
151 Voorts dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten. Het Parlement, de Raad en de Commissie dragen derhalve elk hun eigen kosten.
HET GERECHT (Zesde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen van 25 oktober 2023 waarbij deze autoriteit Patriotes.eu, voorheen Identiteit en Democratie (ID), een financiële sanctie heeft opgelegd op grond van artikel 27, lid 2, onder a), vi), van verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen, wordt nietig verklaard.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Patriotes.eu en de Autoriteit voor Europese politieke partijen en Europese politieke stichtingen dragen hun eigen kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.
4) Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten.
Costeira Kancheva Mac Eochaidh Zilgalvis Tichy-Fisslberger Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 september 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 16 juni 2021, T-355/19, ECLI:EU:T:2021:369
- HvJ EU 26 januari 2021, C-422/19, ECLI:EU:C:2021:63
- HvJ EU 25 juni 2020, C-24/19, ECLI:EU:C:2020:503
- Gerecht EU 20 november 2017, T-452/15, ECLI:EU:T:2017:822
- Gerecht EU 14 september 2017, T-504/16, ECLI:EU:T:2017:603
- Gerecht EU 14 juli 2016, T-661/14, ECLI:EU:T:2016:412
- Gerecht EU 15 januari 2015, T-1/12, ECLI:EU:T:2015:17
- Gerecht EU 25 november 2014, T-384/11, ECLI:EU:T:2014:986
- Gerecht EU 1 februari 2012, T-237/09, ECLI:EU:T:2012:38
- Gerecht EU 8 november 2011, T-88/09, ECLI:EU:T:2011:641
- HvJ EU 18 maart 2010, C-419/08, ECLI:EU:C:2010:147
- Gerecht EU 15 oktober 2008, T-457/04, ECLI:EU:T:2008:439
- HvJ EU 21 september 2000, C-46/98, ECLI:EU:C:2000:474
- Gerecht EU 9 juli 1999, T-231/97, ECLI:EU:T:1999:146
- Gerecht EU 28 januari 1999, T-230/95, ECLI:EU:T:1999:11