Gerecht EU 9 juli 2025, T-144/24, ECLI:EU:T:2025:700

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

9 juli 2025 ( *1 )

„Uniemerk – Procedure inzake vervallenverklaring – Uniewoordmerk BIENENBEISSER – Normaal gebruik van het merk – Artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 – Bewijs van het normale gebruik – Gebruik voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven – Rol van de classificatie van Nice – Homogene warencategorie – Ontluchtingskappen – Motiveringsplicht”

In zaak T‑144/24,

Bouwbenodigdheden Hoogeveen BV, gevestigd te Hoogeveen (Nederland), vertegenwoordigd door H. Roerdink, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door T. Klee en V. Ruzek als gemachtigden,

verweerder,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO:

Sören Pürschel, wonende te Frankfurt am Main (Duitsland),

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, A. Kornezov (rapporteur), D. Petrlík, K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 9 januari 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Bouwbenodigdheden Hoogeveen BV, de vernietiging van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 9 januari 2024 (zaak R 793/2023‑5) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 26 november 2009 heeft verzoekster bij het EUIPO een aanvraag tot inschrijving van het woordteken BIENENBEISSER als Uniewoordmerk ingediend. Nadat op 8 januari 2010 gedeeltelijk afstand is gedaan, werd de aanvraag op 23 juni 2010 gepubliceerd, waarna het merk op 6 oktober 2010 is ingeschreven.

3 Het betrokken merk duidde waren aan van de klassen 6 en 19 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. De waren van deze klassen zijn omschreven als volgt: – klasse 6: „Bouwmaterialen van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchtingskappen; slotenmakerswaren van metaal en kleinijzerwaren, waaronder de volgende producten: ontluchtingskappen; metaalwaren voor zover niet begrepen in andere klassen, namelijk, ontluchtingskappen”; – klasse 19: „Bouwmaterialen, niet van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchters”.

4 Op 29 april 2021 heeft de andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, Sören Pürschel, krachtens artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) een vordering tot vervallenverklaring van het betrokken merk ingesteld voor de in punt 3 hierboven genoemde waren.

5 Op 14 februari 2023 heeft de nietigheidsafdeling die vordering gedeeltelijk toegewezen en heeft zij het litigieuze merk vervallen verklaard voor de „bouwmaterialen van metaal, met uitzondering van de volgende producten: ontluchtingskappen; slotenmakerswaren van metaal en kleinijzerwaren, met uitzondering van ontluchtingskappen”, die onder klasse 6 vielen, en voor alle waren van klasse 19 waarop het litigieuze merk zag.

6 Op 13 april 2023 heeft verzoekster tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling beroep tot vernietiging ingesteld voor zover haar rechten op het litigieuze merk daarbij vervallen waren verklaard voor tot klasse 19 behorende „bouwmaterialen van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchtingskappen”.

7 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep dat beroep verworpen.

Conclusies van partijen

8 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing gedeeltelijk te vernietigen, voor zover de kamer van beroep het litigieuze merk vervallen heeft verklaard voor de waren van klasse 19; – het EUIPO te verwijzen in de kosten.

9 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

Voorwerp van het beroep

10 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat aan het einde van de procedure bij het EUIPO en zoals uit de punten 5 tot en met 7 hierboven blijkt, de inschrijving van het litigieuze merk is gehandhaafd voor „bouwmaterialen van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchtingskappen; slotenmakerswaren van metaal en kleinijzerwaren, waaronder de volgende producten: ontluchtingskappen; metaalwaren voor zover niet begrepen in andere klassen, namelijk, ontluchtingskappen”, die tot klasse 6 behoren (hierna: „metalen ontluchtingskappen”). Die beslissing is dus definitief geworden voor deze waren, die niet het voorwerp van het onderhavige beroep vormen.

11 Voorts vordert verzoekster in punt 1.2 van het verzoekschrift de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing voor zover de kamer van beroep haar beroep heeft verworpen en het litigieuze merk vervallen heeft verklaard voor „Bouwmaterialen, niet van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchters”, die tot klasse 19 behoren. In datzelfde punt en in de punten 1.3 en 1.6 van het verzoekschrift preciseert zij in wezen evenwel dat zij de gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing enkel vordert voor zover deze betrekking heeft op de „bouwmaterialen, niet van metaal, te weten ontluchtingskappen” van klasse 19 (hierna: „niet-metalen ontluchtingskappen”).

12 Met haar eerste vordering komt verzoekster dus niet op tegen de vervallenverklaring van het litigieuze merk voor andere niet-metalen bouwmaterialen dan ontluchtingskappen van klasse 19, wat zij ter terechtzitting heeft bevestigd.

In rechte

13 Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan: ten eerste, onjuiste toepassing van het bij de Overeenkomst van Nice ingevoerde classificatiesysteem, ten tweede, onjuiste uitlegging van de rechtspraak en, ten derde, toepassing naar analogie van artikel 33, lid 7, van verordening 2017/1001 op het bewijs van het normale gebruik. Aangezien deze middelen met elkaar samenhangen, moeten zij samen worden onderzocht.

14 Volgens artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 worden de rechten van de houder van het Uniemerk op vordering bij het EUIPO vervallen verklaard wanneer het merk in een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal in de Europese Unie is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden is voor het niet-gebruiken.

15 Volgens artikel 10, leden 3 en 4, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1), dat krachtens artikel 19, lid 1, ervan van toepassing is op procedures tot vervallenverklaring, moet het bewijs van het gebruik van een merk betrekking hebben op de plaats, de tijd, de omvang en de wijze van gebruik van het merk, en kunnen daarbij in beginsel alleen tot staving dienende stukken en voorwerpen zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto’s, krantenadvertenties en schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 97, lid 1, onder f), van verordening 2017/1001 worden overgelegd.

16 Bij de beoordeling of van het merk normaal gebruik is gemaakt, moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de commerciële exploitatie ervan reëel is, inzonderheid de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren of diensten marktaandelen te behouden of te verkrijgen, de aard van die waren of diensten, de kenmerken van de markt en de omvang en de frequentie van het gebruik van het merk [zie arrest van 13 februari 2015, Husky CZ/BHIM – Husky of Tostock (HUSKY), T‑287/13, EU:T:2015:99, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

17 Het normale gebruik van een merk kan niet met waarschijnlijkheden of vermoedens worden aangetoond, maar aan de hand van concrete en objectieve gegevens die een daadwerkelijk en afdoend gebruik van het merk op de betrokken markt bewijzen [zie arrest van 11 januari 2023, Hecht Pharma/EUIPO – Gufic BioSciences (Gufic), T‑346/21, EU:T:2023:2, punt 24 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

18 Verzoeksters argumenten moeten worden onderzocht tegen de achtergrond van deze overwegingen.

19 Verzoekster betoogt in wezen dat zij het litigieuze merk normaal heeft gebruikt voor de homogene warencategorie „ontluchtingskappen”, die zowel onder klasse 6 als onder klasse 19 valt. Volgens haar kan op basis van het door haar overgelegde bewijs van het gebruik van dit merk voor metalen ontluchtingskappen, de inschrijving ervan ook worden gehandhaafd voor niet-metalen ontluchtingskappen. Dat metalen en niet-metalen ontluchtingskappen onder twee verschillende klassen van de Nice-classificatie vallen, doet volgens haar niet af aan het feit dat „ontluchtingskappen” een en dezelfde, homogene categorie waren vormen. Die indeling werd ten eerste immers voor louter administratieve doeleinden vastgesteld. Ten tweede hebben metalen en niet-metalen ontluchtingskappen hetzelfde doel en dezelfde functie, namelijk voorkomen dat ongedierte binnendringt in de tussenruimten van bakstenen constructies maar met behoud van de ventilatie van die gebouwen. De twee soorten ontluchtingskappen zijn dus onderling verwisselbaar. Daarnaast stelt verzoekster dat zij er een rechtmatig belang bij heeft om in de toekomst haar productassortiment uit te breiden naar niet-metalen ontluchtingskappen. Bovendien kan volgens haar uit artikel 33, lid 7, van verordening 2017/1001 worden afgeleid dat wanneer waren hetzelfde doel en dezelfde functie hebben, het bewijs van het normale gebruik van een merk voor een waar van een bepaalde klasse kan rechtvaardigen dat de merkbescherming wordt gehandhaafd voor andere, soortgelijke waren van andere klassen.

20 Het EUIPO voert aan dat de classificatie van Nice weliswaar voor louter administratieve doeleinden is vastgesteld, maar dat deze moet worden gebruikt om, indien nodig, de omvang en de betekenis te bepalen van de waren waarvoor een merk werd ingeschreven. Evenzo kunnen deze classificatie en de toelichtingen daarbij in aanmerking worden genomen bij de interpretatie of ter precisering van de omschrijving van de waren. Volgens het EUIPO moet bij de beoordeling van de omvang van de bescherming van het litigieuze merk in het bijzonder rekening worden gehouden met het feit dat de bouwmaterialen anders worden ingedeeld naargelang het materiaal – metaal dan wel niet-metaal – waaruit zij zijn vervaardigd. Verder is artikel 33, lid 7, van verordening 2017/1001 volgens het EUIPO irrelevant bij de beoordeling van het normale gebruik van een merk.

21 Ter terechtzitting heeft het EUIPO zijn betoog afgezwakt en in essentie aangegeven dat bij een procedure tot vervallenverklaring in de eerste plaats de omvang van bescherming van het litigieuze merk moet worden bepaald, aan de hand van de Nice-classificatie en de toelichtingen daarbij, en in de tweede plaats de waren of diensten moeten worden geïdentificeerd waarvoor het gebruik van het litigieuze merk op de markt tijdens de relevante periode is aangetoond, op basis van de door de houder ervan overgelegde bewijzen. Volgens het EUIPO heeft de kamer van beroep geen enkele fout begaan door te constateren dat die classificatie en de toelichtingen daarbij relevant waren om de beschermingsomvang van het litigieuze merk te bepalen. Het heeft daarentegen in essentie wel erkend dat, aangezien het litigieuze merk zowel voor metalen als voor niet-metalen ontluchtingskappen was ingeschreven, niet kon worden uitgesloten dat in het stadium van het onderzoek van de waren waarvoor dit merk in de relevante periode op de markt werd gebruikt, moest worden nagegaan of die waren tot één en dezelfde homogene categorie waren behoorden, en toegegeven dat die classificatie daarbij volgens de rechtspraak een beperkte relevantie had. Volgens het EUIPO heeft de kamer van beroep deze kwestie niet onderzocht, en is het dus mogelijk dat de bestreden beslissing ontoereikend is gemotiveerd.

22 De kamer van beroep heeft in de bestreden beslissing allereerst opgemerkt dat het bewijs van het gebruik van het litigieuze merk betrekking had op één enkele soort waren, namelijk metalen ontluchtingskappen die in de tussenruimten van bakstenen constructies worden geplaatst om te voorkomen dat bijen, wespen, muizen en ander ongedierte binnendringen en tegelijkertijd de ventilatie in deze constructies te behouden. Zij heeft ook aangegeven dat dit product met verschillende termen wordt aangeduid, maar dat het om één enkel product gaat, te weten een ontluchtingskap. Deze overwegingen worden door partijen niet betwist.

23 Vervolgens heeft de kamer van beroep opgemerkt dat verzoeksters bewijs specifiek zag op metalen ontluchtingskappen van klasse 6, en niet op niet-metalen ontluchtingskappen van klasse 19, wat partijen evenmin betwisten. Zij heeft daaruit afgeleid dat het gebruik van het litigieuze merk enkel was aangetoond voor metalen ontluchtingskappen. Zij heeft ter ondersteuning hiervan het belang van de classificatie van Nice voor de bepaling van de beschermingsomvang van een merk benadrukt en er daarbij op gewezen dat de door een merk verleende rechten enkel kunnen worden gehandhaafd indien dat merk op de markt wordt gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven. Zij heeft opgemerkt dat in die classificatie een onderscheid tussen klasse 6 en klasse 19 wordt gemaakt volgens het materiaal waaruit de tot deze klassen behorende waren zijn vervaardigd. In dat geval is volgens de kamer van beroep de impact van deze classificatie „nog duidelijker” en de door de verzoekster gekozen klasse „van cruciaal belang”.

24 Ten slotte heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de argumenten waarmee verzoekster wilde aantonen dat metalen en niet-metalen ontluchtingskappen tot dezelfde homogene warencategorie behoren, geen enkele invloed hadden op de bepaling van de beschermingsomvang van het litigieuze merk, en bovendien irrelevant waren omdat het bewijs van het gebruik moet worden geleverd voor de waren zoals deze voorkomen op de lijst van volgens de classificatie van Nice ingedeelde waren, en niet op basis van marktpraktijken of van een analyse van de marktsituatie. Zij heeft daaraan toegevoegd dat de door verzoekster overgelegde documenten hoe dan ook niet volstonden om aan te tonen dat er op de markt „identieke alternatieven” uit plastic of ander materiaal bestonden voor metalen ontluchtingskappen.

25 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals het EUIPO ter terechtzitting trouwens terecht heeft aangegeven, uit artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 blijkt dat, ter beoordeling van de vraag of een merk normaal is gebruikt „voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is” in de zin van dit artikel, in de eerste plaats moet worden bepaald wat de beschermingsomvang van het betrokken merk is en in de tweede plaats moet worden nagegaan voor welk soort waren of diensten dat merk tijdens de relevante periode daadwerkelijk op de markt is gebruikt, teneinde te verifiëren of dit soort waren of diensten binnen de beschermingsomvang van het betrokken merk valt.

26 Wat in de eerste plaats de bepaling van de beschermingsomvang van het litigieuze merk betreft, moet worden benadrukt dat de kamer van beroep de classificatie van Nice kan gebruiken om die omvang te bepalen [zie in die zin arrest van 5 maart 2025, Funline International/EUIPO – MS Trade (JUNGLE JUICE), T‑26/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:206, punt 33].

27 Uit de rechtspraak blijkt immers dat de classificatie van Nice weliswaar slechts administratief van aard is, maar dat zij moet worden gebruikt om indien nodig de draagwijdte of zelfs de betekenis te bepalen van de waren waarvoor een merk is ingeschreven [arrest van 10 september 2014, DTM Ricambi/OHMI – STAR (STAR), T‑199/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:761, punt 35].

28 Met name wanneer waren of diensten waarvoor een merk is ingeschreven, zo algemeen zijn verwoord dat zij zeer uiteenlopende waren of diensten kunnen dekken, kan niet worden uitgesloten dat bij de interpretatie of ter precisering van de omschrijving van de waren of diensten rekening wordt gehouden met de klassen die de merkaanvrager uit de classificatie van Nice heeft gekozen [arrest van 19 juni 2018, Erwin Müller/EUIPO – Novus Tablet Technology Finland (NOVUS), T‑89/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:353, punt 33; zie ook arrest van 6 oktober 2021, Allergan Holdings France/EUIPO – Dermavita Company (JUVEDERM), T‑397/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:653, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

29 Daarbij moeten de opschriften van de door het litigieuze merk aangeduide waren op systematische wijze worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de logica en de opzet die ten grondslag liggen aan de classificatie van Nice, en moet ook worden gekeken naar de klasse-omschrijvingen en ‑toelichtingen, die relevant zijn om de aard en de bestemming van de waren waarvoor het merk is ingeschreven te bepalen (zie in die zin arrest van 10 september 2014, STAR, T‑199/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:761, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 Zoals uit punt 23 hierboven blijkt, heeft de kamer van beroep zich in deze zaak gebaseerd op de classificatie van Nice en de toelichtingen daarbij om de omvang van de bescherming van het litigieuze merk vast te stellen. Zo heeft zij opgemerkt dat uit de respectieve toelichtingen bij de door dit merk aangeduide klassen bleek dat klasse 6 betrekking had op metalen bouwmaterialen en klasse 19 op niet-metalen bouwmaterialen. De kamer van beroep heeft dan ook geen enkele fout begaan door die classificatie en de toelichtingen aldus te gebruiken om de beschermingsomvang van dat merk te bepalen.

31 Wat in de tweede plaats de vaststelling betreft voor welk soort waren of diensten het merk tijdens de relevante periode daadwerkelijk op de markt is gebruikt, teneinde te verifiëren of dat soort waren of diensten binnen de beschermingsomvang van het betrokken merk valt, moet worden opgemerkt dat in casu vaststaat dat verzoekster het merk enkel heeft gebruikt voor een deel van de waren waarvoor het werd ingeschreven.

32 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 58, lid 2, van verordening 2017/1001 bepaalt dat indien de grond van verval slechts bestaat voor een deel van de waren of diensten waarvoor het Uniemerk is ingeschreven, de rechten van de merkhouder alleen voor de betrokken waren of diensten vervallen worden verklaard.

33 De bepalingen van artikel 58, lid 2, van verordening 2017/1001 op grond waarvan het litigieuze merk kan worden geacht alleen te zijn ingeschreven voor het deel van de waren of diensten waarvoor het bewijs van normaal gebruik van het merk is geleverd, kunnen worden beschouwd als een beperking van de rechten die de houder van het litigieuze merk aan zijn inschrijving ontleent, en moeten in overeenstemming worden gebracht met het legitieme belang van de merkhouder om in de toekomst zijn waren‑ of dienstenassortiment uit te breiden binnen de grenzen van de beschrijving van de waren of diensten waarvoor het merk werd ingeschreven, en daarbij de door de inschrijving van dit merk geboden bescherming te genieten [zie in die zin arrest van 23 september 2020, Polfarmex/EUIPO – Kaminski (SYRENA), T‑677/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:424, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin en naar analogie ook arrest van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO, C‑714/18 P, EU:C:2020:573, punt 51].

34 Wat het begrip „deel van de waren of diensten” in artikel 58, lid 2, van verordening 2017/1001 betreft, zij erop gewezen dat volgens de rechtspraak de consument die een waar of dienst wenst te kopen van een categorie die bijzonder nauwkeurig en afgebakend is omschreven, waarbinnen geen belangrijke onderverdelingen kunnen worden gemaakt, alle waren of diensten van deze categorie zal associëren met het litigieuze merk, zodat dit merk zijn wezenlijke functie zal vervullen, namelijk de oorsprong van deze waren of diensten garanderen. In die omstandigheden volstaat het dat de houder van het merk bewijst dat dit merk normaal is gebruikt voor een deel van de waren of diensten van deze homogene categorie [arresten van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO, C‑714/18 P, EU:C:2020:573, punt 42, en 16 oktober 2024, Telefónica Germany/EUIPO – ePlus (e.plus), T‑570/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:694, punt 17].

35 Daarentegen is het voor waren of diensten van een ruime categorie die onderverdeeld kan worden in verschillende zelfstandige subcategorieën noodzakelijk om van de houder van een merk dat is ingeschreven voor deze categorie van waren of diensten te verlangen dat hij bewijst dat dit merk normaal is gebruikt voor elk van deze zelfstandige subcategorieën, bij gebreke waarvan zijn rechten op het merk vervallen kunnen worden verklaard voor de zelfstandige subcategorieën waarvoor hij dat bewijs niet heeft geleverd (zie arrest van 16 oktober 2024, e.plus, T‑570/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:694, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het begrip „gedeeltelijk gebruik” in de zin van artikel 58, lid 2, van verordening 2017/1001 weliswaar als functie heeft ervoor te zorgen dat merken die niet worden gebruikt voor een bepaalde warencategorie niet onbeschikbaar worden, maar niet als gevolg mag hebben dat de houder van het merk elke bescherming wordt ontzegd voor waren die weliswaar niet strikt gelijk zijn aan die waarvoor normaal gebruik is bewezen, maar daarvan niet wezenlijk verschillen en behoren tot dezelfde groep die alleen op willekeurige wijze kan worden onderverdeeld. Opgemerkt zij dat het voor de houder van een merk in de praktijk onmogelijk is het bewijs van gebruik ervan te leveren voor alle denkbare varianten van de waren waarop de inschrijving betrekking heeft. Bijgevolg kan het begrip „deel van de waren of diensten” in de zin van artikel 58, lid 2, van verordening 2017/1001 niet worden opgevat als alle mogelijke commerciële vormen van gelijksoortige waren of diensten, maar alleen als waren of diensten die voldoende van elkaar verschillen om logische categorieën of subcategorieën te kunnen vormen [arrest van 14 juli 2005, Reckitt Benckiser (Spanje)/BHIM – Aladin (ALADIN), T‑126/03, EU:T:2005:288, punt 46; zie ook arrest van 16 mei 2013, Aleris/BHIM – Carefusion 303 (ALARIS), T‑353/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:257, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37 Aangaande de vraag om te weten of waren behoren tot een homogene productcategorie die niet in verschillende zelfstandige subcategorieën kan worden onderverdeeld, volgt uit de rechtspraak dat, aangezien de consument in eerste instantie een waar of een dienst zoekt die aan zijn specifieke behoeften kan voldoen, de doelstelling of bestemming van de betrokken waar of dienst een essentiële rol speelt bij het maken van zijn keuze. Daar de consument het criterium van doelstelling of bestemming hanteert vóór enige aankoop, is het een doorslaggevend criterium bij de afbakening van een homogene categorie van waren of diensten [zie in die zin arresten van 16 mei 2013, ALARIS, T‑353/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:257, punt 22, en 7 november 2019, Intas Pharmaceuticals/EUIPO – Laboratorios Indas (INTAS), T‑380/18, EU:T:2019:782, punt 94 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

38 Hieruit volgt dat niet van het EUIPO kan worden verlangd dat het zich bij de afbakening van een homogene categorie waren of diensten beperkt tot de waren en diensten die uitdrukkelijk worden vermeld in de classificatie van Nice [zie in die zin arrest van 16 oktober 2024, Fractal Analytics/EUIPO – Fractalia Remote Systems (FRACTALIA), T‑194/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:696, punt 155].

39 Wat betreft de vraag of de waren of diensten waarvoor de houder van een merk dit merk heeft gebruikt tot een zelfstandige categorie behoren, is enkel van belang te weten of de consument die een waar of een dienst wenst te kopen die tot de categorie van waren of diensten behoort waarop het betrokken merk betrekking heeft, alle waren of diensten van die categorie met dit merk zal associëren (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari, C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 43). Daarbij dient de kamer van beroep de bewijzen in de context van de betrokken economische sector te plaatsen [zie in die zin arrest van 8 mei 2017, Les Éclaires/EUIPO – L’éclaireur International (L’ECLAIREUR), T‑680/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:320, punt 85].

40 In casu moet worden geconstateerd dat verzoekster voor de instanties van het EUIPO verschillende argumenten heeft aangevoerd en verschillende bewijzen heeft overgelegd om aan te tonen dat de metalen en niet-metalen ontluchtingskappen, waarvoor het litigieuze merk is ingeschreven, dezelfde bestemming en hetzelfde doel hebben, namelijk voorkomen dat bijen en andere schadelijke insecten of dieren binnendringen in de tussenruimten van bakstenen constructies waarbij die constructies niettemin nog steeds worden geventileerd, en dit ongeacht het materiaal waaruit de ontluchtingskappen zijn vervaardigd. Verder heeft zij aangevoerd dat metalen en niet-metalen ontluchtingskappen – waarbij laatstgenoemde bijvoorbeeld uit hard plastic kunnen zijn gemaakt – er hetzelfde uitzien, dezelfde distributiekanalen hebben en even doeltreffend, bestendig en efficiënt zijn, zodat bij de aankoop van die waren het materiaal waaruit deze zijn vervaardigd slechts een ondergeschikte rol speelt bij de keuze van het relevante publiek. Op basis daarvan heeft zij betoogd dat metalen en niet-metalen ontluchtingskappen tot dezelfde homogene productcategorie „ontluchtingskappen” behoorden.

41 De kamer van beroep heeft deze argumenten verworpen, zoals in punt 24 hierboven in herinnering is gebracht. Zij heeft in punt 97 van de bestreden beslissing aangegeven dat die argumenten geen enkele invloed hadden op de vaststelling van de omvang van de bescherming van het litigieuze merk voor de waren waarvoor het was ingeschreven, en in punt 98 dat het feit dat metalen ontluchtingskappen bepaalde gelijkenissen konden vertonen met ontluchtingskappen uit andere materialen, in casu niet relevant was, aangezien de beoordeling van de kamer van beroep ging over de vraag of het bewijs van het gebruik was geleverd voor de ingeschreven waren, en geen analyse van de marktsituatie behelsde. Zij heeft daar in hetzelfde punt van die beslissing aan toegevoegd dat de door verzoekster overgelegde documenten hoe dan ook niet volstonden om aan te tonen dat er op de markt „identieke alternatieven” uit kunststof of een ander materiaal bestonden voor metalen ontluchtingskappen.

42 In herinnering moet worden gebracht dat de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren, ten doel heeft de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om vast te stellen of het besluit gegrond is, en de Unierechter in staat te stellen toezicht uit te oefenen op de wettigheid van het besluit. Het ontbreken van een motivering of een ontoereikende motivering zijn bijgevolg middelen van openbare orde die in voorkomend geval ambtshalve moeten worden opgeworpen [zie in die zin arresten van 20 februari 1997, Commissie/Daffix, C‑166/95 P, EU:C:1997:73, punten 23 en 24, en 23 oktober 2002, Institut für Lernsysteme/BHIM – Educational Services (ELS), T‑388/00, EU:T:2002:260, punt 59].

43 Ter terechtzitting heeft het Gerecht partijen gehoord over een eventueel motiveringsgebrek in de bestreden beslissing met betrekking tot de vraag of de „ontluchtingskappen” een homogene warencategorie konden vormen, en heeft het EUIPO, zoals in punt 21 hierboven is opgemerkt, erkend dat de bestreden beslissing op dit punt mogelijkerwijs een motiveringsgebrek vertoont.

44 Dienaangaande zij opgemerkt dat de in punt 40 hierboven weergegeven argumenten van verzoekster inderdaad geen enkele invloed hebben op de bepaling van de beschermingsomvang van het litigieuze merk, zoals uit de punten 26 tot en met 30 hierboven volgt. Niettemin moet worden geconstateerd, zoals de kamer van beroep in punt 97 van de bestreden beslissing trouwens terecht heeft aangegeven, dat deze argumenten niet de bepaling van de beschermingsomvang van dit merk betroffen, maar wel de vraag of de waren waarvoor dit merk tijdens de relevante periode daadwerkelijk op de markt is gebruikt deel uitmaakten van een en dezelfde homogene warencategorie, namelijk die van „ontluchtingskappen”. Die argumenten zagen dus op de tweede fase van de analyse waaraan in punt 25 hierboven is gerefereerd.

45 Aangezien de in punt 97 van de bestreden beslissing uiteengezette motivering betrekking heeft op de bepaling van de beschermingsomvang van het litigieuze merk, stelt deze verzoekster dus niet in staat om te begrijpen waarom de kamer van beroep haar argumenten heeft afgewezen, en evenmin het Gerecht om op dit punt toezicht uit te oefenen.

46 Evenzo heeft de kamer van beroep onvoldoende gemotiveerd waarom zij tot die conclusie is gekomen door in punt 98 van de bestreden beslissing louter aan te geven dat het feit dat metalen ontluchtingskappen bepaalde gelijkenissen kunnen vertonen met ontluchtingskappen uit andere materialen in casu niet relevant was aangezien haar beoordeling geen analyse van de marktsituatie behelsde, alsmede dat de door verzoekster overgelegde bewijzen hoe dan ook niet „volstonden” om aan te tonen dat er op de markt „identieke alternatieven” uit plastic of ander materiaal bestonden voor metalen ontluchtingskappen. Uit die beslissing blijkt namelijk niet waarom de in punt 40 hierboven genoemde argumenten, die met verschillende bewijzen worden gestaafd, „onvoldoende” waren, noch waarom een analyse van de marktsituatie irrelevant was, met name gelet op de bijzonderheden van de zaak en de in punt 39 hierboven aangehaalde rechtspraak.

47 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit dienaangaande ontoereikend is gemotiveerd.

48 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door andere in de bestreden beslissing geformuleerde overwegingen.

49 Ten eerste geeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing aan dat de „gekozen” klasse „van cruciaal belang” is, maar verzoekster kan niet worden verweten dat zij bij de inschrijving van het litigieuze merk twee verschillende klassen heeft „gekozen”. Zoals verzoekster immers terecht heeft opgemerkt, staat de classificatie van Nice niet toe dat een merk voor de warencategorie „ontluchtingskappen” in één enkele klasse wordt ingeschreven, maar vereist die classificatie dat het in twee verschillende klassen wordt ingeschreven, afhankelijk van het materiaal waaruit die kappen zijn vervaardigd, wat ook het EUIPO ter terechtzitting heeft bevestigd.

50 Ten tweede kunnen de verwijzingen in de bestreden beslissing naar het arrest van 26 april 2023, Wenz Kunststoff/EUIPO – Mouldpro (MOULDPRO) (T‑794/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:211), het in punt 47 hierboven genoemde motiveringsgebrek niet verhelpen.

51 De zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 26 april 2023, MOULDPRO (T‑794/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:211), heeft namelijk een ander feitelijk en juridisch kader dan de onderhavige zaak. In die zaak had de merkhouder, om het normale gebruik van het merk voor waren van klasse 17 aan te tonen – waartoe enkel plastic waren behoren – bewijsstukken voor metalen waren overgelegd, hoewel het merk niet voor dergelijke waren was ingeschreven. De merkhouder had het litigieuze merk dus in wezen niet gebruikt voor de waren waarvoor het was ingeschreven, maar voor andere waren die niet door dit merk werden gedekt.

52 In die specifieke omstandigheden heeft het Gerecht, teneinde de omvang van de bescherming van het litigieuze merk te bepalen, op basis van de classificatie van Nice en de toelichtingen daarbij geoordeeld dat de beschermingsomvang van het litigieuze merk beperkt was tot uitsluitend niet-metalen waren en dat de houder zijn rechten op dit merk diende te verliezen aangezien het litigieuze merk niet was gebruikt voor dergelijke waren.

53 In de onderhavige zaak beroept verzoekster zich, anders dan de merkhouder in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 april 2023, MOULDPRO (T‑794/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:211), niet op een gebruik van het litigieuze merk voor waren waarvoor het merk niet is ingeschreven. Er is in casu dus geen sprake van gebruik van het merk voor waren die niet binnen de omvang van bescherming ervan vallen.

54 Ten derde moet worden geconstateerd dat de omstandigheden van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 15 januari 2009, Silberquelle (C‑495/07, EU:C:2009:10), waarnaar de kamer van beroep in de bestreden beslissing heeft verwezen, evenzeer verschilden van die van de onderhavige zaak, zoals het EUIPO trouwens ter terechtzitting heeft erkend. Het ging in die zaak namelijk om de vraag of een merk dat zowel voor kledingstukken van klasse 25 als voor alcoholvrije dranken van klasse 32 was ingeschreven, moest worden geacht voor die dranken normaal te zijn gebruikt wetende dat het merk voor die dranken enkel was gebruikt in het kader van een reclameaanbod waarbij gratis een drank werd aangeboden bij de aankoop van een onder dat merk verkocht kledingstuk. De aan het Hof gestelde prejudiciële vraag betrof dus de vraag of dit gebruik overeenstemde met de wezenlijke functie van het merk. In die specifieke context heeft het Hof geoordeeld dat het aantal ingeschreven merken en de eventueel daartussen rijzende conflicten geboden dat de door een merk voor een bepaalde waren‑ of dienstenklasse verleende rechten slechts werden gehandhaafd wanneer dit merk op de markt van de waren of diensten van deze klasse werd gebruikt, en dat wanneer de merkhouder zijn merk aanbrengt op artikelen die hij gratis meegeeft aan de kopers van zijn waren, hij dit merk niet normaal gebruikt voor de klasse waartoe deze artikelen behoren (arrest van 15 januari 2009, Silberquelle, C‑495/07, EU:C:2009:10, punten 19 en 22). Daarentegen ging het in die zaak niet om de vraag of waren die in verschillende klassen van de classificatie van Nice voorkomen één homogene warencategorie kunnen vormen voor de beoordeling van het normale gebruik van het merk voor de waren waarvoor het werd ingeschreven.

55 Ten vierde wordt de in punt 47 hierboven vastgestelde ontoereikende motivering evenmin verholpen door de in punt 102 van de bestreden beslissing verstrekte motivering waarmee de kamer van beroep de argumenten heeft verworpen die verzoekster ontleende aan het arrest van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO (C‑714/18 P, EU:C:2020:573).

56 In het arrest van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO (C‑714/18 P, EU:C:2020:573), heeft het Hof de hogere voorziening afgewezen die was ingesteld tegen het arrest van 13 september 2018, ACTC/EUIPO – Taiga (tigha) (T‑94/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:539), waarin het Gerecht had geweigerd te erkennen dat er binnen klasse 25 een zelfstandige onderklasse van waren „buitenkledij ter bescherming tegen weersinvloeden” bestond gelet op het feit dat alle kledingstukken hetzelfde doel of gebruik hadden, aangezien zij bedoeld waren om het menselijk lichaam te bedekken, te verbergen, te versieren en tegen de elementen te beschermen.

57 Rekening houdend met de overwegingen in de punten 25 en 31 tot en met 39 hierboven kon de kamer van beroep evenwel, zonder dat zij de vraag onderzocht of de door het litigieuze merk aangeduide metalen en niet-metalen ontluchtingskappen tot dezelfde homogene categorie van waren konden behoren, de door verzoekster in die zin aangevoerde argumenten – waaronder het argument dat zij ontleende aan de arresten van 16 juli 2020, ACTC/EUIPO (C‑714/18 P, EU:C:2020:573), en 13 september 2018, tigha (T‑94/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:539) – die juist betrekking hadden op de criteria voor het definiëren van een homogene categorie waren, niet als irrelevant afwijzen.

58 Gelet op een en ander moet de bestreden beslissing worden vernietigd voor zover verzoeksters beroep daarbij is verworpen wat de niet-metalen ontluchtingskappen van klasse 19 betreft, zonder dat haar andere argumenten hoeven te worden onderzocht.

Kosten

59 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

60 Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:

1) De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 9 januari 2024 (zaak R 793/2023‑5) wordt vernietigd voor zover het door Bouwbenodigdheden Hoogeveen BV ingestelde beroep daarbij is verworpen voor „bouwmaterialen, niet van metaal, waaronder de volgende producten: ontluchters” van klasse 19.

2) Het EUIPO wordt, behalve in zijn eigen kosten, verwezen in de kosten van Bouwbenodigdheden Hoogeveen.

Papasavvas Kornezov Petrlík Kecsmár Kingston Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juli 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken