Gerecht EU 2 juli 2025, T-1103/23, ECLI:EU:T:2025:659
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)
2 juli 2025 ( *1 )
„Uniemerk – Procedure inzake vervallenverklaring – Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie – Woordmerk TESTAROSSA – Normaal gebruik van het merk – Artikel 51, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001] – Gebruik door derden – Wijze van gebruik – Impliciete toestemming van de merkhouder – Bewijs van normaal gebruik – Tweedehands auto’s – Onderdelen en accessoires”
In zaak T‑1103/23,
Ferrari SpA, gevestigd te Modena (Italië), vertegenwoordigd door K. Muraro, G. Russo en C. Comolli Acquaviva, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Markakis als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënt voor het Gerecht:
Kurt Hesse, wonende te Nürnberg (Duitsland), vertegenwoordigd door M. Krogmann, advocaat,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Kornezov (rapporteur), president, G. De Baere, D. Petrlík, K. Kecsmár en S. Kingston, rechters,
griffier: G. Mitrev, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 12 december 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Ferrari SpA, vernietiging van de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 augustus 2023 (gevoegde zaken R 334/2017‑5 en R 343/2017‑5), zoals gerectificeerd op 28 september 2023 (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Bij internationale inschrijving van 17 oktober 2006, met aanduiding van de Europese Unie en door het EUIPO ontvangen op 8 februari 2007, heeft Ferrari SpA in de Unie bescherming aangevraagd voor het woordmerk TESTAROSSA.
3 De waren waarop de internationale inschrijving betrekking had, behoorden met name tot klasse 12 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij werden omschreven als volgt: „Vervoermiddelen; middelen voor vervoer over land, door de lucht of over het water; motorvoertuigen te land; auto’s; structuur- en vervangingsonderdelen, alsmede hun bestanddelen en accessoires, alle begrepen in deze klasse; remmen, motoren, banden voor motorvoertuigen te land, begrepen in deze klasse; fietsen, motorrijwielen, bestelwagens en vrachtwagens”.
4 De internationale inschrijving is op 8 februari 2007 gepubliceerd in het Blad van gemeenschapsmerken en op 12 december 2007 ingeschreven in het register van gemeenschapsmerken.
5 Op 7 september 2015 heeft interveniënt, Kurt Hesse, een verzoek tot nietigverklaring van de internationale inschrijving voor de in punt 3 hierboven genoemde waren ingediend krachtens artikel 158, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd [thans artikel 198, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)], gelezen in samenhang met artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 [thans artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001].
6 Bij beslissing van 16 december 2016 heeft de nietigheidsafdeling dat verzoek gedeeltelijk toegewezen en het litigieuze merk met ingang van 16 december 2016 vervallen verklaard voor „vervoermiddelen; middelen voor vervoer over land, door de lucht of over het water; motorvoertuigen te land; structuur- en vervangingsonderdelen, alsmede hun bestanddelen en accessoires, alle begrepen in deze klasse; remmen, motoren, banden voor motorvoertuigen te land, begrepen in deze klasse; fietsen, motorrijwielen, bestelwagens en vrachtwagens”. Met betrekking tot „auto’s” heeft zij de vordering tot vervallenverklaring echter afgewezen.
7 Op 13 februari 2017 heeft interveniënt beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling en verzocht om gedeeltelijke vernietiging ervan, voor zover deze afdeling de vordering tot vervallenverklaring van het litigieuze merk voor „auto’s” had afgewezen.
8 Op 14 februari 2017 heeft verzoekster eveneens beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling en verzocht om gedeeltelijke vernietiging ervan, voor zover deze afdeling het litigieuze merk vervallen had verklaard voor „structuur- en vervangingsonderdelen, alsmede hun bestanddelen en accessoires (voor vervoermiddelen), alle begrepen in deze klasse; motoren” (hierna: „onderdelen en accessoires”).
9 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep van interveniënt toegewezen en verzoeksters beroep verworpen. Bijgevolg werden verzoeksters rechten op het litigieuze merk vervallen verklaard voor alle in punt 3 hierboven genoemde waren.
Conclusies van partijen
10 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – de bestreden beslissing te wijzigen, aangezien het normale gebruik van het litigieuze merk is aangetoond voor „auto’s” en onderdelen en accessoires van klasse 12; – het EUIPO en interveniënt te verwijzen in de kosten van de procedure voor de kamer van beroep en van de onderhavige procedure.
11 Ter terechtzitting heeft verzoekster haar tweede vordering ingetrokken. Het Gerecht heeft daarvan akte genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.
12 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.
13 Interveniënt verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Bepaling van het materiële en formele recht dat ratione temporis van toepassing is
14 Gelet op de datum van indiening van de betrokken vordering tot vervallenverklaring, te weten 7 september 2015, die beslissend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, worden de feiten van het onderhavige geding beheerst door de materiële bepalingen van verordening nr. 207/2009 en verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1) (zie in die zin arresten van 6 juni 2019, Deichmann/EUIPO, C‑223/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:471, punt 2, en 3 juli 2019, Viridis Pharmaceutical/EUIPO,C‑668/17 P, EU:C:2019:557, punt 3).
15 In dat verband volgt uit de bepalingen van artikel 55, lid 1, van verordening nr. 207/2009 dat een vervallenverklaring terugwerkende kracht heeft tot de datum van de vordering tot vervallenverklaring. Aangezien volgens vaste rechtspraak de procedureregels in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de inwerkingtreding ervan (zie arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje,C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), gelden voor het geding bovendien de procedureregels van verordening 2017/1001. Opgemerkt dient te worden dat, wat het bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk betreft, krachtens met name artikel 82, lid 2, onder d), f) en i), van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening (EU) 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1), het geding wordt beheerst door de bepalingen van verordening nr. 2868/95 [arrest van 24 maart 2021, Novomatic/EUIPO – adp Gauselmann (Power Stars), T‑588/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:157, punt 20].
16 Bijgevolg moeten in casu, wat de materiële regels betreft, de verwijzingen van de kamer van beroep in de bestreden beslissing en van de partijen in hun schriftelijke stukken naar de bepalingen van verordening 2017/1001 worden begrepen als verwijzingen naar de bepalingen met dezelfde inhoud van verordening nr. 207/2009.
Ten gronde
17 Verzoekster voert vier middelen aan, ontleend aan, ten eerste, ontoereikende motivering doordat niet alle relevante factoren in aanmerking zijn genomen bij de beoordeling van het normale gebruik van het litigieuze merk, ten tweede, schending van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, ten derde, schending van artikel 15, lid 2, van die verordening (thans artikel 18, lid 2, van verordening 2017/1001) en, ten vierde, beoordelingsfouten met betrekking tot het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires.
18 Overeenkomstig artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 worden de rechten van de houder van een Uniemerk op vordering bij het EUIPO vervallen verklaard wanneer in een ononderbroken periode van vijf jaar, die in dit geval loopt van 7 september 2010 tot en met 6 september 2015 (hierna: „relevante periode”), het merk niet normaal in de Unie is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden bestaat voor het niet gebruiken.
19 Volgens regel 22, lid 3, van verordening nr. 2868/95, die overeenkomstig regel 40, lid 5, van die verordening mutatis mutandis van toepassing is op de vordering tot vervallenverklaring, moet het bewijs van het gebruik betrekking hebben op de plaats, tijd, omvang en wijze van gebruik van het oudere merk. Volgens regel 22, lid 4, van die verordening bestaat het bewijs in beginsel alleen uit overlegging van tot staving dienende stukken en voorwerpen, zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto’s, krantenadvertenties en schriftelijke verklaringen zoals bedoeld in artikel 78, lid 1, onder f), van verordening nr. 207/2009.
20 Van een merk wordt dus een normaal gebruik gemaakt wanneer het, overeenkomstig zijn wezenlijke functie, dat wil zeggen het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt gebruikt teneinde voor die waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat enkel ertoe strekt de aan het merk verbonden rechten te behouden (zie naar analogie arrest van 11 maart 2003, Ansul,C‑40/01, EU:C:2003:145, punt 43). Bovendien betekent het vereiste van normaal gebruik van het merk dat dit merk, zoals het op het relevante grondgebied wordt beschermd, publiek en naar buiten toe wordt gebruikt [zie arresten van 18 maart 2015, Naazneen Investments/BHIM – Energy Brands (SMART WATER), T‑250/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:160, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 11 januari 2023, Hecht Pharma/EUIPO – Gufic BioSciences (Gufic), T‑346/21, EU:T:2023:2, punt 22 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
21 Verder kan het normale gebruik van een merk niet op basis van waarschijnlijkheden of vermoedens worden aangenomen, maar moet het worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens die een daadwerkelijk en afdoend gebruik van het merk op de betrokken markt bewijzen [zie arrest van 23 september 2009, Cohausz/BHIM – Izquierdo Faces (acopat), T‑409/07, niet gepubliceerd, EU:T:2009:354, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
22 Volgens vaste rechtspraak moet bij de beoordeling of van het merk een normaal gebruik is gemaakt, rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat de commerciële exploitatie ervan reëel is, inzonderheid de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren of diensten marktaandelen te behouden of te verkrijgen, de aard van die waren of diensten, de kenmerken van de markt en de omvang en de frequentie van het gebruik van het merk (zie arrest van 18 maart 2015, SMART WATER, T‑250/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:160, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
23 In het licht van deze beginselen dienen de argumenten van verzoekster te worden onderzocht, waarmee zij in wezen de beoordelingen van de kamer van beroep met betrekking tot het ontbreken van normaal gebruik van het litigieuze merk betwist voor, enerzijds, „auto’s” van klasse 12 en, anderzijds, onderdelen en accessoires van dezelfde klasse. Derhalve dienen eerst het tweede en het derde middel tezamen te worden onderzocht, gevolgd door het vierde middel en ten slotte, in voorkomend geval, het eerste middel.
Tweede en derde middel: bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk voor auto’s
24 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep om te beginnen vastgesteld dat verzoekster in de relevante periode geen nieuwe auto’s van het litigieuze merk had geproduceerd of verdeeld en evenmin zelf tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA had verkocht. Vervolgens is de kamer van beroep met betrekking tot de verkoop door derden van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA in wezen tot de slotsom gekomen dat de merkhouder, om normaal gebruik van dit merk te bewijzen, moest aantonen dat deze verkopen met zijn toestemming hadden plaatsgevonden. Volgens de kamer van beroep bestaat er geen automatisme dat elke tweedehands verkoop waarvan de merkhouder op de hoogte is, als normaal gebruik van het merk met zijn toestemming moet worden beschouwd, aangezien de toestemming van de merkhouder niet vereist is voor de wederverkoop van dergelijke tweedehands waren. In dat verband was de kamer van beroep van oordeel dat verzoekster niet had aangetoond dat zij had ingestemd met de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA door derden in de zin van artikel 15 van verordening nr. 207/2009. Ten slotte heeft zij opgemerkt dat het feit dat verzoekster een dienst verleende bestaande in het certificeren dat een bepaalde tweedehands auto een echte Testarossa is (hierna: „certificeringsdienst”), niet relevant was, aangezien deze dienst werd verleend onder het merk Ferrari en niet onder het litigieuze merk, zodat dit geen normaal gebruik van het litigieuze merk bewees.
25 Verzoekster betwist deze beoordelingen en betoogt ten eerste dat de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA door erkende dealers, die zij met facturen staaft, met haar toestemming heeft plaatsgevonden. Volgens verzoekster bevestigt het feit dat deze dealers haar facturen hebben overgelegd waaruit blijkt dat zij tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA hebben verkocht, impliciet dat zij het litigieuze merk met haar toestemming hebben gebruikt. Ten tweede voert verzoekster aan dat zij de certificeringsdienst tegen betaling aan dealers verleent. Deze dienst levert haar dus inkomsten op en houdt rechtstreeks verband met de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA door erkende dealers, aangezien de in dat verband afgegeven certificaten de waarde van die auto’s verhogen en de wederverkoop ervan vergemakkelijken.
26 Ten eerste betogen het EUIPO en interveniënt dat verzoeksters toestemming niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat zij zich niet heeft verzet tegen het gebruik van het litigieuze merk door derden. Het ontbreken van een licentie die uitdrukkelijk betrekking heeft op het litigieuze merk, of van enige andere vorm van toestemming van verzoekster voor het gebruik ervan door derden, illustreert haar passiviteit. Ten tweede heeft verzoekster volgens het EUIPO niet aangetoond dat zij zich op de markt voor tweedehands auto’s op actieve wijze had gedragen, waardoor zij de mogelijkheid zou hebben behouden om de kwaliteit van de betrokken waren te controleren. Interveniënt voegt hieraan toe dat de kamer van beroep terecht tot de slotsom is gekomen dat de certificeringsdienst niet relevant was, aangezien deze wordt verricht onder het merk Ferrari.
27 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd, zoals in punt 19 hierboven is uiteengezet, dat het bewijs van het gebruik betrekking moet hebben op de plaats, tijd, omvang en wijze van gebruik van het oudere merk. In casu heeft de kamer van beroep, zoals het EUIPO ter terechtzitting heeft bevestigd, zich in de bestreden beslissing beperkt tot de beoordeling van de wijze van gebruik van het litigieuze merk. In die omstandigheden is dit het enige criterium dat in casu door het Gerecht dient te worden getoetst.
28 Voorts zij erop gewezen dat partijen het erover eens zijn dat de productie van auto’s van het model Testarossa tussen 1984 en 1996 heeft plaatsgevonden en dat bijgevolg in de relevante periode geen nieuwe auto’s onder het litigieuze merk zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht.
29 Ook staat vast, zoals verzoekster en het EUIPO ter terechtzitting hebben bevestigd, dat tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA in de relevante periode niet door verzoekster zelf in de handel zijn gebracht, maar door derden, met name door verzoekster erkende dealers of verdelers in Italië, Duitsland, België, Frankrijk en Spanje.
30 Volgens de rechtspraak betekent de verkoop als zodanig van een tweedehands waar dat van een merk is voorzien niet dat dit merk is „gebruikt” in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009. Dit merk werd immers gebruikt toen het door de houder ervan op de nieuwe waar werd aangebracht bij het voor het eerst in de handel brengen van deze waar. Indien de houder van het betrokken merk dit merk evenwel daadwerkelijk bij de verkoop van tweedehands waren gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, die erin bestaat de identiteit van de oorsprong te waarborgen van de waren waarvoor het merk is ingeschreven, kan een dergelijk gebruik een „normaal gebruik” van dat merk vormen in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punten 55 en 56).
31 Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 207/2009 inzake de uitputting van de aan het merk verbonden rechten bevestigt deze uitlegging. Uit deze bepaling volgt dat het aan het merk verbonden recht de houder ervan niet toestaat het gebruik ervan te verbieden voor waren die reeds onder dit merk, door deze houder of met zijn toestemming, in de Unie in de handel zijn gebracht. Hieruit volgt dat een merk kan worden gebruikt voor waren die reeds onder dit merk in de handel zijn gebracht. Het feit dat de houder van het merk derden niet kan verbieden om zijn merk te gebruiken voor waren die reeds onder dit merk in de handel zijn gebracht, betekent niet dat hij dit merk zelf niet kan gebruiken voor dergelijke waren (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punten 58 en 59).
32 Bovendien geldt krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 207/2009 het gebruik van het merk met toestemming van de merkhouder als gebruik door de merkhouder. Zoals de kamer van beroep in punt 76 van de bestreden beslissing terecht heeft opgemerkt, geldt de vaststelling in punt 31 hierboven dus ook voor het gebruik van het merk door derden met toestemming van de merkhouder, hetgeen bovendien niet door partijen wordt betwist. Bijgevolg staat het de merkhouder vrij aan te tonen dat het merk normaal is gebruikt voor tweedehands waren die onder dit merk door derden met zijn toestemming zijn verkocht.
33 Verder is het aan de merkhouder om te bewijzen dat hij met het gebruik van dit merk door een derde heeft ingestemd (zie in die zin arrest van 11 mei 2006, Sunrider/BHIM, C‑416/04 P, EU:C:2006:310, punt 44).
34 In casu staat vast dat verzoekster geen enkel bewijs, zoals een licentie, heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij uitdrukkelijk heeft ingestemd met het gebruik van het litigieuze merk door derden tijdens de relevante periode. Zij betoogt daarentegen dat de door haar overgelegde bewijzen kunnen aantonen dat dit gebruik met haar impliciete toestemming heeft plaatsgevonden.
35 In dat verband kan de toestemming van de merkhouder volgens de rechtspraak expliciet of impliciet worden uitgedrukt. De toestemming van de merkhouder moet immers worden uitgedrukt op een manier waaruit met zekerheid de wil blijkt om afstand te doen van zijn exclusieve recht op het merk. Een dergelijke wil blijkt normaliter uit een uitdrukkelijke formulering van de toestemming. Evenwel kan niet worden uitgesloten dat deze wil impliciet kan worden afgeleid uit omstandigheden en elementen van vóór, tijdens of na het gebruik van het betrokken merk door een derde, die eveneens op vaststaande wijze weergeven dat de houder afstand doet van zijn recht [zie arresten van 13 januari 2011, Park/BHIM – Bae (PINE TREE), T‑28/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:7, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 8 juni 2022, Muschaweck/EUIPO – Conze (UM), T‑293/21, EU:T:2022:345, punt 71 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].
36 Derhalve moet worden onderzocht of een dergelijke impliciete toestemming van de merkhouder voortvloeit uit omstandigheden en elementen van vóór, tijdens of na het gebruik van het litigieuze merk door een derde.
37 In dat verband volgt uit de rechtspraak dat wanneer de houder van een merk waarvan vervallenverklaring is gevorderd, gebruik van dit merk door een derde aanvoert als bewijs van normaal gebruik in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009, deze houder impliciet stelt dat dit gebruik met zijn toestemming gebeurde [arrest van 8 juli 2004, Sunrider/BHIM – Espadafor Caba (VITAFRUIT), T‑203/02, EU:T:2004:225, punt 24].
38 In navolging van het EUIPO moet echter worden gepreciseerd dat, in de specifieke context van het gebruik van een merk voor tweedehands waren, een impliciete toestemming niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat de merkhouder op de hoogte was van het gebruik van het merk door een derde en zich daar niet tegen verzette. De toestemming van de merkhouder is namelijk niet juridisch vereist voor het gebruik van het merk door een derde voor tweedehands waren. Om het bestaan van een impliciete toestemming in deze specifieke context vast te stellen, moet de merkhouder betrokken zijn bij het gebruik van het merk door derden.
39 De relevante omstandigheden en elementen die op het bestaan van een dergelijke impliciete toestemming kunnen wijzen, moeten worden onderzocht, zoals het EUIPO overigens ter terechtzitting heeft erkend, in het licht van met name de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren marktaandelen te behouden of te verkrijgen en de kenmerken van de markt (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 maart 2015, SMART WATER, T‑250/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:160, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 In casu heeft verzoekster in de eerste plaats facturen overgelegd betreffende de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA, die zijn afgegeven door door haar erkende dealers en de volgende vermeldingen dragen: „Ferrari Vertragshändler” (Ferrari-dealer), „Ferrari und Ferrari Classiche Vetragspartner” (contractpartner van Ferrari en Ferrari Classiche), „Offizieller Ferrari und Maserati Vetragshändler” (officiële Ferrari- en Maserati-dealer) of „distributeur-réparateur agréé” (erkende verdeler-hersteller).
41 Daaruit volgt dat het gebruik van het litigieuze merk waarop verzoekster zich beroept, niet het gebruik is door een of andere derde die geen enkele band met haar heeft, maar het gebruik door erkende dealers en verdelers waarmee verzoekster economische en contractuele banden heeft, hetgeen in casu niet wordt betwist.
42 In dat verband heeft het Gerecht reeds geoordeeld dat het gebruik van het merk van een productieonderneming door een economisch met deze onderneming verbonden distributieonderneming kan worden erkend als gebruik van dit merk met toestemming van de merkhouder en dus kan worden geacht te zijn gemaakt door de merkhouder, overeenkomstig artikel 15, lid 2, van verordening nr. 207/2009 [zie in die zin arresten van 17 februari 2011, J & F Participações/BHIM – Plusfood Wrexham (Friboi), T‑324/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:47, punt 32; 5 maart 2019, Meblo Trade/BHIM – Meblo Int (MEBLO), T‑263/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:134, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 oktober 2024, Fractal Analytics/EUIPO – Fractalia Remote Systems (FRACTALIA), T‑194/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:696, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43 Deze overwegingen zijn mutatis mutandis van toepassing wanneer het merk van een productieonderneming, zoals het litigieuze merk, wordt gebruikt door een door de merkhouder erkende distributieonderneming, aangezien een dergelijke erkenning een band tussen deze twee ondernemingen tot stand brengt die, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, veronderstelt dat de merkhouder deze erkende dealer of verdeler heeft toegestaan, al was het maar impliciet, om zijn merken te gebruiken in het kader van zijn economische activiteiten op de markt.
44 Deze beoordeling wordt in casu bevestigd door de in de betrokken economische sector gerechtvaardigd geachte gebruiken en door de kenmerken van de betrokken markt. Op de automarkt is het namelijk gebruikelijk dat auto’s in de handel worden gebracht zowel onder een merk dat de fabrikant ervan aanduidt, zoals in casu het woordmerk Ferrari of verzoeksters beeldmerk dat een steigerend paard voorstelt, als onder een tweede merk dat het model ervan aanduidt, zoals het litigieuze merk, waarbij beide merken intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Volgens de in die sector gerechtvaardigd geachte gebruiken wordt een door Ferrari erkende verdeler of dealer dus geacht toestemming te hebben om alle automodellen van die fabrikant op de markt te brengen. Bovendien moet, overeenkomstig de gebruiken die in de sector van de tweedehands auto’s gerechtvaardigd worden geacht, een onderscheid worden gemaakt tussen de verkoop van tweedehands auto’s door een onafhankelijke derde zonder enige band met de fabrikant van die auto’s en de verkoop door een door die fabrikant erkende dealer of verdeler. Dit geldt des te meer wanneer het zoals in casu gaat om oldtimers en tweedehands luxeauto’s en auto’s uit het hogere segment, die bijzonder vermaard en gewaardeerd zijn door verzamelaars. Het is namelijk algemeen bekend dat op deze specifieke markt het feit dat een dergelijke auto wordt verkocht door een door de merkhouder erkende dealer of verdeler, de commerciële herkomst van de auto kan aangeven en de klanten ervan kan verzekeren dat het onderhoud en, in voorkomend geval, de vervanging van onderdelen en accessoires zijn uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan de commerciële herkomst van de auto.
45 Anders dan de kamer van beroep meent, moet derhalve worden geoordeeld dat de verkoop van een tweedehands auto van het merk TESTAROSSA door een door de houder van het litigieuze merk erkende dealer of verdeler, een aanwijzing is dat de verkoop is geschied met de toestemming, zij het slechts impliciet, van de houder van het litigieuze merk.
46 In de tweede plaats heeft verzoekster ook facturen overgelegd die zij in het kader van de in de punten 24 en 25 hierboven bedoelde certificeringsdienst heeft uitgereikt aan klanten in Italië, Zwitserland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
47 Volgens de rechtspraak kan, wanneer de houder van een merk dat is ingeschreven voor bepaalde waren, daadwerkelijk gebruikmaakt van dit merk voor diensten die rechtstreeks verband houden met de reeds verkochte waren en die bestemd zijn om aan de behoeften van de afnemers van deze waren te voldoen, dit een „normaal gebruik” van dat merk vormen in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 62).
48 Een dergelijk gebruik veronderstelt echter dat daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van het betrokken merk bij het verrichten van deze diensten. Wanneer dit merk niet wordt gebruikt, kan er immers logischerwijs geen sprake zijn van een „normaal gebruik” van het merk in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 63).
49 In casu blijkt uit het dossier en in het bijzonder uit de inhoud van de facturen dat de certificeringsdienst tot doel heeft de echtheid van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA te certificeren („certificazione autenticita vettura Testarossa”, in het Italiaans). Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft uiteengezet, wordt met een dergelijk„echtheidscertificaat”, dat zij met name aan haar erkende dealers verstrekt in het kader van de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA, tegen betaling en na de nodige verificaties vastgesteld dat de betrokken auto een origineel Testarossa-model is.
50 Verzoekster heeft ook een document met het opschrift „technische fiche” overgelegd, dat een voorbeeld is van een aanvraag tot certificering van een tweedehands auto van het merk TESTAROSSA. Hieruit blijkt dat de aanvrager, om een echtheidscertificaat te verkrijgen, nauwkeurige informatie moet verstrekken over de herkomst van elk van de belangrijkste onderdelen van de auto, zoals de motor, de versnellingsbak, de brandstoftank en de brandstofpomp, alsmede over de geschiedenis van eventuele vervangingen ervan, gestaafd met foto’s van de auto en de onderdelen ervan.
51 Verzoekster heeft voorts in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht en ter terechtzitting uiteengezet dat die certificaten een belangrijke rol spelen bij de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA, aangezien zij kopers zekerheid geven over de commerciële herkomst van een dergelijke auto en de waarde ervan verhogen ten opzichte van een tweedehands auto die niet over een dergelijk certificaat beschikt.
52 Daaruit volgt dat de certificeringsdienst rechtstreeks verband houdt met de verkoop van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA door erkende dealers en beoogt te voldoen aan de behoeften van de afnemers van deze auto’s, zodat dit gebruik overeenkomstig de in punt 47 hierboven genoemde rechtspraak een „normaal gebruik” van dit merk in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 kan vormen.
53 Met betrekking tot de door de kamer van beroep vastgestelde omstandigheid dat de genoemde certificering niet onder het litigieuze merk, maar onder het merk Ferrari is geleverd, kan worden volstaan met de vaststelling dat het litigieuze merk ook duidelijk zichtbaar en identificeerbaar op deze facturen voorkomt.
54 Volgens vaste rechtspraak bestaat er met betrekking tot een Uniemerk geen enkele regel die de merkhouder verplicht om het gebruik van zijn merk afzonderlijk, los van elk ander merk of teken, te bewijzen. Het is bijgevolg mogelijk dat twee of meer merken gezamenlijk en autonoom worden gebruikt, met of zonder de naam van de onderneming van de fabrikant. Het gezamenlijke gebruik van een ander merk met het litigieuze merk kan dus op zich geen afbreuk doen aan de identificatiefunctie van dat andere merk met betrekking tot de waren in kwestie [zie arrest van 8 juni 2022, Apple/EUIPO – Swatch (THINK DIFFERENT), T‑26/21–T‑28/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:350, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Aan de voorwaarde van normaal gebruik van een merk kan bovendien worden voldaan wanneer een merk wordt gebruikt samen met een ander merk voor zover eerstgenoemd merk nog steeds wordt waargenomen als een aanduiding van de herkomst van de betrokken waar [zie arrest van 23 september 2020, CEDC International/EUIPO – Underberg (Vorm van een grashalm in een fles), T‑796/16, EU:T:2020:439, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
55 In casu is het, zoals in punt 44 hierboven is uiteengezet, algemeen bekend dat auto’s gewoonlijk in de handel worden gebracht zowel onder een merk dat de fabrikant ervan aanduidt, als onder een tweede merk dat het model ervan aanduidt, zodat het gelijktijdige gebruik van het merk Ferrari en het litigieuze merk, dat een specifiek model van Ferrari-auto’s aanduidt, op de facturen betreffende de certificeringsdienst in overeenstemming is met de gebruiken in de betrokken sector.
56 Bijgevolg heeft de kamer van beroep ten onrechte de bewijzen betreffende de certificering van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA als irrelevant afgewezen.
57 Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het argument van het EUIPO dat verzoekster tijdens de relevante periode passief is gebleven, aangezien uit de voorgaande overwegingen, met name die betreffende de certificeringsdienst, blijkt dat verzoekster betrokken was bij bepaalde verkopen van tweedehands auto’s van het merk TESTAROSSA door haar erkende dealers en verdelers, waarbij zij economisch voordeel haalde uit de inkomsten die zij via deze dienst genereerde.
58 Voor zover verzoekster zich beroept op de bekendheid van het litigieuze merk in de Unie tijdens de relevante periode, moet er bovendien aan worden herinnerd dat het door de houder van het litigieuze merk te leveren bewijs van het gebruik niet kan worden geleverd of afgezwakt op grond van de bekendheid van dit merk in de Unie tijdens de relevante periode [arrest van 8 april 2016, Frinsa del Noroeste/EUIPO – Frisa Frigorífico Rio Doce (FRISA), T‑638/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:199, punt 35], maar dat dit bewijs dus los van de bekendheid moet worden geleverd.
59 Het valt echter niet uit te sluiten dat, afhankelijk van de omstandigheden, zoals in casu, de bekendheid van het litigieuze merk een van de elementen kan zijn die informatie kunnen verschaffen over de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren marktaandelen te behouden of te verkrijgen, in de zin van de in punt 22 hierboven aangehaalde rechtspraak. Zoals in punt 44 hierboven is opgemerkt, kan met name de omstandigheid dat een bijzonder bekende auto door een door de merkhouder erkende dealer of verdeler wordt verkocht, de afnemers de zekerheid geven dat het onderhoud van de auto en, in voorkomend geval, de vervanging van onderdelen en accessoires ervan zijn uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan de commerciële herkomst van de auto.
60 Gelet op al het voorgaande moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door tot de slotsom te komen dat verzoekster niet had aangetoond dat zij impliciet had ingestemd met het gebruik van het litigieuze merk door derden voor „auto’s” van klasse 12.
61 Derhalve moeten het tweede en het derde middel worden toegewezen.
Vierde middel: bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires
62 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep in het kader van het door verzoekster ingestelde beroep de door verzoekster voor het eerst voor die kamer overgelegde bewijzen betreffende het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires van klasse 12 niet-ontvankelijk verklaard, alvorens deze ten gronde af te wijzen. In het kader van het door interveniënt ingestelde beroep heeft de kamer van beroep daarentegen dezelfde bewijzen ten gronde onderzocht, zonder zich uit te spreken over de ontvankelijkheid ervan. Na afloop van dit onderzoek is zij tot de slotsom gekomen dat op basis van die bewijzen geen normaal gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires kon worden aangetoond.
63 Eerst moet de motivering van de bestreden beslissing met betrekking tot de ontvankelijkheid van de voor het eerst voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen worden onderzocht, en vervolgens verzoeksters argumenten ten gronde.
– Motivering van de bestreden beslissing
64 Volgens vaste rechtspraak vormt een ontbrekende of ontoereikende motivering schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU en een middel van openbare orde dat door de Unierechter ambtshalve kan en zelfs moet worden onderzocht (arresten van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a.,C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 34, en 9 maart 2023, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie, C‑682/20 P, EU:C:2023:170, punt 39). In dat verband is het belangrijk op te merken dat het beginsel van hoor en wederhoor deel uitmaakt van de rechten van de verdediging en van toepassing is op alle procedures die tot een beslissing van een Unie-instelling kunnen leiden die de belangen van een persoon aanmerkelijk kan raken (arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a.,C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 50). De rechter moet derhalve zelf het beginsel van hoor en wederhoor eerbiedigen, inzonderheid wanneer hij een geding beslecht op basis van een ambtshalve opgeworpen middel (arrest van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a.,C‑89/08 P, EU:C:2009:742, punt 54).
65 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat het EUIPO op grond van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 geen rekening hoeft te houden met feiten en bewijzen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd.
66 Uit de bewoordingen van artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 volgt dat de partijen, in de regel en behoudens andersluidende bepaling, nog feiten en bewijzen kunnen aanvoeren na afloop van de termijnen die daarvoor in verordening nr. 207/2009 zijn bepaald, en dat het niet verboden is voor het EUIPO om rekening te houden met feiten en bewijzen die niet tijdig zijn aangevoerd of overgelegd (arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul,C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 42, en 24 januari 2018, EUIPO/European Food,C‑634/16 P, EU:C:2018:30, punt 55).
67 Aangezien artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 preciseert dat het EUIPO in een dergelijk geval geen rekening „hoeft” te houden met dergelijke bewijzen, beschikt het EUIPO immers over een ruime beoordelingsvrijheid om te beslissen of het daarmee rekening houdt, op voorwaarde dat het zijn beslissing op dat punt motiveert (arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul,C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 43, en 28 februari 2018, mobile.de/EUIPO,C‑418/16 P, EU:C:2018:128, punt 49).
68 Wat de uitoefening van die beoordelingsvrijheid betreft, dient te worden opgemerkt dat er volgens vaste rechtspraak met name gegronde redenen kunnen zijn om met niet tijdig aangevoerde gegevens rekening te houden wanneer het EUIPO van oordeel is dat deze gegevens prima facie werkelijk relevant kunnen zijn en het stadium van de procedure en de omstandigheden waarin deze gegevens niet tijdig zijn aangevoerd, bovendien niet eraan in de weg staan dat ermee rekening wordt gehouden [zie in die zin arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul,C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 44; 28 februari 2018, mobile.de/EUIPO,C‑418/16 P, EU:C:2018:128, punt 63, en 4 oktober 2018, Blackmore/EUIPO – Paice (DEEP PURPLE), T‑344/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:648, punt 54].
69 Ten eerste is de kamer van beroep in casu, zoals in punt 62 hierboven in herinnering is gebracht, in het kader van het onderzoek van het door verzoekster ingestelde beroep tot de slotsom gekomen dat de door verzoekster voor het eerst voor die kamer overgelegde bewijzen met betrekking tot onderdelen en accessoires niet-ontvankelijk waren op grond dat zij niet tijdig waren overgelegd. Daartoe heeft zij in de punten 168 en 169 van de bestreden beslissing enkel verklaard dat de voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen niet „toereikend” waren en dat „gelet op de tekortkomingen [ervan] de beoordelingsvrijheid niet ten gunste van [verzoekster] [kon] worden uitgeoefend”.
70 Uit deze motivering kan niet worden afgeleid of de kamer van beroep de ontvankelijkheid van die bewijzen heeft onderzocht in het licht van de in de rechtspraak vastgestelde criteria waarnaar in punt 68 hierboven is verwezen. In het bijzonder kan aan de hand van de motivering niet worden nagegaan of de kamer van beroep heeft onderzocht of die bewijzen prima facie werkelijk relevant konden zijn voor de uitkomst van het bij haar ingestelde beroep en of het stadium van de procedure en de omstandigheden waarin deze gegevens niet tijdig zijn aangevoerd, eraan in de weg stonden dat er rekening mee werd gehouden. In dat verband vormt de loutere bewering dat de voor de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen „niet toereikend” waren, geen afdoende motivering, aangezien zij op geen enkele wijze duidelijk maakt waarom in casu niet is voldaan aan de in de rechtspraak vastgestelde criteria op grond waarvan de kamers van beroep rekening kunnen houden met niet tijdig overgelegde bewijzen.
71 Op de vraag ter terechtzitting of in de bestreden beslissing blijk wordt gegeven van een ontoereikende motivering met betrekking tot de ontvankelijkheid van de voor het eerst voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen, heeft het EUIPO in wezen verklaard dat een analyse van die criteria niet nodig was, aangezien deze bewijzen nadien hoe dan ook ten gronde in de bestreden beslissing werden onderzocht.
72 Dat die bewijzen hoe dan ook ten gronde zijn onderzocht, doet echter niets af aan de ontoereikendheid van de motivering van de bestreden beslissing wat de niet-ontvankelijkheid ervan betreft, maar heeft veeleer betrekking op de gevolgen van die ontoereikendheid voor de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, die hieronder zullen worden onderzocht.
73 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat in de bestreden beslissing blijk wordt gegeven van een ontoereikende motivering, die het Gerecht ambtshalve dient vast te stellen.
74 Ten tweede, en zoals in punt 62 hierboven is opgemerkt, moet worden vastgesteld dat de kamer van beroep enerzijds in het kader van het door verzoekster ingestelde beroep de genoemde bewijzen niet-ontvankelijk heeft verklaard, terwijl zij anderzijds in het kader van het door interveniënt ingestelde beroep niet heeft vastgesteld dat diezelfde bewijzen niet-ontvankelijk zouden zijn en ze meteen ten gronde heeft onderzocht.
75 Met een schriftelijke vraag heeft het Gerecht partijen uitgenodigd hun opmerkingen te maken over de vraag of de motivering van de bestreden beslissing op dit punt tegenstrijdig was, mocht het Gerecht het opportuun achten deze kwestie ambtshalve aan de orde te stellen. In antwoord op deze vraag heeft verzoekster betoogd dat in de bestreden beslissing blijk wordt gegeven van een tegenstrijdige motivering op dit punt, hetgeen moet leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing. Het EUIPO van zijn kant heeft verklaard dat de benadering van de kamer van beroep niet tegenstrijdig was, aangezien de betrokken bewijzen hoe dan ook in beide beroepen ten gronde werden onderzocht en verworpen, zodat de betrokken tegenstrijdige motivering niet van invloed is op de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Interveniënt heeft een soortgelijk betoog ontwikkeld.
76 In dit verband dient te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing een tegenstrijdige motivering bevat, die het Gerecht ambtshalve moet vaststellen, aangezien dezelfde bewijzen in het kader van verzoeksters beroep primair niet-ontvankelijk werden verklaard, terwijl zij in het kader van het beroep van interveniënt impliciet maar noodzakelijkerwijs wel ontvankelijk werden geacht.
77 Wat het in punt 75 hierboven weergegeven argument van het EUIPO betreft, moet worden opgemerkt dat dit argument, zoals in punt 72 hierboven is vastgesteld, geen invloed heeft op het feit dat in de bestreden beslissing blijk wordt gegeven van een tegenstrijdige motivering met betrekking tot de ontvankelijkheid van de voor het eerst voor de kamer van beroep overgelegde bewijzen, maar veeleer betrekking heeft op de gevolgen van deze tegenstrijdigheid voor de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, die hieronder zullen worden onderzocht.
78 Gelet op het voorgaande is het Gerecht niet in staat vast te stellen of de kamer van beroep de betrokken bewijzen niet-ontvankelijk kon verklaren zonder een fout te begaan. Zoals in de punten 72 en 76 hierboven is opgemerkt, wordt in de bestreden beslissing namelijk blijk gegeven van een ontoereikende motivering en van een tegenstrijdige motivering.
79 In deze omstandigheden dient het argument van het EUIPO te worden onderzocht dat de hierboven genoemde motiveringsgebreken de rechtmatigheid van de bestreden beslissing niet aantasten omdat de kamer van beroep die bewijzen hoe dan ook ten gronde heeft verworpen.
– Ten gronde
80 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep ten eerste vastgesteld dat het litigieuze merk niet door verzoekster, maar door zelfstandige handelaren werd gebruikt voor onderdelen en accessoires en dat uit de bewijzen niet bleek dat dit gebruik met toestemming van verzoekster had plaatsgevonden. Ten tweede heeft zij opgemerkt dat het litigieuze merk voor deze waren was gebruikt voor „beschrijvende” doeleinden en niet om de commerciële herkomst ervan aan te duiden. Volgens de kamer van beroep werd in de door verzoekster overgelegde bewijzen geen onderscheid gemaakt tussen de onder het litigieuze merk verkochte onderdelen en accessoires en generieke onderdelen en accessoires die compatibel zijn met auto’s van het model Testarossa. Ten derde heeft de kamer van beroep met betrekking tot de bewijzen die onderdelen en accessoires laten zien waarop het litigieuze merk is opgebracht, opgemerkt dat het om geïsoleerde gevallen ging, die niet volstonden om een normaal gebruik van het litigieuze merk voor dergelijke onderdelen en accessoires aan te tonen.
81 Verzoekster betoogt ten eerste dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geweigerd het normale gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires te erkennen. In dat verband verwijt zij de kamer van beroep dat zij ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de bij de verkoop van die onderdelen en accessoires betrokken derden „zelfstandige handelaren” waren en dat het gebruik van het litigieuze merk voor dergelijke waren niet kon worden beschouwd als een bewijs van normaal gebruik voor auto’s „wegens de onevenredigheid van [hun] waarde”. Zij wijst er ook op dat de kamer van beroep bij haar onderzoek geen rekening heeft gehouden met de relevante criteria voor de beoordeling van normaal gebruik, te weten de aard van de betrokken waren, de kenmerken van de markt en de frequentie van het gebruik. Bovendien heeft de kamer van beroep het begrip „normaal gebruik” onjuist uitgelegd en een dergelijk gebruik door derden onjuist beoordeeld door ten onrechte te stellen dat de overgelegde bewijzen niet volstonden om aan te tonen dat de wezenlijke functie van het merk werd vervuld.
82 Ten tweede betoogt verzoekster dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de rechtspraak volgens welke het gebruik van een ingeschreven merk voor onderdelen die integrerend deel uitmaken van de waren waarop dat merk betrekking heeft, niet alleen voor de onderdelen zelf maar ook voor de waren waarop dat merk betrekking heeft, normaal gebruik kan vormen.
83 Het EUIPO en interveniënt betwisten verzoeksters argumenten en stellen dat het normale gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires niet is bewezen en hoe dan ook geen gebruik voor „auto’s” kan aantonen. Zij zijn van mening dat het arrest van 22 oktober 2020, Ferrari (C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854), niet automatisch tot de conclusie leidt dat een gebruik voor onderdelen een normaal gebruik voor auto’s vormt. Interveniënt benadrukt dat onderdelen en accessoires secundaire waren zijn, die over het algemeen worden verkocht door onafhankelijke wederverkopers die het merk op „beschrijvende” wijze gebruiken, zonder dat een rechtstreeks verband met de merkhouder wordt gelegd. Zij betoogt ook dat verzoekster geen licentieovereenkomsten heeft overgelegd met betrekking tot het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires.
84 In casu betwist verzoekster niet de vaststelling van de kamer van beroep dat de onderdelen en accessoires die in de relevante periode onder het litigieuze merk in de handel zijn gebracht, „hoofdzakelijk” tweedehands onderdelen waren.
85 Bovendien zijn partijen het erover eens dat het door verzoekster aangevoerde gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires niet door verzoekster zelf, maar door derden is gemaakt.
86 In dat verband stelt verzoekster niet dat zij uitdrukkelijk heeft ingestemd met een dergelijk gebruik. Integendeel, zij stelt dat uit de door haar aan het EUIPO overgelegde bewijzen in hun geheel kan worden afgeleid dat zij impliciet met een dergelijk gebruik heeft ingestemd.
87 Ter terechtzitting heeft verzoekster ook aangevoerd dat een van haar dealers, die in de relevante periode onderdelen en accessoires onder het litigieuze merk heeft verkocht, namelijk Maranello, in werkelijkheid tot dezelfde groep van ondernemingen behoorde als zij. Aangezien deze omstandigheid echter niet uit het dossier blijkt en niet door enig bewijs is gestaafd, kan het Gerecht hiermee geen rekening houden.
88 Ten eerste moet, in navolging van verzoekster en anders dan de kamer van beroep heeft verklaard, worden vastgesteld dat het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires in de relevante periode, zoals blijkt uit de door verzoekster overgelegde bewijzen, niet werd verricht door zelfstandige handelaren die geen enkele band met verzoekster hadden, maar door erkende dealers en verdelers, waarmee verzoekster economische en contractuele banden had.
89 De door verzoekster overgelegde bewijzen omvatten namelijk een aantal screenshots en uittreksels van de website van Maranello, waaruit blijkt dat deze onderneming houdster is van de „exclusieve wereldwijde distributierechten voor alle in de fabriek vervaardigde onderdelen voor Ferrari’s van vóór 1995” en dat zij onderdelen en accessoires van „Ferrari” verkoopt, die worden omschreven als „genuine parts” (originele onderdelen) en die voldoen aan goedgekeurde normen en zijn getest op kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid. Verzoekster heeft ook facturen van Maranello en andere erkende dealers overgelegd die gewag maken van de verkoop van dergelijke onderdelen en accessoires aan particulieren in Duitsland, Zwitserland en Tsjechië, en van reparatiediensten voor auto’s van het merk TESTAROSSA.
90 Bovendien biedt verzoekster, zoals in de punten 49 en 50 hierboven is opgemerkt, met name aan erkende dealers en verdelers de certificeringsdienst aan, die tot doel heeft de echtheid van een tweedehands auto van het merk TESTAROSSA te certificeren en die een verificatie van de commerciële herkomst van de belangrijkste onderdelen van de auto omvat.
91 Om soortgelijke redenen als uiteengezet in de punten 34 tot en met 56 hierboven, moet derhalve worden vastgesteld dat verzoekster heeft aangetoond dat zij impliciet heeft ingestemd met het gebruik door derden van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires.
92 Ten tweede heeft de kamer van beroep vastgesteld dat de door verzoekster overgelegde bewijzen blijk gaven van een „beschrijvend” gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires, met als enig doel aan te geven dat die waren compatibel zijn met een auto van het merk TESTAROSSA.
93 In dat verband moet worden opgemerkt dat de kamer van beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat de verkoop van onderdelen en accessoires door erkende dealers, in het bijzonder door Maranello, met name betrekking had op „genuine parts” (originele onderdelen) van het merk TESTAROSSA, zoals verzoekster reeds had aangevoerd voor de kamer van beroep en voor de nietigheidsafdeling, en zoals blijkt uit punt 89 hierboven. In dat verband moet ook worden opgemerkt dat bepaalde bewijzen, zoals de door Maranello opgestelde facturen, talrijke verwijzingen bevatten naar onderdelen en accessoires die specifiek door het litigieuze merk worden aangeduid.
94 Hoe dan ook heeft de kamer van beroep in punt 197 van de bestreden beslissing zelf erkend dat op bepaalde onderdelen en accessoires het litigieuze merk was aangebracht, maar daarbij vastgesteld dat het om „geïsoleerde gevallen” ging. De vraag of het al dan niet om „geïsoleerde gevallen” gaat, heeft echter betrekking op de omvang van het gebruik van het merk voor die onderdelen en accessoires en niet op de wijze van dat gebruik, die, zoals in punt 27 hierboven is uiteengezet, het enige voorwerp van het onderhavige geding vormt.
95 Daaruit volgt dat in de beoordelingen van de kamer van beroep met betrekking tot het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires blijk wordt gegeven van onjuiste opvattingen.
96 Bovendien moet worden opgemerkt, zoals verzoekster heeft gedaan, dat het gebruik van het litigieuze merk voor onderdelen en accessoires ook een gebruik van dit merk voor „auto’s” kan vormen, hetgeen de kamer van beroep ten onrechte heeft ontkend.
97 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat het gebruik van een ingeschreven merk door de houder ervan of met zijn toestemming voor onderdelen die integrerend deel uitmaken van de waren waarop dit merk betrekking heeft, een „normaal gebruik” kan vormen in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, niet alleen voor de onderdelen zelf, maar ook voor de waren waarop dit merk betrekking heeft. In dit verband doet het niet ter zake dat het merk niet alleen is ingeschreven voor de waren in hun geheel, maar ook voor de onderdelen ervan (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 35).
98 Derhalve moet een merk dat is ingeschreven voor een categorie van waren en onderdelen daarvan, worden geacht „normaal [te zijn] gebruikt” in de zin van artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009 voor alle waren die tot deze categorie behoren en de onderdelen daarvan wanneer slechts sprake is van een dergelijk gebruik voor bepaalde van deze waren, zoals dure luxesportauto’s, of enkel voor de onderdelen of accessoires van bepaalde van deze waren, tenzij uit de relevante feiten en bewijzen blijkt dat de consument die deze waren wenst te kopen, deze opvat als een zelfstandige subcategorie van de warencategorie waarvoor het betrokken merk is ingeschreven (zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 53).
99 Derhalve stond het aan de kamer van beroep om hoofdzakelijk voor de waren of diensten waarvoor de houder van een merk het gebruik van dit merk heeft aangetoond, concreet na te gaan of deze een zelfstandige subcategorie vormen ten aanzien van de waren en diensten van de betrokken waren- of dienstenklasse, op een zodanige wijze dat de waren of diensten waarvoor het normale gebruik van het merk is aangetoond, worden vergeleken met de categorie van waren of diensten waarop de inschrijving van dit merk betrekking heeft (zie in die zin en naar analogie arrest van 22 oktober 2020, Ferrari,C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
100 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep een dergelijk onderzoek echter niet verricht. Zij heeft namelijk niet vastgesteld dat die onderdelen en accessoires een zelfstandige subcategorie vormden ten aanzien van auto’s, zodat het bewijs van het gebruik van die onderdelen en accessoires niet relevant zou zijn voor auto’s.
101 De kamer van beroep heeft zich om te beginnen beperkt tot de vaststelling dat er een onevenredigheid bestaat tussen de economische waarde van onderdelen en accessoires en die van auto’s. In navolging van verzoekster moet echter worden vastgesteld dat de kamer van beroep, door zich te baseren op de economische waarde van onderdelen en accessoires, is voorbijgegaan aan de vaste rechtspraak volgens welke, aangezien de consument in de eerste plaats een waar of een dienst zoekt die aan zijn specifieke behoeften kan voldoen, de doelstelling of bestemming van de betrokken waar of dienst een essentiële rol speelt bij het maken van een keuze. Daar de consument het criterium van doelstelling of bestemming hanteert vóór enige aankoop, is het een doorslaggevend criterium bij de afbakening van een subcategorie van waren of diensten [arresten van 13 februari 2007, Mundipharma/BHIM – Altana Pharma (RESPICUR), T‑256/04, EU:T:2007:46, punt 29; 16 mei 2013, Aleris/BHIM – Carefusion 303 (ALARIS), T‑353/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:257, punt 22, en 24 januari 2024, Agus/EIPO – Alpen Food Group (ROYAL MILK), T‑603/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:29, punt 32].
102 Voorts heeft de kamer van beroep opgemerkt dat het relevante publiek er niet van uit zou gaan dat de fabrikant van onderdelen en accessoires de technische capaciteit heeft om auto’s te vervaardigen, aangezien het algemeen bekend is dat autofabrikanten niet alle onderdelen en accessoires voor hun auto’s produceren. Hoewel het waar is dat niet alle onderdelen en accessoires normaliter door de autofabrikanten zelf worden geproduceerd en dat, omgekeerd, de fabrikanten van dergelijke onderdelen en accessoires niet noodzakelijkerwijs auto’s produceren, is het evenzeer algemeen bekend dat een bepaald aantal onderdelen en accessoires wel degelijk wordt geproduceerd door de autofabrikanten zelf, of door derden onder licentie. Bijgevolg is er geen algemene regel volgens welke het relevante publiek noodzakelijkerwijs ervan uitgaat dat auto’s afkomstig zijn van andere fabrikanten dan die welke de onderdelen en accessoires voor die auto’s produceren.
103 Gelet op het voorgaande geeft de bestreden beslissing ook blijk van onjuiste opvattingen met betrekking tot de relevantie van de bewijzen betreffende onderdelen en accessoires om het gebruik van het litigieuze merk voor auto’s aan te tonen. Deze onjuiste opvattingen komen bovenop de in punt 60 hierboven genoemde onjuiste opvatting.
104 Uit het voorgaande volgt dat het vierde middel moet worden toegewezen.
105 Gelet op het voorgaande en anders dan het EUIPO betoogt, hebben de in de punten 72 en 78 hierboven uiteengezette motiveringsgebreken gevolgen voor de beslechting van het geding. Hieruit volgt namelijk dat de bestreden beslissing gebrekkig is, zowel wegens een ontoereikende motivering, wat de ontvankelijkheid van de bewijzen betreffende onderdelen en accessoires betreft, als wegens onjuiste opvattingen, wat het onderzoek ten gronde ervan betreft, zodat zij ook op dit punt alleen maar vernietigd kan worden.
106 Derhalve moet de bestreden beslissing in haar geheel worden vernietigd, zonder dat het eerste middel behoeft te worden onderzocht.
Kosten
107 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het EUIPO en interveniënt in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.
108 Bovendien heeft verzoekster geconcludeerd tot verwijzing van het EUIPO en interveniënt in de kosten die zij in de procedure voor de kamer van beroep heeft gemaakt. In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering enkel de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten als invorderbare kosten worden aangemerkt. Bijgevolg dienen het EUIPO en interveniënt tevens te worden verwezen in de door verzoekster in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 29 augustus 2023 (gevoegde zaken R 334/2017‑5 en R 343/2017‑5) wordt vernietigd.
2) Het EUIPO en Kurt Hesse dragen naast hun eigen kosten ook die van Ferrari SpA, daaronder begrepen de in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten.
Kornezov De Baere Petrlík Kecsmár Kingston Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 juli 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 9 maart 2023, C-682/20, ECLI:EU:C:2023:170
- Gerecht EU 11 januari 2023, T-346/21, ECLI:EU:T:2023:2
- Gerecht EU 8 juni 2022, T-293/21, ECLI:EU:T:2022:345
- HvJ EU 22 oktober 2020, C-720/18, ECLI:EU:C:2020:854
- Gerecht EU 23 september 2020, T-796/16, ECLI:EU:T:2020:439
- HvJ EU 3 juli 2019, C-668/17, ECLI:EU:C:2019:557
- HvJ EU 6 juni 2019, C-223/18, ECLI:EU:C:2019:471
- HvJ EU 28 februari 2018, C-418/16, ECLI:EU:C:2018:128
- HvJ EU 24 januari 2018, C-634/16, ECLI:EU:C:2018:30
- HvJ EU 11 december 2012, C-610/10, ECLI:EU:C:2012:781
- Gerecht EU 17 februari 2011, T-324/09, ECLI:EU:T:2011:47
- Gerecht EU 13 januari 2011, T-28/09, ECLI:EU:T:2011:7
- HvJ EU 2 december 2009, C-89/08, ECLI:EU:C:2009:742
- Gerecht EU 23 september 2009, T-409/07, ECLI:EU:T:2009:354
- HvJ EU 13 maart 2007, C-29/05, ECLI:EU:C:2007:162
- Gerecht EU 13 februari 2007, T-256/04, ECLI:EU:T:2007:46
- Gerecht EU 8 juli 2004, T-203/02, ECLI:EU:T:2004:225
- HvJ EU 11 maart 2003, C-40/01, ECLI:EU:C:2003:145