Gerecht EU 11 juni 2025, T-368/24, ECLI:EU:T:2025:583

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

11 juni 2025 ( *1 )

„Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Artikel 2, onder c), RAP – Beëindiging van de overeenkomst – Artikel 47, onder c), i), RAP – Verbreking van de vertrouwensband – Motiveringsplicht – Artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut – Misbruik van bevoegdheid of van procedure – Vermoeden van onschuld – Recht om te worden gehoord – Kennelijk onjuiste beoordeling – Evenredigheidsbeginsel – Zorgplicht – Aansprakelijkheid – Materiële en morele schade”

In zaak T‑368/24,

EO, vertegenwoordigd door L. Levi en P. Baudoux, advocaten,

verzoeker,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door S. Seyr, I. Lázaro Betancor en K. Zejdová als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, C. Mac Eochaidh en M. Stancu, rechters,

griffier: A. Marghelis, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 4 maart 2025,

het navolgende

Arrest

1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, EO, ten eerste nietigverklaring van het besluit van 15 september 2023 waarbij het Europees Parlement zijn overeenkomst als tijdelijk functionaris heeft beëindigd (hierna: „bestreden besluit”) en ten tweede vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij als gevolg van dat besluit stelt te hebben geleden.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoeker is een gewezen tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder c), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) en was tewerkgesteld bij de fractie van de Progressieve Alliantie van Socialisten en Democraten bij het Europees Parlement (hierna: „S&D‑fractie”).

3 In de uitoefening van zijn taken als politiek adviseur van de S&D-fractie was hij met name betrokken bij de uitwerking van de resolutie van het Europees Parlement van 24 november 2022 over de situatie van de mensenrechten in Qatar in het kader van het FIFA-wereldkampioenschap voetbal (PB 2023, C 167, blz. 99; hierna: „resolutie van 24 november 2022”).

4 Enkele dagen na de vaststelling van de resolutie van 24 november 2022 heeft een geaccrediteerde parlementaire medewerker van een Europarlementslid van de S&D-fractie verzoeker de mogelijkheid geboden om een match van het wereldkampioenschap voetbal in Qatar bij te wonen. Dit geschenk bestond uit twee kaartjes voor de kwartfinale tussen Argentinië en Nederland en reis‑ en verblijfkosten voor twee personen.

5 Verzoeker is van 8 tot en met 11 december 2022 met zijn partner naar Qatar gereisd.

6 Op 9 december 2022 hebben de Belgische autoriteiten een onderzoek ingesteld naar mogelijke illegale lobbyactiviteiten door Qatar. Zij hebben met name huiszoekingen verricht in de kantoren van het Parlement en hebben verschillende personen aangehouden, waaronder de in punt 4 hierboven bedoelde geaccrediteerde parlementaire medewerker.

7 Op 16 december 2022 heeft verzoeker het hoofd van zijn eenheid op de hoogte gebracht van zijn verblijf in Qatar. Samen hebben zij de secretaris-generaal van de S&D‑fractie op de hoogte gebracht.

8 Na verzoeker te hebben gehoord, heeft de voorzitter van de S&D‑fractie, in haar hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”), verzoeker op 20 december 2022 krachtens de artikelen 23 en 24 van bijlage IX bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) voor onbepaalde tijd geschorst met inhouding op zijn salaris.

9 Op dezelfde dag heeft het bureau van de S&D‑fractie een persbericht gepubliceerd met de titel „Nultolerantie voor corruptie”. Daarin werd gemeld dat het „volledig achter de schorsing van [zijn] personeelslid ten gevolge van een ernstige fout in verband met het lopende gerechtelijk onderzoek staat” (hierna: „persbericht van 20 december 2022”).

10 Op 4 januari 2023 heeft het TAOBG aan verzoeker meegedeeld dat er jegens hem een administratief onderzoek was ingesteld naar een eventuele niet-nakoming van de in artikel 11 van het Statuut neergelegde verplichtingen.

11 Op 30 januari 2023 is het verslag van het administratief onderzoek aan het TAOBG en de secretaris-generaal van S&D‑fractie toegezonden met de aanbeveling om verzoeker overeenkomstig artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut uit te nodigen voor een hoorzitting.

12 Op 6 maart 2023 is verzoeker overeenkomstig artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut door het TAOBG gehoord in aanwezigheid van de secretaris-generaal van de S&D‑fractie, een lid van de juridische dienst van het Parlement en de personeelsleden die het verslag van het administratief onderzoek hadden opgesteld.

13 Op 31 mei 2023 heeft het TAOBG verzoeker in kennis gesteld van het voornemen om zijn overeenkomst op grond van artikel 47, onder c), i), RAP te beëindigen en hem gedurende zijn opzeggingstermijn van tien maanden vrij te stellen van de dienst. Als reden werd aangevoerd dat de vertrouwensband tussen hem en de S&D‑fractie was verbroken. Hij werd uitgenodigd voor een gesprek op 7 juni daaropvolgend om hem voorafgaand aan de vaststelling van een besluit te horen. Indien verzoeker niet aan dit onderhoud wenste deel te nemen, werd hij verzocht zijn opmerkingen schriftelijk in te dienen.

14 Op 2 juni 2023 heeft verzoekers advocaat om uitstel van dit gesprek verzocht omdat zij op de voorgestelde datum niet beschikbaar was. Zij heeft het TAOBG tevens verzocht om haar alle documenten te bezorgen waarop het voornemen om verzoekers overeenkomst te beëindigen berustte.

15 Op 15 juni 2023 werd verzoeker uitgenodigd voor een gesprek dat op 29 juni daaropvolgend zou plaatsvinden. De volgende dag heeft verzoekers advocaat geantwoord dat zij die dag niet beschikbaar was. Zij heeft gevraagd om dat gesprek uit te stellen en heeft het TAOBG opnieuw verzocht om haar alle documenten te bezorgen waarop het voornemen om verzoekers overeenkomst te beëindigen berustte.

16 Op 10 juli 2023 heeft het TAOBG nader uiteengezet op welke feiten zijn voornemen om verzoekers overeenkomst te beëindigen berustte, en heeft het hem uitgenodigd voor een gesprek dat op 18 juli daaropvolgend was gepland. Indien hij op die datum niet beschikbaar zou zijn, werd hem verzocht uiterlijk op 24 juli daaropvolgend zijn schriftelijke opmerkingen in te dienen.

17 Op 13 juli 2023 heeft verzoekers advocaat geantwoord dat zij op 18 juli daaropvolgend niet beschikbaar was. Zij gaf aan dat verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen uiterlijk op 24 juli daaropvolgend zou indienen, maar heeft tegelijkertijd voorgesteld om het gesprek uit te stellen tot na haar terugkeer uit verlof. Zij heeft opnieuw het verzoek herhaald om toegang te krijgen tot de documenten waarop het voornemen van het TAOBG om de overeenkomst van verzoeker te beëindigen, berustte.

18 Op 20 juli 2023 heeft verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen op het voornemen van het TAOBG om zijn overeenkomst te beëindigen ingediend.

19 Op 7 september 2023 heeft het TAOBG de schorsing van verzoeker opgeheven en hem meegedeeld dat er, gelet op een lopend strafrechtelijk onderzoek, de globale complexiteit van de zaak en de verplichting om alle relevante dossiergegevens in aanmerking te nemen, nog geen besluit was genomen krachtens artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut.

20 Op 15 september 2023 heeft het TAOBG het bestreden besluit vastgesteld op grond van artikel 47, onder c), i), RAP omdat de vertrouwensband tussen de S&D‑fractie en verzoeker was verbroken.

21 Op 8 december 2023 heeft verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het bestreden besluit.

22 Op 15 maart 2024 heeft het TAOBG in een brief betreffende de „[o]pvolging van het administratief onderzoek en het verhoor van maart 2023” en de „[i]ntentie om een terechtwijzing te geven op grond van artikel 3, lid 1, onder b), van bijlage IX bij het Statuut” verzoeker meegedeeld dat het uiteindelijk had besloten om de vaststelling van een besluit op grond van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut op te schorten en dat het pas een definitief besluit zou nemen nadat de beslissing van de nationale rechter bij wie de zaak aanhangig was gemaakt definitief was geworden, om zo rekening te kunnen houden met de feitelijke vaststellingen van de Belgische autoriteiten.

23 Bij gebreke van een antwoord op de klacht van 8 december 2023 binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van vier maanden, is deze klacht eerst stilzwijgend afgewezen op 8 april 2024. Bij besluit van 17 april daaropvolgend heeft het bureau van de S&D‑fractie deze klacht echter uitdrukkelijk afgewezen binnen de in artikel 91, lid 3, tweede streepje, van het Statuut bedoelde termijn van drie maanden.

Conclusies van partijen

24 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit en, voor zover nodig, het besluit tot expliciete afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – het Parlement te veroordelen tot vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade; – het Parlement te verwijzen in de kosten, ook als het beroep zou worden verworpen.

25 Het Parlement verzoekt het Gerecht: – de vordering tot nietigverklaring ongegrond te verklaren; – de schadevordering af te wijzen, op grond dat deze niet-ontvankelijk en in elk geval ongegrond is; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

Vordering tot nietigverklaring

26 Aangezien het expliciete besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud heeft, omdat het slechts het bestreden besluit bevestigt, moet worden geoordeeld dat de onderhavige vordering tot nietigverklaring enkel strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit, waarvan de wettigheid zal worden beoordeeld aan de hand van de motivering in dat besluit tot afwijzing van de klacht (zie in die zin arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 6 juli 2022, MZ/Commissie, T‑631/20, EU:T:2022:426, punt 21).

Vijfde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

27 Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit niet is gemotiveerd, aangezien het TAOBG niet heeft uitgelegd waarom het heeft besloten zijn overeenkomst op dat moment te beëindigen, noch waarom het geen minder strenge sanctie heeft opgelegd. Het heeft evenmin gerechtvaardigd waarom het heeft geweigerd om toegang te verlenen tot alle documenten die voor de vaststelling van het bestreden besluit zijn gebruikt.

28 Het Parlement betwist dat betoog.

29 Wat dat betreft staat het – wanneer de verbreking van de vertrouwensband heeft geresulteerd in de beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris – aan het TAOBG om nauwkeurig te beschrijven welke feitelijke omstandigheden op die verbreking wijzen of deze rechtvaardigen, opdat de betrokkene kan beoordelen of de beëindiging van zijn overeenkomst gegrond is en het Gerecht zijn wettigheidstoets kan verrichten (zie in die zin arrest van 7 november 2019, WN/Parlement, T‑431/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:781, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30 In casu blijkt uit het bestreden besluit dat het TAOBG, nadat het had vastgesteld dat de vertrouwensband tussen verzoeker en de volledige S&D‑fractie onherstelbaar was verbroken, de overeenkomst van verzoeker met inachtneming van de opzeggingstermijn heeft beëindigd. Volgens het TAOBG is deze verbreking van de vertrouwensband toe te schrijven aan het gedrag van verzoeker, omdat hij het in punt 4 hierboven bedoelde geschenk heeft aanvaard en naar Qatar is gereisd. Gelet op het onderzoek van de Belgische autoriteiten naar eventuele illegale lobbyactiviteiten door Qatar is dit een gedraging die de reputatie van deze politieke fractie heeft geschaad.

31 In het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van de klacht heeft het bureau van de S&D‑fractie daaraan toegevoegd dat de vertrouwensband ook was verbroken omdat verzoeker zijn hiërarchische meerderen te laat had geïnformeerd over zijn reis naar Qatar, namelijk pas een week na de publicatie van persartikelen over het onderzoek door de Belgische autoriteiten en de aanhouding van de geaccrediteerde parlementaire medewerker die hem de tickets voor de betrokken voetbalwedstrijd had aangeboden en die de reis‑ en verblijfkosten had betaald.

32 Aldus heeft het TAOBG rechtens genoegzaam de feitelijke omstandigheden omschreven die de verbreking van de vertrouwensband – die resulteerde in de beëindiging van verzoekers overeenkomst – rechtvaardigden. De motivering van het bestreden besluit volstaat dus om verzoeker in staat te stellen om kennis te nemen van de door het TAOBG aangevoerde rechtvaardigingsgronden voor de beëindiging van zijn overeenkomst op dat moment en om te begrijpen waarom geen minder strenge sanctie is opgelegd.

33 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de stelling dat het TAOBG zijn weigering om toegang te verlenen tot de documenten waarop het zich voor de vaststelling van het bestreden besluit heeft gebaseerd, niet heeft gerechtvaardigd.

34 De verplichting tot motivering van een besluit tot beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd vereist immers enkel dat het TAOBG de redenen uiteenzet die dat besluit rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, EU:T:2009:313, punt 156), hetgeen het in casu heeft gedaan. Voor zover al is aangetoond dat het TAOBG zijn weigering om toegang te verlenen tot alle relevante documenten niet heeft gerechtvaardigd, doet die omstandigheid geen afbreuk aan de toereikendheid van de motivering van het bestreden besluit.

35 Het vijfde middel inzake schending van de motiveringsplicht moet derhalve worden afgewezen.

Eerste middel: schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut en misbruik van bevoegdheid of van procedure

36 Verzoeker betoogt dat het TAOBG artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut heeft geschonden en bijgevolg zijn bevoegdheid of de procedure heeft misbruikt door het bestreden besluit vast te stellen. In dit verband voert hij aan dat artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut zijn nuttig effect zou verliezen indien de administratie zijn overeenkomst zou kunnen beëindigen zonder gevolg te geven aan de resultaten van het tegen hem ingestelde administratieve onderzoek en aan het in dat artikel bedoelde verhoor voor het TAOBG. Bij gebreke van een besluit van het TAOBG op grond van dat artikel, lijkt het bestreden besluit dus op een verkapte tuchtmaatregel.

37 Het Parlement betwist dat betoog.

38 In casu heeft het TAOBG ervoor gekozen om verzoekers overeenkomst met inachtneming van een opzeggingstermijn te beëindigen op grond van artikel 47, onder c), i), RAP, in plaats van artikel 49 RAP toe te passen dat bepaalt dat de overeenkomst na voltooiing van de tuchtprocedure van bijlage IX bij het Statuut, om redenen van tuchtrechtelijke aard zonder opzeggingstermijn kan worden beëindigd indien de functionaris ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen. Bovendien heeft het TAOBG verzoeker in het bestreden besluit niet verweten dat hij de krachtens artikel 11 van het Statuut op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen.

39 In dit verband kan het betoog dat verzoeker ter ondersteuning van het eerste middel aanvoert alleen slagen als het TAOBG eerst krachtens artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut een besluit had moeten nemen alvorens te onderzoeken of de overeenkomst van verzoeker op grond van artikel 47 RAP kon worden beëindigd.

40 De Unierechter heeft echter herhaaldelijk geoordeeld dat het TAOBG niet verplicht is om een tuchtprocedure tegen een tijdelijk functionaris in te leiden in plaats van gebruik te maken van de mogelijkheid van eenzijdige beëindiging van de overeenkomst als bedoeld in artikel 47, onder c), i) RAP, zelfs niet in geval van fouten die het ontslag van die functionaris kunnen rechtvaardigen om redenen van tuchtrechtelijke aard (zie in die zin arresten van 7 juli 2011, Longinidis/Cedefop, T‑283/08 P, EU:T:2011:338, punt 100, en 8 mei 2024, UF/Commissie, T‑24/23, EU:T:2024:293, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Het is juist dat het TAOBG, na ontvangst van het verslag dat is opgesteld na afloop van een onderzoek op grond van artikel 2 van bijlage IX bij het Statuut, een van de drie in artikel 3 van die bijlage beschreven maatregelen moet nemen (zie in die zin arrest van 12 december 2024, DD/FRA, C‑587/21 P, EU:C:2024:1017, punt 40). In casu blijkt uit de in de punten 19 en 22 hierboven bedoelde brieven van het TAOBG van 7 september 2023 en 15 maart 2024 dat het wel degelijk voornemens is om overeenkomstig artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut gevolg te geven aan het onderzoeksverslag zodra de feitelijke vaststellingen van de Belgische autoriteiten definitief zijn geworden.

42 De noodzaak van een op grond van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut te nemen besluit verbiedt het TAOBG echter niet om de overeenkomst voor onbepaalde tijd van de betrokkene overeenkomstig artikel 47, onder c), i), RAP met inachtneming van de opzeggingstermijn te beëindigen, wanneer het vaststelt dat de hem ter kennis gebrachte gegevens wijzen op een verbreking van de vertrouwensband die in de weg staat aan de voortzetting van de arbeidsverhouding, en dit los van de vraag of deze gegevens er ook kunnen op wijzen dat de betrokkene zijn statutaire verplichtingen niet is nagekomen.

43 Het feit dat de overeenkomst van verzoeker is beëindigd op grond van artikel 47, onder c), i), RAP vormt dus geen schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut.

44 Bovendien heeft verzoeker op de terechtzitting toegegeven dat het dossier waarover het Gerecht beschikt geen objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bevat waaruit blijkt dat het bestreden besluit uitsluitend of althans overwegend is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan die welke zijn aangevoerd, zodat geen misbruik van bevoegdheid of van procedure kan worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 25 januari 2023, NS/Parlement, T‑805/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:22, punt 119 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45 Anders dan verzoeker stelt, ontneemt deze conclusie de nuttige werking van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut niet.

46 De beëindiging van de overeenkomst van de betrokkene belet het TAOBG immers niet om te kiezen tussen de drie in artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut genoemde opties – een keuze die het uiterlijk moet maken wanneer de feitelijke vaststellingen van de Belgische autoriteiten definitief zijn geworden.

47 Indien het TAOBG van mening is dat de aan verzoeker verweten feiten voldoende ernstig zijn om de inleiding van een tuchtprocedure te rechtvaardigen, met of zonder raadpleging van de tuchtraad, overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder c), van bijlage IX bij het Statuut, heeft de beëindiging van zijn overeenkomst vóór een eventuele inleiding van een tuchtprocedure hooguit tot gevolg dat de keuze van de sanctie die het TAOBG hem in voorkomend geval kan opleggen, wordt beperkt (zie in die zin arrest van 26 april 2017, OU/CommissieT‑569/16, EU:T:2017:285, punt 35).

48 Gelet op het voorgaande moet het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut en aan misbruik van bevoegdheid of van procedure, worden afgewezen.

Vierde middel: schending van de rechten van de verdediging

49 Het betoog van verzoeker bestaat in wezen uit twee onderdelen. Hij verwijt het Parlement ten eerste dat het zijn vermoeden van onschuld heeft geschonden en ten tweede dat het hem niet heeft gehoord vóór de vaststelling van het bestreden besluit.

– Eerste onderdeel van het vierde middel: schending van het recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld

50 Verzoeker betoogt dat de beëindiging van zijn overeenkomst, het persbericht van 20 december 2022 en de verwijdering van zijn profiel uit het op internet gepubliceerde organisatieschema van de S&D‑fractie zijn vermoeden van onschuld schenden.

51 Het Parlement betwist dat betoog.

52 Wat om te beginnen de onrechtmatigheid betreft van de publicatie van het persbericht van 20 december 2022 en de verwijdering van het profiel van verzoeker uit het organisatieschema op de website van de S&D‑fractie, volstaat het op te merken dat deze handelingen niet tot doel hebben de beëindiging van zijn overeenkomst voor te bereiden en dus als zodanig geen verband houden met het voorwerp van dit beroep. Gesteld dat deze handelingen onrechtmatig zijn, kan dat dus niet leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.

53 Dat argument is dus irrelevant.

54 Wat betreft de vraag of het bestreden besluit inbreuk maakt op het vermoeden van onschuld van verzoeker, zij eraan herinnerd dat het vermoeden van onschuld kan worden geschonden door uitlatingen of beslissingen van de overheidsinstanties die de opvatting weerspiegelen dat de betrokkene schuldig is, het publiek in de schuld van de betrokkene doen geloven of vooruitlopen op de strafrechtelijke beoordeling van de feiten (zie in die zin arrest van 9 juni 2021, DI/ECB, T‑514/19, EU:T:2021:332, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals verzoeker in zijn verzoekschrift in herinnering brengt, heeft de rechtspraak in dit verband de aandacht gevestigd op het belang van de keuze van de bewoordingen die de overheidsinstanties hanteren. In dit verband is het van belang rekening te houden met de werkelijke betekenis van de betrokken uitlatingen, en niet met de letterlijke tekst ervan, alsmede met de specifieke omstandigheden waarin de betrokken uitlatingen zijn gedaan (zie arrest van 30 november 2022, KN/Parlement, T‑401/21, EU:T:2022:736, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55 In casu is de beëindiging van verzoekers overeenkomst het gevolg van niet-betwiste feiten die hij zelf ter kennis van het TAOBG heeft gebracht. Bovendien beperkt het bestreden besluit zich tot de vaststelling dat de voor de voortzetting van de arbeidsverhouding noodzakelijke vertrouwensband is verdwenen, zonder zich uit te spreken over de afzonderlijke vraag of verzoeker al dan niet heeft voldaan aan de verplichtingen die krachtens artikel 11 van het Statuut op hem rusten. Dit besluit loopt dus niet vooruit op de uitkomst van een eventuele tuchtprocedure en schendt op zich niet zijn recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld.

56 Voorts moet nog worden nagegaan of de bewoordingen die het TAOBG heeft gebruikt om de beëindiging van de overeenkomst van verzoeker te rechtvaardigen, niet de opvatting weerspiegelen dat hij schuldig is, het publiek niet aanzetten om te geloven dat hij schuldig is of niet vooruitlopen op de strafrechtelijke beoordeling van de feiten.

57 Toen hem ter terechtzitting werd gevraagd welke bewoordingen in het bestreden besluit volgens hem zijn vermoeden van onschuld schonden, beperkte verzoeker zich ertoe te verwijzen naar een paragraaf van het bestreden besluit, waarin melding wordt gemaakt van het persbericht van 20 december 2022, en naar de bewoordingen in dat persbericht, waarin staat dat een personeelslid van die fractie is geschorst „wegens een ernstige fout in verband met het lopende gerechtelijk onderzoek”.

58 In deze passage van het bestreden besluit vermeldt het TAOBG echter uitsluitend het persbericht van 20 december 2022 in de samenvatting van de argumenten waarop verzoeker zich in zijn in punt 18 hierboven genoemde schriftelijke opmerkingen van 20 juli 2023 had beroepen. Bovendien heeft het TAOBG de bewoordingen die het bureau van de S&D‑fractie in dat persbericht heeft gebruikt, niet overgenomen.

59 Uit deze passage van het bestreden besluit blijkt dus niet dat het vermoeden van onschuld van verzoeker is geschonden.

60 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel, ontleend aan schending van het recht op eerbiediging van het vermoeden van onschuld, worden afgewezen.

– Tweede onderdeel van het vierde middel: schending van het recht om te worden gehoord

61 Verzoeker betoogt ten eerste dat het TAOBG zijn recht om te worden gehoord heeft geschonden door, ondanks zijn herhaalde verzoeken, te weigeren hem de relevante documenten te bezorgen waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Ten tweede heeft het TAOBG hem het recht geweigerd om tijdens een onderhoud te worden gehoord. Ten derde beschikte hij niet over voldoende tijd om zijn schriftelijke opmerkingen voor te bereiden, gelet op het feit dat hij uitsluitend tussen 11 en 17 juli 2023 toegang heeft gehad tot zijn e-mails en dat hij op 14 juli 2023 de hele dag problemen had om toegang te krijgen tot zijn e‑mails.

62 Het Parlement betwist dat betoog.

63 Ten eerste kan het betoog van verzoeker dat het TAOBG heeft geweigerd om hem alle stukken ter onderbouwing van het bestreden besluit te bezorgen, niet worden aanvaard.

64 Om te beginnen heeft het TAOBG verzoeker in de brief van 31 mei 2023 immers laten weten dat het van plan was de overeenkomst van verzoeker te beëindigen op basis van de informatie die deze zelf op 16 december 2022 aan de S&D‑fractie had verstrekt. Vervolgens heeft het TAOBG in de brief van 10 juli 2023, in antwoord op het verzoek van verzoeker om toegang te krijgen tot alle relevante documenten, bevestigd dat het voornemen om hem te ontslaan was gebaseerd op de feiten die op 16 december 2022 aan de secretaris-generaal van de S&D‑fractie waren meegedeeld. Tot slot heeft het TAOBG ter onderbouwing van de reputatieschade van de S&D‑fractie bij die brief artikelen gevoegd die in de Italiaanse pers zijn verschenen en waarin verzoeker nadrukkelijk werd genoemd als een van de personen die betrokken zouden zijn bij de activiteiten waarnaar de Belgische autoriteiten een onderzoek voeren.

65 In het bestreden besluit heeft het TAOBG echter bevestigd dat de overeenkomst van verzoeker is beëindigd, enkel en alleen omdat het niet langer mogelijk was om het wederzijdse vertrouwen te handhaven, gelet op de feiten die verzoeker niet heeft betwist en op de reputatieschade voor de S&D‑fractie.

66 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat verzoeker over alle relevante gegevens beschikte om zijn opmerkingen op het voornemen van het TAOBG om zijn overeenkomst te beëindigen, naar behoren kenbaar te maken.

67 Ten tweede vormt het feit dat verzoeker vóór de vaststelling van het bestreden besluit niet mondeling is gehoord, geen schending van zijn recht om te worden gehoord.

68 Uit de rechtspraak volgt immers dat de uitoefening van het recht om te worden gehoord kan plaatsvinden in het kader van een mondelinge en/of schriftelijke uitwisseling van standpunten die is geïnitieerd door het TAOBG en dat die autoriteit het bewijs daarvan moet leveren (zie in die zin arresten van 30 november 2023, MG/EIB, C‑173/22 P, EU:C:2023:932, punt 32, en 3 juni 2015, BP/FRA, T‑658/13 P, EU:T:2015:356, punt 54).

69 In casu heeft het TAOBG verzoeker verzocht om schriftelijke opmerkingen in te dienen voor het geval hij niet aan een onderhoud zou kunnen deelnemen, en op 20 juli 2023 heeft verzoeker zijn schriftelijke opmerkingen over het ontwerp van het bestreden besluit ingediend. Bijgevolg kan hij het TAOBG niet verwijten dat het dit besluit heeft vastgesteld zonder hem vooraf te hebben gehoord.

70 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door artikel 19, lid 2, van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende vergelijkende onderzoeken en selectieprocedures, de aanwerving en de indeling van ambtenaren en andere personeelsleden van het Parlement, dat vereist dat het TAOBG de betrokkene vóór de beëindiging van zijn overeenkomst uitnodigt voor een gesprek.

71 Het TAOBG heeft verzoeker immers wel degelijk uitgenodigd voor een gesprek voorafgaand aan zijn ontslag, en dat driemaal: op 31 mei, 15 juni en 10 juli 2023. Verzoeker heeft deze uitnodigingen echter afgeslagen, omdat zijn advocaat niet beschikbaar was.

72 Bijgevolg kan het ontbreken van een mondelinge uitwisseling om redenen die niet aan de administratie kunnen worden toegerekend, niet leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.

73 Ten derde beschikte verzoeker, in tegenstelling tot wat hij stelt, over voldoende tijd om zijn opmerkingen vóór de vaststelling van het bestreden besluit naar behoren kenbaar te maken.

74 Tussen 31 mei 2023 (de datum waarop het TAOBG hem in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zijn overeenkomst te beëindigen) en 15 september 2023 (de datum waarop het bestreden besluit is vastgesteld) heeft het TAOBG verzoeker immers gehoord in het kader van een door het TAOBG geïnitieerde schriftelijke uitwisseling. Voorts beschikte hij in die periode over voldoende tijd om zijn opmerkingen over het ontwerp van het ontslagbesluit in te dienen en zijn verweer voor te bereiden. Deze termijn lijkt des te meer toereikend omdat de omstandigheden die aan de beëindiging van de overeenkomst ten grondslag liggen, feiten zijn die verzoeker tot in detail kende, aangezien hij deze zelf aan zijn hiërarchische meerderen had gemeld.

75 Deze vaststelling wordt niet ontkracht door het feit dat hij uitsluitend tussen 11 en 17 juli 2023 toegang tot zijn e‑mailaccount had en op 14 juli 2023 de hele dag met verbindingsproblemen kampte.

76 De periode van zes dagen gedurende welke verzoeker toegang tot zijn e-mails had, kan immers niet als kort worden aangemerkt. Bovendien voert hij niet aan dat hij om een verlenging van zijn toegang heeft verzocht, noch dat het Parlement een dergelijk verzoek heeft afgewezen.

77 Het was hoe dan ook aan verzoeker om uit te leggen welke argumenten en gegevens hij had kunnen aanvoeren als hij over meer tijd had beschikt, en om, zo nodig, aan te tonen dat deze argumenten en gegevens tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden [zie in die zin arrest van 3 juli 2019, PT/EIB, T‑573/16, EU:T:2019:481, punt 269 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak], hetgeen hij niet heeft gedaan.

78 Het tweede onderdeel van het vierde middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, moet dus worden afgewezen. Bijgevolg moet het vierde middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, in zijn geheel worden afgewezen.

Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten

79 Verzoeker betoogt dat het bestreden besluit op kennelijk onjuiste gronden is gebaseerd. Om te beginnen heeft het TAOBG zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat verzoeker een geschenk van iemand van buiten het Parlement heeft aanvaard. Dit geschenk kwam namelijk van zijn collega en hij kon niet redelijkerwijs weten dat die collega corrupt was. Het feit dat iemand twee kaartjes voor een voetbalwedstrijd heeft ontvangen, kan door het publiek niet worden opgevat als een belangenconflict of een gebrek aan onafhankelijkheid. Voorts is er geen reden om aan te nemen dat de door zijn collega aangeboden reis naar Qatar bedoeld was als beloning voor zijn werkzaamheden in het Parlement, met name omdat hij geen invloed kon uitoefenen op het besluitvormingsproces. Integendeel, bij het opstellen van de ontwerpresolutie over de mensenrechtensituatie in Qatar in de context van het wereldkampioenschap voetbal heeft verzoeker een aantal punten van kritiek in dit verband geuit. Ten slotte is er een tegenstrijdigheid tussen het bestreden besluit – dat volgens het TAOBG is gebaseerd op vaststaande feiten die aantonen dat de vertrouwensband is verbroken – en de beslissing om de vaststelling van een besluit krachtens artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut op te schorten op grond dat de feiten nog niet afdoende zijn aangetoond.

80 Het Parlement betwist dat betoog.

81 Volgens de rechtspraak berust het bestaan van een vertrouwensband niet op objectieve gegevens en kan een vertrouwensband wegens de aard ervan niet door de rechter worden getoetst, daar het Gerecht zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de administratie. Voor zover een instelling de redenen die aan het verlies van vertrouwen ten grondslag liggen moet verduidelijken door te verwijzen naar nauwkeurig omschreven materiële feiten, moet de rechter echter controleren of deze redenen berusten op materieel juiste feiten (zie in die zin arresten van 27 oktober 2022, CE/Comité van de Regio’s, C‑539/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:840, punt 110, en 8 mei 2024, UF/Commissie, T‑24/23, EU:T:2024:293, punt 58).

82 In casu betwist verzoeker niet dat de feiten waarop het bestreden besluit berust, materieel juist zijn.

83 In dit verband staat vast dat verzoeker enkele dagen na de vaststelling van de resolutie van 24 november 2022 een geschenk van een collega heeft aanvaard – twee toegangskaarten voor een wedstrijd van het wereldkampioenschap voetbal – en dat hij van 8 tot en met 11 december 2022 samen met zijn partner naar Qatar is gereisd om die wedstrijd bij te wonen. Bovendien heeft deze collega de reis‑ en verblijfkosten betaald. Ook staat vast dat verzoeker zijn hiërarchische meerderen pas op 16 december 2022, dat wil zeggen een week nadat het door de Belgische autoriteiten gevoerde onderzoek openbaar was gemaakt, in kennis heeft gesteld van deze reis.

84 Gelet op de taken die verzoeker bij de S&D‑fractie verrichtte, heeft het TAOBG geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door zich op het standpunt te stellen dat zijn gedrag bij het publiek de indruk kon wekken dat hij niet onafhankelijk was ten aanzien van invloeden van buiten de S&D‑fractie, waardoor dat gedrag afbreuk kon doen aan de reputatie van die fractie. In een dergelijke politieke context kan het vertrouwen op goede gronden verloren gaan omdat de reputatie van de fractie waarbij de betrokkene zijn taken verricht, wordt aangetast.

85 Bovendien moet nog worden benadrukt dat bepaalde persartikelen waarin de naam van verzoeker in verband met het „Qatargate”‑schandaal wordt genoemd, zijn gepubliceerd vóór 16 december 2022, dat wil zeggen voordat hij zijn hiërarchische meerderen op de hoogte bracht van zijn verblijf in Qatar en van de omstandigheden van zijn reis naar dat land, zodat het bureau van de S&D‑fractie evenmin een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat de vertrouwensband was aangetast omdat verzoeker zijn hiërarchische meerderen te laat op de hoogte had gebracht van de betrokken feiten.

86 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat verzoeker niet heeft aangetoond dat het TAOBG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door vast te stellen dat de vertrouwensband onherstelbaar was verbroken.

87 Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door verzoekers argumenten.

88 Ten eerste heeft het feit dat het geschenk dat verzoeker heeft aanvaard, niet afkomstig is van een „persoon van buiten” het Parlement, geen invloed op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. In dat besluit wordt hem immers geen schending van artikel 11, eerste alinea, van het Statuut verweten. Hoe dan ook, zelfs al is de geaccrediteerde parlementaire medewerker die verzoeker het litigieuze geschenk heeft aangeboden een personeelslid van het Parlement, dan nog kon verzoeker niet redelijkerwijs aannemen dat het hem aangeboden geschenk afkomstig was van de instelling zelf als werkgever.

89 Ten tweede is ook het feit dat het geschenk dat hij heeft aanvaard niet bedoeld was om hem voor zijn werk te belonen, irrelevant. Het TAOBG heeft zich namelijk evenmin op deze overweging gebaseerd om tot de vaststelling te komen dat de vertrouwensband was verbroken.

90 Ten derde, aangezien de procedure voor beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijk functionaris met inachtneming van een opzeggingstermijn een ander doel heeft dan een tuchtprocedure, is het niet tegenstrijdig om te concluderen dat de feiten waarop het bestreden besluit berust, voldoende vaststaan om de verbreking van de vertrouwensband vast te stellen, en tegelijkertijd te oordelen dat de vaststelling van een besluit op grond van artikel 3 van bijlage IX bij het Statuut moet worden opgeschort teneinde rekening te kunnen houden met de feitelijke vaststellingen van de Belgische autoriteiten alvorens te beslissen welk gevolg moet worden verbonden aan het krachtens artikel 2 van die bijlage ingestelde administratieve onderzoek.

91 Gelet op het voorgaande moet het tweede middel, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten, worden afgewezen.

Derde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel

92 Verzoeker betoogt dat de beëindiging van zijn overeenkomst een onevenredige maatregel is. Hij heeft immers te goeder trouw gehandeld door zijn hiërarchische meerderen spoedig van de feiten op de hoogte te brengen en hij heeft volledig meegewerkt met de Belgische autoriteiten.

93 Het Parlement betwist dat betoog.

94 In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat het TAOBG het recht heeft om de overeenkomst van een tijdelijk functionaris te beëindigen overeenkomstig artikel 47, onder c), i), RAP, wanneer het onderzoek van het gedrag van die functionaris het TAOBG tot het oordeel brengt dat de vertrouwensband die voor de voortzetting van de arbeidsverhouding vereist is, is verbroken [zie in die zin arresten van 29 april 2004, Parlement/Reynolds, C‑111/02 P, EU:C:2004:265, punt 56, en 21 juni 2023, UG/Commissie, T‑571/17 RENV, EU:T:2023:351, punt 384 (niet gepubliceerd)].

95 Aangezien het TAOBG geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt noch zijn bevoegdheid heeft misbruikt door zich op het standpunt te stellen dat de vertrouwensband definitief was verbroken, kon het de overeenkomst van verzoeker beëindigen zonder het evenredigheidsbeginsel te schenden.

96 Het derde middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, moet dus worden afgewezen.

Zesde middel: schending van de zorgplicht

97 Verzoeker betoogt dat het TAOBG geen rekening heeft gehouden met de gevolgen die het bestreden besluit zou hebben voor zijn vooruitzichten op werk, zijn gezondheidstoestand, zijn reputatie en zijn professionele en financiële situatie.

98 Het Parlement betwist dat betoog.

99 Hoewel het belang van een functionaris om in dienst te blijven op zichzelf niet hoeft te verhinderen dat zijn overeenkomst wordt beëindigd, laat dit onverlet dat de zorgplicht van het TAOBG jegens zijn personeel vereist dat het rekening houdt met het persoonlijke belang van de betrokkene (zie in die zin arrest van 10 oktober 2014, EMA/BU, T‑444/13 P, EU:T:2014:865, punten 35 en 36).

100 In dit verband blijkt uit het bestreden besluit dat het TAOBG zelfs verder is gegaan dan de zorgplicht vereist. Het heeft namelijk het door verzoeker in zijn schriftelijke opmerkingen geformuleerde voorstel om een alternatieve oplossing voor de beëindiging van zijn overeenkomst te vinden onderzocht, door na te gaan of een andere functie binnen de S&D‑fractie de vertrouwensband kon herstellen.

101 Dat het TAOBG dit heeft onderzocht, volstaat om aan te tonen dat het rekening heeft gehouden met het persoonlijke belang van verzoeker om in dienst te kunnen blijven. Aldus heeft het TAOBG de betrokken belangen afgewogen die uit de zorgplicht jegens verzoeker voortvloeien

102 Het zesde middel, ontleend aan de schending van de zorgplicht, moet dus worden afgewezen, zodat de vordering tot nietigverklaring in haar geheel moet worden verworpen.

Schadevordering

103 Verzoeker vordert vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden.

104 Het Parlement betwist dat betoog.

105 Aangezien bij het onderzoek van de vordering tot nietigverklaring niet is gebleken dat het TAOBG bij de vaststelling van het bestreden besluit enige onrechtmatigheid heeft begaan, is niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor de aansprakelijkheid van het Parlement, namelijk de onrechtmatigheid van de aan het Parlement verweten gedraging. Bijgevolg moet de schadevordering ongegrond worden verklaard, zonder dat de ontvankelijkheid ervan (zie punt 25 hierboven) of de overige voorwaarden voor aansprakelijkheid van het Parlement – het bestaan van schade en een causaal verband met de verweten onrechtmatigheid – nog hoeven te worden onderzocht.

106 Gelet op het voorgaande moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

107 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Daarenboven kan het Gerecht op grond van artikel 135, lid 2, van het Reglement voor procesvoering een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen voor de andere partij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.

108 In casu is verzoeker in het ongelijk gesteld en heeft hij niet gepreciseerd welke „gedraging” van het Parlement hem zou hebben gedwongen het onderhavige beroep in te stellen. Derhalve dient hij overeenkomstig de vordering van het Parlement te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) EO wordt verwezen in de kosten.

Svenningsen Mac Eochaidh Stancu Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 11 juni 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken