Gerecht EU 30 april 2025, T-202/23, ECLI:EU:T:2025:430
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
30 april 2025 ( *1 )
„Ambtenarenrecht – Ambtenaren – Bevordering – Bevorderingsronde 2022 – Besluit om verzoeker niet naar rang AST 8 te bevorderen – Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Bewijs dat vooruitzicht op bevordering bestaat – Ontvankelijkheid – Artikel 6, lid 2, van het Statuut – Vermenigvuldigingsfactoren – Artikel 45, lid 1, van het Statuut – Vergelijking van verdiensten”
In zaak T‑202/23,
Ville Kivikoski, wonende te Wezembeek-Oppem (België),
Ottavia Maffia, wonende te Brussel (België),
Peter Pristovnik, wonende te Brussel,
vertegenwoordigd door N. de Montigny, advocaat,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en I. Demoulin als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, L. Truchot, H. Kanninen, M. Sampol Pucurull en T. Perišin (rapporteur), rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting van 18 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met hun beroep krachtens artikel 270 VWEU vorderen verzoekers, Ville Kivikoski, Ottavia Maffia en Peter Pristovnik, nietigverklaring van het besluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2022 om hen in het kader van de bevorderingsronde 2022 niet te bevorderen naar rang AST 8 (hierna: „besluit tot niet-bevordering”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekers zijn ambtenaren van de Raad in rang AST 7.
3 Bij mededeling aan het personeel nr. 30/22 heeft het secretariaat-generaal van de Raad op 20 juni 2022 in het kader van de bevorderingsronde 2022 de lijst gepubliceerd van ambtenaren die in aanmerking komen voor bevordering omdat zij, onder meer, op 1 januari 2022 ten minste twee jaar in hun rang in dienst waren, alsmede het aantal beschikbare bevorderingen voor elke functiegroep en elke rang. Op deze lijst stonden de namen van verzoekers vermeld onder de 81 ambtenaren die in aanmerking kwamen voor bevordering naar rang AST 8, en werd aangekondigd dat er 18 mogelijkheden openstonden voor bevordering naar deze rang.
4 Op 13 juli 2022 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag van de Raad bij mededeling aan het personeel nr. 38/22 het besluit tot niet-bevordering vastgesteld door bekendmaking en goedkeuring van de lijst van personeelsleden van de functiegroep AST die door de adviserende bevorderingscommissie waren voorgedragen voor bevordering. De namen van verzoekers stonden niet op deze lijst.
5 Op 12 oktober 2022 hebben verzoekers op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) een klacht ingediend tegen het besluit tot niet-bevordering.
6 Verzoekers hebben in hun klacht in de eerste plaats naar voren gebracht dat het besluit tot niet-bevordering in strijd was met artikel 6, lid 2, van het Statuut, gelezen in samenhang met bijlage I, afdeling B, bij dat Statuut (hierna: „statutaire regels”), aangezien er voor de bevorderingsronde 2022 37 in plaats van 18 bevorderingsmogelijkheden tot rang AST 8 hadden moeten worden opengesteld, en in de tweede plaats dat dit besluit in strijd was met de beginselen van gelijke behandeling, voorzienbaarheid en rechtszekerheid.
7 Op 2 februari 2023 heeft de secretaris-generaal van de Raad de klacht van verzoekers afgewezen (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
8 In het besluit tot afwijzing van de klacht heeft de secretaris-generaal van de Raad zich op het standpunt gesteld dat de klacht van verzoekers niet-ontvankelijk was, omdat zij niet hadden aangetoond dat zij vooruitzicht op bevordering zouden hebben gehad indien het aantal door hen als correct beschouwde plaatsen voor bevordering had opengestaan. Subsidiair stelde de secretaris-generaal dat de in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut vastgestelde percentages (hierna: „vermenigvuldigingsfactoren”) niet hoefden te worden toegepast, omdat de toepassing ervan zou hebben geleid tot een automatische bevordering van ambtenaren in rang AST 7 na twee jaar in die rang, hetgeen in strijd zou zijn met het in artikel 45 van het Statuut neergelegde beginsel van bevordering op basis van verdienste. Ten slotte was de secretaris-generaal van de Raad van mening dat verzoekers niet ongelijk waren behandeld, aangezien zij zich niet in een situatie bevonden die vergelijkbaar was met die van ambtenaren van andere rangen.
Conclusies van partijen
9 Verzoekers verzoeken het Gerecht: – het besluit tot niet-bevordering nietig te verklaren; – voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren; – de Raad te verwijzen in de kosten.
10 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; – verzoekers te verwijzen in de kosten.
In rechte
Voorwerp van het geding
11 Met hun eerste en tweede vordering verzoeken verzoekers om nietigverklaring van het besluit tot niet-bevordering en, voor zover nodig, van het besluit tot afwijzing van de klacht.
12 Aangezien het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van de klacht geen zelfstandige inhoud heeft, in die zin dat het slechts het besluit tot niet-bevordering bevestigt, moet worden geoordeeld dat de onderhavige verzoeken tot nietigverklaring slechts strekken tot nietigverklaring van het besluit tot niet-bevordering, waarvan de rechtmatigheid zal worden onderzocht in het licht van de motivering van het besluit tot afwijzing van de klacht (zie in die zin arresten van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, EU:C:1989:8, punt 8, en 6 juli 2022, MZ/Commissie, T‑631/20, EU:T:2022:426, punt 21).
Ontvankelijkheid van het beroep
13 Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te werpen, stelt de Raad zich in wezen op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is. In dit verband betwist hij weliswaar niet dat het besluit tot niet-bevordering bezwarend is voor verzoekers, maar is hij niettemin, met name op grond van het arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer (T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76), van mening dat zij niet hebben aangetoond dat zij met betrekking tot dit besluit over een procesbelang beschikken. Volgens de Raad was het aan verzoekers om aan te tonen dat, rekening houdend met hun persoonlijke situatie en zonder de gestelde schending van artikel 6, lid 2, van het Statuut, de nietigverklaring van dat besluit voor hen vooruitzicht zou kunnen bieden op bevordering tot rang AST 8.
14 Verzoekers betwisten de argumenten van de Raad en voeren aan dat het beroep ontvankelijk is.
15 Er zij aan herinnerd dat een door een natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring enkel ontvankelijk is indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben en dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (zie arrest van 6 juli 2023, Julien/Raad, C‑285/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:551, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 22 december 2023, TB/Enisa, T‑322/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:877, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Bovendien volgt uit vaste rechtspraak dat een ambtenaar niet bevoegd is om in het belang van de wet of van de instellingen op te treden, en tot staving van een beroep tot nietigverklaring slechts hem persoonlijk betreffende grieven kan aanvoeren (zie beschikking van 8 maart 2007, Strack/Commissie, C‑237/06 P, EU:C:2007:156, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Met name zijn als bezwarende handelingen alleen te beschouwen handelingen die de rechtspositie van de belanghebbenden rechtstreeks en onmiddellijk aantasten, hetgeen niet in abstracto moet worden beoordeeld, maar rekening houdend met de persoonlijke situatie van de verzoeker (zie arrest van 24 april 2009, Sanchez Ferriz e.a./Commissie, T‑492/07 P, EU:T:2009:116, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 In deze context vormt de lijst van bevorderde ambtenaren in de eerste plaats een bundel handelingen van individuele aard die gericht zijn tot de naar de betrokken rang bevorderde ambtenaren. Deze bundel handelingen is echter bezwarend voor de ambtenaren van wie de naam niet op de lijst is geplaatst, aangezien deze een stilzwijgende weigering om hen te bevorderen vormt (zie arrest van 24 april 2009, Sanchez Ferriz e.a./Commissie, T‑492/07 P, EU:T:2009:116, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 In de tweede plaats geldt dat wanneer een ambtenaar zich baseert op een middel dat is ontleend aan de onverenigbaarheid van de in het kader van een bevorderingsronde toegepaste vermenigvuldigingsfactoren met artikel 6, lid 2, van het Statuut, hij zijn belang bij het aanvoeren van dit middel moet aantonen door te bewijzen dat hij, rekening houdend met zijn persoonlijke situatie, in het geval dat het gestelde aantal plaatsen in acht zou zijn genomen, vooruitzicht zou hebben gehad op bevordering (zie in die zin arresten van 24 april 2009, Sanchez Ferriz e.a./Commissie, T‑492/07 P, EU:T:2009:116, punt 34, en 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punten 64‑66).
19 In casu moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat het besluit tot niet-bevordering bezwarend is voor verzoekers, aangezien hun namen niet op de in punt 4 hierboven bedoelde lijst staan en dit besluit dus een stilzwijgende weigering vormt om hen te bevorderen.
20 In de tweede plaats moet, wat betreft het bewijs dat verzoekers belang hebben bij hun beroep op de onverenigbaarheid van de toegepaste vermenigvuldigingsfactoren met artikel 6, lid 2, van het Statuut, eraan worden herinnerd dat ingevolge deze bepaling, onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45 van het Statuut, het aantal vacatures in elke rang van de lijst van het aantal ambten op 1 januari van elk jaar gelijk is aan het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, vermenigvuldigd met de in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut voor die rang vastgestelde percentages, namelijk 25 % voor de rangen AST 5 tot en met AST 8. Deze percentages worden toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar, met ingang van 1 januari 2014.
21 In dit verband verwijst de uitdrukking „ambtenaren in actieve dienst” naar een van de standen bedoeld in artikel 35 van het Statuut. Uit een gecombineerde lezing van deze bepaling en artikel 6, lid 2, van het Statuut volgt dat bij de jaarlijkse vaststelling van het aantal vacatures in elke rang van de lijst alleen rekening moet worden gehouden met de administratieve status van ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, ongeacht of zij in aanmerking komen voor een eventuele bevordering.
22 Volgens verzoekers hadden er, indien de vermenigvuldigingsfactoren waren toegepast, voor bevorderingsronde 2022 dan ook 37 bevorderingsmogelijkheden naar rang AST 8 moeten openstaan in plaats van de 18 die waren aangekondigd in mededeling aan het personeel nr. 30/22.
23 In dit verband voeren verzoekers op basis van de door de secretaris-generaal van de Raad in het besluit tot afwijzing van de klacht aangevoerde elementen met name aan dat zij een diensttijd van ten minste twee jaar in rang AST 7 hadden volbracht en bevredigende beoordelingsrapporten hadden met cijfers die vergelijkbaar waren met die van andere voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren.
24 In dit verband staat vast dat alle ambtenaren die voor bevordering naar rang AST 8 in aanmerking kwamen, waaronder verzoekers, op 1 januari 2022 een diensttijd van ten minste twee jaar in rang AST 7 hadden volbracht, overeenkomstig artikel 45, lid 1, van het Statuut.
25 De secretaris-generaal van de Raad heeft in het besluit tot afwijzing van de klacht weliswaar opgemerkt, zonder dat dit door verzoekers is betwist, dat alle ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen een diensttijd hadden die gelijk was aan of langer was dan die van Pristovnik en dat 49 van hen een diensttijd hadden die gelijk was aan of langer was dan die van Kivikoski en Maffia.
26 Vastgesteld moet echter worden dat een dergelijke omstandigheid niet uitsloot dat verzoekers bij de bevorderingsronde 2022 vooruitzicht hadden op bevordering naar rang AST 8. Een dergelijke diensttijd is immers op zichzelf weliswaar niet voldoende voor een vooruitzicht op bevordering (zie in die zin beschikking van 30 september 2015, Schönberger/Rekenkamer, F‑14/12 RENV, EU:F:2015:112, punt 47), maar sluit dit ook niet uit. Deze vaststelling houdt bovendien rekening met het feit dat de verdubbeling van het aantal mogelijkheden voor bevordering naar rang AST 8 bij toepassing van de vermenigvuldigingsfactoren tegelijkertijd de kansen en bijgevolg ook het vooruitzicht van verzoekers op bevordering tijdens de bevorderingsronde 2022 zou hebben vergroot.
27 Hetzelfde geldt voor het door de secretaris-generaal van de Raad in het besluit tot afwijzing van de klacht aangevoerde feit dat de verzoekers zich niet onderscheidden van de andere ambtenaren die voor bevordering naar rang AST 8 in aanmerking kwamen wat betreft hun beoordeling of de verantwoordelijkheden die zij in het kader van hun functie uitoefenden. Deze omstandigheden wijzen er daarentegen op dat, indien de vermenigvuldigingsfactoren waren toegepast, verzoekers, net als de andere ambtenaren die voor bevordering in aanmerking kwamen, en onder voorbehoud van de in artikel 45, lid 1, van het Statuut bedoelde vergelijkende beoordeling van de verdiensten, vooruitzicht hadden gehad op bevordering in het kader van de bevorderingsronde 2022. Dit geldt te meer nu bij de bevorderingsronde 2022 geen specifieke criteria waren vastgesteld voor bevordering tot rang AST 8, zoals de Raad ter terechtzitting heeft bevestigd.
28 In deze omstandigheden moet worden geconcludeerd dat verzoekers hebben aangetoond dat zij, rekening houdend met hun persoonlijke situatie, in het geval dat het aantal door hen gestelde bevorderingsmogelijkheden naar rang AST 8 in het kader van de bevorderingsronde 2022 in acht zou zijn genomen, vooruitzicht zouden hebben gehad op bevordering. Bijgevolg hebben zij aangetoond dat zij er een belang bij hebben om de onverenigbaarheid van de toegepaste vermenigvuldigingsfactoren met artikel 6, lid 2, van het Statuut in te roepen, en bijgevolg dat zij een procesbelang hebben.
29 Hieruit volgt dat het beroep ontvankelijk is.
Ten gronde
30 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een onjuiste toepassing van de statutaire regels en het tweede aan schending van de beginselen van gelijke behandeling, voorzienbaarheid en rechtszekerheid.
31 Met hun eerste middel voeren verzoekers aan dat volgens de statutaire regels het aantal mogelijkheden voor bevordering naar rang AST 8 voor de bevorderingsronde 2022 gelijk had moeten zijn aan het aantal ambtenaren dat op 1 januari 2021 in rang AST 7 in actieve dienst was, vermenigvuldigd met 0,25 (25 %). In dit verband wijzen verzoekers erop dat op 1 januari 2021 in totaal 145 ambtenaren tot rang AST 7 behoorden en dat bijgevolg in die bevorderingsronde 37 mogelijkheden voor bevordering tot rang AST 8 hadden moeten worden opengesteld.
32 Bovendien voeren verzoekers aan dat de statutaire regels tijdens de bevorderingsrondes voorafgaand aan de ronde van 2022 systematisch niet werden toegepast.
33 De Raad is van mening dat artikel 6, lid 2, van het Statuut moet worden gelezen in samenhang met bijlage I, afdeling B, bij het Statuut en dat de instellingen ervoor moeten zorgen dat het aantal vacatures dat tijdens elke bevorderingsronde wordt opengesteld, op basis van een periode van vijf jaar ongeveer overeenkomt met de in die bijlage vastgestelde vermenigvuldigingsfactoren, die de gemiddelde loopbaan van ambtenaren binnen hun functiegroep weerspiegelen. Deze bepalingen laten de instellingen dus een beoordelingsmarge met betrekking tot de middelen waarover zij beschikken om dit doel te bereiken. Volgens de Raad moet een instelling die aanzienlijke onevenwichtigheden constateert tussen het aantal ambtenaren dat in aanmerking komt voor bevordering in bepaalde rangen, en de gemiddelde wachttijd in die rangen, corrigerende maatregelen nemen om de feitelijke loopbaanontwikkeling van ambtenaren dichter bij de gemiddelde wachttijd te brengen die in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut voor de betrokken rangen is vastgesteld.
34 In dit verband voert de Raad aan dat de uitvoering van artikel 45 van het Statuut zonder de tussen 2017 en 2022 getroffen corrigerende maatregelen in het gedrang zou zijn gekomen, aangezien de adviserende bevorderingscommissies en het tot aanstelling bevoegde gezag, zodra de bevorderingsmogelijkheden voor een bepaalde rang zijn vastgesteld, bij de vergelijkende beoordeling van verdiensten het aantal bevorderde ambtenaren niet kunnen aanpassen om het in overeenstemming te brengen met de vermenigvuldigingsfactoren.
35 In deze omstandigheden merkt de Raad op dat het in artikel 6, lid 2, van het Statuut bedoelde mechanisme van een gemiddelde over een periode van vijf jaar zijn doel bereikt wanneer het aantal ambtenaren dat tot een bepaalde rang wordt bevorderd, van jaar tot jaar schommelt. Dit mechanisme alleen volstaat echter niet om het nuttig effect te verzekeren van artikel 6, lid 2, van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 45 van dat Statuut en bijlage I, afdeling B, bij dat Statuut, wat betreft rang AST 7, waarin zich de afgelopen jaren een gestage toename heeft voorgedaan van ambtenaren die niet in aanmerking komen voor bevordering naar hogere rangen. Deze toename van het aantal ambtenaren in rang AST 7 is het gevolg van de hervormingen van het Statuut die in 2004 en 2013 hebben plaatsgevonden. In dit verband hebben bij de laatste beoordelingsronde in 2014 in totaal 238 ambtenaren ervoor gekozen om in de loopbaan AST 1-AST 7 te blijven en bijgevolg af te zien van een toekomstige bevordering naar rang AST 8. De Raad concludeert daaruit dat de corrigerende maatregelen die voor rang AST 7 zijn genomen, noodzakelijk waren om de nuttige werking van de bovengenoemde bepalingen te waarborgen.
36 Krachtens artikel 6, lid 1, van het Statuut wordt het aantal ambten per rang en functiegroep vastgesteld in de lijst van het aantal ambten die voor elke instelling aan de desbetreffende afdeling van de begroting is gehecht. Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het Statuut geldt dat, onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45 van het Statuut, die lijst van het aantal ambten garandeert dat voor elke instelling het aantal vacatures in elke rang op 1 januari van elk jaar gelijk is aan het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, vermenigvuldigd met de in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut voor die rang vastgestelde percentages, die worden toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar, met ingang van 1 januari 2014.
37 In dit verband moet de zinsnede „onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45 [van het Statuut]” worden uitgelegd als een verwijzing naar de vaste rechtspraak van het Gerecht, volgens welke het Statuut geen recht op bevordering verleent, zelfs niet aan ambtenaren die aan alle voorwaarden voor bevordering voldoen. Ambtenaren komen overeenkomstig artikel 45 van het Statuut louter in aanmerking voor bevordering. Een bevorderingsbesluit hangt namelijk niet alleen af van de kwalificaties en bekwaamheden van de kandidaat, maar ook van de beoordeling daarvan in vergelijking met die van de andere kandidaten die voor bevordering in aanmerking komen, en dit bij elke nieuwe bevorderingsronde (zie arrest van 22 november 2023, QN/eu-LISA, T‑484/22, EU:T:2023:741, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Uit deze bewoordingen, die verwijzen naar een latere fase van het bevorderingsproces, kan echter niet worden afgeleid dat het beginsel van bevordering op basis van verdienste kan worden toegepast om af te wijken van de toepassing van de vermenigvuldigingsfactoren op het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, bij de vaststelling van het jaarlijkse aantal vacatures in elke rang en bijgevolg van de bevorderingsmogelijkheden.
38 In bijlage I, afdeling B, bij het Statuut, met als opschrift „Vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen”, worden in een tabel in het eerste lid de vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen in de functiegroepen AST en AD vastgesteld. Voor rang AST 8 bedraagt deze factor 25 %.
39 In dit verband zij eraan herinnerd dat deze vermenigvuldigingsfactoren moeten worden toegepast op het aantal ambtenaren die op 1 januari van het voorgaande jaar in de lagere rang „in actieve dienst” waren als bedoeld in artikel 35 van het Statuut (zie punt 21 hierboven).
40 Bovendien moet worden benadrukt dat de vermenigvuldigingsfactoren voor twee verschillende doeleinden worden gebruikt. Ten eerste dienen deze vermenigvuldigingsfactoren krachtens artikel 6, lid 2, van het Statuut ter berekening van het jaarlijkse aantal voor bevordering openstaande ambten per rang en worden zij daartoe toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar (zie in die zin arrest van 22 november 2023, QN/eu-LISA, T‑484/22, EU:T:2023:741, punten 59 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Ten tweede kunnen deze vermenigvuldigingsfactoren, los van artikel 6, lid 2, van het Statuut, ook dienen om de gemiddelde duur van de loopbaan in een rang te bepalen. In dit verband moeten de vermenigvuldigingsfactoren in aanmerking worden genomen die golden in de jaren waarin de ambtenaar tot de betrokken rang behoorde, en is de in artikel 6, lid 2, van het Statuut bedoelde beperking van het gemiddelde over een periode van vijf jaar dus niet van toepassing (zie in die zin arrest van 22 november 2023, QN/eu-LISA, T‑484/22, EU:T:2023:741, punten 60 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Hieruit volgt dat de vraag wat de gemiddelde duur van de loopbaan in een rang is, moet worden onderscheiden van de vraag hoeveel ambten voor een bevorderingsronde in een bepaalde rang moet worden opengesteld. Deze laatste vraag hangt namelijk onder meer af van de uitlegging van artikel 6, lid 2, tweede zin, van het Statuut, volgens welke de in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut vermelde percentages worden toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar, met ingang van 1 januari 2014 (zie in die zin arresten van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punt 121, en 22 november 2023, QN/eu-LISA, T‑484/22, EU:T:2023:741, punt 61).
43 In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat de uitlegging van een bepaling van het Unierecht tegen de achtergrond van de context en het doel ervan er niet toe kan leiden dat aan de ondubbelzinnige en precieze bewoordingen van deze bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen, omdat die bepaling anders contra legem zou worden uitgelegd en bijgevolg zou worden uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met de vereisten die voortvloeien uit het rechtszekerheidsbeginsel. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag de Unierechter dus niet van deze uitlegging afwijken (zie in die zin arresten van 13 juli 2023, Mensing, C‑180/22, EU:C:2023:565, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juni 2021, Lucaccioni/Commissie, T‑316/19, EU:T:2021:367, punt 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In het licht van het voorgaande moet worden onderzocht of de Raad, zoals verzoekers betogen, de statutaire regels onjuist heeft toegepast.
45 In casu blijkt uit het dossier en de discussies ter terechtzitting dat er bij de Raad op 1 januari 2021 in totaal 145 ambtenaren in actieve dienst waren in rang AST 7 en dat het jaar 2022 het einde vormde van een periode van vijf jaar waarin regelmatig corrigerende maatregelen werden toegepast op rang AST 7. In dit verband heeft de Raad niet aangetoond dat hij aan het einde van deze periode van vijf jaar en rekening houdend met de tijdens die periode genomen corrigerende maatregelen, ten eerste een andere vermenigvuldigingsfactor kon vaststellen dan die welke is vastgesteld in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut, en ten tweede kon afwijken van het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar 2021 in rang AST 7 bevonden, in de zin van artikel 35 van het Statuut, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 2, van dat Statuut (zie punt 21 hierboven). Bijgevolg was de Raad gehouden om die vermenigvuldigingsfactor en dat aantal te hanteren om de mogelijkheden voor bevordering naar rang AST 8 te bepalen. Hieruit volgt dat de Raad, door aan te kondigen dat er 18 mogelijkheden voor bevordering naar die rang openstonden, de statutaire regels, zoals hierboven in de punten 36 tot en met 39 in herinnering gebracht, bij de bevorderingsronde 2022 onjuist heeft toegepast.
46 Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de volgende twee argumenten die de Raad aanvoert.
47 Ten eerste kunnen de bijzondere omstandigheden die, indien bewezen, de situatie van ambtenaren in rang AST 7 kenmerken, zoals beschreven door de Raad in zijn schriftelijke opmerkingen en in punt 35 hierboven in herinnering gebracht, geen rechtvaardiging vormen om door middel van corrigerende maatregelen af te wijken van de duidelijke en precieze bewoordingen van de statutaire regels zonder de toepassing van hiërarchisch hogere bepalingen, zoals de bepalingen van het Statuut en die van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie of de algemene rechtsbeginselen, in het gedrang te brengen (zie in die zin arrest van 22 november 2023, QN/eu-LISA, T‑484/22, EU:T:2023:741, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 In dit verband is het argument van de Raad dat de feitelijke loopbaanontwikkeling van ambtenaren de gemiddelde tijd in elke rang zoals bepaald in afdeling B van bijlage I bij het Statuut moet benaderen in het geval er onevenwichtigheden bestaan tussen het aantal ambtenaren dat voor bevordering in bepaalde rangen in aanmerking komt en de gemiddelde tijd in die rangen, niet relevant. Zoals in punt 42 hierboven is uiteengezet, mag de vraag hoeveel bevorderingsmogelijkheden naar rang AST 8 er zijn voor de bevorderingsronde 2022 immers niet worden verward met de vraag wat de gemiddelde loopbaanduur in rang AST 7 is. Voor deze laatste vraag geldt, in tegenstelling tot de eerste vraag, niet de beperking die voortvloeit uit de gemiddelde vijfjaarlijkse basis van artikel 6, lid 2, van het Statuut.
49 Ten tweede, aangezien uit het dossier blijkt dat er bij de Raad op 1 januari 2021 in totaal 145 ambtenaren in rang AST 7 in actieve dienst waren, zouden er volgens de statutaire regels in theorie 36,25 mogelijkheden voor bevordering naar rang AST 8 beschikbaar moeten zijn geweest voor de 81 ambtenaren die in aanmerking kwamen voor bevordering in het kader van de bevorderingsronde 2022. In deze omstandigheden is, in tegenstelling tot wat de Raad aanvoert, niet aangetoond dat de toepassing van deze regels in het onderhavige geval, meer in het bijzonder gelet op het verschil tussen het aantal voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren en het aantal bevorderingsmogelijkheden, van dien aard was dat de in artikel 45, lid 1, van het Statuut bedoelde vergelijkende beoordeling van de verdiensten van de ambtenaren onmogelijk was.
50 Gelet op een en ander is het eerste middel, dat is ontleend aan een onjuiste toepassing van de statutaire regels, gegrond en moet het derhalve worden toegewezen. Bijgevolg moet het besluit tot niet-bevordering nietig worden verklaard, zonder dat het tweede door verzoekers aangevoerde middel hoeft te worden onderzocht of dat hoeft te worden beslist op het door hen geformuleerde verzoek om een maatregel van instructie, strekkende tot overlegging van de lijst van ambtenaren in rang AST 7 die tijdens de bevorderingsronde 2022 zijn bevorderd naar rang AST 8, met vermelding van de diensttijd van elke ambtenaar, zijn verdiensten en het niveau van de uitgeoefende verantwoordelijkheden.
Kosten
51 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vorderingen van verzoekers te worden verwezen in de kosten van deze laatsten.
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het besluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juli 2022 om Ville Kivikoski, Ottavia Maffia en Peter Pristovnik niet te bevorderen naar rang AST 8 in het kader van de bevorderingsronde 2022 wordt nietig verklaard.
2) De Raad wordt verwezen in de kosten.
Papasavvas Truchot Kanninen Sampol Pucurull Perišin Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 30 april 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.