Gerecht EU 22 november 2023, T-484/22, ECLI:EU:T:2023:741

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)

22 november 2023 ( *1 )

„Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Herindeling – Herindelingsronde 2021 – Besluit tot weigering van herindeling – Vermenigvuldigingsfactoren – Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP – Exceptie van onwettigheid – Gelijke behandeling – Aansprakelijkheid”

In zaak T‑484/22,

QN, vertegenwoordigd door H. Tagaras, advocaat,

verzoeker,

tegen

Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), vertegenwoordigd door M. Chiodi als gemachtigde, bijgestaan door A. Duron en D. Waelbroeck, advocaten,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: O. Porchia, president, L. Madise en P. Nihoul (rapporteur), rechters,

griffier: H. Eriksson, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 juni 2023,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, QN, ten eerste nietigverklaring van het besluit van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) van 22 december 2021 om hem na de herindelingsronde van 2021 niet te herindelen (hierna: „bestreden besluit”) en ten tweede vergoeding van de schade die hij heeft geleden doordat hij niet is heringedeeld.

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 1 maart 2019 is verzoeker door het eu-LISA aangesteld als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder f), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”), en ingedeeld in de rang AD 9 als hoofd van de eenheid „Algemene diensten” van dat agentschap.

3 Op 28 februari 2021 kwam verzoeker in aanmerking voor herindeling.

4 Op 29 oktober 2021 heeft het eu-LISA administratieve informatie (hierna: „administratieve informatie”) gepubliceerd over de herindeling van de tijdelijke functionarissen voor het jaar 2021 (hierna: „herindeling van 2021”).

5 Verzoekers naam was niet opgenomen in de op 3 december 2021 gepubliceerde lijst van functionarissen die voor herindeling waren voorgedragen.

6 Op 14 december 2021 heeft verzoeker bij het paritair comité voor herindeling (hierna: „paritair comité”) bezwaar gemaakt tegen het feit dat hij niet voor herindeling was voorgedragen. Op 22 december 2021 heeft het paritair comité hem meegedeeld dat het hem niet voor herindeling had aanbevolen.

7 Diezelfde dag heeft de uitvoerend directeur van het eu-LISA (hierna: „uitvoerend directeur”), als tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”), de lijst gepubliceerd van de functionarissen die in het kader van de herindeling van 2021 waren heringedeeld. Op die lijst kwam verzoekers naam niet voor.

8 Op 1 maart 2022 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), dat op grond van artikel 46 RAP van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen, een klacht ingediend tegen het bestreden besluit. Deze klacht is op 25 juni 2022 afgewezen bij besluit van de voorzitter van de raad van bestuur van het eu-LISA (hierna: „afwijzend besluit”).

Conclusies van partijen

9 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit en het afwijzende besluit nietig te verklaren; – het eu-LISA te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 3000 EUR; – het eu-LISA te verwijzen in de kosten.

10 Het eu-LISA verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

In rechte

[omissis]

Vordering tot nietigverklaring

[omissis]

Eerste middel: onjuiste toepassing van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren in artikel 5, lid 8, van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP

[omissis]

– Inaanmerkingneming van bijlage I, afdeling B, bij het Statuut en bijlage II bij de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP

28 Met deze grief betoogt verzoeker dat de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren, ondanks de bewoordingen van bijlage II bij de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP (hierna: „AUB”), slechts kan worden uitgelegd als een mechanisme waarbij een aantal beschikbare posten voor de herindeling van functionarissen wordt vastgesteld.

29 Hij baseert zich in wezen op een contextuele uitlegging van die bepaling en houdt daarbij ook rekening met de doelstellingen ervan.

30 Het eu-LISA betwist verzoekers betoog.

31 In dit verband moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 63; zie ook arresten van 9 maart 2023, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie, C‑682/20 P, EU:C:2023:170, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 maart 2023, Towercast, C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 31).

32 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 5, lid 8, AUB betreft, blijkt daaruit dat het herindelingsbesluit afhankelijk is van, ten eerste, een vergelijking van verdiensten en, ten tweede, de voorwaarde dat de administratie rekening houdt met de voor het desbetreffende begrotingsjaar beschikbare begrotingsmiddelen alsmede „de vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen, zoals toegepast in bijlage II [bij de AUB]” in acht neemt.

33 De lijst van voor herindeling voorgedragen functionarissen en de aanbeveling van het paritair comité mogen op grond van artikel 5, leden 5 en 7, AUB evenmin hoger zijn dan deze percentages, zoals toegepast in bijlage II bij de AUB.

34 Om te beginnen mogen de vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen die in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut zijn opgenomen, volgens bijlage II bij de AUB niet worden overschreden, en wordt er in laatstgenoemde bijlage aan herinnerd dat deze percentages sinds 1 januari 2014 worden toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar. Daarnaast worden deze percentages in bijlage II bij de AUB omgezet in een gemiddelde diensttijd per rang vóór herindeling in de hogere rang. Voor de rang AD 9 is dat percentage 25 % en bedraagt deze gemiddelde diensttijd vier jaar.

35 In bijlage II bij de AUB, waarnaar artikel 5 AUB verwijst, is dus ondubbelzinnig bepaald hoe de in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut vermelde vermenigvuldigingsfactoren in het kader van de herindeling dienen te worden toegepast.

36 De duidelijke bewoordingen van bijlage II gaan dus in tegen verzoekers stelling.

37 Wat in de tweede plaats de context van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren betreft, is verzoeker van mening dat die bepaling uitsluitend in het licht van een aantal bepalingen van het Statuut moet worden uitgelegd. Hij voert in dit verband het volgende aan: – bijlage II bij de AUB verwijst naar bijlage I, afdeling B, bij het Statuut, waarbij de vermenigvuldigingsfactoren aan elke rang worden toegekend; – aangezien bijlage I, afdeling B, uitvoering geeft aan artikel 6, lid 2, van het Statuut, kunnen deze percentages alleen worden gebruikt voor de berekening van het aantal vacatures in elke rang; – artikel 5, lid 8, en bijlage II bij de AUB moeten derhalve aldus worden uitgelegd, temeer daar artikel 54 RAP, dat hiërarchisch hoger is dan de AUB, voor de vermenigvuldigingsfactoren ook verwijst naar bijlage I, afdeling B, bij het Statuut; bijgevolg heeft de wijze waarop die percentages in het licht van het Statuut moeten worden uitgelegd, voorrang boven die waarop zij in het licht van bijlage II bij de AUB moeten worden uitgelegd.

38 In dit verband moet voor de contextuele uitlegging van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren worden verduidelijkt hoe de AUB, artikel 54 RAP en de relevante bepalingen van het Statuut, namelijk bijlage I, afdeling B, alsmede artikel 6 ervan, zich tot elkaar verhouden.

39 Ten eerste is de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren opgenomen in de AUB en wordt daarin uiteengezet hoe artikel 54 RAP binnen het eu-LISA dient te worden toegepast.

40 De AUB vormen op dit punt de uitdrukking van de ruime beoordelingsbevoegdheid van het eu-LISA voor de herindeling van tijdelijke functionarissen (zie in die zin arresten van 12 februari 2020, WD/EFSA, T‑320/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:45, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 april 2021, Correia/EESC, T‑843/19, EU:T:2021:221, punt 54).

41 Uit de rechtspraak volgt evenwel dat wanneer een dergelijk agentschap door middel van een intern richtsnoer een bijzondere regeling heeft vastgesteld om de transparantie van het herindelingsproces te garanderen door de procedurele regels en voorwaarden voor die herindeling te bepalen, die regeling moet worden opgevat als een zelfbeperking van zijn beoordelingsbevoegdheid, waarvan dat agentschap niet kan afwijken zonder de redenen te noemen die deze afwijking eventueel rechtvaardigen, omdat het anders in strijd handelt met het beginsel van gelijke behandeling (zie in die zin arrest van 12 februari 2020, WD/EFSA, T‑320/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:45, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie eveneens, naar analogie, arrest van 9 november 2022, QM/Europol, T‑164/21, EU:T:2022:695, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42 Een dergelijk intern richtsnoer kan echter in geen geval de werkingssfeer van het Statuut of van de RAP beperken of regels voorschrijven die afwijken van hiërarchisch hogere bepalingen, zoals de bepalingen van het Statuut en de RAP of de algemene rechtsbeginselen (zie arresten van 20 maart 2018, Argyraki/Commissie, T‑734/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:160, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 februari 2023, Freixas Montplet e.a./Comité van de Regio’s, T‑260/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:71, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Volgens artikel 54, eerste alinea, RAP worden tijdelijke functionarissen heringedeeld op grond van een vergelijkend onderzoek van hun verdiensten en worden daarbij de vermenigvuldigingsfactoren in acht genomen, waarvoor eenvoudigweg het volgende is bepaald: „De vermenigvuldigingsfactoren [...], die in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut zijn opgenomen voor ambtenaren, mogen niet worden overschreden.”

44 In deze enige bepaling van de RAP waarin naar de vermenigvuldigingsfactoren en naar bijlage I, afdeling B, bij het Statuut wordt verwezen, wordt dus niet uiteengezet hoe deze percentages moeten worden toegepast.

45 In artikel 54, tweede alinea, RAP wordt daarentegen verwezen naar de algemene uitvoeringsbepalingen voor dat artikel, die elk agentschap overeenkomstig artikel 110 van het Statuut moet vaststellen.

46 Dienaangaande zijn in artikel 110, lid 2, van het Statuut de nadere regels neergelegd voor de vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen die van toepassing zijn op agentschappen. Volgens die regels stelt de Europese Commissie deze bepalingen vast en zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op die agentschappen.

47 Bovendien bepaalt artikel 28, lid 1, van verordening (EU) 2018/1726 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 betreffende het eu-LISA, tot wijziging van verordening (EG) nr. 1987/2006 en besluit 2007/533/JBZ van de Raad en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1077/2011 (PB 2018, L 295, blz. 99), dat het Statuut en de voorschriften die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ter uitvoering van het Statuut, van toepassing zijn op het personeel van het eu-LISA.

48 De AUB zijn juist vastgesteld op grond van artikel 110, lid 2, van het Statuut en artikel 54 RAP, alsmede op grond van artikel 20 van verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (PB 2011, L 286, blz. 1), die met ingang van 11 december 2018 is ingetrokken en vervangen door artikel 28 van de in punt 47 hierboven genoemde verordening 2018/1726, en van de voorafgaande goedkeuring van de Commissie van 16 december 2015 aan de agentschappen overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP.

49 Met de in de punten 46 en 47 hierboven vermelde bepalingen wordt de beoordelingsmarge van het eu-LISA voor de vaststelling van zijn regels inzake herindeling van personeelsleden dus ingeperkt.

50 Verder betoogt het eu-LISA, zonder door verzoeker te zijn weersproken, dat de AUB door de Commissie zijn goedgekeurd en gebaseerd zijn op de bepalingen van het modelbesluit voor de gedecentraliseerde agentschappen en de gemeenschappelijke ondernemingen tot vaststelling van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 54 RAP (hierna: „modelbesluit”), dat door de Commissie is vastgesteld en is opgenomen in bijlage I bij besluit C(2015) 9563 final van de Commissie van 16 december 2015, waarbij aan de gedecentraliseerde agentschappen en de gemeenschappelijke ondernemingen voorafgaande toestemming wordt verleend met betrekking tot de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut.

51 In dit verband zij opgemerkt dat de bepalingen van het modelbesluit in wezen zijn overgenomen in de AUB. Meer bepaald zijn in artikel 5 van en in bijlage II bij de AUB de relevante bepalingen van dat besluit overgenomen, en ook volgens deze bepalingen kunnen functionarissen in de rang AD 9 alleen worden heringedeeld na een minimale gemiddelde diensttijd in die rang van vier jaar.

52 Uit het voorgaande volgt dat bij de omzetting van de vermenigvuldigingsfactoren van bijlage I, afdeling B, bij het Statuut in een minimale gemiddelde diensttijd in de rang in bijlage II bij de AUB, de door de Commissie vastgestelde bepalingen zijn overgenomen die krachtens artikel 110 van het Statuut en artikel 28, lid 1, van verordening 2018/1726 in beginsel voor alle agentschappen gelden.

53 Wat in de tweede plaats de bepalingen van het Statuut betreft, zij eraan herinnerd dat in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut de „vermenigvuldigingsfactoren voor de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen” in de drie functiegroepen (AD, AST en AST/SC) zijn neergelegd en voor elke rang in die groepen een specifiek percentage is vastgesteld. Voor de rang AD 9 is dat 25 %.

54 In bijlage I, afdeling B, bij het Statuut wordt daarentegen geenszins aangegeven binnen welk kader deze percentages van toepassing zijn, noch hoe zij moeten worden gebruikt.

55 Alleen in artikel 6, lid 2, van het Statuut wordt naar de in die bijlage vastgestelde percentages verwezen. Volgens artikel 6, lid 1, van dat Statuut is het aantal ambten per rang en functiegroep vastgesteld in de lijst van het aantal ambten die voor elke instelling aan de desbetreffende afdeling van de begroting is gehecht. Krachtens artikel 6, lid 2, van het Statuut garandeert die lijst van het aantal ambten, onverminderd het beginsel van bevordering op grond van verdienste zoals neergelegd in artikel 45 van het Statuut, dat voor elke instelling het aantal vacatures in elke rang van de lijst van het aantal ambten op 1 januari van elk jaar gelijk is aan het aantal ambtenaren in actieve dienst die zich op 1 januari van het jaar daarvoor in de lagere rang bevonden, vermenigvuldigd met de in bijlage I, afdeling B, van het Statuut voor die rang vastgestelde percentages, en worden deze percentages toegepast op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar, met ingang van 1 januari 2014.

56 Zo bepaalt artikel 6, lid 2, van het Statuut dat de vermenigvuldigingsfactoren dienen voor de berekening van het aantal vacatures voor elke rang en elk jaar in de lijst van het aantal ambten die aan de afdeling van de begroting van de betrokken instelling is gehecht, en dat dit aantal in het kader van de bevordering van ambtenaren in aanmerking wordt genomen.

57 In artikel 45, lid 1, eerste zin, van het Statuut is weliswaar bepaald dat bevordering van ambtenaren wordt toegekend bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig artikel 6, lid 2, van dat Statuut, maar noch in artikel 54 RAP, dat de herindeling van functionarissen regelt, noch in de AUB wordt naar artikel 6, lid 2, verwezen.

58 Bovendien wordt in artikel 5 AUB alleen verwezen naar de wijze waarop de vermenigvuldigingsfactoren worden toegepast in bijlage II bij de AUB, namelijk naar de op basis van die percentages berekende gemiddelde diensttijd in de rang vóór herindeling, en niet naar artikel 6 van het Statuut, noch naar het aantal ambten per rang in de personeelsformatie. In deze context kan niet worden geconcludeerd dat artikel 5 AUB afwijkt van de relevante hiërarchisch hogere bepalingen van het Statuut of de RAP.

59 Uit de voorgaande contextuele analyse blijkt dat de vermenigvuldigingsfactoren, die in bijlage I, afdeling B, bij het Statuut in procenten zijn uitgedrukt, voor twee verschillende doeleinden worden gebruikt. Ten eerste dienen zij krachtens artikel 6, lid 2, van het Statuut ter berekening van het jaarlijkse aantal vacatures voor elke rang en dus van de bevorderingsmogelijkheden. Ten tweede dienen de vermenigvuldigingsfactoren krachtens artikel 5, lid 8, en bijlage II bij de AUB als grondslag voor de vaststelling van de minimale gemiddelde diensttijd in elke rang op grond waarvan functionarissen worden heringedeeld.

60 In het kader van de bevordering van ambtenaren heeft het Gerecht dit tweeledige doel van de vermenigvuldigingsfactoren bevestigd door te oordelen dat deze, los van artikel 6, lid 2, van het Statuut, ook konden dienen om de gemiddelde duur van de loopbaan in een rang te bepalen (zie in die zin arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punten 121, 122 en 124).

61 Het Gerecht heeft in dit verband om te beginnen verduidelijkt dat krachtens artikel 6, lid 2, van het Statuut aan de hand van deze percentages kon worden berekend hoeveel posten openstonden voor bevordering en dat die percentages in dat kader van toepassing waren op basis van een gemiddelde over een periode van vijf jaar (arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punt 121).

62 Daarnaast wordt volgens het Gerecht op basis van die percentages, omgerekend in jaren, de gemiddelde duur van de loopbaan in een rang vastgesteld (arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punten 121, 122 en 124). Voor deze vraag moeten de vermenigvuldigingsfactoren in aanmerking worden genomen die golden in de jaren waarin de functionaris tot de betrokken rang behoorde, en is de in artikel 6, lid 2, van het Statuut bedoelde beperking van het gemiddelde over een periode van vijf jaar dus niet van toepassing (arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punt 121).

63 Gelet op het voorgaande kan uit de bepalingen van het Statuut en van de RAP die betrekking hebben op de vermenigvuldigingsfactoren, niet worden afgeleid dat deze percentages in het kader van de herindeling van functionarissen enkel mogen worden gebruikt voor de berekening van het aantal posten dat openstaat voor herindeling, en niet kunnen dienen om een minimale gemiddelde diensttijd in elke rang vast te stellen vóór herindeling.

64 Verzoekers stelling vindt dus evenmin steun in de context van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren.

65 Wat in de derde plaats de doelstellingen betreft die met de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren worden nagestreefd, wordt volgens verzoeker met deze bepaling beoogd het aantal voor herindeling beschikbare posten te begrenzen en de loopbaanontwikkeling van functionarissen aldus enigszins gelijk te trekken met die van ambtenaren. Aan deze uitlegging wordt zijns inziens niet afgedaan door het feit dat de inachtneming van de beschikbare begrotingsmiddelen die met name in de AUB en de lijst van het aantal ambten zijn vastgesteld, hetzelfde doel dient, aangezien de uit die middelen en die lijst voortvloeiende grens andere belangen dient.

66 In dit verband volgt ten eerste uit artikel 6, lid 2, van het Statuut dat de vermenigvuldigingsfactoren, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van bevordering op basis van verdienste, de voortgang van een gemiddelde loopbaan aangeven (arrest van 13 maart 2013, AK/Commissie, F‑91/10, EU:F:2013:34, punt 71).

67 De omrekening van deze percentages in een minimale gemiddelde diensttijd in de rang is een andere manier om de gemiddelde snelheid waarmee functionarissen kunnen worden heringedeeld te reguleren (zie in die zin arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punten 122 en 124), en daarmee wordt dan ook hetzelfde doel nagestreefd als met artikel 6, lid 2, van het Statuut.

68 Uit de tweede overweging van de AUB en van het modelbesluit blijkt op dit punt dat er specifieke en coherente regels voor de herindeling van tijdelijke functionarissen dienen te worden vastgesteld, zodat het voor hen gemakkelijker wordt om voor andere agentschappen te werken.

69 Bovendien kunnen voor de herindeling van tijdelijke functionarissen niet dezelfde regels gelden als voor die van ambtenaren, omdat tijdelijke functionarissen niet dezelfde rechten op ontwikkeling van hun loopbaan binnen hun instelling als ambtenaren hebben (arresten van 28 april 2021, Correia/EESC, T‑843/19, EU:T:2021:221, punt 55, en 27 april 2022, Correia/EESC, T‑750/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:246, punt 80).

70 Anders dan de ambtenaren, aan wie door het Statuut een vaste betrekking wordt gegarandeerd, vallen de tijdelijke functionarissen immers onder een specifieke regeling, waarvan de arbeidsovereenkomst met de betrokken instelling de grondslag vormt (arrest van 28 januari 1992, Speybrouck/Parlement, T‑45/90, EU:T:1992:7, punt 90).

71 Voorts verleent het in het Statuut erkende recht op loopbaanontwikkeling van ambtenaren hun geen subjectief recht op bevordering, ook al voldoen zij aan alle gestelde voorwaarden, aangezien een besluit tot bevordering niet alleen afhangt van de kwalificaties en bekwaamheden van de kandidaat, maar ook van de beoordeling van die kwalificaties en bekwaamheden in vergelijking met die van andere kandidaten die voor bevordering in aanmerking komen (zie arrest van 27 april 2022, Correia/EESC, T‑750/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:246, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

72 Dit geldt noodzakelijkerwijs ook voor tijdelijke functionarissen, om de redenen die zijn uiteengezet in de in de punten 69 en 70 hierboven aangehaalde rechtspraak.

73 In dit kader is het niet incoherent om voor de herindeling van functionarissen als voorwaarde te stellen dat zij gemiddeld een bepaald aantal jaren tot hun rang behoren, temeer daar zelfs voor de bevordering van ambtenaren, die recht hebben op ontwikkeling van loopbaan binnen hun instelling, een aantal voor bevordering openstaande posten in aanmerking wordt genomen maar tegelijkertijd als voorwaarde kan worden gesteld dat zij over een minimale diensttijd in de rang beschikken (zie in die zin arrest van 14 februari 2017, Schönberger/Rekenkamer, T‑688/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:76, punten 121, 122 en 124).

74 Ten tweede wordt in artikel 6, leden 1 en 2, van het Statuut bepaald dat de vermenigvuldigingsfactoren dienen voor de berekening van het aantal vacatures voor elke rang die is vermeld in de lijst van het aantal ambten die is opgenomen in de bijlage bij de afdeling van de begroting van de desbetreffende instelling, en wordt daarin dus een rechtstreeks verband gelegd tussen de vermenigvuldigingsfactoren en de begroting van die instelling. Uit die tekst blijkt weliswaar dat deze percentages dienen als kader voor de snelheid van de loopbaanontwikkeling en voor de toewijzing van de begrotingsmiddelen, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat deze snelheid bij de herindeling van functionarissen slechts kan worden gereguleerd door toepassing van, zij het indicatieve, herindelingsquota, zonder dat een minimale gemiddelde diensttijd in de rang kan worden opgelegd.

75 Uit het voorgaande volgt dat verzoekers stelling evenmin steun vindt in de doelstelling van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren, die erin bestaat een kader te bieden voor de gemiddelde snelheid waarmee functionarissen kunnen worden heringedeeld en die kan worden nagestreefd door een minimale gemiddelde diensttijd in de rang toe te passen.

76 De eerste grief moet dus worden afgewezen. [omissis]

Subsidiair aangevoerde tweede middel: exceptie van onwettigheid van de bepaling inzake de vermenigvuldigingsfactoren

91 Subsidiair werpt verzoeker een exceptie van onwettigheid op van de bepalingen van de AUB waarin is neergelegd dat er een minimale gemiddelde diensttijd in de rang geldt. Dit middel bestaat uit twee grieven.

– Schending van artikel 45 van het Statuut, artikel 54 RAP, artikel 4 AUB en het beginsel van herindeling op basis van verdiensten

92 Met deze grief betoogt verzoeker dat de voorwaarde van een minimale gemiddelde diensttijd in de rang in strijd is met het beginsel van herindeling op basis van verdiensten dat in artikel 45 van het Statuut, artikel 54 RAP en artikel 4 AUB is neergelegd. Naar zijn mening zijn verdiensten om te beginnen afhankelijk van deze voorwaarde en hangt de vervulling van die voorwaarde niet alleen af van de betrokkene, en sluit die voorwaarde daarnaast volledige rangen uit van herindeling, ongeacht de verdiensten van de functionarissen die voor herindeling in aanmerking komen.

93 Het eu-LISA betwist verzoekers betoog.

94 Volgens artikel 54 RAP is het in artikel 45 van het Statuut neergelegde beginsel van bevordering op basis van verdienste ook van toepassing op herindeling en mag de administratie voorts de vermenigvuldigingsfactoren niet overschrijden. Dit dubbele vereiste is overgenomen in respectievelijk de artikelen 4 en 5 AUB, waarin de relevante bepalingen van het modelbesluit letterlijk zijn overgenomen.

95 De twee criteria die als voorwaarden voor herindeling gelden, dat wil zeggen een vergelijking van de verdiensten en een minimale gemiddelde diensttijd in de rang, staan niet geheel los van elkaar. Die parameters zijn namelijk afhankelijk van respectievelijk de verdiensten en de diensttijd van de andere kandidaten die voor de rang in kwestie in aanmerking komen.

96 Bovendien blijkt uit het afwijzende besluit dat de verdiensten van de kandidaten niet alleen bepalend zijn voor de berekening van de gemiddelde diensttijd in de rang, aangezien bij die berekening slechts het aantal kandidaten met de beste resultaten in aanmerking wordt genomen dat overeenkomt met het aantal beschikbare posten in de lijst van het aantal ambten (hierna: „meest verdienstelijke kandidaten”), maar ook dat die verdiensten tevens bepalend zijn voor de mogelijkheid om de meest verdienstelijke kandidaten die in voorkomend geval een hogere individuele diensttijd in de rang hebben dan de toepasselijke gemiddelde diensttijd, te herindelen.

97 Het eu-LISA heeft in het afwijzende besluit aan de hand van een voorbeeld uiteengezet welke methode bij de herindeling van 2021 is toegepast. Bij deze methode dient de vergelijking van de verdiensten er om te beginnen toe om de kandidaten op niveau te rangschikken. Het eu-LISA neemt enkel de meest verdienstelijke kandidaten in aanmerking. Vervolgens berekent het agentschap de gemiddelde diensttijd in de rang van de meest verdienstelijke kandidaten. Indien deze gemiddelde diensttijd onvoldoende is, maar een van de meest verdienstelijke kandidaten een hogere individuele diensttijd in de rang heeft dan de toepasselijke gemiddelde diensttijd, kan die kandidaat niet worden heringedeeld indien een andere kandidaat, die hoger is gerangschikt dan hij, een lagere individuele diensttijd heeft dan die gemiddelde diensttijd. In dat geval wordt geen van de meest verdienstelijke kandidaten heringedeeld.

98 Met deze methode kon de voorwaarde van de gemiddelde diensttijd in de rang er dus toe leiden dat een volledige groep kandidaten uit dezelfde rang niet werd heringedeeld indien, ten eerste, de meest verdienstelijke kandidaten gezamenlijk een lagere gemiddelde diensttijd in hun rang hadden dan de toepasselijke diensttijd en, ten tweede, van die kandidaten degenen die het hoogst waren gerangschikt, een lagere individuele diensttijd in de rang hadden dan die gemiddelde diensttijd. In dat geval konden lager gerangschikte kandidaten met een hogere individuele diensttijd dan de toepasselijke minimale gemiddelde diensttijd niet worden heringedeeld.

99 Uit die methode blijkt evenwel dat de vergelijking van de verdiensten de voornaamste grondslag voor herindeling blijft. Aan de hand van die vergelijking worden kandidaten immers naar verdiensten gerangschikt en bepaalt die rangschikking vervolgens of de gehele groep of een deel ervan op grond van de gemiddelde diensttijd in de rang wordt uitgesloten van herindeling. Met andere woorden, indien een functionaris tot de meest verdienstelijke kandidaten behoort maar niet het hoogst is gerangschikt, en daarnaast een hogere individuele diensttijd in de rang heeft dan de gemiddelde diensttijd, kan die functionaris niet worden heringedeeld indien de groep meest verdienstelijke kandidaten als geheel niet aan die gemiddelde diensttijd voldoet en de hoogst gerangschikte kandidaten in die groep een lagere dan de gemiddelde diensttijd hebben. In dat geval staan wel degelijk de verdiensten, en niet alleen de diensttijd, eraan in de weg dat de meer ervaren functionaris in de rang wordt heringedeeld.

100 Het eu-LISA heeft in het afwijzende besluit dus terecht opgemerkt dat de herindeling van de meest verdienstelijke kandidaten geenszins in het gedrang is gekomen door de gemiddelde diensttijd in de toepasselijke rang.

101 Wat verzoekers rang betreft, heeft het agentschap in dat besluit het volgende verklaard: – het agentschap heeft vergelijkend onderzoek verricht naar de verdiensten van de in aanmerking komende functionarissen in elke rang; naar aanleiding van dit onderzoek is het nagegaan of was voldaan aan de voorwaarde van de gemiddelde diensttijd in de rang; – in rang AD 9 was niet aan deze voorwaarde voldaan, aangezien alle zeven in aanmerking komende functionarissen, onder wie verzoeker, gemiddeld slechts twee jaar tot die rang hadden behoord, terwijl de gemiddelde diensttijd in die rang vier jaar bedroeg; – op grond van artikel 5, lid 5, AUB kon het agentschap de functionarissen in die rang niet herindelen omdat die voorwaarde niet was vervuld; – het agentschap heeft om die reden besloten om geen enkele functionaris in de rang AD 9 voor herindeling voor te dragen.

102 Hieruit blijkt dat de verdiensten van de in aanmerking komende functionarissen in de rang AD 9 in de eerste fase van de herindelingsprocedure, vóór de opstelling van de lijst van voorgedragen functionarissen, zijn onderzocht. Het ligt echter niet aan hun verdiensten dat de functionarissen niet zijn heringedeeld. Dat zij niet zijn heringedeeld is te wijten aan de ontoereikende gemiddelde diensttijd van alle in aanmerking komende functionarissen in die rang, aangezien iedere functionaris, onder wie verzoeker, een diensttijd had die ongeveer de helft lager was dan de toepasselijke minimale gemiddelde diensttijd.

103 In de eerste plaats zij er evenwel aan herinnerd dat de in de AUB gestelde voorwaarde van een minimale gemiddelde diensttijd in de rang is geënt op de voorwaarde van het modelbesluit, en ertoe strekt de gelijkwaardigheid van gemiddelde loopbaanprofielen te waarborgen door een kader te bieden voor de snelheid waarmee een agentschap zijn meest verdienstelijke functionarissen kan herindelen. Krachtens artikel 6, lid 2, van het Statuut doet in de tweede plaats het feit dat de snelheid waarmee ambtenaren kunnen worden bevorderd, wordt bepaald door een op vermenigvuldigingsfactoren gebaseerde voorwaarde van gemiddelde diensttijd in de rang, geen afbreuk aan het beginsel van bevordering op grond van verdienste (zie in die zin arrest van 13 maart 2013, AK/Commissie, F‑91/10, EU:F:2013:34, punt 71). Dit geldt a fortiori voor functionarissen, die niet hetzelfde recht op loopbaanontwikkeling hebben als ambtenaren. In de derde plaats wordt met de voorwaarde van een minimale gemiddelde diensttijd in de rang bovendien beoogd het voor functionarissen gemakkelijker te maken om voor andere agentschappen te werken (zie punt 68 hierboven), wat in het belang is van de meest verdienstelijke functionarissen.

104 Gelet op een en ander kan verzoeker niet stellen dat de voorwaarde van een gemiddelde diensttijd in de rang in strijd is met het beginsel van herindeling op basis van verdiensten. [omissis]

HET GERECHT (Tiende kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het besluit van het Europees Agentschap van de Europese Unie voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) van 22 december 2021 om QN na de herindelingsronde van 2021 niet te herindelen, wordt nietig verklaard.

2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3) Het eu-LISA wordt verwezen in de kosten.

Porchia Madise Nihoul Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 november 2023. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven. Voor de weggelaten punten wordt verwezen naar het arrest van het Gerecht van 22 november 2023, QN/eu-LISA (T‑484/22, EU:T:2023:741).

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in