Gerecht EU 12 maart 2025, T-66/24, ECLI:EU:T:2025:248

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

12 maart 2025 ( *1 )

„Gemeenschapsmodel – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een ledlichtpeertje weergeeft – Niet-inaanmerkingneming van de openbaarmaking van het oudere model – Artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 – Voorwaarden – Bewijslast”

In zaak T‑66/24,

Lidl Vertriebs GmbH & Co. KG, gevestigd te Anzing (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Dolde, C. Zimmer en M. Hawkins, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Liquidleds Lighting Corp., gevestigd te Taipei (Taiwan), vertegenwoordigd door S. Beckmann, advocaat,

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Marcoulli (rapporteur), president, W. Valasidis en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,

griffier: P. Núñez Ruiz, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 21 november 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Lidl Vertriebs GmbH & Co. KG, vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 27 november 2023 (zaak R 2336/2022‑3) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2 Op 25 maart 2021 heeft verzoekster bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het ingeschreven gemeenschapsmodel ingediend naar aanleiding van een op 12 januari 2017 door interveniënte – Liquidleds Lighting Corp. – ingediende aanvraag, welk model als volgt wordt weergegeven:

3 Het voortbrengsel waarop het in punt 2 hierboven bedoelde model waarvan nietigverklaring werd gevorderd zou worden toegepast, behoorde tot klasse 26.04 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd. Het werd omschreven als volgt: „ledlichtpeertjes”.

4 De aangevoerde nietigheidsgrond was die van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, en de artikelen 5 en 6 van deze verordening.

5 De vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op het oudere D1-model en het oudere D2-model.

6 Op 23 september 2022 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring afgewezen.

7 Op 28 november 2022 heeft verzoekster bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

8 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep verworpen. Zij was van oordeel dat de openbaarmaking van het oudere D1-model binnen de werkingssfeer van de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 viel en dat verzoekster de openbaarmaking van het oudere D2-model niet had aangetoond.

Conclusies van partijen

9 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO en interveniënte te verwijzen in de kosten.

10 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

11 Interveniënte verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

12 Verzoekster voert één middel aan, namelijk schending van artikel 6, lid 1, onder b), juncto artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Dit middel bestaat in wezen uit drie onderdelen: 1) onjuiste verdeling van de bewijslast; 2) onjuiste analyse van het bewijsmateriaal, en 3) onjuiste toepassing van artikel 7, lid 2, van deze verordening.

13 Vooraf zij opgemerkt dat, zoals uit de strekking van het enige middel en de inhoud van het beroep in zijn geheel blijkt en zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, zij de bestreden beslissing alleen aanvecht wat betreft de beoordelingen van de kamer van beroep inzake het oudere D1-model, waarvan de openbaarmaking niet in aanmerking is genomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, juncto artikel 6 van verordening nr. 6/2002. Verzoekster betwist daarentegen niet de beoordelingen van de kamer van beroep inzake de niet-openbaarmaking van het oudere D2-model. Bijgevolg strekt het onderhavige beroep enkel tot vernietiging van de bestreden beslissing voor zover daarbij verzoeksters beroep in verband met haar op het oudere D1-model gebaseerde vordering tot nietigverklaring is verworpen.

Inleidende opmerkingen over het relevante rechtskader

14 Volgens artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 kan een gemeenschapsmodel nietig worden verklaard indien het niet beantwoordt aan de voorwaarden van de artikelen 4 tot en met 9 ervan, waaronder de voorwaarden inzake nieuwheid en eigen karakter in artikel 5 respectievelijk artikel 6 van deze verordening.

15 Volgens artikel 5, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 wordt een ingeschreven model als nieuw beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving van het model waarvoor bescherming wordt gevraagd of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.

16 Volgens artikel 6, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 wordt een ingeschreven gemeenschapsmodel geacht een eigen karakter te hebben indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang.

17 Artikel 7, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bepaalt dat een model wordt geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld indien het gepubliceerd is na inschrijving of op andere wijze, of tentoongesteld, in de handel gebracht of anderszins openbaar gemaakt is vóór de datum van indiening van de aanvraag om inschrijving of, wanneer aanspraak op voorrang wordt gemaakt, vóór de datum van voorrang, tenzij deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken industriële sector die in de Europese Unie werkzaam zijn. Lid 1 bepaalt verder dat het model echter niet wordt geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld indien het louter onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is.

18 Overweging 20 van verordening nr. 6/2002 preciseert evenwel dat het tevens noodzakelijk is de ontwerper of zijn rechtverkrijgende de gelegenheid te bieden de voortbrengselen waarin het model is verwerkt, op de markt te testen, alvorens te beslissen of het wenselijk is het model als ingeschreven gemeenschapsmodel te doen beschermen, en dat het derhalve noodzakelijk is ervoor te zorgen dat het geven van bekendheid aan het model door de ontwerper of zijn rechtverkrijgende de beoordeling van de nieuwheid of van het eigen karakter van het model niet ongunstig beïnvloedt.

19 Aldus bepaalt artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002: „Openbaarmaking wordt voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 niet in aanmerking genomen, wanneer een model waarvoor aanspraak op bescherming als ingeschreven gemeenschapsmodel wordt gemaakt, voor het publiek beschikbaar is gesteld: a) door de ontwerper, zijn rechtverkrijgende of een derde op basis van door de ontwerper of diens rechtverkrijgende verstrekte informatie of genomen maatregelen; en b) gedurende het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan de datum van indiening van de aanvrage of, indien aanspraak wordt gemaakt op voorrang, aan de datum van voorrang.”

20 De drie onderdelen van verzoeksters enige middel moeten tegen de achtergrond van dit overzicht van het relevante rechtskader worden onderzocht, te beginnen met het derde onderdeel.

Derde onderdeel van het enige middel: onjuiste toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002

21 Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 onjuist heeft opgevat door te oordelen dat het litigieuze model en het openbaar gemaakte model niet identiek hoeven te zijn. Hoewel de kamer van beroep terecht heeft aangegeven dat de betrokken bepaling ook van toepassing is op het onderzoek van het eigen karakter, kan deze bepaling niet worden uitgebreid tot gevallen waarin het aanvankelijk openbaar gemaakte model verschilt van het later ingeschreven model. Volgens verzoekster vereist deze bepaling dat het aanvankelijk openbaar gemaakte model en het later ingeschreven model identiek zijn, omdat de daarin opgenomen uitzondering anders niet van toepassing kan zijn. Aangezien het aanvankelijk openbaar gemaakte model in casu verschilt van het litigieuze model, maar dezelfde algemene indruk wekt als het litigieuze model, is deze bepaling niet van toepassing.

22 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.

23 Om te beginnen zij erop gewezen dat, zoals uit punt 19 hierboven blijkt, artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 allereerst bepaalt dat „[o]penbaarmaking […] voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 [van deze verordening] niet in aanmerking [wordt] genomen” indien aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan. Vervolgens wordt daarin gepreciseerd dat het gaat om de situatie waarin „een model waarvoor aanspraak op bescherming als ingeschreven gemeenschapsmodel wordt gemaakt, voor het publiek beschikbaar is gesteld”. Tot slot wordt bepaald dat deze openbaarmaking moet zijn verricht „door de ontwerper [of] zijn rechtverkrijgende” [artikel 7, lid 2, onder a), van verordening nr. 6/2002] en „gedurende het tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan de datum van indiening van de aanvrage” [artikel 7, lid 2, onder b), van deze verordening] (hierna: „respijtperiode”).

24 Uit artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 blijkt dus dat de hierin neergelegde uitzondering inzake openbaarmaking geldt zowel met betrekking tot de in artikel 5 van deze verordening neergelegde beschermingsvoorwaarde in verband met de „nieuwheid” van een model als met betrekking tot de in artikel 6 ervan neergelegde beschermingsvoorwaarde in verband met het „eigen karakter” van een model.

25 Wat deze beschermingsvoorwaarden betreft, zij eraan herinnerd dat volgens de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002 een model als nieuw wordt beschouwd indien geen identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld, en een model wordt geacht een eigen karakter te hebben indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld.

26 Daar waar het ontbreken van nieuwheid in de zin van artikel 5 van verordening nr. 6/2002 dus betekent dat een identiek model openbaar is gemaakt, betekent het ontbreken van een eigen karakter in de zin van artikel 6 van deze verordening dat een model openbaar is gemaakt dat bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekt.

27 Uit de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 2, van deze verordening, volgt dus dat indien aan de voorwaarden van deze laatste bepaling is voldaan, geen rekening wordt gehouden met de openbaarmaking van een identiek model (voor de toepassing van artikel 5 ervan) of van een model dat dezelfde algemene indruk wekt (voor de toepassing van artikel 6 ervan).

28 Bijgevolg is het inherent aan de toepassing van artikel 7, lid 2, juncto artikel 6 van verordening nr. 6/2002 dat de openbaarmaking die bij het onderzoek van het eigen karakter buiten beschouwing kan worden gelaten, een ouder model betreft dat dezelfde algemene indruk wekt als het litigieuze model. Alleen wanneer de betrokken uitzondering in verband met artikel 5 van deze verordening wordt toegepast in het kader van het onderzoek van de nieuwheid, betreft de openbaarmaking die mogelijkerwijs niet in aanmerking wordt genomen immers een ouder model dat identiek is aan het litigieuze model.

29 Bovendien kan het ontbreken van eigen karakter concreet gezien ook voortvloeien uit de openbaarmaking van een identiek ouder model, aangezien een dergelijk model geen andere algemene indruk kan wekken. Om aan de voorwaarde inzake het eigen karakter te voldoen, moet het litigieuze model immers sterker van oudere modellen verschillen dan om aan de voorwaarde inzake de nieuwheid te voldoen, zodat een model dat niet nieuw is, a fortiori geen eigen karakter kan hebben [zie arrest van 27 april 2022, Group Nivelles/EUIPO – Easy Sanitary Solutions (Doucheafvoergoot), T‑327/20, EU:T:2022:263, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Hoewel het ontbreken van nieuwheid dus doorslaggevend blijkt voor het ontbreken van eigen karakter (arrest van 27 april 2022, Doucheafvoergoot, T‑327/20, EU:T:2022:263, punt 171), neemt dit niet weg dat de voorwaarde inzake het eigen karakter als zodanig niet vereist dat er geen identiek ouder model openbaar is gemaakt, maar dat er geen ouder model openbaar is gemaakt dat dezelfde algemene indruk wekt.

30 Derhalve ziet artikel 7, lid 2, juncto artikel 6 van verordening nr. 6/2002 op de niet-inaanmerkingneming van de openbaarmaking van een ouder model dat dezelfde algemene indruk wekt als het litigieuze model.

31 Anders dan verzoekster stelt, kan overigens de betrokken bepaling, waar deze verwijst naar de situatie waarin „een model waarvoor aanspraak op bescherming als ingeschreven gemeenschapsmodel wordt gemaakt, voor het publiek beschikbaar is gesteld”, niet aldus worden uitgelegd dat het voor het publiek beschikbaar gestelde model (waarvan de openbaarmaking buiten beschouwing kan worden gelaten indien aan de twee voorwaarden van deze bepaling wordt voldaan) „identiek” moet zijn aan het litigieuze model of „hetzelfde” model moet zijn als het litigieuze model, zonder rekening te houden met de ruimere bewoordingen, de context en het doel ervan.

32 Er zij immers aan herinnerd dat bij de uitlegging van een Unierechtelijk begrip niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling waarin dit begrip is opgenomen, maar ook met de context waartoe dit begrip behoort en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt (arrest van 24 november 2011, Circul Globus Bucureşti,C‑283/10, EU:C:2011:772, punt 32).

33 Zo moet worden vastgesteld dat in artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 niet het woord „identiek” wordt gebruikt en evenmin het begrip „identiteit” of de uitdrukking „hetzelfde model”. Indien de Uniewetgever de toepassing van de betrokken uitzondering had willen beperken tot de openbaarmaking van een „identiek” model of van „hetzelfde” model, zou hij dit uitdrukkelijk hebben aangegeven, zoals hij dat in een andere context heeft gedaan – namelijk in artikel 41, lid 1, van deze verordening – door te spreken van „hetzelfde model”.

34 Door, integendeel, op algemenere wijze te spreken van openbaarmaking van een ingeschreven model, lijkt de Uniewetgever zich ertoe te hebben beperkt een – weliswaar nauw – verband te leggen tussen een ingeschreven model en een model dat eerder door de in artikel 7, lid 2, onder a), van die verordening bedoelde personen openbaar is gemaakt tijdens de in artikel 7, lid 2, onder b), ervan bedoelde respijtperiode. Toch kan op basis van de bewoordingen van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 als zodanig niet worden uitgesloten dat een dergelijk verband geldig kan bestaan zowel wanneer deze modellen identiek zijn als wanneer zij dezelfde algemene indruk wekken, mede gelet op de context van de betrokken bepaling en, meer in het algemeen, de doelstelling ervan.

35 Wat ten eerste de context van de betrokken bepaling betreft, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals in de punten 24 tot en met 28 hierboven is opgemerkt, artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 – net als artikel 7, lid 1, van deze verordening trouwens – zowel naar artikel 5 als naar artikel 6 ervan verwijst en dus naar het onderzoek van zowel de nieuwheid als het eigen karakter van het litigieuze model. Hetzelfde geldt voor overweging 20 van deze verordening, waarvan de draagwijdte in punt 18 hierboven in herinnering is gebracht. Voor het onderzoek van het eigen karakter van het litigieuze model betreft de openbaarmaking die krachtens artikel 7, lid 2, van deze verordening buiten beschouwing kan worden gelaten, een model dat dezelfde algemene indruk wekt als het litigieuze model.

36 Wat ten tweede de doelstelling van de betrokken bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 de belangen van de ontwerper en zijn rechtverkrijgende beoogt te beschermen [arrest van 26 april 2023, Activa – Grillküche/EUIPO – Targa (Grillapparaat), T‑757/21, EU:T:2023:216, punt 28]. Artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 heeft immers tot doel de ontwerper of zijn rechtverkrijgende de mogelijkheid te bieden een model gedurende een periode van twaalf maanden op de markt aan te bieden vooraleer hij de formaliteiten voor indiening van zijn aanvraag moet vervullen. Gedurende dit tijdvak kan de ontwerper of zijn rechtverkrijgende een idee krijgen van het commerciële succes van het betrokken model vooraleer hij kosten voor inschrijving ervan maakt, zonder dat hij ervoor moet vrezen dat openbaarmaking op deze wijze met succes kan worden aangevoerd in het kader van een nietigheidsprocedure die wordt ingesteld na eventuele inschrijving van het betrokken model [arrest van 14 juni 2011, Sphere Time/BHIM – Punch (Horloge aan halslint), T‑68/10, EU:T:2011:269, punten 24 en 25].

37 Voorts zij eraan herinnerd dat volgens overweging 7 van verordening nr. 6/2002 het systeem van gemeenschapsmodellenbescherming bedoeld is om innovatie, ontwikkeling van nieuwe voortbrengselen en investeringen in de productie ervan aan te moedigen.

38 De in de punten 18, 36 en 37 hierboven genoemde doelstellingen zouden in gevaar komen indien de ontwerper of zijn rechtverkrijgende die van de respijtperiode gebruik wil maken, na het model op de markt te hebben getest sowieso verplicht zou zijn om inschrijving aan te vragen van het model zoals het aanvankelijk op de markt is getest, zonder rekening te kunnen houden met de concrete resultaten van die test en het model eventueel aan te passen om het commerciële succes ervan te garanderen, en dus zonder de inschrijving te kunnen aanvragen van een model dat niet identiek is maar dezelfde algemene indruk wekt als het aanvankelijk op de markt geteste model.

39 De door verzoekster voorgestane uitlegging zou immers impliceren dat de ontwerper of zijn rechtverkrijgende bij inschrijving van een model dat niet identiek is aan het op de markt geteste model het risico loopt dat hem in een nietigheidsprocedure wordt tegengeworpen dat hij dit oudere model tijdens de respijtperiode openbaar heeft gemaakt.

40 Een dergelijke uitlegging zou dus in strijd zijn met het doel van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en meer in het algemeen met het systeem van gemeenschapsmodellenbescherming, dat bedoeld is om de ontwerper in staat te stellen een model op de markt te testen en innovatie en productontwikkeling te bevorderen.

41 Uit al het voorgaande volgt dat, anders dan verzoekster stelt, voor de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 juncto artikel 6 van deze verordening niet vereist is dat het oudere model waarvan de openbaarmaking mogelijkerwijs niet in aanmerking wordt genomen, identiek is aan het litigieuze model.

42 Het derde onderdeel van het enige middel moet dan ook worden afgewezen.

Eerste onderdeel van het enige middel: onjuiste verdeling van de bewijslast

43 Verzoekster betoogt dat het aan de partij staat die zich op de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 beroept om te bewijzen dat deze uitzondering van toepassing is en dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. In casu heeft de kamer van beroep echter de volledige bewijslast bij verzoekster gelegd. Aangezien interveniënte niet aan haar bewijsplicht heeft voldaan, hoefde verzoekster de toepassing van deze bepaling niet te weerleggen.

44 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.

45 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat wanneer de partij die nietigverklaring vordert zich op de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder b), van verordening nr. 6/2002 beroept, zij de bewijselementen dient over te leggen waaruit blijkt dat het betwiste model niet voldoet aan de voorwaarden die in de artikelen 4 tot en met 9 van deze verordening zijn vastgesteld (arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punt 60).

46 In het bijzonder moeten de aangevoerde bewijzen rechtens genoegzaam kunnen aantonen dat het oudere model daadwerkelijk voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van indiening van de aanvraag tot inschrijving van het betwiste model [arrest van 21 juni 2018, Haverkamp IP/EUIPO – Sissel (Kiezelstrand als oppervlaktepatroon), T‑228/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:369, punt 27].

47 Opdat artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 in het kader van een nietigheidsprocedure toepassing vindt, moet daarentegen de houder van het model waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, aantonen dat hij ofwel de ontwerper is van het model waarop deze vordering is gesteund, ofwel diens rechtverkrijgende (arrest van 14 juni 2011, Horloge aan halslint, T‑68/10, EU:T:2011:269, punt 26), dat dit model door hemzelf openbaar is gemaakt of door een derde op basis van de door hem verstrekte informatie of genomen maatregelen en dat deze openbaarmaking heeft plaatsgevonden tijdens de respijtperiode.

48 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep om te beginnen in de punten 32 en 33 aangegeven dat de bewijzen die verzoekster ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring had overgelegd, aantoonden dat het oudere D1-model openbaar was gemaakt, wat overigens niet werd betwist door interveniënte.

49 Vervolgens heeft de kamer van beroep in punt 34 van de bestreden beslissing gepreciseerd dat interveniënte evenwel had aangevoerd dat de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 moest worden toegepast. Dienaangaande heeft de kamer van beroep in punt 36 van de bestreden beslissing aangegeven dat de partij die zich op de toepassing van deze uitzondering beroept, de relevante bewijzen dient over te leggen. In punt 37 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep daaraan toegevoegd dat indien de partij die nietigverklaring vordert de toepassing van deze bepaling wilde weerleggen, zij bewijzen ter ondersteuning daarvan moest overleggen.

50 Ten slotte heeft de kamer van beroep op basis van deze overwegingen in de punten 38 tot en met 42 en 44 tot en met 49 van de bestreden beslissing zowel de bewijzen onderzocht die interveniënte ter ondersteuning van de toepassing van de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 had overgelegd, als de opmerkingen die verzoekster had ingediend om de toepassing van deze uitzondering te weerleggen. De kamer van beroep is zo in de punten 43 en 50 van de bestreden beslissing tot de slotsom gekomen dat de door interveniënte ingeroepen uitzondering in casu van toepassing was en dat verzoekster niets had aangevoerd dat aan deze vaststelling kon afdoen.

51 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat het overeenkomstig de in de punten 45 tot en met 47 hierboven aangehaalde rechtspraak om te beginnen aan verzoekster was om aan te tonen dat het litigieuze model niet voldeed aan de beschermingsvoorwaarden en, in het bijzonder allereerst dat het oudere model voor het publiek beschikbaar was gesteld. Vervolgens diende interveniënte zich met betrekking tot de openbaarmaking van het oudere model in voorkomend geval te beroepen op de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 en aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing daarvan vervuld waren.

52 Zoals uit de punten 48 tot en met 50 hierboven blijkt, heeft de kamer van beroep in overeenstemming met deze beginselen eerst vastgesteld dat het oudere D1-model voor het publiek beschikbaar was gesteld – wat interveniënte niet betwist –, en vervolgens onderzocht of de door interveniënte aangevoerde uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 van toepassing was in het licht van de door deze partij overgelegde bewijzen.

53 In de tweede plaats heeft de kamer van beroep, zoals uit de bestreden beslissing en de punten 49 en 50 hierboven blijkt, ook verzoeksters opmerkingen ter weerlegging van de toepassing van die uitzondering onderzocht.

54 Door verzoeksters opmerkingen ter zake en de eventueel ter ondersteuning daarvan overgelegde bewijzen te onderzoeken, heeft de kamer van beroep niet de bewijslast op verzoekster afgewenteld maar het algemene beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging toegepast, en meer in het bijzonder artikel 62 van verordening nr. 6/2002, dat een specifieke toepassing van dit beginsel vormt. De tweede zin van deze bepaling luidt immers dat de beslissingen van het EUIPO slechts kunnen worden genomen op gronden of op basis van bewijzen waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren [zie naar analogie arrest van 21 april 2021, Hasbro/EUIPO – Kreativni Dogadaji (MONOPOLY), T‑663/19, EU:T:2021:211, punt 119]. Overigens moet worden vastgesteld dat verzoekster voor het Gerecht noch schending van dat beginsel noch schending van die bepaling heeft aangevoerd.

55 Bovendien heeft verzoekster ongelijk door te suggereren dat zij slechts naar behoren opmerkingen kenbaar kan maken indien de toelichtingen en de bewijzen die interveniënte ter rechtvaardiging van de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aandraagt, een bepaald niveau van geloofwaardigheid en coherentie hebben. Integendeel, verzoekster heeft met haar opmerkingen juist de mogelijkheid om de aandacht van de instanties van het EUIPO te vestigen op de redenen waarom zij van mening is dat de toelichtingen en bewijzen van interveniënte ongeloofwaardig en incoherent zijn. Bijgevolg heeft de vermeende omstandigheid dat de toelichtingen en bewijzen van interveniënte volgens verzoekster weinig geloofwaardig en incoherent waren, haar niet belet om naar behoren opmerkingen kenbaar te maken en evenmin geleid tot een omkering van de bewijslast in haar nadeel.

56 Het is juist dat de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissing lijkt te suggereren dat de partij die de toepassing van de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 wil weerleggen, bewijsmateriaal moet overleggen. Toch kan deze – spijtig genoeg onduidelijke – vermelding niet aldus worden opgevat dat een dergelijke partij, zoals in casu verzoekster, noodzakelijkerwijs bewijzen moet overleggen ter ondersteuning van haar opmerkingen, aangezien zij zich in voorkomend geval kan beperken tot het formuleren van opmerkingen over de toelichtingen en bewijzen die zijn aangedragen door de partij die zich op de toepassing van die uitzondering beroept.

57 Hoe dan ook zij eraan herinnerd dat het door de kamer van beroep in casu verrichte onderzoek zowel betrekking had op de toelichtingen en bewijzen die interveniënte ter rechtvaardiging van de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 heeft aangedragen, als de opmerkingen die verzoekster heeft ingediend om de toepassing daarvan te weerleggen.

58 Uit het voorgaande volgt dat de kamer van beroep, anders dan verzoekster stelt, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de verdeling van de bewijslast en deze bewijslast niet ten onrechte op verzoekster heeft afgewenteld.

59 Derhalve moet het eerste onderdeel van het enige middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel van het enige middel: onjuiste analyse van het bewijsmateriaal

60 Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep zich ten onrechte heeft gebaseerd op de door interveniënte aangedragen bewijzen, die incoherent zijn. Ten eerste zijn het model dat op de beurs van maart 2016 openbaar zou zijn gemaakt (opgenomen in bijlage R8 in de procedure bij het EUIPO) en het litigieuze model niet identiek, aangezien zij een aantal verschillen vertonen wat betreft de bovenkant van de gloeidraad, het aantal lussen, de hoogte van de glazen steel en de positie van het uiteinde van de gloeidraad. Ten tweede bevat de verklaring van de getuige (die is overgelegd in bijlage R10 in de procedure bij het EUIPO) onjuiste informatie: de afbeelding van het peertje in bijlage 1 bij die verklaring is niet identiek aan het litigieuze model, aangezien het duidelijke verschillen vertoont wat betreft de lusplaat, het traject van de gloeidraad, de eindpositie van de gloeidraad en de totale hoogte van de lussen. Ten derde zijn het oudere D1-model en het litigieuze model niet identiek. De glazen stelen hebben een andere lengte en de positie en het traject van het bovenste gedeelte van de lus verschillen. Ook kunnen de verschillen in de vorm van de gloeidraad niet worden verklaard door het feit dat de peertjes branden en het licht reflecties op het glas veroorzaakt. Tot slot had de kamer van beroep volgens verzoekster moeten oordelen dat het bewijsmateriaal incoherent en weinig overtuigend was, aangezien daaruit blijkt dat er vier verschillende peertjes met een spiraalvormige gloeidraad bestaan (die zijn weergegeven in het litigieuze model, in het oudere D1-model, in bijlage R8 en in bijlage R10).

61 Het EUIPO en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.

62 Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekster dus in wezen betoogt dat het oudere D1-model en het litigieuze model niet identiek zijn en dat de peertjes in de bijlagen R8 en R10 verschillen van het peertje dat wordt weergegeven in het litigieuze model.

63 In de eerste plaats zij erop gewezen dat verzoeksters argument dat het litigieuze model en het oudere D1-model niet identiek zijn, kennelijk in tegenspraak is met de inhoud van de vordering tot nietigverklaring die zij zelf bij het EUIPO heeft ingesteld, in het kader waarvan zij had aangevoerd dat deze modellen identiek waren. Ondervraagd over dit punt ter terechtzitting heeft verzoekster uitgelegd dat deze modellen volgens haar alleen identiek waren in de zin van artikel 5 van verordening nr. 6/2002. Het volstaat echter erop te wijzen dat de beoordeling van de identiteit van de twee modellen niet kan verschillen naargelang van de in aanmerking genomen bepalingen van deze verordening, te weten artikel 5, enerzijds, en artikel 7, lid 2, juncto artikel 6, anderzijds.

64 Verzoeksters betoog berust overigens op een onjuiste premisse.

65 Zoals uit het onderzoek van het derde onderdeel van het enige middel in de punten 23 tot en met 41 hierboven blijkt, vereist de toepassing van artikel 7, lid 2, juncto artikel 6 van verordening nr. 6/2002 immers niet dat het oudere model (waarvan de openbaarmaking mogelijkerwijs niet in aanmerking wordt genomen) identiek is aan het litigieuze model. Integendeel, uit deze bepalingen blijkt dat zij ook zien op de openbaarmaking van een ouder model dat dezelfde algemene indruk wekt als het litigieuze model.

66 Voorts moet hoe dan ook worden opgemerkt dat de argumenten van verzoekster, voor zover zij wil aanvoeren dat de conflicterende modellen weliswaar dezelfde algemene indruk wekken maar verschillen vertonen waardoor niet kan worden geoordeeld dat zij identiek zijn, niet ter zake dienend zijn voor de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002.

67 Uit de rechtspraak blijkt immers dat de kwestie van de openbaarmaking van een ouder model niet alleen een essentiële kwestie is, maar ook een preliminaire kwestie waarvan de opheldering noodzakelijk is voor de juiste toepassing van de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002 [arrest van 23 oktober 2018, Mamas and Papas/EUIPO – Wall-Budden (Stootranden voor kinderbedjes), T‑672/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:707, punt 30]. Aldus volgt uit de bewoordingen van de artikelen 5 en 6 van verordening nr. 6/2002 dat een model slechts met een ander dient te worden vergeleken, teneinde de nieuwheid en het eigen karakter van het eerste model na te gaan, indien het tweede beschikbaar is gesteld voor het publiek (arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punt 127) en die openbaarmaking niet buiten beschouwing moet worden gelaten krachtens artikel 7, lid 2, van die verordening.

68 Verzoeksters argumenten over de vergelijking van het litigieuze model met het oudere D1-model kunnen dan ook in geen geval afdoen aan de vaststelling van de kamer van beroep dat de openbaarmaking van het oudere D1-model overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002 tijdens de respijtperiode gebeurde door een derde op basis van door de ontwerper verstrekte informatie of genomen maatregelen. Deze vaststelling van de kamer van beroep, die gaat over de toepassingsvoorwaarden van die bepaling, heeft immers betrekking op de context van de openbaarmaking van het oudere D1-model en niet op de vraag of de conflicterende modellen identiek zijn of dezelfde algemene indruk wekken in de zin van de artikelen 5 en 6 van die verordening.

69 In de tweede plaats moet ook verzoeksters betoog dat de door interveniënte in de bijlagen R8 en R10 bij het EUIPO overgelegde bewijzen incoherent zijn omdat zij andere peertjes weergeven dan het peertje dat in het litigieuze model wordt afgebeeld, als niet ter zake dienend worden afgewezen voor de toepassing van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002. Het onderzoek dat de kamer van beroep in dit verband heeft verricht, was immers niet bedoeld om uit te maken of de door interveniënte bij het EUIPO overgelegde bewijzen identieke modellen weergaven of dezelfde algemene indruk wekten als het litigieuze model, maar veeleer of deze bewijzen aantoonden dat het oudere model openbaar was gemaakt met inachtneming van de in die bepaling gestelde voorwaarden.

70 Zo heeft de kamer van beroep in casu, op basis van een onderzoek van de door interveniënte overgelegde bewijzen, in de punten 42 en 43 van de bestreden beslissing geoordeeld dat deze bewijzen aantoonden dat de openbaarmaking van het oudere D1-model was gebeurd door een derde onderneming op basis van de door interveniënte verstrekte informatie en dat de uitzondering van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bijgevolg van toepassing was, zodat de openbaarmaking van het oudere D1-model niet in aanmerking mocht worden genomen.

71 Het is juist dat de kamer van beroep in punt 47 van de bestreden beslissing in antwoord op een argument van verzoekster heeft aangegeven dat uit bijlage R8 bleek dat „het tijdens de beurs in Duitsland gepresenteerde model dezelfde algemene indruk [wekte] als het litigieuze [model]”. Niettemin moet worden geconstateerd dat de kamer van beroep geenszins verplicht was om deze beoordeling te verrichten, die trouwens geen invloed heeft gehad op het onderzoek of de voorwaarden van artikel 7, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002 vervuld waren. De bewijzen die interveniënte bij het EUIPO heeft overgelegd om de toepassing van deze bepaling te rechtvaardigen, gingen immers niet over het litigieuze model maar over de context van de openbaarmaking van het oudere D1-model.

72 Anders dan verzoekster op vage of niet-onderbouwde wijze stelt, kan de vergelijking van de peertjes in de bijlagen R8 en R10 met het litigieuze model dus geenszins aantonen dat de door interveniënte verstrekte informatie over de context van de openbaarmaking van het oudere D1-model onnauwkeurig of onjuist was.

73 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters argumenten geen afbreuk kunnen doen aan het onderzoek van het bewijsmateriaal door de kamer van beroep of, meer in het algemeen, aan haar beoordeling of in casu was voldaan aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, onder a) en b), van verordening nr. 6/2002.

74 Het tweede onderdeel van het enige middel moet dus worden afgewezen.

75 Gelet op een en ander is verzoeksters enige middel ongegrond en dient het beroep bijgevolg in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

76 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

77 Aangezien een terechtzitting heeft plaatsgevonden en verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het EUIPO en interveniënte te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Lidl Vertriebs GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.

Marcoulli Valasidis Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 maart 2025. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken