Gerecht EU 29 januari 2025, T-334/22, ECLI:EU:T:2025:109
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid)
29 januari 2025 ( *1 ) ( i )
„Beroep tot nietigverklaring – Staatssteun – Postsector – Kapitaalinbreng in Post Danmark – Besluit tot vaststelling dat er geen sprake is van staatssteun – Kapitaalinbreng in PostNord – Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard – Niet individueel geraakt – Geen wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑334/22,
Danske Fragtmænd A/S, gevestigd te Åbyhøj (Denemarken), vertegenwoordigd door L. Sandberg-Mørch, advocaat,
verzoekende partij,
ondersteund door
UPS Europe NV/SA, gevestigd te Brussel (België),
en
Dansk Avis Omdeling A/S, gevestigd te Vejle (Denemarken),
vertegenwoordigd door L. Sandberg-Mørch,
interveniënten,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Carpi Badía en L. Nicolae als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door C. Maertens als gemachtigde, bijgestaan door R. Holdgaard, advocaat,
door
Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz, F.‑L. Göransson, H. Eklinder en R. Shahsavan Eriksson als gemachtigden,
en door
Post Danmark A/S, gevestigd te Kopenhagen (Denemarken),
PostNord Group AB, gevestigd te Solna (Zweden),
vertegenwoordigd door O. Koktvedgaard, advocaat,
interveniënten,
wijst
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, R. da Silva Passos (rapporteur), N. Półtorak, I. Reine en T. Pynnä, rechters,
griffier: A. Marghelis, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 20 september 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vraagt verzoekster, Danske Fragtmænd A/S, om nietigverklaring van besluit (EU) 2022/459 van de Commissie van 10 september 2021 betreffende de steunmaatregelen SA.49668 (2019/C) (ex 2017/FC) en SA.53403 (2019/C) (ex 2017/FC) die door Denemarken en Zweden zijn toegekend aan PostNord AB en Post Danmark A/S (PB 2022, L 93, blz. 146; hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is een vennootschap naar Deens recht die onder meer actief is op de Deense markt voor goederenvervoer over de weg en pakketbezorging.
3 PostNord AB is een vennootschap die als kernactiviteit de bezorging van brieven heeft. Zij is hoofdzakelijk actief op de Zweedse, de Deense, de Noorse en de Finse markten voor postdiensten. Het aandelenkapitaal van PostNord is voor 40 % in handen van het Koninkrijk Denemarken en voor 60 % van het Koninkrijk Zweden. Elk van de twee aandeelhoudersstaten heeft 50 % van de stemrechten. PostNord is voor 100 % eigenaar van PostNord Group AB.
4 Post Danmark is een volle dochteronderneming van PostNord Group en is actief op de Deense en buitenlandse markten voor postdiensten. Sinds de liberalisering van de Deense markt in 2011 concurreert Post Danmark met andere postexploitanten.
5 Als gevolg van met name de ontwikkelingen op het gebied van digitalisering van correspondentie is de omzet van Post Danmark tussen 2009 en 2019 met 55 % gedaald. Sinds 2012 lijdt de onderneming verlies.
6 Op 20 oktober 2017 hebben het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden een bilaterale overeenkomst gesloten met de titel „Agreement between the Kingdom of Sweden and the Kingdom of Denmark regarding [PostNord]” (hierna: „overeenkomst van oktober 2017”). Hierin worden meerdere maatregelen beschreven ten gunste van PostNord en Post Danmark om het hoofd te bieden aan de uitdagingen van de digitalisering in Denemarken en om het nieuwe productiemodel opgesteld door de bestuursraad van PostNord uit te voeren. Volgens deze overeenkomst moet het nieuwe productiemodel met name worden gefinancierd met twee kapitaalinjecties door het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden in PostNord, en een interne bijdrage van PostNord Group aan Post Danmark.
7 Het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden hebben elk afzonderlijk een kapitaalinjectie in PostNord verricht van respectievelijk 267 miljoen Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 23,1 miljoen EUR) en 400 miljoen SEK (ongeveer 34,6 miljoen EUR). PostNord Group heeft een kapitaalinjectie in Post Danmark verricht van 2,339 miljard Deense kronen (DKK) (ongeveer 313,6 miljoen EUR) (hierna samen: „in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties”).
8 Op 27 november 2017 heeft een brancheorganisatie van vennootschappen naar Deens recht die actief zijn in de logistieke en wegvervoersector in Denemarken (Brancheorganisation for den danske vejgodstransport – ITD) bij de Europese Commissie geklaagd dat de Deense en de Zweedse autoriteiten door een aantal reeds genomen of nog te nemen maatregelen onrechtmatige staatssteun hadden verleend of zouden verlenen aan Post Danmark. Tot die maatregelen behoorden de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
9 Op 14 juni 2019 heeft de Commissie besloten om de formele onderzoekprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
10 Na afloop van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie op 10 september 2021 het bestreden besluit vastgesteld. Daarin heeft zij verklaard dat de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties drie verschillende maatregelen vormden die afzonderlijk moesten worden beoordeeld. De Commissie was van mening dat de kapitaalinjectie van PostNord Group in Post Danmark geen toekenning van een voordeel inhield en dat deze maatregel dus geen staatssteun vormde. Zij heeft daarentegen vastgesteld dat de kapitaalinjecties van het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden in PostNord wel onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare staatssteun vormden, en heeft de terugvordering ervan bij PostNord gelast.
Conclusies van partijen
11 Verzoekster vraagt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie, het Koninkrijk Zweden en het Koninkrijk Denemarken te verwijzen in de kosten.
12 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
13 Het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden verzoeken het Gerecht het beroep te verwerpen.
14 Post Danmark en PostNord Group verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
15 UPS Europe NV/SA verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.
16 Dansk Avis Omdeling A/S heeft geen memorie in interventie ingediend.
In rechte
17 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk Zweden, Post Danmark en PostNord Group, stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoekster geen procesbevoegdheid heeft. Verzoekster heeft met name niet aangetoond dat haar marktpositie wezenlijk was aangetast door de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
18 Verzoekster betoogt dat zij wel degelijk procesbevoegd is. De in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties hebben haar concurrentiepositie op de markt voor postdiensten in Denemarken en de noordse landen wezenlijk aangetast. Zo hebben die injecties Post Danmark in staat gesteld „haar prijzen te laten zakken onder die van de concurrentie”. Verzoekster stelt dat zij door deze kapitaalinjecties een aanzienlijk aantal klanten heeft verloren en bijgevolg haar marktaandeel met 30 % heeft zien dalen, hetgeen zij heeft aangetoond.
19 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en tweede alinea van dat artikel vastgestelde voorwaarden beroep kan instellen tegen handelingen die aan hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.
20 Ten eerste is in het onderhavige geval het bestreden besluit, zoals blijkt uit artikel 7 ervan, uitsluitend gericht aan het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden, en niet aan verzoekster. Het onderhavige beroep kan dus niet uit hoofde van artikel 263, vierde alinea, eerste zinsdeel, VWEU ontvankelijk worden verklaard.
21 Ten tweede hebben de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties een individueel karakter. Het bestreden besluit kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een regelgevingshandeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsdeel, VWEU (zie in die zin beschikking van 10 oktober 2017, Greenpeace Energy/Commissie, C‑640/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:752, punt 26, en arrest van 3 december 2014, Castelnou Energía/Commissie, T‑57/11, EU:T:2014:1021, punt 23). Het onderhavige beroep kan dus niet op die grond ontvankelijk worden verklaard.
22 Bijgevolg is het onderhavige beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien verzoekster overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, tweede zinsdeel, VWEU rechtstreeks en individueel wordt geraakt door het bestreden besluit, waarbij deze twee voorwaarden cumulatief zijn.
23 In het onderhavige geval acht het Gerecht het passend eerst te onderzoeken of aan de voorwaarde van individuele geraaktheid is voldaan.
24 Volgens vaste rechtspraak kunnen degenen die niet de adressaat van een besluit zijn, slechts stellen individueel te worden geraakt, indien dit besluit hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie arrest van 22 november 2007, Sniace/CommissieC‑260/05 P, EU:C:2007:700, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25 Meer in het bijzonder op het gebied van staatssteun moet de verzoeker die ten gronde opkomt tegen een aan het einde van de formele onderzoeksprocedure vastgesteld besluit tot beoordeling van de steun, een bijzondere status in de zin van de in punt 24 hierboven aangehaalde rechtspraak aantonen. Daarvan is met name sprake wanneer de positie van de verzoeker op de betrokken markt wezenlijk wordt aangetast door de steun waarop het betrokken besluit betrekking heeft (zie arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26 De wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie van de verzoeker op de betrokken markt blijkt niet uit een grondige analyse van de verschillende concurrentieverhoudingen op deze markt waardoor nauwkeurig kan worden vastgesteld in hoeverre zijn concurrentiepositie is aangetast, maar blijkt in beginsel uit een prima-facievaststelling dat deze positie wezenlijk wordt aangetast door de toekenning van de maatregel waarop het besluit van de Commissie betrekking heeft (arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 58).
27 Daaruit volgt dat aan die voorwaarde kan zijn voldaan zodra de verzoeker aantoont dat de betrokken maatregel zijn positie op de markt in kwestie wezenlijk kán aantasten (zie arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 Wat betreft de vaststelling of de positie op de markt merkbaar is aangetast, moet eraan worden herinnerd dat de enkele omstandigheid dat een handeling een bepaalde invloed kan hebben op de concurrentieverhoudingen zoals die op de relevante markt bestaan en dat de betrokken onderneming op enigerlei wijze concurreert met de begunstigde van deze handeling, hoe dan ook niet volstaat om die onderneming als door deze handeling individueel geraakt te kunnen beschouwen. Een onderneming kan zich dus niet louter op de hoedanigheid van concurrent van de begunstigde onderneming beroepen (zie arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
29 Voorts zij erop gewezen dat het bewijs van een wezenlijke aantasting van de marktpositie van een concurrent niet uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van bepaalde elementen die wijzen op een terugloop van de commerciële of financiële prestaties van de verzoekende partij, zoals een aanzienlijke daling van de omzet, niet te verwaarlozen financiële verliezen of een aanmerkelijke daling van het marktaandeel vanwege de toekenning van de desbetreffende steun. De toekenning van staatssteun kan de concurrentiepositie van een ondernemer ook op andere manieren aantasten, met name in de vorm van winstderving of een minder positieve ontwikkeling dan die waarvan zonder de betrokken steun sprake zou zijn geweest (zie arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30 In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht of verzoekster, op wie, zoals in herinnering is gebracht in punt 27 hierboven, de bewijslast rust, heeft aangetoond dat zij individueel wordt geraakt door het bestreden besluit.
31 Bij het onderzoek of verzoekster heeft aangetoond dat zij individueel wordt geraakt door het bestreden besluit, moet worden vastgesteld dat volgens haar alle in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties op 20 oktober 2017 aan Post Danmark zijn toegekend, en dat zij naar eigen zeggen concurreert met deze laatste.
32 Wat in de eerste plaats verzoeksters rol in de administratieve procedure bij de Commissie betreft, stelt verzoekster terecht dat zij een actieve rol heeft gespeeld. Verzoekster heeft immers als belanghebbende opmerkingen ingediend in het kader van de formele onderzoeksprocedure. Uit de enkele deelname van verzoekster aan de administratieve procedure kan echter hoe dan ook niet worden geconcludeerd dat zij individueel is geraakt door het bestreden besluit, ook al heeft zij een belangrijke rol gespeeld in die administratieve procedure (zie in die zin arrest van 12 april 2019, Deutsche Lufthansa/Commissie, T‑492/15, EU:T:2019:252, punt 143 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Wat in de tweede plaats de wezenlijke aantasting van haar marktpositie betreft, stelt verzoekster, zoals in punt 18 hierboven is aangegeven, dat zij een aanzienlijk aantal klanten en ongeveer 30 % marktaandeel heeft verloren doordat Post Danmark „haar prijzen heeft laten zakken onder die van de concurrentie” dankzij de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties. In repliek heeft verzoekster ook betoogd dat de toekenning van de betrokken kapitaalinjecties had geleid tot een gedragsverandering bij de klanten, die hadden besloten geen beroep meer te doen op haar diensten. Zo beweert verzoekster dat zij vóór die kapitaalinjecties klanten verloor aan verschillende concurrenten, terwijl zij nadien bijna uitsluitend aan Post Danmark klanten heeft verloren.
34 Om haar betoog te staven heeft verzoekster drie lijsten van klanten overgelegd die haar tussen januari 2016 en november 2021 zouden hebben verlaten en naar PostNord zouden zijn overgestapt. Volgens haar hebben deze klanten bij hun overstap naar PostNord met name een beroep gedaan op de door Post Danmark aangeboden diensten. Meer in het bijzonder heeft de eerste lijst betrekking op de periode van januari 2016 tot oktober 2018. De tweede lijst, die de eerste gedeeltelijk overlapt, bestrijkt de periode van januari 2018 tot juni 2019. De derde lijst bestrijkt tot slot de periode van oktober 2019 tot november 2021 (hierna: „lijsten van zogezegd aan PostNord verloren klanten”).
35 In dit verband moet ten eerste worden vastgesteld dat verzoeksters stelling dat zij ongeveer 30 % marktaandeel heeft verloren, moet worden verworpen, aangezien deze niet door een begin van bewijs wordt ondersteund.
36 Wat ten tweede het betoog betreft dat verzoekster in repliek heeft gevoerd met betrekking tot de vermeende gedragsverandering van de klanten, die zouden hebben besloten om geen beroep meer te doen op haar diensten, moet worden opgemerkt dat zij verwijst naar de lijsten van zogezegd aan PostNord verloren klanten. De eerste van deze lijsten, die gedeeltelijk de periode vóór de toekenning van de betrokken maatregelen bestrijkt, wijst meerdere ondernemingen aan waarop de voormalige klanten van verzoekster een beroep zouden hebben gedaan, in tegenstelling tot de twee andere lijsten, die enkel PostNord noemen.
37 Verzoekster heeft echter in antwoord op een maatregel tot organisatie van de procesgang en ter terechtzitting erkend dat alle in de eerste lijst genoemde klanten ook verloren waren gegaan aan PostNord, met inbegrip van de klanten die in verband waren gebracht met andere concurrerende ondernemingen, aangezien deze in werkelijkheid onderaannemers van PostNord waren.
38 In het licht van het betoog van verzoekster moeten dus alle lijsten van zogezegd aan PostNord verloren klanten worden opgevat als lijsten van klanten die verzoekster hebben verlaten om uitsluitend over te stappen naar PostNord of haar onderaannemers. Gelet op dit betoog kunnen die lijsten dus niet worden uitgelegd als bewijs van een gedragsverandering van deze klanten als gevolg van de toekenning van de betrokken maatregelen.
39 Hieruit volgt dat verzoeksters argument dat zij vóór de toekenning van de betrokken maatregelen klanten aan meerdere concurrenten verloor, terwijl zij na de toekenning van deze maatregelen uitsluitend klanten aan PostNord en meer in het bijzonder aan Post Danmark verloor, de vermeende begunstigde van die maatregelen, bij gebrek aan ander bewijs ter ondersteuning ervan moet worden verworpen zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan, die door de Commissie wordt betwist.
40 Wat ten derde verzoeksters argument betreft dat zij een aanzienlijk aantal klanten aan PostNord heeft verloren als gevolg van de toekenning van de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties, moet het volgende worden opgemerkt.
41 Gesteld dat de lijsten van zogezegd aan PostNord verloren klanten volstaan om aan te tonen dat het op het eerste gezicht aannemelijk is dat de concurrentiepositie van verzoekster wezenlijk is aangetast in de zin van de in punt 26 hierboven aangehaalde rechtspraak, dan nog moet worden beoordeeld of verzoekster er overeenkomstig de op haar rustende bewijslast in is geslaagd om aan te tonen dat deze wezenlijke aantasting van haar concurrentiepositie kon voortvloeien uit de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
42 Zelfs indien wordt aangenomen dat verzoekster in de lijsten van zogezegd aan PostNord verloren klanten, de klanten die haar hebben verlaten om over te stappen naar PostNord correct heeft aangewezen, en terecht van mening was dat zij met name een beroep deden op de diensten van Post Danmark, de vermeende begunstigde van de betrokken maatregelen, toont zij toch niet rechtens genoegzaam aan dat er een correlatie kan bestaan tussen het beweerde verlies van klanten aan PostNord en de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
43 Allereerst blijkt immers uit de door verzoekster overgelegde gegevens dat zij 22 klanten aan PostNord zou hebben verloren in 2016, 26 klanten in 2017, 19 klanten in 2018, 21 klanten in 2019, 13 klanten in 2020 en 14 klanten in 2021. Derhalve kan worden vastgesteld dat het klantenverlies dat verzoekster zou hebben geleden tussen 2016 en 2019 relatief stabiel was, ondanks de toekenning van de betrokken maatregelen. Vanaf 2018 is het aantal klanten dat verzoekster aan PostNord zou hebben verloren zelfs geringer dan in 2016. Bij gebreke van andere verklaringen aan de hand waarvan met name de verstrekte cijfers in een context kunnen worden geplaatst, toont verzoekster niet aan dat deze cijfers wijzen op een plausibel oorzakelijk verband tussen het beweerde klantenverlies en de betrokken maatregelen.
44 Vervolgens moet worden vastgesteld dat verzoekster geen begin van bewijs heeft geleverd ter ondersteuning van haar argument dat het beweerde klantenverlies meer in het bijzonder het gevolg was van dumpingprijzen of van lagere prijzen dan die van de concurrentie die Post Danmark zou hanteren dankzij de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
45 Hoewel verzoekster ter terechtzitting heeft verklaard dat zij zich bij de Deense regering heeft beklaagd over de door Post Danmark gehanteerde prijzen, heeft zij immers geen bewijs geleverd dat een dergelijke klacht is ingediend. Zij heeft evenmin een besluit overgelegd waarin werd vastgesteld dat Post Danmark dumpingprijzen hanteerde, of zelfs maar een document om het bestaan van een dergelijke praktijk aan te tonen.
46 Wat voorts het argument van verzoekster betreft dat de aanwinst door PostNord van klanten die zij verloor, op zich al aantoont dat er sprake was van dumpingprijzen of van lagere prijzen dan die van de concurrentie, volstaat het eraan te herinneren dat, zoals in punt 43 hierboven is vastgesteld, het beweerde verlies van klanten door verzoekster aan PostNord relatief stabiel was vóór en na de toekenning van de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
47 Bovendien moet ook verzoeksters argument worden afgewezen dat het verlies van een groot aantal klanten aan PostNord volstaat om een oorzakelijk verband aan te tonen tussen dit klantenverlies en de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties. Ter ondersteuning van dit argument beroept verzoekster zich op het arrest van 12 december 2006, Asociación de Estaciones de Servicio de Madrid en Federación Catalana de Estaciones de Servicio/Commissie (T‑146/03, niet gepubliceerd, EU:T:2006:386). In dat arrest heeft het Gerecht erkend dat de concurrentiepositie van de leden van de verzoekende partijen was aangetast wegens het enkele feit dat een van deze leden had aangevoerd dat hij bij 52 van zijn tankstations klanten had verloren, die zich sinds de inwerkingtreding van de bestreden maatregelen bij de begunstigden daarvan bevoorraadden. Uit dat arrest blijkt echter niet dat, zoals in het onderhavige geval, het aantal klanten dat verloren is gegaan ten voordele van de begunstigden van de betrokken maatregelen vóór en na de toekenning van die maatregelen ongeveer gelijk was. Voorts heeft het Gerecht in recentere beslissingen waarin de verzoekende partij een verlies van klanten aan de begunstigde van de betrokken maatregel inriep, vastgesteld dat de verzoekende partij geen informatie had verstrekt waaruit kon worden afgeleid dat dit verlies uit die maatregel voortvloeide (arrest van 12 juni 2014, Sarc/Commissie, T‑488/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:497, punt 54; beschikkingen van 11 april 2018, Abes/Commissie, T‑813/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:189, punt 59, en 17 mei 2019, Deutsche Lufthansa/Commissie, T‑764/15, niet gepubliceerd, EU:T:2019:349, punt 134). In het licht van deze recentere beslissingen moet derhalve worden geoordeeld dat het enkele bestaan van een verlies van klanten ten voordele van PostNord niet volstaat om aan te tonen dat er een correlatie kan bestaan tussen PostNord en de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties.
48 Daarnaast moet worden opgemerkt dat het beweerde klantenverlies mogelijkerwijs kan worden toegeschreven aan andere factoren die zich in 2018 hebben voorgedaan. Uit het interne document „Management Report/Annual Report 2019” van verzoekster, dat is overgelegd door Post Danmark en PostNord Group, blijkt namelijk dat het in 2018 door verzoekster geleden klantenverlies zou kunnen worden verklaard door twee factoren, te weten de invoering door verzoekster van een capaciteitstoeslag en de onbevredigende kwaliteit van de pakketbezorging. Hoewel verzoekster de relevantie van dit interne document ter discussie stelt en voorts aangeeft dat de kwaliteit van de pakketbezorging in 2019 is verbeterd, betwist zij niet dat zij een capaciteitstoeslag heeft ingevoerd en dat de kwaliteit van de pakketbezorging onbevredigend was in 2018, hetgeen in haar eigen interne document is vermeld.
49 Aangezien andere factoren dan de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties het beweerde klantenverlies kunnen verklaren, stond het dus aan verzoekster, op wie de in punt 27 hierboven genoemde bewijslast rust, om gegevens over te leggen waarmee met name kan worden aangetoond dat de wezenlijke aantasting van haar concurrentiepositie kon voortvloeien uit die kapitaalinjecties, ondanks die andere in punt 48 hierboven vermelde factoren. Er moet echter worden vastgesteld dat zij geen dergelijke gegevens heeft overgelegd.
50 Ten slotte hebben Post Danmark en PostNord Group ter terechtzitting aangegeven dat de omzetdaling van verzoekster tussen 2018 en 2019 minder dan 3 % bedroeg, hetgeen niet strookt met het vermeende marktaandeelverlies van 30 % als gevolg van de betrokken maatregelen. Verzoekster heeft niet betwist dat haar omzet tussen 2018 en 2019 slechts met minder dan 3 % was gedaald. Dit cijfer blijkt overigens uit het document „Annual Report 2019”, dat zij zelf tijdens de procedure heeft overgelegd. Het feit dat verzoekster in de betrokken periode ondanks de toekenning van de betrokken maatregelen een relatief constante omzet heeft behaald, lijkt aan te tonen dat deze maatregelen haar positie op de betrokken markt niet wezenlijk kunnen hebben aangetast.
51 In deze omstandigheden heeft verzoekster, zelfs indien wordt aangenomen dat Post Danmark in oktober 2017 heeft geprofiteerd van de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties en met verzoekster concurreerde op de markt voor postdiensten in Denemarken en de noordse landen, niet aangetoond dat haar concurrentiepositie wezenlijk kon worden aangetast door de in de overeenkomst van oktober 2017 vermelde kapitaalinjecties. Hieruit volgt dat zij niet heeft aangetoond dat zij individueel wordt geraakt door het bestreden besluit, zoals de rechtspraak vereist.
52 Gelet op een en ander moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard omdat verzoekster geen procesbevoegdheid heeft, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of zij rechtstreeks wordt geraakt.
Kosten
53 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vorderingen van de Commissie, Post Danmark en PostNord Group te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie, Post Danmark et PostNord Group.
54 Voorts dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten. Het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk Zweden zullen dus hun eigen kosten dragen.
55 Ten slotte kan het Gerecht volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepalen dat een andere dan de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde interveniërende partij haar eigen kosten zal dragen. In het onderhavige geval moet worden beslist dat UPS Europe en Dansk Avis Omdeling, interveniënten ter ondersteuning van verzoeksters conclusies, hun eigen kosten zullen dragen.
HET GERECHT (Vierde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Danske Fragtmænd A/S wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie, Post Danmark A/S en PostNord Group AB.
3) Het Koninkrijk Denemarken, het Koninkrijk Zweden, UPS Europe NV/SA en Dansk Avis Omdeling A/S dragen hun eigen kosten.
Papasavvas da Silva Passos Półtorak Reine Pynnä Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 29 januari 2025. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
( i ) De formulering van een van de trefwoorden van de Nederlandse tekst is gewijzigd na de oorspronkelijke publicatie.