Gerecht EU 19 november 2025, T-563/24, ECLI:EU:T:2025:1048
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer)
19 november 2025 (*)
„ Uniemerk – Procedure inzake vervallenverklaring – Uniebeeldmerk Làv – Artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 – Bewijs van het normale gebruik – Beoordeling van het bewijsmateriaal – Onredelijke en buitensporige bewijslast – Beginsel van behoorlijk bestuur – Artikel 41 van het Handvest van de grondrechten ”
In zaak T‑563/24,
Gürok Turizm ve Madencilik AŞ, gevestigd te Kütahya (Turkije), vertegenwoordigd door J. Erdozain López, J. Vicente Martínez en M. López Camba, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Stoyanova-Valchanova als gemachtigde,
verweerder,
andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO:
Olav GmbH, gevestigd te Keulen (Duitsland),
wijst
HET GERECHT (Derde kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), president, I. Nõmm en D. Kukovec, rechters,
griffier: J. Čuboň, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 7 juli 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Gürok Turizm ve Madencilik AŞ, vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 22 augustus 2024 (zaak R 214/2024‑4) (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoekster is houdster van Uniemerk nr. 011224821, dat op 7 maart 2013 is ingeschreven naar aanleiding van een op 28 september 2012 door Gürallar YAPI Malzemeleri Ve Kimya Sanayii Anonim Sirketi, haar rechtsvoorganger, ingediende aanvraag voor het volgende beeldteken:
3 De waren en diensten waarop het in punt 2 hierboven vermelde merk betrekking heeft, behoren tot de klassen 8, 11, 19, 21, 35, 37 en 39 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn voor elk van deze klassen omschreven als volgt:
– klasse 8: „Handgereedschappen en -instrumenten, met de hand te bedienen; messenmakerswaren, vorken en lepels; blanke wapens; scheerapparaten; tafelgerei gemaakt van edele metalen of hiermee bedekt, te weten, messen, lepels en vorken; niet-elektrische eiersnijders of kaasschaven, pizzamessen, niet-elektrisch, niet-elektrische fruit- en groenteschillers”;
– klasse 11: „Verlichtings-, verwarmings-, stoomopwekkings-, kook-, koel-, droog-, ventilatie- en waterleidingsapparaten en sanitaire installaties; badkuipen, bidets, badinstallaties, douchecabines, urinoirs (sanitaire inrichtingsvoorwerpen), wc’s, toiletten, draagbare; toiletten, gootstenen”;
– klasse 19: „Bouwmaterialen, niet van metaal; onbuigzame buizen, niet van metaal, voor de bouw; asfalt, pek en bitumen; verplaatsbare constructies, niet van metaal; monumenten, niet van metaal; gevormde constructies, bouwmaterialen en wegenbouwmaterialen gemaakt van beton, gips, grond, klei, zand, natuursteen, kunststeen, hout, kunststof of synthetische materialen; constructies, stokken, afsluitingen; natuurlijke of synthetische oppervlaktedeklagen, niet van metaal voor bouw- en constructiedoeleinden in de vorm van platen of stroken (warmte-klevend); glazen blokken voor de bouw, glazen bouwstenen, glazen tegels, glazen borden, glazen panelen voor de bouw”;
– klasse 21: „Gerei en vaatwerk voor de huishouding of de keuken; kammen en sponzen; borstels (uitgezonderd penselen); materialen voor de borstelfabricage; reinigingsmateriaal; staalwol; ruw of halfbewerkt glas (uitgezonderd glas voor bouwdoeleinden); glas-, porselein- en aardewerk voor zover niet begrepen in andere klassen; schotels, bokalen, koektrommels, glazen, kopjes, dienbladen, eierdopjes, koffiekopjes, steelpannen, karaffen, taartvormen, theepotten, tafelservies (anders dan messen, vorken en lepels) gemaakt van glas en porselein, te weten, cimbalen, bekers, borden, peper en zoutstellen, juskommen, drinkkruiken en vazen; beeldjes, beelden en kunstvoorwerpen van glas en porselein”;
– klasse 35: „Reclame; beheer van commerciële zaken; zakelijke administratie; administratieve diensten; het samenbrengen, ten gunste van derden, van een breed scala aan handgereedschappen en -instrumenten (met de hand te bedienen), verlichtings-, verwarmings-, stoomopwekkings-, kook-, koel-, droog-, ventilatieapparaten en sanitaire installaties, bouwmaterialen, onbuigzame buizen, niet van metaal, voor de bouw, verplaatsbare constructies, niet van metaal, monumenten, niet van metaal, gerei of vaatwerk voor de huishouding of de keuken, glaswerk, porselein en aardewerk (uitgezonderd het transport hiervan), om klanten in de gelegenheid te stellen deze goederen op hun gemak te bekijken en te kopen; alle voornoemde diensten aangeboden door detailhandels, groothandels, via postordercatalogussen of via elektronische media, bijvoorbeeld via websites of televisiewinkelprogramma’s”;
– klasse 37: „Bouw; reparaties; installatiewerkzaamheden; constructie; bouw, reparaties en herstelwerkzaamheden”;
– klasse 39: „Transport; verpakking en opslag van goederen; organisatie van reizen; diensten van vervoersbedrijven in de vorm van het organiseren van excursies voor toeristen, diensten van vrachtvervoersbedrijven in de vorm van vrachtmakelaardij, diensten van rederijen in de vorm van vrachtvervoer per schip, diensten van toeristenbureaus in de vorm van diensten van VVV-kantoren en diensten van gidsen, reserveringen en boekingen voor vervoer en reizen en toegangsbewijzen, diensten van reisorganisaties”.
4 Op 8 december 2022 heeft Olav GmbH, de andere partij in de procedure bij de kamer van beroep, op grond van artikel 58, lid 1, onder a), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) een vordering tot vervallenverklaring van het in punt 2 hierboven vermelde merk ingesteld voor alle waren en diensten waarvoor dit merk was ingeschreven, op grond dat dit merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt.
5 Bij beslissing van 28 november 2023 heeft de nietigheidsafdeling de vordering gedeeltelijk toegewezen en het litigieuze merk vervallen verklaard voor alle in punt 3 hierboven vermelde waren, met uitzondering van „vaatwerk voor de huishouding of de keuken; glaswerk voor zover niet begrepen in andere klassen; schotels, bokalen, koektrommels, glazen, kopjes, koffiekopjes, karaffen, tafelservies (andere dan messen, vorken en lepels) gemaakt van glas, te weten, cimbalen, bekers, borden” van klasse 21.
6 Op 28 januari 2024 heeft Olav GmbH krachtens de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling, voor zover het litigieuze merk niet was vervallen verklaard voor de in punt 5 hierboven vermelde waren.
7 Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd, waarbij zij – kort gesteld – heeft geoordeeld dat het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal niet de vereiste bewijswaarde had om de omvang van het gebruik van het litigieuze merk aan te tonen, en dat het ontbreken van nadere toelichting en kruisverwijzingen door verzoekster verhinderde dat dit bewijsmateriaal als deugdelijk, objectief en toereikend kon worden beschouwd.
Conclusies van partijen
8 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:
– de bestreden beslissing te vernietigen voor zover daarbij de vordering tot vervallenverklaring werd toegewezen voor alle waren van klasse 21 waarop het litigieuze merk betrekking heeft;
– het EUIPO te verwijzen in de kosten;
– Olav GmbH te verwijzen in de kosten.
9 Het EUIPO verzoekt het Gerecht de bestreden beslissing te vernietigen.
10 Ter terechtzitting heeft verzoekster haar conclusies aangevuld en het Gerecht subsidiair verzocht de bestreden beslissing te herzien.
11 Bovendien heeft verzoekster ter terechtzitting verklaard dat zij afziet van haar vordering om Olav GmbH in de kosten te verwijzen, aangezien deze vennootschap geen partij was in de procedure bij het Gerecht, zoals is vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting.
In rechte
Ontvankelijkheid van bepaalde vorderingen
Ontvankelijkheid van verzoeksters vordering tot herziening van de bestreden beslissing
12 Ter terechtzitting heeft verzoekster een aanvullende vordering ingesteld, die subsidiair ertoe strekt dat het Gerecht de bestreden beslissing herziet. Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen vast te stellen, overeenkomstig de beoordeling van de nietigheidsafdeling, dat het litigieuze merk normaal is gebruikt op grond van de in de precontentieuze fase overgelegde bewijzen.
13 Krachtens artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat volgens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut en artikel 76 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van toepassing is op de procedure bij het Gerecht, moet het inleidend verzoekschrift met name het voorwerp van het geding vermelden en het petitum bevatten. Het petitum moet nauwkeurig en ondubbelzinnig zijn geformuleerd, om uitspraak door het Gerecht infra of ultra petita en schending van de rechten van de verweerder te voorkomen [zie in die zin en naar analogie arrest van 21 oktober 2015, Petco Animal Supplies Stores/BHIM – Gutiérrez Ariza (PETCO), T‑664/13, EU:T:2015:791, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Bovendien kunnen nieuwe conclusies niet voor het eerst ter terechtzitting worden ingediend, daar de verwerende partijen dan niet de mogelijkheid zouden hebben om een antwoord voor te bereiden, waardoor de rechten van de verdediging zouden worden geschonden (zie in die zin arresten van 17 maart 2005, Commissie/AMI Semiconductor Belgium e.a., C‑294/02, EU:C:2005:172, punt 75, en 15 september 2021, ADR Center/Commissie, T‑364/15, niet gepubliceerd, EU:T:2021:593, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
14 Derhalve kunnen alleen de in het inleidend verzoekschrift uiteengezette conclusies in aanmerking worden genomen en de gegrondheid van het beroep dient uitsluitend te worden onderzocht gelet op de conclusies van het inleidend verzoekschrift. Artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering staat de voordracht van nieuwe middelen enkel toe onder de voorwaarde dat zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Uit de rechtspraak volgt dat deze voorwaarde a fortiori elke wijziging van de conclusies beheerst en dat, bij gebreke van gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de schriftelijke behandeling is gebleken, enkel de conclusies van het verzoekschrift in aanmerking kunnen worden genomen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2015, Petco Animal Supplies Stores/BHIM – Gutiérrez Ariza (PETCO), T‑664/13, EU:T:2015:791, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
15 Het verzoek tot herziening van de bestreden beslissing steunt niet op nieuwe gegevens in de zin van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Bijgevolg kan, gesteld al dat het verzoeksters bedoeling was om haar conclusies ter terechtzitting aan te passen, een dergelijke wijziging in casu niet worden toegestaan bij gebreke van gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de procedure is gebleken.
16 Hieruit volgt dat de door verzoekster subsidiair ingediende vordering tot herziening van de bestreden beslissing, die voor het eerst ter terechtzitting voor het Gerecht is aangevoerd, niet-ontvankelijk is.
Ontvankelijkheid van de vordering waarmee het EUIPO zich aansluit bij verzoeksters conclusies
17 Met zijn enige vordering sluit het EUIPO zich aan bij verzoeksters vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing.
18 Hoewel het EUIPO niet de vereiste procesbevoegdheid heeft om beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep in te stellen, is het evenmin verplicht om stelselmatig elke bestreden beslissing van een kamer van beroep te verdedigen of noodzakelijkerwijs te concluderen tot verwerping van elk beroep tegen een dergelijke beslissing. Niets staat eraan in de weg dat het EUIPO zich aansluit bij een conclusie van de verzoekende partij of zich refereert aan het Gerecht, en daarbij alle argumenten uiteenzet die hem passend lijken om het Gerecht te informeren. Het EUIPO kan daarentegen geen conclusies formuleren die strekken tot vernietiging of wijziging van de beslissing van de kamer van beroep op een punt dat in het verzoekschrift niet is opgeworpen, of niet in het verzoekschrift gestelde middelen aanvoeren [zie arrest van 25 oktober 2005, Peek & Cloppenburg/BHIM (Cloppenburg), T‑379/03, EU:T:2005:373, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
19 In het onderhavige geval moet worden opgemerkt dat verzoekster de kamer van beroep verwijt dat zij in het kader van een procedure inzake vervallenverklaring in feite een zodanig hoge bewijsstandaard heeft opgelegd dat dit neerkomt op een buitensporig en onpraktisch vereiste om het normale gebruik van het litigieuze merk aan te tonen. Bovendien betoogt verzoekster dat de kamer van beroep onterecht heeft geoordeeld dat de bewijzen betreffende de omvang van het gebruik van dit merk onvoldoende waren om dit gebruik als normaal te kunnen aanmerken.
20 Het EUIPO ondersteunt in wezen verzoeksters argument en verwijt de kamer van beroep dat zij in de specifieke feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval een onredelijke bewijsstandaard heeft opgelegd, zodat de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
21 Hieruit volgt dat de enige vordering, waarmee het EUIPO zich aansluit bij verzoeksters vordering tot vernietiging, ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien deze vordering en de ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten binnen het kader blijven van de door verzoekster aangevoerde vorderingen en argumenten.
Ten gronde
22 Verzoekster voert één enkel middel aan, namelijk schending van artikel 58, leden 1 en 2, van verordening 2017/1001. Zij verwijt de kamer van beroep in wezen dat deze heeft geoordeeld dat de omvang van het gebruik van het litigieuze merk niet was aangetoond, gelet op de geringe bewijskracht van de overgelegde stukken, en dat zij haar heeft verweten geen nadere toelichting te hebben verstrekt en geen voldoende uitgewerkte kruisverwijzingen te hebben gemaakt naar alle ter onderbouwing van haar betoog aangevoerde elementen.
23 Het EUIPO betoogt tevens dat de kamer van beroep verzoekster een onredelijke bewijslast heeft opgelegd.
24 Het EUIPO voert niettemin aan dat de door verzoekster in de punten 41 en 42 van het verzoekschrift aangevoerde elementen en argumenten, die voor het eerst voor het Gerecht zijn aangevoerd, niet-ontvankelijk zijn.
25 In casu heeft verzoekster, om het bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk te leveren, de volgende bewijzen overgelegd:
– een schermafdruk van een pagina van de website „company.lav.com.tr”, gedateerd april 2023 (bijlage 1);
– een selectie ongedateerde foto’s waarop verpakkingen van de in punt 5 genoemde waren te koop zijn afgebeeld (bijlage 2);
– een schermafdruk van een pagina van de website „company.lav.com.tr”, gedateerd april 2023, die verwijst naar verschillende publicaties in verschillende media (bijlage 3);
– een selectie van facturen, paklijsten en andere commerciële documenten, gedateerd van 2017 tot 2022 (bijlagen 4 tot en met 9);
– twee productcatalogi met het woord „lav”, gedateerd 2014 en 2023 (bijlagen 10 en 11);
– een uittreksel uit het Turkse handelsregister van 10 april 2014 betreffende de fusie van de juridische entiteit van verzoekster in de onderhavige zaak en Gürallar YAPI Malzemeleri Ve Kimya Sanayii Anonim Sirketi (bijlage 12).
26 Verzoekster betoogt ten eerste dat de punten 70 en 71 van de bestreden beslissing een tegenstrijdige motivering bevatten, aangezien de kamer van beroep enerzijds heeft verwezen naar de activiteiten van verzoekster en haar rechtsvoorgangster, houdster van het litigieuze merk, in de glasindustrie en naar de uitvoer van bepaalde betrokken waren naar 140 landen, waaronder Spanje en Frankrijk, alsook naar het bestaan van een marketing- en verkoopkantoor in Italië, en anderzijds in overweging 72 van die beslissing tot de slotsom is gekomen dat de enige duidelijke verwijzing naar het relevante grondgebied betrekking had op Turkije. Bovendien voert verzoekster aan dat de betrokken catalogi, opgenomen in de bijlagen 10 en 11, vermeldingen in het Spaans en Frans bevatten, en stelt zij dat het exclusieve gebruik van het Engels en het Turks in deze catalogi wordt gerechtvaardigd door het feit dat er slechts één enkele versie bestaat die bestemd is voor internationale verspreiding.
27 Ten tweede voert verzoekster in essentie aan dat de in de bijlagen 4 tot en met 9 overgelegde documenten bestaan uit een reeks douanedocumenten waarin wordt vermeld dat het litigieuze merk is gebruikt door middel van het element „lav”, dat voorkomt op die documenten die zijn gericht aan vennootschappen die in de gehele Europese Unie zijn gevestigd. Voorts betoogt zij dat alle facturen een gemeenschappelijke verwijzing bevatten naar de waren die onder het litigieuze merk worden aangeboden en herkenbaar zijn aan de hand van dezelfde tekstuele structuur, bestaande uit de hoofdletters „LV”, gevolgd door een koppelteken en de specifieke referentie van de betrokken waar.
28 Ten derde stelt verzoekster dat er in totaal 2 919 factuurregels zijn met de referentie LV met betrekking tot de verkoop van waren die onder het litigieuze merk vallen, uitgesplitst over de gehele relevante periode en voor een totaalbedrag van meer dan 6,485 miljoen EUR.
29 Ten vierde verwijt verzoekster de kamer van beroep dat zij in wezen blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling door in punt 76 van de bestreden beslissing te oordelen dat de overgelegde facturen niet aantoonden dat waren die beweerdelijk van het litigieuze merk waren voorzien, ooit in een verkooppunt in de Unie waren aangeboden, laat staan door een eindverbruiker waren gekocht, en dat het bovendien moeilijk te achterhalen was wanneer de waren die beweerdelijk „naar Europa” zijn verzonden, daadwerkelijk in een kleinhandelsverkooppunt waren verkocht. Tegelijkertijd heeft de kamer van beroep volgens verzoekster blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door voor het eerst in de precontentieuze fase te oordelen dat zij verplicht was bewijs te leveren van de rechtstreekse verkoop van de betrokken waren aan eindverbruikers.
30 Ten vijfde komt verzoekster op tegen de vaststellingen van de kamer van beroep in de punten 82 tot en met 84 van de bestreden beslissing. Daarin stond, kort samengevat, dat de productcodes en -beschrijvingen op een factuur weliswaar konden verwijzen naar waren uit een catalogus die werden verkocht onder het merk waarvan het normale gebruik moest worden bewezen, maar dat deze situatie op zich hypothetisch was en duidelijk niet het harde en objectieve bewijs vormde van het daadwerkelijke en toereikende gebruik dat vereist was om het normale gebruik aan te tonen.
31 Volgens verzoekster was het niet redelijk haar te verplichten een verband aan te tonen tussen elk van de 2 919 factuurregels, waarin de door het litigieuze merk aangeduide producten werden vermeld, en de referenties en foto’s in de catalogi. Verzoekster stelt tevens dat er productomschrijvingen bestaan die corresponderen met de referenties in de paklijsten in de bijlagen 4 tot en met 9. Een dergelijke verplichting is buitensporig en onpraktisch. Verder betoogt verzoekster in wezen dat de kamer van beroep geen enkele reden had om de door de nietigheidsafdeling verrichte kruisverwijzingen niet te controleren of om zelf geen kruisverwijzingen te maken in het kader van haar analyse.
32 Wat ten zesde de omvang van het gebruik van het litigieuze merk betreft, is verzoekster van mening dat de in de bijlagen 4 tot en met 9 overgelegde bewijzen een groot aantal facturen bevatten, wat op zich volstond om de aanzienlijke hoeveelheid verkochte waren en daarmee de omvang van het gebruik van dat merk aan te tonen.
33 Meer in het bijzonder betoogt verzoekster dat de cumulatieve verkoopbedragen voortkomen uit facturen die zijn gericht aan afnemers in het betrokken gebied, hetgeen ook wordt bevestigd door de ter staving overgelegde paklijsten en douanedocumenten. Tevens hadden de in euro gefactureerde bedragen volgens verzoekster betrekking op de waren met daarop het element „lav”.
34 Het EUIPO voert in de eerste plaats aan dat de kamer van beroep, anders dan verzoekster stelt, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de afnemers van de facturen en dat de kamer van beroep in wezen niet heeft gesuggereerd dat het gebruik op eindverbruikers moest zijn gericht om als extern gebruik te worden erkend.
35 In de tweede plaats merkt het EUIPO met betrekking tot de bewijslast en de bewijsstandaard op dat de kamer van beroep: 1) in de punten 35 en 36 van de bestreden beslissing heeft erkend dat de documenten in de bijlagen 4 tot en met 9 grotendeels eenduidig zijn en productcodes en verwijzingen naar het litigieuze merk bevatten; 2) in de punten 49 en 50 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat uit de facturen en handelsdocumenten bleek dat de waren door de merkhouder of, met diens toestemming, aan verschillende entiteiten in verschillende lidstaten van de Unie werden verkocht, zodat het bewijsmateriaal voldoende aanwijzingen bevatte over de territoriale omvang van het gestelde gebruik; 3) in punt 53 van de bestreden beslissing heeft opgemerkt dat het litigieuze merk voorkwam in de aanduiding van de waren op de facturen en handelsdocumenten, in catalogi en op schermafdrukken van pagina’s van verzoeksters website en dat het gebruik van dit merk openbaar, extern en duidelijk was voor daadwerkelijke of potentiële afnemers van de waren; en 4) in punt 64 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld dat uit de overgelegde catalogi bleek dat het litigieuze merk werd gebruikt voor een verscheidenheid van door dit merk aangeduide waren.
36 In de derde plaats merkte het EUIPO op dat de kamer van beroep in de punten 83, 84 en 87 van de bestreden beslissing daarentegen had geoordeeld dat verzoekster de omvang van het gebruik van het litigieuze merk niet had aangetoond, aangezien zij geen toelichting of bewijsmateriaal had verstrekt waarmee een duidelijk verband kon worden gelegd tussen de exacte waren die in de verschillende facturen werden vermeld, enerzijds, en de overige documentatie, inclusief de verschillende productcodes, anderzijds. Bovendien merkt het EUIPO op dat de kamer van beroep van oordeel was dat de kruisverwijzingen de facturen de vereiste bewijswaarde hadden kunnen verschaffen die in verzoeksters opmerkingen ontbrak, en dat de nietigheidsafdeling haar beslissing had gebaseerd op louter waarschijnlijkheid of vermoeden.
37 Dienaangaande betoogt het EUIPO, net als verzoekster in het verzoekschrift, dat het Gerecht reeds heeft bevestigd dat een zorgvuldige vergelijking van de productcodes die voorkomen op de reproducties van de waren in foto’s en catalogi enerzijds, en op de facturen anderzijds, niet neerkomt op een loutere waarschijnlijkheidsschatting of een loutere gissing, maar een rationeel en logisch proces vormt ter beoordeling van het werkelijke gebruik [zie in die zin arrest van 17 juli 2024, W.B. Studio/EUIPO – E.Land Italy (BF BELFE), T‑54/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:481, punten 60 en 61]. Daarnaast merkt het EUIPO op dat de kamer van beroep in de punten 79, 80, 82 en 83 van de bestreden beslissing het werk van de nietigheidsafdeling heeft erkend en de in de documenten vervatte beschrijvingen van de waren, waaronder referenties naar het litigieuze merk, heeft bevestigd. De genoemde referenties bevatten tevens een korte productomschrijving, waarmee in de facturen zeven voorbeelden van productcodes kunnen worden geïdentificeerd die aan de catalogi kunnen worden gekoppeld, overeenkomstig de door verzoekster verstrekte toelichting aan de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep. Verzoekster heeft namelijk in haar opmerkingen over het bewijs van het gebruik van 14 april 2023 en in haar opmerkingen in antwoord op het beroep van 22 mei 2024 uiteengezet dat de referentienummers op de bladzijden 122 tot en met 127 van de in bijlage 10 overgelegde catalogus konden worden gekoppeld aan de facturen. Zij heeft ook een lijst verstrekt van de waren die zijn gecodeerd en op de afbeeldingen voorkomen.
38 Gelet daarop is het EUIPO in de vierde plaats van mening dat verzoekster geen enkele reden had om een aanvullende toelichting te geven om elk van de in de facturen en de productcatalogi vermelde artikelen aan elkaar te koppelen, zodat de kamer van beroep in de specifieke omstandigheden van deze zaak een onredelijke bewijslast heeft opgelegd in de zin van verordening 2017/1001 en punt 31 van het arrest van 19 oktober 2022, Louis Vuitton Malletier/EUIPO – Wisniewski (Weergave van een dambordpatroon II) (T‑275/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:654).
39 Bijgevolg heeft het EUIPO geen opmerkingen ingediend in antwoord op de andere argumenten van verzoekster en vordert het vernietiging van de bestreden beslissing.
40 Volgens artikel 18, lid 1, eerste alinea, van verordening 2017/1001 en artikel 58, lid 1, onder a), van deze verordening worden de rechten van de houder van het Uniemerk op vordering bij het EUIPO vervallen verklaard wanneer het merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar in de Unie niet normaal is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en er geen geldige redenen zijn voor het niet gebruiken.
41 Wat de criteria voor de beoordeling van normaal gebruik betreft, is artikel 10, lid 3, van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) van overeenkomstige toepassing op vervallenverklaringsprocedures op grond van artikel 19, lid 1, van die verordening. Ingevolge regel 10, lid 3, van deze gedelegeerde verordening moet het bewijs van het gebruik slaan op de plaats, de tijd, de omvang en de wijze van het gebruik dat van het litigieuze merk is gemaakt.
42 Bovendien bestaat het bewijs van het normaal gebruik overeenkomstig artikel 10, lid 4, van gedelegeerde verordening 2018/625 alleen uit overlegging van tot staving dienende stukken en voorwerpen, zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto’s, krantenadvertenties en schriftelijke verklaringen zoals bedoeld in artikel 97, lid 1, onder f), van verordening 2017/1001.
43 In het kader van een procedure tot vervallenverklaring van een merk is het in beginsel aan de houder van dat merk om het normale gebruik van dat merk aan te tonen (zie arrest van 23 januari 2019, Klement/EUIPO, C‑698/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:48, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Het normale gebruik van een merk kan niet op basis van waarschijnlijkheden of vermoedens worden aangenomen, maar moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens die een daadwerkelijk en afdoend gebruik van het merk op de betrokken markt bewijzen. Derhalve moet een globale beoordeling worden verricht, waarbij rekening wordt gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval en waarbij een zekere onderlinge samenhang van de in aanmerking genomen factoren wordt verondersteld [zie arrest van 8 juli 2020, Euroapotheca/EUIPO – General Nutrition Investment (GNC LIVE WELL), T‑686/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:320, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 Het is niet noodzakelijk dat elk bewijsstuk informatie bevat over alle vier elementen waarop het bewijs van normaal gebruik moet worden gebaseerd, namelijk de plaats, de tijd, de omvang en de wijze van het gebruik. Het is mogelijk dat de te bewijzen feiten met een reeks bewijsstukken kunnen worden aangetoond, terwijl elk van deze stukken, afzonderlijk beschouwd, het bewijs van de juistheid van deze feiten niet kan leveren [zie arrest van 5 maart 2019, Meblo Trade/EUIPO – Meblo Int (MEBLO), T‑263/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:134, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Tevens zij in herinnering gebracht dat de vraag of normaal gebruik is gemaakt van een merk globaal moet worden beoordeeld, rekening houdende met alle beschikbare gegevens. Die bewijzen hoeven dus niet elk afzonderlijk maar wel gezamenlijk te worden beoordeeld, teneinde de meest waarschijnlijke en coherente betekenis te ontwaren [zie arrest van 21 november 2013, Recaro/BHIM – Certino Mode (RECARO), T‑524/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:604, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46 Om te beginnen worden, zoals ter terechtzitting is bevestigd, de tijd, de plaats en de wijze van gebruik van het litigieuze merk in het kader van de onderhavige procedure niet betwist. Het bewijsmateriaal en de argumenten van partijen dienen derhalve uitsluitend te worden beoordeeld voor zover zij betrekking hebben op de omvang van het normale gebruik en de bewijslast daarvan voor de merkhouder.
47 Gelet hierop zij er ten eerste aan herinnerd dat tussen partijen vaststaat, en dat uit de punten 6 en 40 van de bestreden beslissing blijkt, dat de relevante tijdsperiode voor het gebruik van het litigieuze merk loopt van 8 december 2017 tot en met 7 december 2022.
48 Ten tweede blijkt uit de punten 49 en 50 van de bestreden beslissing dat het door verzoekster, een buiten de Unie gevestigde entiteit (namelijk in Turkije), overgelegde bewijs aantoont dat haar waren door haarzelf of, met haar toestemming, door andere distributeurs werden verkocht aan verschillende entiteiten in verschillende lidstaten van de Unie, waaronder met name Duitsland, Oostenrijk, België, Bulgarije, Kroatië, Denemarken, Spanje, Ierland, Italië, Griekenland, Hongarije, Litouwen, Malta, Nederland, Polen, Tsjechië, Roemenië, Slowakije en Zweden, en dat de op de verschillende facturen en handelsdocumenten vermelde munteenheden hoofdzakelijk in euro waren.
49 Wat ten derde de wijze van gebruik van het litigieuze merk betreft, blijkt uit de punten 51 tot en met 64 van de bestreden beslissing dat het bewijsmateriaal voldoende voorbeelden van het gebruik van het merk bevatte om te kunnen besluiten dat het merk werd gebruikt voor waren ter aanduiding van de commerciële herkomst ervan.
50 Ten vierde heeft de kamer van beroep in de punten 51 tot en met 53 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het litigieuze merk in het handelsverkeer als merk was gebruikt, met name omdat dit merk op openbare, externe en duidelijke wijze was gebruikt voor daadwerkelijke of potentiële afnemers van de betrokken waren op het grondgebied van de Unie. Meer in het bijzonder is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat er voldoende een duidelijk verband was aangetoond tussen, enerzijds, het gebruik van het merk als aanduiding van de commerciële herkomst en als middel van reclame, en anderzijds, de betrokken waren van klasse 21 die het voorwerp van het beroep vormden.
51 Ten vijfde heeft de kamer van beroep in de punten 54 tot en met 62 van de bestreden beslissing bovendien geoordeeld dat het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal in wezen het gebruik van het teken aantoonde zoals het was ingeschreven.
52 Wat de omvang van het gebruik van het litigieuze merk betreft, heeft de kamer van beroep evenwel, anders dan de nietigheidsafdeling, geoordeeld dat zij op basis van het bewijsmateriaal in zijn geheel niet tot de slotsom kon komen dat het normale gebruik van dit merk in voldoende mate was aangetoond voor de relevante waren waarop het beroep betrekking had, en dat dit gebruik overigens niet louter op basis van waarschijnlijkheden of vermoedens kon worden aangetoond.
53 Wat in dit verband ten eerste de in de bijlagen 10 en 11 opgenomen catalogi betreft, heeft de kamer van beroep in de punten 71 tot en met 73 van de bestreden beslissing geoordeeld dat deze catalogi in het Engels en het Turks waren opgesteld, betrekking hadden op de jaren 2014 en 2023 en het litigieuze merk duidelijk weergaven, hetzij als woordmerk, hetzij als beeldmerk, in verband met diverse glaswaren. De kamer van beroep besloot echter dat er geen uitsluitsel kon worden gegeven over de omvang van dat gebruik, aangezien het moeilijk was vast te stellen waar de catalogi waren gedrukt of gepubliceerd, en evenmin kon worden aangetoond waar en op welke wijze zij waren verspreid. Ook is de kamer van beroep tot de slotsom gekomen dat de catalogi niet aantoonden dat de betrokken waren in de relevante periode en op het relevante grondgebied daadwerkelijk onder het litigieuze merk waren aangeboden. In dit verband verweet de kamer van beroep verzoekster tevens dat zij geen nadere informatie had verstrekt.
54 Ten tweede was de kamer van beroep van oordeel dat het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal inderdaad in sterke mate was gebaseerd op de facturen en handelsdocumenten die waren opgenomen in de bijlagen 4 tot en met 9, welke de daadwerkelijke verkoop van de betrokken waren aantoonden. Zij heeft evenwel geoordeeld dat deze documenten de vereiste bewijswaarde missen, aangezien het in wezen onmogelijk was vast te stellen welke specifieke waren onder de verschillende productcodes vielen, evenals het handelsvolume, de frequentie en de duur van de verkopen. Verder bleek uit de betrokken facturen niet dat waren die naar verluidt waren voorzien van het litigieuze merk ooit in een kleinhandelsverkooppunt in de Unie waren aangeboden, laat staan door een eindverbruiker waren gekocht. Bovendien verwijt de kamer van beroep verzoekster dat zij noch facturen heeft overgelegd voor verkopen aan plaatselijke distributeurs of eindverbruikers, noch foto’s van waren van goede kwaliteit in de winkels van de detailhandelaar in de Unie, noch catalogi of enig ander reclamemateriaal waaruit het gebruik onder consumenten in de Unie blijkt.
55 In de derde plaats verwijt de kamer van beroep verzoekster in punt 83 van de bestreden beslissing dat zij geen nadere gegevens heeft verstrekt over de inhoud van de facturen en de waren waarnaar daarin specifiek wordt verwezen, zonder acht te slaan op de door de nietigheidsafdeling gemaakte kruisverwijzingen. Om die reden was de kamer van beroep van oordeel dat verzoekster niet in staat was het bestaan van een duidelijk, uitdrukkelijk en aangetoond verband te verklaren waaruit zou blijken op welke waren uit de catalogi de codes betrekking hadden, en dat het onmogelijk was om uit die codes af te leiden om welke specifieke waren het ging en wat de omvang van het gebruik daarvan was. Volgens de kamer van beroep verminderde en verzwakte het ontbreken van dergelijke toelichtingen de bewijswaarde van de facturen. Daarnaast heeft zij in punt 84 van de bestreden beslissing geoordeeld dat het geheel van overgelegde bewijsmiddelen onvoldoende was om te worden beschouwd als een samenhangend geheel van solide en objectieve bewijzen van daadwerkelijk gebruik. Bovendien voldeed dit geheel volgens de kamer van beroep niet aan de vereisten die gelden voor het bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk. Derhalve was de kamer van beroep van oordeel dat zij haar onderzoek in wezen moest beperken, aangezien dit niet op vermoedens of waarschijnlijkheden kon worden gebaseerd bij gebrek aan overtuigend bewijsmateriaal.
56 Ten vierde en tot slot verwijt de kamer van beroep verzoekster, in punt 85 van de bestreden beslissing, dat zij documenten van buitengewoon slechte kwaliteit heeft overgelegd, waardoor de leesbaarheid en het begrip ervan werden bemoeilijkt, en in punt 86 van die beslissing, dat zij facturen heeft overgelegd die productcodes bevatten zonder de vermelding „LV-”, waarmee naar het litigieuze merk werd verwezen. Bijgevolg heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de totale gefactureerde bedragen niet uitsluitend betrekking hadden op de verkoop van de waren die onder het genoemde merk vielen.
57 Volgens de rechtspraak, en zoals blijkt uit de punten 43 tot en met 45 hierboven, kan een bewijsmiddel – ook al is de bewijswaarde ervan beperkt omdat het op zichzelf niet met zekerheid aantoont of en hoe de betrokken waren op de markt zijn gebracht, en ook al is het derhalve op zichzelf niet doorslaggevend – toch in aanmerking worden genomen bij de globale beoordeling van het normale gebruik. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer dit bewijsmiddel de andere relevante factoren van het concrete geval bevestigt [zie in die zin arrest van 6 maart 2014, Anapurna/BHIM – Annapurna (ANNAPURNA), T‑71/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:105, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
58 In het onderhavige geval geldt in de eerste plaats dat de kamer van beroep het geheel van de door verzoekster overgelegde bewijsmiddelen eenvoudig kon onderzoeken en aan de hand daarvan en op gemotiveerde wijze, de tijd, de plaats en de wijze van gebruik van het litigieuze merk heeft vastgesteld. Meer in het bijzonder heeft de kamer van beroep in de punten 35 en 36 van de bestreden beslissing verklaard dat de documenten in de bijlagen 4 tot en met 9 grotendeels eenduidig waren en productcodes alsook vermeldingen van het litigieuze merk bevatten. Bovendien heeft de kamer van beroep ook geoordeeld dat de essentiële informatie in de overgelegde documenten helder en begrijpelijk was, waardoor deze in ruime mate eenduidig en toereikend was in het kader van de onderhavige procedure.
59 Bijgevolg heeft de kamer van beroep zich in haar motivering tegenstrijdig opgesteld door verzoekster, in de punten 84 tot en met 86 van de bestreden beslissing, te verwijten dat zij bewijsmiddelen van middelmatige kwaliteit had overgelegd, die geen solide en objectief bewijs van het gebruik van het litigieuze merk vormden.
60 In de tweede plaats heeft de kamer van beroep in de bestreden beslissing ook een tegenstrijdige motivering gegeven door in de punten 72 en 73 van die beslissing te oordelen dat de in de bijlagen 10 en 11 overgelegde catalogi niet aantoonden dat de betrokken waren daadwerkelijk te koop waren aangeboden op het relevante grondgebied, terwijl zij eerder in de punten 70 en 71 van die beslissing op basis van die catalogi had vastgesteld dat verzoekster actief was in de glasindustrie en haar waren uitvoerde naar 140 landen, waaronder lidstaten van de Unie, en bovendien had vastgesteld dat zij voor een aantal van die producten een marketing- en verkoopkantoor in Italië had.
61 In de derde plaats blijkt, anders dan het EUIPO stelt, uit punt 76 van de bestreden beslissing dat de kamer van beroep beoogde, als bewijs van het gebruik van het litigieuze merk, elk middel op te leggen waarmee de verkoop van de betrokken waren aan eindverbruikers binnen het grondgebied van de Unie kon worden aangetoond. De aanname dat het gebruik naar buiten toe van een merk, in de zin van de rechtspraak, noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een gebruik dat is gericht op eindgebruikers, zou ertoe leiden dat de merken die enkel in de betrekkingen tussen ondernemingen onderling worden gebruikt, van de bescherming van verordening 2017/1001 zouden worden uitgesloten. Het relevante publiek waarop de merken zijn gericht bestaat immers niet alleen uit eindgebruikers, maar ook uit specialisten, industriële afnemers en andere professionals [zie arrest van 1 maart 2023, Worldwide Brands/EUIPO – Wan (CAMEL), T‑552/21, niet gepubliceerd, EU:T:2023:98, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
62 Bijgevolg heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door verzoekster in wezen te verplichten aan te tonen dat de betrokken waren aan eindverbruikers waren verkocht, als bewijs van het normale gebruik van het litigieuze merk. Hieruit volgt bovendien dat het bewijs van de verkoop van de betrokken waren aan eindverbruikers in casu niet relevant is, zodat de door verzoekster in de punten 41 en 42 van het verzoekschrift aangevoerde feiten en argumenten moeten worden afgewezen, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid ervan.
63 In de vierde plaats moet eraan worden herinnerd dat de kamer van beroep in punt 88 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld dat het dossier geen toereikende bewijzen bevatte – zelfs niet indien deze in onderlinge samenhang werden beschouwd – waaruit de omvang van het gebruik van het litigieuze merk voor de betrokken waren kon worden afgeleid.
64 In dit verband is het ten eerste juist dat de bijlagen 10 en 11 niet toelaten het gebruik van het litigieuze merk op het relevante grondgebied en gedurende de relevante periode uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aan te tonen. Volgens de rechtspraak moet er niettemin op worden gewezen dat aangezien de commerciële levensduur van een product zich in het algemeen over een bepaalde periode uitstrekt en het voortgezet gebruik deel uitmaakt van de aanwijzingen waarmee rekening moet worden gehouden om vast te stellen dat het gebruik objectief beoogt om marktaandeel te verkrijgen of te behouden, de stukken die niet dateren uit de relevante periode, die verre van zonder belang zijn, in aanmerking moeten worden genomen en samen met andere factoren moeten worden onderzocht, daar zij het bewijs kunnen leveren dat er sprake is van een reële en ernstige commerciële exploitatie van het merk [zie arrest van 16 juni 2015, Polytetra/BHIM – EI du Pont de Nemours (POLYTETRAFLON), T‑660/11, EU:T:2015:387, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Zoals de kamer van beroep in punt 53 van de bestreden beslissing terecht heeft opgemerkt, toonden de bijlagen 10 en 11 in casu het duidelijke en externe gebruik van het litigieuze merk in het economisch verkeer tussen 2014 en 2023 aan, dat wil zeggen over een langere en ruimere periode dan de betrokken periode, hetgeen een relevante aanwijzing vormde voor de beoordeling van de omvang van het gebruik in de omstandigheden van het onderhavige geval. Hieruit volgt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling door bij de vaststelling van de omvang van het gebruik de bijlagen 10 en 11 niet op redelijke en globale wijze te onderzoeken, samen met alle relevante verwijzingen en gegevens in de bijlagen 4 tot en met 9.
66 Ten tweede heeft de kamer van beroep in de punten 49 en 50 van de bestreden beslissing geoordeeld dat alle facturen en handelsdocumenten aantoonden dat de betrokken waren door verzoekster of, met haar toestemming, aan verschillende entiteiten in verschillende lidstaten van de Unie waren verkocht en dat deze elementen voldoende aanwijzingen boden over de territoriale omvang van het gestelde gebruik. Bovendien heeft de kamer van beroep in punt 53 van die beslissing verklaard dat het litigieuze merk voorkwam in de aanduiding van de waren die op de facturen en de handelsdocumenten waren vermeld, in catalogi en op de schermafdrukken van pagina’s van verzoeksters website, en dat het gebruik van het litigieuze merk openbaar, extern en duidelijk was voor het publiek van de Unie. Ten slotte is de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing tot de slotsom gekomen dat uit de catalogi bleek dat het litigieuze merk was gebruikt voor een verscheidenheid van door dit merk aangeduide waren.
67 Uit het dossier van het EUIPO blijkt dat verzoekster 902 bladzijden aan facturen heeft overgelegd die betrekking hebben op de verkoop van een groot aantal waren die onder het litigieuze merk vallen. Het merendeel van de opgesplitste referenties in die facturen hield uitdrukkelijk verband met het litigieuze merk door het gebruik van het element „LV” vóór de code van de desbetreffende waar, wat kan worden vastgesteld door vergelijking met de in de bijlagen 10 en 11 overgelegde catalogi.
68 In de omstandigheden van het onderhavige geval zou het immers onredelijk zijn om aan te nemen dat de door een onderneming in de handel gebrachte waren niet expliciet aan de hand van hun productcode konden worden herkend in de catalogi van de producent, omdat het naar verluidt onmogelijk was om de plaats van druk van deze catalogi en de daadwerkelijke distributie ervan op het relevante grondgebied tijdens de relevante periode vast te stellen. Bovendien blijkt, zoals uit de in punt 64 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt, dat het feit dat de producten gedurende een langere periode dan de relevante periode te koop werden aangeboden, juist de argumenten ter ondersteuning van de omvang van het gebruik van het litigieuze merk versterkt.
69 Ten derde, zoals blijkt uit de in punt 37 hierboven aangehaalde rechtspraak en uit vaste rechtspraak, komt de zorgvuldige vergelijking van de productcodes die voorkomen op de reproducties van de waren in foto’s en catalogi enerzijds, en op de facturen anderzijds, niet neer op een loutere waarschijnlijkheidsschatting of een loutere gissing, maar vormt zij een rationeel en logisch proces ter beoordeling van het werkelijke gebruik [zie in die zin arresten van 27 april 2022, LG Electronics/EUIPO – Anferlux-Electrodomésticos (SmartThinQ), T‑181/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:247, punt 91; 6 september 2023, Weider Germany/EUIPO – Den i Nosht (YIPPIE!), T‑45/22, niet gepubliceerd, EU:T:2023:513, punt 42, en 17 juli 2024, W.B. Studio/EUIPO – E.Land Italy (BELFE), T‑50/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:480, punten 60 en 61]. Dienaangaande heeft verzoekster ter terechtzitting op goede gronden opgemerkt dat de kamer van beroep en, a fortiori, de nietigheidsafdeling hun bevoegdheden niet hebben overschreden door op eigen initiatief of via een globale beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal het verband vast te stellen tussen de reproducties van de waren in foto’s en catalogi enerzijds en de facturen voor die waren anderzijds, door zich te baseren op de overeenkomstige artikelcodes, die identiek bleken te zijn (zie in die zin arrest van 17 juli 2024, W.B. Studio/EUIPO – E.Land Italy (BF BELFE), T‑54/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:481, punt 61).
70 Bijgevolg heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 87 van de bestreden beslissing te oordelen dat de nietigheidsafdeling haar onderzoek naar de omvang van het gebruik van het litigieuze merk had gebaseerd op conclusies die waren getrokken uit bewijsmateriaal dat was overgelegd zonder volledige kennis van de inhoud ervan, en dat zij haar beslissing dus uitsluitend had gebaseerd op waarschijnlijkheden of vermoedens.
71 In het bijzonder blijkt, enerzijds uit de punten 81 en 82 van de bestreden beslissing en anderzijds uit de bladzijden 11 tot en met 13 van verzoeksters opmerkingen over het bewijs van gebruik van 14 april 2023, evenals uit de bladzijden 12 en 13 van haar opmerkingen in antwoord op het beroep van 22 mei 2024, dat zij aan zowel de nietigheidsafdeling als de kamer van beroep had aangegeven en toegelicht dat de referentienummers van de waren op de bladzijden 122 en 127 van de catalogus in bijlage 10 konden worden gekoppeld aan de facturen, en dat zij een lijst had verstrekt van de waren waarnaar wordt verwezen en die op de afbeeldingen voorkomen. Voorts dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep evenmin op duidelijke en voldoende wijze heeft gemotiveerd om welke redenen zij is afgeweken van de beoordeling van de nietigheidsafdeling en het gegrond karakter van de door die afdeling gemaakte kruisverwijzingen verwierp. Deze kruisverwijzingen hadden haar immers in staat gesteld de omvang van het gebruik van het litigieuze merk vast te stellen aan de hand van elementen die zij concreet en substantieel achtte. Bijgevolg is ook de beslissing van de kamer van beroep ontoereikend gemotiveerd.
72 Ten vierde blijkt uit de punten 81 tot en met 83 van de bestreden beslissing dat uit de door verzoekster voor de nietigheidsafdeling en vervolgens voor de kamer van beroep gegeven toelichtingen kon worden afgeleid dat verschillende van de in punt 5 hierboven genoemde waren in de relevante periode in voldoende grote hoeveelheden en voor voldoende grote bedragen werden verkocht om te besluiten dat er sprake was van een voortdurend, normaal en substantieel gebruik van het litigieuze merk voor de betrokken waren, overeenkomstig de rechtspraak volgens welke er sprake is van normaal gebruik van een merk, in de zin van artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001, wanneer het – overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, te weten het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven – wordt gebruikt teneinde voor die waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat enkel ertoe strekt, de aan het merk verbonden rechten te handhaven (arrest van 3 juli 2019, Viridis Pharmaceutical/EUIPO, C‑668/17 P, EU:C:2019:557, punt 38; zie naar analogie ook arrest van 11 maart 2003, Ansul, C‑40/01, EU:C:2003:145, punt 43).
73 Hoe dan ook blijkt duidelijk uit de bijlagen 4 tot en met 9, zoals verzoekster aanvoert, dat tussen 2017 en 2022 waren van het litigieuze merk op het relevante grondgebied werden verkocht. Overeenkomstig verzoeksters argumenten kan immers worden vastgesteld dat de facturen 2 919 regels met het referentiemerk LV bevatten en dus, zoals blijkt uit punt 67 hierboven, betrekking hebben op de verkoop van door verzoekster in de handel gebrachte waren, voor een totaalbedrag, uitgesplitst over de relevante periode, van meer dan 6,485 miljoen EUR.
74 Bovendien heeft de kamer van beroep, door verzoekster in de punten 72 en 83 van de bestreden beslissing te verwijten dat zij opzettelijk geen aanvullende informatie of nadere details over de specifieke referenties in de facturen had verstrekt, blijkens de punten 73 tot en met 85 van die beslissing getracht verzoekster te verplichten om alle 2 919 factuurregels te koppelen aan de overeenstemmende producten in de catalogi. Zoals ter terechtzitting is bevestigd, heeft de kamer van beroep overigens niet om nadere informatie of uitleg verzocht, zodat zij verzoekster niet kan verwijten dat zij zich opzettelijk heeft onthouden van het verstrekken van bewijsmateriaal of feiten, waartoe zij volgens de kamer van beroep verplicht zou zijn geweest. De kamer van beroep was redelijkerwijs in staat om de omvang van het normale gebruik van het litigieuze merk te beoordelen op basis van alle overgelegde bewijsmiddelen, beschouwd in hun geheel, of op basis van de verschillende aanwijzingen die tijdens de opeenvolgende fasen van haar onderzoek naar voren waren gekomen, dan wel aan de hand van de toelichtingen die verzoekster in haar opeenvolgende schriftelijke stukken had verstrekt en die door de nietigheidsafdeling waren overgenomen.
75 In deze omstandigheden dient derhalve te worden geoordeeld dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de reikwijdte van het onderzoek naar de door verzoekster overgelegde bewijzen ter vaststelling van de omvang van het gebruik van het litigieuze merk, alsook dat de kamer van beroep heeft getracht verzoekster een buitensporige bewijsstandaard en een onredelijke bewijslast op te leggen in het kader van een procedure tot vervallenverklaring wegens het ontbreken van normaal gebruik.
76 Ten vijfde is het juist dat het in beginsel aan de houder van het litigieuze merk – en niet ambtshalve aan het EUIPO – staat om het normaal gebruik van dit merk aan te tonen (arrest van 26 september 2013, Centrotherm Systemtechnik/BHIM en centrotherm Clean Solutions, C‑610/11 P, EU:C:2013:593, punt 63). Niettemin, zoals in punt 42 hierboven in herinnering is gebracht, bestaat het bewijs van normaal gebruik uitsluitend in het overleggen van tot staving dienende stukken en voorwerpen, zoals prijslijsten, catalogi of facturen, hetgeen in dit geval ook is gebeurd.
77 Bovendien moet het normale gebruik overeenkomstig de in punt 44 hierboven aangehaalde rechtspraak worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens die een daadwerkelijk en afdoend gebruik van het merk op de betrokken markt bewijzen. Deze eis van overtuigend bewijs mag echter niet leiden tot een onredelijke of buitensporige bewijslast, noch worden gebaseerd op een strengere bewijsstandaard dan die welke voortvloeit uit de rechtspraak betreffende artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001.
78 Om te beginnen moeten de argumenten van het EUIPO, zoals weergegeven in zijn memorie van antwoord, meteen van de hand worden gewezen. Deze zijn namelijk in wezen gebaseerd op de lessen uit het arrest van 5 oktober 2022, Puma/EUIPO – CMS (CMS Italy) (T‑711/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:604), dat betrekking heeft op een procedure inzake merkinbreuk wegens reputatieschade, gebaseerd op artikel 8, lid 5, van verordening 2017/1001. Die procedure staat los van de onderhavige procedure en de specifieke vereisten ervan kunnen hier niet op overeenkomstige wijze worden toegepast.
79 In casu heeft de kamer van beroep in punt 83 van de bestreden beslissing een zeer strikte benadering gevolgd door van verzoekster te eisen dat zij een duidelijk verband aantoont tussen de verschillende factuurcodes en de betrokken waren, dat moet worden „toegelicht, uitgedrukt en aangetoond”. De kamer van beroep kan echter, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting, in het kader van een vervalprocedure op grond van artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 geen bewijsstandaard opleggen die de toegestane drempel voor het aantonen van een daadwerkelijk en toereikend gebruik overschrijdt, waarbij dat gebruik kan worden bevestigd aan de hand van elementen of een samenstel van voldoende aanwijzingen die voortvloeien uit de onderlinge samenhang van de verschillende relevante factoren, in de zin van de punten 44 en 45 hierboven aangehaalde rechtspraak.
80 Ten zesde zij eraan herinnerd, zoals ook door het EUIPO in zijn memorie van antwoord is opgemerkt (zie punt 38 hierboven), dat de toepassing van de wettelijke vereisten met betrekking tot de bewijslast van een merkhouder in het kader van een vervallenverklaringsprocedure om het daadwerkelijke gebruik van het betwiste merk aan te tonen, niet mag leiden tot het opleggen van een onredelijke bewijslast.
81 Het opleggen van een onredelijke of buitensporige bewijslast kan immers leiden tot schending van het recht op behoorlijk bestuur, dat behoort tot de algemene beginselen van het Unierecht en dat eveneens is neergelegd in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [zie naar analogie arresten van 19 oktober 2022, Louis Vuitton Malletier/EUIPO – Wisniewski (Weergave van een dambordpatroon II), T‑275/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:654, punt 31; 6 maart 2024, Lidl Stiftung/EUIPO – MHCS (Tint van de kleur oranje), T‑652/22, niet gepubliceerd, EU:T:2024:152, punt 87, en beschikking van 1 juli 2025, Santos/EUIPO (Vorm van een citruspers), T‑668/24, niet gepubliceerd, EU:T:2025:668, punt 31].
82 Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat, ten eerste, de kamer van beroep, zoals blijkt uit de punten 58 tot en met 60 hierboven, de bestreden beslissing op verschillende punten tegenstrijdig heeft gemotiveerd, ten tweede, zoals blijkt uit de punten 67 tot en met 75 hierboven, de kamer van beroep op meerdere punten blijk heeft gegeven van een onjuiste beoordeling en een onjuiste rechtsopvatting bij het onderzoeken van het bewijsmateriaal inzake de omvang van het gebruik van het litigieuze merk en, ten derde, dat zij verzoekster daardoor in strijd met artikel 18, lid 1, en artikel 58, lid 1, onder a), van verordening 2017/1001 een buitensporige bewijsstandaard en derhalve een onredelijke bewijslast heeft opgelegd, zodat verzoeksters enige middel moet worden aanvaard en de bestreden beslissing moet worden vernietigd.
Kosten
83 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
84 Aangezien de bestreden beslissing wordt vernietigd, dient het EUIPO overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.
HET GERECHT (Derde kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 22 augustus 2024 (zaak R 214/2024‑4) wordt vernietigd.
2) Het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van Gürok Turizm ve Madencilik AŞ.
Škvařilová-Pelzl Nõmm Kukovec
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 19 november 2025.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 3 juli 2019, C-668/17, ECLI:EU:C:2019:557
- Gerecht EU 16 juni 2015, T-660/11, ECLI:EU:T:2015:387
- HvJ EU 26 september 2013, C-610/11, ECLI:EU:C:2013:593
- Gerecht EU 25 oktober 2005, T-379/03, ECLI:EU:T:2005:373
- HvJ EU 17 maart 2005, C-294/02, ECLI:EU:C:2005:172
- HvJ EU 11 maart 2003, C-40/01, ECLI:EU:C:2003:145