Gerecht EU 4 december 2024, T-245/22, ECLI:EU:T:2024:879

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

4 december 2024 ( *1 )

„Dumping – Uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht op de invoer van bepaalde geweven of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit China tot de invoer van die vanuit Marokko verzonden producten – Antiontwijkingsonderzoek – Ontwijking – Euromediterrane associatieovereenkomst EG-Marokko – Artikel 22, onder a), van verordening (EU) 2016/1036 – Misbruik van bevoegdheid – Voorwaarden voor het bewijs van ontwijking – Artikel 13 van verordening 2016/1036 – Verandering ten gevolge van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat – Assemblagewerkzaamheden – Voltooiingswerkzaamheden – Begrip ‚toegevoegde waarde’ – Soortgelijke ingevoerde producten of delen daarvan die nog steeds gesubsidieerd worden – Onjuiste rechtsopvatting – Kennelijke beoordelingsfout – Non-discriminatiebeginsel – Gelijke behandeling – Beginsel van behoorlijk bestuur – Artikel 18, leden 1 en 3, van verordening 2016/1036 – Gebruik van beschikbare gegevens”

In zaak T‑245/22,

PGTEX Morocco, gevestigd te Tanger (Marokko), vertegenwoordigd door P. Vander Schueren, E. Gergondet en A. Nosowicz, advocaten,

verzoekster,

ondersteund door

LM Wind Power A/S, gevestigd te Kolding (Denemarken), vertegenwoordigd door B. Servais en V. Crochet, advocaten,

interveniënte,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Luengo en J. Zieliński als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Tech-Fab Europe eV, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door L. Ruessmann en J. Beck, advocaten,

interveniënte,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: O. Porchia (rapporteur), president, M. Jaeger, L. Madise, P. Nihoul en S. Verschuur, rechters,

griffier: I. Kurme, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 16 januari 2024,

het navolgende

Arrest

1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, PGTEX Morocco, nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2022/302 van de Commissie van 24 februari 2022 tot uitbreiding van het bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/492, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/776, ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (hierna: „VRC”) tot vanuit Marokko verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot beëindiging van het onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels van oorsprong uit Egypte door de invoer van vanuit Marokko verzonden bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko (PB 2022, L 46, blz. 49; hierna: „bestreden uitvoeringsverordening”).

I. Voorgeschiedenis van het geding

2 Verzoekster, een vennootschap naar Marokkaans recht die in een vrijhandelszone te Tanger (Marokko) is gevestigd en deel uitmaakt van de Chinese groep van ondernemingen PGTEX, is een producent-exporteur van bepaalde geweven en/of gestikte stoffen van glasvezels (hierna: „SGV”), die zij onder meer naar de Europese Unie uitvoert.

3 SGV zijn stoffen van geweven en/of gestikte continuglasvezelrovings of -draden (hierna: „glasvezelrovings”), al dan niet met andere elementen, met uitzondering van producten die zijn geïmpregneerd of gepreïmpregneerd (pre-preg), en met uitzondering van open weefsels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 (gram per vierkante meter. Die producten kennen zeer uiteenlopende toepassingen en worden onder meer gebruikt voor de productie van windturbinebladen, sportuitrusting en materiaal voor boten en vrachtwagens, evenals in renovatiesystemen voor leidingen.

4 Op 21 februari 2019 heeft de Europese Commissie op grond van artikel 5 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „antidumpingbasisverordening”) een antidumpingonderzoek geopend betreffende de invoer in de Unie van SGV van oorsprong uit China en Egypte (hierna: „antidumpingonderzoek”).

5 Het antidumpingonderzoek heeft geleid tot uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 van de Commissie van 1 april 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde SGV van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte (PB 2020, L 108, blz. 1). Bij die uitvoeringsverordening heeft de Commissie een residueel antidumpingrecht van 99,7 % ingesteld op de invoer van SGV uit China.

6 Bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/776 van de Commissie van 12 juni 2020 tot instelling van definitieve compenserende rechten op bepaalde SGV van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Egypte en tot wijziging van uitvoeringsverordening 2020/492 (PB 2020, L 189, blz. 1) zijn de antidumpingrechten gewijzigd om rekening te houden met de door de Commissie vastgestelde compenserende rechten. Zo bedroeg het residuele antidumpingrecht op SGV uit China 69 %.

7 Op 19 mei 2021 heeft de Commissie een verzoek ontvangen op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de antidumpingbasisverordening om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld ten aanzien van de invoer van SGV van oorsprong uit China en Egypte, door invoer verzonden vanuit Marokko, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en om deze invoer te registreren.

8 Het betrokken verzoek is ingediend door interveniënte aan de zijde van de Commissie, Tech-Fab Europe eV, een vereniging van SGV-producenten in de Unie.

9 Aangezien de Commissie, na de lidstaten te hebben geïnformeerd, had geconcludeerd dat er voldoende bewijsmateriaal was om krachtens artikel 13, lid 3, van de antidumpingbasisverordening een onderzoek (hierna: „antiontwijkingsonderzoek”) te openen, heeft zij uitvoeringsverordening (EU) 2021/864 van 28 mei 2021 vastgesteld tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening (EU) 2020/492 ingestelde antidumpingmaatregelen door de invoer van uit Marokko verzonden bepaalde SGV, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Marokko, en tot registratie van deze invoer (PB 2021, L 190, blz. 82).

10 Het antiontwijkingsonderzoek had betrekking op de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 (hierna: „onderzoektijdvak”). Vóór 2019 werden geen aanzienlijke hoeveelheden SGV uit Marokko naar de Unie uitgevoerd. Er zijn voor dat tijdvak gegevens verzameld om onder meer na te gaan of zich na de instelling van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van het betrokken product inderdaad een verandering in de structuur van het handelsverkeer had voorgedaan en of er sprake was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond. Voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2020 (hierna: „verslagperiode”) zijn meer gedetailleerde gegevens verzameld, teneinde te onderzoeken of de invoer de corrigerende werking van de geldende maatregelen wat de prijzen of de hoeveelheden betreft ondermijnde en of er van dumping sprake was.

11 In de loop van het antiontwijkingsonderzoek heeft de PGTEX-groep, bestaande uit verzoekster en de met haar verbonden vennootschappen uit China, te weten PGTEX China Co., Ltd (hierna: „PGTEX China”) en Chongqing Polycomp International Corporation (CPIC), het ingevulde formulier voor ondernemingen die om een vrijstelling verzoeken (hierna: „vrijstellingsaanvraagformulier”) ingediend. PGTEX China heeft ook het formulier voor producenten-exporteurs ingediend. Op 8 september 2021 heeft die groep geantwoord op het verzoek van de Commissie van 13 augustus 2021 tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens (hierna: „antwoord op het verzoek tot het aanleveren van de ontbrekende gegevens”).

12 Bij brief van 5 oktober 2021 heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat zij voornemens was zich te beroepen op de krachtens artikel 18 van de antidumpingbasisverordening beschikbare gegevens. Op 12 oktober 2021 heeft verzoekster op die brief geantwoord (hierna: „antwoord op de artikel 18-brief”).

13 Op 15 oktober 2021 heeft verzoekster een aantal inlichtingen verstrekt om aan te tonen dat de in Marokko uitgevoerde verwerking niet als „assemblage” kon worden aangemerkt en op zich economisch gerechtvaardigd was (hierna: „aanvullende documentatie”).

14 Op 20 december 2021 heeft de Commissie haar algemene informatiedocument (hierna: „AID”) overgelegd, waarin zij aanbeveelt de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van SGV van oorsprong uit China en Egypte uit te breiden tot vanuit Marokko verzonden SGV, en verzoeksters verzoek tot vrijstelling van die rechten afwijst. Op 7 januari 2022 heeft verzoekster haar opmerkingen over het AID ingediend (hierna: „opmerkingen over het AID”).

15 Parallel daarmee heeft verzoekster op 29 december 2021 verzocht om tussenkomst van de raadadviseur-auditeur omdat zij van mening was dat het AID door het gebruik van beschikbare gegevens jegens haar geen rekening hield met de opmerkingen in het antwoord op de artikel 18-brief. Op 10 januari 2022 heeft een hoorzitting plaatsgevonden met de Commissie en op 12 januari daaropvolgend met de raadadviseur-auditeur. Laatstgenoemde heeft zijn verslag ingediend op 25 januari 2022.

16 Op 24 februari 2022 heeft de Commissie de bestreden uitvoeringsverordening vastgesteld.

II. Conclusies van partijen

17 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden uitvoeringsverordening nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking heeft; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

18 Interveniënte aan verzoeksters zijde, LM Wind Power A/S, verzoekt het Gerecht: – het beroep toe te wijzen; – de Commissie te verwijzen in de kosten van haar interventie.

19 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

20 Interveniënte aan de zijde van de Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten van haar interventie.

III. In rechte

21 Ter ondersteuning van het onderhavige beroep voert verzoekster vier middelen aan: – ten eerste, schending van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2000, L 70, blz. 2), zoals gewijzigd (hierna: „associatieovereenkomst”), schending van artikel 22, onder a), van de antidumpingbasisverordening en misbruik van bevoegdheid op grond dat de bestreden uitvoeringsverordening antidumpingmaatregelen instelt ten aanzien van de door verzoekster naar de Unie uitgevoerde SGV van preferentiële Marokkaanse oorsprong, zonder te hebben vastgesteld dat het ging om invoer met dumping overeenkomstig artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 11) en zonder dat die maatregelen in overeenstemming zijn met de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI GATT (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst van 1994”); – ten tweede, niet-nakoming van de motiveringsplicht, schending van de rechten van de verdediging en van het recht op behoorlijk bestuur, kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 18, leden 1 en 3, van de antidumpingbasisverordening wat het gebruik van de beschikbare gegevens betreft; – ten derde, kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening doordat de Commissie heeft aangenomen dat er, afgezien van de instelling van antidumpingrechten, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging voor verzoekster was om haar productiefaciliteit in Marokko op te zetten, alsmede schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht; – ten vierde, kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, leden 1 en 2, van de antidumpingbasisverordening, schending van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling en schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het in Marokko toegepaste productieproces assemblage vormde.

22 Allereerst moeten het eerste, het derde en het vierde middel worden onderzocht, en vervolgens, indien nodig, het tweede middel.

A. Eerste middel

23 Ter ondersteuning van het eerste middel voert verzoekster, net als interveniënte aan haar zijde, in wezen drie grieven aan.

24 Met de eerste grief betoogt verzoekster om te beginnen dat de door haar geproduceerde SGV volgens de toepasselijke regels van de associatieovereenkomst als „van oorsprong” uit Marokko worden beschouwd. De preferentiële oorsprong van die SGV blijkt tevens uit het bewijs van oorsprong dat de Marokkaanse autoriteiten overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van protocol nr. 4 bij de associatieovereenkomst hebben afgegeven, te weten de EUR.1-certificaten, waarvan de geldigheid door de Marokkaanse douaneadministratie is bevestigd. Die preferentiële oorsprong wordt trouwens niet betwist.

25 Bijgevolg is de bestreden uitvoeringsverordening, doordat zij na afloop van het antiontwijkingsonderzoek en niet na afloop van het antidumpingonderzoek antidumpingrechten instelt op de invoer van verzoeksters SGV van preferentiële Marokkaanse oorsprong, in strijd met artikel 9 van de associatieovereenkomst, dat verbiedt dat op dergelijke producten douanerechten en heffingen van gelijke werking worden opgelegd, alsook met artikel 24 van die overeenkomst, op grond waarvan, bij wijze van uitzondering op artikel 9 van die overeenkomst, ten aanzien van die producten antidumpingmaatregelen kunnen worden ingesteld op voorwaarde dat de Unie constateert dat de invoer met dumping plaatsvindt in de zin van artikel VI GATT en dat de antidumpingmaatregelen worden genomen overeenkomstig de antidumpingovereenkomst van 1994.

26 Volgens verzoekster heeft de Unie door de associatieovereenkomst te ratificeren zich ertoe verbonden om pas antidumpingrechten op de invoer „van oorsprong” uit Marokko in te stellen na te hebben vastgesteld dat er sprake is van dumping overeenkomstig artikel VI GATT en de antidumpingovereenkomst van 1994. Zij voegt daaraan toe dat de Unie derhalve heeft afgezien van de mogelijkheid om na het antiontwijkingsonderzoek met betrekking tot producten die krachtens de associatieovereenkomst „van oorsprong” uit Marokko zijn, antidumpingmaatregelen in te stellen.

27 In dat verband wijst verzoekster erop dat zij niet aanvoert dat artikel 24 van de associatieovereenkomst elk antiontwijkingsonderzoek verbiedt. Zij betoogt dat de Commissie voor het instellen van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van producten die krachtens de associatieovereenkomst van preferentiële Marokkaanse oorsprong zijn, moet vaststellen dat er sprake is van dumping in de zin van artikel VI GATT en dat dit niet kan worden vastgesteld in het kader van het antiontwijkingsonderzoek zelf. Artikel 24 van de associatieovereenkomst staat evenwel niet in de weg aan een antiontwijkingsonderzoek met betrekking tot producten die niet van preferentiële Marokkaanse oorsprong zijn, zoals dat doorgaans het geval is wanneer de gestelde ontwijkingspraktijken bestaan in kleine wijzigingen, overladingen of het reorganiseren van de verkoopkanalen om gebruik te maken van het voor een andere producent geldende lagere recht.

28 Omdat door de Unie gesloten internationaalrechtelijke overeenkomsten van hogere rang zijn dan de bepalingen van afgeleid Unierecht, moeten deze bepalingen hoe dan ook zoveel mogelijk in overeenstemming met die overeenkomsten worden uitgelegd (arrest van 10 september 1996, Commissie/Duitsland, C‑61/94, EU:C:1996:313, punt 52). De Commissie mag het enkele feit dat er afgeleid Unierecht bestaat derhalve niet opvatten als een rechtvaardiging om voorbij te gaan aan de in het kader van de associatieovereenkomst aangegane verbintenissen. Bovendien kan de verwijzing naar de „nationale wettelijke regeling ter zake” in artikel 24 van de associatieovereenkomst niet worden ingeroepen om een schending van die overeenkomst te rechtvaardigen.

29 Met de tweede grief betoogt verzoekster dat de bestreden uitvoeringsverordening, voor zover daarbij antidumpingrechten worden ingesteld op de invoer „van oorsprong” uit Marokko, waardoor de toepassing van de bijzondere bepalingen van de associatieovereenkomst wordt uitgesloten, indruist tegen artikel 22, onder a), van de antidumpingbasisverordening.

30 Met de derde grief voert verzoekster aan dat de bestreden uitvoeringsverordening misbruik van bevoegdheid oplevert, aangezien deze enkel tot doel heeft de in de associatieovereenkomst speciaal vastgestelde procedure voor de instelling van antidumpingmaatregen te omzeilen. Volgens haar wist de Commissie heel goed dat de associatieovereenkomst voor het instellen van antidumpingrechten voorzag in een specifieke procedure die moest voldoen aan de vereisten van artikel VI GATT, maar heeft zij doelbewust gebruikgemaakt van de in de antidumpingbasisverordening opgenomen procedure inzake ontwijking om aan die procedure te ontsnappen. Bovendien wijst verzoekster erop dat artikel VI GATT niet voorziet in antiontwijkingsonderzoeken.

31 Ten slotte voegt verzoekster er in dat verband aan toe dat de Commissie met de vaststelling van de bestreden uitvoeringsverordening weliswaar beoogt de doeltreffendheid van de maatregelen ten aanzien van de invoer van SGV van oorsprong uit China te verzekeren, maar dat die uitvoeringsverordening douanerechten en heffingen van gelijke werking op de invoer van SGV van oorsprong uit Marokko instelt, hetgeen in strijd is met artikel 9 van de associatieovereenkomst en artikel 22 van de antidumpingbasisverordening.

32 Verzoeksters argumenten worden door de Commissie net als door interveniënte aan haar zijde betwist.

1. Opmerkingen vooraf

a) Associatieovereenkomst

33 De Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds is op 26 februari 1996 te Brussel gesloten en namens de Europese Gemeenschappen goedgekeurd bij besluit 2000/204/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 24 januari 2000 inzake de sluiting van de Euromediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (PB 2000, L 70, blz. 1). Die overeenkomst is overeenkomstig artikel 96 ervan in werking getreden op 1 maart 2000, zoals blijkt uit de informatie die is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 2000, L 70, blz. 228).

34 Ingevolge artikel 1, lid 1, van de associatieovereenkomst wordt er een associatie tot stand gebracht tussen de Europese Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (in de associatieovereenkomst met Marokko tezamen aangeduid als de „Gemeenschap”) en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds.

35 Volgens artikel 1, lid 2, tweede streepje, ervan heeft de associatieovereenkomst onder meer ten doel „de voorwaarden vast te leggen voor de geleidelijke liberalisering van het goederen-, diensten- en kapitaalverkeer”.

36 Zo bepaalt artikel 6 van de associatieovereenkomst, dat is opgenomen in titel II van die overeenkomst, betreffende het vrije verkeer van goederen, dat „[d]e Gemeenschap en Marokko […] in de loop van een overgangsperiode van ten hoogste twaalf jaar, te beginnen bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst, geleidelijk een vrijhandelszone tot stand [brengen], overeenkomstig de hierna omschreven bepalingen en in overeenstemming met de bepalingen van de [GATT] van 1994 en andere multilaterale overeenkomsten inzake de handel in goederen die opgenomen zijn in de bijlagen bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) […]”.

37 Daartoe bepaalt artikel 9 van de associatieovereenkomst, dat overeenkomstig het opschrift van titel II, hoofdstuk I, van die overeenkomst, waarin dat artikel is opgenomen, van toepassing is op industrieproducten, dat „[p]roducten van oorsprong uit Marokko […] bij invoer in de Gemeenschap [worden] toegelaten met vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking”.

38 Zoals in artikel 29 van de associatieovereenkomst is aangegeven, zijn het begrip „producten van oorsprong” voor de toepassing van titel II van die overeenkomst en de desbetreffende methoden van administratieve samenwerking gedefinieerd in protocol nr. 4 bij die overeenkomst.

39 Bij wijze van uitzondering op artikel 9 van de associatieovereenkomst staat artikel 24 van die overeenkomst, dat is opgenomen in hoofdstuk III („Gemeenschappelijke bepalingen”), toe dat door een van de partijen passende maatregelen tegen dumping worden genomen. Die bepaling luidt met name dat „[i]ndien een der partijen constateert dat in het handelsverkeer met de andere partij dumping in de zin van artikel VI [GATT] plaatsvindt, […] zij passende maatregelen [kan] nemen tegen deze praktijk overeenkomstig de [antidumpingovereenkomst van 1994] en haar nationale wettelijke regeling ter zake, en volgens de voorwaarden en procedures van artikel 27 van deze overeenkomst”.

b) Unieregeling inzake ontwijking van antidumpingmaatregelen

40 De in artikel 13 van de antidumpingbasisverordening vervatte Unieregeling inzake ontwijking van antidumpingmaatregelen biedt de instellingen de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden antidumpingrechten die zij op de invoer van een product uit een derde land hebben ingesteld, uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten uit met name een ander land, teneinde ontwijking van de antidumpingmaatregelen te voorkomen.

41 Artikel 13 van de antidumpingbasisverordening, met als opschrift „Ontwijking”, is met name als volgt geformuleerd: „1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontwijking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Unie of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Unie als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2. De in de derde alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere: a) het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; b) het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; c) het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Unie te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; d) in de in lid 2 beschreven situatie, de assemblage van delen in de Unie of een derde land. 2. Assemblage in de Unie of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer: a) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, […] b) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt, en c) de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden. […]”

42 Uit overweging 20 van de antidumpingbasisverordening blijkt dat artikel 13 van die verordening niet op de antidumpingovereenkomst van 1994 is gebaseerd, maar eenzijdig door de Unie is vastgesteld. Hoewel de kwestie van de ontwijking in het kader van de WTO-GATT-onderhandelingen is besproken, kon in dat kader namelijk geen overeenstemming worden bereikt. Bijgevolg is de ontwijkingsregeling van de Unie een regeling die weliswaar in de antidumpingregels van de Unie is ingebed, maar een eigen specifiek karakter heeft (conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Commissie/Kolachi Raj Industrial, C‑709/17 P, EU:C:2019:303, punten 37 en 38).

43 Uit overweging 20 van de antidumpingbasisverordening blijkt ook dat artikel 13 van die verordening is vastgesteld teneinde bepaalde praktijken, zoals de loutere assemblage van producten in de Unie of in een derde land, tegen te gaan die hoofdzakelijk de ontwijking van antidumpingmaatregelen ten doel hebben. In de huidige economische omstandigheden, die worden gekenmerkt door een toenemende globalisering van de internationale handel, waardoor ondernemingen steeds meer de mogelijkheid hebben om de productie van goederen naar andere landen te verplaatsen, wordt het voor de Unie namelijk steeds belangrijker om over instrumenten ter bescherming van de handel te beschikken waarmee effectief kan worden gereageerd op de uitdagingen die in die handelsomstandigheden rijzen en die ervoor zorgen dat de bedrijfstak van de Unie doeltreffend wordt beschermd tegen de invoer met dumping van producten. Tot deze instrumenten behoren de antiontwijkingsvoorschriften, die een essentiële rol spelen om de doeltreffendheid van de door de Unie genomen antidumpingmaatregelen te verzekeren (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Commissie/Kolachi Raj Industrial, C‑709/17 P, EU:C:2019:303, punten 1 en 73).

2. Gegrondheid van het eerste middel: schending van de associatieovereenkomst, schending van artikel 22, onder a), van de antidumpingbasisverordening en misbruik van bevoegdheid op grond dat de bestreden uitvoeringsverordening antidumpingmaatregelen instelt ten aanzien van de door verzoekster naar de Unie uitgevoerde SGV van preferentiële Marokkaanse oorsprong zonder te hebben vastgesteld dat het ging om invoer met dumping overeenkomstig artikel VI GATT en zonder dat dergelijke maatregelen in overeenstemming zijn met de antidumpingovereenkomst van 1994

44 In casu moet voor de beantwoording van het onderhavige middel in wezen worden nagegaan of de Commissie gebruik mocht maken van de antiontwijkingsvoorschriften van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening om antidumpingrechten die zij op de invoer van een product uit een derde land (te weten in casu China) heeft ingesteld, uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten uit met name een ander land (te weten in casu Marokko), zonder rekening te houden met het feit dat de Unie met het Koninkrijk Marokko een associatieovereenkomst had gesloten.

45 In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat, zoals in punt 40 hierboven is opgemerkt, artikel 13 van de antidumpingbasisverordening de instellingen de mogelijkheid biedt om onder bepaalde voorwaarden antidumpingrechten die zij op de invoer van een product uit een derde land hebben ingesteld, uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten uit met name een ander land, teneinde ontwijking van de antidumpingmaatregelen te voorkomen.

46 Bovendien heeft een verordening tot uitbreiding van een antidumpingrecht volgens de rechtspraak uitsluitend ten doel de doeltreffendheid ervan te waarborgen en ontwijking ervan te voorkomen en is een maatregel tot uitbreiding van een definitief antidumpingrecht bijgevolg slechts een aanvulling op het oorspronkelijke besluit tot instelling van dat recht, dat de effectieve toepassing van de definitieve maatregelen beschermt (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Commissie/Kolachi Raj Industrial, C‑709/17 P, EU:C:2019:717, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47 In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat de associatieovereenkomst, zoals blijkt uit de lezing van de in de punten 34 tot en met 37 hierboven genoemde bepalingen, beoogt geleidelijk een vrijhandelszone tussen de Unie en Marokko tot stand te brengen. Die overeenkomst is immers gesloten ter bevordering van het vrije verkeer van goederen tussen de Unie en Marokko, met name door de afschaffing van douanerechten en heffingen van gelijke werking.

48 De associatieovereenkomst en artikel 13 van de antidumpingbasisverordening zijn dus twee handelspolitieke instrumenten van de Unie die verschillende doelen dienen en een verschillende logica volgen. Waar het eerste een samenwerkingsinstrument is om het vrije verkeer van goederen uit Marokko binnen de Unie te bevorderen, is het tweede immers een handelsbeschermingsinstrument om oneerlijke handelspraktijken te bestraffen die afbreuk kunnen doen aan de doeltreffendheid van reeds ten aanzien van derde landen geldende antidumpingmaatregelen.

49 In casu heeft de Commissie bij de bestreden uitvoeringsverordening het antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening 2020/492 is ingesteld op de invoer van SGV uit China, uitgebreid tot vanuit Marokko verzonden SGV omdat zij van mening was dat de PGTEX-groep in Marokko een praktijk had opgezet om dat recht te ontwijken. Bovendien kan het aldus uitgebreide recht, dat enkel tot doel heeft de doeltreffendheid van het aan de Volksrepubliek China opgelegde antidumpingrecht te verzekeren, niet worden onderscheiden van laatstgenoemd recht, waarvan het het uitvloeisel vormt (zie in die zin en naar analogie arrest van 8 november 2005, Jersey Produce Marketing Organisation, C‑293/02, EU:C:2005:664, punt 70).

50 Met de bestreden uitvoeringsverordening richt de Commissie zich dus tegen de Chinese ondernemingen van de PGTEX-groep om te voorkomen dat zij gebruik zouden maken van het grondgebied van Marokko – daar het Koninkrijk Marokko de associatieovereenkomst met de Unie heeft gesloten – teneinde zich te onttrekken aan het op de Chinese invoer van SGV ingestelde antidumpingrecht.

51 In dat verband zij opgemerkt dat de associatieovereenkomst geen bepalingen bevat die de vaststelling van antiontwijkingsmaatregelen door een van de partijen bij die overeenkomst verbieden. Bijgevolg staat die overeenkomst er niet aan in de weg dat de Unie ten aanzien van gedragingen als vermeld in punt 50 hierboven nagaat of aan alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening is voldaan, en vervolgens, voor zover wordt vastgesteld dat aan die voorwaarden effectief is voldaan, antiontwijkingsmaatregelen neemt om die gedragingen tegen te gaan.

52 Bij een andere uitlegging zou de Unie een handelsbeschermingsinstrument worden ontnomen dat van cruciaal belang is voor een doeltreffende bescherming van de bedrijfstak van de Unie, en zou Marokko veranderen in een „vrijhandelszone” waar marktdeelnemers allerlei soorten handelingen ter ontwijking van antidumpingmaatregelen kunnen verrichten, hetgeen in casu in strijd zou zijn met de wederzijdse verbintenissen die het Koninkrijk Marokko en de Unie in het kader van de associatieovereenkomst zijn aangegaan.

53 Gelet op het voorgaande moet dus worden vastgesteld dat de Commissie gebruik mocht maken van de antiontwijkingsvoorschriften van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening en dient het eerste middel bijgevolg te worden afgewezen.

B. Derde en vierde middel

54 De onderhavige middelen van het beroep zien op de beoordeling van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening in het onderhavige geval.

55 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie, zoals blijkt uit overweging 32 van de bestreden uitvoeringsverordening, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening heeft onderzocht of er in casu sprake was van ontwijking door achtereenvolgens na te gaan: – of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen China/Egypte/Marokko en de Unie had voorgedaan (zijnde de eerste voorwaarde); – of die verandering het gevolg was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van de geldende antidumpingmaatregelen, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond (zijnde de tweede voorwaarde); – of was bewezen dat er sprake was van schade of dat de corrigerende werking van de geldende antidumpingmaatregelen, gezien de prijzen of de hoeveelheden van het onderzochte product, werd ondermijnd (zijnde de derde voorwaarde), en – of was bewezen dat dumping plaatsvond ten aanzien van de voor het betrokken product eerder vastgestelde normale waarden (zijnde de vierde voorwaarde).

56 Voorts wordt in overweging 33 van de bestreden uitvoeringsverordening het volgende verklaard: „Aangezien het […] in [het] verzoek [tot opening van het onderzoek] verstrekte bewijsmateriaal wees op assemblagewerkzaamheden in Marokko, heeft de Commissie [in het kader van het onderzoek van de tweede in het geding zijnde voorwaarde] specifieker geanalyseerd of aan de voorwaarden van artikel 13, lid 2, van de [antidumpingbasisverordening] is voldaan, met name: – of de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en of de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, […] – of de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product, en of de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt.”

57 In casu wordt de beoordeling van de in punt 55 hierboven genoemde eerste, derde en vierde voorwaarde door verzoekster niet betwist. Zij betwist wel de beoordeling van de in dat punt genoemde tweede voorwaarde.

1. Opmerkingen vooraf

58 Er zij aan herinnerd dat volgens de rechtspraak de instellingen van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van handelsbeschermingsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie arrest van 26 januari 2017, Maxcom/Chin Haur Indonesia, C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P, EU:C:2017:61, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

2. Gegrondheid van het derde middel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening doordat de Commissie heeft aangenomen dat er, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging voor verzoekster was om haar productiefaciliteit in Marokko op te zetten, alsmede schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht

59 Het onderhavige middel valt in wezen uiteen in twee onderdelen.

60 Met het eerste onderdeel voert verzoekster, net als interveniënte aan haar zijde, om te beginnen aan dat de bestreden uitvoeringsverordening berust op kennelijke beoordelingsfouten en in strijd is met artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening doordat de Commissie tot de slotsom is gekomen dat er, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging was om haar productiefaciliteit in Marokko op te zetten.

61 Verzoekster stelt ten eerste dat zij tijdens het antiontwijkingsonderzoek uitvoerig heeft uiteengezet en aangetoond dat de bouw van haar productiefaciliteit in Marokko gemotiveerd en economisch gerechtvaardigd was. Volgens haar vloeit de bouw van die faciliteit met name voort uit het reeds lang bestaande uitbreidingsplan van de PGTEX-groep waarvan zij deel uitmaakt. Dat plan omvat [vertrouwelijk] ( 1 ). Zij meent dat de Commissie gebruik heeft gemaakt van een louter temporele correlatie om duidelijk en gegrond bewijsmateriaal van de hand te wijzen waaruit bleek dat het besluit om haar productiefaciliteit in Marokko op te zetten, op economische en logistieke overwegingen berustte en niet op de opening van het antidumping- en het antisubsidieonderzoek. Zij voegt daaraan toe dat de Commissie ook is voorbijgegaan aan het bewijsmateriaal dat zij had verstrekt om uit te leggen dat de bouw van haar productiefaciliteit in Marokko was uitgesteld [vertrouwelijk].

62 Ten tweede voert verzoekster aan dat haar productiefaciliteit weliswaar in oktober 2019 in Marokko is opgezet, maar dat aan dat proces verschillende voorbereidende stappen zijn voorafgegaan, hetgeen aantoont dat het besluit om die productiefaciliteit op te zetten ruim vóór de opening van de onderzoeken is vastgesteld en dat die faciliteit niet is opgezet met het doel of het oogmerk om de handelsbeschermingsmaatregelen van de Unie te ontwijken. Volgens haar is het besluit om een productiefaciliteit in Marokko op te zetten met name genomen [vertrouwelijk].

63 Ten derde voert verzoekster aan dat de Commissie het argument van interveniënte aan verzoeksters zijde dat haar productiefaciliteit in Marokko is opgezet om [vertrouwelijk] te bedienen, ten onrechte heeft verworpen. Uit de aanvullende documentatie blijkt namelijk dat over de bouw van een fabriek in Marokko reeds in de maand [vertrouwelijk] besprekingen hebben plaatsgevonden, met name om een belangrijke lokale afnemer te bevoorraden. Verzoekster wijst er ook op dat zij tijdens de hoorzitting over het AID van 10 januari 2021 heeft uiteengezet dat zij met haar vestiging in Marokko wilde inspelen op de stijging van de vraag in [vertrouwelijk], dat de verslagperiode een aanloopfase was en dat die fase door de COVID-19-pandemie was verstoord, die vertragingen had veroorzaakt bij de procedures voor de kwalificatieaudit en de fabrieksaudit in Marokko.

64 Ten vierde betoogt verzoekster dat de bestreden uitvoeringsverordening onjuist is voor zover daarin wordt beweerd dat het jaarverslag 2019 van PGTEX China uitdrukkelijk bevestigt dat de mogelijke instelling van antidumpingrechten de reden voor haar was om in Marokko een productiefaciliteit op te zetten. Volgens haar geeft dat verslag aan dat haar productiefaciliteit niet alleen is opgezet om „actief te kunnen inspelen op het antidumpingonderzoek van de [Unie] tegen [de Volksrepubliek China]”, maar ook om „haar internationaliseringsstrategie verder te optimaliseren en aan te passen, het marktaandeel van de producten in [vertrouwelijk] te consolideren en te vergroten, aan de vraag van de afnemers te voldoen en de bevoorrading van de afnemers te beschermen”. In dat verslag wordt dus niet gesproken van „ontwijking”, maar van „inspelen” op het antidumpingonderzoek dat wordt gerechtvaardigd door een „internationaliseringsstrategie”, door de „vraag van de afnemers” en door de wens om „de bevoorrading van de afnemers te beschermen”. Verzoekster stelt dat het betrokken verslag derhalve was bedoeld om investeerders gerust te stellen en hen erop te wijzen dat er geen antidumping- of compenserende maatregelen op haar van toepassing waren aangezien de PGTEX-groep reeds voornemens was om de markt van de Unie te bedienen via een fabriek in Marokko.

65 In dit verband voegt interveniënte aan verzoeksters zijde eraan toe dat uit de zinsnede „waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat” in artikel 13 van de antidumpingbasisverordening blijkt dat de instelling van het recht de voornaamste, zo niet de enige reden voor de praktijk, het proces of de werkzaamheid in kwestie moet zijn. Het volstaat namelijk niet dat de instelling van het recht een van de redenen van de praktijk, het proces of de werkzaamheid is. Aangetoond moet worden dat de andere mogelijke redenen of economische rechtvaardigingsgronden niet volstaan, zodat de instelling van het recht de voornaamste reden voor de praktijk, het proces of de werkzaamheid is.

66 Voorts voert interveniënte aan verzoeksters zijde aan dat verzoekster niet de enige onderneming is die zich in Marokko heeft gevestigd om fabrikanten van windturbinebladen te bevoorraden. Volgens haar is de invoer uit Marokko naar de Unie dankzij de associatieovereenkomst vrij van douanerechten, terwijl op de invoer van SGV van oorsprong uit China conventionele douanerechten tot 7 % drukken. Marokko is dan ook een betere locatie dan China om SGV te produceren en naar de Unie uit te voeren. Om die reden is verzoeksters productiefaciliteit in Marokko onafhankelijk van de opening van het antidumpingonderzoek opgezet om te kunnen voldoen aan de steeds toenemende vraag naar SGV in Marokko en om de Unie vrij van conventionele douanerechten te bevoorraden. Volgens interveniënte aan verzoeksters zijde bestaat er, afgezien van de instelling van het recht, derhalve voldoende reden of economische rechtvaardiging voor verzoeksters vestiging in Marokko aangezien die onderneming zelfs zou zijn opgericht mocht er geen antidumpingonderzoek naar de invoer van SGV van oorsprong uit China zijn geopend.

67 Met het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat de bestreden uitvoeringsverordening in strijd is met het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht, en met name doordat die instelling, ten eerste, geen rekening heeft willen houden met documenten waaruit bleek dat over verzoeksters vestiging in Marokko al ruim vóór de opening van het antidumping- of compensatieonderzoek werd nagedacht, ten tweede, de opmerkingen van de Marokkaanse autoriteiten dat de contacten met die autoriteiten reeds [vertrouwelijk] hadden plaatsgevonden en dus dateerden van vóór de opening van enig onderzoek van de hand heeft gewezen, ten derde, de argumenten van interveniënte aan haar zijde en andere elementen van het dossier waaruit bleek dat haar fabriek in Marokko was opgezet om [vertrouwelijk] te bedienen, heeft verworpen en, ten vierde, het jaarverslag 2019 van PGTEX China niet correct heeft geanalyseerd.

68 Verzoeksters argumenten worden door de Commissie net als door interveniënte aan haar zijde betwist.

69 Alvorens achtereenvolgens de twee onderdelen van het onderhavige middel te onderzoeken, dient in herinnering te worden gebracht hoe de Commissie de tweede noodzakelijke voorwaarde voor de vaststelling van het bestaan van ontwijking (zie punt 55 hierboven) in casu is nagegaan. Met name moet er kort worden ingegaan op de overwegingen van de bestreden uitvoeringsverordening, waarin de Commissie heeft vastgesteld dat er, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten, voor verzoekster onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond om een productiefaciliteit in Marokko op te zetten.

a) Beoordeling van de vraag of er, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten in de bestreden uitvoeringsverordening, voor verzoekster onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond om een productiefaciliteit in Marokko op te zetten

70 Nadat de Commissie in overweging 59 van de bestreden uitvoeringsverordening had vastgesteld dat „[d]e toename van de uitvoer van SGV uit Marokko naar de Unie […] een verandering [vormde] in de structuur van het handelsverkeer tussen Marokko en de Unie in de zin van artikel 13, lid 1, van [de antidumpingbasisverordening], samen met de aanzienlijke toename van de Chinese uitvoer van glasvezelrovings naar Marokko in 2020 ten opzichte van 2019”, heeft zij er in overweging 60 van die uitvoeringsverordening aan herinnerd dat „[a]rtikel 13, lid 1, van de [antidumpingbasisverordening] bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat”.

71 De Commissie heeft dus met betrekking tot de door verzoekster in Marokko opgezette productiefaciliteit onderzocht of aan de tweede noodzakelijke voorwaarde voor de vaststelling van het bestaan van ontwijking was voldaan.

72 Dienaangaande heeft de Commissie in overweging 61 van de bestreden uitvoeringsverordening vastgesteld dat „[v]olgens de […] opmerkingen van de Marokkaanse autoriteiten […] het eerste contact met de PGTEX-groep voor het opzetten van een fabriek in Marokko [dateerde] van 20 maart 2019, dat wil zeggen één maand na de opening van het […] antidumpingonderzoek”, dat „[verzoekster was] opgericht op 2 oktober 2019, ongeveer zeven maanden na de opening van het onderzoek” en dat „[d]eze samenloop in de tijd [de Commissie ertoe had gebracht aan te nemen] dat het antidumpingonderzoek en de mogelijke instelling van een antidumpingrecht de reden voor de oprichting van [verzoekster] waren [geweest]”.

73 In overweging 62 van de bestreden uitvoeringsverordening heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat „[v]olgens de door [verzoekster] ingediende lijst van verkopen [haar] totale uitvoer […] in 2020 op de markt van de Unie [was terechtgekomen], terwijl slechts een klein deel van haar productie in dat jaar op de [Marokkaanse] markt [was] verkocht” en dat „[b]ovendien […] alle door haar in 2020 uitgevoerde producten [waren] verkocht aan afnemers in de Unie die in het verleden door PGTEX China werden beleverd”. Op basis daarvan heeft de Commissie aangenomen dat „het antidumpingonderzoek en de mogelijke daaropvolgende instelling van definitieve antidumpingrechten de reden voor de oprichting van [verzoekster] was [geweest]”, een hypothese die „uitdrukkelijk [was] bevestigd in het jaarverslag […] 2019 van PGTEX China”.

74 Bovendien heeft de Commissie het door de PGTEX-groep aangevoerde argument dat er voor verzoeksters oprichting voldoende reden en economische rechtvaardiging bestond, in overweging 64 van de bestreden uitvoeringsverordening verworpen. In dat verband heeft zij met name opgemerkt dat „uit de documentatie die de PGTEX-groep op 15 oktober 2021 [had] ingediend, bleek dat de PGTEX-groep lang vóór de opening van het [antidumpingonderzoek] heeft onderzocht in welk land zij een onderneming kon oprichten” en dat „[e]r […] verschillende mogelijke landen in overweging [waren] genomen, waaronder Marokko”. Volgens de Commissie blijft „[h]et feit dat [verzoekster] werd opgericht op 2 oktober 2019, ongeveer zeven maanden na de opening van [dat onderzoek], evenwel overeind”, suggereerde „[d]eze samenloop in de tijd […] dat [dit onderzoek] een reden was [geweest] voor de oprichting van [verzoekster]”, werd „[d]it […] verder bevestigd door een verklaring van de Marokkaanse autoriteiten, die stelden dat hun contacten met PGTEX in verband met de oprichting van een fabriek aanvingen op 20 maart 2019, dus vlak na de opening van het [betrokken] onderzoek”, en bleek „[h]ieruit […] dat de formele contacten met de Marokkaanse autoriteiten om een onderneming in Marokko op te richten, aanvingen in maart 2019, kort na de opening van [dat onderzoek]”.

75 Ten slotte heeft de Commissie in overweging 66 van de bestreden uitvoeringsverordening het argument van interveniënte aan verzoeksters zijde verworpen dat de PGTEX-groep haar Marokkaanse fabriek had opgezet om [vertrouwelijk] te bedienen en er dus voor het opzetten van die fabriek een andere economische rechtvaardiging was dan het ontwijken van antidumpingrechten. In dat verband heeft zij, ten eerste, verwezen naar het bewijsmateriaal, zoals het jaarverslag 2019 van PGTEX China, waaruit bleek dat er, afgezien van de geldende antidumpingrechten, geen economische rechtvaardiging voor het opzetten van die fabriek was en, ten tweede, benadrukt dat verzoeksters totale uitvoer op de markt van de Unie was terechtgekomen en slechts een klein deel van de productie van laatstgenoemde op de Marokkaanse markt was verkocht.

76 Gelet op het voorgaande is de Commissie in overweging 67 van de bestreden uitvoeringsverordening tot de slotsom gekomen dat „uit het [antiontwijkingsonderzoek] niet [was] gebleken dat er een gegronde reden of economische rechtvaardiging voor het opzetten van een productiefaciliteit voor SGV in Marokko bestond, anders dan om betaling van de momenteel geldende antidumpingrechten te ontwijken”.

b) Eerste onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening doordat de Commissie tot de slotsom is gekomen dat er, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten, voor verzoekster onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond om een productiefaciliteit in Marokko op te zetten

77 Verzoekster betwist de slotsom in overweging 67 van de bestreden uitvoeringsverordening (zie punt 76 hierboven) door in wezen aan te voeren dat zij in de loop van het onderzoek uitvoerig heeft uiteengezet en aangetoond dat de bouw van haar productiefaciliteit in Marokko gemotiveerd en economisch gerechtvaardigd was om andere redenen dan het voornemen om de geldende handelsbeschermingsmaatregelen te ontwijken. Volgens haar heeft de Commissie gebruikgemaakt van een louter temporele correlatie om duidelijk en gegrond bewijsmateriaal van de hand te wijzen waaruit bleek dat het besluit om haar productiefaciliteit in Marokko op te zetten, op economische en logistieke overwegingen berustte en niet op de opening van het antidumpingonderzoek.

78 Wat de datum betreft waarop verzoeksters productiefaciliteit in Marokko is opgezet, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat, zoals de Commissie terecht stelt, het door verzoekster overgelegde bewijsmateriaal, te weten de e‑mails die tussen PGTEX, CPIC en afnemers zijn uitgewisseld tussen [vertrouwelijk], aantoont, zoals verzoekster trouwens zelf erkent, dat Marokko naast andere landen werd beschouwd als een potentiële locatie om een fabriek op te zetten. Zoals verzoekster ter terechtzitting heeft bevestigd, blijkt uit deze uitwisselingen evenwel niet dat tussen [vertrouwelijk], dus vóór de opening van het antidumpingonderzoek, een daadwerkelijk besluit is vastgesteld om verzoeksters productiefaciliteit in Marokko op te zetten. Evenmin blijkt uit de briefwisseling tussen de bestuurders van CPIC na een bezoek in Marokko aan [vertrouwelijk] dat in [vertrouwelijk] een besluit is vastgesteld om een dergelijke productiefaciliteit in Marokko op te zetten. Opgemerkt zij met name dat de als bijlage bij de aanvullende documentatie gevoegde „haalbaarheidsstudie”, die zou zijn gedateerd op [vertrouwelijk], slechts een interne nota is over vergaderingen ter evaluatie van de investeringen van CPIC in Marokko. Uit dat document blijkt niet dat in die periode een besluit is vastgesteld om die productiefaciliteit in Marokko op te zetten.

79 In de tweede plaats blijkt duidelijk uit de opmerkingen van de Marokkaanse autoriteiten dat „[verzoekster] in oktober 2019 is opgericht”. Ofschoon die autoriteiten inderdaad benadrukken dat aan het proces voor het opzetten van verzoeksters productiefaciliteit, zoals bij de oprichting van elke onderneming, „verschillende voorbereidende stappen, zoals haalbaarheidsstudies, zijn voorafgegaan die aantonen dat het locatiebesluit van PGTEX dateert van ruim vóór de vaststelling van de maatregelen en niet is vastgesteld met het doel of het oogmerk om de handelsbeschermingsmaatregelen van de [Unie] te ontwijken”, verklaren zij dat „het contact tussen PGTEX en [hen] voor de bouw van een PGTEX-fabriek in Marokko dateert van 20 maart 2019, dus van kort na de [opening] van het [antidumpingonderzoek]”. De Commissie heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in overweging 64 van de bestreden uitvoeringsverordening vast te stellen dat „de formele contacten met [die] autoriteiten om een onderneming in Marokko op te richten, aanvingen in maart 2019, kort na de opening van [dat onderzoek]”.

80 In de derde plaats vormen verzoeksters argumenten om uit te leggen waarom de bouw van haar productiefaciliteit in Marokko was uitgesteld tot oktober 2019 (zie punt 61 hierboven) slechts een bevestiging van de conclusie van de Commissie dat die productiefaciliteit zeven maanden na de opening van het antidumpingonderzoek was voltooid.

81 Zoals de Commissie in overweging 64 van de bestreden uitvoeringsverordening terecht heeft vastgesteld, is er dus sprake van een samenloop in de tijd tussen de opening van het antidumpingonderzoek en de bouw van verzoeksters productiefaciliteit in Marokko. Een dergelijke samenloop in de tijd kan volgens de rechtspraak het vermoeden rechtvaardigen dat de bouw van een productiefaciliteit in het land van waaruit de goederen worden uitgevoerd, tot doel heeft de toepassing van handelspolitieke maatregelen te vermijden (zie in die zin arrest van 13 december 1989, Brother International, C‑26/88, EU:C:1989:637, punt 29).

82 Uit de rechtspraak volgt eveneens dat de betrokken onderneming bij een dergelijke samenloop in de tijd bijgevolg dient te bewijzen dat niet het streven om aan de gevolgen van de betrokken maatregelen te ontkomen, maar een ander redelijk motief ten grondslag ligt aan de beslissing om een productiefaciliteit op te zetten in het land van waaruit de goederen worden uitgevoerd (zie in die zin arrest van 13 december 1989, Brother International, C‑26/88, EU:C:1989:637, punt 29).

83 In dat verband stelt verzoekster in wezen dat zij haar productiefaciliteit in Marokko heeft opgezet met het oog op de uitvoering van een reeds lang bestaand uitbreidingsplan van de PGTEX-groep waarvan zij deel uitmaakt, [vertrouwelijk]. Die faciliteit zou met name zijn opgezet om een belangrijke lokale afnemer te bevoorraden en, meer in het algemeen, om in te spelen op de stijging van de vraag [vertrouwelijk]. De Commissie zou derhalve een fout hebben gemaakt door het argument van interveniënte aan verzoeksters zijde te verwerpen dat die groep haar Marokkaanse fabriek had opgezet om de [vertrouwelijk] te bedienen.

84 Bovendien verwijst verzoekster tot staving van de in punt 83 hierboven vermelde beweringen naar haar correspondentie met CPIC en afnemers, alsook naar de presentatie van het uitbreidingsplan van de PGTEX-groep betreffende de [vertrouwelijk] in de aanvullende documentatie en naar de slides voor de hoorzitting over het AID van 10 januari 2021.

85 Dienaangaande moet evenwel ten eerste worden vastgesteld dat de briefwisseling die verzoekster als bijlage bij de aanvullende documentatie heeft gevoegd, geen enkele verwijzing bevat naar een echt uitbreidingsplan van de PGTEX-groep [vertrouwelijk]. Zoals in punt 78 hierboven is opgemerkt, bewijst deze briefwisseling namelijk enkel dat Marokko naast andere landen werd beschouwd als een potentiële locatie voor de bouw van een fabriek.

86 Ten tweede, gesteld al dat met de presentatie van het uitbreidingsplan van de PGTEX-groep betreffende de [vertrouwelijk] zou kunnen worden aangetoond dat dit plan daadwerkelijk is uitgevoerd, volstaat dit niet om aan te tonen dat een dergelijk plan Marokko omvatte. Verzoekster heeft namelijk geen document overgelegd met betrekking tot de uitbreidingsplannen van die groep in Marokko. Zoals ter terechtzitting is bevestigd, bevatten de slides voor de hoorzitting over het AID van 10 januari 2021 geenszins het bewijs van de uitvoering van het betrokken plan, maar enkel verzoeksters niet-onderbouwde bewering dat de bouw van haar fabriek in Marokko [vertrouwelijk].

87 Voorts moet worden benadrukt dat verzoekster het bewijsmateriaal waarop de Commissie zich heeft gebaseerd ter verwerping van het argument dat de PGTEX-groep haar Marokkaanse fabriek had opgezet om de markten [vertrouwelijk] te bedienen, niet betwist. Verzoekster komt met name niet op tegen de vaststelling in overweging 62 van de bestreden uitvoeringsverordening dat „[v]olgens de door [haar] ingediende lijst van verkopen [haar] totale uitvoer […] in 2020 op de markt van de Unie [terechtkwam], terwijl slechts een klein deel van haar productie in dat jaar op de [Marokkaanse] markt werd verkocht”.

88 Ook verzoeksters stelling dat het jaarverslag 2019 van PGTEX China aangeeft dat haar productiefaciliteit in Marokko is opgezet met als doel om niet alleen „actief te kunnen inspelen op het antidumpingonderzoek van de [Unie] tegen [de Volksrepubliek China]”, maar ook om „haar internationaliseringsstrategie verder te optimaliseren en aan te passen”, is niet in tegenspraak met de vaststelling van de Commissie dat die productiefaciliteit is opgezet om actief te reageren op het antidumpingonderzoek van de Unie tegen de Volksrepubliek China. Die stelling kan evenmin volstaan als bewijs dat overeenkomstig de in punt 82 hierboven aangehaalde rechtspraak niet het streven om aan de betrokken antidumpingmaatregelen te ontkomen, maar een ander redelijk motief ten grondslag ligt aan verzoeksters besluit om zich in Marokko te vestigen.

89 Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoekster er niet in is geslaagd om de slotsom van de Commissie in overweging 67 van de bestreden uitvoeringsverordening ter discussie te stellen dat „uit het [antiontwijkingsonderzoek] niet [is] gebleken dat er een gegronde reden of economische rechtvaardiging voor het opzetten van een productiefaciliteit voor SGV in Marokko bestond, anders dan om betaling van de momenteel geldende antidumpingrechten te ontwijken”.

90 Verzoekster kan de Commissie dan ook niet verwijten dat zij een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt, noch dat zij artikel 13, lid 1, van de antidumpingbasisverordening zou hebben geschonden.

91 Het onderhavige onderdeel moet dus ongegrond worden verklaard.

c) Tweede onderdeel: schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht

92 Verzoekster verwijt de Commissie dat zij niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig heeft onderzocht. In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de naleving van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures geboden waarborgen van des te groter fundamenteel belang is op het gebied van handelsbeschermingsmaatregelen, waarop de instellingen van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken (zie punt 58 hierboven). Tot die waarborgen behoort in het bijzonder de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 2 april 2020, Hansol Paper/Commissie, T‑383/17, niet gepubliceerd, EU:T:2020:139, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

93 Dienaangaande volgt uit de analyse van het eerste onderdeel van het derde middel, ten eerste, dat noch uit de door verzoekster verstrekte documenten, noch uit de opmerkingen van de Marokkaanse autoriteiten blijkt dat het voornemen van verzoekster om een productiefaciliteit in Marokko op te zetten dateert van ruim vóór de opening van het antidumpingonderzoek tegen de Volksrepubliek China, ten tweede, dat de Commissie geen fout heeft gemaakt door het argument van interveniënte aan verzoeksters zijde te verwerpen dat de PGTEX-groep haar Marokkaanse fabriek had opgezet om de markten [vertrouwelijk] te bedienen, en dat er daarvoor dus geen andere economische rechtvaardiging was dan het streven om aan de geldende antidumpingrechten te ontkomen, en, ten derde, dat de Commissie het jaarverslag 2019 van PGTEX China correct heeft geanalyseerd.

94 In die omstandigheden kan verzoekster niet met succes aanvoeren dat de Commissie haar verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, niet is nagekomen.

95 Het onderhavige onderdeel en het derde middel in zijn geheel moeten dus worden afgewezen.

3. Gegrondheid van het vierde middel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, leden 1 en 2, van de antidumpingbasisverordening, schending van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling en schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het door verzoekster in Marokko toegepaste productieproces assemblage vormde

96 Het onderhavige middel valt uiteen in twee onderdelen. Met het eerste onderdeel stelt verzoekster ter discussie dat er in Marokko assemblagewerkzaamheden in de zin van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening plaatsvinden. Met het tweede onderdeel komt zij op tegen de manier waarop de Commissie het in artikel 13, lid 2, onder b), van laatstgenoemde verordening bedoelde criterium van de toegevoegde waarde is nagegaan.

a) Eerste onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, leden 1 en 2, van de antidumpingbasisverordening en schending van het recht op behoorlijk bestuur doordat de Commissie tot de conclusie is gekomen dat het door verzoekster in Marokko toegepaste productieproces assemblage vormde

97 Verzoekster betwist, net als interveniënte aan haar zijde, de conclusie van de Commissie in de overwegingen 73, 74 en 76 van de bestreden uitvoeringsverordening dat haar SGV in Marokko op basis van uitsluitend bij haar moedermaatschappij in China gekochte glasvezelrovings worden geproduceerd door middel van het procedé van naaien en breien („sewing-knitting”), te weten een voltooiing die onder het begrip „assemblagewerkzaamheden” in de zin van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening valt.

98 Dienaangaande geeft verzoekster om te beginnen toelichting bij de aard van het productieproces en bij de andere in Marokko verrichte werkzaamheden. Zij zet met name uiteen dat SGV in Marokko op basis van niet-gekleurde rovings worden geproduceerd door middel van het procedé van naaien en breien, waarbij de rovings en de SGV twee verschillende producten zijn met andere samenstellingen, eigenschappen en gebruiksdoeleinden, die overeenkomen met twee totaal verschillende bedrijfstakken; dat het SGV-productieproces uit verschillende fasen bestaat die zorgvuldig moeten worden geconcipieerd en gekalibreerd om de gewenste kenmerken te verkrijgen naargelang het specifieke gebruik ervan; dat de productie van SGV wordt onderworpen aan design-, certificerings-, product-, fabrieks- en apparatuuraudits en steekproefsgewijs wordt getest om te voldoen aan de strenge klantenvereisten, waarbij SGV in de praktijk op maat worden gemaakt volgens de eisen van elke afnemer; dat de productie van SGV gespecialiseerde apparatuur en deskundigheid vereist, evenals specifieke opleiding die verder gaan dan eenvoudige assemblagewerkzaamheden en in het licht van de specifieke toepassingen van SGV onontbeerlijk zijn en dat uit de lijst van ernstige gebreken die SGV onbruikbaar maken voor klanten, blijkt hoe complex het SGV-productieproces wel is.

99 Volgens verzoekster heeft de Commissie zich dus vergist door in overweging 76 van de bestreden uitvoeringsverordening het SGV-productieproces in Marokko en de daarmee verband houdende activiteiten aan te merken als een voltooiing die onder het begrip „assemblagewerkzaamheden” in de zin van artikel 13 van de antidumpingbasisverordening valt. Verzoekster is van mening dat de twee begrippen weliswaar niet met elkaar mogen worden verward, maar dat dit productieproces geen assemblage noch een voltooiingswerkzaamheid vormt.

100 In dit verband voert verzoekster ten eerste aan dat de Commissie het begrip „assemblage” ten onrechte heeft gelijkgesteld met het begrip „voltooiingswerkzaamheid”. Volgens haar gaat het om verschillende begrippen aangezien deze in de antidumpingbasisverordening waarin ze worden genoemd, worden gescheiden door het voegwoord „of”, dat wijst op een alternatief. Bijgevolg kan uit niets worden afgeleid dat de omschrijving van artikel 13, lid 2, van die verordening zonder onderscheid van toepassing is op assemblagewerkzaamheden en voltooiingswerkzaamheden.

101 Ten tweede betoogt verzoekster dat aangezien onder „assemblage” een „proces [moet] worden verstaan waarbij de onderdelen van een machine of een werk worden samengevoegd”, het SGV-productieproces in Marokko en de daarmee verbonden activiteiten veel verder gingen dan enkel het samenvoegen van delen, en derhalve niet als assemblage kunnen worden aangemerkt.

102 Ten derde meent verzoekster dat in de veronderstelling dat artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening van toepassing is op voltooiingswerkzaamheden, de Commissie in de bestreden uitvoeringsverordening ten onrechte heeft aangenomen dat de door haar verrichte werkzaamheden voltooiingswerkzaamheden vormden, te weten werkzaamheden die erop gericht zijn iets te voltooien. Zij benadrukt dat zij de verwerking van de rovings tot SGV niet gewoon voltooit. Zij stelt dat zij integendeel op basis van de rovings een geheel nieuw product maakt waarvan de fysieke en technische kenmerken, de gebruiksdoeleinden en de tariefklassen anders zijn. Haar procedé voor de fabricage van SGV in Marokko kan met name worden vergeleken met het soortgelijke, maar eenvoudigere procedé voor de fabricage van katoenweefsels op basis van katoengarens. Rovings worden namelijk op dezelfde manier genaaid en gebreid als katoengarens voor de fabricage van katoenweefsels. Net zoals deze weefsels geen eenvoudige „voltooide” katoengarens zijn, zo zijn SGV geen eenvoudige „voltooide” rovings, maar het resultaat van een complex fabricageprocedé dat gespecialiseerde apparatuur en deskundigheid vereist. Bovendien wordt de fundamenteel verschillende aard van „rovings” en „SGV” zowel erkend door de bedrijfstak van de Unie in de in 2019 ingediende antidumpingklacht betreffende de invoer van SGV uit China en Egypte als door de Commissie zelf via de instelling van handelsbeschermingsmaatregelen tegen rovings en SGV.

103 Verzoeksters argumenten worden door de Commissie net als door interveniënte aan haar zijde betwist.

104 In casu heeft de Commissie in overweging 73 van de bestreden uitvoeringsverordening opgemerkt dat „[d]e belangrijkste grondstof voor de productie van SGV […] glasvezelrovings [was]”, dat „[verzoekster] de glasvezelrovings die zij gebruikte uitsluitend [kocht] bij haar verbonden moedermaatschappij in [China]”, dat „[d]oor middel van het procedé van naaien en breien (‚sewing-knitting’) – een in Marokko verrichte voltooiingswerkzaamheid – […] deze glasvezelrovings tot SGV [werden] verwerkt” en dat „[v]olgens de door [verzoekster] verstrekte informatie […] de glasvezelrovings bijna 100 % [uitmaakten] van de totale waarde van de delen van het geassembleerde [of] voltooide product in de zin van artikel 13, lid 2, [onder b)], van de [antidumpingbasisverordening]”.

105 De Commissie heeft derhalve in overweging 74 van de bestreden uitvoeringsverordening geconcludeerd dat „het bij het procedé dat in Marokko plaatsvindt om een voltooiingswerkzaamheid (assemblagewerkzaamheid) gaat en dat werd voldaan aan het 60 %-criterium van artikel 13, lid 2, [onder b)], van de [antidumpingbasisverordening]”.

106 Bovendien heeft de Commissie in overweging 76 van de bestreden uitvoeringsverordening verklaard dat „[d]e in overweging 73 beschreven praktijk [kon] worden aangemerkt als een voltooiing die […] onder het begrip ‚assemblagewerkzaamheden’ in de zin van artikel 13 van de [antidumpingbasisverordening] valt”.

107 Vervolgens zij eraan herinnerd dat volgens artikel 13, lid 1, vierde alinea, van de antidumpingbasisverordening „[d]e in de derde alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden [die ontwijking kunnen vormen,] onder andere[,] in de in lid 2 beschreven situatie, de assemblage van delen in de Unie of een derde land” omvatten.

108 Overeenkomstig artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening „[wordt] assemblage in de Unie of een derde land […] geacht ontwijking van de maatregelen in te houden wanneer […] de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt”.

109 In casu moet worden nagegaan of, zoals de Commissie en interveniënte aan haar zijde bepleiten, het begrip „assemblage” zo ruim moet worden uitgelegd dat het voltooiingswerkzaamheden kan omvatten, dan wel, zoals verzoekster suggereert, restrictief moet worden uitgelegd in die zin dat die werkzaamheden niet onder het begrip „assemblage” vallen.

110 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de antidumpingbasisverordening, zoals de Commissie benadrukt, geen omschrijving bevat van het begrip „assemblagewerkzaamheden” en evenmin van het begrip „voltooiingswerkzaamheden”. In die verordening wordt evenmin aangegeven of laatstgenoemde werkzaamheden onder het begrip „assemblagewerkzaamheden” vallen.

111 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 12 september 2019, Commissie/Kolachi Raj Industrial, C‑709/17 P, EU:C:2019:717, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

112 Wat de context betreft, zij erop gewezen dat voltooiingswerkzaamheden, anders dan assemblagewerkzaamheden, niet behoren tot de in artikel 13, lid 1, vierde alinea, van de antidumpingbasisverordening opgesomde praktijken, processen of werkzaamheden die ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, derde alinea, van die verordening kunnen inhouden.

113 Het begrip „voltooiing”, dat, zoals ter terechtzitting is bevestigd, een autonoom begrip is dat eigen is aan de antiontwijkingsregeling van de Unie, komt echter voor in artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening, dat bepaalt dat van ontwijking geen sprake is „indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt”. Bovendien moet dienaangaande worden opgemerkt dat er in geen enkele andere bepaling van die verordening naar voltooiingswerkzaamheden wordt verwezen.

114 De verwijzing naar „voltooiing” in artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening, te weten in het deel van die bepaling waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder assemblage wordt geacht ontwijking van de geldende maatregelen in te houden, pleit voor de stelling van de Commissie dat voltooiingswerkzaamheden binnen de werkingssfeer van artikel 13, lid 2, van die verordening vallen. Voltooiingswerkzaamheden kunnen immers worden uitgelegd als een variant van assemblagewerkzaamheden.

115 Ten eerste strookt die uitlegging met de doelstelling van de Unieregeling inzake ontwijking, namelijk de doeltreffendheid van de door de Unie vastgestelde antidumpingmaatregelen waarborgen en vermijding ervan voorkomen (zie punt 46 hierboven). Ten tweede vindt zij steun in het feit dat de wetgever, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, aan de instellingen van de Unie veel speelruimte heeft willen laten met betrekking tot de definitie van „ontwijking” (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 48).

116 Aan die uitlegging wordt overigens niet afgedaan door verzoeksters stelling dat aangezien de begrippen „assemblage” en „voltooiing” verschillend zijn, beide in de antidumpingbasisverordening worden genoemd en worden gescheiden door het voegwoord „of”, het begrip „voltooiing” niet kan worden gelijkgesteld met het begrip „assemblage”. Het klopt namelijk weliswaar dat de twee betrokken begrippen verschillend zijn, zoals wordt bevestigd door het gebruik van het voegwoord „of” (zie in die zin arrest van 17 mei 2013, Trelleborg Industrie en Trelleborg/Commissie, T‑147/09 en T‑148/09, EU:T:2013:259, punt 83), maar dat staat er toch niet aan in de weg dat het begrip „voltooiing” kan worden beschouwd als een begrip dat kan worden geacht te zijn begrepen in het begrip „assemblage”, en dat dus kan worden aanvaard dat voltooiingswerkzaamheden kunnen worden opgenomen onder assemblagewerkzaamheden in de zin van artikel 13, lid 2, van die verordening. Volgens de rechtspraak is de verscheidenheid van de onder het begrip „assemblage” vallende verrichtingen groot (arrest van 13 december 1989, Brother International, C‑26/88, EU:C:1989:637, punt 20).

117 Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 13 van de antidumpingbasisverordening zowel van toepassing is op assemblagewerkzaamheden als op voltooiingswerkzaamheden, waarbij het tweede een variant is van het eerste.

118 Na deze preciseringen moet worden nagegaan of in casu het door verzoekster in Marokko uitgevoerde procedé van naaien en breien („sewing-knitting”), zoals is aangegeven in de overwegingen 73, 74 en 76 van de bestreden uitvoeringsverordening, kan worden aangemerkt als „een voltooiing die […] onder het begrip ‚assemblagewerkzaamheden’ in de zin van artikel 13 van de [antidumpingbasisverordening] valt” (zie de punten 104-106 hierboven).

119 Verzoekster is het niet eens met die kwalificatie. Zoals in punt 102 hierboven in herinnering is gebracht, betoogt zij in dat verband dat het SGV-productieproces in Marokko en de daarmee verband houdende activiteiten veel verder gaan het enkel samenvoegen van delen (of assemblage) en voltooiingswerkzaamheden. Zij benadrukt met name allereerst dat zij niet alleen de verwerking van rovings tot SGV voltooit, maar dat zij op basis van de rovings een geheel nieuw product maakt waarvan de fysieke en technische kenmerken, de gebruiksdoeleinden en de tariefklassen anders zijn. Vervolgens stelt zij dat de SGV geen eenvoudige „voltooide” rovings zijn, maar het resultaat van een complex fabricageprocedé dat uit verschillende fasen bestaat en gespecialiseerde apparatuur en deskundigheid vereist, evenals specifieke vorming. Ten slotte worden de SGV, waarvan de lijst van ernstige gebreken die SGV onbruikbaar maken getuigt van de complexiteit van het productieproces, op maat gemaakt volgens de eisen van elke afnemer.

120 Meteen moet erop worden gewezen dat de antidumpingbasisverordening niet voorziet in een algemeen criterium dat assemblage alleen wanneer het procedé intrinsiek niet ingewikkeld is, ontwijking als bedoeld in artikel 13, lid 1, derde alinea, van die verordening kan inhouden. De omstandigheden waarin assemblage in de Unie of in een derde land wordt geacht ontwijking van de geldende maatregelen in te houden, worden beschreven in artikel 13, lid 2, waarin wordt verwezen naar het aandeel van de gebruikte delen uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en naar de waarde die door de betrokken werkzaamheden aan die delen wordt toegevoegd.

121 Derhalve hebben de door verzoekster aangevoerde omstandigheden dat SGV nieuwe producten zijn waarvan de fysieke en technische kenmerken, de gebruiksdoeleinden en de tariefklassen anders zijn, alsook dat SGV het resultaat zijn van een complex fabricageprocedé dat uit verschillende fasen bestaat en gespecialiseerde uitrusting en deskundigheid en een specifieke vorming vereist, gesteld al dat die omstandigheden vaststaan, geen invloed op de kwalificatie van het SGV-productieproces in Marokko als assemblage of voltooiing, zoals de Commissie terecht opmerkt. Hetzelfde geldt voor de omstandigheden dat SGV voor verschillende doeleinden en in verschillende bedrijfstakken worden gebruikt, alsook zeer veel gebreken kunnen vertonen die kunnen leiden tot de onbruikbaarheid ervan voor afnemers en dat zij op maat worden gemaakt volgens de eisen van de individuele afnemer, die bovendien een grondige design- en certificeringsauditprocedure uitvoert.

122 De Commissie heeft dus geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt en artikel 13, leden 1 en 2, van de antidumpingbasisverordening niet geschonden door de door verzoekster in Marokko uitgevoerde werkzaamheden te analyseren in het licht van het begrip „voltooiing” in plaats van het begrip „assemblage” en door te oordelen dat die werkzaamheden voltooiingswerkzaamheden waren. Ten slotte kan op basis van de door verzoekster aangevoerde elementen geen schending van het recht op behoorlijk bestuur worden vastgesteld.

123 Het onderhavige onderdeel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

b) Tweede onderdeel: kennelijke beoordelingsfouten, schending van artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening en schending van het recht op behoorlijk bestuur en van de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling bij de beoordeling van de toegevoegdewaardedrempel voor assemblagewerkzaamheden

124 Ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel van het vierde middel voert verzoekster in wezen drie grieven aan.

125 Met de eerste grief betoogt verzoekster dat de bestreden uitvoeringsverordening op kennelijke beoordelingsfouten berust en in strijd is met artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening doordat die verordening haar vaste kosten, met name de afschrijvingskosten en de huurkosten, voor de beoordeling van de drempel van de waarde die wordt toegevoegd aan de ingevoerde delen in de zin van die bepaling, aanpast aan de capaciteitsbenuttingsgraad.

126 In de eerste plaats stelt verzoekster dat de aanpassing van de vaste kosten om de capaciteitsbenutting weer te geven rechtens niet toegestaan is en feitelijk niet klopt.

127 Ten eerste voert verzoekster aan dat er geen wettelijke bepaling bestaat die de Commissie toestaat om de vaste kosten aan te passen aan de capaciteitsbenuttingsgraad. Zij meent met name dat de aanpassing van de vaste kosten aan de capaciteitsbenutting incoherent is, aangezien de vaste kosten per definitie niet afhangen van de geproduceerde hoeveelheden of van de benutte capaciteit. De door de Commissie toegepaste correctie is dan ook in strijd met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige definitie van „vaste kosten” en vertekent de berekening van de toegevoegde waarde.

128 In haar repliek betwist verzoekster eveneens, gelet op de context en de doelstelling van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening, de door de Commissie gesuggereerde uitlegging van het begrip „toegevoegde waarde”. Om te beginnen voert zij aan dat dit begrip is toegesneden op het begrip „fabricagekosten”, dat in dezelfde volzin van die bepaling voorkomt. Aangezien laatstgenoemd begrip wordt gedefinieerd in artikel 2 van de antidumpingbasisverordening, houdt een verwijzing naar „kosten” in de context van artikel 13, lid 2, onder b), van die verordening in dat de begrippen „toegevoegde waarde” en „gemaakte kosten” identiek zijn en dat de gemaakte kosten in het kader van de toegevoegde waarde uitsluitend kunnen worden aangepast op basis van artikel 2, lid 5, van die verordening. Volgens verzoekster voorziet dit artikel niet in een correctie wanneer de kosten worden berekend op basis van een administratie die is gevoerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen en een redelijk beeld geeft van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product verbonden kosten, ook al lijken die kosten, gelet op de werkelijke capaciteitsbenuttingsgraad, laag of hoog te zijn. Hetzelfde verbod geldt voor de op kosten toegesneden „toegevoegde waarde”.

129 Ten tweede stelt verzoekster dat er feitelijk geen reden was om de vaste kosten aan te passen. Zij meent dat met die methode de afschrijvings- en huurkosten slechts volledig in aanmerking kunnen worden genomen indien zij op volle capaciteit draait, hetgeen in de praktijk nooit het geval is, en dat de afschrijvingskosten zijn aangepast omdat met de afschrijvingskosten van SGV-machines die niet het hele jaar 2020 in bedrijf waren, geen rekening kan worden gehouden. Zij voegt daaraan toe dat de rechtvaardiging die de Commissie in overweging 81 van de bestreden uitvoeringsverordening heeft aangevoerd om de vaste kosten aan te passen geen steun vindt in de feiten, aangezien zij niet heeft verklaard dat haar machines gedurende 300 dagen in bedrijf waren geweest. Volgens haar zijn op de SGV-machines pas afschrijvingen toegepast vanaf het moment dat zij waren geïnstalleerd en slechts voor de periode waarin zij in bedrijf waren. Verzoekster stelt dat de afschrijvingskosten die zij aan de Commissie heeft verstrekt bijgevolg de werkelijke periode weergeven waarin de SGV-machines werden gebruikt en afgeschreven.

130 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat er geen reden was om de huurkosten van „fabriek – fase 2” uit te sluiten van de voor de berekening van de toegevoegde waarde in aanmerking genomen huurkosten, omdat die fabriek [vertrouwelijk] bevatte, het enige door haar gemaakte product. Aangezien „fabriek – fase 1” en „fabriek – fase 2” voor het vervaardigen van het betrokken product zijn ingezet, was er haars inziens dan ook geen reden om de huurkosten van „fabriek – fase 2” uit te sluiten. Volgens haar dragen alle huurkosten bij tot de toegevoegde waarde van het eindproduct.

131 In de derde plaats betoogt verzoekster dat de Commissie de drie verschillende door haar voorgestelde methoden ter berekening van de toegevoegde waarde op onjuiste gronden heeft afgewezen. Met name de afwijzing van de eerste methode om de in overweging 83 van de bestreden uitvoeringsverordening uiteengezette redenen berust op een kennelijke beoordelingsfout. Dienaangaande verklaart verzoekster dat zij heeft uitgelegd waarom de maand maart aanvankelijk niet als eerste productiemaand was aangegeven. De Commissie beschikte dus niet over gegevens om de overgelegde gegevens ter discussie te stellen. Wat de tweede en de derde methode betreft, voert verzoekster aan dat de door de Commissie gehanteerde capaciteitsbenuttingsgraad van [vertrouwelijk] is bepaald op basis van haar totale capaciteit, rekening houdend met alle SGV-machines en in het bijzonder met die welke niet gedurende het hele jaar 2020 operationeel waren. Volgens haar is die benuttingsgraad in werkelijkheid dus minder representatief voor de capaciteitsbenuttingsgraad voor het hele jaar 2020. Zij stelt derhalve dat de Commissie de door haar voorgestelde oplossingen niet ter zijde kon schuiven met als argument dat deze niet representatief waren voor de capaciteitsbenuttingsgraad voor het hele jaar 2020, zonder haar eigen methode ter discussie te stellen.

132 Met de tweede grief voert verzoekster aan dat de ter weergave van de capaciteitsbenutting doorgevoerde aanpassing van de vaste kosten door voor „fabriek – fase 1” [vertrouwelijk] van de afschrijvings- en huurkosten te hanteren, discriminerend is. Zij verwijt de Commissie in wezen dat zij tussen haar en de bedrijfstak van de Unie heeft gediscrimineerd door bij de berekening van de richtprijs in het oorspronkelijke onderzoek de productiekosten van die bedrijfstak niet aan te passen, ondanks dat die bedrijfstak melding had gemaakt van een lage capaciteitsbenutting tijdens het onderzoektijdvak.

133 Met de derde grief voert verzoekster aan dat de bestreden uitvoeringsverordening in strijd is met haar recht op behoorlijk bestuur, aangezien daarin niet alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig worden onderzocht en de kosten worden aangepast zonder rekening te houden met de uitleg die zij heeft gegeven met betrekking tot het gebruik van de machines en de huurkosten.

134 Verzoeksters argumenten worden door de Commissie net als door interveniënte aan haar zijde betwist.

135 Het onderhavige onderdeel ziet in wezen op de vaststelling van de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd in de zin van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening.

136 Volgens artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening wordt „ontwijking […] niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt”.

137 Alvorens de drie grieven die verzoekster ter ondersteuning van het onderhavige onderdeel aanvoert te onderzoeken, moeten de relevante overwegingen van de bestreden uitvoeringsverordening in herinnering worden gebracht.

1) Berekening van de toegevoegde waarde in de bestreden uitvoeringsverordening

138 In overweging 77 van de bestreden uitvoeringsverordening wijst de Commissie erop dat volgens verzoekster „[de] kosten in verband met de toegevoegde waarde boven de 25 %-drempel […] liggen”. Zij preciseert in dat verband dat „[d]e twee belangrijkste kostenonderdelen bij de berekening van de toegevoegde waarde [door verzoekster] de afschrijvingskosten en de huurkosten [waren], die waren opgenomen in de financiële gegevens over de verslagperiode die [verzoekster] in haar vrijstellingsaanvraag had ingediend”.

i) Afschrijvingskosten

139 Wat de afschrijvingskosten betreft, heeft verzoekster, zoals blijkt uit overweging 78 van de bestreden uitvoeringsverordening, aangevoerd dat „er minder dan tien SGV-machines in haar bedrijfsruimten waren geïnstalleerd en dat elk van deze SGV-machines in 2020 gedurende 300 van de 360 dagen in bedrijf was”. „Voor de verslagperiode had zij het afschrijvingsbedrag [derhalve] berekend op basis van de volgende drie elementen: de aanschafwaarde; een afschrijvingspercentage van 9,5 %, om rekening te houden met de geraamde gebruiksduur, [en] de 300 bedrijfsdagen (op een totaal van 360 dagen), zoals hierboven bedoeld.”

140 Uit overweging 79 van de bestreden uitvoeringsverordening blijkt dat de Commissie het niet eens was met de wijze waarop verzoekster de afschrijvingskosten heeft berekend in het kader van de berekening van de toegevoegde waarde in de zin van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening.

141 Dienaangaande wordt in overweging 79 van de bestreden uitvoeringsverordening het volgende verklaard: „[H]et gebruik van de 300 bedrijfsdagen als element bij de berekening van het afschrijvingsbedrag [is] mogelijk aanvaardbaar volgens de internationale boekhoudnormen, maar dit leidde er om verschillende redenen toe dat het afschrijvingsbedrag bij de berekening van de toegevoegde waarde door [verzoekster] te hoog was opgegeven. Ten eerste hadden de SGV-machines[…] in 2020 een geringe capaciteitsbenutting (werkelijke productie in kg gedeeld door werkelijke productiecapaciteit in kg). Gezien de lage bezettingsgraad van de productiecapaciteit bleken de gerapporteerde afschrijvingskosten derhalve te hoog te zijn opgegeven. Ten tweede werden vier SGV-machines pas in november 2019 per schip van Shanghai naar Tanger vervoerd en konden zij in 2020 niet gedurende 300 dagen in bedrijf zijn geweest, gelet op de tijd die nodig is voor het vervoer van Shanghai naar Tanger en ook op de tijd die is gemoeid met het lossen, installeren en testen van elk van deze[vier] SGV-machines. Ten derde voerde [verzoekster] in haar vrijstellingsaanvraag aan dat zij pas in april 2020 met de productie was begonnen. Mocht dit inderdaad het geval zijn, dan zou elk van de geïnstalleerde SGV-machines in totaal slechts hooguit 270 dagen in bedrijf kunnen zijn geweest (van april 2020 tot en met december 2020), nog afgezien van eventuele perioden waarin de machines werden stilgelegd en dus niet operationeel waren (noodzakelijk onderhoud, vrije dagen en vakanties). Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat voor de berekening van de kosten in verband met de toegevoegde waarde aanzienlijk lagere afschrijvingskosten in aanmerking moeten worden genomen dan die welke zijn berekend door [verzoekster].”

142 Uit de overwegingen 82 en 83 van de bestreden uitvoeringsverordening blijkt dat de Commissie ook het gebruik van de drie volgende door de PGTEX-groep gesuggereerde alternatieve methoden heeft afgekeurd, te weten: – de capaciteit zodanig aanpassen dat rekening wordt gehouden met de maanden waarin de betrokken SGV-machines niet operationeel waren; – alleen de kostengegevens van december 2020 gebruiken, dat wil zeggen de maand tijdens het onderzoektijdvak waarin de meeste SGV-machines operationeel waren, behalve machine [vertrouwelijk]; – gebruikmaken van de kostengegevens van juli tot en met december 2020, aangezien [vertrouwelijk].

143 In overweging 83 van de bestreden uitvoeringsverordening wordt met name gewezen op het volgende: – „[D]e maand maart 2020 werd door [verzoekster] in bijlage 7.2 bij de brief van 12 oktober 2021 niet vermeld als een productiemaand. [Laatstgenoemde] verklaarde op 12 oktober 2021 voor het eerst dat er in maart 2020 productie had plaatsgevonden, maar dat deze productie in maart 2020 pas in haar productiegegevens voor april 2020 was opgenomen. Dit betekent dat de Commissie andere fouten en/of vertragingen bij het boeken van de maandelijkse productie niet kon uitsluiten. […] – [A]lleen de kostengegevens van december 2020 gebruiken, kon evenmin worden aanvaard, aangezien de bezettingsgraad voor de maand december 2020 niet representatief was voor de bezettingsgraad voor het volledige jaar 2020[.] – [H]et gebruik van de kostengegevens voor de periode juli-december 2020 kon evenmin worden aanvaard om dezelfde reden als bij het tweede voorgestelde alternatief[: de] bezettingsgraad voor de periode juli-december 2020 was niet representatief voor de bezettingsgraad voor het volledige jaar 2020.”

144 Daarom heeft de Commissie in overweging 83 van de bestreden uitvoeringsverordening geconcludeerd dat „de bezettingsgraad over het volledige jaar 2020 de meest geschikte indicator was om het volledig geboekte afschrijvingspercentage op redelijke wijze te verlagen bij de berekening van de toegevoegde waarde”.

ii) Huurkosten

145 Wat de huurkosten betreft, heeft de Commissie in overweging 88 van de bestreden uitvoeringsverordening het volgende vastgesteld: „[Verzoekster had] bij de vrijstellingsaanvraag geen huurovereenkomsten overgelegd, ondanks de aanzienlijke huurkosten die zij in 2020 had gemaakt. In haar vrijstellingsaanvraag informeerde zij de Commissie dat al haar SGV-machines op één locatie waren geïnstalleerd (fabriek – fase 1). Aanvankelijk huurde zij naar eigen zeggen enkel deze ene fabriek, gelet op haar verklaring dat zij ‚slechts over één productielocatie beschikt’, ondanks het verzoek in het vrijstellingsaanvraagformulier om de adressen van al haar productielocaties te verstrekken. Vervolgens legde [verzoekster] echter twee huurovereenkomsten over [in haar] antwoord op de schriftelijke aanmaning […] tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens, waaruit bleek dat zij tijdens de verslagperiode twee afzonderlijke gebouwen van twee verschillende eigenaren huurde. Aangezien [verzoekster] eerder in haar vrijstellingsaanvraag had aangevoerd dat de in 2020 operationele SGV-machines enkel in één van deze twee gehuurde fabrieken waren geïnstalleerd, had de in 2020 voor de tweede fabriek (fabriek – fase 2) betaalde huursom moeten worden uitgesloten van de huurkosten en de kosten in verband met de toegevoegde waarde. Bovendien kon de Commissie, gezien de geringe capaciteitsbenutting, bij haar berekening van de kosten in verband met de toegevoegde waarde evenmin de totale huurkosten voor de fabriek – fase 1 aanvaarden, aangezien deze niet volledig in gebruik was geweest nu de SGV-machines in het eerste kwartaal van 2020 hadden stilgestaan en in de andere kwartalen van 2020 niet op volle capaciteit hadden gedraaid. De Commissie heeft de opgegeven totale huurkosten om bovenstaande redenen niet aanvaard.”

146 Bij de Commissie voerde de PGTEX-groep aan dat die instelling kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt en artikel 13, lid 2, van de antidumpingbasisverordening had geschonden door geen rekening te houden met de volledige huurkosten (overweging 80 van de bestreden uitvoeringsverordening).

147 Uit overweging 90 van de bestreden uitvoeringsverordening blijkt echter dat „[d]e Commissie […] dit argument [heeft] afgewezen op grond van de volgende verklaringen die de PGTEX-groep in de loop van het onderzoek had afgelegd”. Daarin wordt namelijk het volgende aangegeven: „In de eerste plaats heeft de PGTEX-groep in haar antwoord op de schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens enkel verwezen naar de fabriek – fase 1 voor de [vertrouwelijk]. In de tweede plaats heeft [zij] in haar antwoord op de schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens verklaard dat haar SGV-machines, die in 2020 in gebruik waren, zich allemaal in [fabriek] – fase 1 bevonden. Bijgevolg leidde de Commissie hieruit af dat geen van deze machines, die in 2020 operationeel waren, zich in [fabriek] – fase 2 [bevond]. Dit werd ook bevestigd door andere verklaringen van [die groep] in haar antwoord op de schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van de ontbrekende gegevens.”

148 Bijgevolg heeft de Commissie in overweging 91 van de bestreden uitvoeringsverordening geconcludeerd dat, „rekening houdend met wat hierboven is uiteengezet, [er] een correctie op de opgegeven afschrijvingskosten en huurkosten [was] toegepast, en de aldus vastgestelde gemiddelde toegevoegde waarde in de verslagperiode […] onder de in artikel 13, lid 2, [onder] b), van de [antidumpingbasisverordening] vastgelegde 25 %-drempel [bleek] te liggen” en dat „[o]ok van een aantal andere kostenonderdelen [was] vastgesteld dat zij te hoog waren opgegeven, maar [dat] die […] niet [waren] gecorrigeerd omdat dergelijke correcties slechts tot een nog lager percentage van de toegevoegde waarde zouden hebben geleid”.

2) Eerste grief: kennelijke beoordelingsfouten en schending van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening

149 De onderhavige grief stelt in wezen de voorafgaande vraag aan de orde hoe de toegevoegde waarde in de zin van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening moet worden vastgesteld en of de Commissie bij de vaststelling ervan rekening moet houden met de kosten zoals geboekt door de onderneming die assemblage- of voltooiingswerkzaamheden verricht, dan wel deze kan aanpassen op basis van de werkelijke productiecapaciteit van de onderneming.

150 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de antidumpingbasisverordening geen definitie van het begrip „toegevoegde waarde” bevat.

151 Ofschoon partijen het er in casu weliswaar over eens zijn dat toegevoegde waarde in de zin van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening moet worden gedefinieerd als de waarde die wordt toegevoegd aan het product dat als gevolg van de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden tot stand komt, lopen hun meningen uiteen over de vraag of dat begrip samenvalt met of verschilt van het begrip „gemaakte kosten”, laat staan het begrip „geboekte kosten”. Waar verzoekster met name meent dat het begrip „toegevoegde waarde” en het begrip „gemaakte kosten” identiek zijn en dat de gemaakte kosten in het kader van de toegevoegde waarde slechts kunnen worden aangepast om de redenen die worden genoemd in artikel 2, lid 5, van de antidumpingbasisverordening, dat echter de benuttingsgraad van de productiecapaciteit niet opneemt als aanpassingscriterium, betoogt de Commissie daarentegen dat het begrip „toegevoegde waarde” verschilt van het begrip „gemaakte kosten” en dat zowel het doel als de bewoordingen van artikel 13, lid 2, onder b), van die verordening vereisen, in het bijzonder wanneer de capaciteitsbenutting zeer laag is, dat de in de boekhouding opgenomen vaste kosten worden aangepast ter beoordeling van de waarde die aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd.

152 Zoals in punt 111 hierboven in herinnering is gebracht, moet volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 12 september 2019, Commissie/Kolachi Raj Industrial, C‑709/17 P, EU:C:2019:717, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

153 In casu blijkt uit artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening dat de Commissie moet bepalen of „de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt”.

154 Het feit dat het begrip „kosten” in dezelfde volzin van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening voorkomt als het begrip „toegevoegde waarde”, volstaat niet om tot de slotsom te komen dat, zoals verzoekster beweert, het begrip „toegevoegde waarde” en het begrip „gemaakte kosten” identiek zijn en dat de fabricagekosten waarmee rekening moet worden gehouden voor de berekening van de toegevoegde waarde in de zin van die bepaling, uitsluitend kunnen worden aangepast om de redenen en onder de voorwaarden die worden genoemd in artikel 2, lid 5, van die verordening.

155 Ten eerste houdt de door verzoekster gesuggereerde uitlegging namelijk geen rekening met het feit dat ofschoon de Unie met artikel 2, lid 5, van de antidumpingbasisverordening de bijzondere verplichtingen van artikel 2.2.1.1 van de antidumpingovereenkomst van 1994 heeft willen nakomen (zie in die zin arrest van 7 februari 2013, Acron/Raad, T‑118/10, niet gepubliceerd, EU:T:2013:67, punt 66), de in artikel 13 van die verordening vervatte Unieregeling inzake ontwijking daarentegen geen grondslag vindt in die overeenkomst, zodat zij in het Unierecht als een specifiek regelgevingskader moet worden beschouwd.

156 Derhalve moet voor de uitlegging van artikel 13, lid 2, onder b), van de antidumpingbasisverordening in het licht van andere bepalingen van die verordening, zoals artikel 2, lid 5, van die verordening, dat een omzetting in het Unierecht vormt van de bijzondere verplichtingen van de antidumpingovereenkomst van 1994, een andere rechtvaardiging worden gevonden dan enkel de omstandigheid dat het begrip „fabricagekosten” in dezelfde volzin voorkomt als het begrip „toegevoegde waarde”.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in