Gerecht EU 23 oktober 2024, T-480/23, ECLI:EU:T:2024:722
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
23 oktober 2024 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in Moldavië destabiliseren – Bevriezing van tegoeden – Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Lijsten van personen, entiteiten en lichamen waarop de bevriezing van tegoeden van toepassing is en die onderworpen zijn aan beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Inschrijving van verzoekers naam op de lijsten – Door de autoriteiten van een derde land ingestelde strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen – Verplichting om na te gaan of dit besluit de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming eerbiedigt – Motiveringsplicht”
In zaak T‑480/23,
Vladimir Gheorghe Plahotniuc, wonende te Chişinău (Moldavië), vertegenwoordigd door J. Pobjoy, barrister,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Boggio-Tomasaz en P. Mahnič als gemachtigden, bijgestaan door E. Raoult, avocate,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, C. Mac Eochaidh (rapporteur) en M. Stancu, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken,
gezien het ontbreken van een verzoek tot vaststelling van een terechtzitting en na overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te hebben besloten uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoeker, Vladimir Gheorghe Plahotniuc, nietigverklaring van besluit (GBVB) 2023/1047 van de Raad van 30 mei 2023 tot wijziging van besluit (GBVB) 2023/891 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PB 2023, L 140 I, blz. 9) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1045 van de Raad van 30 mei 2023 tot uitvoering van verordening (EU) 2023/888 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PB 2023, L 140 I, blz. 1), voor zover deze handelingen (hierna tezamen: „bestreden handelingen”) hem betreffen.
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeker is een politicus en een zakenman met de Moldavische nationaliteit.
3 Op 28 april 2023 heeft de Raad van de Europese Unie, op grond van artikel 29 VEU, besluit (GBVB) 2023/891 van de Raad van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PB 2023, L 114, blz. 15) en, op grond van artikel 215 VWEU, verordening (EU) 2023/888 van de Raad van 28 april 2023 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PB 2023, L 114, blz. 1) vastgesteld.
4 Uit de overwegingen van besluit 2023/891 blijkt dat de Moldavische regering in toenemende mate wordt geconfronteerd met directe bedreigingen voor haar stabiliteit, zowel door interne groepen met gevestigde belangen als door Rusland, die dikwijls samenspannen om het land van zijn hervormingskoers af te brengen.
5 Artikel 1, lid 1, van besluit 2023/891 bepaalt: „De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van: a) natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor, steun verlenen aan of uitvoering geven aan acties of beleidsmaatregelen die de soevereiniteit en onafhankelijkheid van de Republiek Moldavië, of de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Republiek Moldavië ondermijnen of bedreigen, door middel van een van de volgende acties: i) het belemmeren of ondermijnen van het democratische politieke proces, onder meer door het houden van verkiezingen te belemmeren of ernstig te ondermijnen of door te proberen de grondwettelijke orde te destabiliseren of omver te werpen, ii) het plannen van, aansturen van, direct of indirect betrokken zijn bij, ondersteunen van, of anderszins faciliteren van gewelddadige demonstraties of andere gewelddaden, of iii) ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal; […] die worden genoemd in de bijlage.”
6 Volgens artikel 2, lid 1, onder a), van besluit 2023/891 worden alle tegoeden en economische middelen bevroren die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn dan wel onder zeggenschap staan van natuurlijke personen, entiteiten of lichamen die voldoen aan criteria die in wezen identiek zijn aan de criteria die in artikel 1, lid 1, onder a), van dat besluit worden genoemd en die zijn opgenomen in de bijlage bij dat besluit.
7 Artikel 2, lid 3, onder a), van verordening 2023/888 bepaalt dat bijlage I bij die verordening met name natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen vermeldt die voldoen aan criteria die in wezen identiek zijn aan de criteria die in artikel 1, lid 1, onder a), van besluit 2023/891 (hierna: „betrokken plaatsingscriteria”) worden genoemd.
8 Artikel 2, lid 1, van verordening 2023/888 bepaalt dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van op de lijst in bijlage I bij die verordening opgenomen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, worden bevroren.
9 Artikel 2, lid 2, van verordening 2023/888 bepaalt dat er geen tegoeden of economische middelen, direct of indirect, ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van op de lijst in bijlage I bij die verordening opgenomen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen.
10 De bijlage bij besluit 2023/891 en bijlage I bij verordening 2023/888 bevatten respectievelijk de „[l]ijst van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen” en de „[l]ijst van de in artikel 2 bedoelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen”.
11 Op 30 mei 2023 heeft de Raad de bestreden handelingen vastgesteld.
12 Bij de bestreden handelingen heeft de Raad vijf personen, waaronder verzoeker, toegevoegd aan de lijst van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen in de bijlage bij besluit 2023/891 en in bijlage I bij verordening 2023/888 (hierna tezamen: „betrokken lijsten”).
13 In de bestreden handelingen heeft de Raad de vaststelling van de beperkende maatregelen jegens verzoeker gemotiveerd met de volgende redenen (hierna: „betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst”): „Er lopen in de Republiek Moldavië verschillende strafzaken tegen Vladimir Plahotniuc wegens verduistering van overheidsmiddelen van de Republiek Moldavië en illegale overbrenging ervan buiten de Republiek Moldavië. Hij werd in Moldavië beschuldigd in de bankfraudezaak, waarvan de economische gevolgen in het land nog steeds voelbaar zijn. Er loopt tevens een onderzoek tegen hem voor omkoping van de voormalige president van de Republiek Moldavië met een tas vol geld in ruil voor politieke gunsten. Door zijn ernstige financiële wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal op onrechtmatige wijze, is Vladimir Plahotniuc verantwoordelijk voor acties en het uitvoeren van beleidsmaatregelen die de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Republiek Moldavië ondermijnen en bedreigen door het democratische politieke proces in de Republiek Moldavië te ondermijnen en door ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen.”
14 Op 31 mei 2023 heeft de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie een kennisgeving bekendgemaakt aan de personen die onderworpen zijn aan de beperkende maatregelen van besluit 2023/891, als gewijzigd bij besluit 2023/1047, en van verordening 2023/888, als uitgevoerd bij uitvoeringsverordening 2023/1045, betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren (PB 2023, C 190, blz. 5).
Conclusies van partijen
15 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover zij hem betreffen; – de Raad te verwijzen in de kosten.
16 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
17 Ter ondersteuning van zijn vorderingen tot nietigverklaring voert verzoeker twee middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling en het tweede aan schending van de rechten die hij ontleent aan artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Opmerkingen vooraf
18 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst, die in punt 13 hierboven in herinnering zijn gebracht, bepaalde onnauwkeurigheden en dubbelzinnigheden bevatten.
19 Ten eerste baseert de Raad deze plaatsing op de lijst op de strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen die tegen verzoeker zijn ingesteld in de zaken betreffende „bankfraude” en „omkoping van de voormalige president van de Republiek Moldavië”, maar de Raad verwijst ook, zonder verdere verduidelijkingen, naar „verschillende strafzaken in de Republiek Moldavië wegens verduistering van overheidsmiddelen van [deze] Republiek […] en de illegale overbrenging ervan buiten [die] Republiek […]”.
20 Wat deze laatste verwijzing betreft, zij eraan herinnerd dat de motivering van een handeling van de Raad tot oplegging van een maatregel tot bevriezing van tegoeden de specifieke en concrete redenen dient aan te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 52).
21 Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is vastgesteld en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen [arrest van 18 mei 2022, Foz/Raad, T‑296/20, EU:T:2022:298, punt 39 (niet gepubliceerd)].
22 In het bijzonder is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen [arrest van 18 mei 2022, Foz/Raad, T‑296/20, EU:T:2022:298, punt 40 (niet gepubliceerd)].
23 Dit is in casu het geval met betrekking tot de verwijzing in de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst, te weten de „verschillende strafzaken”. Het al dan niet bestaan van dergelijke tegen hem ingestelde procedures moet namelijk worden geacht binnen de context te vallen die de betrokkene bekend is.
24 Bovendien verwijst de Raad weliswaar naar een onbepaald aantal strafzaken, doch hij specificeert de aard en het doel ervan. Het gaat namelijk enkel om procedures met betrekking tot bepaalde specifieke strafbare feiten, te weten „strafzaken […] wegens verduistering van overheidsmiddelen van de Republiek Moldavië en illegale overbrenging ervan buiten de Republiek Moldavië”. Dergelijke feitelijke overwegingen op grond waarvan de Raad van oordeel was dat verzoeker aan de bij de bestreden handelingen vastgestelde beperkende maatregelen moest worden onderworpen, zijn dus voldoende gedetailleerd opdat verzoeker de juistheid daarvan kon betwisten voor de rechter van de Europese Unie (zie naar analogie arrest van 27 februari 2014, Ezz e.a./Raad, T‑256/11, EU:T:2014:93, punt 114).
25 Ten tweede heeft de Raad in de tweede alinea van de redenen voor de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten, die wordt geacht de rechtsgrondslag van de bestreden handelingen aan te geven, voor een formulering gekozen die dubbelzinnigheid schept met betrekking tot de criteria van artikel 2, lid 3, onder a), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), van besluit 2023/891, die als grondslag voor die plaatsing dienen.
26 In dit verband zij eraan herinnerd dat de motiveringsplicht, naast de vermelding van de rechtsgrondslag van de vastgestelde maatregel, juist betrekking heeft op de omstandigheden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in het geval van de betrokkenen is voldaan aan een van de criteria voor plaatsing op de lijst. In dit verband hoeft het ontbreken van een verwijzing naar een precieze bepaling geen wezenlijk gebrek te zijn, mits de rechtsgrondslag van een handeling aan de hand van andere gegevens kan worden bepaald. Een dergelijke uitdrukkelijke verwijzing is echter volstrekt noodzakelijk wanneer de betrokkenen en de Unierechter bij gebreke daarvan in onzekerheid worden gelaten omtrent de juiste rechtsgrondslag (zie in die zin arrest van 25 maart 2015, Central Bank of Iran/Raad, T‑563/12, EU:T:2015:187, punten 67 en 68).
27 Gelet op de bewoordingen van de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de plaatsing van verzoeker uitsluitend is gebaseerd op het criterium inzake ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal [criterium van artikel 2, lid 3, onder a), iii), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), iii), van besluit 2023/891] of ook op het criterium van de ondermijning van het democratische politieke proces in de Republiek Moldavië [criterium van artikel 2, lid 3, onder a), i), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), i), van besluit 2023/891].
28 In dit verband geeft het begin van de tweede alinea van de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst aan dat deze plaatsing wordt gerechtvaardigd door „ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal op onrechtmatige wijze” en dat op basis van deze feiten kan worden geconcludeerd dat verzoeker „verantwoordelijk is voor acties en het uitvoeren van beleidsmaatregelen die de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Republiek Moldavië ondermijnen en bedreigen” in de zin van artikel 2, lid 3, onder a), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), van besluit 2023/891. Het einde van diezelfde alinea lijkt echter terug te komen op de criteria die aan die plaatsing ten grondslag liggen, waarbij dit keer alleen wordt verwezen naar het ernstig financieel wangedrag en niet naar de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal, en daaraan wordt toegevoegd dat verzoeker het democratische politieke proces in de Republiek Moldavië heeft ondermijnd.
29 Met een dergelijke formulering vermeldt de Raad niet alleen aan het begin en aan het einde van de zin wat de criteria voor de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten lijken te zijn, maar gebruikt hij ook niet dezelfde criteria op deze twee plaatsen.
30 De door deze formulering veroorzaakte onzekerheid wordt versterkt door het feit dat de Raad met betrekking tot verzoeker is afgeweken van het model voor de formulering van de motivering die in de bestreden handelingen is gebruikt ten aanzien van de vier andere personen die op de betrokken lijsten zijn geplaatst. Het gebruik van dit model heeft er steeds toe geleid dat deze instelling, in de eerste plaats het criterium of de criteria heeft vastgesteld waarop de plaatsing was gebaseerd en, in de tweede plaats, tot de slotsom is gekomen dat daarmee kon worden voldaan aan de voorwaarde voor plaatsing op de lijst van artikel 2, lid 3, onder a), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), van besluit 2023/891.
31 Bovendien blijkt op zijn minst uit de Franse taalversie van de bestreden handelingen dat de Raad heeft gedoeld op „ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal op onrechtmatige wijze” en dus een criterium heeft gehanteerd dat niet alleen overbodig is, maar ook verschilt van het criterium van artikel 2, lid 3, onder a), iii), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), iii), van besluit 2023/891.
32 Een dergelijke dubbelzinnige formulering doet gegronde twijfel ontstaan over de vraag of die instelling het criterium inzake de ondermijning van het democratische politieke proces in de Republiek Moldavië daadwerkelijk ten aanzien van verzoeker in aanmerking had genomen. Bijgevolg kon verzoeker op grond van deze formulering op goede gronden aannemen dat zijn plaatsing op de betrokken lijsten uitsluitend was gebaseerd op het criterium inzake ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal.
33 Hoewel een dergelijke dubbelzinnigheid niet kan worden aangemerkt als een ontoereikende motivering van de bestreden handelingen in hun geheel, impliceert zij niettemin dat het Gerecht moet oordelen dat de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten uitsluitend is gebaseerd op het criterium van ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal.
34 Dit betekent ook dat de bewoordingen van de bestreden handelingen geen steun kunnen bieden voor de stelling van de Raad dat de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten gerechtvaardigd was op grond van de twee criteria die in punt 27 hierboven zijn genoemd. Bijgevolg kan deze instelling niet op goede gronden aanvoeren dat verzoeker slechts één van de twee gronden voor zijn plaatsing op die lijsten heeft betwist. Zij kan evenmin op goede gronden stellen dat de door verzoeker aangevoerde middelen daardoor niet ter zake dienend zijn en dat zijn beroep ongegrond is.
35 Uit het voorgaande volgt dat in het kader van het onderzoek van de door verzoeker aangevoerde middelen en, in het bijzonder, van zijn tweede middel, dat meteen moet worden onderzocht, moet worden beoordeeld of de Raad de rechten waarover verzoeker beschikt krachtens artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten, uitsluitend heeft geschonden met betrekking tot de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten op grond van het criterium inzake ernstig financieel wangedrag met betrekking tot overheidsmiddelen en de ongeoorloofde uitvoer van kapitaal en om de redenen die blijken uit de eerste alinea van de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst, te weten het bestaan van, ten eerste, strafrechtelijke procedures in de Republiek Moldavië wegens verduistering en illegale uitvoer van overheidsmiddelen van die staat en, ten tweede, strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen in verband met „bankfraude” en „omkoping van de voormalige president van de Republiek Moldavië”.
36 De Raad kan dus niet op goede gronden betogen dat het Gerecht enkel dient na te gaan of hij bewijs heeft geleverd dat in het algemeen kan aantonen dat verzoeker verantwoordelijk was voor acties of beleidsmaatregelen die de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van de Republiek Moldavië of de democratie, de rechtsstaat, de stabiliteit of de veiligheid in de Republiek Moldavië ondermijnen of bedreigen, dan wel die acties of beleidsmaatregelen steunde of uitvoerde in de zin van artikel 2, lid 3, onder a), van verordening 2023/888 en artikel 1, lid 1, onder a), van besluit 2023/891, zonder de betrokken gedragingen in verband te hoeven brengen met een van de drie in die bepalingen genoemde criteria of zonder rekening te houden met de motivering en de feitelijke elementen die zijn bedoeld in de eerste alinea van de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst.
Tweede middel: schending van de rechten waarover verzoeker beschikt krachtens artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten
37 Met het tweede middel voert verzoeker aan dat de Raad, alvorens de bestreden handelingen vast te stellen, heeft nagelaten na te gaan of de strafrechtelijke onderzoeken en procedures die in Moldavië tegen hem zijn ingesteld en die in de eerste alinea van de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst worden genoemd, zijn grondrechten eerbiedigden, hoewel deze procedures volgens hem op meerdere punten onregelmatig waren. Verzoeker betoogt aldus dat de Raad, indien hij de gepaste controles had verricht, tot de slotsom zou zijn gekomen dat die procedures niet konden worden aangevoerd ter rechtvaardiging van de tegen hem vastgestelde beperkende maatregelen.
38 Bijgevolg heeft de Raad volgens verzoeker artikel 6 VEU, gelezen in samenhang met artikel 2 en artikel 3, lid 5, VEU, en de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten geschonden.
39 De Raad betwist dit betoog.
40 Volgens de rechtspraak van het Hof dienen de rechterlijke instanties van de Unie bij de toetsing van beperkende maatregelen de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig te toetsen aan de grondrechten die behoren tot de rechtsorde van de Unie (zie arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41 Wat in het bijzonder de plaatsing van personen op lijsten van beperkende maatregelen betreft om redenen die uitsluitend berusten op beslissingen van ter zake bevoegde instanties van derde landen om strafrechtelijke onderzoeken of procedures in te leiden met betrekking tot verduistering van overheidsmiddelen, staat het aan de Raad om te onderzoeken of zij waren genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechtsbescherming (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Dit vereiste impliceert dat de Raad in de motivering van een besluit tot plaatsing van een persoon of entiteit op een lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden worden bevroren, de redenen moet vermelden, ook al is het maar beknopt, waarom hij van oordeel is dat de beslissing van het derde land waarop hij zich wil baseren, is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming (zie arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Bij gebreke daarvan heeft de Raad niet voldaan aan de krachtens artikel 296, tweede alinea, VWEU op hem rustende motiveringsplicht, hetgeen aan de Unierechter staat om zo nodig ambtshalve na te gaan (zie in die zin arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 In casu blijkt uit de motivering van de bestreden handelingen dat de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten uitsluitend is gebaseerd op beslissingen van de Moldavische autoriteiten om strafrechtelijke onderzoeken en procedures tegen hem in te stellen.
45 Uit het bewijsdossier, dat als bijlagen B.1 en B.2 bij het verweerschrift is gevoegd, blijkt weliswaar dat de Raad zich niet rechtstreeks heeft gebaseerd op beslissingen van ter zake bevoegde Moldavische autoriteiten om strafrechtelijke onderzoeken of procedures in te leiden met betrekking tot verduistering van overheidsmiddelen, maar hoofdzakelijk op persartikelen en persberichten van de vervolgings‑ of onderzoeksautoriteiten van de Republiek Moldavië, op officiële mededelingen van overheidsorganen van derde landen of op rapporten, waarbij in al deze documenten melding wordt gemaakt van dergelijke strafrechtelijke onderzoeken en procedures.
46 Deze omstandigheid kan de Raad in casu echter niet bevrijden van verplichtingen tot onderzoek en motivering die krachtens de in de punten 41 en 42 hierboven genoemde rechtspraak op hem rusten.
47 Integendeel, de Raad dient deze rechtspraak des te strikter na te leven, aangezien de bewijzen waarop deze instelling zich baseert, slechts indirecte bewijzen van de onderzoeksmaatregelen en strafrechtelijke vervolgingen zijn die de plaatsing van verzoeker op de betrokken lijsten rechtvaardigen. Bovendien merkt het Gerecht op dat de Raad op grond van artikel 8, derde alinea, van besluit 2023/891 met het oog op de handhaving van de naam van een persoon op die lijsten rekening moet houden met het bestaan van een gerechtelijke procedure wegens de feiten die aan de aanvankelijke plaatsing op die lijsten ten grondslag lagen.
48 De Raad kan zich dus – ongeacht het bewijs waarop de aanvankelijke plaatsing op de lijst berust – slechts direct of indirect beroepen op beslissingen van instanties van derde landen om een strafrechtelijk onderzoek of een strafrechtelijke procedure in te stellen, indien hij voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit de in de punten 41 en 42 hierboven aangehaalde rechtspraak.
49 Elke andere conclusie zou de Raad in staat stellen de strikte verplichtingen die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof te negeren, door zich niet langer te baseren op documenten die afkomstig zijn van de instanties van de betrokken staten die bevoegd zijn om strafrechtelijke onderzoeken of procedures in te leiden met betrekking tot verduistering van overheidsmiddelen, maar uitsluitend op documenten die slechts daarvan melding maken.
50 In casu is het onbetwist en onbetwistbaar dat de Raad in de betrokken redenen voor de plaatsing op de lijst heeft nagelaten aan te tonen dat hij was nagegaan of de daarin genoemde vervolgingen waren gevoerd met inachtneming van verzoekers rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming.
51 In dit verband moet overigens worden opgemerkt dat de Raad in zijn verweerschrift niet heeft betwist dat hij had nagelaten de betrokken controles te verrichten en a fortiori niet heeft betwist dat hij de resultaten van die controles niet in de bestreden handelingen had vermeld.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Raad met betrekking tot de enige twee elementen die bij de beoordeling van de gegrondheid van de bestreden handelingen in aanmerking kunnen worden genomen (zie punt 35 hierboven), zijn motiveringsplicht niet is nagekomen.
53 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Raad dat verzoeker zich in wezen niet kan beroepen op het arrest van 3 december 2020, Saleh Thabet e.a./Raad (C‑72/19 P en C‑145/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:992), aangezien de beperkende maatregelen in die twee laatste zaken waren gebaseerd op het bestaan van gerechtelijke procedures tegen de verzoekers of van procedures voor de ontneming van vermogensbestanddelen naar aanleiding van een definitieve rechterlijke beslissing betreffende verduistering van overheidsmiddelen, zoals vereist door de toepasselijke plaatsingscriteria. De Raad stelt dat die omstandigheden duidelijk in tegenspraak zijn met de plaatsingscriteria in het onderhavige geval, die ten eerste niet vereisen dat tegen de op de lijst geplaatste persoon een onderzoek in het kader van een strafrechtelijke procedure loopt, en ten tweede, in het bijzonder wat het criterium inzake de ondermijning van het democratische politieke proces in de Republiek Moldavië betreft, niet kunnen worden geacht te zijn vervuld door louter te verwijzen naar strafrechtelijke procedures.
54 Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat de omstandigheid dat het bij het bestaan van beslissingen van ter zake bevoegde instanties van een derde land om een strafrechtelijke procedure in te leiden en te voeren met betrekking tot verduistering van overheidsmiddelen, niet gaat om de betrokken plaatsingscriteria, maar om de feitelijke grondslag waarop de betrokken beperkende maatregelen zijn gebaseerd, irrelevant is (zie in die zin en naar analogie arresten van 19 december 2018, Azarov/Raad, C‑530/17 P, EU:C:2018:1031, punt 25, en 11 juli 2019, Azarov/Raad, C‑416/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:602, punt 26).
55 Hieruit volgt dat het tweede middel moet worden aanvaard en dat de bestreden handelingen nietig moeten worden verklaard voor zover zij op verzoeker betrekking hebben, zonder dat het nodig is de overige door verzoeker aangevoerde argumenten te onderzoeken.
Kosten
56 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoeker in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Besluit (GBVB) 2023/1047 van de Raad van 30 mei 2023 tot wijziging van besluit (GBVB) 2023/891 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1045 van de Raad van 30 mei 2023 tot uitvoering van verordening (EU) 2023/888 betreffende beperkende maatregelen in verband met acties die de situatie in de Republiek Moldavië destabiliseren, worden nietig verklaard, voor zover zij betrekking hebben op Vladimir Gheorghe Plahotniuc.
2) De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.
Svenningsen Mac Eochaidh Stancu Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 oktober 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.