Gerecht EU 25 september 2024, T-727/20, ECLI:EU:T:2024:646
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)
25 september 2024 ( *1 )
„Interne markt – Vertegenwoordiging voor het EUPIO – Inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden – Afwijzing van het verzoek – Aanvrager die geen onderdaan is van een lidstaat van de EER – Ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde – Artikel 120, lid 4, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 – Begrip ‚hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar’ – Rechtzekerheidsbeginsel – Recht om te worden gehoord – Herziening – Onbevoegdheid van het Gerecht”
In zaak T‑727/20 RENV,
Nigar Kirimova, wonende te München (Duitsland), vertegenwoordigd door A. Parassina en A. García López, advocaten,
verzoekster,
tegen
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Söder als gemachtigde,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Marcoulli (rapporteur), kamerpresident, V. Tomljenović, R. Norkus, W. Valasidis en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,
griffier: I. Kurme, administrateur,
gezien de stukken,
gezien de beschikking van 21 april 2023, Kirimova/EUIPO (C‑306/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2023:338),
na de terechtzitting op 23 februari 2024,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Nigar Kirimova, vernietiging van beslissing nr. ER 93419‑2020 van de uitvoerend directeur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 30 september 2020 inzake het verzoek om ontheffing dat zij heeft ingediend krachtens artikel 120, lid 4, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) (hierna: „bestreden beslissing”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Op 10 oktober 2019 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 120 van verordening 2017/1001 bij het EUIPO een verzoek tot inschrijving op de lijst van bij dit Bureau erkende gemachtigden ingediend. Aangezien zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft, heeft zij tegelijk krachtens lid 4, onder b), van dat artikel ontheffing aangevraagd van de voorwaarde om de nationaliteit te bezitten van een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte (EER) die is neergelegd in artikel 120, lid 2, onder a), van deze verordening (hierna: „nationaliteitsvoorwaarde”).
3 Bij brief van 30 januari 2020 heeft het EUIPO verzoekster meegedeeld dat haar verzoek om ontheffing niet-ontvankelijk was.
4 Bij brieven van 9 en 13 maart 2020, waarvan de inhoud in wezen identiek was, heeft verzoekster opmerkingen ingediend in antwoord op de brief van het EUIPO van 30 januari 2020.
5 Op 30 september 2020 heeft de uitvoerend directeur van het EUIPO bij de bestreden beslissing verzoeksters verzoek om ontheffing afgewezen.
Conclusies van partijen
6 Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen: – de bestreden beslissing te vernietigen; – het EUIPO te gelasten haar een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde toe te staan; – het EUIPO te gelasten haar op te nemen op de lijst van erkende gemachtigden; – het EUIPO te verwijzen in de kosten.
7 Het EUIPO verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
Tweede en derde vordering van verzoekster
8 Het EUIPO voert aan dat het Gerecht niet bevoegd is om bevelen te geven aan de instellingen of organen van de Europese Unie en dat verzoeksters tweede en derde vordering dus niet-ontvankelijk zijn. Het EUIPO voegt daaraan toe dat het Gerecht niet bevoegd is om de bestreden beslissing te herzien, aangezien een dergelijke bevoegdheid enkel bestaat ten aanzien van de beslissingen van de kamers van beroep. Volgens het EUIPO voorziet het toepasselijke wettelijke kader niet in de mogelijkheid om beroep in te stellen bij een kamer van beroep tegen een beslissing als de bestreden beslissing.
9 Verzoekster antwoordt hierop dat zij het Gerecht verzoekt om de bestreden beslissing te herzien en dat het Gerecht bevoegd is om de beslissingen van het EUIPO te wijzigen krachtens artikel 72 van verordening 2017/1001, welke bepaling in casu naar analogie van toepassing is, zoals in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 juli 2017, Rosenich/EUIPO (T‑527/14, EU:T:2017:487). Mocht het Gerecht van oordeel zijn dat de bestreden beslissing moet worden vernietigd, dan moet het deze dus herzien. Dit volgt ook uit artikel 103 van verordening 2017/1001. Bovendien heeft de uitvoerend directeur een „wezenlijk vormvoorschrift” geschonden door verzoekster de mogelijkheid te ontzeggen om tegen de bestreden beslissing beroep in te stellen bij een kamer van beroep van het EUIPO.
10 In het verzoekschrift heeft verzoekster met de tweede en de derde vordering het Gerecht verzocht „het EUIPO te gelasten” haar een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde toe te staan en haar op de lijst van erkende gemachtigden te plaatsen. In repliek en in de opmerkingen na terugverwijzing heeft zij het Gerecht met dezelfde vorderingen verzocht om „de [bestreden] beslissing te herzien” door haar een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde toe te staan en het EUIPO te gelasten haar op de lijst van erkende gemachtigden te plaatsen. Los van de vraag of verzoekster aldus de strekking van die vorderingen heeft gewijzigd en of een dergelijke wijziging in casu toelaatbaar is, volstaat het op te merken dat deze vorderingen in beide gevallen moeten worden afgewezen omdat het Gerecht niet bevoegd is om er kennis van te nemen.
11 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat, voor zover deze vorderingen moeten worden geacht het Gerecht te verzoeken het EUIPO te gelasten bepaalde maatregelen te nemen, het Gerecht in het kader van de wettigheidstoetsing op grond van artikel 263 VWEU niet bevoegd is om bevelen te geven aan de instellingen, organen en instanties van de Unie, ook al hebben deze betrekking op de wijze van uitvoering van zijn arresten (zie beschikking van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie, C‑199/94 P en C‑200/94 P, EU:C:1995:360, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 266 VWEU bepaalt dat wanneer een handeling nietig wordt verklaard, de instelling, het orgaan of de instantie waarvan die handeling afkomstig is, de maatregelen moet nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest.
12 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat, voor zover die vorderingen moeten worden geacht het Gerecht te verzoeken om de bestreden beslissing te herzien, het Gerecht niet bevoegd is om een beslissing van de uitvoerend directeur, zoals een door hem krachtens artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 genomen beslissing, te wijzigen.
13 Het is juist dat artikel 72, lid 3, van verordening 2017/1001 bepaalt dat „[h]et Gerecht […] de bestreden beslissing [kan] vernietigen of wijzigen”. Vastgesteld moet echter worden dat deze bepaling enkel betrekking heeft op beroepen tegen beslissingen van de kamers van beroep, en niet op beroepen tegen beslissingen van de uitvoerend directeur. Een dergelijke uitlegging vloeit voort uit de bewoordingen van artikel 72 van deze verordening, dat volgens lid 1 ervan slechts betrekking heeft op „[d]e beslissingen van de kamers van beroep”, alsmede uit de opzet van hoofdstuk VII (artikelen 66‑73) van deze verordening, dat slechts betrekking heeft op de beroepsprocedures voor de kamers van beroep en de uitkomst van deze procedures. Artikel 72, lid 3, van die verordening kan dus niet aldus worden uitgelegd dat het aan het Gerecht de bevoegdheid verleent om een beslissing van de uitvoerend directeur te wijzigen.
14 De argumenten die verzoekster ontleent aan het arrest van 13 juli 2017, Rosenich/EUIPO (T‑527/14, EU:T:2017:487), en artikel 103, lid 1, eerste volzin, van verordening 2017/1001 kunnen niet tot een andere uitlegging leiden.
15 Ten eerste had de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 juli 2017, Rosenich/EUIPO (T‑527/14, EU:T:2017:487), betrekking op een beroep tot vernietiging van een beslissing van een kamer van beroep waarbij de inschrijving van een natuurlijke persoon op de lijst van erkende gemachtigden werd geweigerd op grond dat hij niet voldeed aan de voorwaarde van artikel 93, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1) [thans artikel 120, lid 2, onder b), van verordening 2017/1001]. De onderhavige zaak betreft daarentegen een beroep tot vernietiging van een beslissing van de uitvoerend directeur houdende weigering om verzoekster een ontheffing van de voorwaarde van artikel 120, lid 2, onder a), van verordening 2017/1001 toe te staan op grond van lid 4, onder b), van dat artikel, dat de uitvoerend directeur uitdrukkelijk de bevoegdheid verleent om een dergelijke beslissing te nemen. De door het Gerecht in de door verzoekster aangevoerde zaak vernietigde beslissing was dus een beslissing van een kamer van beroep, terwijl de bestreden beslissing een beslissing van de uitvoerend directeur is, hetgeen de in punt 13 hierboven gegeven uitlegging bevestigt.
16 Bovendien had verzoekster, anders dan zij stelt, niet de mogelijkheid om tegen de bestreden beslissing beroep in te stellen bij een kamer van beroep. Volgens artikel 66, lid 1, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 159, onder a) tot en met d) en f), van deze verordening, kunnen immers alleen de beslissingen van de onderzoekers, de oppositieafdelingen, de instantie belast met het bijhouden van het register, de nietigheidsafdeling en, in voorkomend geval, elke andere persoon of eenheid die daartoe door de uitvoerend directeur is benoemd, vatbaar zijn voor beroep bij een kamer van beroep. Evenzo zijn de kamers van beroep volgens artikel 165, lid 1, van deze verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 160 tot en met 164 van deze verordening, belast met de behandeling van beroepen tegen beslissingen van de onderzoekers, de oppositieafdelingen, de instantie belast met het bijhouden van het register, de nietigheidsafdeling en, in voorkomend geval, elke andere ambtenaar of eenheid die daartoe door de uitvoerend directeur zijn aangewezen. Uit deze bepalingen volgt dus dat tegen de beslissingen van de uitvoerend directeur geen beroep kan worden ingesteld bij de kamers van beroep en dat de kamers van beroep niet bevoegd zijn om uitspraak te doen op beroepen tegen dergelijke beslissingen. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheden van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 juli 2017, Rosenich/EUIPO (T‑527/14, EU:T:2017:487), aangezien de in die zaak voor het Gerecht bestreden beslissing van de kamer van beroep geen betrekking had op een beroep tegen een beslissing van de uitvoerend directeur, maar, zoals blijkt uit punt 14 van dat arrest, op een beroep tegen een beslissing van de „directeur van de afdeling ‚Ondersteuning van verrichtingen’ van het EUIPO, handelend in zijn hoedanigheid van lid van de afdeling merkenadministratie, tekeningen en modellen en rechtsvragen”.
17 Ten tweede regelt artikel 103 van verordening 2017/1001 de herroeping van beslissingen van het EUIPO en bepaalt lid 1, eerste volzin, van dat artikel dat „[i]ndien het [EUIPO] een inschrijving in het register heeft gedaan of een beslissing heeft genomen waarbij het een kennelijke fout heeft gemaakt, […] het […] deze inschrijving [doorhaalt] of het deze beslissing [herroept]”. Vastgesteld moet worden dat deze bepaling geen betrekking heeft op de herzieningsbevoegdheid van het Gerecht en het Gerecht dus niet de bevoegdheid kan verlenen om een beslissing van de uitvoerend directeur te wijzigen.
18 Bijgevolg moeten de tweede en de derde vordering van verzoekster worden afgewezen aangezien het Gerecht niet bevoegd is om kennis daarvan te nemen.
Ten gronde
19 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan: ten eerste, schending van het rechtszekerheidsbeginsel, ten tweede, schending van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001, ten derde, schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, ten vierde, schending van het recht om te worden gehoord en, ten vijfde, onjuiste beoordeling van de bewijselementen.
20 In casu acht het Gerecht het opportuun om eerst het tweede middel van het beroep te onderzoeken.
Eerste middel: schending van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001
21 Verzoekster voert in wezen aan dat de uitvoerend directeur artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 heeft geschonden door die bepaling onjuist uit te leggen en toe te passen in de bestreden beslissing. Om te beginnen is het vereiste van de noodzaak van beroepservaring in de machtigingslidstaat in strijd met de fundamentele beginselen van de Unie. Voorts is een dergelijk vereiste discriminerend en onredelijk ten opzichte van het doel van de bepaling, aangezien de in de verschillende lidstaten opgedane ervaring dezelfde waarde moet hebben. Ten slotte zou de benadering van de uitvoerend directeur artikel 120, lid 2, onder c), van deze verordening uithollen, aangezien het tweede deel daarvan voorziet in de mogelijkheid om de machtiging te verkrijgen zonder het beroep te hebben uitgeoefend.
22 Het EUIPO antwoordt allereerst dat het feit dat de kwalificatie van betrokkene in de zin van artikel 120, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001 niet betekent dat hij „hooggekwalificeerd” is in de zin van artikel 120, lid 4, onder b), van deze verordening. Vervolgens stelt het EUIPO dat het vereiste van beroepservaring in de lidstaat waar de machtiging is verleend, het vrij verrichten van diensten niet beperkt, aangezien de aanvrager niet verplicht is zijn beroep vanuit dat grondgebied uit te oefenen, maar hij zich moet baseren op zijn nationale machtiging in de zin van artikel 120, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001. In casu heeft verzoekster niet aangetoond dat zij zich op haar Ierse machtiging heeft gebaseerd, noch dat zij daarvan gebruik heeft gemaakt. Bovendien is het EUIPO van mening dat, aangezien de regels voor de verkrijging van een machtiging tot vertegenwoordiging niet homogeen zijn binnen de EER, de benadering van de uitvoerend directeur het mogelijk maakt zich te vergewissen van de hoge kwalificatie van de aanvragers. Ten slotte is, zelfs indien de benadering van de uitvoerend directeur onjuist zou zijn, in dit geval hoe dan ook geen beroepservaring bewezen om een hoge kwalificatie aan te tonen.
23 Voor zover het onderhavige middel de vraag opwerpt of de uitvoerend directeur artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 heeft geschonden, dient om te beginnen in herinnering te worden gebracht dat deze bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk IX van die verordening, dat „procedureregels” bevat, en meer in het bijzonder in afdeling 4, betreffende „vertegenwoordiging”.
24 Wat dit laatste betreft, kunnen natuurlijke of rechtspersonen overeenkomstig artikel 120, lid 1, onder a) en b), van verordening 2017/1001 voor het EUIPO uitsluitend worden vertegenwoordigd door een bevoegde advocaat of door erkende gemachtigden die zijn ingeschreven op een door het EUIPO bijgehouden lijst.
25 De voorwaarden voor inschrijving op de door het EUIPO bijgehouden lijst van erkende gemachtigden zijn vastgesteld in lid 2, onder a), b) en c), van dat artikel. Het gaat om drie cumulatieve voorwaarden. Zo kan elke natuurlijke persoon worden ingeschreven die, ten eerste, onderdaan is van een lidstaat van de EER (hierna: „nationaliteitsvoorwaarde”), ten tweede, zijn kantoor of werkplaats in de EER heeft (hierna: „woonplaatsvoorwaarde”) en, ten derde, bevoegd is om op het gebied van merken natuurlijke of rechtspersonen te vertegenwoordigen voor het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom of voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat van de EER (hierna: „bevoegdheidsvoorwaarde”).
26 Lid 4 van dit artikel bepaalt dat de uitvoerend directeur van het EUIPO ontheffingen van de eerste en de derde van die voorwaarden kan toestaan. Wat specifiek de nationaliteitsvoorwaarde betreft, bepaalt artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001, de bepaling waarvan verzoekster in casu schending aanvoert, dat de uitvoerend directeur een ontheffing „kan […] verlenen” voor „een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar”, mits aan de twee andere voorwaarden is voldaan. Wat voorts de bevoegdheidsvoorwaarde betreft, kan de uitvoerend directeur, voor zover daarbij van de betrokkene wordt verlangd dat hij „ten minste vijf jaar regelmatig als vertegenwoordiger op het gebied van merken [is] opgetreden”, krachtens artikel 120, lid 4, onder a), van die verordening een ontheffing van die gebruikelijke uitoefening verlenen „indien de verzoeker het bewijs levert dat hij de vereiste bekwaamheid anderszins heeft verworven”.
27 Derhalve moet worden bepaald of, zoals de uitvoerend directeur in punt 21 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld, de erkenning van de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” in de zin van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 een aanzienlijke beroepservaring in de lidstaat van machtiging vereist.
28 In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat noch verordening 2017/1001, noch zelfs gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 tot aanvulling van [verordening 2017/1001] en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 van de Commissie van 5 maart 2018 tot vaststelling van nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van [verordening 2017/1001] en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 (PB 2018, L 104, blz. 37), het begrip „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” definiëren. Bovendien kwam dit begrip evenmin voor in de vorige verordening nr. 207/2009, waarin dat begrip bij artikel 1, punt 87, onder b), van verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van [verordening nr. 207/2009], en van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB 2015, L 341, blz. 21) is opgenomen in artikel 93, lid 4, onder b).
29 In een dergelijke situatie moet bij de uitlegging van een begrip van het recht van de Unie niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van de bepaling waarin dit begrip is opgenomen, maar ook met de context waartoe dit begrip behoort en met de doelstellingen die worden nagestreefd door de regeling waarvan het deel uitmaakt (arrest van 24 november 2011, Gogos/Commissie (C‑283/10 P, EU:C:2011:772, punt 32).
30 Wat de bewoordingen en de context van de betrokken bepaling betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat het begrip „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” drie elementen bevat. In de gewone betekenis van deze woorden duidt de naam „beroepsbeoefenaar” op een vakman of een specialist, het bijvoeglijk naamwoord „gekwalificeerd” betekent dat deze persoon over de kwaliteiten, bekwaamheden, vaardigheden of kennis beschikt om iets te doen, en het bijwoord „hoog” duidt op het bijzonder hoge niveau van die kwalificatie. In zijn geheel beschouwd lijkt dit begrip dus betrekking te hebben op een specialist met bijzonder hoge kwaliteiten, bekwaamheden, vaardigheden of kennis, en wel, in casu, gelet op de context van dit begrip, op het gebied van merken.
31 Uit letterlijk oogpunt lijkt het begrip „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” als zodanig dus niet te impliceren dat de wijze waarop de betrokken specialist de kwaliteiten, bekwaamheden, vaardigheden of kennis op het gebied van het merk verwerft, wordt beperkt, met name met betrekking tot een bepaalde plaats of een bepaald type activiteit.
32 Ten tweede geeft deze bepaling aan dat hoe dan ook moet zijn voldaan aan de twee andere voorwaarden van artikel 120, lid 2, onder b) en c), van verordening 2017/1001, te weten de woonplaatsvoorwaarde en de bevoegdheidsvoorwaarde, opdat een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde kan worden toegestaan. Deze precisering in de betrokken bepaling benadrukt dus niet alleen het cumulatieve karakter van de drie vereisten van artikel 120, lid 2, van verordening 2017/1001, maar ook het autonome karakter ervan.
33 Aan de bevoegdheidsvoorwaarde moet volgens de regeling van artikel 120, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001 immers worden voldaan door zowel natuurlijke personen die de nationaliteit van een lidstaat van de EER bezitten en dus voldoen aan de nationaliteitsvoorwaarde, als natuurlijke personen die niet de nationaliteit van een lidstaat van de EER bezitten en op grond van hun status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” om een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde verzoeken.
34 Uit de bewoordingen en de context van de betrokken bepaling volgt dus dat de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” onafhankelijk en aanvullend is ten opzichte van de bevoegdheidsvoorwaarde en geen verband houdt met de vereisten om aan die voorwaarde te voldoen (of om een ontheffing te verkrijgen in verband met die voorwaarde), noch inzonderheid met de lidstaat waar die bevoegdheid is erkend overeenkomstig zijn nationale regeling. Zo kunnen de bijzonder hoge kwaliteiten, competenties, vaardigheden of kennis op het gebied van merken waarmee de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” kan worden aangetoond, door de niet-EER-burger zowel in een lidstaat van de EER als in een derde land zijn verworven vóór of na het verkrijgen van de nationale machtiging in de EER in de zin van artikel 120, lid 2, onder c), van verordening 2017/1001.
35 Wat de doelstellingen betreft die worden nagestreefd met de regeling waarvan de betrokken bepaling deel uitmaakt, blijkt uit overweging 43 van verordening 2017/1001 dat de regels inzake vertegenwoordiging voor het EUIPO de doeltreffende, efficiënte en soepele werking van het stelsel van het Uniemerk moeten waarborgen. Evenzo herinnert overweging 18 van gedelegeerde verordening 2018/625 eraan dat die regels een soepele en doeltreffende werking van dit systeem moeten waarborgen.
36 Het nastreven van dergelijke doelstellingen op het gebied van vertegenwoordiging in het kader van het stelsel van het Uniemerk veronderstelt echter niet dat de status van „hooggekwalificeerde vakman” afhangt van een zekere beroepservaring in een bepaalde lidstaat of een band heeft met een bepaalde lidstaat.
37 Uit het oogpunt van de doelstellingen die met de vertegenwoordigingsregels worden nagestreefd, lijkt het integendeel irrelevant dat de kwaliteiten, de bekwaamheden, de geschiktheid of de bijzondere kennis van de specialist die om ontheffing verzoekt, in een bepaalde lidstaat eerder dan in een andere lidstaat of in een derde land zijn verworven, aangezien een aanvrager die niet de nationaliteit van een lidstaat van de EER bezit, hoe dan ook eveneens moet voldoen aan de woonplaats- en machtigingsvoorwaarden, die hunnerzijds een band met een lidstaat van de EER vereisen.
38 Uit het voorgaande volgt dat het door de uitvoerend directeur in de bestreden beslissing toegepaste vereiste van beroepservaring in de lidstaat van machtiging berust op een te restrictieve en onjuiste uitlegging van het begrip „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” in de zin van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001, door een noodzakelijke overeenstemming te verlangen tussen dit begrip en het land van machtiging in de zin van artikel 120, lid 2, onder c), van die verordening. Een dergelijke uitlegging strookt niet met de draagwijdte van dit begrip, zoals blijkt uit de bewoordingen, de context en de doelstellingen ervan. Uit geen van deze uitleggingscriteria kan immers worden afgeleid dat voor de hoedanigheid van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” als dwingende voorwaarde geldt dat beroepservaring – en bovendien substantiële ervaring – is verworven in de lidstaat van machtiging.
39 Aangezien de uitvoerend directeur artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 heeft geschonden door het begrip „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” te restrictief en onjuist uit te leggen, moet het tweede middel van het beroep worden aanvaard.
40 Niettemin zij erop gewezen dat, zoals het EUIPO voor het Gerecht aanvoert, de bestreden beslissing niet uitsluitend is gebaseerd op het vermeende ontbreken van beroepservaring in de lidstaat van machtiging, waarvan is uitgegaan in punt 21 van die beslissing. Zoals blijkt uit de punten 20 en 22 van die beslissing, is deze immers ook gebaseerd op een vermeend over het geheel genomen te laag niveau van de door verzoekster overgelegde bewijzen, op basis waarvan niet kon worden geoordeeld dat zij een „hooggekwalificeerde” beroepsbeoefenaar was, terwijl de uitvoerend directeur erkende dat zij een „gekwalificeerde” beroepsbeoefenaar was. De bestreden beslissing berust dus in wezen op twee onderscheiden en autonome grondslagen, die enerzijds betrekking hebben op de plaats van de beroepservaring en anderzijds op het niveau van de door het bewijs aangetoonde beroepskwalificatie. Hieruit volgt dat de schending van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 door de uitvoerend directeur met betrekking tot de plaats van de beroepservaring als zodanig niet kan leiden tot de vaststelling van de onrechtmatigheid van die beslissing in haar geheel, aangezien deze schending geen invloed heeft op de grondslag van de bestreden beslissing met betrekking tot het niveau van de beroepskwalificatie.
41 Het Gerecht acht het derhalve opportuun om het eerste middel van het beroep te onderzoeken.
Eerste middel: schending van het rechtszekerheidsbeginsel
42 Verzoekster voert aan dat de uitvoerend directeur het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door op haar verzoek om ontheffing met terugwerkende kracht de in artikel 153, lid 1, onder l), van verordening 2017/1001 vermelde richtsnoeren voor onderzoek van het EUIPO (hierna: „richtsnoeren van het EUIPO”) van 2020 toe te passen, die ten tijde van dit verzoek niet van kracht waren. Verzoeksters antwoord van 9 en 13 maart 2020 was geen nieuw verzoek, aangezien het enige verzoek van verzoekster dat van 10 oktober 2019 was. De toepasselijke richtsnoeren van het EUIPO waren dus die welke ten tijde van dat verzoek van kracht waren, namelijk die van 2017, en voor laatstgenoemde richtsnoeren was geen beroepservaring in de lidstaat van machtiging vereist. Het is onjuist te stellen dat de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 ten opzichte van die van 2017 slechts aanvullende details bevatten en de uitlegging van de wettelijke vereisten niet hebben gewijzigd, aangezien de uitvoerend directeur een benadering heeft gevolgd die niet in de regeling voorkomt.
43 Het EUIPO antwoordt hierop dat het verzoeksters antwoord van 9 en 13 maart 2020 niet als een nieuw verzoek heeft beschouwd. Het benadrukt dat het vereiste om een „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” te zijn, „is ingevoerd bij [verordening 2017/1001] tijdens de laatste hervorming van de wetgeving in 2017”, waarmee „de wetgever dus een strenger criterium heeft ingevoerd” voor het toestaan van een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde ten opzichte van verordening nr. 207/2009, die louter verwees naar „bijzondere omstandigheden”. De richtsnoeren van het EUIPO van 2020 voorzien enkel in aanvullende details en wijzigen de wettelijke vereisten niet. Het EUIPO wijst erop dat alle op grond van verordening 2017/1001 ingediende aanvragen op dezelfde wijze zijn onderzocht. Ten slotte stelt het EUIPO dat indien verzoekster twijfels had over de over te leggen documenten, zij contact met het EUIPO had moeten opnemen.
– Voorafgaande opmerkingen over de toepasselijke rechtsbeginselen
44 Het rechtszekerheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het recht van de Unie, vereist dat de rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, opdat de belanghebbenden daaraan houvast hebben in de door het recht van de Unie beheerste rechtssituaties en ‑betrekkingen (arresten van 8 december 2011, France Télécom/Commissie, C‑81/10 P, EU:C:2011:811, punt 100, en 9 oktober 2014, Traum, C‑492/13, EU:C:2014:2267, punt 28).
45 Het rechtszekerheidsbeginsel vereist niet dat rechtsregels ongewijzigd blijven. Een particulier mag er dus niet op vertrouwen dat zich in het geheel geen wetswijziging zal voordoen, maar kan alleen de wijze van toepassing van een dergelijke wijziging ter discussie stellen (arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 81).
46 Wat aangaande dit laatste meer in het bijzonder de toepassing van rechtsregels in de tijd betreft, volgt uit de rechtspraak dat, hoewel de rechtsgrondslag van een handeling en de toepasselijke procedureregels van kracht moeten zijn op de datum van vaststelling van die handeling, de eerbiediging van de beginselen inzake de werking van de wet in de tijd en de vereisten van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel vereisen dat de materiële regels worden toegepast die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, ook al zijn deze regels niet meer van kracht op de datum van vaststelling van de betrokken handeling door de instelling van de Unie (zie in die zin arresten van 14 juni 2016, Commissie/McBride e.a., C‑361/14 P, EU:C:2016:434, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 maart 2018, Deichmann, C‑256/16, EU:C:2018:187, punt 76).
47 Wat de richtsnoeren van het EUIPO betreft, blijkt uit de inleiding ervan dat het gaat om een document dat is vastgesteld bij beslissing van de uitvoerend directeur en dat ertoe strekt de praktijk van het EUIPO op het gebied van merken te codificeren. Uit de beslissingen van de uitvoerend directeur tot vaststelling van de richtsnoeren van het EUIPO blijkt duidelijk dat deze zijn genomen op grond van artikel 157, lid 4, onder a), van verordening 2017/1001, dat de uitvoerend directeur de bevoegdheid verleent om „alle nodige maatregelen [te nemen], zoals het vaststellen van interne administratieve instructies en bekendmaken van mededelingen, om de werking van het [EUIPO] te waarborgen”, en overeenkomstig artikel 153, lid 1, onder l), van dezelfde verordening, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat de raad van bestuur van het [EUIPO] moet „geraadpleegd worden voordat de richtsnoeren voor het onderzoek in het [EUIPO] worden vastgesteld”. Bovendien worden deze beslissingen bekendgemaakt in het in artikel 116, lid 1, onder b), van deze verordening genoemde Publicatieblad van het EUIPO en bepalen zij de datum van „inwerkingtreding” van de richtsnoeren van het EUIPO.
48 Uit de rechtspraak volgt dat de richtsnoeren van het EUIPO weliswaar geen bindende kracht hebben, maar wel een referentiebron vormen voor de praktijk van het EUIPO. Deze richtsnoeren codificeren een gedragslijn die het EUIPO zelf wil volgen, zodat het EUIPO, mits zij in overeenstemming zijn met de bepalingen van hogere rang, zelf de regels dient na te leven die het zichzelf heeft opgelegd [zie arrest van 8 juni 2022, Muschaweck/EUIPO – CONZE (UM), T‑293/21, EU:T:2022:345, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
49 Wat dit laatste betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof in uitspraken over interne maatregelen die zijn vastgesteld door een administratie van de Unie reeds heeft geoordeeld dat deze weliswaar niet kunnen worden aangemerkt als „rechtsregels” die de administratie hoe dan ook dient na te leven, maar wel gedragsregels voor de te volgen praktijk vormen waarvan de administratie in een concreet geval niet mag afwijken zonder een motivering te geven die verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling. Door dergelijke gedragsregels aan te nemen en door via de publicatie daarvan te kennen te geven dat zij deze voortaan op de betrokken gevallen zal toepassen, stelt de betrokken administratie grenzen aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid die haar toekomt en kan zij in beginsel niet van deze regels afwijken zonder dat hieraan in voorkomend geval een sanctie wordt verbonden wegens schending van algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheids- of het vertrouwensbeginsel (zie in die zin arrest van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P–C‑208/02 P en C‑213/02 P, EU:C:2005:408, punten 209 en 211).
50 Uit het voorgaande volgt dat het in een geval als het onderhavige aan de uitvoerend directeur staat om de eventuele relevante gedragsregels in de richtsnoeren van het EUIPO voor de toepassing van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 na te leven en daartoe de beginselen inzake de toepassing van deze gedragsregels in de tijd te eerbiedigen, overeenkomstig het rechtszekerheidsbeginsel. Aangezien gedragsregels als die welke zijn opgenomen in de richtsnoeren van het EUIPO, ook al zijn zij niet bindend, ertoe kunnen bijdragen dat de transparantie, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van het EUIPO worden gewaarborgd (zie naar analogie arresten van 7 maart 2002, Italië/Commissie, C‑310/99, EU:C:2002:143, punt 52, en 12 februari 2014, Beco/Commissie, T‑81/12, EU:T:2014:71, punt 70), kan niet worden aanvaard dat zij worden toegepast in strijd met algemene rechtsbeginselen, en meer bepaald het rechtszekerheidsbeginsel, wat in het bijzonder de toepassing ervan in de tijd betreft.
51 Het is juist dat overeenkomstig de in punt 49 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak niet kan worden uitgesloten dat de uitvoerend directeur in een specifiek geval van die gedragsregels kan afwijken door een motivering te geven die rekening houdt met het beginsel van gelijke behandeling. Aangezien deze gedragsregels alleen de administratie zelf beperken, kunnen zij in een bepaald geval een aanvrager evenmin beletten om de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” aan te tonen op basis van andere elementen dan die welke eventueel blijken uit de in de richtsnoeren van het EUIPO uiteengezette praktijk van de uitvoerend directeur.
52 In het licht van deze beginselen moet dus worden onderzocht of de uitvoerend directeur in de bestreden beslissing, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, ten eerste de datum van verzoeksters verzoek om ontheffing onjuist heeft bepaald en ten tweede ten onrechte op dat verzoek richtsnoeren van het EUIPO heeft toegepast die op die datum niet van kracht waren.
– Toepassing op het onderhavige geval
53 Wat in de eerste plaats de datum betreft waarop verzoekster haar verzoek om ontheffing heeft ingediend, blijkt uit punt 1 van de bestreden beslissing dat de uitvoerend directeur van mening was dat verzoekster op 9 maart 2020 een volledig verzoek om ontheffing had ingediend. In het bijzonder blijkt uit punt 4 van de bestreden beslissing dat verzoekster na de brief van het EUIPO van 30 januari 2020, waarin werd geantwoord op het aanvankelijk op 10 oktober 2019 ingediende verzoek om ontheffing, op 9 maart 2020 een „nieuw verzoek” heeft ingediend en dat die datum bijgevolg de datum van het verzoek was.
54 Vastgesteld moet worden dat deze procedurele gegevens in de bestreden beslissing gedeeltelijk onjuist zijn. Uit de aan het Gerecht overgelegde stukken blijkt immers dat verzoekster haar verzoek om ontheffing op 10 oktober 2019 heeft ingediend en dat zij bij haar brieven van 9 en 13 maart 2020 geen nieuw verzoek om ontheffing heeft ingediend, maar enkel heeft geantwoord op de brief van het EUIPO van 30 januari 2020. Het enige door verzoekster ingediende verzoek om ontheffing was dus dat van 10 oktober 2019 en het bewijs ter ondersteuning van dit verzoek is overgelegd als bijlage bij dat verzoek en als bijlage bij de brieven van 9 en 13 maart 2020.
55 Hieruit volgt dat, zoals verzoekster terecht aanvoert, de uitvoerend directeur ten onrechte heeft geoordeeld dat haar verzoek om ontheffing op 9 maart 2020 was ingediend, aangezien dit verzoek op 10 oktober 2019 was ingediend.
56 Wat in de tweede plaats de richtsnoeren van het EUIPO betreft die van toepassing zijn op verzoeksters vordering, dient het volgende te worden opgemerkt.
57 Ten eerste dient te worden opgemerkt dat de richtsnoeren van het EUIPO van 2017, vastgesteld op 22 september 2017, ten tijde van de indiening van die aanvraag op 10 oktober 2019 van kracht waren sinds 1 oktober 2017, de datum vanaf welke verordening 2017/1001 overeenkomstig artikel 212, tweede alinea, ervan van toepassing is. De richtsnoeren van het EUIPO van 2020 zijn daarentegen op 12 december 2019 door de uitvoerend directeur vastgesteld en op 1 februari 2020 in werking getreden. Deze richtlijnen waren dus van kracht toen de bestreden beslissing op 20 september 2020 door de uitvoerend directeur werd vastgesteld.
58 Ten tweede dient te worden opgemerkt dat de aanwijzingen in de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 en die van 2020 over de praktijk van de uitvoerend directeur met betrekking tot de beoordeling van verzoeken om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde op grond van artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 aanzienlijk verschillen.
59 Enerzijds wordt in deel A, afdeling 5, punt 2.3.4, van de richtsnoeren van het EUIPO van 2017, betreffende de ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde, enkel aangegeven dat deze ontheffing in „bepaalde omstandigheden” kan worden toegestaan.
60 Anderzijds preciseert deel A, afdeling 5, punt 2.3.4, van de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 daarentegen, na tevens te hebben aangegeven dat deze ontheffing in „bepaalde omstandigheden” kan worden toegestaan en dat het gaat om „bijzondere omstandigheden”, specifiek met betrekking tot de ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde: „Deze wettelijke voorwaarde dat de betrokkene een ‚hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar’ moet zijn, veronderstelt ten minste, en zonder dat dit op zich hoeft te volstaan, dat de aanvrager (met bewijsstukken) aantoont dat zijn beroepservaring: – specifiek verband houdt met merkenkwesties; – specifiek is verkregen ‚als vertegenwoordiger’ op het gebied van merken, – is toe te schrijven aan een specifieke merkenportefeuille; – is opgebouwd onder eigen verantwoordelijkheid en onder eigen gezag; – is verworven in de EER-lidstaat waar de aanvrager thans bevoegd is in de zin van artikel 120, lid 2, onder c), van [verordening 2017/1001], – de vereiste minimumduur van vijf jaar overschrijdt indien de machtiging om te vertegenwoordigen gebaseerd is op ervaring en niet op kwalificaties. De volgende omstandigheden worden op zich niet beschouwd als bewijs dat de aanvrager een ‚hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar’ is voor de ontheffing van het vereiste om een onderdaan van de EER te zijn. Mits aan bovengenoemde eisen is voldaan, kunnen zij echter in aanmerking worden genomen bij de algemene beoordeling van alle relevante elementen: – ervaring op andere gebieden van intellectuele-eigendomsrechten dan merken en tekeningen of modellen; – officiële titels; – onder supervisie opgedane ervaring, met hulp van derden, in het kader van een team, enz.; – publicaties, onderzoek of artikelen in door vakgenoten goedgekeurde tijdschriften of in gespecialiseerde boeken, door de aanvrager geschreven boeken, onderwijservaringen op het gebied van intellectuele eigendom.”
61 Met andere woorden, de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 bevatten zes cumulatieve minimumvereisten inzake beroepservaring waarvan het bewijs door de uitvoerend directeur in het kader van zijn beoordeling wordt gecontroleerd, en vier omstandigheden die op zich niet toereikend worden geacht door de uitvoerend directeur, maar die, indien aan voornoemde vereisten is voldaan, in aanmerking kunnen worden genomen.
62 De richtsnoeren van het EUIPO van 2020 vermelden dus elementen voor de beoordeling van verzoeken om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde die niet voorkwamen in de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 en geven bijgevolg een nieuwe en restrictievere praktijk van de uitvoerend directeur weer ten opzichte van die welke in de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 is uiteengezet. Wat het argument van het EUIPO betreft dat de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 geen wijziging hebben gebracht in de praktijk van de uitvoerend directeur, die onder de oude richtsnoeren van het EUIPO van 2017 identiek zou zijn geweest, volstaat het op te merken dat een dergelijk argument geenszins is onderbouwd, net zoals het argument dat alle krachtens verordening 2017/1001 ingediende aanvragen op dezelfde wijze zijn beoordeeld, evenmin wordt gestaafd.
63 Vastgesteld moet dus worden dat de verschillende aanwijzingen in de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 en 2020 over de praktijk van de uitvoerend directeur bij de beoordeling van verzoeken om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde een aanzienlijke invloed kunnen hebben, niet alleen op de beoordeling door de uitvoerend directeur van een verzoek om ontheffing, maar ook, in een eerder stadium, op de inhoud van een dergelijk verzoek en zelfs op het besluit om dat verzoek in te dienen. Onverminderd de mogelijkheid voor een verzoeker om aan te tonen dat hij de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” heeft op basis van andere elementen dan die welke volgens punt 51 hierboven in die richtlijnen zijn vermeld, kunnen de aanvragers op basis van die gegevens immers in voorkomend geval voorzien op basis van welke elementen een verzoek om ontheffing door de uitvoerend directeur kan worden beoordeeld. Vanuit dit oogpunt heeft het bewijs dat een persoon de status van „hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar” heeft in het licht van „bijzondere omstandigheden” die impliceren dat is voldaan aan zes cumulatieve minimumvereisten inzake beroepservaring in de zin van de richtsnoeren van het EUIPO van 2020, een kennelijk andere draagwijdte dan het aantonen van diezelfde status enkel in het licht van „bepaalde omstandigheden” die relevant zijn in de zin van de richtsnoeren van het EUIPO van 2017.
64 Ten derde heeft de uitvoerend directeur in de bestreden beslissing, hoewel hij de toegepaste richtsnoeren van het EUIPO niet formeel heeft verduidelijkt, in punt 14 van die beslissing uitdrukkelijk de vereisten en omstandigheden vermeld in de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 (die in punt 60 supra in herinnering zijn gebracht) overgenomen en in punt 15 van die beslissing aangegeven dat het verzoek en de bewijzen van verzoekster in het licht van die overwegingen moesten worden onderzocht. Zo verklaarde de uitvoerend directeur in punt 20 van de bestreden beslissing dat verzoekster geen ontheffing kon verkrijgen in de zin van de in dat punt 14 opgenomen toelichting. Voorts herinnerde de uitvoerend directeur in punt 23 van de bestreden beslissing eraan dat in punt 14 ervan de vereisten en omstandigheden voor het verkrijgen van een ontheffing werden gedefinieerd en werd aangegeven dat de nieuwe richtsnoeren van het EUIPO van 2020 geen wijziging hadden gebracht in de praktijk die werd toegepast toen de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 van kracht waren, met als enige verschil dat de nieuwe richtsnoeren aanvullende details boden om zowel aanvragers als het EUIPO beter te begeleiden.
65 Uit de bestreden beslissing blijkt dus dat de uitvoerend directeur verzoeksters verzoek om ontheffing heeft onderzocht aan de hand van de aanwijzingen in de richtsnoeren van het EUIPO van 2020.
66 Volgens de in de punten 44 en 46 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak moeten bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing niet de gedragsregels die golden op de datum van vaststelling van de bestreden beslissing, maar de gedragsregels die van kracht waren op de datum van de betrokken feiten, dat wil zeggen op de datum van indiening van dat verzoek, worden toegepast. In casu waren de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 op de datum van dat verzoek niet van kracht en zelfs nog niet vastgesteld, aangezien de op die datum geldende richtsnoeren die van 2017 waren. Overigens is geenszins aangetoond dat de nieuwe richtsnoeren van het EUIPO van 2020 de praktijk van de uitvoerend directeur die werd toegepast toen de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 van kracht waren, niet hebben gewijzigd.
67 In het licht van de in de punten 57 tot en met 66 hierboven onderzochte elementen volgt hieruit dat de uitvoerend directeur verzoeksters verzoek om ontheffing in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft beoordeeld aan de hand van gedragsregels in de richtsnoeren van het EUIPO van 2020 die op de datum van indiening van dat verzoek niet van kracht waren, zodat verzoekster niet kon voorzien dat haar verzoek zou worden beoordeeld aan de hand van die nieuwe en restrictievere regels dan die welke zijn vervat in de richtsnoeren van het EUIPO van 2017.
68 Aangezien de uitvoerend directeur het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door verzoeksters verzoek om ontheffing krachtens artikel 120, lid 4, onder b), van verordening 2017/1001 te beoordelen aan de hand van gedragsregels die op de datum van indiening van dat verzoek niet van kracht waren, moet het eerste middel van het beroep worden aanvaard en de bestreden beslissing op die grond worden vernietigd.
69 Niettemin acht het Gerecht het opportuun om ook het vierde middel van het beroep te onderzoeken.
Vierde middel: schending van het recht om te worden gehoord
70 Onder verwijzing naar de artikelen 94 en 97 van verordening 2017/1001 voert verzoekster aan dat zij als bijlage bij haar verzoek om ontheffing van 10 oktober 2019 bewijsstukken had overgelegd om aan te tonen dat zij een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar was en dat het EUIPO in zijn antwoord van 30 januari 2020 had aangegeven dat de ontheffing niet aan haar zou worden verleend en dit op de enkele grond dat zij haar activiteit uitoefende in een andere lidstaat (Duitsland) dan die waar zij gemachtigd was (Ierland). Zij heeft in haar antwoorden van 9 en 13 maart 2020 dan ook enkel geantwoord op het bezwaar betreffende de „plaats” van haar activiteit. Verzoekster voegt daaraan toe dat zij op eigen initiatief op de brief van 30 januari 2020 heeft geantwoord. In die brief voerde het EUIPO aan dat het verzoek niet-ontvankelijk was wegens één enkel probleem, namelijk de plaats van de activiteit, en wierp het geen andere bezwaren of vragen op, ook niet in verband met het bewijs dat verzoekster een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar was. Verzoekster merkt op dat zij in haar antwoord van 9 en 13 maart 2020 enkel heeft geantwoord op hetgeen het probleem van de ontvankelijkheid van haar verzoek leek te zijn, maar dat zij, indien haar was verzocht om meer details over haar kwalificaties te verstrekken, deze zou hebben verstrekt.
71 Het EUIPO antwoordt hierop dat verzoekster opmerkingen en bewijzen heeft kunnen indienen, die in aanmerking zijn genomen. Aangezien de bestreden beslissing is gegeven op basis van haar verzoek en van het door haar overgelegde bewijsmateriaal, kan verzoekster bovendien niet stellen dat zij niet is gehoord vóórdat een beslissing is genomen waaraan zij zelf ten grondslag ligt. Het EUIPO voegt daaraan toe dat het moeilijk te begrijpen is wat verzoekster zou hebben belet om alle bewijzen over te leggen waarover zij beschikte om aan te tonen dat zij een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar was.
– Voorafgaande opmerkingen over de toepasselijke rechtsbeginselen
72 Om te beginnen zij opgemerkt dat het door verzoekster aangevoerde artikel 97 van verordening 2017/1001 irrelevant is voor haar recht om te worden gehoord, aangezien het de bevoegdheid van de instanties van het EUIPO regelt om maatregelen van instructie te nemen.
73 Daarentegen kunnen volgens artikel 94, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 de beslissingen van het EUIPO slechts worden genomen op gronden of bewijsstukken waartegen de partijen verweer hebben kunnen voeren.
74 Deze bepaling is een specifieke toepassing van het algemene beginsel van bescherming van de rechten van de verdediging, dat overigens is neergelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, volgens hetwelk personen wier belangen door beslissingen van overheidsinstanties worden geraakt, in staat moeten worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken [arrest van 21 april 2021, Hasbro/EUIPO – Kreativni Dogadaji (MONOPOLY), T‑663/19, EU:T:2021:211, punt 119].
75 Het in artikel 94 van verordening 2017/1001 neergelegde recht om te worden gehoord heeft betrekking op alle feitelijke en juridische gegevens waarop de beslissing is gebaseerd, maar niet op de beslissing die het bestuursorgaan voornemens is te nemen (arrest van 21 april 2021, MONOPOLY, T‑663/19, EU:T:2021:211, punt 120).
76 Dit recht garandeert dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure alvorens een beslissing wordt genomen die zijn belangen kan schaden (arrest van 4 april 2019, Gogos/Commissie (C‑558/17 P, EU:C:2019:289, punt 53).
77 Dit recht moet worden geëerbiedigd, ongeacht de aard van de administratieve procedure die tot de vaststelling van een individuele maatregel leidt, ook al voorziet de toepasselijke regeling daar niet in. Dit is onder meer het geval wanneer de administratie voornemens is een beslissing te nemen in antwoord op een door een persoon op eigen initiatief ingediend verzoek (arrest van 23 september 2020, EU/ Commissie, T‑338/19, EU:T:2020:430, punten 48 en 50).
78 Volgens de rechtspraak leidt een schending van het recht om te worden gehoord slechts tot vernietiging van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen beslissing, indien deze procedure zonder die onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. Wat dat betreft kan een verzoekende partij die schending van zijn recht om te worden gehoord aanvoert, niet worden opgelegd aan te tonen dat de beslissing van de betrokken Unie-instelling anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten (arresten van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punten 105 en 106, en 12 juli 2023, IFIC Holding/Commissie, T‑8/21, EU:T:2023:387, punten 123 en 124).
79 Bij de beoordeling van deze vraag moet bovendien rekening worden gehouden met de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval (arresten van 18 juni 2020, Commissie/RQ, C‑831/18 P, EU:C:2020:481, punt 107, en 12 juli 2023, IFIC Holding/Commissie, T‑8/21, EU:T:2023:387, punt 125).
– Overzicht van de contextuele elementen
80 In haar verzoek van 10 oktober 2019 heeft verzoekster verzocht om een ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde, waarbij zij stelde dat zij een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar was. Zoals blijkt uit de vakjes die zijn aangevinkt onder d), g) en h) van afdeling 2 van het aanvraagformulier, heeft verzoekster zich gebaseerd op haar „beroepservaring die zij onder supervisie, met hulp van andere personen, als lid van een team, enzovoort” had opgedaan, op haar „formele kwalificaties” en op haar „publicaties, onderzoek of artikelen in door vakgenoten erkende gespecialiseerde tijdschriften of publicaties, [haar] hoedanigheid van auteur van boeken, [haar] ervaring op het gebied van het onderwijs van intellectuele eigendom, enzovoort”.
81 Daartoe heeft verzoekster in bijlage bij haar verzoek om ontheffing drie bewijzen overgelegd: een uittreksel uit haar arbeidsovereenkomst, haar studiediploma en het in 2015 gepubliceerde uittreksel uit de derde editie van een boek op het gebied van intellectuele eigendom.
82 In de brief van 30 januari 2020 heeft het EUIPO om te beginnen aangegeven dat verzoekster haar beroepservaring in haar lidstaat van machtiging, Ierland, moest aantonen; voorts dat verzoekster, behalve voor een door het Ierse bureau voor intellectuele eigendom afgegeven certificaat waaruit bleek dat zij in het register van merkengemachtigden voorkwam, geen aanvullend bewijs had overgelegd om aan te tonen dat zij een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar in Ierland was, aangezien de andere bewijzen betrekking hadden op Duitsland en Nederland (de namen van de drie landen zijn allemaal vetgedrukt geschreven); ten slotte was het verzoek om ontheffing dus niet-ontvankelijk, omdat het niet de vereiste bewijsstukken bevatte. Bovendien gaf de brief aan dat verzoekster te allen tijde een nieuw verzoek kon indienen en werd deze vergezeld van een uittreksel uit de tekst van de toekomstige richtsnoeren van het EUIPO van 2020 (daaronder begrepen het in punt 60 supra weergegeven deel).
83 In haar brieven van 9 en 13 maart 2020 heeft verzoekster aangevoerd dat de richtsnoeren van het EUIPO van 2017 niet vereisten dat de beroepservaring in de lidstaat van machtiging was verworven, dat de nieuwe richtsnoeren van het EUIPO van 2020 niet op haar situatie hadden mogen worden toegepast, dat zij het niet eens was met het in die laatste richtsnoeren gestelde vereiste van beroepservaring in de lidstaat van machtiging en dat zij heeft gewerkt aan merkenkwesties die een band met Ierland hadden, bovenop die betreffende het Unierecht.
84 Daartoe heeft verzoekster, als bijlage bij haar brieven van 9 en 13 maart 2020, drie bewijzen overgelegd: een screenshot uit het Ierse merkenregister en het bewijs van inschrijving in dat register, een brief van haar voormalige werkgever en een brief van een Duits academisch orgaan over haar mentoraat.
85 In de bestreden beslissing heeft de uitvoerend directeur, na de door verzoekster overgelegde bewijzen te hebben onderzocht (punten 17‑19), om te beginnen aangegeven dat op basis van deze gegevens, in hun geheel beschouwd, weliswaar kon worden aangenomen dat verzoekster een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar was, maar niet kon worden geconcludeerd dat zij „hooggekwalificeerd” was (punt 20). Vervolgens heeft de uitvoerend directeur te kennen gegeven dat verzoekster geen substantiële beroepservaring in Ierland had aangetoond en dat op basis van de overgelegde bewijzen hoe dan ook niet kon worden vastgesteld dat zij in Duitsland of Nederland hooggekwalificeerd was (punt 21). Ten slotte heeft de uitvoerend directeur opgemerkt dat de bewijzen weliswaar aantoonden dat verzoekster bevoegd was om op te treden bij het Ierse bureau voor intellectuele eigendom op het gebied van merken, maar dat deze niet aantoonden dat verzoekster verder was gegaan dan dit minimumvereiste en dus niet kon worden geacht een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar te zijn in Ierland of enige andere staat (punt 22).
– Vraag of er een procedurele onregelmatigheid is begaan
86 In de eerste plaats moet, voor zover de bestreden beslissing een door verzoekster ingediend verzoek om ontheffing van de nationaliteitsvoorwaarde met het oog op haar inschrijving op de lijst van erkende gemachtigden afwijst, worden vastgesteld dat die beslissing een handeling van individuele strekking is die verzoeksters belangen schaadt. Bijgevolg was de uitvoerend directeur overeenkomstig de in de punten 76 en 77 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak verplicht om verzoekster te horen alvorens de bestreden beslissing vast te stellen. De argumenten waarmee het EUIPO suggereert dat de uitvoerend directeur geen dergelijke verplichting had omdat de bestreden beslissing volgde op een verzoek van verzoekster zelf, moeten dus worden afgewezen (zie in die zin arrest van 23 september 2020, EU/Commissie, T‑338/19, EU:T:2020:430, punt 50).
87 In de tweede plaats dient te worden vastgesteld dat het EUIPO ingevolge verzoeksters verzoek om ontheffing de brief van 30 januari 2020 aan haar heeft doen toekomen, waarop verzoekster heeft geantwoord bij brieven van 9 en 13 maart 2020. Dit betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld om haar standpunt „naar behoren en daadwerkelijk” kenbaar te maken, zoals de in punt 76 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak vereist.
88 Ten eerste gaf de brief van het EUIPO van 30 januari 2020, zoals blijkt uit de aan het Gerecht overgelegde stukken, verzoekster immers geen enkele aanwijzing over de aard zelf van deze brief en over het verloop van de procedure voor het onderzoek van haar verzoek om ontheffing, en werd verzoekster daarbij evenmin verzocht om haar eventuele opmerkingen over de door het EUIPO opgeworpen bezwaren in te dienen. Bovendien staat vast dat verzoekster deze brief op eigen initiatief heeft beantwoord, bij haar brieven van 9 en 13 maart 2020.
89 Ten tweede werd in de brief van 30 januari 2020, zoals blijkt uit punt 82 hierboven en uit de aan het Gerecht overgelegde stukken, geconcludeerd dat verzoeksters verzoek om ontheffing „niet-ontvankelijk” was wegens het ontbreken van bewijzen ter ondersteuning ervan. In deze brief werd met name gepreciseerd dat verzoekster beroepservaring moest hebben opgedaan in de lidstaat waar zij was gemachtigd, in casu Ierland, en dat, behalve het door het Ierse bureau voor intellectuele eigendom afgegeven certificaat, geen enkel ander bewijs was overgelegd om aan te tonen dat zij een hooggekwalificeerde beroepsbeoefenaar „in Ierland” was, aangezien de andere overgelegde bewijzen betrekking hadden op Duitsland en Nederland. Bovendien waren de namen van deze drie landen in die brief vetgedrukt geschreven, hetgeen bijdroeg tot de nadruk op de centrale rol, voor het EUIPO, van het land waarop verzoeksters bewijsvoering betrekking had.
90 In haar brieven van 9 en 13 maart 2020 heeft verzoekster dan ook geantwoord op het bezwaar van het EUIPO, door de relevantie van het vereiste van de noodzaak van ervaring in de lidstaat van machtiging te betwisten en door bewijzen over te leggen met betrekking tot haar activiteiten in verband met Ierland.
91 De bestreden beslissing gewaagt echter niet meer van enige „niet-ontvankelijkheid” van het verzoek, maar weigert verzoekster ten gronde de gevraagde ontheffing toe te staan, niet alleen op grond van punt 21 ervan, wegens het ontbreken van bewijzen die verband hielden met Ierland, maar ook, in de punten 20 en 22, wegens het ontbreken van bewijzen op grond waarvan kon worden aangenomen dat verzoekster „hooggekwalificeerd” was, aangezien de uitvoerend directeur erkende dat verzoekster een gekwalificeerd beroepsbeoefenaar was. Zoals blijkt uit de punten 20 tot en met 22 van de bestreden beslissing, schraagt het bezwaar inzake de plaats van de beroepservaring thans immers slechts een deel van de redenering van de uitvoerend directeur in de bestreden beslissing, die eveneens, en hoofdzakelijk, is gebaseerd op het over het geheel genomen te lage niveau van de overgelegde bewijzen, op basis waarvan volgens de uitvoerend directeur niet kan worden geoordeeld dat verzoekster, hoewel zij gekwalificeerd is, ook „hooggekwalificeerd” is.
92 Vastgesteld moet dus worden dat, gelet op het verschil tussen de in de brief van 30 januari 2020 geformuleerde bezwaren en die welke de uitvoerend directeur in de bestreden beslissing in aanmerking heeft genomen, verzoekster tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van deze beslissing heeft geleid, door de uitvoerend directeur niet in de gelegenheid is gesteld om naar behoren en daadwerkelijk een standpunt in te nemen over het over het geheel genomen te lage niveau van de overgelegde bewijzen en, in voorkomend geval, uit te leggen waarom deze elementen aantoonden dat zij niet alleen gekwalificeerd, maar ook hooggekwalificeerd was. Integendeel, in plaats van haar in staat te stellen een nuttig en doeltreffend standpunt dienaangaande in te nemen, heeft de brief van 30 januari 2020 verzoekster ertoe gebracht zich op één aspect te concentreren, namelijk het land van de beroepservaring, dat in de bestreden beslissing slechts een beperkte rol heeft gespeeld.
93 Uit het voorgaande volgt dat de uitvoerend directeur verzoekster niet naar behoren heeft gehoord tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beslissing heeft geleid, en bijgevolg haar recht om te worden gehoord heeft geschonden.
– Gevolgen van de procedurele onregelmatigheid
94 Wat de gevolgen betreft die overeenkomstig de in de punten 78 en 79 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak aan de vaststelling in punt 93 hierboven moeten worden verbonden, dient te worden nagegaan of verzoekster, gelet op de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van de onderhavige zaak, genoegzaam heeft aangetoond dat zonder die procedurele onregelmatigheid de hypothese dat de bestreden beslissing een andere inhoud had kunnen hebben, niet volledig is uitgesloten.
95 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster in de bij het Gerecht ingediende schrifturen herhaaldelijk heeft verwezen naar bewijzen die zij aan de uitvoerend directeur had kunnen overleggen indien zij was gehoord tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beslissing heeft geleid. Bovendien heeft verzoekster, omdat zij dergelijke gegevens niet aan de uitvoerend directeur had kunnen overleggen, die gegevens aan het Gerecht overgelegd als bijlage bij het verzoekschrift, de repliek en de opmerkingen na terugverwijzing.
96 Eerst dient de – door het EUIPO betwiste – ontvankelijkheid te worden onderzocht van de door verzoekster voor het Gerecht overgelegde bewijzen. Het EUIPO geeft namelijk te kennen dat de door verzoekster in de bijlagen A.11, A.15, A.18 tot en met A.22 en A.24 tot en met A.28 bij het verzoekschrift, de bijlagen C.1 tot en met C.5 bij de repliek en de bijlagen E.1 tot en met E.3 bij de opmerkingen na terugverwijzing overgelegde bewijzen niet-ontvankelijk zijn, aangezien zij voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd. Verzoekster repliceert evenwel dat deze bewijzen ontvankelijk zijn omdat zij niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord en pas voor het Gerecht de mogelijkheid heeft gehad om die bewijzen voor het eerst over te leggen.
97 Voor zover deze bijlagen beogen aan te geven welke bewijzen verzoekster aan de uitvoerend directeur had kunnen overleggen indien zij was gehoord, moet het bezwaar van het EUIPO worden afgewezen. Die bijlagen strekken er immers niet toe dat het Gerecht, door zich in de plaats te stellen van de uitvoerend directeur, het verzoek van verzoekster opnieuw beoordeelt op basis van bewijzen waarover de uitvoerend directeur niet beschikte, maar strekken enkel tot ondersteuning van verzoeksters middel inzake schending van haar recht om te worden gehoord.
98 Vanuit dat oogpunt moeten de in punt 96 supra bedoelde bewijzen waarvan de ontvankelijkheid door het EUIPO wordt betwist, dus ontvankelijk worden geacht. Bovendien geldt hetzelfde voor de bijlagen A.17 en A.29 bij het verzoekschrift, waarop het bezwaar van het EUIPO geen betrekking heeft.
99 Derhalve moet worden onderzocht of de argumenten die verzoekster aan die bewijselementen ontleent, aantonen dat het, indien zij was gehoord, niet volledig is uitgesloten dat de procedure een andere afloop had kunnen hebben.
100 In dit verband zij er om te beginnen op gewezen dat verschillende van deze bewijzen op het eerste gezicht irrelevant lijken in het kader van een dergelijk onderzoek, aangezien het gaat om elementen die verband houden met de activiteiten van verzoekster na de bestreden beslissing (bijlagen C.1 tot en met C.3 en C.5 van de repliek en bijlagen E.1 tot en met E.3 van de opmerkingen na terugverwijzing), gegevens die verzoekster niet rechtstreeks betreffen (bijlagen A.18, A.22 en A.24 van het verzoekschrift en bijlage C.4 van de repliek) of bewijsstukken die geen betrekking hebben op het merkenrecht (bijlagen A.25 en A.29 van het verzoekschrift).
101 Daarentegen kan niet volledig worden uitgesloten dat de andere bewijzen waarnaar verzoekster in de bijlagen A.11, A.15, A.17, A.19 tot en met A.21 en A.26 tot en met A.28 bij het verzoekschrift verwijst, haar in staat hadden kunnen stellen om, indien zij was gehoord tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beslissing heeft geleid, meer gegevens over te leggen met betrekking tot de in punt 80 hierboven bedoelde kwalificaties, die volgens haar voortvloeiden uit het werk dat zij bij haar voormalige werkgever had verricht, uit haar studies en uit haar onderzoeks-, publicatie- en onderwijsactiviteiten.
102 Hoewel sommige van die bewijzen inderdaad brieven zijn die dateren van ná de vaststelling van de bestreden beslissing (bijlagen A.15, A.20 en A.21) en een op het eerste gezicht niet-gedateerd curriculum vitae (bijlage A.11), hebben zij betrekking op activiteiten van verzoekster die voorafgingen aan de vaststelling van de bestreden beslissing, zodat niet kan worden uitgesloten dat verzoekster, indien zij was gehoord in de loop van de procedure die tot de vaststelling van die beslissing heeft geleid, deze gegevens ook aan de uitvoerend directeur had kunnen overleggen na ze eerder te hebben verzameld.
103 Derhalve moet worden opgemerkt dat op basis van de voor het Gerecht aangevoerde argumenten en bewijzen kan worden geoordeeld dat, indien verzoekster was gehoord in de loop van de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beslissing heeft geleid, de hypothese dat die procedure een andere uitkomst had kunnen hebben, in het bijzonder wat de beoordeling van haar beroepskwalificatie betreft, niet volledig kan worden uitgesloten, met dien verstande dat het niet aan het Gerecht, maar uitsluitend aan de uitvoerend directeur staat om een dergelijke beoordeling te verrichten.
104 Bijgevolg moet het vierde middel van het beroep worden aanvaard en dient de bestreden beslissing ook op die grond te worden vernietigd, zonder dat het derde en het vijfde middel van het beroep hoeven te worden onderzocht.
Kosten
105 Volgens artikel 219 van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Gerecht, in beslissingen die na vernietiging en terugverwijzing zijn gegeven, over de proceskosten van de bij hem ingeleide procedures en van de procedure van hogere voorziening bij het Hof.
106 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.
107 Aangezien het EUIPO op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster met betrekking tot de procedures voor het Gerecht en de procedure in hogere voorziening voor het Hof.
[omissis] HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart:
1) Beslissing nr. ER 93419‑2020 van de uitvoerend directeur van het Bureau voor Intellectuele Eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 30 september 2020 inzake het verzoek om ontheffing dat Nigar Kirimova heeft ingediend krachtens artikel 120, lid 4, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk, wordt vernietigd.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) Het EUIPO wordt verwezen in de kosten met betrekking tot de procedures bij het Gerecht en de procedure in hogere voorziening bij het Hof.
Marcoulli Tomljenović Norkus Valasidis Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 september 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Gerecht EU 12 juli 2023, T-8/21, ECLI:EU:T:2023:387
- Gerecht EU 8 juni 2022, T-293/21, ECLI:EU:T:2022:345
- Gerecht EU 21 april 2021, T-663/19, ECLI:EU:T:2021:211
- Gerecht EU 23 september 2020, T-338/19, ECLI:EU:T:2020:430
- HvJ EU 18 juni 2020, C-831/18, ECLI:EU:C:2020:481
- HvJ EU 4 april 2019, C-558/17, ECLI:EU:C:2019:289
- HvJ EU 15 maart 2018, C-256/16, ECLI:EU:C:2018:187
- Gerecht EU 13 juli 2017, T-527/14, ECLI:EU:T:2017:487
- HvJ EU 14 juni 2016, C-361/14, ECLI:EU:C:2016:434
- HvJ EU 9 oktober 2014, C-492/13, ECLI:EU:C:2014:2267
- Gerecht EU 12 februari 2014, T-81/12, ECLI:EU:T:2014:71
- HvJ EU 8 december 2011, C-81/10, ECLI:EU:C:2011:811
- HvJ EU 24 november 2011, C-283/10, ECLI:EU:C:2011:772
- HvJ EU 28 juni 2005, C-189/02, ECLI:EU:C:2005:408
- HvJ EU 7 juni 2005, C-17/03, ECLI:EU:C:2005:362
- HvJ EU 7 maart 2002, C-310/99, ECLI:EU:C:2002:143