Gerecht EU 4 september 2024, T-503/23, ECLI:EU:T:2024:582

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

4 september 2024 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië – Bevriezing van tegoeden – Beperkingen inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Handhaving van verzoekers naam op de lijsten van de betrokken personen, entiteiten en lichamen – Criterium ,banden met leden van de families Assad of Makhlouf’ – Exceptie van onwettigheid – Beoordelingsfouten – Niet-contractuele aansprakelijkheid”

In zaak T‑503/23,

Ammar Sharif, wonende te Beiroet (Libanon), vertegenwoordigd door G. Karouni en K. Assogba, advocaten,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door S. Lejeune en V. Piessevaux als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, J. Laitenberger en J. Martín y Pérez de Nanclares (rapporteur), rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 april 2024,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1 Met zijn beroep vordert verzoeker, Ammar Sharif, ten eerste, op grond van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van besluit (GBVB) 2023/1035 van de Raad van 25 mei 2023 [houdende wijziging] van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2023, L 139, blz. 49), en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1027 van de Raad van 25 mei 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2023, L 139, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „bestreden handelingen”), voor zover deze handelingen hem betreffen, en, ten tweede, op grond van artikel 268 VWEU, vergoeding van de schade die hij als gevolg van de vaststelling van de bestreden handelingen stelt te hebben geleden. Incidenteel vordert hij, op grond van artikel 277 VWEU, om artikel 27, lid 2, onder b), en lid 3, alsook artikel 28, lid 2, onder b), en lid 3, van besluit 2013/255/GBVB van de Raad van 31 mei 2013 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2013, L 147, blz. 14), zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/1836 van de Raad van 12 oktober 2015 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB (PB 2015, L 266, blz. 75), en van artikel 15, lid 1 bis, onder b), van verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 442/2011 (PB 2012, L 16, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/1828 van de Raad van 12 oktober 2015 (PB 2015, L 266, blz. 1), niet van toepassing te verklaren.

I. Voorgeschiedenis van het geding

[omissis]

A. Initiële plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten en handhaving van deze plaatsing tot en met 1 juni 2019

11 Bij uitvoeringsbesluit (GBVB) 2016/1897 van de Raad van 27 oktober 2016 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB (PB 2016, L 293, blz. 36), en bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/1893 van de Raad van 27 oktober 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 (PB 2016, L 293, blz. 25) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2016”) is verzoekers naam geplaatst in regel 212 van de lijst in bijlage I, afdeling A (Personen), van besluit 2013/255 en in regel 212 van de lijst in bijlage II, afdeling A (Personen), van verordening nr. 36/2012 (hierna gezamenlijk: „betrokken lijsten”), met vermelding van de volgende motivering: „Vooraanstaande zakenman die in Syrië actief is in het bank‑ en verzekeringswezen en in de horecasector. Stichtend vennoot van Byblos Bank Syria, belangrijk aandeelhouder van Unlimited Hospitality Ltd, en lid van de raad van bestuur van de Solidarity Alliance Insurance Company en de Al-Aqueelah Takaful Insurance Company.” [omissis]

13 Op 29 mei 2017 heeft de Raad besluit (GBVB) 2017/917 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2017, L 139, blz. 62) vastgesteld, waarbij de toepassing van laatstgenoemd besluit tot en met 1 juni 2018 werd verlengd, alsook uitvoeringsverordening (EU) 2017/907 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2017, L 139, blz. 15) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2017”). [omissis]

15 Op 28 mei 2018 heeft de Raad besluit (GBVB) 2018/778 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2018, L 131, blz. 16) vastgesteld, waarbij de toepassing van laatstgenoemd besluit tot en met 1 juni 2019 werd verlengd, alsook uitvoeringsverordening (EU) 2018/774 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2018, L 131, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2018”). [omissis]

17 Bij arrest van 4 april 2019, Sharif/Raad (T‑5/17, EU:T:2019:216), heeft het Gerecht het door verzoeker ingestelde beroep tegen de handelingen van 2016, 2017 en 2018, voor zover zij hem betroffen, verworpen. In punt 70 van genoemd arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten gerechtvaardigd was op grond van het door de Raad overgelegde geheel van voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen, waaruit bleek dat verzoeker een vooraanstaande zakenman was die in Syrië actief was. Verzoeker heeft tegen dit arrest geen hogere voorziening ingesteld.

B. Handhaving van de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten

18 Op 17 mei 2019 heeft de Raad besluit (GBVB) 2019/806 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2019, L 132, blz. 36) vastgesteld, waarbij de toepassing van laatstgenoemd besluit tot en met 1 juni 2020 werd verlengd, alsook uitvoeringsverordening (EU) 2019/798 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2019, L 132, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2019”). In deze handelingen wordt verzoekers naam niet vermeld, noch wordt daarin de motivering voor de plaatsing van zijn naam op de betrokken lijsten gewijzigd. [omissis]

20 Op 28 mei 2020 heeft de Raad besluit (GBVB) 2020/719 houdende wijziging van besluit 2013/255 (PB 2020, L 168, blz. 66) vastgesteld, waarbij de toepassing van laatstgenoemd besluit tot en met 1 juni 2021 werd verlengd, alsook uitvoeringsverordening (EU) 2020/716 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2020, L 168, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2020”).

21 Krachtens de handelingen van 2020 is de motivering voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten, zoals die bleek uit de handelingen van 2016, 2017, 2018 en 2019, vervangen door de volgende motivering: „Heeft banden met een lid van de familie Makhlouf (zwager van Rami Makhlouf).” [omissis]

23 Bij arrest van 28 april 2021, Sharif/Raad (T‑540/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:220), heeft het Gerecht het door verzoeker ingestelde beroep tegen de handelingen van 2019 en 2020, voor zover zij hem betroffen, verworpen. In punt 144 van dit arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de motivering voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten, zoals die bleek uit de handelingen van 2019, voldoende was gestaafd, zodat de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten op basis van het criterium „[v]ooraanstaande zakenman die in Syrië actief is” wel degelijk gegrond was. Bovendien heeft het Gerecht in punt 174 van genoemd arrest vastgesteld dat de motivering voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten op grond van de handelingen van 2020 voldoende was gestaafd, zodat de plaatsing van verzoekers naam op genoemde lijsten op basis van het criterium „banden met leden van de families Assad of Makhlouf” wel degelijk gegrond was. Verzoeker heeft tegen voornoemd arrest geen hogere voorziening ingesteld.

24 Op 25 mei 2023 heeft de Raad de bestreden handelingen vastgesteld. De motivering voor de plaatsing van verzoekers naam [op de betrokken lijsten] is ongewijzigd gebleven ten opzichte van die in de handelingen van 2020. Bij brief van 26 mei 2023 heeft de Raad de vertegenwoordiger van verzoeker in kennis gesteld van de handhaving van diens naam op de betrokken lijsten.

II. Conclusies van partijen

25 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de onrechtmatigheid vast te stellen van artikel 27, lid 2, onder b), en lid 3, van artikel 28, lid 2, onder b), en lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en van artikel 15, lid 1 bis, onder b), van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, alsook deze niet-toepasselijk te verklaren ten aanzien van verzoeker, voor zover deze bepalingen hem betreffen; – de bestreden handelingen nietig te verklaren, voor zover deze hem betreffen; – de Raad te veroordelen tot betaling van een algehele schadevergoeding van 10000 EUR; – de Raad te verwijzen in de kosten.

26 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoeker te verwijzen in de kosten; – subsidiair, voor het geval de bestreden handelingen nietig worden verklaard, te gelasten dat de gevolgen van besluit 2023/1035 in stand worden gelaten voor zover zij verzoeker betreffen, tot het moment waarop de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2023/1027 ingaat.

III. In rechte

A. Vorderingen tot nietigverklaring

[omissis]

1. Eerste middel: exceptie van onwettigheid wegens schending van het beginsel van gelijke behandeling

28 Verzoeker roept de onwettigheid in van artikel 27, lid 2, onder b), en lid 3, van artikel 28, lid 2, onder b), en lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en van artikel 15, lid 1 bis, onder b), van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, aangezien deze artikelen in wezen in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling.

29 De Raad betwist verzoekers argumenten.

30 Volgens artikel 277 VWEU kan iedere partij naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, de in artikel 263, tweede alinea, VWEU bedoelde middelen aanvoeren om voor het Hof van Justitie van de Europese Unie de niet-toepasselijkheid van deze handeling in te roepen.

31 Artikel 277 VWEU is de uitdrukking van een algemeen beginsel krachtens hetwelk iedere procespartij met het oog op de nietigverklaring van een aan haar gericht besluit, incidenteel de geldigheid van de aan dit besluit ten grondslag liggende handelingen van algemene strekking kan aanvechten, wanneer zij niet krachtens artikel 263 VWEU rechtstreeks kon opkomen tegen die handelingen, waarvan zij dus de gevolgen moet dragen zonder in staat te zijn geweest nietigverklaring ervan te vorderen. De handeling van algemene strekking waarvan de onwettigheid wordt aangevoerd, moet rechtstreeks of indirect van toepassing zijn op de aan het beroep ten grondslag liggende zaak en er moet een rechtstreeks juridisch verband bestaan tussen het bestreden individuele besluit en de betrokken algemene handeling (zie arrest van 17 februari 2017, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad,T‑14/14 en T‑87/14, EU:T:2017:102, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32 Wat de intensiteit van de rechterlijke toetsing betreft, is het vaste rechtspraak dat de Unierechter overeenkomstig de hem bij het Verdrag verleende bevoegdheden de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig dient te toetsen aan de grondrechten, die behoren tot de rechtsorde van de Unie. Dat vereiste is uitdrukkelijk neergelegd in artikel 275, tweede alinea, VWEU (zie arresten van 28 november 2013, Raad/Fulmen en Mahmoudian, C‑280/12 P, EU:C:2013:775, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33 Dit neemt echter niet weg dat de Raad, zoals door deze instelling terecht is opgemerkt, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt om de juridische criteria en de wijze van vaststelling van de beperkende maatregelen op algemene en abstracte wijze te bepalen (zie in die zin arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad,C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Anders dan verzoeker stelt, is de vaststelling hoever de beoordelingsbevoegdheid van de Raad reikt, echter wel degelijk relevant voor de afbakening van de omvang van de rechterlijke toetsing. Immers is juist gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad, de rechterlijke toetsing van de voorschriften van algemene strekking waarbij die criteria en die wijze van vaststelling worden bepaald, zoals de bepalingen van de bestreden handelingen waarin het litigieuze criterium is opgenomen waarop het onderhavige middel betrekking heeft, beperkt tot de vraag of de procedure‑ en motiveringsvoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijke fout bij de beoordeling van de feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 9 juli 2009, Melli Bank/Raad,T‑246/08 en T‑332/08, EU:T:2009:266, punten 44 en 45, en 12 februari 2020, Amisi Kumba/Raad, T‑163/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:57, punt 149).

34 In casu is verzoekers naam op de betrokken lijsten geplaatst vanwege zijn band met Rami Makhlouf, van wie hij de zwager is.

35 Hieruit volgt dat verzoekers naam op de betrokken lijsten is gehandhaafd vanwege zijn band met een lid van de familie Makhlouf. Met andere woorden, de plaatsing van diens naam op deze lijsten is gebaseerd op het criterium als bedoeld in artikel 27, lid [1], laatste zinsnede, en artikel 28, lid [1], laatste zinsnede, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, gelezen in samenhang met het criterium van lid 2, onder b), van elk van deze bepalingen, welk criterium met betrekking tot het bevriezen van tegoeden is hernomen in artikel 15, lid 1 bis, laatste zinsnede, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, gelezen in samenhang met het criterium van lid 1 bis, onder b), van genoemde bepaling, namelijk het criterium „banden met leden van de families Assad of Makhlouf”.

36 Vooraf zij erop gewezen dat verzoeker de onwettigheid inroept van artikel 27, lid 2, onder b), van artikel 28, lid 2, onder b), van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, alsmede van artikel 15, lid 1 bis, onder b), van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, die betrekking hebben op het criterium „banden met leden van de families Assad of Makhlouf”. Uit de stukken van verzoeker blijkt niettemin zeer duidelijk – hetgeen door de Raad niet is betwist – dat hij wenst op te komen tegen de wettigheid van het plaatsingscriterium op basis waarvan zijn naam op de betrokken lijsten is gehandhaafd, namelijk het criterium „banden met leden van de families Assad of Makhlouf”. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de door verzoeker aangevoerde exceptie van onwettigheid niet alleen betrekking heeft op artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, maar ook op artikel 27, lid [1], laatste zinsnede, en artikel 28, lid [1], laatste zinsnede, van dat besluit, gelezen in samenhang met respectievelijk lid 2, onder b), van elk van deze bepalingen, alsmede op artikel 15, lid 1 bis, laatste zinsnede, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, gelezen in samenhang met lid 1 bis, onder b), van genoemde bepaling.

37 Verzoeker voert schending aan van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de vanwege hun banden met leden van de families Assad of Makhlouf op de betrokken lijsten geplaatste personen – anders dan de overige categorieën personen bedoeld in artikel 27, lid 2, in artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, alsmede in artikel 15, lid 1 bis, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, waarvoor de bepalingen gelden van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van dat besluit – zowel theoretisch als praktisch in de onmogelijkheid verkeren om het vermoeden van een band met het Syrische regime te weerleggen.

38 In dit verband zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling, een fundamenteel rechtsbeginsel, verbiedt dat vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 9 juli 2009, Melli Bank/Raad,T‑246/08 en T‑332/08, EU:T:2009:266, punt 135).

39 Uit de bewoordingen van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, blijkt evenwel duidelijk dat deze bepalingen van toepassing zijn op alle in lid 2 van deze twee artikelen genoemde categorieën personen, en dus ook, aangezien zij daarin zijn vermeld, op de personen die vanwege hun banden met leden van de families Assad of Makhlouf op de betrokken lijsten zijn geplaatst.

40 Bijgevolg moet verzoekers argument dat de vanwege hun banden met leden van de families Assad of Makhlouf op de betrokken lijsten geplaatste personen theoretisch in de onmogelijkheid verkeren om gebruik te maken van de bepalingen van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, worden afgewezen.

41 Wat de gestelde praktische onmogelijkheid betreft, is het juist dat, zoals verzoeker betoogt en de Raad erkent, een familieband in beginsel niet kan worden ontbonden. Daartegenover staat evenwel dat, ten eerste, uit de bewoordingen van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, niet volgt dat personen die vanwege hun familieband met leden van de families Assad of Makhlouf op de betrokken lijsten zijn geplaatst, gehouden zijn om noodzakelijkerwijs het bewijs van de ontbinding van die familieband te leveren om aan te tonen dat zij niet of niet meer verbonden zijn met het Syrische regime of er geen invloed (meer) op uitoefenen, of dat zij geen echt omzeilingsrisico vormen.

42 Bovendien moet worden opgemerkt dat, mocht dat het geval zijn, de leden van de families Assad of Makhlouf helemaal geen beroep zouden kunnen doen op artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836. Dit zou er namelijk op neerkomen dat er jegens hen een onweerlegbaar vermoeden ontstaat van een band met het Syrische regime. In dit verband werd reeds geoordeeld dat in besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, ten aanzien van leden van de families Assad of Makhlouf geen onweerlegbaar vermoeden van steun aan of banden met het Syrische regime is ingesteld, aangezien de namen van personen die tot die families behoren, niet worden opgenomen op de lijst van de aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten indien is aangetoond dat die personen niet of niet meer verbonden zijn met dat regime (arrest van 1 oktober 2020, Makhlouf/Raad, C‑157/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:777, punt 98). Indien dus dergelijke personen een beroep kunnen doen op artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, dan staat die mogelijkheid ook open voor de met hen verbonden personen.

43 Ten tweede zij erop gewezen dat het vermoeden van een band met Syrische regime moet worden geacht te zijn weerlegd indien verzoeker argumenten of elementen aanvoert op basis waarvan de betrouwbaarheid van het door de Raad overgelegde bewijsmateriaal of de beoordeling daarvan ernstig in twijfel kan worden getrokken, met name in het licht van de door artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255 gestelde voorwaarden, of indien verzoeker aan de Unierechter een reeks aanwijzingen verstrekt dat hij geen of niet langer een band heeft met dat regime, geen invloed (meer) uitoefent op dat regime of geen echt risico van omzeiling van de beperkende maatregelen vormt, overeenkomstig artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van dat besluit (arrest van 8 juli 2020, Zubedi/Raad,T‑186/19, EU:T:2020:317, punt 71).

44 Bijgevolg beschikt verzoeker over verschillende middelen ter weerlegging van het vermoeden van een band met het Syrische regime en hoeft hij dus niet enkel aan te tonen dat de familieband met Makhlouf is opgehouden te bestaan, noch te wachten tot de naam van laatstgenoemde van de betrokken lijsten wordt geschrapt.

45 Bovendien kunnen, anders dan verzoeker stelt, personen die banden hebben met leden van de families Assad of Makhlouf door hun individuele gedrag afstand nemen van het Syrische regime en op die wijze aannemelijk maken dat zij daarmee niet langer een band hebben. Dit geldt tevens voor personen, zoals verzoeker, die door huwelijksbanden aan deze leden zijn gelieerd. Het feit dat verzoeker de zwager is van Makhlouf, belet hem namelijk geenszins om aan te tonen dat hij alle banden met het Syrische regime heeft verbroken, bijvoorbeeld door het optreden daarvan publiekelijk aan de kaak te stellen, zich tegen dat optreden te verzetten of te weigeren gevolg te geven aan instructies die hij mogelijkerwijs zou hebben ontvangen, dan wel om aan te tonen dat hij geen echt omzeilingsrisico vormt door het verstrekken van aanwijzingen waaruit blijkt dat hij geen enkel contact meer heeft met een persoon die dicht bij het Syrische regime staat en in casu met Makhlouf.

46 Dergelijke argumenten en bewijselementen op grond waarvan de op de betrokken lijsten geplaatste personen een beroep kunnen doen op artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, kunnen worden aangevoerd door alle personen die vallen onder de verschillende categorieën als bedoeld in artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en in artikel 15, lid 1 bis, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828.

47 Anders dan verzoeker aanvoert, verkeren de personen die banden hebben met leden van de families Assad of Makhlouf dus niet in de praktische onmogelijkheid om gebruik te maken van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836.

48 In dit verband moet overigens worden opgemerkt dat verzoeker in het kader van het onderhavige beroep argumenten heeft aangevoerd die volgens hem het vermoeden van een band met leden van de families Assad of Makhlouf kunnen weerleggen. Deze argumenten zullen worden onderzocht bij de analyse van het tweede middel, ontleend aan een onvoldoende feitelijke grondslag en een beoordelingsfout.

49 In deze omstandigheden worden de personen die banden hebben met leden van de families Assad of Makhlouf juridisch op dezelfde wijze behandeld als de personen die behoren tot de overige categorieën als bedoeld in artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en in artikel 15, lid 1 bis, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828.

50 Bijgevolg heeft verzoeker niet aangetoond dat artikel 27, lid [1], laatste zinsnede, en artikel 28, lid [1], laatste zinsnede, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, gelezen in samenhang met respectievelijk lid 2, onder b), van elk van deze bepalingen, artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van eerstgenoemd besluit, alsmede artikel 15, lid 1 bis, laatste zinsnede, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, gelezen in samenhang met lid 1 bis, onder b), van genoemde bepaling, in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling. [omissis]

63 Uit het bovenstaande volgt dat de exceptie van onwettigheid en, derhalve, het eerste middel moeten worden afgewezen.

2. Tweede middel: onvoldoende feitelijke grondslag en beoordelingsfout

[omissis]

b) Eerste onderdeel: onvoldoende feitelijke grondslag

[omissis]

2) Gegrondheid van het eerste onderdeel

82 Verzoeker betoogt dat zijn lot, vanwege de motivering voor de plaatsing van zijn naam op de betrokken lijsten, onvermijdelijk afhangt van de situatie van Makhlouf. De situatie van laatstgenoemde is in de loop van de voorbije jaren echter voortdurend veranderd, en wel op zodanige wijze dat hij niet langer in de kringen van de macht vertoeft en hoegenaamd geen rol meer speelt in de economische, politieke of financiële wereld in Syrië. In dit verband benadrukt verzoeker in repliek dat elk nieuw feitelijk gegeven dat van invloed is op de situatie van Makhlouf, gevolgen moet hebben voor zijn eigen situatie.

83 Verzoeker voert in wezen aan dat de wijzigingen in de situatie van Makhlouf algemeen bekende feiten vormen die de Raad niet onbekend kunnen zijn geweest, temeer daar deze feiten worden gerapporteerd door de media die de Raad ter documentering van zijn dossiers systematisch en regelmatig raadpleegt voor de plaatsing of handhaving van de naam van een persoon op de betrokken lijsten.

84 De Raad betwist verzoekers argumenten.

85 In casu strekken verzoekers argumenten ertoe te doen vaststellen dat de Raad de situatie van Makhlouf niet naar behoren heeft heroverwogen, hoewel hij daartoe verplicht was. Indien de Raad deze heroverweging had verricht, zou hij tot de bevinding zijn gekomen dat de situatie van Makhlouf was gewijzigd, wat gevolgen zou hebben gehad voor verzoekers situatie.

86 In navolging van de Raad zij er in dit verband erop gewezen dat de toetsing door het Gerecht in de onderhavige zaak enkel betrekking kan hebben op de gegrondheid van de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten en dus niet kan afdoen aan de rechtmatigheid van de besluiten waarbij de Raad de naam van Makhlouf op die lijsten heeft geplaatst (zie in die zin arresten van 11 mei 2017, Barqawi/Raad, T‑303/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:328, punt 42, en 18 mei 2022, Foz/Raad,T‑296/20, EU:T:2022:298, punt 115).

87 De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat zijn lot verbonden is met dat van Makhlouf, kan niet leiden tot een andere benadering, net zomin als zijn argument dat van hem niet kan worden verlangd dat hij wacht tot Makhlouf beroep instelt, op het gevaar af dat zijn eigen beroep zinloos wordt.

88 Het is namelijk vaste rechtspraak dat het vermoeden van rechtsgeldigheid van handelingen van de instellingen van de Unie inhoudt dat deze handelingen rechtsgevolgen in het leven roepen zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard (zie arrest van 18 mei 2022, Foz/Raad,T‑296/20, EU:T:2022:298, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89 Ten eerste stelt verzoeker echter dat hij niet de adressaat is van de handelingen waarbij de naam van Makhlouf op de betrokken lijsten is geplaatst, en evenmin nietigverklaring daarvan vordert middels het onderhavige beroep. In het kader van de onderhavige procedure kan hij zich er dus niet op beroepen dat de Raad zijn verplichting heeft geschonden om de situatie van Makhlouf te heroverwegen, noch dat de Raad een verkeerde beoordeling had gegeven van de bijlagen die waren overgelegd teneinde aan te tonen dat Makhlouf niet langer banden had met het Syrische regime.

90 Ten tweede is het juist dat verzoeker een exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen tegen artikel 27, lid [1], laatste zinsnede, en artikel 28, lid [1], laatste zinsnede, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, gelezen in samenhang met respectievelijk lid 2, onder b), van elk van deze bepalingen, tegen artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van het aldus gewijzigde besluit, alsmede tegen artikel 15, lid 1 bis, laatste zinsnede, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, gelezen in samenhang met lid 1 bis, onder b), van genoemd artikel. Tegelijkertijd heeft hij echter aangevoerd dat deze artikelen schending opleveren van het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de categorie personen die banden hebben met leden van de families Assad of Makhlouf zowel theoretisch als praktisch in de onmogelijkheid verkeren om gebruik te maken van artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van het gewijzigde besluit 2013/255. Verzoeker heeft weliswaar ook naar voren gebracht dat het criterium „banden met leden van de families Assad of Makhlouf” niet langer relevant was, maar dit in het stadium van de repliek aangevoerde argument is echter in de punten 59 en 62 hierboven als nieuw aangemerkt en bijgevolg niet-ontvankelijk verklaard. Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat de relevantie en de wettigheid van dit plaatsingscriterium, dat van toepassing is op alle invloedrijke leden van deze beide families, niet ter discussie kunnen worden gesteld op grond van de situatie van Makhlouf alleen.

91 Daarbij komt dat de tegen Makhlouf gerichte handelingen niet zijn ingetrokken en dat de rechtsgevolgen ervan ook niet zijn opgeschort naar aanleiding van een verzoek om voorlopige maatregelen. Bijgevolg blijven de handelingen waarbij de naam van Makhlouf op de betrokken lijsten is geplaatst, rechtsgevolgen teweegbrengen.

92 Bovendien heeft verzoeker ter terechtzitting naar voren gebracht dat het Gerecht in het kader van dit onderdeel niet hoeft na te gaan of er nog steeds een band bestaat tussen Makhlouf en het Syrische regime, maar alleen of diens situatie is gewijzigd. Een dergelijk argument kan niet slagen. Ten eerste lijkt dit argument immers in tegenspraak te zijn met de argumentatie die verzoeker heeft ontwikkeld in zijn stukken, waarin hij allereerst het Gerecht verzoekt om in fine vast te stellen dat Makhlouf niet langer deel uitmaakt van de kringen van de macht, daarbij doelend op de band tussen die persoon en het Syrische regime, vervolgens de Raad verwijt dat hij de motivering voor de plaatsing van Makhlouf op de betrokken lijsten niet heeft gewijzigd en, tot slot, uitdrukkelijk verwijst naar de verplichting van de Raad tot heroverweging van de situatie van Makhlouf. Ten tweede kan de loutere vaststelling van een wijziging in de situatie van Makhlouf gevolgen met zich meebrengen, al was het maar vanuit het oogpunt van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en van de rechtszekerheid, aangezien het Gerecht in dat geval hoe dan ook de situatie van een derde partij bij het onderhavige geding zou moeten beoordelen.

93 Hieraan moet nog worden toegevoegd dat, hoewel het niet aan het Gerecht staat om zich in het kader van het onderhavige beroep uit te spreken over de gegrondheid van de plaatsing van de naam van Makhlouf op de betrokken lijsten, niets eraan in de weg stond dat verzoeker zich vóór de vaststelling van de bestreden handelingen tot de Raad had gewend met het verzoek om zijn situatie in het licht van die van Makhlouf te heroverwegen aan de hand van de bewijselementen die hij in het kader van de onderhavige procedure heeft overgelegd. Zoals immers volgt uit artikel 32, leden 2 en 3, van verordening nr. 36/2012 kan verzoeker op eender welk moment een verzoek tot heroverweging of opmerkingen indienen (zie in die zin arrest van 22 september 2021,Al-Imam/Raad,T‑203/20, EU:T:2021:605, punt 95). Evenwel moet worden vastgesteld dat, zoals de Raad aanvoert zonder daarin door verzoeker te worden tegengesproken, laatstgenoemde die mogelijkheid niet heeft benut.

94 Gelet op een en ander dient het eerste onderdeel van het tweede middel te worden afgewezen. [omissis]

HET GERECHT (Vijfde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Ammar Sharif wordt verwezen in de kosten.

Svenningsen Laitenberger Martín y Pérez de Nanclares Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 september 2024. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken