Gerecht EU 17 juli 2024, T-209/22, ECLI:EU:T:2024:498
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid)
17 juli 2024 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen die zijn genomen in het licht van de situatie in Syrië – Bevriezing van tegoeden en economische middelen – Beperking inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren of waarvoor beperkingen gelden inzake toegang tot het grondgebied van de lidstaten – Plaatsing en handhaving van verzoekers naam op de lijst – Erfgenaam van een persoon jegens wie reeds beperkende maatregelen gelden – Rechten van de verdediging – Beoordelingsfout – Niet-contractuele aansprakelijkheid”
In zaak T‑209/22,
Shahla Makhlouf, woonachtig te Fairfax, Virginia (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door G. Karouni en E. Assogba, advocaten,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Limonet en V. Piessevaux als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: L. Truchot, president, H. Kanninen, R. Frendo (rapporteur), M. Sampol Pucurull en T. Perišin, rechters,
griffier: L. Ramette, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 16 juni 2023,
het navolgende
Arrest
1 Met haar beroep vordert verzoekster, Shahla Makhlouf, op grond van artikel 263 VWEU nietigverklaring van, ten eerste, uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/242 van de Raad van 21 februari 2022 tot uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2022, L 40, blz. 26) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/237 van de Raad van 21 februari 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2022, L 40, blz. 6) (hierna gezamenlijk: „oorspronkelijke handelingen”), en ten tweede van besluit (GBVB) 2023/1035 van de Raad van 25 mei 2023 tot [wijziging] van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2023, L 139, blz. 49) en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1027 van de Raad van 25 mei 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2023, L 139, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handhavingshandelingen”), voor zover deze handelingen haar betreffen (hierna gezamenlijk: „bestreden handelingen”), en, voorts, op grond van artikel 268 VWEU vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van de bestreden handelingen.
I. Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan
2 Verzoekster is een van de dochters van Mohammed Makhlouf, een zakenman met de Syrische nationaliteit.
3 De onderhavige zaak moet worden geplaatst in het kader van de beperkende maatregelen die vanaf 2011 door de Raad van de Europese Unie zijn vastgesteld tegen Syrië en tegen personen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking in Syrië.
4 Op 9 mei 2011 heeft de Raad besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië vastgesteld (PB 2011, L 121, blz. 11), „waarin met kracht de gewelddadige onderdrukking [...] van vreedzame demonstraties op verschillende plaatsen in Syrië [werd veroordeeld]”. Hij heeft met name de binnenkomst op het grondgebied van de Europese Unie beperkt en de tegoeden en economische middelen van bepaalde personen en entiteiten „die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige repressie tegen de burgerbevolking in Syrië” bevroren. Aangezien regelgevend optreden op het niveau van de Unie noodzakelijk was voor de tenuitvoerlegging van besluit 2011/273 heeft de Raad tevens verordening (EU) nr. 442/2011 van 9 mei 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2011, L 121, blz. 1) vastgesteld.
5 De namen van degenen die „verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige repressie tegen de burgerbevolking in Syrië”, en van de met hen geassocieerde natuurlijke personen of rechtspersonen en entiteiten zijn vermeld in de bijlage bij besluit 2011/273 en in bijlage II bij verordening nr. 442/2011.
6 Op 1 augustus 2011 heeft de Raad uitvoeringsbesluit 2011/488/GBVB tot uitvoering van besluit 2011/273 (PB 2011, L 199, blz. 74) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 755/2011 tot uitvoering van verordening nr. 442/2011 (PB 2011, L 199, blz. 33) vastgesteld, teneinde onder andere de naam van Mohammed Makhlouf op te nemen in de respectieve bijlagen waarin de personen en entiteiten waarvoor de beperkende maatregelen gelden, zijn opgesomd (zie punt 5 hierboven).
7 Op 18 januari 2012 heeft de Raad verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van verordening nr. 442/2011 (PB 2012, L 16, blz. 1) vastgesteld, en op 31 mei 2013 besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2013, L 147, blz. 14) (hierna gezamenlijk: „basishandelingen”), met name om beperkende maatregelen op te leggen aan personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het Syrische regime en aan personen die banden met hen hebben. De namen van die personen zijn thans opgenomen in bijlage II bij verordening nr. 36/2012 en in de bijlage bij besluit 2013/255 (hierna: „litigieuze lijsten”).
8 Op 12 oktober 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/1836 tot wijziging van besluit 2013/255 (PB 2015, L 266, blz. 75) vastgesteld – gelet op de ernst van de situatie in Syrië, zoals volgt uit overweging 5 van dit besluit – alsook verordening (EU) 2015/1828 tot wijziging van verordening nr. 36/2012 (PB 2015, L 266, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van 2015”).
9 Aangezien de Raad van mening was dat de aanvankelijk bij besluit 2011/273 vastgestelde beperkende maatregelen geen einde hadden kunnen maken aan de gewelddadige onderdrukking van de burgerbevolking door het Syrische regime, heeft hij in dit verband besloten, zoals blijkt uit overweging 5 van besluit 2015/1836, dat het „noodzakelijk [was] de doeltreffendheid van de vigerende beperkende maatregelen te bestendigen en te verzekeren door deze verder te ontwikkelen met behoud van zijn gerichte en gedifferentieerde aanpak en rekening houdend met de humanitaire omstandigheden van de Syrische bevolking”, en dat „gezien de specifieke context in Syrië [...] bepaalde categorieën personen en entiteiten van bijzonder belang [waren] voor de doeltreffendheid van deze beperkende maatregelen”.
10 Bijgevolg is de formulering van de artikelen 27 en 28 van besluit 2013/255 gewijzigd bij besluit 2015/1836. Die artikelen beperken thans de binnenkomst op of doorreis via het grondgebied van de lidstaten en bepalen dat de tegoeden en economische middelen van de in bijlage I opgenomen personen die behoren tot de in lid 2, onder a) tot en met g), van die artikelen bedoelde categorieën personen worden bevroren, behalve als er overeenkomstig lid 3 ervan „voldoende informatie is waaruit blijkt [dat die personen] niet of niet meer verbonden zijn met het regime of er geen invloed (meer) over uitoefenen, of geen echt omzeilingsrisico vormen”.
11 Aangezien „de macht, die in Syrië van oudsher wordt uitgeoefend door families, in het huidige Syrische regime bij de invloedrijke leden van de families Assad en Makhlouf geconcentreerd zit”, zoals blijkt uit overweging 7 van besluit 2015/1836, moesten met name beperkende maatregelen tegen bepaalde familieleden worden vastgesteld, met als doel zowel via leden van die families direct invloed uit te oefenen op het Syrische regime zodat het zijn repressieve beleid wijzigt, als te vermijden dat beperkende maatregelen via familieleden worden omzeild.
12 Na de vaststelling van de handelingen van 2015 worden voortaan dus ook de „leden van de families Assad en Makhlouf” onderworpen aan de beperkende maatregelen van artikel 27, lid 2, onder b), en artikel 28, lid 2, onder b), van besluit 2013/255 (hierna: „criterium van het behoren tot een familie”). Voorts is artikel 15 van verordening nr. 36/2012 aangevuld met lid 1 bis, onder b), waarin is voorzien in de bevriezing van de tegoeden van de leden van deze families (hierna gezamenlijk met artikel 27, lid 2, onder b), en artikel 28, lid 2, onder b), van besluit 2013/255: „bepalingen waarbij het criterium van het behoren tot een familie is ingesteld”).
13 Op 12 september 2020 is Mohammed Makhlouf overleden (hierna: „overledene”). Op die datum stond zijn naam nog steeds op de litigieuze lijsten.
14 Op 21 februari 2022 heeft de Raad bij de oorspronkelijke handelingen verzoeksters naam op regel 320 van de litigieuze lijsten geplaatst om de volgende reden: „Dochter van Mohammed Makhlouf. Lid van de familie Makhlouf”.
15 Ter rechtvaardiging van de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten heeft de Raad zich gebaseerd op de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap van de overledene, die afkomstig is van een Syrische rechter de dato 27 september 2020 (hierna: „beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap”).
16 Drie dagen na de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen, te weten op 24 februari 2022, heeft de Raad uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/306 tot uitvoering van besluit 2013/255 (PB 2022, L 46, blz. 95) en uitvoeringsverordening (EU) 2022/299 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2022, L 46, blz. 1) vastgesteld om de naam van de overledene van de litigieuze lijsten te schrappen.
17 Op 12 april 2022 heeft verzoekster de Raad verzocht om haar naam van de litigieuze lijsten te schrappen.
18 De Raad heeft dit verzoek tot heroverweging afgewezen bij brief van 31 mei 2022 (hierna: „antwoord van de Raad”) op grond dat er voldoende redenen waren om verzoeksters naam als lid van de familie Makhlouf en als erfgename van de overledene op de litigieuze lijsten te laten staan. Bij die gelegenheid heeft de Raad verzoekster in kennis gesteld van de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap ter ondersteuning van de reden voor plaatsing van haar naam op die lijsten.
19 In zijn antwoord heeft de Raad verzoekster in kennis gesteld van de vaststelling van besluit (GBVB) 2022/849 van de Raad van 30 mei 2022 tot wijziging van besluit 2013/255 (PB 2022, L 148, blz. 52) en van uitvoeringsverordening (EU) 2022/840 van de Raad van 30 mei 2022 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2022, L 148, blz. 8), waarbij hij de naam van verzoekster op de litigieuze lijsten heeft gehandhaafd tot en met 1 juni 2023.
20 Op 25 mei 2023 heeft de Raad de handhavingshandelingen vastgesteld waarbij in wezen de toepassing van de basishandelingen en de litigieuze lijsten, onder meer ten aanzien van verzoekster, is verlengd tot en met 1 juni 2024.
II. Conclusies van partijen
21 Na de aanpassing van het verzoekschrift overeenkomstig artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzoekt verzoekster het Gerecht: – de bestreden handelingen nietig te verklaren; – de Raad te veroordelen tot betaling van ten eerste een vergoeding van 30000 EUR uit hoofde van immateriële schade die zij heeft geleden ten gevolge van de vaststelling van de oorspronkelijke handelingen en ten tweede een vergoeding van 30000 EUR uit hoofde van immateriële schade die zij heeft geleden ten gevolge van de handhavingshandelingen; – de Raad te verwijzen in de kosten.
22 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep in zijn geheel te verwerpen; – subsidiair, in geval van nietigverklaring van de oorspronkelijke handelingen voor zover zij verzoekster betreffen, de gevolgen van uitvoeringsbesluit 2022/242 jegens haar te handhaven totdat de nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2022/237 effect sorteert; – verzoekster te verwijzen in de kosten.
III. In rechte
A. Ontvankelijkheid van de aanpassing van het verzoekschrift
23 Met haar memorie tot aanpassing van het verzoekschrift verzoekt verzoekster op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering om de strekking van haar beroep uit te breiden tot nietigverklaring van de handhavingshandelingen voor zover zij haar betreffen.
24 Ter terechtzitting heeft de Raad de ontvankelijkheid van de aanpassing van het verzoekschrift betwist door te betogen dat verzoekster niet was opgekomen tegen besluit 2022/849 en uitvoeringsverordening 2022/840, waarbij de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten vóór de vaststelling van de handhavingshandelingen van kracht was gebleven.
25 In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering is bepaald dat „[w]anneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, [...] de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling [...], het verzoekschrift [kan] aanpassen om met dit nieuwe gegeven rekening te houden”.
26 In casu dient ten eerste te worden opgemerkt dat zowel de oorspronkelijke handelingen als de handhavingshandelingen, voor zover zij verzoekster betreffen, tot doel hebben aan haar individuele beperkende maatregelen op te leggen die bestaan in beperkingen inzake toegang en in bevriezing van alle tegoeden en economische middelen.
27 Ten tweede bestaan de individuele beperkende maatregelen in het kader van de regeling waarbij beperkende maatregelen tegen Syrië worden ingesteld, erin dat de namen van de personen, entiteiten of lichamen op de litigieuze lijsten in de bijlagen bij besluit 2013/255 en verordening nr. 36/2012 worden geplaatst.
28 In die context hebben de oorspronkelijke handelingen de bijlagen bij besluit 2013/255 en verordening nr. 36/2012 gewijzigd om onder meer verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te plaatsen. Wat de handhavingshandelingen betreft, moet ten eerste worden vastgesteld dat bij besluit 2023/1035 de toepasselijkheid van besluit 2013/255, waarvan bijlage I – zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2022/242 – verzoeksters naam vermeldt, is verlengd tot en met 1 juni 2024, en ten tweede dat uitvoeringsverordening 2023/1027 bijlage II bij verordening nr. 36/2012 heeft gewijzigd, waarbij die naam in die laatstgenoemde bijlage is gehandhaafd, althans impliciet. De handhavingshandelingen worden bijgevolg geacht de oorspronkelijke handelingen te hebben vervangen in de zin van artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
29 Hieruit volgt dat, overeenkomstig de aan artikel 86 van dat Reglement ten grondslag liggende doelstelling van proceseconomie (zie in die zin arrest van 13 september 2018, Almaz-Antey/Raad, T‑515/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:545, punten 43 en 44), verzoekster, die in het verzoekschrift nietigverklaring van de oorspronkelijke handelingen had gevorderd, in het kader van de onderhavige procedure het recht had om het verzoekschrift aan te passen teneinde ook nietigverklaring van de handhavingshandelingen te vorderen, ook al had zij het verzoekschrift niet eerder aangepast teneinde nietigverklaring van besluit 2022/849 en uitvoeringsverordening 2022/840 te vorderen.
30 Derhalve moet worden geconcludeerd dat de aanpassing van het verzoekschrift ontvankelijk is.
B. Vordering tot nietigverklaring
31 Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring voert verzoekster in wezen vier middelen aan: – het eerste middel, schending van de procedurele waarborgen; – het tweede middel, een beoordelingsfout; – het derde en vierde middel, onrechtmatige en onevenredige inbreuk op verzoeksters grondrecht op eigendom.
32 Het Gerecht acht het nuttig om het onderzoek van het beroep te beginnen met de analyse van het tweede middel.
1. Tweede middel: beoordelingsfout
33 In het kader van het onderhavige middel, dat formeel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, betwist verzoekster de rechtmatigheid van de bestreden handelingen en bijgevolg de gegrondheid van de plaatsing van haar naam op de litigieuze lijsten. Volgens haar kan het enkele feit dat zij tot de familie Makhlouf behoort, niet rechtvaardigen dat jegens haar beperkende maatregelen zijn vastgesteld.
34 De Raad betwist verzoeksters argumenten.
a) Voorafgaande opmerkingen
35 Meteen moet worden opgemerkt dat het onderhavige middel aldus moet worden opgevat dat het betrekking heeft op een beoordelingsfout, en niet op een kennelijke beoordelingsfout. De Raad beschikt weliswaar namelijk inderdaad over een bepaalde beoordelingsmarge om van geval tot geval te beoordelen of is voldaan aan de juridische criteria waarop de beperkende maatregelen in kwestie zijn gebaseerd, maar dit neemt niet weg dat de rechterlijke instanties van de Unie ervoor moeten zorgen dat de wettigheid van alle Uniehandelingen in beginsel volledig wordt getoetst (arrest van 26 oktober 2022, Ovsyannikov/Raad, T‑714/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:674, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 De doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing die wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat het besluit waarbij beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of de betrokken entiteit, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119).
37 De Unierechter moet voor dat onderzoek in voorkomend geval de bevoegde autoriteit van de Unie verzoeken om overlegging van de voor een dergelijk onderzoek relevante informatie en bewijzen, vertrouwelijk of niet (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 120).
38 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121).
39 Daartoe is niet vereist dat die autoriteit voor de Unierechter alle informatie en al het bewijs overlegt dat verband houdt met de redenen die zijn aangevoerd in de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd. Het is evenwel van belang dat de overgelegde informatie en bewijzen de tegen de betrokken persoon of entiteit in aanmerking genomen redenen staven (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 122).
40 Indien de bevoegde autoriteit van de Unie relevante informatie of relevant bewijs verstrekt, moet de Unierechter nagaan of de aangevoerde feiten materieel juist zijn gelet op die informatie en dat bewijs en de bewijswaarde daarvan beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval en in het licht van de mogelijk daarover ingediende opmerkingen, met name die van de betrokken persoon of entiteit (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi,C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 124).
41 Bij de beoordeling of de plaatsing van een naam op een lijst gegrond is, moeten de bewijzen niet afzonderlijk maar in hun context worden onderzocht (zie arrest van 16 maart 2022, Sabra/Raad,T‑249/20, EU:T:2022:140, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Ten slotte kan in het kader van de beoordeling van de ernst van de zaak, die deel uitmaakt van de toetsing van de evenredigheid van de betrokken beperkende maatregelen, rekening worden gehouden met de context waarin deze maatregelen passen, met het feit dat het dringend was dat zij werden vastgesteld teneinde druk uit te oefenen op het Syrische regime opdat dit stopt met de gewelddadige repressie tegen de burgerbevolking, alsmede met het feit dat het moeilijk is om in een staat met een autoritair bewind, waarin een burgeroorlog woedt, nauwkeuriger bewijs te krijgen (zie arrest van 16 maart 2022, Sabra/Raad,T‑249/20, EU:T:2022:140, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Doordat de Unie in derde landen geen onderzoeksbevoegdheden heeft, dient de beoordeling door de autoriteiten van de Unie zich volgens de rechtspraak de facto te baseren op voor het publiek toegankelijke informatiebronnen, rapporten, krantenartikelen of andere soortgelijke informatiebronnen (zie arrest van 16 december 2020, Haswani/Raad, T‑521/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:608, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
44 Het onderhavige middel moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht.
b) Gegrondheid van de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten
45 Verzoeksters naam is op de betwiste lijsten geplaatst op grond dat zij een „[d]ochter van Mohammed Makhlouf [en l]id van de familie Makhlouf” was (zie punt 14 hierboven). De Raad heeft ter rechtvaardiging van de vaststelling van beperkende maatregelen ten aanzien van verzoekster in de bestreden handelingen dus het criterium van het behoren tot een familie gehanteerd, waarbij hij zich heeft gebaseerd op de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap (zie punt 17 hierboven) waaruit blijkt dat verzoekster een van de erfgenamen van de overledene was.
46 Opgemerkt zij dat verzoekster noch de authenticiteit, noch de bewijskracht van de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap betwist. Voorts betwist zij evenmin dat zij en de overledene aan elkaar verwant zijn en dat zij dus tot de familie Makhlouf behoort.
47 In die omstandigheden kon de Raad zich op de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap baseren om de reden voor plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten te onderbouwen.
48 Verzoekster betoogt evenwel dat de bepalingen waarbij het criterium van het behoren tot een familie is ingesteld, zich verzetten tegen elke systematische plaatsing op grond van het enkele feit dat zij tot de familie Makhlouf behoort. Zij herinnert eraan dat krachtens besluit 2015/1836 alleen een invloedrijk lid van die familie aan beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië kan worden onderworpen.
49 In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat het algemene plaatsingscriterium van het hebben van banden met het Syrische regime, dat is vermeld in artikel 27, lid 1, en artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en dat, wat de bevriezing van tegoeden betreft, overeenkomt met artikel 15, lid 1, onder a), van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828 – het mogelijk maakt om een persoon of entiteit die baat heeft bij of steun verleent aan het Syrische regime en personen die daar banden mee hebben, op de litigieuze lijsten te plaatsen.
50 Vervolgens zijn in 2015 specifieke plaatsingscriteria vastgesteld ter aanvulling van het algemene criterium van het hebben van banden met het Syrische regime. Deze criteria zijn thans opgenomen in artikel 27, lid 2, en artikel 28, lid 2, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en in artikel 15, lid 1 bis, onder b), van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828. Volgens de rechtspraak is bij deze bepalingen ten aanzien van zeven categorieën personen die tot bepaalde groepen behoren, sprake van een weerlegbaar vermoeden van het hebben van banden met het Syrische regime. Tot deze categorieën behoren onder andere „leden van de families Assad of Makhlouf” (zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, Makhlouf/Raad, C‑157/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:777, punt 98).
51 Ten slotte is geoordeeld dat de specifieke plaatsingscriteria voor de in punt 50 hierboven bedoelde zeven categorieën personen autonoom zijn ten opzichte van het algemene criterium van het hebben van banden met het Syrische regime, zodat het enkele feit dat zij tot een van die zeven categorieën personen behoren, volstaat om de in die artikelen bedoelde beperkende maatregelen te kunnen nemen, zonder dat hoeft te worden bewezen dat de betrokken personen steun verlenen aan of baat hebben bij het heersende Syrische regime (zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, Makhlouf/Raad, C‑157/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:777, punt 83).
52 Hieruit moet worden afgeleid dat het criterium van het behoren tot een familie, dat is ingevoerd bij de handelingen van 2015, een objectief, autonoom criterium vormt dat op zich volstaat ter rechtvaardiging van de vaststelling van beperkende maatregelen jegens de „leden van [de] familie [...] Makhlouf” doordat hun namen op grond van het enkele feit dat zij tot die familie behoren op de lijsten van personen worden geplaatst op wie dergelijke maatregelen van toepassing zijn. Anders dan verzoekster betoogt, zoals in punt 48 hierboven is weergegeven, is het criterium niet beperkt tot „invloedrijke” leden van deze familie.
53 Dit neemt niet weg dat artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en artikel 15, lid 1 ter, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828, in wezen bepalen dat de personen op wie de bepalingen inzake de vaststelling van de plaatsingscriteria van toepassing zijn, niet op de litigieuze lijsten worden opgenomen als er voldoende informatie is waaruit blijkt dat zij niet verbonden zijn met het Syrische regime, er geen invloed op uitoefenen of geen echt risico op omzeiling van de beperkende maatregelen vormen.
54 Gelet op de overwegingen in de punten 50 tot en met 52 hierboven kon de Raad dus a priori, rekening houdend met de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap, verzoeksters naam op de litigieuze lijsten plaatsen op basis van het uit het criterium van het behoren tot een familie voortvloeiende weerlegbare vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime.
55 Het stond vervolgens aan verzoekster om, in het kader van een betwisting van de bestreden handelingen, bewijzen aan te dragen ter weerlegging van het vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime, waarop de Raad zich heeft gebaseerd.
56 In dit verband is in de rechtspraak, zoals in punt 38 hierboven in herinnering is gebracht, geoordeeld dat aan een verzoekende partij geen buitensporig zware bewijslast mag worden opgelegd om het vermoeden te weerleggen dat zij een band heeft met het Syrische regime, aangezien de bewijslast wat de gegrondheid betreft van de redenen waarop de beperkende maatregelen zijn gebaseerd in beginsel op de Raad rust (zie in die zin arrest van 16 maart 2022, Sabra/Raad,T‑249/20, EU:T:2022:140, punten 132 en 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
57 De verzoekende partij moet dus worden geacht erin te zijn geslaagd het vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime – dat met name is ingesteld door de bepalingen waarbij het criterium van het behoren tot een familie is ingesteld – te weerleggen indien zij argumenten of gegevens aanvoert op basis waarvan de betrouwbaarheid van het door de Raad overgelegde bewijsmateriaal of de beoordeling daarvan ernstig in twijfel kan worden getrokken of indien zij aan de Unierechter een reeks concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen verstrekt dat zij geen of niet langer een band heeft met dat regime, daar geen invloed (meer) op uitoefent of geen echt risico van omzeiling van de beperkende maatregelen vormt, overeenkomstig artikel 27, lid 3, en artikel 28, lid 3, van besluit 2013/255, zoals gewijzigd bij besluit 2015/1836, en artikel 15, lid 1 ter, van verordening nr. 36/2012, zoals gewijzigd bij verordening 2015/1828 (zie arrest van 16 maart 2022, Sabra/Raad,T‑249/20, EU:T:2022:140, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Ter weerlegging van het vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime voert verzoekster aan dat zij haar jeugdjaren met haar moeder in Libanon heeft doorgebracht en dat zij nooit in Syrië heeft gewoond. Zij verduidelijkt in dit verband dat zij is geboren uit een huwelijk dat tussen de overledene en diens ex-echtgenote, Nawal Jazaeri, is gesloten en slechts enkele maanden heeft geduurd, en zij voegt daaraan toe dat zij haar vader pas op elfjarige leeftijd heeft ontmoet en vervolgens zeer weinig contact met hem heeft gehad. Ten slotte verklaart zij de Syrische nationaliteit te hebben, maar in 1990 met haar moeder naar de Verenigde Staten te zijn geëmigreerd, waar zij de Amerikaanse nationaliteit heeft verworven en een opleiding in het hoger onderwijs heeft gevolgd. Zij stelt dat zij in de Verenigde Staten woont met haar echtgenoot – die de Saoedische nationaliteit heeft en met wie zij in 1999 is gehuwd – en met hun twee kinderen, die eveneens de Amerikaanse nationaliteit hebben.
59 Ter ondersteuning van haar betoog heeft verzoekster de volgende bewijzen overgelegd: – een kopie van haar door de Amerikaanse autoriteiten afgegeven paspoort; – een kopie van haar diploma van het middelbaar onderwijs dat zij in 1984 in Libanon heeft behaald; – een kopie van twee diploma’s, waarvan het ene in 1992 is afgegeven door de University of Utah (universiteit van Utah, Verenigde Staten), en het andere in 2016 door George Mason University (universiteit van George Mason, Virginia, Verenigde Staten); – een kopie van de akte van haar huwelijk dat in 1999 in Fairfax, Virginia (Verenigde Staten) is gesloten met een staatsburger van Saudi-Arabië; – een kopie van de Amerikaanse paspoorten van haar twee minderjarige kinderen die respectievelijk in 2007 in Saudi-Arabië en in 2009 in de Verenigde Staten zijn geboren; – een kopie van de cijferlijsten van haar kinderen, die zijn opgesteld door onderwijsinstellingen in Fairfax; – een kopie van twee facturen inzake onroerendgoedbelasting voor het jaar 2017 en het jaar 2021 in verband met een woning in Fairfax; – een autoverzekering op naam van verzoekster en met hetzelfde adres in Fairfax; – een kopie van de afleesgegevens van de watermeter die op naam staat van verzoekster, over de periode van 8 augustus 2017 tot en met 3 november 2022, op hetzelfde adres in Fairfax; – het bericht van overlijden van haar vader.
60 Vooraf moet worden opgemerkt dat de door verzoekster aangevoerde bewijzen, waarvan er sommige afkomstig zijn van overheidsinstanties, administratieve autoriteiten en particuliere ondernemingen die in beginsel niet door verzoekster kunnen worden gemanipuleerd of beïnvloed, in tempore non suspecto zijn opgesteld, afgezien van het feit dat zij in het kader van de onderhavige procedure of de daaraan voorafgaande administratieve procedure zijn gebruikt.
61 Voorts wordt de stelling van verzoekster dat zij nooit in Syrië heeft gewoond, bevestigd door een kopie van haar paspoort, waaruit blijkt dat zij in Libanon is geboren, en door een diploma van het middelbaar onderwijs dat door een Libanese onderwijsinstelling is afgegeven.
62 De overige bewijzen tonen aan dat verzoekster al tientallen jaren in de Verenigde Staten woont, dat zij gehuwd is met een staatsburger van Saudi-Arabië en dat hun kinderen burgers van de Verenigde Staten zijn, waar zij naar school gaan.
63 Volgens de rechtspraak kan het enkele feit dat een persoon buiten Syrië woont, op zich niet volstaan om vast te stellen dat hij geen band met het Syrische regime heeft (arresten van 12 maart 2014, Al Assad/Raad,T‑202/12, EU:T:2014:113, punt 104, en 14 april 2021, Al‑Tarazi/Raad, T‑260/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:187, punt 149). De Raad, die de door verzoekster aangevoerde bewijzen niet betwist, is in casu van mening dat deze bewijzen het vermoeden dat zij een band heeft met het regime, zoals dat is ingesteld door het criterium van het behoren tot een familie, niet kunnen weerleggen.
64 In repliek heeft verzoekster evenwel het in het Arabisch gepubliceerde bericht van overlijden van haar vader (hierna: „bericht van overlijden”) overgelegd, waarvan zij naar eigen zeggen pas kennis heeft genomen nadat dit in de loop van een andere gerechtelijke procedure aan derden was meegedeeld. Zij verduidelijkt dat zij daar ten tijde van de instelling van het beroep niet over beschikte, aangezien zij volledig verwijderd van de Syrische context leefde en niet betrokken was bij de begrafenis van de overledene.
65 Deze verklaring wordt gesteund door het feit dat in het bericht van overlijden de namen van de vijf zonen en van de twee dochters van de overledene worden vermeld, maar niet de naam van verzoekster.
66 Voorts worden in het bericht van overlijden de namen van twee echtgenoten van de overledene vermeld, te weten Ghada Mhana en Hala Tarif Almaghout, zonder dat evenwel wordt verwezen naar verzoeksters moeder, Nawal Jazaeri. Dat deze naam is weggelaten is des te opvallender, daar in dat bericht andere familieleden van de overledene worden genoemd die vóór hem zijn overleden.
67 Het feit dat de naam van verzoeksters moeder in het bericht van overlijden niet is vermeld, kan dus verzoeksters stelling bevestigen dat de relatie tussen haar moeder en de overledene van korte duur was.
68 In dat verband moet worden opgemerkt dat verzoekster in 1967 is geboren, terwijl uit de litigieuze lijsten blijkt dat Rami Makhlouf, de oudste zoon van de overledene en van zijn tweede echtgenote, in 1969 is geboren, hetgeen eveneens een bevestiging is van het feit dat het huwelijk tussen de ouders van verzoekster van korte duur was.
69 Deze gegevens uit het bericht van overlijden kunnen meer in het algemeen verzoeksters stelling staven dat zij sinds haar jeugdjaren niet alleen van de Syrische context is verwijderd, maar ook van de familie van de overledene, voor wie zij een vreemde lijkt.
70 Deze conclusie dringt zich temeer op in het licht van de door verzoekster overgelegde bewijzen, waaruit blijkt dat het centrum van haar belangen zich sinds haar verhuizing in 1990 in de Verenigde Staten bevindt. Dit wordt bevestigd door twee diploma’s die zijn afgegeven door Amerikaanse universiteiten, het eerste diploma dat teruggaat tot 1992 en het tweede dat dateert van 2016.
71 Verzoekster heeft eveneens diverse facturen overgelegd die betrekking hebben op de plek waar zij woonachtig is in Fairfax.
72 In het licht van de overwegingen in punt 60 hierboven moet worden geoordeeld dat de door verzoekster overgelegde gegevens onderling overeenstemmend en geloofwaardig zijn en dat zij in hun geheel beschouwd rechtens genoegzaam haar stellingen met betrekking tot de afstand tot van de familie Makhlouf ondersteunen.
73 De door verzoekster verstrekte bewijzen vormen een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen dat zij geen of niet langer een band heeft met het Syrische regime, daar geen invloed (meer) op uitoefent of geen echt risico van omzeiling van de beperkende maatregelen vormt in de zin van de in punt 57 hierboven vermelde rechtspraak, zodat verzoekster moet worden geacht het uit het criterium van het behoren tot een familie voortvloeiende vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime met succes te hebben weerlegd.
74 In dit verband voert de Raad in de stukken enkel aan dat de bestreden handelingen niet alleen tot doel hadden te voorkomen dat de erfgenamen, waaronder verzoekster, de nalatenschap van de overledene verkrijgen – zoals blijkt uit overweging 3 van de oorspronkelijke handelingen – maar ook te voorkomen dat de vier zonen van de overledene, op wie de beperkende maatregelen reeds van toepassing waren, met verzoekster zouden overeenkomen om het hun toekomende erfdeel aan de bevriezing van tegoeden te onttrekken. Vervolgens heeft hij ter terechtzitting betoogd dat de fysieke verwijdering van verzoekster, te weten haar woonplaats in de Verenigde Staten, niet impliceert dat verzoekster afstand heeft genomen van het Syrische regime of van de rest van de familie Makhlouf.
75 Een dermate algemeen of zelfs hypothetisch betoog dat geenszins is onderbouwd, doet echter niet af aan de geloofwaardigheid van de door verzoekster aangevoerde aanwijzingen ter weerlegging van het vermoeden dat zij een band heeft met het Syrische regime.
76 Hieruit volgt dat de Raad niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om de gegrondheid van de bestreden handelingen aan te tonen nadat verzoekster die handelingen had betwist, door daarvoor bewijs over te leggen in de zin van de in de punten 38 tot en met 40 hierboven aangehaalde rechtspraak.
77 In die omstandigheden is er bij de vaststelling van de bestreden handelingen een beoordelingsfout gemaakt.
78 Gelet op een en ander moet het tweede middel worden aanvaard en moeten de bestreden handelingen bijgevolg nietig worden verklaard, zonder dat het eerste, het derde en het vierde middel behoeven te worden onderzocht.
2. Werking in de tijd van de nietigverklaring van de bestreden handelingen
79 Met betrekking tot het door de Raad in zijn verweerschrift subsidiair ingediende verzoek om de gevolgen van uitvoeringsbesluit 2022/242 te handhaven totdat de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2022/237 ten aanzien van verzoekster effect sorteert, zij eraan herinnerd dat de Raad bij dat besluit verzoeksters naam met ingang van 21 februari 2022 had geplaatst op de in bijlage I bij besluit 2013/255 opgenomen lijst van personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn. Na de vaststelling van besluit 2022/849 (zie punt 19 hierboven) was de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten verlengd tot en met 1 juni 2023.
80 Voorts heeft de Raad bij besluit 2023/1035 bijlage I bij besluit 2013/255 geactualiseerd, en verzoeksters naam daarin gehandhaafd tot en met 1 juni 2024 (zie punt 20 hierboven).
81 Bij besluit (GBVB) 2024/1510 van de Raad van 27 mei 2024 tot wijziging van besluit 2013/255 (PB L, 2024/1510) heeft de Raad de in bijlage I bij besluit 2013/255 opgenomen lijst van personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, geactualiseerd en daarin verzoeksters naam tot en met 1 juni 2025 gehandhaafd.
82 Ofschoon de nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2022/242 en besluit 2023/1035, voor zover zij verzoekster betreffen, de nietigverklaring inhoudt van de plaatsing van haar naam op de lijst in bijlage I bij besluit 2013/255 voor de periode van 21 februari 2022 tot en met 1 juni 2024, strekt die nietigverklaring zich daarentegen niet uit tot besluit 2024/1510, waartegen het onderhavige beroep niet is gericht.
83 Aangezien verzoekster tot op heden onderworpen is aan nieuwe beperkende maatregelen, is het in punt 80 hierboven in herinnering gebrachte subsidiaire verzoek van de Raad betreffende de gevolgen in de tijd van de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2022/242 dus zonder voorwerp geraakt.
C. Vordering tot schadevergoeding
84 Verzoekster voert aan dat de beoordelingsfout van de Raad in de bestreden handelingen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen. Zij voegt daaraan toe dat de bestreden handelingen haar reputatie ernstig schaden.
85 De Raad betwist verzoeksters argumenten en voert met name aan dat de bestreden handelingen niet onrechtmatig zijn en dat de schadevordering dus zonder meer moet worden afgewezen.
86 De Raad merkt tevens op dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangedragen aan de hand waarvan met de vereiste nauwkeurigheid kan worden bepaald wat de aard, het bestaan en de omvang is van de door haar aangevoerde immateriële schade. Hij betwijfelt bijgevolg of de schadevordering ontvankelijk is.
87 In dit verband zij eraan herinnerd dat de in artikel 340, tweede alinea, VWEU bedoelde niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor een onrechtmatige gedraging van haar organen afhankelijk is van een aantal voorwaarden, te weten de onrechtmatigheid van de aan de instellingen verweten gedraging, het daadwerkelijk bestaan van de schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het beweerde gedrag en de gestelde schade. Aangezien deze drie voorwaarden voor aansprakelijkstelling cumulatief zijn, volstaat het voor afwijzing van een schadevordering dat aan een van die voorwaarden niet is voldaan, zonder dat de overige voorwaarden hoeven te worden onderzocht (arrest van 22 juni 2022, Haswani/Raad, T‑479/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:383, punt 155).
88 Ter ondersteuning van haar vordering tot schadevergoeding beroept verzoekster zich in wezen op het feit dat de Raad, doordat hij niet beschikt over informatie of bewijzen waaruit de gegrondheid van de haar betreffende beperkende maatregelen blijkt, zich schuldig heeft gemaakt aan een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen in de zin van de rechtspraak die is gebaseerd op artikel 340, tweede alinea, VWEU.
89 Derhalve moet worden nagegaan of de in het kader van het tweede middel vastgestelde beoordelingsfout een onrechtmatigheid vormt die tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden.
90 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de vaststelling van de onrechtmatigheid van een rechtshandeling van de Unie niet volstaat – hoe betreurenswaardig deze vaststelling ook moge zijn – voor het oordeel dat de Unie automatisch niet-contractueel aansprakelijk is omdat een van haar instellingen onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens de rechtspraak is immers enkel aan die voorwaarde voldaan wanneer de verzoekende partij aantoont dat de betrokken instelling niet louter een onrechtmatigheid heeft begaan, maar een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die tot doel had om particulieren rechten toe te kennen (zie arrest van 7 juli 2021, HTTS/Raad, T‑692/15 RENV, EU:T:2021:410, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Volgens de rechtspraak houdt de Unierechter bij de beoordeling of een schending van een rechtsregel van de Unie voldoende gekwalificeerd is, met name rekening met de ingewikkeldheid van de te regelen situaties, de moeilijkheden bij de toepassing of de uitlegging van de teksten en, in het bijzonder, de beoordelingsmarge waarover de opsteller van de bestreden handeling beschikt (arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad,C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 42).
92 Alleen de vaststelling van een onregelmatigheid die een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid in vergelijkbare omstandigheden niet zou hebben begaan, kan dus leiden tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie (arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad,C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 43).
93 Het bewijs van een voldoende gekwalificeerde schending heeft tot doel, met name op het gebied van de beperkende maatregelen, te voorkomen dat de taak die de betrokken instelling in het algemeen belang van de Unie en haar lidstaten dient uit te voeren, wordt belemmerd door het risico dat die instelling uiteindelijk de schade dient te vergoeden die de door haar handelingen geraakte personen eventueel zouden kunnen lijden, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat de materiële of immateriële consequenties van schendingen die de betrokken instelling op flagrante en onverschoonbare wijze mocht hebben gepleegd, voor rekening van deze personen komen (zie arrest van 7 juli 2021, Bateni/Raad,T‑455/17, EU:T:2021:411, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Zoals in punt 15 hierboven is vermeld, beschikte de Raad in casu ten tijde van de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten over de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap van de overledene, waarin met name werd vermeld dat verzoekster tot de familie Makhlouf behoort. Verzoekster betwist noch de juistheid of de waarheidsgetrouwheid van de feitelijke informatie, noch de bewijskracht van deze beslissing. Dit document, dat afkomstig is van een Syrische rechter, vormt dus een toereikend bewijs dat de Raad in staat stelde om a priori de reden voor de plaatsing van verzoekster op de litigieuze lijsten te onderbouwen op basis van het criterium van het behoren tot een familie.
95 In dit verband zij eraan herinnerd dat het criterium van het behoren tot een familie een objectief, autonoom en toereikend plaatsingscriterium is, zodat de Raad niet hoefde aan te tonen dat er een band bestond tussen verzoekster, die lid is van de familie Makhlouf, en het Syrische regime (zie punt 52 hierboven).
96 Ten tijde van de vaststelling van de bestreden handelingen beschikte de Raad dus over voldoende bewijs om te concluderen dat was voldaan aan de voorwaarden voor het vermoeden dat verzoekster een band heeft met het Syrische regime, zodat haar argument dat de beoordelingsfout van de Raad in wezen een voldoende gekwalificeerde schending vormt van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen, niet kan slagen.
97 Een beoordelingsfout als middel dat wordt aangevoerd tot onderbouwing van een beroep tot nietigverklaring moet immers worden onderscheiden van een kennelijke en ernstige overschrijding van de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid, welke overschrijding in het kader van het beroep tot schadevergoeding wordt ingeroepen om vast te stellen dat er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt aan particulieren rechten toe te kennen (zie in die zin arrest van 7 juli 2021, Bateni/Raad,T‑455/17, EU:T:2021:411, punt 113).
98 In dit verband moet worden opgemerkt dat verzoekster geen specifieke argumenten aanvoert waaruit kan worden opgemaakt in welk opzicht het feit dat de Raad een beoordelingsfout heeft gemaakt, een voldoende gekwalificeerde schending oplevert van een rechtsregel die ertoe strekt particulieren rechten toe te kennen en die tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie kan leiden. Zij vermeldt enkel dat de Raad niet in staat is om de bewijzen te verstrekken aan de hand waarvan de gegrondheid van de bestreden handelingen kan worden aangetoond.
99 Het bestaan van een beoordelingsfout wettigt echter, anders dan verzoekster suggereert, niet automatisch de conclusie dat de Raad een voldoende gekwalificeerde schending heeft begaan van de materiële voorwaarden voor plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten.
100 Ondanks de onrechtmatigheid van de bestreden handelingen kan de Raad, gelet op de beslissing betreffende het openvallen van de nalatenschap, die is beoordeeld in het licht van het uit het criterium van het behoren tot een familie voortvloeiende vermoeden van het hebben van een band met het Syrische regime, dus niet worden geacht de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid kennelijk en ernstig te hebben overschreden, waardoor de Unie niet-contractueel aansprakelijk zou zijn.
101 In die omstandigheden kan, ook al heeft de Raad niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast om de gegrondheid van de bestreden handelingen in het kader van de betwisting ervan aan te tonen, niet worden geoordeeld dat deze beoordelingsfout zodanig flagrant en onverschoonbaar was, in de zin van de in de punten 95 en 96 hierboven aangehaalde rechtspraak, dat die in overeenkomstige omstandigheden door een normaal voorzichtige en zorgvuldige overheid niet zou zijn begaan.
102 Aangezien de voorwaarden voor aansprakelijkheidstelling van de Unie cumulatief zijn, moet de schadevordering worden afgewezen, zonder dat de andere in punt 89 hierboven genoemde voorwaarden of, a fortiori, de ontvankelijkheid van die vordering hoeven te worden onderzocht.
IV. Kosten
103 Op grond van artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT (Negende kamer – uitgebreid) rechtdoende, verklaart:
1) Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/242 van de Raad van 21 februari 2022 tot uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, en uitvoeringsverordening (EU) 2022/237 van de Raad van 21 februari 2022 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, worden nietig verklaard voor zover zij Shahla Makhlouf betreffen.
2) Besluit (GBVB) 2023/1035 van de Raad van 25 mei 2023 tot [wijziging] van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, en uitvoeringsverordening (EU) 2023/1027 van de Raad van 25 mei 2023 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, worden nietig verklaard voor zover zij Shahla Makhlouf betreffen.
3) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
4) De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.
Truchot Kanninen Frendo Sampol Pucurull Perišin Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 17 juli 2024. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.