Gerecht EU 21 juni 2023, T-748/21, ECLI:EU:T:2023:346

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

21 juni 2023 ( *1 )

„Dumping – Uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat is ingesteld op bepaald bladaluminium van oorsprong uit China tot de invoer van bepaald bladaluminium verzonden vanuit Thailand – Antiontwijkingsonderzoek – Ontwijking – Artikel 13 van verordening (EU) 2016/1036 – Voldoende bewijs – Kennelijke beoordelingsfout – Motiveringsplicht”

In zaak T‑748/21,

Hangzhou Dingsheng Industrial Group Co., Ltd, gevestigd te Hangzhou (China),

Dingheng New Materials Co., Ltd, gevestigd te Rayong (Thailand),

Thai Ding Li New Materials Co., Ltd, gevestigd te Rayong,

vertegenwoordigd door G. Coppo en G. Pregno, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková als gemachtigde,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, S. Gervasoni en I. Reine (rapporteur), rechters,

griffier: V. Di Bucci,

gezien de stukken,

gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

Conclusies van partijen

13 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – de bestreden verordening nietig te verklaren voor zover deze op hen betrekking heeft; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

14 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeksters te verwijzen in de kosten.

In rechte

[omissis]

Eerste middel: schending van de basisverordening door de opening van het antiontwijkingsonderzoek

Opmerkingen vooraf

[omissis]

29 Voorts bepaalt artikel 13, lid 3, derde alinea, van verordening (EU) 2016/1036 (hierna: „basisverordening”) dat „[d]e procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek […] op dit artikel van toepassing [zijn]”. Hieruit volgt dat artikel 5 van die verordening, met als opschrift „Inleiding van de procedure”, in casu van toepassing is.

30 Volgens artikel 5, lid 3, van de basisverordening onderzoekt de Commissie aldus, voor zover mogelijk, de juistheid en de toereikendheid van het in de klacht vermelde bewijsmateriaal teneinde vast te stellen of dit voldoende is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. Voorts kunnen bepaalde procedurele beperkingen voor de Commissie uit hoofde van die verordening zich ertegen verzetten dat zij de in de klacht verstrekte inlichtingen uitvoerig controleert en onderzoekt. Zo heeft de Commissie op grond van artikel 5, lid 9, van deze verordening slechts 45 dagen vanaf de datum van indiening van de klacht om te besluiten tot opening van het onderzoek. Deze termijn kan te kort blijken om alle inlichtingen in de klacht volledig te controleren en te onderzoeken. Een dergelijke controle- en onderzoeksplicht houdt tevens het gevaar in dat nog vóór de bekendmaking van het bericht van inleiding bekendheid wordt gegeven aan de klacht, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 5, lid 5, van die verordening (arresten van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T‑199/04 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2016:740, punten 96 en 97, en 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T‑67/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:481, punt 86).

31 Dienaangaande moet worden benadrukt dat de hoeveelheid en de kwaliteit van het bewijsmateriaal die vereist zijn om te voldoen aan het criterium ter bepaling of het bewijsmateriaal volstaat om een onderzoek te openen, verschillen van die welke vereist zijn om definitief vast te stellen of er sprake is van ontwijking. Derhalve kan bewijsmateriaal dat kwantitatief of kwalitatief ontoereikend is om een eindbeslissing over het bestaan van ontwijking te rechtvaardigen, niettemin toereikend zijn om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T‑67/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:481, punt 98). Artikel 5, lid 3, van de basisverordening verplicht de Commissie dus niet om alle beschikbare informatie te onderzoeken, hetgeen kenmerkend is voor een onderzoek volgens artikel 6 van de basisverordening (arrest van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T‑199/04 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2016:740, punt 106). De in de klacht verstrekte inlichtingen hoeven namelijk niet een onweerlegbaar bewijs van het bestaan van de gestelde feiten te vormen. De vraag of die inlichtingen toereikend zijn, hangt overigens af van de omstandigheden van elke zaak en moet derhalve per geval worden beoordeeld. De klacht hoeft evenmin een analyse van de inlichtingen te bevatten (arrest van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T‑199/04 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2016:740, punten 94 en 95). [omissis]

Geen voldoende bewijs van verandering in de structuur van het handelsverkeer

[omissis]

44 In herinnering dient te worden gebracht dat de definitie van „ontwijking” in artikel 13, lid 1, van de basisverordening is geformuleerd in zeer algemene bewoordingen, die aan de instellingen van de Unie veel speelruimte laten, aangezien er niets is bepaald over de aard en de vorm van „de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Unie” (arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 48, en 8 juni 2022, Guangxi Xin Fu Yuan/Commissie, T‑144/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:346, punt 145).

45 In casu blijkt in de eerste plaats uit de klacht dat in 2017 – het jaar waarin uitvoeringsverordening 2017/271 is vastgesteld, waarbij het definitieve antidumpingrecht is uitgebreid tot alle betrokken producten – de totale omvang van de uitvoer uit Thailand naar de Unie 375 ton bedroeg, terwijl in 201625 ton uit dit derde land werd uitgevoerd. Voorts is het volume van die uitvoer in 2018 gestegen tot 3417 ton, om in 2019 een totaal van 7240 ton te bereiken.

46 Verzoeksters trekken deze gegevens niet in twijfel. Zij betogen daarentegen dat die gegevens betrekking hebben op GN-codes 76071119 en 76071190 van de gecombineerde nomenclatuur die een breed scala aan producten bestrijken dat niet alleen de betrokken producten omvat.

47 Het is juist dat GN-codes 76071119 en 76071190 naast de betrokken producten ook andere producten omvatten, zoals aluminium converterfolie.

48 Verzoeksters erkennen echter, zonder evenwel nadere preciseringen te geven, dat GN-code 76071119 de meest representatieve productsoorten omvatte. Gelet op het feit dat het volume van de invoer van bladaluminium, met inbegrip van aluminiumfolie voor huishoudelijk gebruik en aluminium converterfolie, in drie jaar tijd aanzienlijk was toegenomen, aangezien dat volume sinds de uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht in 2017 289 keer hoger lag, heeft de Commissie voorts geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat er voldoende bewijs was van verandering in de structuur van het handelsverkeer, of althans van gevaar voor ontwijking met betrekking tot de betrokken producten.

49 Gelet op de toename van de invoer van bladaluminium uit Thailand was het namelijk waarschijnlijk dat het aandeel van de betrokken producten in dezelfde mate was toegenomen. Verzoeksters hebben niet betoogd dat die invoer nagenoeg uitsluitend betrekking had op andere producten dan de betrokken producten, zoals aluminium converterfolie. Voorts blijkt uit de in punt 34 hierboven aangehaalde rechtspraak dat de instelling van een antidumpingrecht kan worden gebaseerd op een gevaar voor ontwijking, voor zover dat gevaar is aangetoond en niet louter hypothetisch is. In het licht van de in punt 31 hierboven aangehaalde rechtspraak zijn deze beginselen a fortiori van toepassing wanneer een antiontwijkingsonderzoek wordt geopend. Gelet op het voorgaande kon de Commissie ervan uitgaan dat een dergelijk risico op zijn minst bestond op het moment van de opening van dat onderzoek.

50 In de tweede plaats bevat de klacht statistieken over de invoer in Thailand van de grondstoffen, te weten basisfolie en jumborollen, uit China die zouden worden gebruikt voor de productie van de betrokken producten in Thailand en die zouden bijdragen tot de uitvoer van de betrokken producten naar de Unie. Daaruit blijkt ten eerste dat tussen 2016 – het jaar waarin uitvoeringsverordening 2016/865 is vastgesteld, waarbij het antiontwijkingsonderzoek is geopend voor de betrokken producten die het voorwerp van registratie zijn – en 2019 de invoer van bladaluminium, die is ingedeeld onder GS-code 760711 van het geharmoniseerde systeem, jaarlijks is toegenomen met een percentage dat lag tussen 8 en 32 %. Ten tweede is tussen 2015 en 2018 de invoer van platen, bladen en strippen van aluminiumlegeringen, die zijn ingedeeld onder GS-code 760612, uit China naar Thailand gestegen met een percentage dat lag tussen 13 en 18 %, om vervolgens in 2019 met 22 % te dalen.

51 Die statistieken staven dat de uitvoer van de betrokken producten uit Thailand naar de Unie aanzienlijk is toegenomen. De Commissie kon immers op basis van die gegevens tot het oordeel komen dat de invoer uit China naar Thailand de productie van de betrokken producten in Thailand kon ondersteunen, zodat zij naar de Unie zouden worden uitgevoerd met ontwijking van het antidumpingrecht dat op de uitvoer van de betrokken producten uit China is ingesteld. Hoewel de GS-codes 760612 en 760711 inderdaad een groter aantal producten dan louter de betrokken producten omvatten, kan dat echter naar analogie met de in punt 48 hierboven uiteengezette overwegingen niet leiden tot het oordeel dat de Commissie bij de opening van het antiontwijkingsonderzoek blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout. Een dergelijke fout is des te minder aangetoond nu de in de klacht verstrekte inlichtingen volgens de in punt 31 hierboven aangehaalde rechtspraak geen onweerlegbaar bewijs van het bestaan van de gestelde feiten hoeven te vormen.

52 Overigens moet worden vastgesteld dat verzoeksters in het verzoekschrift niet opkomen tegen de vaststellingen van de Commissie met betrekking tot de assemblagewerkzaamheden en derhalve niet betwisten dat er grondstoffen vanuit China in Thailand zijn ingevoerd.

53 Verzoeksters hebben namelijk pas in de fase van de repliek betwistingen inzake het bestaan van assemblagewerkzaamheden opgeworpen.

54 Volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding echter niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.

55 Voorts is artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering volgens de rechtspraak ook van toepassing op grieven of argumenten die geen nadere uitwerking vormen van middelen of grieven die in het verzoekschrift zijn aangevoerd (zie in die zin arrest van 14 juli 2021, AQ/eu-LISA, T‑164/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:456, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56 Tot slot zij erop gewezen dat de vaststellingen van de Commissie in verband met de assemblagewerkzaamheden zijn opgenomen in overweging 9 van de openingsverordening en in de overwegingen 42 en 79 tot en met 82 van de bestreden verordening, die ook in de klacht zijn vermeld.

57 Bijgevolg waren verzoeksters volkomen in staat om die vaststellingen te betwisten in het verzoekschrift.

58 De door verzoeksters in repliek aangevoerde argumenten betreffende het bestaan van assemblagewerkzaamheden, die geen nadere uitwerking van de onderhavige grief in het verzoekschrift vormen, zijn derhalve niet-ontvankelijk op grond van artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering.

59 Hoe dan ook geven verzoeksters in repliek enkel aan dat zij in hun infrastructuur in Thailand basisfolie verwerkten tot bladaluminium. Er was dus geen sprake van „assemblage” van afzonderlijke onderdelen om een nieuw individueel product te maken. Zij onderbouwen hun stellingen echter geenszins.

60 Hieruit volgt dat verzoeksters de feiten in verband met de assemblage van de betrokken producten en bijgevolg ook die in verband met de invoer van grondstoffen uit China in Thailand niet naar behoren ter discussie hebben gesteld.

61 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat het vereiste dat de invoer uit het land waarvoor het antidumpingrecht geldt, wordt vervangen door invoer uit het land van ontwijking, niet is opgenomen in artikel 13, lid 1, van de basisverordening als noodzakelijke voorwaarde om te kunnen spreken van ontwijking (arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 47).

62 Verzoeksters kunnen zich dan ook niet met succes beroepen op de omstandigheid dat niet was aangetoond dat de uitvoer uit de Volksrepubliek China naar de Unie was vervangen door uitvoer uit Thailand naar de Unie.

63 Wat in de vierde plaats de beweerdelijk achterhaalde statistieken in de klacht betreft, moet om te beginnen in het licht van de overwegingen in punt 24 hierboven het argument van de Commissie worden afgewezen dat zij voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 meer gedetailleerde gegevens heeft verzameld, aangezien zij dit niet heeft aangetoond.

64 Uit de in de klacht opgenomen gegevens blijkt echter dat de Commissie zich heeft gebaseerd op een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen om vast te stellen dat er sprake is van ontwijking en dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Thailand en de Unie samenviel met de opening van het antiontwijkingsonderzoek in 2016 en de uitbreiding van het antidumpingrecht tot de betrokken producten uit China in 2017. Het samenvallen van beide gebeurtenissen vormt een belangrijke aanwijzing voor een logisch en redelijk verband tussen de aanzienlijke stijging van de invoer in de Unie uit Thailand en het voorgaande antiontwijkingsonderzoek (zie arrest van 8 juni 2022, Guangxi Xin Fu Yuan/Commissie, T‑144/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:346, punt 159 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65 Voorts volgt uit de klacht dat de gegevens waarover de Commissie ten tijde van de opening van het antiontwijkingsonderzoek beschikte, erop leken te wijzen dat in Thailand veel assemblage van het betrokken product plaatsvond (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 53).

66 Derhalve kon de Commissie zich voor de opening van het antiontwijkingsonderzoek louter op de gegevens in de klacht baseren.

67 Ook al heeft de Commissie niet aangetoond dat zij meer gedetailleerde gegevens over de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 heeft verzameld, zoals in punt 63 hierboven is geconcludeerd, zij was daartoe overeenkomstig de in punt 22 hierboven aangehaalde beginselen in die omstandigheden niet verplicht, aangezien de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte, zonder dat dergelijke meer gedetailleerde gegevens hoefden te worden verzameld.

68 Voorts zij erop gewezen dat een verzoekende partij in het kader van een betwisting van de beoordeling door de Commissie niet louter haar opvatting inzake de verschillende economische factoren mag aangeven, maar dient te verduidelijken waarom de Commissie op basis van deze factoren met betrekking tot het bestaan van ontwijking tot een andere conclusie had moeten komen (zie naar analogie arrest van 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T‑67/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:481, punt 54). Dit geldt des te meer in het stadium van de opening van een onderzoek, die overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de basisverordening kan worden gerechtvaardigd zodra er een gevaar voor ontwijking bestaat.

69 In casu hebben verzoeksters de feitelijke vaststellingen of de cijfers in de klacht, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, niet betwist. Voorts hebben zij enkel aangegeven dat de uitvoerstatistieken achterhaald waren. Zij hebben echter niet het minste bewijs aangedragen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door gebruik te maken van statistieken die de periode 2015‑2019 bestrijken. Zij hebben evenmin recentere statistieken verstrekt om hun stellingen te staven, hoewel zij betogen dat deze door de klager gemakkelijk konden worden verkregen.

70 Bovendien tonen de recentere gegevens in de in de overwegingen 44 en 48 van de bestreden verordening weergegeven tabellen 1 en 2 van het algemene informatiedocument van 24 juni 2021 aan dat tijdens de referentieperiode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 zowel de uitvoer van jumborollen uit Thailand naar de Unie als de uitvoer van grondstoffen uit China naar Thailand is toegenomen. Verzoeksters hadden dus in geen geval steun kunnen vinden in deze recentere statistieken.

71 Gelet op een en ander moet de onderhavige grief worden afgewezen.

Geen bewijs voor ondermijning van de corrigerende werking van de rechten van oorsprong

[omissis]

74 Vastgesteld moet worden dat artikel 13, lid 1, van de basisverordening voor de vaststelling van ontwijking verwijst naar de handhaving van de corrigerende werking van het antidumpingrecht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product. Uit dit criterium volgt dat het volstaat dat die corrigerende werking wordt vastgesteld op basis van ofwel de prijzen van het soortgelijke product, ofwel de hoeveelheden van dat product.

75 In het onderhavige geval blijkt uit de klacht dat de stellingen met betrekking tot ondermijning van de corrigerende werking van de rechten van oorsprong niet alleen berusten op een argument in verband met de prijzen van het soortgelijke product, maar ook op factoren in verband met de hoeveelheden van het soortgelijke product die uit Thailand in de Unie worden ingevoerd.

76 Verzoeksters erkennen in repliek dat zij geen specifieke argumenten hebben aangevoerd over ondermijning van de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen ter zake van de hoeveelheden van het soortgelijke product. Zij rechtvaardigen dit verzuim echter op grond dat dit het logische uitvloeisel is van hun argumenten met betrekking tot de onjuiste en achterhaalde statistieken die in de klacht zijn verstrekt.

77 In dit verband moet dit argument in het licht van de overwegingen in de punten 54 en 55 hierboven als tardief worden afgewezen, aangezien uit de klacht en overweging 10 van de openingsverordening blijkt dat het antiontwijkingsonderzoek met name is geopend omdat de corrigerende werking van de bestaande antidumpingmaatregelen ook ten aanzien van de hoeveelheden werd ondermijnd. Verzoeksters waren dus in staat daarover argumenten aan te voeren in het stadium van het verzoekschrift.

78 Voorts moet elk verzoekschrift krachtens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Uit de rechtspraak blijkt dat het verzoekschrift duidelijk moet laten uitkomen op welk middel het beroep is gebaseerd. Zo moeten de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst van het verzoekschrift mag in repliek weliswaar worden gestaafd en aangevuld, maar dat kan het ontbreken van wezenlijke elementen van het betoog rechtens, die volgens bovengenoemde bepaling in het verzoekschrift moet worden vermeld, niet verhelpen. Het verzoekschrift moet namelijk duidelijk laten uitkomen op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de louter abstracte vermelding van dit middel niet volstaat om te voldoen aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering. Om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te garanderen, moet de summiere uiteenzetting van de middelen van de verzoekende partij namelijk zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en de bevoegde rechter uitspraak kan doen op het beroep. Het is dus niet de taak van het Gerecht om de middelen te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen (zie in die zin arresten van 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T‑352/94, EU:T:1998:103, punt 333, en 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T‑199/04 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2016:740, punt 110).

79 Verzoeksters kunnen zich bijgevolg niet beroepen op een logisch uitvloeisel dat niet duidelijk uit het verzoekschrift blijkt.

80 De argumenten met betrekking tot de ondermijning van de corrigerende werking van de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de hoeveelheden, die door verzoeksters voor het eerst in repliek zijn aangevoerd terwijl zij in het verzoekschrift hadden kunnen worden aangevoerd, en die geen nadere uitwerking vormen van de onderhavige grief in het verzoekschrift, moeten derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

81 Hieruit volgt dat de onderhavige grief enkel steunt op een argument betreffende de prijzen van het soortgelijke product, terwijl het de Commissie volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening is toegestaan uitsluitend te refereren aan de ondermijning van de corrigerende werking ten aanzien van de hoeveelheden van het soortgelijke product, zonder dat zij ook hoefde te refereren aan de prijzen van dat product.

82 Aangezien de bewoordingen van de onderhavige grief uitsluitend betrekking hebben op de prijzen van het soortgelijke product, moet deze grief dus als niet ter zake dienend worden afgewezen.

Geen bewijs voor het bestaan van dumping

[omissis]

85 In het licht van de conclusie in punt 24 hierboven moet bij het onderzoek van de onderhavige grief alleen rekening worden gehouden met het bewijs en de inlichtingen die in de klacht zijn opgenomen.

86 Daarbij moet worden aangetekend dat uit de in punt 28 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening het bestaan van ontwijking van antidumpingmaatregelen met name is aangetoond wanneer wordt bewezen dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarde.

87 Wat de vaststelling van de normale waarde betreft, blijkt uit de klacht dat het bewijs van het bestaan van dumping berustte op de gegevens die in het kader van uitvoeringsverordening 2015/2384 zijn gebruikt in verband met het vervallen van de maatregelen.

88 Hieruit volgt dat in de klacht rekening is gehouden met de eerder vastgestelde normale waarde.

89 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak de basisverordening niet voorschrijft dat wanneer het betrokken product meerdere productsoorten omvat, zoals in casu, in de klacht over al die productsoorten informatie wordt verstrekt. Uit artikel 13, leden 1 en 3, van die verordening volgt veeleer dat het bewijsmateriaal voor dumping van het product in zijn geheel toereikend moet zijn, opdat de Commissie tot de slotsom kan komen dat er voldoende bewijsmateriaal is om de opening van het onderzoek te rechtvaardigen. In deze context zou bewijsmateriaal voor dumping van een onbeduidende subcategorie van het ingevoerde product dus ontoereikend zijn (zie in die zin arrest van 15 december 2016, Gul Ahmed Textile Mills/Raad, T‑199/04 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2016:740, punt 100).

90 Verzoeksters hebben echter niet betoogd dat het in uitvoeringsverordening 2015/2384 bedoelde product – namelijk bladaluminium met een dikte van niet minder dan 0,008 mm en niet meer dan 0,018 mm, niet op een drager, enkel gewalst, op rollen met een breedte van niet meer dan 650 mm, met een gewicht van meer dan 10 kg – een onbeduidende subcategorie van de betrokken producten vormt.

91 Voorts moet ook worden nagegaan of de vastgestelde normale waarde in de klacht overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening betrekking had op soortgelijke producten – namelijk de betrokken producten – als het in uitvoeringsverordening 2015/2384 bedoelde product.

92 Artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening bepaalt dat „[d]e overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt”.

93 In het licht van artikel 13, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening moeten de in punt 7 hierboven genoemde producten, waartoe het oorspronkelijke antidumpingrecht bij uitvoeringsverordening 2017/271 is uitgebreid, worden beschouwd als soortgelijk aan het in uitvoeringsverordening 2015/2384 bedoelde product.

94 Tevens zij eraan herinnerd dat de vaststelling van het soortgelijke product behoort tot de ruime beoordelingsbevoegdheid van de instellingen en dus aan een beperkte toetsing is onderworpen (zie arrest van 11 juli 2013, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, niet gepubliceerd, EU:T:2013:369, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95 Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de eerder vastgestelde normale waarde in de klacht alleen in aanmerking is genomen voor het in uitvoeringsverordening 2015/2384 bedoelde product, in overeenstemming is met artikel 13 van de basisverordening.

96 De Commissie kon zich dan ook baseren op de in de klacht opgenomen gegevens over de eerder vastgestelde normale waarde in uitvoeringsverordening 2015/2384, zonder dat zij hierdoor een kennelijke beoordelingsfout maakte.

97 Blijkens de klacht is de uitvoerprijs vastgesteld aan de hand van de producten die onder GN-code 76071119 vallen.

98 Het is juist dat de producten die onder GN-code 76071119 vallen, zoals verzoeksters betogen, een breed scala aan producten bestrijken dat niet alleen de betrokken producten omvat.

99 Verzoeksters erkennen evenwel zelf dat GN-code 76071119 betrekking had op de meest representatieve productsoorten.

100 Zoals in de punten 30 en 89 hierboven in herinnering is gebracht, moet de Commissie overeenkomstig artikel 5, lid 3, van de basisverordening, dat krachtens artikel 13, lid 3, derde alinea, van die verordening in casu van toepassing is, in ieder geval vaststellen of het bewijsmateriaal in zijn geheel beschouwd voldoende is om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. Gelet op de overwegingen in het onderhavige middel kon de Commissie, zonder een kennelijke beoordelingsfout te maken, tot de slotsom komen dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte en zich voor haar besluit tot opening van het antidumpingonderzoek baseren op een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen (zie in die zin arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 52). In dit verband zij eraan herinnerd dat het overeenkomstig artikel 13, lid 3, van de basisverordening toe te passen juridische criterium volgens de in punt 32 hierboven aangehaalde rechtspraak als zodanig niet de juistheid en de geschiktheid van het bewijsmateriaal is, maar de toereikendheid ervan.

101 Bovendien is volgens de in punt 44 hierboven aangehaalde rechtspraak de definitie van het begrip „ontwijking” in artikel 13, lid 1, van de basisverordening in zeer algemene bewoordingen geformuleerd, die aan de instellingen van de Unie veel speelruimte laten. Dit beginsel geldt des te meer bij de opening van een antiontwijkingsonderzoek als bedoeld in artikel 5, lid 3, van die verordening.

102 Voorts kon de Commissie, zoals in de punten 31, 34 en 49 hierboven is uiteengezet, zich baseren op een gevaar voor ontwijking, zonder dat wordt vereist dat de in de klacht verstrekte inlichtingen een onweerlegbaar bewijs van het bestaan van de gestelde feiten vormen. Een antidumpingonderzoek is namelijk een proces waarbij de administratie naarmate het onderzoek vordert geleidelijk zekerheid verkrijgt over het bestaan van alle elementen die nodig zijn om een maatregel vast te stellen [zie in die zin, in het kader van de WTO, het panelverslag met als opschrift „Mexico – Antidumpingrechten op stalen pijpen en buizen uit Guatemala”, aangenomen op 8 juni 2007 (WT/DS331/R, punt 7.22)].

103 Bijgevolg moet de onderhavige grief, en dus het onderhavige middel in zijn geheel, worden afgewezen. [omissis]

HET GERECHT (Vierde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Hangzhou Dingsheng Industrial Group Co., Ltd, Dingheng New Materials Co., Ltd en Thai Ding Li New Materials Co., Ltd worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

da Silva Passos Gervasoni Reine Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 juni 2023. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in