Gerecht EU 14 mei 1998, T-352/94, ECLI:EU:T:1998:103

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte

(EG-Verdrag, art. 190)

2 Mededinging - Administratieve procedure - Mededeling van punten van bezwaar - Noodzakelijke inhoud - Niet-onthulling van bepaalde gegevens aan ondernemingen - Eindbeschikking van Commissie gedeeltelijk op deze gegevens gebaseerd - Schending van recht van verweer - Geldigheid van gehele eindbeschikking - Onderzoek van gegrondheid van beschikking door Gerecht - Inaanmerkingneming van betrokken gegevens - Uitgesloten

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 4)

3 Mededinging - Administratieve procedure - Beschikking van Commissie, waarbij inbreuk wordt vastgesteld - Inbreuk gepleegd door dochteronderneming van groep van ondernemingen - Beschikking gericht tot moedermaatschappij - Door moedermaatschappij aangevoerd middel dat beschikking niet tot juiste onderneming is gericht - Ontvankelijkheid - Geen invloed van aspect van de geldboete

(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea)

4 Mededinging - Mededingingsregelingen - Onderneming - Begrip - Economische eenheid - Toerekening van inbreuken

(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

5 Mededinging - Mededingingsregelingen - Instemming met oprichting en deelneming aan vergaderingen van orgaan waarvan mededingingsverstorend doel bij oprichting bekend was en door ondernemingen werd aanvaard - Omstandigheid waaruit kan worden geconcludeerd tot deelneming aan daaropvolgende mededingingsregeling

(EG-Verdrag, art. 85, lid 1)

6 Mededinging - Administratieve procedure - Beëindiging van inbreuken - Aan ondernemingen opgelegde verplichtingen - Evenredigheid - Criteria

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)

7 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen geldboete wordt opgelegd wegens inbreuk op mededingingsregels

(EG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

8 Procedure - Inleidend verzoekschrift - Vormvereisten - Summiere uiteenzetting van aangevoerde middelen - Vergelijkbare vereisten voor tot staving van middelen aangevoerde argumenten

(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 44, lid 1)

9 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte en duur van inbreuken - Beoordelingsfactoren - Mogelijkheid om niveau van geldboeten te verhogen ter versterking van preventieve werking

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

10 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Houding van onderneming tijdens administratieve procedure - Onwettigheid van verlagingen van geldboete voor ondernemingen die door Commissie gestelde feiten niet uitdrukkelijk hebben erkend - Onmogelijkheid voor onderneming om zich op beginsel van gelijke behandeling te beroepen om onwettige verlaging te verkrijgen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

11 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Zwaarte van inbreuken - Verzachtende omstandigheden - Uitvoering van doeltreffend conformeringsprogramma om aan communautaire mededingingsregels te voldoen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

12 Mededinging - Geldboeten - Bedrag - Vaststelling - Criteria - Gedrag van onderneming in verleden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

Samenvatting

13 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.

Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen.

14 In de mededeling van de punten van bezwaar moeten deze punten van bezwaar, hoe bondig ook, in bewoordingen worden gesteld die voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten, welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Enkel dan immers kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich te verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft.

Wanneer bepaalde gegevens niet in de tekst van de mededeling van de punten van bezwaar of in de bijlagen daarbij zijn uiteengezet en de betrokken onderneming haar opmerkingen ten aanzien van de betrokken feiten dus niet behoorlijk kenbaar heeft kunnen maken, mag de Commissie haar beschikking niet op deze gegevens baseren. Deze schending van het recht van verweer van de betrokken onderneming kan op zichzelf evenwel niet de gehele beschikking ongeldig maken, wanneer zij niet enkel op de betrokken gegevens is gebaseerd. Bij het onderzoek van de gegrondheid van de beschikking dient het Gerecht deze feitelijke gegevens buiten beschouwing te laten.

15 Een onderneming ten aanzien waarvan in het dispositief van een beschikking van de Commissie wordt gesteld dat zij aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft deelgenomen, heeft uit dien hoofde een gewettigd belang om deze vaststelling te betwisten, onafhankelijk van het aspect van de geldboete, omdat deze vaststelling op zijn minst haar reputatie kan schaden. Bijgevolg moet zij worden ontvangen in het middel dat de beschikking tot een later door haar overgenomen vennootschap van de groep had moeten worden gericht, zelfs indien zij erkent dat zij voor deze vennootschap zal instaan indien haar uiteindelijk een geldboete wordt opgelegd.

16 Door ondernemingen onder meer te verbieden, overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, richt artikel 85, lid 1, van het Verdrag zich tot economische eenheden die bestaan in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, welke op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en ertoe kan bijdragen dat een in die bepaling bedoelde inbreuk wordt gepleegd.

Wanneer meerdere ondernemingen van een groep aan een inbreuk hebben deelgenomen en de groep één enkele, zelfde onderneming vormt, mag de Commissie de beschikking houdende vaststelling van een inbreuk tot de groep zelf, vertegenwoordigd door de moedermaatschappij, richten.

17 Het feit dat een onderneming heeft ingestemd met de oprichting en de deelneming aan de vergaderingen van een orgaan waarvan het mededingingsverstorende doel, onder meer bestaande in besprekingen over toekomstige prijsverhogingen, bij zijn oprichting bekend was en werd aanvaard door de ondernemingen, is derhalve voldoende reden om deze onderneming aansprakelijk te achten voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.

18 De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten, zekere activiteiten, praktijken of toestanden te continueren, waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, doch ook het verbod van gelijkaardige gedragingen in de toekomst. Voor zover de toepassing van deze bepaling moet zijn afgestemd op de vastgestelde inbreuk, is de Commissie bevoegd te preciseren, aan welke verplichtingen de betrokken ondernemingen moeten voldoen om een einde aan deze inbreuk te maken. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken, namelijk het herstel van een rechtsconforme toestand.

Een verbod dat de uitwisseling van zuiver statistische informatie dient te beletten, die niet als individuele of individualiseerbare informatie kan worden aangemerkt, voldoet niet aan de voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 gestelde voorwaarden, wanneer uit de beschikking niet blijkt, dat de Commissie de uitwisseling van statistische gegevens op zichzelf als een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd, en aangezien het enkele feit dat een systeem van uitwisseling van statistische informatie met een mededingingsverstorend oogmerk kan worden gebruikt, het nog niet in strijd met deze bepaling maakt, omdat in dergelijke omstandigheden de mededingingsverstorende gevolgen daarvan in het concrete geval moeten worden vastgesteld.

19 De verplichting tot motivering van een individuele beschikking heeft tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld.

Bij een beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen een geldboete wordt opgelegd wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, moet de omvang van de motiveringsplicht in het bijzonder worden bepaald met inachtneming van het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

Bovendien beschikt de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een beoordelingsmarge en kan zij niet verplicht worden geacht om daartoe een precieze mathematische formule toe te passen.

Verder is de preventieve werking van haar optreden inherent aan de uitoefening van haar bevoegdheid om geldboeten op te leggen, zodat de Commissie niet verplicht is deze doelstelling specifiek in de beschikking te vermelden.

Ten slotte moet de motivering van de beschikking in de beschikking zelf voorkomen en kunnen latere verklaringen van de Commissie, behoudens bijzondere omstandigheden, niet in aanmerking worden genomen.

Wanneer de Commissie in een beschikking een inbreuk op de mededingingsregels vaststelt en de ondernemingen die daaraan hebben deelgenomen een geldboete oplegt, moet zij derhalve, indien zij bepaalde basisfactoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten stelselmatig in aanmerking heeft genomen, deze factoren in de beschikking zelf vermelden, om de adressaten daarvan in staat te stellen, de juistheid van het niveau van de geldboete te verifiëren en na te gaan of er eventueel sprake is van discriminatie.

20 Volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen inhouden. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn opdat de verweerder zijn verdediging kan voorbereiden en het Gerecht eventueel zonder andere ondersteunende informatie op het beroep uitspraak kan doen. Het beroepschrift moet bijgevolg duidelijk laten uitkomen, op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de blote vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet. Vergelijkbare vereisten gelden wanneer een argument tot staving van een middel wordt aangevoerd.

21 Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels moet rekening worden gehouden met de zwaarte en de duur van de inbreuk. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld met inachtneming van een groot aantal factoren, zoals onder meer de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de preventieve werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld.

Bij haar beoordeling van het algemene niveau van de geldboeten mag de Commissie rekening houden met het feit dat nog steeds betrekkelijk vaak evidente inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden gemaakt en mag zij derhalve het niveau van de geldboeten verhogen om de preventieve werking ervan te versterken. Bijgevolg behoeft het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten van inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, haar niet te verhinderen, dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk blijkt om de uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid te verzekeren.

Verder kan de Commissie bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk rekening houden met de pogingen die door de betrokken ondernemingen in het werk zijn gesteld om het bestaan van de heimelijke verstandhouding te verhelen.

Ten slotte kan de Commissie bij de vaststelling van het algemene niveau van de geldboeten in het bijzonder rekening houden met de lange duur en het evidente karakter van een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die is gepleegd in weerwil van de waarschuwing die had moeten uitgaan van de vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie.

22 Bij de vaststelling van het bedrag van de voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete is een verlaging van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.

Een onderneming die uitdrukkelijk verklaart, dat zij de gestelde feiten waarop de Commissie haar punten van bezwaar baseert, niet ontkent, kan als een onderneming worden beschouwd die heeft bijgedragen tot een verlichting van de taak van de Commissie, bestaande in het vaststellen en het bestraffen van inbreuken op de communautaire mededingingsregels. In haar beschikkingen houdende vaststelling van een inbreuk op deze regels, mag de Commissie een dergelijk gedrag als een erkenning en dus als een bewijs van de juistheid van de gestelde feiten beschouwen. Een dergelijk gedrag kan derhalve een verlaging van de geldboete rechtvaardigen.

Dit is niet het geval wanneer een onderneming in haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar de kern van de daarin door de Commissie gestelde feiten ontkent, geen enkel antwoord geeft of enkel verklaart geen standpunt in te nemen met betrekking tot de door de Commissie gestelde feiten. Door een dergelijke houding tijdens de administratieve procedure draagt de onderneming namelijk niet bij tot een verlichting van de taak van de Commissie.

Aangezien een verlaging van de geldboete slechts als rechtmatig kan worden beschouwd, wanneer de betrokken onderneming uitdrukkelijk heeft verklaard, dat zij de gestelde feiten niet ontkent, kan een onderneming die zulks niet heeft gedaan, geen aanspraak op een verlaging wegens medewerking tijdens de administratieve procedure maken, omdat zelfs indien de Commissie een onrechtmatig criterium heeft toegepast door de geldboeten te verlagen die zijn opgelegd aan ondernemingen die evenmin een dergelijke uitdrukkelijke verklaring hadden afgelegd, de eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling te verenigen moet zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren.

23 Wat de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete betreft, toont de uitvoering van een conformeringsprogramma om aan deze regels te voldoen weliswaar aan, dat de betrokken onderneming in de toekomst inbreuken wil voorkomen, hetgeen dan ook een factor is die de Commissie in staat stelt om haar taak - in het bijzonder de door het Verdrag vastgestelde beginselen op het gebied van de mededinging toepassen en de ondernemingen zodanig sturen dat zij deze beginselen naleven - beter te vervullen, doch het enkele feit dat de Commissie in bepaalde gevallen in haar vroegere beschikkingspraktijk de toepassing van een conformeringsprogramma als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, betekent niet, dat zij verplicht is om in een bepaald geval op dezelfde wijze te handelen.

24 Bij de vaststelling van het bedrag van de wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels op te leggen geldboete, kan het feit dat de Commissie in het verleden reeds heeft vastgesteld dat een onderneming inbreuk op de mededingingsregels had gemaakt en eventueel uit dien hoofde een geldboete heeft opgelegd, tegen die onderneming als een verzwarende omstandigheid in aanmerking worden genomen. Daarentegen is de afwezigheid van een eerdere inbreuk een normale omstandigheid, die de Commissie niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking behoeft te nemen.

Partijen

In zaak T-352/94,

Mo och Domsjö AB, vennootschap naar Zweeds recht, gevestigd te Örnsköldsvik (Zweden), vertegenwoordigd door A. Woodgate, M. Smith en V. Smith, Solicitors te Londen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Medernach, advocaten aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Lyal, lid van haar juridische dienst, en R. Caudwell, bij de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Derde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, president, C. P. Briët, P. Lindh, A. Potocki en J. D. Cooke, rechters,

griffier: J. Palacio González, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 juni 1997-8 juli 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

De feiten

1 De onderhavige zaak heeft betrekking op beschikking 94/601/EG van de Commissie van 13 juli 1994 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/C/33.833 - Karton) (PB L 243, blz. 1), zoals gerectificeerd bij beschikking van de Commissie van 26 juli 1994 [C(94) 2135 def.] (hierna: "beschikking"). Bij de beschikking is aan negentien producenten die in de Gemeenschap karton leveren, een geldboete opgelegd wegens inbreuken op artikel 85, lid 1, EG-Verdrag.

2 De beschikking heeft betrekking op het product karton. Drie typen karton, die worden aangeduid als karton van de kwaliteiten "GC", "GD" en "SBS", worden in de beschikking vermeld.

3 Karton van de kwaliteit GD (hierna: "GD-karton") is karton dat van binnen grijs is (gerecycleerd papier) en gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van andere dan levensmiddelen.

4 Karton van de kwaliteit GC (hierna: "GC-karton") is karton met een witte buitenlaag, dat gewoonlijk wordt gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. GC-karton is van betere kwaliteit dan GD-karton. In de door de beschikking bestreken periode bestond tussen deze beide producten in het algemeen een prijsverschil van ongeveer 30 %. In geringere omvang wordt GC-karton van hoge kwaliteit ook gebruikt voor grafische doeleinden.

5 De afkorting SBS wordt gebruikt voor geheel wit karton (hierna: "SBS-karton"). De prijs van dit product is ongeveer 20 % hoger dan die van GC-karton. Het wordt gebruikt voor de verpakking van levensmiddelen, cosmetische producten, farmaceutische producten en sigaretten, doch voornamelijk voor grafische doeleinden.

6 Bij schrijven van 22 november 1990 diende de British Printing Industries Federation, een branchevereniging die de meerderheid van de kartonbedrukkers in het Verenigd Koninkrijk vertegenwoordigt (hierna: "BPIF"), bij de Commissie een informele klacht in. Daarin stelde zij, dat de kartonproducenten die in het Verenigd Koninkrijk leverden, een reeks gelijktijdige en uniforme prijsstijgingen hadden doorgevoerd, en verzocht zij de Commissie, te onderzoeken of eventueel inbreuk werd gemaakt op de communautaire mededingingsregels. Om ervoor te zorgen dat haar initiatief publiciteit kreeg, bracht de BPIF een perscommuniqué uit. Over de inhoud van dit communiqué is in de gespecialiseerde vakpers bericht in een nieuwsbrief van december 1990.

7 Op 12 december 1990 diende ook de Fédération française du cartonnage bij de Commissie een informele klacht in, waarin in soortgelijke bewoordingen als in de klacht van de BPIF beschuldigingen werden geuit betreffende de Franse kartonmarkt.

8 Op 23 en 24 april 1991 voerden ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 13, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17"), tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij verscheidene ondernemingen en brancheverenigingen in de bedrijfstak karton.

9 Na die verificaties zond de Commissie uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 verzoeken om inlichtingen en om overlegging van documenten aan alle producenten tot wie de beschikking is gericht.

10 Op basis van het in het kader van die verificaties en die verzoeken om inlichtingen en documenten verkregen materiaal kwam de Commissie tot de conclusie, dat de betrokken ondernemingen vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991 (in het merendeel der gevallen) hadden deelgenomen aan een inbreuk in de zin van artikel 85 van het Verdrag.

11 Zij besloot derhalve, een procedure krachtens dit laatste artikel in te leiden en deed elk van de betrokken ondernemingen bij brief van 21 december 1992 een mededeling van de punten van bezwaar toekomen. Alle geadresseerden gaven schriftelijk antwoord en negen ondernemingen verzochten mondeling te worden gehoord. Van 7 tot en met 9 juni 1993 werd een hoorzitting gehouden, tijdens welke deze laatsten werden gehoord.

12 Aan het einde van die procedure stelde de Commissie de beschikking vast, die de navolgende bepalingen bevat:

"Artikel 1

Buchmann GmbH, Cascades SA, Enso-Gutzeit Oy, Europa Carton AG, Finnboard-the Finnish Board Mills Association, Fiskeby Board AB, Gruber & Weber GmbH & Co KG, Kartonfabriek $De Eendracht' NV (handelende onder de naam $BPB de Eendracht'), NV Koninklijke KNP BT NV (voorheen Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken NV), Laakmann Karton GmbH & Co KG, Mo Och Domsjö AB (MoDo), Mayr-Melnhof Gesellschaft mbH, Papeteries de Lancey SA, Rena Kartonfabrik A/S, Sarrió SpA, SCA Holding Ltd [voorheen Reed Paper & Board (UK) Ltd], Stora Kopparbergs Bergslags AB, Tampella Española SA en Moritz J. Weig GmbH & Co KG hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EG-Verdrag door hun deelname,

- in het geval van Buchmann en Rena, vanaf ongeveer maart 1988 tot ten minste eind 1990;

- in het geval van Enso Española, minstens van maart 1988 tot ten minste eind april 1991;

- in het geval van Gruber & Weber, vanaf ten minste 1988 tot eind 1990;

- in de andere gevallen, vanaf medio 1986 tot ten minste april 1991,

aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging die van medio [1986] stammen en waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap:

- regelmatig in een reeks geheime en geïnstitutionaliseerde vergaderingen bijeenkwamen met het oog op het bespreken van en het bereiken van overeenstemming over een gemeenschappelijk beleid in de bedrijfstak ter beperking van de mededinging;

- voor elke productkwaliteit in elke nationale valuta regelmatige prijsverhogingen overeenkwamen;

- gelijktijdige en uniforme prijsverhogingen in de gehele Gemeenschap planden en ten uitvoer legden;

- een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd;

- in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen;

- ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen, commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden.

(...)

Artikel 3

De hierna vermelde ondernemingen worden met betrekking tot de in artikel 1 vastgestelde inbreuk de volgende geldboeten opgelegd:

(...)

xii) Mo Och Domsjö AB, een geldboete van 22 750 000 ECU;

(...)"

13 Volgens de beschikking vond de inbreuk plaats in het kader van een organisatie met de naam "Product Group Paperboard" (hierna: "PG Paperboard"), die bestond uit verscheidene groepen of comités.

14 In het kader van deze organisatie werd medio 1986 de zogeheten "Presidents Working Group" (hierna: "PWG") opgericht. Deze groep bestond uit leidinggevende personen van de (ongeveer acht) grootste kartonproducenten in de Gemeenschap.

15 De werkzaamheden van de PWG bestonden onder meer in bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en capaciteit. De PWG nam in het bijzonder algemene beslissingen over het tijdstip en het niveau van door de producenten door te voeren prijsverhogingen.

16 De PWG bracht verslag uit aan de "President Conference" (hierna: "PC"), die (met meer of minder grote regelmaat) werd bijgewoond door nagenoeg alle algemeen-directeuren van de betrokken ondernemingen. De PC kwam in de betrokken periode tweemaal per jaar bijeen.

17 Eind 1987 werd het "Joint Marketing Committee" (hierna: "JMC") opgericht. Dit had vooral tot taak om te bepalen of, en zo ja hoe, prijsverhogingen konden worden doorgevoerd, alsmede om per land en voor de grote afnemers de door de PWG overeengekomen prijsinitiatieven in detail uit te werken, met het doel een systeem van equivalente prijzen in Europa tot stand te brengen.

18 Het "Economic Committee" (hierna: "EC") ten slotte besprak onder meer de prijsontwikkelingen op de nationale markten en de orderportefeuilles en bracht over zijn bevindingen verslag uit aan het JMC of, tot eind 1987, het Marketing Committee. De bijeenkomsten van het EC werden bijgewoond door marketing- en verkoopmanagers van het merendeel van de betrokken ondernemingen en vonden enige malen per jaar plaats.

19 Uit de beschikking blijkt voorts, dat naar het oordeel van de Commissie de activiteiten van de PG Paperboard werden ondersteund door een systeem voor gegevensuitwisseling dat werd beheerd door de trustmaatschappij Fides, gevestigd te Zürich (Zwitserland). Volgens de beschikking stuurden de meeste leden van de PG Paperboard Fides periodieke verslagen over orders, productie, verkoop en bezettingsgraad. Die verslagen werden in het Fides-systeem centraal samengevoegd en de geaggregeerde gegevens werden aan de deelnemers toegestuurd.

20 In de beschikking wordt uiteengezet, waarom zij tot verzoekster Mo och Domsjö AB (hierna: "MoDo") is gericht (punten 151 e.v. van de considerans). Volgens de beschikking nam Thames Board Ltd (hierna: "TBM"), een producent van GC-karton met een kartonfabriek te Workington (Verenigd Koninkrijk), vanaf medio 1986 deel aan de vergaderingen van de organen van de PG Paperboard, met inbegrip van de vergaderingen van de PWG. Per 1 januari 1988 werd TBM geheel verworven door AB Iggesunds Bruk (hierna: "Iggesunds Bruk"), een met MoDo gelieerde vennootschap waarvan MoDo 49,9 % van de stemrechten in handen had. TBM werd vervolgens omgedoopt tot Iggesund Paperboard (Workington) Ltd.

21 Tot de verwerving van TBM was SBS-karton het hoofdproduct van Iggesunds Bruk; in mindere mate produceerde zij eveneens GC-karton. MoDo verwierf begin 1989 volledige zeggenschap over Iggesunds Bruk en maakte haar tot een divisie van de MoDo-groep, genaamd Iggesund Paperboard AB (hierna: "Iggesund Paperboard"). Vertegenwoordigers van deze divisie woonden de vergaderingen van de PWG en het JMC bij. Ook managers en personeelsleden uit Workington namen deel aan de vergaderingen van het JMC.

Procesverloop

22 Bij op 20 oktober 1994 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster onderhavig beroep ingesteld.

23 Zestien van de achttien andere ondernemingen die aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuk, hebben eveneens beroep ingesteld tegen de beschikking (zaken T-295/94, T-301/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94 en T-354/94).

24 Verzoekster in zaak T-301/94, Laakmann Karton GmbH, heeft haar beroep bij op 10 juni 1996 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief ingetrokken en bij beschikking van 18 juli 1996, Laakmann Karton/Commissie (T-301/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.

25 Vier Finse ondernemingen, leden van de handelsvereniging Finnboard, die om die reden hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van de aan de vereniging opgelegde geldboete, hebben eveneens beroep tegen de beschikking ingesteld (gevoegde zaken T-339/94, T-340/94, T-341/94 en T-342/94).

26 Ten slotte is beroep ingesteld door de vereniging CEPI-Cartonboard, tot wie de beschikking niet is gericht. Bij op 8 januari 1997 ter griffie van het Gerecht neergelegde brief heeft zij haar beroep evenwel ingetrokken en bij beschikking van 6 maart 1997, CEPI-Cartonboard/Commissie (T-312/94, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is de zaak doorgehaald in het register van het Gerecht.

27 Bij brief van 5 februari 1997 heeft het Gerecht partijen verzocht, aanwezig te zijn bij een informele bijeenkomst, vooral om hun opmerkingen in te dienen betreffende de eventuele voeging van de zaken T-295/94, T-304/94, T-308/94, T-309/94, T-310/94, T-311/94, T-317/94, T-319/94, T-327/94, T-334/94, T-337/94, T-338/94, T-347/94, T-348/94, T-352/94 en T-354/94 voor de mondelinge behandeling. Tijdens deze bijeenkomst, die plaatshad op 29 april 1997, hebben partijen met een dergelijke voeging ingestemd.

28 Bij beschikking van 4 juni 1997 heeft de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht de vorengenoemde zaken overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering wegens hun verknochtheid gevoegd voor de mondelinge behandeling en heeft hij een door verzoekster in zaak T-334/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling ingewilligd.

29 Bij beschikking van 20 juni 1997 heeft hij een door verzoekster in zaak T-337/94 ingediend verzoek om vertrouwelijke behandeling van een in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht overgelegd document ingewilligd.

30 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waarbij het partijen heeft verzocht, een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden en bepaalde documenten over te leggen. Partijen hebben aan deze verzoeken voldaan.

31 De partijen in de in punt 27 vermelde zaken zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord tijdens de terechtzitting die heeft plaatsgevonden van 25 juni tot en met 8 juli 1997.

Conclusies van partijen

32 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:

- de beschikking nietig te verklaren voor zover zij op haar betrekking heeft;

- artikel 2 nietig te verklaren;

- de geldboete in te trekken of te verlagen;

- de Commissie te verwijzen in de kosten.

33 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster te verwijzen in de kosten.

De vordering tot nietigverklaring van de beschikking

34 De structuur van de in dit arrest onderzochte middelen wijkt af van die in het rapport ter terechtzitting. Een aantal middelen die door verzoekster zijn aangevoerd tot staving van haar conclusies tot nietigverklaring van de beschikking, kunnen namelijk slechts tot een verlaging van de geldboete leiden en moeten bijgevolg in dat kader worden onderzocht.

A - De middelen: schendingen van wezenlijke vormvoorschriften

Het middel: gebrekkige motivering

Argumenten van partijen

35 Verzoekster betoogt, dat de beschikking gebrekkig is gemotiveerd, aangezien daarin niet tot uiting komt, hoe de Commissie bepaalde tijdens de administratieve procedure aangevoerde bewijzen en argumenten heeft beoordeeld

36 In de eerste plaats zijn haar argumenten waarmee zij de bewijskracht van de verklaringen van Stora betwist, door de Commissie waarschijnlijk verkeerd begrepen (zie punt 108 van de considerans van de beschikking). Stora is namelijk misschien beïnvloed door de waarschijnlijke gevolgen van haar verklaringen. De Commissie had bijgevolg niet op deze verklaringen mogen afgaan.

37 Verder heeft de Commissie, ofschoon zij soms de verklaringen van Stora blindelings volgde, daaruit toch enige conclusies getrokken die daarmee niet zijn te rijmen of daarvan afwijken.

38 In dit verband wijst verzoekster op een aantal punten waarop de Commissie Stora's verklaringen niet heeft gevolgd, in het bijzonder de verklaring dat een aantal aspecten van de gestelde inbreuk weinig effect had op de markt, de verklaringen om aan te tonen dat de afnemers veel macht hadden, de verklaring dat de informatie-uitwisseling geen gegevens omtrent de duur van de orderportefeuilles bevatte, en ten slotte de verklaring dat het voornaamste doel van het verzamelen van gegevens betreffende binnenkomende orders was, de ondernemingen in staat te stellen hun eigen prestaties op de markt te controleren.

39 Volgens haar heeft de Commissie evenmin het juiste gewicht toegekend aan een aantal opmerkingen in Stora's verklaringen. Dienaangaande verwijst verzoekster naar de punten 3, 11, 12 en 28 van de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en punt 1.1 van haar derde verklaring (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar).

40 De Commissie was dus op onredelijke wijze met de verklaringen van Stora omgegaan, omdat zij deze enkel had gevolgd indien ander bewijs ontbrak. Daarentegen heeft zij, wanneer ander bewijs bestond, het bewijs in aanmerking genomen, dat het meest ongunstig was voor de adressaat van de beschikking.

41 In de tweede plaats had de Commissie volgens haar het rapport van London Economics (hierna: "LE-rapport"), dat was opgesteld voor rekening van een aantal ondernemingen tot wie de beschikking was gericht, en waarmee verschillende door de Commissie op de markt waargenomen verschijnselen dienden te worden verklaard, niet op juiste wijze beoordeeld. Ook had verzoekster de Commissie gegevens verstrekt om aan te tonen dat de productiekosten van haar fabriek te Workington ondanks de sterke vraag gedurende de betrokken periode bijna evenveel waren gestegen als de transactieprijzen.

42 In de derde plaats is de insinuatie dat verzoekster bewust bewijsstukken heeft achtergehouden om het onderzoek te dwarsbomen (punt 116 van de considerans van de beschikking) ongefundeerd.

43 Ten slotte blijkt uit de beschikking dat niet is onderzocht, of eventueel Unilever plc, eigenaar van TBM voordat zij door Iggesunds Bruk werd verworven, voor een deel van de gestelde inbreuk aansprakelijk was.

44 De Commissie brengt in herinnering, dat zij niet verplicht is, gedetailleerd op elk in de antwoorden op de mededeling van de punten van bezwaar opgeworpen punt in te gaan (zie arrest Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 66), en dat zij in overeenstemming met haar verplichtingen de door verzoekster aangevoerde bewijzen en argumenten heeft onderzocht en in de beschikking heeft geantwoord op de punten die relevant waren voor haar conclusie.

45 Met betrekking tot verzoeksters argumenten betreffende de betrouwbaarheid van Stora's verklaringen merkt de Commissie op, dat zij deze heeft begrepen en daarmee rekening heeft gehouden. Zij was het eenvoudigweg niet eens met verzoekster. Zoals aangegeven in de punten 112 en 113 van de considerans van de beschikking, werden de verklaringen namelijk door vele documenten gestaafd. Bovendien lijkt het ongerijmd om te verklaren dat de Commissie Stora's verklaringen blindelings heeft gevolgd en haar te verwijten dat zij deze verklaringen niet in elk detail heeft gevolgd.

46 Met betrekking tot het LE-rapport verwijst de Commissie hoofdzakelijk naar de argumenten waarmee zij probeert aan te tonen dat zij de gevolgen van het kartel op de markt juist heeft beoordeeld (zie punten 289 e.v. infra).

47 Anders dan verzoekster stelt, heeft de Commissie nooit verklaard, dat zij gedurende de administratieve procedure bewijzen heeft achtergehouden.

48 Ten slotte heeft de Commissie in haar antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht verklaard, dat zij over geen enkel bewijs van de betrokkenheid van Unilever plc bij het kartel beschikte.

Beoordeling door het Gerecht

49 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting tot motivering van een individuele beschikking tot doel, de gemeenschapsrechter in staat te stellen de wettigheid van de beschikking te onderzoeken, en de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de wettigheid kan worden betwist, met dien verstande dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard der betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie in het bijzonder arrest Gerecht van 11 december 1996, Van Megen Sports/Commissie, T-49/95, Jurispr. blz. II-1799, punt 51).Weliswaar is de Commissie krachtens artikel 190 van het Verdrag gehouden, haar beschikkingen met redenen te omkleden met vermelding van de feitelijke en juridische gegevens waarvan de wettigheid van de maatregel afhangt en van de overwegingen naar aanleiding waarvan zij haar beschikking heeft gegeven, doch niet is vereist, dat zij ingaat op alle punten van feitelijke of juridische aard, die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (zie met name arrest Van Landewyck e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 66).

50 Met betrekking tot de verklaringen van Stora heeft de Commissie in de punten 112 en 113 van de considerans van de beschikking uiteengezet, dat zij op de voornaamste punten door ander bewijsmateriaal worden gestaafd.

51 Het feit dat de Commissie niet alle beweringen in de verklaringen van Stora heeft gevolgd, kan de motivering van de beschikking niet ontoereikend of gebrekkig maken. Met haar argumenten betwist verzoekster namelijk in wezen de juistheid van de beoordeling van de betrouwbaarheid van Stora's verklaringen door de Commissie. Aangezien dergelijke argumenten de gegrondheid van de beschikking betreffen, zijn zij in deze context niet relevant.

52 Hetzelfde geldt voor verzoeksters bewering dat de Commissie het LE-rapport, noch de bewijzen die verzoekster heeft verstrekt om aan te tonen dat haar kosten gelijke tred hielden met de transactieprijzen, juist heeft beoordeeld.

53 Met betrekking tot verzoeksters argument dat in de beschikking ten onrecht zou worden geïnsinueerd, dat zij bewust bewijsmateriaal had achtergehouden om het onderzoek te dwarsbomen, volstaat de vaststelling, dat een dergelijke insinuatie niet in de beschikking voorkomt. Zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, betreft het punt van de considerans waarop verzoekster doelt, slechts de pogingen van de deelnemers aan het kartel om het bestaan daarvan te verhullen. De beoordeling van dat aspect door de Commissie wordt in de beschikking gedetailleerd uiteengezet (zie in het bijzonder punt 73 van de considerans).

54 Ten slotte heeft verzoekster gedurende de administratieve procedure voor de Commissie geen enkel bewijs verstrekt om aan te tonen dat Unilever plc als voormalige moedermaatschappij van TBM bij het kartel betrokken was. Onder deze omstandigheden kan het feit dat de Commissie in de beschikking niet heeft onderzocht of de beschikking tot Unilever plc kon worden gericht om haar aansprakelijk te stellen voor een deel van de door TBM gepleegde inbreuk, niet als een motiveringsgebrek worden aangemerkt.

55 Gelet op het voorgaande, dient dit middel te worden afgewezen.

Het middel: schending van het recht van verweer

Argumenten van partijen

56 Verzoekster betoogt, dat in de motivering van de beschikking wordt verwezen naar bewijzen die niet in de mededeling van de punten van bezwaar waren uiteengezet, zodat haar recht van verweer is geschonden.

57 Dit geldt voor vele verklaringen betreffende het gestelde "prijs vóór tonnage"-beleid, het feit dat de Commissie het Fides-systeem van informatie-uitwisseling als zodanig in strijd met artikel 85 van het Verdrag achtte, en ten slotte het feit dat de Commissie van mening is, dat de prijsverhoging van 1987 in het Verenigd Koninkrijk het resultaat was van een onderlinge afstemming.

58 Verder bevat de beschikking, ofschoon in de mededeling van de punten van bezwaar werd aanvaard dat vraag en aanbod gedurende ten minste drie of vier jaar voor 1991 in evenwicht waren, minder gunstige vaststellingen, in het bijzonder wanneer daarin meerdere keren wordt verklaard dat in 1990 tot machinestilstand is overgegaan (zie bijvoorbeeld punt 134 van de considerans).

59 Ten slotte zijn in de tabellen in bijlage bij de beschikking gegevens betreffende de prijsverhogingen in oktober 1988 door Iggesunds Bruk in Nederland en door Feldmühle (van de Stora-groep) in België, alsmede gegevens betreffende een prijsverhoging in oktober 1989 door Enso-Gutzeit in Italië opgenomen, die niet voorkwamen in de tabellen in bijlage bij de mededeling van de punten van bezwaar.

60 De Commissie stelt dat de mededeling van de punten van bezwaar alle bewijzen betreffende het "prijs vóór tonnage"-beleid bevatte. Ook blijkt uit de mededeling van de punten van bezwaar, dat de prijsverhoging in 1987 in het Verenigd Koninkrijk het resultaat van een onderlinge afstemming was (blz. 68 en 69 en bijlage betreffende de daarin vermelde vaststelling van prijzen).

61 Zij merkt op, dat de oorspronkelijke mededeling van de punten van bezwaar enkel betrekking had op het Fides-systeem van informatie-uitwisseling, dat verbonden was met de exploitatie van het kartel als geheel. Bijgevolg behoefde geen uitspraak te worden gedaan over de eventuele onwettigheid van het systeem zelf. In het addendum bij de mededeling van de punten van bezwaar is evenwel gepreciseerd, dat het na juli 1991 toegepaste systeem nog steeds in strijd was met artikel 85 van het Verdrag.

62 Ten slotte bestaat er geen tegenspraak tussen de gegevens betreffende vraag en aanbod in de mededeling van de punten van bezwaar en de gegevens in de beschikking.

Beoordeling door het Gerecht

63 Het is vaste rechtspraak dat in de mededeling van de punten van bezwaar deze punten van bezwaar, hoe bondig ook, in bewoordingen moeten worden gesteld die voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten, welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Enkel dan immers kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich te verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft (zie in het bijzonder arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85, en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, punt 42).

64 In casu dient verzoeksters argument dat een groot gedeelte van de verklaringen betreffende het beweerde "prijs vóór tonnage"-beleid niet in de mededeling van de punten van bezwaar was uiteengezet, te worden afgewezen. Verzoekster geeft niet aan, in welk opzicht de verklaringen in de beschikking verschillen van die in de mededeling van de punten van bezwaar. Bovendien bevat de beschikking met betrekking tot het "prijs vóór tonnage"-beleid geen punten van bezwaar die niet in de mededeling van de punten van bezwaar ter kennis van verzoekster waren gebracht.

65 Verzoeksters argument dat in de mededeling van de punten van bezwaar niet is gesteld, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling als zodanig in strijd was met artikel 85, lid 1, van het Verdrag, kan evenmin worden aanvaard. Hier volstaat de vaststelling, dat dit systeem van informatie-uitwisseling slechts in strijd met de communautaire mededingingsregels was, voor zover het het vastgestelde kartel ondersteunde (artikel 1, laatste streepje, van de beschikking, juncto punt 134, derde alinea, van de considerans), ook al was de Commissie van mening dat "in feite in vele gevallen individuele gegevens werden getoond of zonder veel moeilijkheden konden worden uitgewerkt" (zelfde punt van de considerans).

66 De onderling afgestemde prijsverhoging voor het Verenigd Koninkrijk in januari 1987 was in de mededeling van de punten van bezwaar voldoende duidelijk ten laste gelegd aan een aantal ondernemingen, waaronder verzoekster.

67 Dit ten laste gelegde feit wordt in de mededeling van de punten van bezwaar als volgt (blz. 54) uiteengezet:

"Een met de hand geschreven notitie (bijlage 44) in de bureau-agenda van de heer Opladen, van Feldmühle, die drie bladzijden van 15 tot en met 17 januari 1987 bestrijkt, betreft een uitwisseling van informatie over prijsbeleid, orderportefeuille en machinestilstand tussen Feldmühle en verscheidene andere producenten in de context van de prijsverhoging die in december 1986/januari 1987 op de Britse markt is toegepast [zie bijlage 61, een document dat is aangetroffen bij de handelsagent van [Mayr-Melnhof] in het Verenigd Koninkrijk: $Op de laatste vergadering van Fides verklaarde de vertegenwoordiger van Weig, dat volgens Weig 9 % te hoog was voor het Verenigd Koninkrijk en dat zij akkoord ging met 7 %' (...) etc.]."

68 Verder merkt de Commissie op (blz. 69 van de mededeling van de punten van bezwaar):

"Gedetailleerde inlichtingen betreffende de onderling afgestemde prijsinitiatieven in West-Europa van 1987 tot en met 1991 zijn te vinden in de bijlage betreffende de prijzen die bij de onderhavige mededeling van de punten van bezwaar is gevoegd.

Ook worden inlichtingen verstrekt betreffende het prijsinitiatief op de Britse markt van begin 1987."

69 In technische bijlage A, waarnaar in de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk wordt verwezen, zet de Commissie gedetailleerd haar punten van bezwaar betreffende de prijsverhoging voor het Verenigd Koninkrijk in januari 1987 uiteen. Daarin (blz. 4) wordt in niet mis te verstane bewoordingen in het bijzonder verklaard, dat het "duidelijk is dat het prijsinitiatief op het niveau van de $Presidenten' was besproken en overwogen".

70 Daaruit volgt, dat het verzoekster niet onbekend kon zijn, dat de Commissie haar verweet, aan een onderling afgestemd prijsinitiatief voor het Verenigd Koninkrijk in januari 1987 te hebben deelgenomen.

71 Verder stelt verzoekster ten onrechte, dat uit de mededeling van de punten van bezwaar niet blijkt, dat in 1990 was overgegaan tot machinestilstand.

72 In de mededeling van de punten van bezwaar wordt namelijk verklaard (blz. 85):

"Toen zij in 1990 werden geconfronteerd met zowel een toegenomen capaciteit als een verminderde vraag, stelde het systeem [van informatie-uitwisseling van Fides] hen in staat om de machinestilstand van elke producent te coördineren en aldus overproductie en dalende prijzen te voorkomen."

73 Ten slotte moet met betrekking tot de gegevens betreffende de door sommige producenten aangekondigde en ten uitvoer gelegde prijsverhogingen worden vastgesteld, dat de Commissie verzoeksters verklaring dat deze gegevens niet in de tekst van de mededeling van de punten van bezwaar of in de bijlagen daarbij zijn uiteengezet, niet betwist. Verzoekster heeft haar opmerkingen met betrekking tot deze feiten dus niet behoorlijk kenbaar kunnen maken. De Commissie mocht haar beschikking niet baseren op gegevens die niet gedurende de administratieve procedure ter kennis van de ondernemingen waren gebracht. Deze feiten zullen dus buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de beoordeling van de gegrondheid van de beschikking.

74 Deze schending van verzoeksters recht van verweer kan niet de gehele beschikking ongeldig maken, aangezien zij niet enkel op de betrokken gegevens is gebaseerd (zie in dezelfde zin arrest Hof van 7 juni 1983, Musique Diffusion française e.a./Commissie, 100/80, 101/80, 102/80 en 103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 30).

75 Dit middel dient derhalve te worden afgewezen.

B - De middelen betreffende schendingen van materiële regels

Het middel, dat verzoekster niet de juiste adressaat van de beschikking zou zijn

De ontvankelijkheid van het middel

76 De Commissie betwijfelt of verzoekster er gewettigd belang bij heeft om te stellen dat de beschikking tot Iggesund Paperboard had moeten worden gericht, terwijl zij erkent dat zij voor deze vennootschap zal instaan indien haar uiteindelijk een geldboete wordt opgelegd.

77 Dienaangaande volstaat de opmerking dat verzoekster een van de ondernemingen is waarvan in artikel 1 van de beschikking wordt gesteld, dat zij aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het Verdrag hebben deelgenomen. Bijgevolg heeft zij een gewettigd belang om deze vaststelling te betwisten, onafhankelijk van het aspect van de geldboete, omdat deze vaststelling op zijn minst haar reputatie kan schaden.

78 Bijgevolg dient dit middel ontvankelijk te worden verklaard.

Ten gronde

- Argumenten van partijen

79 Volgens verzoekster is de beschikking tot de moedermaatschappij van een groep gericht, wanneer meer dan een onderneming in een groep aan de inbreuk had deelgenomen, of wanneer er uitdrukkelijk bewijs bestond dat de moedermaatschappij bij de inbreuk betrokken was (punt 143 van de considerans van de beschikking). In casu wordt evenwel aan geen van deze beide criteria voldaan. In feite wordt slechts één onderneming van de MoDo-groep, namelijk Iggesund Paperboard, ervan beschuldigd aan de inbreuk te hebben deelgenomen en was verzoekster zelf niet bij deze inbreuk betrokken.

80 In casu heeft de Commissie zelfs niet de in de beschikking vermelde algemene criteria toegepast. Volgens de punten 152 en 153 van de considerans van de beschikking was de Commissie met name van oordeel, dat het moeilijk zou kunnen zijn, de geldboete in te vorderen indien de beschikking tot Iggesund Paperboard werd gericht, alsook, dat Iggesund Paperboard niet echt onafhankelijk van verzoekster was. Door enkel in verzoeksters geval deze bijzondere criteria toe te passen, heeft de Commissie het billijkheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling, het discriminatieverbod en het vertrouwensbeginsel geschonden.

81 Bovendien kunnen de in punt 153 van de considerans van de beschikking vermelde specifieke criteria de aanpak van de Commissie niet rechtvaardigen. Om te beginnen is het niet juist om te stellen dat Iggesund Paperboard niet in staat was de geldboete te betalen. Verder is de Commissie ten onrechte ervan uitgegaan, dat Iggesund Paperboard niet werkelijk onafhankelijk was van verzoekster. Het enkele feit dat Iggesund Paperboard geen activa in eigendom had en geen personeel in dienst had, was geen beletsel om haar als onderneming in de zin van het gemeenschapsrecht aan te merken. De Commissie had zelf toegegeven, dat Iggesund Paperboard als zelfstandige economische eenheid aan alle criteria voldeed om als een onderneming te worden aangemerkt. Derhalve kon Iggesund Paperboard niet als een "lege vennootschap" worden beschouwd.

82 Wanneer een onderneming alle noodzakelijke activa voor haar bedrijf controleert, behoeft zij geen eigenaar van deze activa te zijn. Dit wordt bevestigd door beschikking 91/50/EEG van de Commissie van 16 januari 1991 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag [IV/32.732 - IJsselcentrale e.a. (PB L 28, blz. 32)]. Het feit dat de moedermaatschappij een aantal hulpdiensten verricht, zoals juridische en boekhoudkundige diensten, en deze aan de ondernemingen van de groep in rekening brengt, vormt evenmin een beletsel om Iggesund Paperboard als onderneming aan te merken.

83 Ten slotte is niet bewezen, dat verzoekster zich bewust was van de beweerde onrechtmatige handelingen en de facto controle uitoefende op de activiteiten van Iggesund Paperboard. Evenmin volstaat het feit dat zij instructies aan Iggesund Paperboard kon geven, of het feit dat zij de directeuren van deze onderneming had gekozen, om verzoekster voor het gedrag van de onderneming aansprakelijk te maken of om te concluderen dat Iggesund Paperboard en verzoekster één economische eenheid zijn.

84 De Commissie verklaart, dat een onderneming in de zin van het gemeenschapsrecht kan worden gedefinieerd als een economische eenheid die bestaat in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, welke op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Shell/Commissie, T-11/89, Jurispr. blz. II-757, punt 311).

85 Verschillende ondernemingen van eenzelfde groep, die onder dezelfde directie en controle hun bedrijf uitoefenen, kunnen worden geacht deel van dezelfde onderneming uit te maken. Dienaangaande beschikt de Commissie over een beoordelingsmarge om te bepalen, tot welk niveau van een dergelijke structuur een beschikking dient te worden gericht. Zelfs indien de Commissie de beschikking tot Iggesund Paperboard had kunnen richten, betekent dit geenszins, dat zij ook verplicht was om dit te doen. Immers, twee dochterondernemingen van verzoekster waren bij het kartel betrokken, namelijk Iggesund Paperboard (Workington) Ltd en Iggesunds Bruk.

86 De in de punten 152 en 153 van de considerans vermelde redenen zijn terecht aangevoerd, omdat Iggesund Paperboard geen activa en geen personeel heeft. Zij was derhalve slechts een "lege vennootschap" met een maatschappelijk kapitaal van 50 000 SKR.

- Beoordeling door het Gerecht

87 Door ondernemingen onder meer te verbieden, overeenkomsten te sluiten of deel te nemen aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, richt artikel 85, lid 1, van het Verdrag zich tot economische eenheden die bestaan in een unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen, welke op duurzame basis een bepaald economisch doel nastreeft en ertoe kan bijdragen dat een in die bepaling bedoelde inbreuk wordt gepleegd (arrest Shell/Commissie, reeds aangehaald, punt 311).

88 In casu moeten verzoekster en de verschillende maatschappijen die tot haar "Paperboard"-divisie behoren, welke formeel door Iggesund Paperboard wordt beheerd, als één unitaire organisatie van personele, materiële en immateriële elementen worden beschouwd die op duurzame basis onder meer het doel nastreeft om via de productie en verkoop van karton haar winst te maximaliseren, ook indien dit in voorkomend geval ten koste van de individuele winsten van haar verschillende bestanddelen gaat. In die organisatie speelt elke maatschappij een bepaalde rol (zie, in dezelfde zin, arrest Shell/Commissie, reeds aangehaald, punt 312).

89 Volgens de beschikking (zie in het bijzonder punt 153, eerste alinea, van de considerans) is Iggesund Paperboard namelijk een "handelsmaatschappij" die voor 100 % in handen van verzoekster is en een kapitaal van 50 000 SKR heeft.

90 In de tweede alinea van dit punt wordt daaraan toegevoegd:

"(...) Iggesund Paperboard AB is noch eigenaar van de productie-installaties voor karton, noch werkgever van de arbeidskrachten ervan. De kartonactiva die vroeger in handen waren van Iggesunds Bruk AB, blijven in eigendom van die onderneming die thans een slapende onderneming is, volledig in eigendom van MoDo. Het gehele personeel in Zweden is in dienst van MoDo zelf (...)"

91 Geen van deze verklaringen wordt door verzoekster betwist.

92 Verder blijkt uit verzoeksters antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht, dat op de datum waarop de vastgestelde inbreuk eindigde, Iggesund Paperboard (Workington) Ltd, voorheen TBM, nog steeds eigenaar van de kartonfabriek te Workington (Verenigd Koninkrijk) was, dat zij de omzet van deze kartonfabriek in haar jaarrekeningen boekte en dat zij nog steeds het personeel in die fabriek gebruikte. Daaruit blijkt eveneens dat geen omzet in de jaarrekeningen van Iggesund Paperboard was geboekt en dat in het bijzonder de omzet van de kartonfabriek van Iggesunds Bruk in verzoeksters jaarrekeningen was geboekt.

93 Ten slotte blijkt uit verzoeksters jaarrekening over 1991 dat het bedrijf van de MoDo-groep werd uitgeoefend door middel van zes "handelsmaatschappijen", waaronder Iggesund Paperboard, doch dat verzoekster een aantal diensten voor alle ondernemingen van de groep leverde, zoals juridische en boekhoudkundige diensten en diensten op het gebied van de informatica.

94 Bijgevolg verklaart de Commissie aan het eind van de tweede alinea van punt 153 van de considerans terecht: "Het is derhalve voor de doeleinden van de onderhavige procedure geëigend de beschikking tot de MoDo-groep [vertegenwoordigd door de moedermaatschappij] zelf te richten in plaats van tot een dochteronderneming die niet werkelijk onafhankelijk is, geen activa in eigendom en geen personeel in dienst heeft", en behoeft niet te worden onderzocht, of de andere in de punten 152 en 153 van de considerans van de beschikking aangevoerde redenen de beslissing van de Commissie om de beschikking tot verzoekster te richten, kunnen rechtvaardigen.

95 Anders dan verzoekster verklaart, namelijk dat alleen Iggesund Paperboard bij de inbreuk betrokken was, moet worden vastgesteld dat Iggesund Paperboard (Workington) Ltd ook op de lijst van leden van de PG Paperboard voorkwam en dat personeel van die ondernemingen de vergaderingen van het JMC heeft bijgewoond. Door de beschikking aan verzoekster te richten, heeft de Commissie derhalve gehandeld in overeenstemming met het in punt 143 van de considerans vermelde criterium, dat de beschikking tot de moedermaatschappij van de groep diende te worden gericht, wanneer meer dan een onderneming daarvan aan de inbreuk had deelgenomen.

96 Gelet op de voorgaande overwegingen, dient het middel te worden afgewezen.

Het middel, dat de Commissie het bestaan van onderlinge afstemmingen betreffende de hoeveelhedenbeheersing en de beperking van de productie niet zou hebben aangetoond

97 Dit middel valt uiteen in drie onderdelen. De eerste twee onderdelen worden tezamen onderzocht, terwijl het derde onderdeel afzonderlijk zal worden onderzocht.

De eerste twee onderdelen van het middel: geen bewijs van het bestaan van een onderlinge afstemming tot bevriezing van de marktaandelen en van een onderlinge afstemming tot beheersing van het aanbod

- Argumenten van partijen

98 In het eerste onderdeel van het middel betwist verzoekster de bewering van de Commissie betreffende het bestaan van maatregelen tot beheersing van de hoeveelheden. Deze beweringen zijn voornamelijk gebaseerd op de verklaringen van Stora, doch deze verklaringen worden door geen enkel bewijs gestaafd.

99 Verzoekster betoogt, dat de vraag tot mei 1991 is blijven stijgen en dat de kartonindustrie van 1987 tot en met 1990 op volle capaciteit heeft gedraaid. Op grond hiervan betwist zij de verklaring in de beschikking, dat de producenten zich gedurende 1990 steeds meer tot machinestilstand ("downtime") genoopt zagen.

100 Verder blijkt uit de notitie van 3 oktober 1988 (bijlage 102 bij de mededeling van de punten van bezwaar), dat destijds geen systeem van hoeveelhedenbeheersing bestond.

101 Ten slotte betwist verzoekster, dat de documenten betreffende vergaderingen van de Paper Agents Association (hierna: "PAA") het standpunt van de Commissie kunnen staven. Haars inziens had met deze documenten geen rekening mogen worden gehouden.

102 In het tweede onderdeel van het middel betwist zij de beweringen van de Commissie omtrent het bestaan van een onderlinge afstemming betreffende de bevriezing van de marktaandelen. Uit verschillende bewijsstukken blijkt, dat de verklaringen van Stora waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, niet betrouwbaar zijn.

103 In de eerste plaats worden de maatregelen tot bevriezing van de marktaandelen op onsamenhangende wijze beschreven. De Commissie heeft geen rekening gehouden met het feit dat de producenten geen overeenstemming over een bevriezing van de marktaandelen konden bereiken zonder contact op te nemen met de afnemers en zonder orders te weigeren. In de beschikking wordt niet vermeld, op welke producten de marktaandelen betrekking hadden. Daarin wordt niet gepreciseerd, of het voor het daaropvolgende jaar voorziene groeipercentage individueel of centraal werd bepaald. Dit soort zaken dient evenwel de kern van elke afspraak betreffende bevriezing van de marktaandelen uit te maken. Ten slotte zijn ook de door Stora verstrekte inlichtingen niet duidelijk. Stora heeft namelijk verklaard (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar), dat de besprekingen over dit onderwerp betrekking hadden op nationale groepen, terwijl in haar brief van 23 december 1992 (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) wordt gesteld, dat de overeenkomst de marktaandelen per producentengroep betrof.

104 In de tweede plaats hadden haar nationale marktaandelen sterk gefluctueerd en was haar marktaandeel in West-Europa aanzienlijk gestegen. Bovendien geeft de Commissie zelf toe, dat verschillende grote producenten hun marktaandeel enigszins hadden kunnen verhogen.

105 In de derde plaats heeft de Commissie onvoldoende rekening gehouden met de geringe prijselasticiteit van karton.

106 In de vierde plaats was geen overeenkomst betreffende de bevriezing van de marktaandelen mogelijk zonder overeenkomsten over machinestilstand en over nieuwe productiecapaciteit. Verschillende producenten hadden hun productiecapaciteit gedurende de betrokken periode evenwel uitgebreid.

107 De Commissie verklaart, dat in de beschikking wordt uiteengezet, dat de producenten aannamen dat het op lange termijn onmogelijk was om de prijzen te controleren zonder tegelijkertijd de hoeveelheden te controleren om een evenwicht tussen vraag en aanbod te verzekeren. Op grond daarvan achtten de producenten het noodzakelijk om het prijskartel te versterken door een overeenkomst betreffende de beheersing van de hoeveelheden. Het feit dat dit systeem gedurende een bepaalde periode niet behoefde te worden toegepast, is derhalve niet relevant. Bovendien bestaan er bewijzen dat door Iggesund maatregelen tot beheersing van het aanbod zijn genomen, wanneer dit noodzakelijk was (punten 94 en 95 van de considerans van de beschikking). Verder merkt de Commissie op, dat zij heeft vastgesteld dat de producenten afspraken over de handhaving van hun marktaandelen hadden gemaakt, doch dat het niet om een absolute bevriezing ging (punten 52 tot en met 56 van de considerans).

108 Met betrekking tot de redenen waarom een stelsel tot beheersing van de hoeveelheden noodzakelijk werd geacht, beklemtoont de Commissie, dat een sterke verhoging van de hoeveelheden tot een prijsdaling had geleid. Verzoeksters argument betreffende de geringe prijselasticiteit is derhalve geen antwoord op het standpunt van de Commissie.

109 Haars inziens berusten de in de beschikking uiteengezette conclusies op deugdelijke bewijzen. Dienaangaande verwijst zij naar de verklaringen van Stora, alsmede naar de in de punten 53 tot en met 55 en 58 tot en met 59 van de beschikking beschreven documenten.

110 Zij verklaart, nooit te hebben gesteld dat de marktaandelen constant zijn gebleven (punten 59 en 60 van de considerans van de beschikking).

- Beoordeling door het Gerecht

111 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname, gedurende de relevante periode, aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de kartonleveranciers in de Gemeenschap "een afspraak maakten over handhaving van de marktaandelen van de grote producenten op vaste niveaus die van tijd tot tijd konden worden gewijzigd" en "in toenemende mate vanaf vooraan in 1990 ter beheersing van het aanbod van het product in de Gemeenschap onderling afgestemde maatregelen namen teneinde de tenuitvoerlegging van de genoemde onderling afgestemde prijsverhogingen te waarborgen".

112 Volgens de Commissie is het initiatief voor deze beide categorieën van heimelijke verstandhoudingen, die in de beschikking worden samengevat onder de titel "beheersing van hoeveelheden", gedurende de relevante periode genomen door de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG. Uit punt 37, derde alinea, van de considerans van de beschikking blijkt namelijk, dat het werkelijke doel van de PWG, zoals omschreven door Stora, "omvatte $bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhogingen en capaciteit'."

113 Met betrekking tot de rol van de PWG bij de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen wordt in de beschikking (punt 37, vijfde alinea, van de considerans) opgemerkt: "In verband met maatregelen tot verhoging van de prijzen werden in de PWG gedetailleerde besprekingen gevoerd over de marktaandelen in West-Europa van de nationale groepen en de afzonderlijke producenten. Deze resulteerden in het bereiken van overeenstemming tussen de deelnemers over hun marktaandelen, met als doel ervoor te zorgen dat de onderling afgestemde prijsverhogingen niet in gevaar werden gebracht door overaanbod. De grote producentengroepen kwamen feitelijk overeen, hun marktaandelen te handhaven op het niveau dat voor elk jaar bleek uit de jaarcijfers over productie en verkoop, die via Fides in definitieve vorm in maart van het daaropvolgende jaar beschikbaar kwamen. Op elke vergadering van de PWG werd de ontwikkeling van de marktaandelen geanalyseerd op basis van de maandelijkse Fides-cijfers; als daaruit aanzienlijke schommelingen bleken, werd van de onderneming die daarvoor verantwoordelijk geacht werd, uitleg gevraagd."

114 Volgens punt 52 van de considerans omvatte "de in 1987 door de PWG bereikte overeenkomst de $bevriezing' van de West-Europese marktaandelen van de belangrijkste producenten op het destijds bestaande niveau, waarbij geen pogingen mochten worden gedaan, door een agressief prijsbeleid nieuwe afnemers te winnen of de bestaande omzet te vergroten".

115 In punt 56, eerste alinea, van de considerans wordt gesteld: "De basisafspraak tussen de voornaamste producenten over de handhaving van hun marktaandelen bleef gedurende de door deze beschikking bestreken periode bestaan." Volgens punt 57 werd "$de ontwikkeling van de marktaandelen' op iedere vergadering van de PWG geanalyseerd op basis van voorlopige statistieken". In punt 56, laatste alinea, ten slotte wordt verklaard: "Aan de besprekingen over marktaandelen namen de producenten deel die in de PWG waren vertegenwoordigd, namelijk: Cascades, Finnboard, KNP (tot 1988), [Mayr-Melnhof], MoDo, Sarrió, de twee producenten van de Stora-groep, CBC en Feldmühle, en (vanaf 1988) Weig."

116 De Commissie heeft dus op juiste wijze aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen bestond.

117 De analyse van de Commissie berust namelijk hoofdzakelijk op de verklaringen van Stora (bijlagen 39 en 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar) en wordt bevestigd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar.

118 In bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar verklaart Stora: "De PWG kwam vanaf 1986 bijeen om de invoering van discipline op de markt te ondersteunen (...) Naast andere (rechtmatige) activiteiten omvatte het doel: bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen en prijsverhogingen, vraag en capaciteit. Zijn rol bestond onder meer uit het beoordelen van de precieze situatie van vraag en aanbod op de markt, alsmede van de maatregelen die moesten worden genomen om te proberen orde op de markt tot stand te brengen, en om deze beoordeling voor te leggen aan de President Conference."

119 Meer in het bijzonder met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen deelt Stora mee, dat "de door nationale groepen van de Europese Gemeenschap, EFTA en andere landen behaalde marktaandelen welke door leden van de PG Paperboard waren verstrekt, binnen de PWG werden bestudeerd" en dat de PWG "de mogelijkheid besprak om de marktaandelen op hun niveau van het vorige jaar te handhaven" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 19). Verder deelt zij (in hetzelfde document, punt 6) mee, dat "besprekingen betreffende marktaandelen van de producenten in Europa ook gedurende deze periode plaatsvonden, waarbij de eerste referentieperiode de niveaus van 1987 waren".

120 In haar antwoord op een vraag van de Commissie van 23 december 1991, dat zij op 14 februari 1992 had verstuurd (bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar), preciseert Stora nog: "De door de PWG-leden gemaakte afspraken betreffende de niveaus van de marktaandelen hadden betrekking op Europa in zijn geheel. Deze afspraken waren gebaseerd op de cijfers van het gehele voorgaande jaar, die gewoonlijk definitief beschikbaar waren in maart van het daaropvolgende jaar" (punt 1.1).

121 Deze verklaring wordt in hetzelfde stuk bevestigd in de navolgende bewoordingen: "(...) de besprekingen leidden tot afspraken die in de regel in maart van elk jaar tussen de leden van de PWG werden gemaakt om hun marktaandelen op het niveau van het voorgaande jaar te houden" (punt 1.4). Stora merkt op, dat "geen maatregelen werden genomen om de naleving van deze afspraken te verzekeren", en dat de leden van de PWG "zich er bewust van waren dat indien zij op bepaalde markten waarop door anderen werd geleverd, uitzonderlijke omzetten zouden maken, deze anderen het hun betaald zouden kunnen zetten op andere markten" (zelfde punt).

122 Ten slotte verklaart zij, dat verzoekster ("Iggesund") heeft deelgenomen aan de besprekingen betreffende de marktaandelen (punt 1.2, blz. 3).

123 De verklaringen van Stora betreffende de heimelijke verstandhouding over de marktaandelen worden gestaafd door bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Dit bij FS-Karton (van de Mayr-Melnhof-groep) aangetroffen document is een vertrouwelijke notitie van 28 december 1988 betreffende de marktsituatie, welke door de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep in Duitsland (Katzner), is toegestuurd aan de algemeen directeur van Mayr-Melnhof in Oostenrijk (Gröller).

124 Volgens dit in de punten 53 tot en met 55 van de considerans van de beschikking geciteerde document, had deze nauwere samenwerking binnen de "Präsidentenkreis", waartoe in 1987 was besloten, "winnaars" en "verliezers" opgeleverd. De opsteller van de notitie deelt Mayr-Melnhof bij de categorie van verliezers in om verschillende, in het bijzonder de navolgende redenen:

"2) Overeenstemming kon slechts worden bereikt door ons "te bestraffen" - van ons werden "offers" verlangd.

3) De marktaandelen van 1987 moesten worden "bevroren", de bestaande contacten in stand blijven en geen nieuwe activiteiten of soorten door middel van de prijs worden ingepalmd (in januari 1989 zal het resultaat blijken - indien iedereen eerlijk is)."

125 Deze zinnen moeten in de meer algemene context van de notitie worden gelezen.

126 In dit verband wijst de opsteller bij wijze van inleiding op de nauwere samenwerking op Europees niveau in de "Präsidentenkreis". Deze uitdrukking is door Mayr-Melnhof aldus geïnterpreteerd, dat zij in het algemeen doelt op zowel de PWG als de PC, dat wil zeggen zonder te verwijzen naar een specifieke gebeurtenis of vergadering (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 2.a), een uitlegging die in de onderhavige context niet behoeft te worden onderzocht.

127 Vervolgens deelt de opsteller mee, dat deze samenwerking heeft geleid tot de "prijsdiscipline", die "winnaars" en "verliezers" heeft opgeleverd.

128 De uitdrukking betreffende de marktaandelen die op de niveaus van 1987 moesten worden bevroren, moet dus worden gelezen in de context van deze prijsdiscipline waartoe door de "Präsidentenkreis" is besloten.

129 Bovendien is de verwijzing naar 1987 als referentiejaar in overeenstemming met de tweede verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar; zie punt 119 supra).

130 Met betrekking tot de rol die de PWG heeft gespeeld bij de heimelijke verstandhouding betreffende de beheersing van het aanbod, welke kenmerkend was voor het onderzoek van de machinestilstand, wordt in de beschikking vermeld, dat de PWG een beslissende rol heeft gespeeld bij de tenuitvoerlegging van de machinestilstand, toen vanaf begin 1990 de productiecapaciteit toenam en de vraag afnam: "(...) begin 1990 [achtten] de leidende producenten in de bedrijfstak (...) het noodzakelijk in het kader van de PWG tot onderlinge afspraken over de noodzaak van machinestilstand te komen. De grote producenten zagen in, dat zij de vraag niet konden vergroten door de prijzen te verlagen en dat de handhaving van de productie op volle capaciteit alleen maar de prijzen zou doen dalen. Met behulp van de capaciteitsverslagen kon in theorie berekend worden hoe lang de machines moesten stilstaan om vraag en aanbod in evenwicht te brengen. (...)" (punt 70 van de considerans van de beschikking).

131 Verder wordt in de beschikking opgemerkt: "De PWG bepaalde niet formeel voor elke producent voor hoe lang diens machines moesten worden stilgelegd. Volgens Stora bestonden er praktische moeilijkheden bij het vaststellen van een gecoördineerd plan met betrekking tot een stilstand voor alle producenten. Stora verklaart, dat er om deze redenen slechts $een soepel aanmoedigingssysteem bestond'" (punt 71 van de considerans van de beschikking).

132 De Commissie heeft dus genoegzaam aangetoond, dat er tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG een heimelijke verstandhouding betreffende de stilleggingen van de productie bestond.

133 De door haar overgelegde stukken staven haar analyse.

134 In de tweede verklaring (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 24) verklaart Stora: "Met de vaststelling door de PWG van het $prijs vóór tonnage'-beleid en de geleidelijke toepassing van een equivalent systeem van prijzen vanaf 1988, hebben de leden van de PWG erkend, dat wegens een geringere toeneming van de vraag machinestilstand ($downtime') nodig was om deze prijzen te handhaven. Zonder machinestilstand door de producenten zou het wegens de steeds grotere overcapaciteit onmogelijk zijn geweest de overeengekomen prijsniveaus te handhaven."

135 In het volgende punt van haar verklaring voegt zij daaraan toe: "In 1988 en 1989 werd nagenoeg de volledige capaciteit van de bedrijfstak benut. Boven de normale stilleggingen in verband met onderhoud en vakantie was vanaf 1990 geen machinestilstand noodzakelijk. Later, toen de bestellingen afnamen, bleek machinestilstand noodzakelijk om het $prijs vóór tonnage'-beleid te handhaven. De hoeveelheid $downtime' die de producenten moesten nemen (om het evenwicht tussen productie en consumptie te handhaven), kon worden berekend op basis van de capaciteitsverslagen. De PWG had niet formeel $downtime' toegewezen, ofschoon er een soepel aanmoedigingssysteem bestond (...)"

136 Wat bijlage 73 bij de mededeling van de punten van bezwaar betreft, vormen de redenen welke door de opsteller ervan worden gegeven om te verklaren waarom hij Mayr-Melnhof als "verliezer" beschouwde toen hij de notitie opstelde, belangrijke bewijzen dat er met betrekking tot de machinestilstand een heimelijke verstandhouding bestond tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG.

137 De opsteller ervan stelt namelijk vast:

"4) Op dit punt beginnen de opvattingen van de betrokkenen over de doelstelling uiteen te lopen.

(...)

c) Alle verkopers en Europese vertegenwoordigers werden van hun geraamde hoeveelheden ontheven en er werd een bijna waterdichte, harde prijspolitiek verdedigd (de medewerkers verstonden vaak niet, waarom onze houding ten opzichte van de markt was gewijzigd - vroeger werd enkel een tonnage verlangd en thans enkel prijsdiscipline met het risico van machinestilstand)."

138 Volgens Mayr-Melnhof (bijlage 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar) slaat de hierboven weergegeven passage op een interne bedrijfssituatie. Gelezen in het licht van de meer algemene context van de notitie komt in dit uittreksel evenwel tot uiting, dat op het niveau van de verkoopteams een in het kader van de "Präsidentenkreis" vastgesteld, strikt prijsbeleid werd toegepast. Het document moet dus aldus worden uitgelegd, dat het inhoudt, dat de deelnemers aan de overeenkomst van 1987, dat wil zeggen op zijn minst degenen die de vergaderingen van de PWG bijwoonden, ontegenzeglijk de consequenties hebben ingeschat, die het vastgestelde beleid zou hebben, ingeval dit strikt zou worden toegepast.

139 Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de Commissie het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG betreffende de marktaandelen, alsmede het bestaan van een heimelijke verstandhouding tussen deze zelfde ondernemingen betreffende machinestilstand rechtens genoegzaam heeft bewezen. Voor zover TBM/Iggesund Paperboard (Workington) Ltd/Iggesund Paperboard de vergaderingen van de PWG hebben bijgewoond (zie punten 370 e.v. infra), en verzoekster in de verklaringen van Stora uitdrukkelijk wordt genoemd, heeft de Commissie verzoekster terecht voor een deelneming aan deze beide heimelijke verstandhoudingen aansprakelijk gesteld.

140 Verzoeksters kritiek op de verklaringen van Stora, waarmee zij de bewijskracht van deze stukken betwist, kan aan deze vaststelling niet afdoen.

141 Vast staat namelijk, dat deze verklaringen afkomstig zijn van een van de ondernemingen die worden geacht bij de gestelde inbreuk betrokken te zijn geweest, en dat zij een gedetailleerde beschrijving bevatten van de aard van de binnen de organen van de PG Paperboard gevoerde besprekingen, van het doel dat werd nagestreefd door de daarin verenigde ondernemingen, alsmede van de deelneming van deze ondernemingen aan de vergaderingen van haar verschillende organen. Voor zover dit kernbewijsstuk door andere stukken in het dossier wordt bevestigd, worden de verklaringen van de Commissie daardoor afdoende gestaafd.

142 Evenmin kan verzoeksters verklaring worden aanvaard, dat het feitelijke gedrag van de ondernemingen aantoont dat de beweringen van de Commissie ongefundeerd zijn.

143 In de eerste plaats mag het bestaan van de heimelijke verstandhoudingen tussen de leden van de PWG betreffende de beide aspecten van het "prijs vóór tonnage"-beleid niet worden verward met de uitvoering daarvan. De door de Commissie verstrekte bewijzen hebben namelijk een zodanige bewijskracht, dat de inlichtingen betreffende het feitelijke gedrag van verzoekster op de markt niet kunnen afdoen aan de conclusies van de Commissie betreffende het bestaan zelf van de heimelijke verstandhoudingen betreffende de beide aspecten van het betrokken beleid.

144 In de tweede plaats zijn de conclusies van de Commissie niet in tegenspraak met de door verzoekster verstrekte inlichtingen. Beklemtoond moet worden, dat de Commissie uitdrukkelijk erkent, dat de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen "geen formeel mechanisme van strafmaatregelen of compensatie [inhield] om de afspraak betreffende de marktaandelen af te dwingen", en dat de marktaandelen van een aantal grote producenten jaarlijks omhoogkropen (zie in het bijzonder punten 59 en 60 van de considerans van de beschikking). Bovendien geeft de Commissie toe, dat tot begin 1990 de volledige capaciteit van de bedrijfstak werd benut, zodat tot die datum vrijwel geen machinestilstand noodzakelijk was (punt 70 van de considerans van de beschikking).

145 In de derde plaats bevestigen twee stukken in het dossier, dat verzoekster het binnen de PWG overeengekomen "prijs vóór tonnage"-beleid ten uitvoer heeft gelegd.

146 Zo heeft volgens de notulen van de vergadering van de PAA van 23 januari 1990, die door een vertegenwoordiger van Kopparfors (van de Stora-groep) zijn opgesteld, "Iggesund verklaard, dat Thames enige $downtime' had genomen, hetgeen eerder haar beleid was dan het verlagen van de prijzen" (bijlage 130 bij de mededeling van de punten van bezwaar).

147 Dezelfde strekking hebben de notulen van de vergadering van de PAA van 4 april 1990, die door Pegg, een vertegenwoordiger van Mayr-Melnhof, zijn opgesteld en waarin wordt verklaard:

"Thames Board (Iggesund) 3 weken levertijd. Vraag in het VK lager dan in dezelfde periode in 1989. Voorkeur voor machinestilstand boven verlaging van de prijzen. Prijsverhoging van april volledig ten uitvoer gelegd" (bijlage 131 bij de mededeling van de punten van bezwaar).

148 Gelet op het voorgaande, dienen het eerste en het tweede onderdeel van het middel te worden afgewezen.

Het derde onderdeel van het middel: onjuiste beoordeling van het belang van de Fides-statistieken

- Argumenten van partijen

149 Verzoekster betoogt, dat de Commissie het belang van de Fides-statistieken niet juist heeft beoordeeld. Zij heeft het belang en de onrechtmatigheid daarvan overdreven. Bovendien waren deze statistieken niet gedetailleerd genoeg om de controle van een quotastelsel mogelijk te maken.

150 Weliswaar werden de door Fides verzamelde statistieken per land uitgesplitst, behalve in de wekelijkse rapporten betreffende de binnenkomende orders, doch op basis daarvan kon niet worden vastgesteld, hoeveel elke producent had geleverd.

151 Verder erkent de Commissie volgens verzoekster, dat de producenten in de loop van het jaar voornamelijk voorlopige statistieken gebruikten (punt 63 van de considerans van de beschikking). Deze statistieken gaven slechts algemene informatie over de trend van de vraag. In deze omstandigheden hadden de deelnemers aan de vergaderingen van de PWG deze statistieken moeilijk voor een redelijke analyse van de marktaandelen en de capaciteitsbezetting kunnen gebruiken.

152 Bovendien was de stand van de orderportefeuille van elke producent, anders dan de Commissie verklaart, niet geheim. De door Fides verdeelde statistieken betreffende de stand van de orderportefeuilles dienden de producenten dus enkel op de hoogte te stellen van de situatie op Europees niveau.

153 De statistieken betreffende de capaciteiten en de bezetting waren onnauwkeurig en werden enkel gebruikt om trends in de bedrijfstak te observeren en de wijzigingen in de bezettingsgraad van iedere onderneming te vergelijken met de wijzigingen in de geaggregeerde bezettingsgraad.

154 Ten slotte waren de statistieken niet nodig om vast te stellen dat er een evenwicht tussen vraag en aanbod bestond, omdat die situatie voor de gehele bedrijfstak duidelijk was.

155 Volgens de Commissie wil verzoekster met haar argumenten voornamelijk aantonen, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling niet intrinsiek in strijd was met artikel 85, lid 1, van het Verdrag. Aangezien dit systeem enkel was gebruikt om een onrechtmatig kartel te versterken en de tenuitvoerlegging daarvan te vergemakkelijken, is dit een zuiver academische discussie.

- Beoordeling door het Gerecht

156 Het derde onderdeel van het middel moet aldus worden opgevat, dat de Commissie het belang van de Fides-statistieken niet juist zou hebben beoordeeld, aangezien deze statistieken voor het beweerde kartel niet nodig of van nut zouden zijn geweest.

157 Volgens artikel 1 van de beschikking hebben de in deze bepaling genoemde ondernemingen inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag door hun deelname aan een overeenstemming en onderling afgestemde feitelijke gedraging, waarbij de ondernemingen onder meer "ter ondersteuning van de bovengenoemde maatregelen [te weten een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen, een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand] commerciële informatie uitwisselden over leveringen, prijzen, machinestilstand, orderportefeuilles en bezettingsgraden".

158 Gelet op haar dispositief en punt 134, derde alinea, van de considerans, moet de beschikking, wat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling betreft, aldus worden uitgelegd, dat de Commissie dit systeem in strijd met artikel 85, lid 1, van het Verdrag heeft beschouwd voor zover het het vastgestelde kartel ondersteunde.

159 In punt 134, derde alinea, van de considerans van de beschikking wordt gepreciseerd, dat het Fides-systeem van informatie-uitwisseling "een wezenlijke bijdrage was tot:

- het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling;

- het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven;

- de besluitvorming over de mogelijke invoering van onderling afgestemde prijsverhogingen;

- het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')".

160 Verder blijkt uit de beschikking, dat de Fides-statistieken in de PWG zijn onderzocht en besproken. In punt 57, eerste alinea, van de considerans, die eveneens verwijst naar punt 63 daarvan, wordt verklaard: "$De ontwikkeling van de marktaandelen' werd op iedere vergadering van de PWG geanalyseerd op basis van voorlopige statistieken." Verder wordt in punt 69, eerste alinea, van de considerans gepreciseerd: "De wekelijkse orderportefeuille [$weekly order backlog'] kon worden vergeleken met de beschikbare capaciteit, en in het licht hiervan kon de PWG van de totale omvang van de vraag in de kartonindustrie een beoordeling opstellen."

161 Deze verklaringen van de Commissie moeten dus als bewezen worden beschouwd.

162 In de eerste plaats ontkent verzoekster niet, dat de Fides-statistieken in de PWG zijn besproken.

163 In de tweede plaats heeft de Commissie zich terecht op het standpunt gesteld, dat de Fides-statistieken binnen dit orgaan zijn gebruikt voor "het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling" (punt 134, derde alinea, eerste streepje) alsmede voor "het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven" en "het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')" (punt 134, derde alinea, tweede en vierde streepje).

164 Aangaande het gebruik van de Fides-statistieken voor "het toezicht op de ontwikkeling van de marktverdeling" heeft Stora namelijk erkend, dat "indien na analyse van de statistieken bleek dat het niveau van de verkopen door nationale groepen te sterk schommelden, de leden van de PWG (...) elkaar stimuleerden en toezegden om de fluctuaties op nationale markten te beperken" (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 19).

165 Verder staat in bijlage 43 bij de mededeling van de punten van bezwaar te lezen (punt 1.1):

"De fluctuaties van het aanbod op de nationale markten werden tijdens iedere vergadering van de PWG (dat wil zeggen om de twee of drie maanden) geanalyseerd en besproken op basis van voorlopige statistieken van Fides (...). Deze werden per maand opgesteld met een totaal per kalenderjaar en niet op basis van een totaal van het lopende jaar. De fluctuaties die in de statistieken tot uiting kwamen, gaven niet per se nauwkeurig de uiteindelijke situatie aan het eind van het jaar weer en men kon zich niet met grote zekerheid erop verlaten.

VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 694A0352.1

Het had voor de grote producenten die in de PWG vertegenwoordigd waren, geen zin om de marktaandelen gedetailleerd op een nationale grondslag te bespreken, aangezien de producenten de eindbestemmingen van hun leveranties niet konden bepalen.

(...)

De door de PWG-leden gemaakte afspraken betreffende de niveaus van de marktaandelen hadden betrekking op Europa in zijn geheel. Deze afspraken waren gebaseerd op de cijfers van het gehele voorgaande jaar, die gewoonlijk definitief beschikbaar waren in maart van het daarop volgende jaar."

166 Met betrekking tot het gebruik van de Fides-statistieken voor "het toezicht op de voorwaarden van vraag en aanbod teneinde een volledige capaciteitsbezetting te handhaven" en "het bepalen van de noodzakelijke machinestilstandtijd ($downtime')" zij verwezen naar de navolgende verklaring van Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 5):

"In verband met het prijsinitiatief uit 1987 was het noodzakelijk, een globaal evenwicht te handhaven tussen productie en consumptie ($prijs vóór tonnage'-beleid). In 1988 en 1989 draaiden de producenten met volledige of nagenoeg volledige capaciteit. In 1990 leidde een combinatie van capaciteitsuitbreiding en een afnemende groei van de vraag ertoe, dat de producenten downtime begonnen te nemen om het evenwicht tussen productie en verbruik te handhaven. (...) Uit de jaarlijkse capaciteitsverslagen konden de producenten opmaken, hoeveel downtime noodzakelijk was, en zij stimuleerden elkaar om genoeg downtime te nemen om het evenwicht tussen productie en vraag te handhaven. (...) niet alle producenten namen aldus downtime, met als consequentie dat sommige, in de regel de grootste, producenten in hun poging om de prijsniveaus te handhaven, grotere verliezen in tonnage leden" (in dezelfde zin punt 25 van dit document).

167 De verklaringen van Stora worden indirect bevestigd door de bijlagen 73 en 75 bij de mededeling van de punten van bezwaar. Uit bijlage 73 (zie punten 123 e.v. supra) blijkt namelijk, dat de marketingmanager, verantwoordelijk voor de verkoop van de Mayr-Melnhof-groep/FS-Karton in Duitsland (Katzner), aan de algemeen directeur van verzoekster in Oostenrijk een wijziging van het destijds geldende Fides-systeem van informatie-uitwisseling heeft voorgesteld (blz. 5, sub 5, onder de titel "Kontrolle"). Blijkens bijlage 75 (blz. 11), een antwoord van verzoekster op een verzoek om inlichtingen, zijn "de Fides-regels later ongeveer in de zin van de [in bijlage 73] vervatte voorstellen gewijzigd" (zie eveneens punt 63, tweede alinea, van de considerans van de beschikking). Gelet op de algemene toon van bijlage 73, moet het verzoek om wijziging van het Fides-systeem van informatie-uitwisseling van de heer Katzner aldus worden uitgelegd, dat dit systeem niet voldoende toezicht op de ontwikkeling van de marktaandelen en/of onderzoek van machinestilstand mogelijk maakte en dat het bijgevolg moest worden verbeterd om een beter toezicht te verzekeren.

168 Gelet op deze bewijzen en op het feit dat de Commissie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster binnen de PWG heeft deelgenomen aan een heimelijke verstandhouding betreffende machinestilstand en een heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen, dient het derde onderdeel van dit middel te worden afgewezen.

169 Bijgevolg dient dit middel in zijn geheel te worden afgewezen.

Het middel: onjuiste beoordeling van de duur van het kartel

Argumenten van partijen

170 Verzoekster stelt, dat zelfs uitgaande van de verklaringen in de beschikking, vóór 1988 geen sprake was van een inbreuk. Indien de verklaringen van Stora buiten beschouwing worden gelaten, rechtvaardigt niets de conclusie, dat de oprichting van de PWG als zodanig een inbreuk opleverde. Overigens blijkt uit het bewijsmateriaal niet, dat de PWG voor 10 november 1986 was opgericht.

171 Bovendien blijkt noch uit de mededeling van de punten van bezwaar, noch uit de beschikking, dat het prijsinitiatief van januari 1987 voor het Verenigd Koninkrijk een inbreuk was.

172 De Commissie blijft erbij, dat het begin van de inbreuk van midden 1986 dateert en dat van deze datum moet worden uitgegaan bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete. Dit is ongeveer het tijdstip waarop de PG Paperboard werd gereorganiseerd en de besprekingen over prijzen en hoeveelheden begonnen. Wat dit aangaat, heeft zij zich haars inziens terecht op de verklaringen van Stora gebaseerd.

Beoordeling door het Gerecht

173 Volgens punt 161, tweede alinea, van de considerans van de beschikking hebben de meeste ondernemingen tot welke deze beschikking is gericht, aan de inbreuk deelgenomen vanaf juni 1986, "het tijdstip waarop de PWG werd ingesteld en de heimelijke verstandhouding tussen de kartonproducenten in de PG Paperboard intensiever en geleidelijk doeltreffender werd".

174 Met betrekking tot de datum van oprichting van de PWG heeft Stora verklaard (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8): "De PWG kwam bijeen vanaf 1986 (...)"

175 Op basis daarvan heeft de Commissie, aangezien bewijzen omtrent de precieze datum van oprichting van dit orgaan ontbraken, zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat de PWG tegen medio 1986 is opgericht en vanaf dat tijdstip regelmatig bijeenkwam. In dit verband zij opgemerkt, dat verzoekster de vergaderingen van de PWG vanaf de oprichting van dit orgaan heeft bijgewoond (zie punten 370 e.v. infra). Onder deze omstandigheden kan zij niet zonder bewijzen te leveren tot staving van haar verklaring dat dit orgaan pas later is opgericht, rechtsgeldig de beoordeling van de Commissie betreffende het tijdstip van oprichting van de PWG betwisten.

176 De Commissie heeft terecht geconcludeerd, dat verzoekster als onderneming die de vergaderingen van de PWG heeft bijgewoond vanaf de oprichting van dit orgaan tegen medio 1986, vanaf die datum aansprakelijk moet worden geacht voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen.

177 De PWG is namelijk door bepaalde ondernemingen, waaronder verzoekster, opgericht met een voornamelijk mededingingsverstorend oogmerk. Zoals Stora heeft meegedeeld (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 8), "kwam de PWG vanaf 1986 bijeen om de invoering van discipline op de markt te ondersteunen", en omvatte het doel onder meer "bespreking van en onderlinge afstemming over markten, marktaandelen, prijzen, prijsverhoging en capaciteit" (bijlage 35 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 5, sub iii).

178 De rol die de ondernemingen die lid waren van dit orgaan, hebben gespeeld met betrekking tot de heimelijke verstandhouding betreffende de marktaandelen en die betreffende machinestilstand, is beschreven in het voorgaande middel (zie punten 113-139 supra). De ondernemingen die lid waren van dit orgaan, hebben eveneens gesproken over prijsinitiatieven. Volgens Stora (bijlage 39 bij de mededeling van de punten van bezwaar, punt 10) is "met ingang van 1987 de PWG tot overeenstemming gekomen over en heeft zij algemene besluiten genomen betreffende het tijdstip en het niveau van door de kartonproducenten door te voeren prijsverhogingen".

179 Het feit dat zij heeft ingestemd met de oprichting en de deelneming aan de vergaderingen van een orgaan waarvan het mededingingsverstorende doel, onder meer bestaande in besprekingen over toekomstige prijsverhogingen, bij zijn oprichting bekend was en werd aanvaard door de ondernemingen, is derhalve voldoende reden om verzoekster aansprakelijk te achten voor een heimelijke verstandhouding betreffende de prijzen vanaf medio 1986.

180 Het middel dient derhalve te worden afgewezen.

Het middel: onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie ervan is uitgegaan, dat de inbreuk betrekking had op SBS-karton, en dat dit karton deel uitmaakte van dezelfde markt als GC- en GD-karton, alsmede motiveringsgebreken en procedurele gebreken dienaangaande

181 Het middel valt uiteen in drie onderdelen. Elk onderdeel zal afzonderlijk worden onderzocht.

Het eerste onderdeel van het middel: schending van het recht van verweer

182 Verzoekster stelt dat zij gedurende de administratieve procedure haar recht van verweer niet heeft kunnen uitoefenen, omdat in de mededeling van de punten van bezwaar niet van een inbreuk betreffende SBS-karton werd gesproken. Dit karton werd slechts één keer tussen haakjes genoemd met betrekking tot een prijsverhoging.

183 Deze bewering is ongefundeerd.

184 Uit de mededeling van de punten van bezwaar (blz. 3 en 4) blijkt namelijk, dat drie in West-Europa geproduceerde hoofdkwaliteiten van karton, waaronder SBS-karton, door de definitie van "karton" worden gedekt en het voorwerp van de onderhavige procedure zijn.

185 Bovendien worden de bewijsstukken die de Commissie in de beschikking aanvoert om aan te tonen dat de inbreuk betrekking heeft op SBS-karton, vermeld in de mededeling van de punten van bezwaar en in de afzonderlijke gegevens daarvan, die zij aan verzoekster heeft doen toekomen (zie in het bijzonder de bijlagen 111, 113 en 177 bij de mededeling van de punten van bezwaar).

186 Ten slotte bevat elk van de prijsbijlagen bij de mededeling van de punten van bezwaar voor elk gesteld onderling afgestemd prijsinitiatief inlichtingen over de prijsverhogingen van SBS-karton.

187 Uit de mededeling van de punten van bezwaar blijkt derhalve duidelijk, dat de procedure betrekking had op SBS-karton.

188 Bijgevolg dient dit eerste onderdeel van het middel te worden afgewezen.

Het tweede onderdeel van het middel: onjuiste beoordeling, voor zover de Commissie ervan is uitgegaan, dat de inbreuk betrekking had op SBS-karton en ontoereikende motivering dienaangaande

- Argumenten van partijen

189 Verzoekster betoogt, dat uit de beschikking en de daarin vermelde bewijsstukken niet kan worden geconcludeerd, dat de inbreuk betrekking had op SBS-karton. Ook stelt zij, dat de beschikking onvoldoende gegevens bevat om de beweringen van de Commissie te staven.

190 Om te beginnen wordt SBS-karton niet in de verklaringen van Stora genoemd.

191 Verder had geen van de beweringen betreffende de maatregelen tot beheersing van de hoeveelheden betrekking op SBS-karton. De bewering dat binnen de PWG een afspraak zou zijn gemaakt om de marktaandelen van 1987 aan te houden, heeft betrekking op een periode gedurende welke geen van de producenten van SBS-karton in dit orgaan vertegenwoordigd was.

192 De bij Rena ontvangen handgeschreven notitie betreffende de vergadering van het JMC van 6 september 1989 (bijlage 117 bij de mededeling van de punten van bezwaar) is niet relevant, omdat Iggesund Paperboard deze vergadering niet heeft bijgewoond en de notitie betrekking heeft op een prijsverhoging welke van een maand voor de vergadering dateert.

193 De tabellen in bijlage bij de beschikking betreffende de prijsverhogingen tonen evenmin aan, dat er een onderlinge afstemming betreffende SBS-karton bestond. Een vergelijking van de door haar aangekondigde prijsverhogingen met de verhogingen die zijn aangekondigd door Enso-Gutzeit, de andere producent van SBS-karton tot wie de beschikking is gericht, alsmede met de aankondigingen betreffende GC- en GD-karton bevestigt dat er geen onderlinge afstemming betreffende SBS-karton bestond.

194 De motivering van de beschikking betreffende SBS-karton is eveneens gebrekkig, omdat, anders dan in punt 4 van de considerans wordt vermeld, de term "GC-kwaliteiten" niet SBS-karton omvat.

195 Bovendien is de passage volgens welke de prijsinitiatieven "verhogingen op alle nationale markten inhielden (...), waarbij de stijgingen voor SBS over het algemeen (doch niet altijd) die van de GC-kwaliteiten volgden" (punt 20, tweede alinea, van de considerans van de beschikking), afgezien van de samenvatting van de inbreuk, alsmede enige onduidelijke verklaringen in de punten 86 en 97 van de considerans, de enige passage waarin wordt verklaard dat de prijsinitiatieven betrekking hadden op SBS-karton.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in