Gerecht EU 6 juli 2022, T-278/20, ECLI:EU:T:2022:417

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

6 juli 2022 ( *1 )

„Dumping – Invoer van stalen wielen van oorsprong uit China – Instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht – Artikel 17, lid 4, en de artikelen 18 en 20 van verordening (EU) 2016/1036 – Niet-medewerking – Ontoereikendheid van de aan de Commissie verstrekte informatie”

In zaak T‑278/20,

Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture Co. Ltd, gevestigd te Taizhou (China),

Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts Co. Ltd, gevestigd te Ningbo (China),

vertegenwoordigd door K. Adamantopoulos en P. Billiet, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Blanck en G. Luengo als gemachtigden,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: H. Kanninen, president, O. Porchia (rapporteur) en M. Stancu, rechters,

griffier: I. Pollalis, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 14 december 2021,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

Voorgeschiedenis van het geding

[omissis]

3 Verzoeksters zijn twee in China gevestigde vennootschappen naar Chinees recht. Samen met de vennootschap naar Samoaans recht Ningbo Wheelsky Company Limited (hierna: „WS”) maken Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture Co. Ltd (hierna: „HT”) en Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts Co. Ltd (hierna: „TC”) deel uit van de Hangtong-groep (hierna: „HT-groep”) en alle drie zijn verbonden ondernemingen.

4 Binnen deze groep produceert HT stalen wielen die zowel op de binnenlandse Chinese markt als op de exportmarkt worden verkocht, terwijl TC een handelaar is en WS de betaling ontvangt van de verkopen aan klanten/importeurs. Voor bepaalde uitvoertransacties maakt de HT-groep gebruik van de kanalen van Ningbo Ningdian International Trade CO. Ltd (hierna: „ND”), een douaneagent die niet met verzoeksters verbonden is. [omissis]

Conclusies van partijen

25 Verzoeksters verzoeken het Gerecht: – uitvoeringsverordening (EU) 2020/353 van de Commissie van 3 maart 2020 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op stalen wielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2020, L 65, blz. 9; hierna: „bestreden verordening”) nietig te verklaren voor zover zij op hen betrekking heeft; – de Commissie in de kosten van verzoeksters te verwijzen.

26 De Commissie verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeksters in de kosten te verwijzen.

In rechte

[omissis]

Tweede middel: kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 2, leden 6 bis, 8, 10 en 11, artikel 3, artikel 6, artikel 9, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3, van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21; hierna: „basisverordening”) alsmede van bijlage II, lid 3, bij de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de algemene overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (GATT) (PB 1994, L 336, blz. 103; hierna: „WTO-antidumpingovereenkomst”), en voorts schending van de artikelen 2 en 3, artikel 6, leden 6 en 8, artikel 9, lid 4, en artikel 18, leden 1 en 3, van de basisverordening alsmede van bijlage II, lid 3, bij de WTO-antidumpingovereenkomst

31 Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen.

32 Met het eerste onderdeel betogen verzoeksters in wezen dat de Commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de door hen aan haar overgelegde gegevens over de uitvoerprijzen niet betrouwbaar waren. Met het tweede onderdeel verwijten zij de Commissie dat zij geen rekening heeft gehouden met de inspanningen die zij aan de dag hebben gelegd om het onderzoek te laten slagen, en dat zij de uitvoerprijs niet heeft berekend op basis van de door hen verstrekte gegevens, ook al waren dit niet in alle opzichten de beste gegevens. Met het derde onderdeel verwijten verzoeksters de Commissie niet de normale waarde te hebben berekend en niet de beschikbare gegevens te hebben gebruikt om hun dumpingmarge vast te stellen.

– Eerste en tweede onderdeel van het tweede middel: kennelijke beoordelingsfout en schending van artikel 2, leden 6 bis, 8, 9, 10 en 11, artikel 3, artikel 6, artikel 9, lid 6, en artikel 18, leden 1 en 3, van de basisverordening en van bijlage II, lid 3, bij de WTO-antidumpingovereenkomst

33 Met de eerste twee onderdelen van het tweede middel, die tezamen moeten worden onderzocht, verklaren verzoeksters in de eerste plaats dat de gegevens die zij aan de Commissie hebben verstrekt volstonden om de Commissie in staat te stellen een betrouwbare uitvoerprijs vast te stellen.

34 In dit verband wijzen verzoeksters erop dat de in de boeken van HT opgenomen verkoopprijzen voor de stalen wielen overeenstemden met de verkoopprijzen die waren vermeld op de btw-facturen en douaneaangiften van HT aan TC, waarbij deze verkoopprijzen tijdens het onderzoektijdvak 90 % uitmaakten van de uitvoer van stalen wielen door de HT-groep naar de EU.

35 Het verschil tussen de bedragen in de door HT voor TC opgestelde btw-facturen en de douaneaangiften betreffende de uitvoer uit China betrof namelijk slechts 10 % van hun totale uitvoer naar de Unie, zodat de Commissie overeenkomstig haar algemene praktijk de mogelijkheid had om dat resterende gedeelte van 10 % buiten beschouwing te laten.

36 In dit verband betogen verzoeksters dat uit de beweringen van de Commissie in de overwegingen 35 en 40 van de bestreden verordening een tegenstrijdige redenering blijkt. Deze instelling kan namelijk niet stellen dat er sprake is van een fundamentele onzekerheid over de betrouwbaarheid van de boekhoudkundige gegevens van verzoeksters en tegelijkertijd erkennen dat de informatie over de normale waarde betrouwbaar en geverifieerd was, terwijl de normale waarde, zoals zij heeft erkend, 50 % van de berekening van de dumpingmarge uitmaakt.

37 Verzoeksters stellen dat de uitvoerprijs van de in de Unie verkochte producten ook zonder de ontbrekende boekhoudkundige gegevens van WS kon worden vastgesteld door gebruik te maken van de DMSAL-lijst (sales in the domestic market; verkoop op de binnenlandse markt), waarin alle verkopen van HT aan TC met het oog op de uitvoer van de goederen naar de Unie waren opgenomen en geïdentificeerd. De gegevens in die lijst konden gemakkelijk worden vergeleken met de inklaringsformulieren voor naar de Unie uitgevoerde goederen, de btw-facturen voor uitvoer naar de Unie en de betalingsgegevens van de klanten uit de Unie zoals die blijken uit de bankafschriften van WS.

38 Verzoeksters betwisten de overwegingen van de Commissie dat het voor deze instelling onmogelijk was om de uitvoerprijs met zekerheid vast te stellen, ook al stemde de aangegeven douanewaarde, zoals zij zelf had geconstateerd, overeen met de oorspronkelijke handelsfactuur, los van het feit dat er voor een en dezelfde transactie twee facturen konden bestaan, de ene voor de band tussen HT en TC en de andere voor de band tussen TC en ND. Dit betekent dat de Commissie op basis van de door HT aan CT of ND gefactureerde prijzen een uitvoerprijs zou kunnen vaststellen door deze aan te passen, overeenkomstig haar gebruikelijke praktijk wanneer zij over betrouwbare gegevens betreffende de normale waarde beschikt.

39 Deze gegevens konden bovendien worden vergeleken met de statistieken van de Chinese douane, die – anders dan de Commissie probeert aan te tonen door middel van het document in bijlage B2 bij het verweerschrift – juist waren. De vermeende onbetrouwbaarheid van die gegevens houdt immers verband met het feit dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met de correcties die verzoeksters in het document in bijlage C4 bij de repliek hebben aangebracht. Deze gegevens komen overeen met de RLSALUR-lijst [resales of related parties to independent customers in the EU (lijst van wederverkopen van verbonden partijen aan onafhankelijke afnemers in de Unie)] die verzoeksters hadden gewijzigd en waarin alle verkopen van verbonden partijen aan onafhankelijke afnemers in de Unie waren geïnventariseerd.

40 Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij niet de moeite heeft genomen om de totale verkoop van voor uitvoer bestemde stalen wielen te verifiëren door de administratie van onafhankelijke afnemers en de btw-facturen betreffende de uitvoer te analyseren, zoals deze instelling nochtans had toegezegd te zullen doen in de mededeling die zij hun bij de kennisgeving van de voorlopige verordening had gedaan, en ondanks het feit dat zeven van hun acht afnemers in de Unie ermee hadden ingestemd om met de Commissie samen te werken.

41 Verzoeksters betogen dat zij er hoe dan ook in zijn geslaagd om 98 % van hun uitvoer naar de Unie te bewijzen op basis van bankafschriften van betalingen aan WS en 65 % van hun uitvoer naar de Unie te bewijzen op basis van douaneformulieren voor invoer naar de Unie.

42 In dat verband, en wat de gegevens betreffende de formulieren voor de invoer van goederen in de Unie betreft, merken verzoeksters op dat zij, zoals zij de Commissie in hun opmerkingen van 27 augustus 2019 hebben meegedeeld, deze instelling de EUSALES-lijst hebben toegezonden, waarin hun acht afnemers in de Unie waren vermeld, en vervolgens een bijgewerkte lijst van deze afnemers, met hun contactgegevens en, voor het merendeel van hen, een bewijs van betaling van de douanerechten bij invoer in de Unie. Deze elementen bevestigden dat voor het merendeel van de transacties de gefactureerde uitvoerprijzen waren betaald. Het resterende, ongedocumenteerde gedeelte was te wijten aan het feit dat sommigen van hun afnemers niet bereid waren geweest verzoeksters de documenten te verstrekken betreffende de invoer die zij hadden verricht.

43 Verzoeksters voegen hieraan toe dat de Commissie, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof en van de WTO, zich ter rechtvaardiging van haar afwijzing van de vaststelling van de uitvoerprijs verzoeksters niet kon tegenwerpen dat zij geen bewijs leverden van een duidelijke verdeling tussen uitvoer binnen de Unie en uitvoer naar landen buiten de Unie aangezien zij geen tabel hadden overgelegd waaruit de verdeling tussen die uitvoertransacties bleek, ook al was dat hun nooit gevraagd. Zij betogen dat het gebruik van de DMSAL-tabel, waaruit een dergelijke uitsplitsing duidelijk werd, het in elk geval mogelijk maakte onderscheid te maken tussen verkopen aan importeurs in de Unie en verkopen aan importeurs die in derde landen waren gevestigd.

44 In dit verband benadrukken verzoeksters dat zij voor de uitvoer naar de Unie gebruikmaken van een systeem van driehoeksfacturatie tussen verbonden ondernemingen. Volgens dit systeem kunnen de verkoopprijzen van goederen uit China op de facturen van afnemers in de Unie verschillen – en verschillen zij ook vaak – van de prijzen die voor deze goederen bij de douaneautoriteiten van de Unie worden aangegeven op het moment dat ze worden ingevoerd.

45 Voor zover de transactiewaarde een verkoop met het oog op de uitvoer weerspiegelt en niet lager is dan de marktwaarde en de intrinsieke kosten van de betrokken goederen, met inbegrip van de kosten van vervoer en verzekering tot aan de grens van de Unie, wordt deze transactiewaarde dus rechtmatig gebruikt voor de bepaling van de douanewaarde in de Unie.

46 Verzoeksters stellen dat de informatie die zij aan de Commissie hadden meegedeeld verreweg de beste beschikbare informatie in de zin van bijlage II bij de WTO-antidumpingovereenkomst was over de exportverkoop van stalen wielen. Dit zou overigens door de raadadviseur-auditeur zijn vastgesteld in haar eerste verslag van de hoorzitting, waarin zij heeft aangegeven dat verzoeksters naar beste vermogen hadden gehandeld.

47 Verzoeksters concluderen dat de Commissie, door de bij haar ingediende gegevens te verwerpen, door niet de handelingen te verrichten die zij in de mededeling ten tijde van de kennisgeving van de voorlopige verordening had toegezegd, en door haar bevindingen te baseren op informatie die de Commissie niet van hen had gevraagd, heeft nagelaten een billijke vergelijking van de prijzen te maken aan de hand van de uitvoerprijzen, zoals artikel 2, lid 11, van de basisverordening vereist.

48 Verzoeksters stellen in de tweede plaats dat de Commissie, wat de uitvoerprijs betreft, gebruik had moeten maken van artikel 18, lid 3, van de basisverordening door, ter berekening de prijs en de omvang van de uitvoer naar de Unie tijdens het onderzoekstijdvak, de verkoop „af fabriek” van HT aan TC en ND te gebruiken, zodat zij de dumping- en schademarges nauwkeurig had kunnen vaststellen krachtens artikel 18, lid 3, van de basisverordening, zonder rekening te houden met de transacties van WS, overeenkomstig de relevante rechtspraak, met name de punten 120 en 121 van het arrest van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad (T‑413/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:164).

49 Dienaangaande betogen verzoeksters dat de Commissie nooit vraagtekens heeft geplaatst bij de prijzen die door HT aan TC en ND in rekening zijn gebracht of bij de waarde van de stalen wielen die bij de invoer van de stalen wielen van verzoeksters bij de douaneautoriteiten van de Unie zijn aangegeven. Zij voegen hieraan toe dat de vaststelling van de uitvoerprijs op basis van dergelijke gegevens in overeenstemming is met artikel 2, leden 8 en 9, van de basisverordening.

50 Zij wijzen erop dat de argumentering van de Commissie betreffende de verwerping van de vaststelling van de uitvoerprijs op basis van de facturering tussen HT en TC ongegrond is. Het staat immers vast dat deze prijzen lager zijn dan de prijzen die daadwerkelijk aan de afnemers in de Unie in rekening zijn gebracht. De vaststelling van de uitvoerprijs op basis van deze gegevens kan dus leiden tot de vaststelling van antidumpingrechten die strenger zijn dan die welke zouden zijn vastgesteld op basis van de prijzen die daadwerkelijk aan de importeurs in de Unie in rekening zijn gebracht.

51 Met betrekking tot het bezwaar van de Commissie dat het wegens artikel 9, lid 6, van de basisverordening onmogelijk is om onzekere waarden toe te passen, voeren verzoeksters aan dat deze bepaling zelfs van toepassing moet zijn wanneer de Commissie artikel 18 van de basisverordening toepast ten aanzien van de in de steekproef opgenomen producenten. De marges van de betrokken producenten worden dan niet in aanmerking genomen bij de berekening van de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor producenten die niet in de steekproef waren opgenomen.

52 In ieder geval heeft de Commissie niet aangetoond hoe, ongeacht de toepassing van artikel 9, lid 6, van de basisverordening, het opnemen van verzoeksters in de steekproef de resultaten van het onderzoek aanmerkelijk had kunnen beïnvloeden.

53 Ten slotte stellen zij dat de Commissie op grond van de WTO-regels niet mocht weigeren het bepaalde in artikel 18, lid 3, van de basisverordening toe te passen.

54 De Commissie concludeert tot afwijzing van deze argumenten.

55 Om op verzoeksters’ argumenten te antwoorden, lijkt het in dit verband noodzakelijk om eerst te onderzoeken of de meegedeelde documenten, zoals de DMSAL-lijst of de douaneaangiften, voldoende betrouwbaar waren om de Commissie in staat te stellen een uitvoerprijs vast te stellen, en vervolgens te bepalen of de Commissie gebruik kon maken van artikel 18, lid 3, van de basisverordening om de uitvoerprijs vast te stellen, in omstandigheden waarin verzoeksters alle in hun bezit zijnde documenten hadden meegedeeld.

56 Wat allereerst de vraag betreft of de gegevens betreffende de vaststelling van de uitvoerprijs betrouwbaar zijn, zij er om te beginnen aan herinnerd dat de Commissie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, volgens vaste rechtspraak van het Hof over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moet onderzoeken. Bij het rechterlijk toezicht op een dergelijke beoordeling dient dan ook alleen te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid [zie arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

57 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de toetsing door het Gerecht van de bewijzen waarop de Commissie haar vaststellingen baseert, geen nieuwe beoordeling van de feiten vormt die in de plaats komt van de beoordeling van de feiten door die instelling. Deze toetsing maakt geen inbreuk op de ruime beoordelingsbevoegdheid die deze instelling op het gebied van de handelspolitiek bezit, maar is beperkt tot de vaststelling of die elementen de door de Commissie getrokken conclusies kunnen schragen. Het Gerecht dient bijgevolg niet alleen de materiële juistheid van het aangevoerde bewijs en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, het moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen en de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen [zie arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

58 Bovendien moeten de bij de antidumpingprocedure betrokken ondernemingen in het kader van de basisverordening de Commissie de inlichtingen verstrekken die nodig zijn om hun dumpingmarge vast te stellen. Wanneer dergelijke inlichtingen niet worden verstrekt, lopen deze ondernemingen het risico dat op hen krachtens artikel 18, lid 1, van die verordening andere dan de door hen verstrekte gegevens worden toegepast (zie in die zin arrest van 13 juli 2006, Shandong Reipu Biochemicals/Raad, T‑413/03, EU:T:2006:211, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59 In dit verband zij erop gewezen dat uit een analyse van het document van de Commissie in bijlage B1 bij het verweerschrift, dat door verzoeksters niet wordt betwist, in de eerste plaats blijkt dat in elk van de zeven verkoopkanalen die de HT-groep voor de uitvoer van haar producten gebruikte, de importeurs voor de goederen betaalden via WS, die geen boekhouding kon tonen. Los van het feit dat de Samoaanse wet op de vennootschappen niet bepaalt dat zij moeten aantonen een gecertificeerde boekhouding te voeren, hadden de bankafschriften van WS bijgevolg geen enkele bewijskracht.

60 In de tweede plaats werd in alle verkoopkanalen aan de importeurs verkocht zonder dat de op hun naam uitgereikte facturen onder de HT-groep werden geboekt. Het was namelijk zo dat ofwel TC in haar boekhouding facturen opnam voor een bedrag dat lager was dan het bedrag op de aan de importeurs gerichte facturen en zij op basis van deze eerste facturen misleidende aangiften deed bij de douaneautoriteiten met betrekking tot de uitvoerprijs (kanaal 1), ofwel TC namens de importeurs facturen uitschreef, maar deze niet in haar boekhouding opnam (kanalen 2 en 3), ofwel WS facturen uitschreef zonder ze te boeken, aangezien de Samoaanse wetgeving vennootschappen niet verplicht een gecertificeerde boekhouding bij te houden (kanalen 4 en 5), ofwel, ten slotte, de facturen werden uitgeschreven door ND, een vennootschap die geen deel uitmaakt van de groep en ten aanzien waarvan de Commissie geen informatie heeft kunnen verkrijgen omdat zij niet meewerkte aan het onderzoek (kanalen 6 en 7).

61 In de derde plaats vonden in alle verkoopkanalen, met uitzondering van het eerste verkoopkanaal, de verkoop van exportgoederen plaats na de verkoop van de goederen door HT of TC aan ND, hetgeen om de in punt 60 hierboven genoemde redenen impliceerde dat het voor de Commissie onmogelijk was om de verkoopprijs vast te stellen die werkelijk door de Europese importeurs werd betaald.

62 Op grond van de combinatie van alle in de punten 59 tot en met 61 hierboven vermelde elementen kan niet worden geconcludeerd dat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt door te oordelen dat de gegevens betreffende de uitvoerprijs volstrekt onbetrouwbaar waren.

63 Dit betekent dat verzoeksters’ verklaringen dat zij 98 % van de betalingen van de Europese importeurs hebben bewezen op basis van bankafschriften van WS, 90 % van de verkoopprijzen op basis van de door HT uitgereikte btw-facturen en, ten slotte, 65 % van de uitvoertransacties naar de Unie op basis van de douaneaangiften van die importeurs, alsmede verzoeksters’ bewering dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het door hen opgezette systeem van driehoekshandel, moeten worden afgedaan als louter beweringen.

64 Deze tegenstrijdigheden zijn overigens duidelijk geworden tijdens de hoorzitting, waarbij verzoeksters hebben erkend dat de Commissie onmogelijk gebruik kon maken van de boekhouding van WS, dat de facturen van TC aan Europese importeurs niet in een boekhouding waren opgenomen en dat het bijgevolg moeilijk was om in casu een betrouwbare uitvoerprijs vast te stellen.

65 Bijgevolg moet in de eerste plaats worden onderzocht of deze uitvoerprijs kon worden vastgesteld, zoals verzoeksters suggereren, op basis van de DMSAL-lijst en op basis van de door HT aan TC uitgereikte btw-facturen, en of de Commissie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitvoerprijs onmogelijk kon worden vastgesteld bij gebreke van een tabel waarin de uitvoer met de Unie wordt onderscheiden van de uitvoer naar andere landen, waarvan tijdens het onderzoek niet om de mededeling is verzocht.

66 Wat om te beginnen de DMSAL-lijst en de door HT aan TC uitgereikte btw-facturen betreft, zij opgemerkt dat deze bewijzen, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt, betrekking hadden op verkoop van HT aan TC en dus op verkoop binnen de groep en binnenlandse verkoop, waarvan de prijs bijgevolg verschilde van die welke daadwerkelijk door de Europese importeurs werd betaald. Bovendien heeft de Commissie, zoals ter terechtzitting is bevestigd, bij gebreke van enige geloofwaardige boekhouding betreffende de door verzoeksters opgegeven uitvoer naar de Unie niet kunnen verifiëren of die uitvoer reëel was.

67 Met betrekking tot het argument van verzoeksters dat er geen tabel is overgelegd waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen uitvoer naar de Unie en andere uitvoer, moet worden opgemerkt dat verzoeksters ter terechtzitting om te beginnen hebben aangegeven dat een dergelijke tabel nutteloos was aangezien alle informatie die daarin zou worden opgenomen reeds in de DMSAL-lijst was opgenomen, vervolgens hebben bevestigd dat zij een dergelijke tabel hadden kunnen opstellen indien de Commissie hen daarom had verzocht – zoals blijkt uit de opmerkingen die zij op 25 oktober 2019, na de kennisgeving van de voorlopige verordening, hebben toegezonden – en ten slotte hebben toegegeven dat zij geen dergelijke tabel hadden verstrekt omdat zij vreesden dat de Commissie hen zou tegenwerpen dat een dergelijke tabel niet geloofwaardig was bij gebreke van facturen ter staving van die gegevens.

68 Deze tegenstrijdige verklaringen maken duidelijk dat verzoeksters’ argument dat de Commissie zich er voor de afwijzing van hun gegevens over de uitvoerprijs niet op kon beroepen dat er geen tabel met de uitvoer naar de Unie was overgelegd, kunstmatig van aard is.

69 De Commissie heeft deze exportgegevens inderdaad niet gebruikt, niet alleen omdat een dergelijke tabel ontbreekt, maar vooral omdat die instelling, zoals blijkt uit de overwegingen 32, 35 en 40 van de bestreden verordening, werd geconfronteerd met „de fundamentele onbetrouwbaarheid van de administratie van de onderneming” en de onmogelijkheid om met zekerheid het soort en het aantal naar de Unie uitgevoerde producten vast te stellen, zodat zij geen uitvoerprijs kon vaststellen op basis van de door HT aan TC uitgereikte btw-facturen. Deze laatste bevindingen zijn overigens geenszins in tegenspraak met het feit dat de Commissie heeft geoordeeld dat de gegevens over de normale waarde betrouwbaar waren, aangezien die gegevens, anders dan de uitvoergegevens, regelmatig in de boekhouding van HT waren opgenomen.

70 Bovendien blijken de verordeningen waarnaar verzoeksters verwijzen om aan te tonen dat de Commissie van haar gebruikelijke praktijk is afgeweken met betrekking tot de correctie van de uitvoerprijzen, niet relevant, aangezien de wettigheid van een verordening tot instelling van antidumpingrechten moet worden getoetst aan de rechtsregels en met name aan de bepalingen van de basisverordening, en niet aan de hand van de vermeende vroegere beschikkingspraktijk van de Commissie [zie in die zin arrest van 18 oktober 2016, Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad, T‑351/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:616, punt 107].

71 Wat in de tweede plaats de argumenten van verzoeksters betreft inzake het vermeende gebrek aan zorgvuldigheid van de onderzoekers met betrekking tot de Europese importeurs en met betrekking tot de documenten betreffende deze importeurs, moet vooreerst worden opgemerkt dat, anders dan verzoeksters stellen, de Commissie zich nooit heeft verbonden tot een onderzoek ter plaatse bij deze importeurs om de uitvoerprijs vast te stellen. Uit de specifieke mededeling aan verzoeksters die de voorlopige verordening begeleidde blijkt immers dat deze instelling enkel akte heeft genomen van hun voorstel daartoe in een brief van 27 augustus 2019, die is opgenomen in bijlage A 21 bij het verzoekschrift.

72 Naast het feit dat verzoeksters niet opkomen tegen de in overweging 33 van de bestreden verordening vermelde omstandigheid dat slechts drie importeurs in de Unie hebben ingestemd met de Commissie samen te werken, moet vervolgens worden opgemerkt dat het opgegeven aantal importeurs in de loop van het onderzoek varieerde van acht, zoals blijkt uit het document van 27 augustus 2019, dat als bijlage A 21 bij het verzoekschrift is gevoegd, tot twaalf in januari 2020, zoals blijkt uit de documenten in bijlage A 28 bij het verzoekschrift.

73 Zoals zij ter terechtzitting heeft bevestigd, impliceert een dergelijke variatie van het aantal importeurs in de Unie dat de Commissie zich terecht op het standpunt kon stellen dat zij geen zekerheid had over de betrouwbaarheid van de door verzoeksters over deze importeurs verstrekte informatie, zodat haar niet kan worden verweten dat zij daarmee geen rekening heeft gehouden, en evenmin dat zij geen stappen bij deze importeurs heeft ondernomen. De Commissie kan dus niet worden verweten artikel 6, lid 4, van de basisverordening te hebben geschonden.

74 Wat in de derde plaats de argumenten in verband met de Chinese douanestatistieken betreft, brachten de overzichtstabellen van de douanedocumenten incoherenties aan het licht, waarop de Commissie in bijlage B2 bij het verweerschrift de aandacht heeft gevestigd. Dit heeft verzoeksters ertoe gebracht deze tabellen te wijzigen, zonder evenwel de onderzoekende diensten te overtuigen, aangezien zij deze gegevens niet konden vergelijken met de boekhoudkundige en fiscale gegevens van verzoeksters. Verder werd de referentiewaarde van de goederen in deze documenten uitgedrukt in kilogram en werd er melding in gemaakt van een in Amerikaanse dollars uitgedrukt totaal te betalen bedrag, zodat de Commissie niet in staat was te weten welk soort en welke hoeveelheid producten naar de Unie was uitgevoerd, evenmin als de verkoopprijs per eenheid, hetgeen nochtans noodzakelijke elementen zijn om een uitvoerprijs vast te stellen. Ten slotte waren deze documenten ten dele afkomstig van ND, een niet met verzoeksters verbonden onderneming, waardoor de Commissie de waarheidsgetrouwheid en bijgevolg de bewijskracht ervan niet kon nagaan.

75 Wat ten slotte verzoeksters’ grief inzake schending door de Commissie van artikel 18, lid 3, van de basisverordening betreft, zij opgemerkt dat artikel 18 van de basisverordening tot doel heeft de Commissie in staat de stellen het onderzoek voort te zetten zelfs indien de partijen hun medewerking weigeren of niet voldoende medewerking verlenen. Het niveau van medewerking van de partijen moet worden beoordeeld aan de hand van het in dat artikel gebruikte begrip „nodige gegevens”, aangezien de partijen, om als medewerkend te worden beschouwd, de Commissie informatie moeten verstrekken die haar in staat stelt de passende conclusies te trekken in het kader van het antidumpingonderzoek. Of een gegeven „nodig” is, moet per geval worden beoordeeld [zie in die zin arrest van 14 december 2017, EBMA/Giant (China), C‑61/16 P, EU:C:2017:968, punten 53 en 55].

76 Aldus is reeds geoordeeld dat de mate waarin een belanghebbende partij zich inspant om bepaalde inlichtingen mee te delen niet noodzakelijkerwijs in verhouding staat tot de intrinsieke kwaliteit van de meegedeelde inlichtingen, en hoe dan ook niet het enige beslissende criterium is. Indien de gevraagde inlichtingen uiteindelijk niet worden verkregen, mag de Commissie dan ook gebruikmaken van de gegevens die dienaangaande beschikbaar zijn (zie met betrekking tot punt 6.8 van de WTO-antidumpingovereenkomst het door het WTO-panel op 1 oktober 2002 opgestelde verslag met als titel „Egypte – Definitieve antidumpingmaatregelen tegen de invoer van stalen wapeningsstaven uit Turkije”, punt 7.242) (arrest van 4 maart 2010, Sun Sang Kong Yuen Shoes Factory/Raad, T‑409/06, EU:T:2010:69, punt 104).

77 Ten slotte bepaalt artikel 18, lid 3, van de basisverordening, ingevolge vaste rechtspraak van het Hof, dat wanneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, zij desondanks niet buiten beschouwing mogen worden gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld. Uit de bewoordingen van dat artikel blijkt dat de vier voorwaarden cumulatief zijn. Het feit dat aan een van die voorwaarden niet wordt voldaan, belet bijgevolg dat deze bepaling wordt toegepast en dus dat rekening wordt gehouden met de betrokken informatie (zie arrest van 19 maart 2015, City Cycle Industries/Raad, T‑413/13, niet gepubliceerd, EU:T:2015:164, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78 In dit verband zij erop gewezen dat de Commissie, om de reeds in de punten 59 tot en met 62 hierboven vermelde redenen, voor de vaststelling van de uitvoerprijs terecht gebruik kon maken van artikel 18, lid 1, van de basisverordening, aangezien de tekortkomingen in de door de indieners van het verzoek verstrekte gegevens het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijkten.

79 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie, zonder een kennelijke beoordelingsfout te hebben gemaakt en zonder artikel 18, leden 1 en 3, en bijgevolg artikel 9, lid 6, van de basisverordening, of bijlage II, lid 3, bij de WTO-antidumpingovereenkomst te hebben geschonden, in de overwegingen 29 tot en met 41 van de bestreden verordening in wezen heeft geoordeeld dat, ongeacht of verzoeksters naar beste vermogen hadden gehandeld, de voornaamste moeilijkheid die zich tijdens het onderzoek voordeed te wijten was aan het ontbreken van een volledige en controleerbare reeks gegevens over de uitvoertransacties, met inbegrip van en in het bijzonder over uitgevoerde producten, hoeveelheden en waarden, zodat die instelling van oordeel was dat zij geen behoorlijke en onafhankelijke controle op die gegevens kon uitoefenen en deze op basis van de beschikbare gegevens in hun geheel heeft verworpen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 18, lid 1, van de basisverordening.

80 Ten slotte moet worden vastgesteld dat de enkele vermelding van de schending van artikel 2, leden 6 bis, 8, 9, 10 en 11, en van de artikelen 3 en 6 van de basisverordening, niet alleen summier is, maar ook niet volstaat om de relevantie van de gestelde schending van deze bepalingen aan te tonen en bijgevolg om de eventuele onwettigheid van de bestreden verordening op dit punt vast te stellen.

81 Bijgevolg moeten het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

– Derde onderdeel van het tweede middel: schending van de artikelen 2 en 3, artikel 6, leden 6 en 8, artikel 9, lid 4, en artikel 18, leden 1 en 3, van de basisverordening, en van bijlage II, lid 3, bij de WTO-antidumpingovereenkomst

82 Met het derde onderdeel van het tweede middel betogen verzoeksters in wezen dat de Commissie – door voor de vaststelling van de normale waarde niet hun gegevens te gebruiken, ofschoon deze betrouwbaar werden geacht – artikel 18, leden 1 en 3, van de basisverordening en bijlage II, lid 3, bij de WTO-antidumpingovereenkomst alsmede de artikelen 2 en 3, artikel 6, leden 6 en 8, en artikel 9, lid 4, van die verordening heeft geschonden. Zij voegen daaraan toe dat de Commissie ontoereikend heeft uitgelegd waarom zij geen gebruik had gemaakt van deze gegevens om de normale waarde vast te stellen.

83 In dit verband wijzen verzoeksters erop dat de Commissie is afgeweken van haar gebruikelijke praktijk om zich enkel op de beschikbare gegevens te baseren in omstandigheden waarin de gegevens niet volledig verifieerbaar en betrouwbaar zijn.

84 Zij benadrukken dat deze praktijk in overeenstemming is met de WTO-rechtspraak.

85 Zij stellen dat de Commissie onvoldoende heeft uitgelegd waarom zij de normale waarde niet had berekend, hoewel zij dienaangaande over betrouwbare informatie beschikte, zoals blijkt uit de overwegingen 42 en 44 van de bestreden verordening.

86 Verzoeksters voeren aan dat de Commissie hun normale waarde kon gebruiken om deze te vergelijken met de prijzen bij uitvoer naar de Unie, met hun samengestelde prijzen bij uitvoer naar de Unie of ten minste met de prijzen bij uitvoer van de enige in de steekproef opgenomen producent die heeft meegewerkt of met de prijzen van de andere producenten-exporteurs die hadden verzocht om een individueel onderzoek overeenkomstig artikel 17, lid 3, van de basisverordening of door de andere belanghebbenden.

87 Zij voegen daaraan toe dat bij een dergelijke handelwijze rekening zou zijn gehouden met het feit dat zij gedurende het gehele onderzoek hun volledige medewerking aan de Commissie hadden verleend, hetgeen overigens door de raadadviseur-auditeur werd benadrukt en door de Commissie niet werd betwist.

88 De Commissie bestrijdt deze argumenten.

89 Wat in dit verband om te beginnen het in punt 87 hierboven vermelde argument van verzoeksters betreft, zij erop gewezen dat de raadadviseur-auditeur in het aanvankelijke verslag over de hoorzitting van 17 september 2019 inderdaad heeft erkend dat de beschrijving dat verzoeksters „geen medewerking” hadden verleend in die zin dat zij onjuiste of misleidende informatie zouden hebben verstrekt, niet optimaal was gelet op de inspanningen van verzoeksters en dat zij derhalve verzocht om verduidelijking van de voorwaarden voor toepassing van artikel 18 van de basisverordening. Dit neemt echter niet weg dat diezelfde raadadviseur-auditeur in het tweede en laatste verslag over de hoorzitting van 7 februari 2020 geen opmerkingen meer heeft gemaakt over het beroep van de Commissie op dit artikel, zodat uit deze twee documenten geen enkele consequentie kan worden getrokken met betrekking tot de mate waarin verzoeksters hebben meegewerkt.

90 Wat de verordeningen betreft waarop verzoeksters zich beroepen om te stellen dat er sprake is van een vermeende praktijk van de Commissie om beschikbare gegevens enkel te gebruiken in omstandigheden waarin de gegevens niet volledig verifieerbaar en betrouwbaar zijn, volstaat het om dit argument op basis van de in punt 70 hierboven aangehaalde rechtspraak te verwerpen.

91 Wat de WTO-antidumpingovereenkomst en meer in het bijzonder bijlage II bij deze overeenkomst en de daarop betrekking hebbende rechtspraak betreft, waarover een schriftelijke vraag voor beantwoording ter terechtzitting is gesteld, moet worden opgemerkt dat artikel 18 van de basisverordening zo veel mogelijk tegen de achtergrond van die teksten moet worden uitgelegd, aangezien dat artikel de omzetting in Unierecht van de inhoud van die bepalingen vormt (zie in die zin arrest van 22 mei 2014, Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad, T‑633/11, niet gepubliceerd, EU:T:2014:271, punt 40).

92 In dit verband zij erop gewezen dat het WTO-panel in de punten 7.354 e en volgende van zijn verslag van 16 november 2007, Europese Gemeenschappen – Antidumpingmaatregelen voor gekweekte zalm uit Noorwegen (WT/DS337/R), waarop verzoeksters zich beroepen, naar aanleiding van de afwijzing door de Europese Gemeenschappen van bewijsmateriaal met betrekking tot de vaststelling van de normale waarde, heeft benadrukt dat de onderzoekende autoriteit ingevolge artikel 6.8 van de WTO-antidumpingovereenkomst en punt 3 van bijlage II daarbij verplicht was gebruik te maken van de „verifieerbare” informatie die haar door de partijen was verstrekt.

93 Bovendien is het WTO-panel in de eveneens door verzoeksters aangevoerde zaak Verenigde Staten – Antidumping- en compenserende maatregelen voor warmgewalst staal uit India (WT/DS206/R) in de punten 7.60 en volgende van zijn verslag er in wezen van uitgegaan dat de onderzoeksautoriteiten moesten proberen zo veel mogelijk de hun door de partijen meegedeelde gegevens te gebruiken, aangezien een van de fundamentele doelstellingen van de WTO-antidumpingovereenkomst in haar geheel genomen was om ervoor te zorgen dat objectieve vaststellingen zoveel mogelijk op basis van feiten plaatsvinden.

94 In de punten 7.62 en 7.64 van hetzelfde verslag merkte het WTO-panel evenwel op dat niet kon worden geconcludeerd dat de met het onderzoek belaste autoriteit gebruik moest maken van informatie die bijvoorbeeld niet verifieerbaar was of niet tijdig was verstrekt, dan wel van die informatie gebruik moest maken ongeacht de moeilijkheden die dit met zich meebracht.

95 Zoals de Commissie tijdens de hoorzitting heeft opgemerkt, zonder dat verzoeksters dit konden weerleggen, verschillen de zaken die aanleiding hebben gegeven tot deze twee WTO-verslagen bovendien van de onderhavige zaak in die zin dat het voornaamste probleem dat de onderzoekende autoriteiten in die zaken ondervonden, geen verband hield – zoals in casu wel het geval is – met de vaststelling van de uitvoerprijs wegens het ontbreken van gegevens over de uitvoer, met name wat de normale prijs van de goederen betreft, maar met de vaststelling van de normale waarde.

96 Uit deze twee verslagen volgt dat de met het onderzoek belaste autoriteit zich weliswaar in beginsel moet inspannen om gebruik te maken van de door de partijen verstrekte informatie die verifieerbaar is, maar zij dit in de mate van het mogelijke moet doen. Dit houdt in dat deze autoriteit voorbij kan gaan aan inlichtingen die uiteindelijk tot resultaten kunnen leiden waarmee geen redelijk juiste conclusies kunnen worden bereikt.

97 In de context van de onderhavige zaak zou elke vaststelling van de normale waarde evenwel overbodig zijn geweest, aangezien bij gebreke van de mogelijkheid om de uitvoerprijs in verband met verzoeksters te bepalen, geen enkele dumpingmarge had kunnen worden vastgesteld, zoals blijkt uit de punten 56 tot en met 81 hierboven.

98 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoeksters dat hun normale waarde had kunnen worden vastgesteld teneinde deze prijs te vergelijken met de samengestelde uitvoerprijs van andere producenten. Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft benadrukt, zou de toepassing van een dergelijke methode, zonder enige zekerheid over de identiteit en de hoeveelheid van het type uitgevoerde producten, zoals blijkt uit punt 69 hierboven, onvermijdelijk tot gevolg hebben gehad dat niet-overeenstemmende en dus asymmetrische waarden met elkaar in verband werden gebracht, zodat de conclusies betreffende de dumpingmarge uiteindelijk niet redelijkerwijs juist zouden zijn geweest.

99 Met betrekking tot de grief inzake ontoereikende motivering van de redenen waarom de Commissie heeft nagelaten de normale waarde te berekenen, zij opgemerkt dat het Gerecht reeds heeft geoordeeld dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instelling die de betwiste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen om hun rechten te kunnen verdedigen, en de rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het kan evenwel niet worden verlangd dat in de motivering alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 10 oktober 2012, Shanghai Biaowu High-Tensile Fastener en Shanghai Prime Machinery/Raad, T‑170/09, niet gepubliceerd, EU:T:2012:531, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bij de beoordeling van de motivering van de bestreden verordening moet overigens in het bijzonder rekening worden gehouden met de aan de verzoekende partij verstrekte informatie en met de opmerkingen die laatstgenoemde tijdens de administratieve procedure heeft ingediend (arrest van 4 maart 2010, Sun Sang Kong Yuen Shoes Factory/Raad, T‑409/06, EU:T:2010:69, punt 150). In het bijzonder kan bij verordeningen geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende, soms talrijke en ingewikkelde feitelijke en juridische omstandigheden die daarvan het onderwerp vormen, zodra deze verordeningen binnen de systematiek van het geheel van maatregelen vallen waarvan zij deel uitmaken. In dat opzicht volstaat het dat de redenering van de instellingen duidelijk en ondubbelzinnig in de verordeningen tot uitdrukking komt (zie in die zin arrest van 15 oktober 1998, Industrie des poudres sphériques/Raad, T‑2/95, EU:T:1998:242, punt 357).

100 In dit verband zij erop gewezen dat, anders dan verzoeksters stellen, uit de door de Commissie in de bestreden verordening gegeven motivering valt op te maken waarom zij van mening is dat de gegevens betreffende de normale waarde niet de helft van de voor de vaststelling van een dumpingmarge noodzakelijke informatie vormen.

101 Zoals de Commissie in overweging 42 van de bestreden verordening duidelijk en ondubbelzinnig heeft gesteld, was de vaststelling van de normale waarde in de onderhavige zaak immers niet van toepassing, aangezien de informatie voor de vaststelling van de uitvoerprijs, die een fundamenteel element is bij de vaststelling van de dumpingmarge, niet betrouwbaar was omdat zij niet kon worden gecontroleerd.

102 Bovendien moet worden vastgesteld dat deze motivering verzoeksters in staat heeft gesteld te begrijpen waarom de Commissie hun normale waarde in casu niet heeft vastgesteld en de rechtmatigheid van die keuze te kunnen betwisten, zoals blijkt uit de argumenten die met name in het kader van het onderhavige middel zijn aangevoerd. Een dergelijke motivering stelt ook de Unierechter in staat zijn toezicht op de wettigheid van de bestreden verordening uit te oefenen.

103 Ten slotte moet om dezelfde redenen als die welke in punt 80 hierboven zijn uiteengezet, de gestelde schending van de artikelen 2 en 3, artikel 6, leden 6 en 8, en artikel 9, lid 4, van de basisverordening worden afgewezen.

104 Uit het voorgaande volgt dat het derde onderdeel van het tweede middel, en dus het tweede middel in zijn geheel, moet worden afgewezen. [omissis]

HET GERECHT (Eerste kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Zhejiang Hangtong Machinery Manufacture Co. Ltd en Ningbo Hi-Tech Zone Tongcheng Auto Parts Co. Ltd worden in de kosten verwezen.

Kanninen Porchia Stancu Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 juli 2022. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Alleen de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken