Gerecht EU 15 oktober 1998, T-2/95, ECLI:EU:T:1998:242

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1 Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende instelling van antidumpingrechten - Importeur-gebruiker van betrokken product

(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea)

2 Beroep tot nietigverklaring - Arrest houdende nietigverklaring - Werking - Gevolgen van nietigverklaring van verordening houdende instelling van antidumpingrechten - Nietigheid van handelingen van administratieve procedure, die niet zijn getroffen door arrest houdende nietigverklaring - Geen - Hervatting van onderzoek - Toelaatbaarheid - In aanmerking te nemen periode - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen

(EG-Verdrag, art. 176)

3 Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Antidumpingprocedure - Toegang tot dossier - Verstrekking van niet-vertrouwelijke samenvattingen - Onregelmatigheden die niet hebben belet, dat belanghebbende voldoende bekend was met inhoud van stukken om zijn standpunt kenbaar te maken

(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 7, lid 4, sub a, en 8)

4 Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Betrokken bedrijfstak van Gemeenschap - Soortgelijke producten - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Basisproducten - Inaanmerkingneming van voorkeuren van eindgebruikers - Inaanmerkingneming van bestaan van concurrentie tussen producten waarin basisproduct is verwerkt - Geen beoordelingsfout

(Verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 2, lid 12, en 4, leden 1 en 4)

5 Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordeling door instellingen van belangen van Gemeenschap - Rechterlijke toetsing - Grenzen - In aanmerking te nemen factoren - Situatie na vaststelling van verordening houdende instelling van antidumpingrechten - Daarvan uitgesloten - Niet-vervalste mededinging op gemeenschappelijke markt

(EG-Verdrag, art. 3, sub g; verordening nr. 2423/88 van de Raad, art. 12, lid 1)

6 Handelingen van de instellingen - Motivering - Verplichting - Draagwijdte - Verordeningen houdende instelling van antidumpingrechten

(EG-Verdrag, art. 190)

7 Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Toepassing van communautaire regeling - Vrijstelling van importeur van betaling van antidumpingrechten - Voorwaarden - Non-discriminatie

(Verordening nr. 2423/88 van de Raad)

Samenvatting

1 Ofschoon de verordeningen tot instelling van antidumpingrechten, gelet op de criteria van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag, naar aard en strekking in feite normatieve maatregelen zijn, aangezien zij gelden voor alle betrokken ondernemers, is het niet uitgesloten dat hun bepalingen bepaalde ondernemers individueel kunnen raken.

Als individueel geraakt moet worden beschouwd de ondernemer die, als belangrijkste importeur en tevens eindgebruiker van het product waarvoor de antidumpingmaatregel is ingesteld, bovendien aantoont, dat zijn economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk zijn en door de bestreden verordening ernstig worden getroffen, gelet op het beperkte aantal producenten van het betrokken product en op het feit dat hij moeilijkheden ondervindt om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die zijn belangrijkste concurrent voor het verwerkte product is.

Deze reeks feiten levert namelijk een bijzondere situatie op, waardoor hij ten opzichte van iedere andere ondernemer wordt gekarakteriseerd.

2 Ingevolge artikel 176 van het Verdrag dient de betrokken instelling op passende wijze uitvoering te geven aan een nietigverklaringsarrest. Om aan een dergelijk arrest volledige uitvoering te geven, dient de instelling niet alleen het dictum van het arrest na te leven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden.

De nietigverklaring van een handeling die een uit meerdere fasen bestaande administratieve procedure afsluit, leidt niet noodzakelijkerwijs tot nietigverklaring van de gehele procedure die aan de bestreden handeling is voorafgegaan, ongeacht de gronden, van materiële of formele aard, waarop het nietigverklaringsarrest berust.

Ingeval een verordening houdende instelling van antidumpingrechten is nietig verklaard omdat de instellingen de schade van de communautaire producent niet juist hebben bepaald, strekt de door het Hof vastgestelde onwettigheid zich niet uit tot de voorbereidingsmaatregelen voor het onderzoek dat tot die verordening heeft geleid, en in het bijzonder niet tot de opening van de procedure krachtens artikel 7, lid 1, van basisverordening nr. 2423/88 inzake antidumping.

De Commissie kan dan ook op rechtmatige wijze de procedure hervatten en zich baseren op alle handelingen van de procedure die niet door het nietigverklaringsarrest zijn getroffen, en, wanneer de dumpingpraktijken aanhouden, tegelijkertijd een nieuw onderzoek met betrekking tot een andere referentieperiode entameren. Aldus overschrijdt zij niet de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen beschikken wat betreft de keuze van de in aanmerking te nemen periode voor de vaststelling van de schade in een antidumpingprocedure.

3 In het kader van een antidumpingprocedure leveren onregelmatigheden bij het verstrekken van de niet-vertrouwelijke samenvattingen bedoeld in artikel 8 van basisverordening nr. 2423/88 slechts dan schending van procedurele rechten op die nietigverklaring van de verordening houdende instelling van de antidumpingrechten rechtvaardigt, indien de belanghebbende onvoldoende bekend was met de inhoud van het stuk of de stukken en daarom zijn standpunt omtrent de juistheid en de relevantie ervan niet op zinvolle wijze kenbaar heeft kunnen maken.

4 De instellingen beschikken over een ruime beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen van de soortgelijke producten in de zin van artikel 2, lid 12, van basisverordening nr. 2423/88. Een communautair product en een product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, kan door hen als gelijksoortig worden beschouwd, ook al bestaan er tussen de producten fysische, technische of andere verschillen waardoor de gebruiksmogelijkheden van de eindgebruiker worden ingeperkt.

Bij de beoordeling van de gelijksoortigheid, dit wil zeggen de onderlinge verwisselbaarheid, van basisproducten dient onder meer te worden gelet op de voorkeuren van de eindgebruikers.

Onderzoek van de voorkeuren van de verwerkende ondernemingen, waarvan de keuze voor het ene boven het andere basisproduct kan zijn ingegeven door technische of economische overwegingen, is evenwel niet voldoende. Eveneens dient te worden bezien, of de producten waarin dit basisproduct is verwerkt, al dan niet met elkaar in concurrentie staan.

In een dergelijk geval kan immers een door dumping optredende stijging van de vraag naar het basisproduct leiden tot een prijsdaling bij het verwerkte product op de communautaire markt. Deze situatie kan op haar beurt leiden tot een daling van de vraag naar het product dat uit het basisproduct van communautaire oorsprong is vervaardigd, en deze daling kan weer leiden tot een daling van de vraag naar dit product, waardoor schade ontstaat voor de communautaire producent.

5 Voor de beantwoording van de vraag, of in geval van schade door dumping de belangen van de Gemeenschappen een communautair optreden vereisen, moeten ingewikkelde economische situaties worden beoordeeld. De toetsing van een dergelijke beoordeling door de rechter dient zich te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Bij deze toetsing dient uitsluitend te worden uitgegaan van de gegevens waarover de instellingen ten tijde van de vaststelling van de bestreden verordening beschikten.

Wanneer de instellingen in geval van dumpingpraktijken ten aanzien van een in de Gemeenschap verwerkt basisproduct op grond van de hun ter beschikking staande gegevens van mening zijn, dat antidumpingrechten invoer van dit product op zich niet onmogelijk zal maken, overschrijden zij hun beoordelingsbevoegdheid niet door zich op het standpunt te stellen, dat de omstreden antidumpingrechten niet tot een met het mededingingsrecht strijdige situatie op de gemeenschappelijke markt zullen leiden.

Het instellen van dergelijke rechten kan niet worden bestreden met als enige argument, dat daardoor met de communautaire producent op de communautaire markt van verwerkte producten concurrerende verwerkende ondernemingen zouden worden geëlimineerd, wanneer het concurrentienadeel van deze ondernemingen wordt veroorzaakt door hun hogere productiekosten.

Enerzijds is immers het voornaamste doel van het tot stand brengen van een regime in de zin van artikel 3, sub g, van het Verdrag dat verzekert dat de mededinging op de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst, een juiste allocatie van de economische middelen mogelijk te maken, zodat het niet aangaat om het voortbestaan van economisch levensvatbare ondernemingen op het spel te zetten ter wille van het behoud van een onderneming waarvan de productiekosten hoger zijn. Anderzijds heeft de antidumpingregelgeving tot doel, eerlijke mededingingsvoorwaarden te handhaven voor de verschillende productiesectoren wanneer zij schade lijden door invoer met dumping.

6 De door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet de redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting brengen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen.

Bij verordeningen behoeven evenwel de verschillende, soms talrijke en ingewikkelde feitelijke en juridische omstandigheden die eraan ten grondslag liggen, niet in de motivering te worden gespecificeerd, zodra deze verordeningen binnen de systematiek van het geheel van maatregelen vallen waarvan zij deel uitmaken.

Wat meer in het bijzonder de motivering van verordeningen tot instelling van antidumpingrechten betreft, behoeven de instellingen in beginsel niet te antwoorden op klachten in de zin van artikel 3 van verordening nr. 17, die importeurs van het door het antidumpingrecht getroffen product hebben ingediend over schending van de mededingingsregels van het Verdrag door de communautaire producenten. Het is voldoende, wanneer de redenering van de instellingen duidelijk en ondubbelzinnig in de verordeningen tot uitdrukking komt.

7 Geen bepaling van basisverordening nr. 2423/88 verbiedt uitdrukkelijk om een bepaalde importeur vrij te stellen van de betaling van antidumpingrechten. Zowel het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van het GATT als de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht verzetten zich er echter tegen, dat de antidumpingrechten op discriminerende wijze worden geheven. De ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen beschikken, kan hen niet ontheffen van de inachtneming van dit beginsel.

Partijen

In zaak T-2/95,

Industrie des poudres sphériques, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Annemasse (Frankrijk), vertegenwoordigd door C. Nomège, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. Schmitt, Val Sainte-Croix 7,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Torrent en J. Monteiro, later door R. Torrent en Y. Cretien, juridisch adviseurs, en vervolgens door R. Torrent en A. Tanca, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, bijgestaan door P. Bentley, Barrister van Lincoln's Inn, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Morbilli, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,

verweerder,

ondersteund door

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door N. Khan en X. Lewis, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

en

Péchiney électrométallurgie, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),

Chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie, vereniging naar Frans recht, gevestigd te Parijs,

aanvankelijk vertegenwoordigd door J.-P. Gunther en H. de Broca, advocaten te Parijs, later enkel door J.-P. Gunther, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Loesch en Wolter, advocaten aldaar, Rue Goethe 11,

interveniënten,

betreffende een beroep strekkende tot, primair, nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2557/94 van de Raad van 19 oktober 1994 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (PB L 270, blz. 27), en, subsidiair, tot vaststelling, dat deze verordening verzoekster niet kan worden tegengeworpen,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

(Vijfde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, B. Vesterdorf, R. García-Valdecasas, R. M. Moura Ramos en M. Jaeger, rechters,

griffiers: B. Pastor, hoofdadministrateur, en A. Mair, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 2 december 1997,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

De feiten

A - De zaak Extramet

1 In juli 1987 had de chambre syndicale de l'électrométallurgie et de l'électrochimie (hierna: "chambre syndicale"), een vereniging naar Frans recht, namens Péchiney électrométallurgie SA (hierna: "PEM"), een vennootschap naar Frans recht, een klacht bij de Commissie ingediend en gevraagd om antidumpingmaatregelen tegen de invoer van metallisch calcium uit de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie.

2 Op 26 januari 1988 begon de Commissie een antidumpingprocedure krachtens verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 201, blz. 1).

3 Bij verordening (EEG) nr. 707/89 van 17 maart 1989 stelde de Commissie een voorlopig antidumpingrecht in van 10,7 % op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie (PB L 78, blz. 10).

4 Na verlenging van het voorlopig recht, stelde de Raad bij verordening (EEG) nr. 2808/89 van 18 september 1989 een definitief antidumpingrecht in op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en de Sovjet-Unie, ten belope van respectievelijk 21,8 en 22 %, met definitieve inning van het voorlopige recht (PB L 271, blz. 1; hierna: "verordening nr. 2808/89").

5 Op 27 november 1989 stelde verzoekster, destijds Extramet Industrie SA genaamd, een beroep tot nietigverklaring tegen deze verordening in.

6 Het Hof verklaarde het beroep ontvankelijk bij arrest van 16 mei 1991 (C-358/89, Extramet Industrie/Raad, Jurispr. blz. I-2501, hierna: "arrest Extramet I"). Bij arrest van 11 juni 1992 (C-358/89, Extramet Industrie/Raad, Jurispr. blz. I-3813; hierna: "arrest Extramet II") verklaarde het Hof de verordening nietig, omdat de gemeenschapsinstellingen niet daadwerkelijk hadden onderzocht of de communautaire producent van het in de verordening bedoelde product, te weten PEM, door zijn verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en omdat zij ook niet hadden aangetoond, dat de vastgestelde schade niet uit de door verzoekster aangevoerde omstandigheden voortvloeide, zodat zij dus de schade niet naar behoren hadden vastgesteld (punten 19 en 20 van het arrest).

7 Bij besluit van 31 maart 1992 veroordeelde de Franse conseil de la concurrence PEM wegens misbruik van machtspositie tussen oktober 1982 en eind 1984 door Société électrométallurgique du Planet (SEMP), die door PEM in december 1985 was overgenomen.

8 Bij arrest van 14 januari 1993 bevestigde de cour d'appel de Paris dit besluit, waarbij het aantekende dat niet was gebleken dat PEM zich na 1984 schuldig had gemaakt aan oneerlijke concurrentie.

B - Het product

9 Primair metallisch calcium is een chemisch element dat wordt verkregen uit calciumoxide (kalk) dan wel uit calciumchloride; het heeft de vorm van stukjes of spaanders.

10 Het wordt vervaardigd in vijf landen, te weten Frankrijk (door PEM), China, Rusland, Canada en de Verenigde Staten van Amerika. Voor de vervaardiging ervan worden twee verschillende procédés toegepast: elektrolyse en aluminothermie.

11 Het elektrolytisch procédé, dat wordt gebruikt in China en in Rusland, omvat twee fasen: elektrolyse van de calciumchloride waarbij het calcium neerslaat op een koperen kathode en er een koper-calciumlegering ontstaat, en destillatie van de koper-calciumlegering waardoor beide metalen worden gescheiden.

12 Bij de aluminothermie vindt in een fase reductie van de calciumoxide door aluminium en condensatie van de calciumdampen plaats. Dit betrekkelijk flexibele procédé wordt door alle westerse producenten gebruikt vanwege de lage investerings- en exploitatiekosten.

13 Het door deze twee procédés verkregen primaire metallisch calcium wordt in ongewijzigde vorm gebruikt bij de vervaardiging van lood, loodcalcium en ferrolegeringen (40 % van het totale metallisch-calciumverbruik), als grondstof voor de vervaardiging van fijn verdeeld calcium in de vorm van korrels of granulaat, bestemd voor de staalindustrie (46 % van het totale verbruik), en voor verwerking bij hoge temperatuur (ongeveer 11 % van het totale verbruik).

14 Voor het verdelen van primair metallisch calcium bestaan twee methoden:

- het koud vermalen van de stukken of spaanders primair metallisch calcium; deze methode wordt toegepast door PEM en de andere communautaire verwerkers ter verkrijging van metallisch calcium in granulaatvorm;

- het verstuiven, in een inert-gasatmosfeer en in een smeltoven gekoppeld aan een granuleringsinstallatie, van vloeibaar metaal; deze methode wordt toegepast door verzoekster ter vervaardiging van een metallisch-calciumpoeder, namelijk een reactief-metaalgranulaat.

C - De vennootschap Industrie des poudres sphériques

15 Industrie des poudres sphériques (hierna: "IPS"), voorheen Extramet Industrie genaamd, is gevestigd te Annemasse (Frankrijk) en gespecialiseerd in de productie van fijn verdeeld metallisch calcium in de vorm van reactief-metaalgranulaat. Zij is in 1982 opgericht na de ontdekking in 1980 van een granuleringsprocédé.

16 Ter dekking van haar behoeften aan metallisch calcium heeft zij zich in eerste instantie gewend tot de communautaire producent, te weten aanvankelijk Société électrométallurgique du Planet, en nadat deze in 1985 met PEM was gefuseerd, tot PEM.

D - De administratieve procedure

17 Na het arrest Extramet II heeft PEM in een schrijven van 1 juli 1992 bij de Commissie gepleit voor heropening van het onderzoek; hieraan was gehecht een technische nota over de schade van de communautaire bedrijfstak.

18 Van mening dat het "een hervatting de jure" van het onderzoek betrof, heeft de Commissie verzoekster bij brief van 17 juli 1992 verzocht haar standpunt kenbaar te maken over de schade van de communautaire bedrijfstak. Zij wees er daarbij op, dat ook aan PEM een standpuntbepaling ter zake was gevraagd.

19 Bij brief van 14 augustus 1992 heeft verzoekster het standpunt van de Commissie, dat het juridisch mogelijk was het onderzoek te hervatten, bestreden en om een formele voor beroep vatbare beschikking verzocht.

20 Bij brief van 21 augustus 1992 heeft zij dit laatste verzoek herhaald.

21 Op 14 oktober 1992 heeft de Commissie haar de op 1 juli 1992 van PEM ontvangen nota over de schade toegezonden.

22 Op 14 november 1992 heeft de Commissie een bericht over de antidumpingprocedure betreffende de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en Rusland gepubliceerd (PB C 298, blz. 3).

23 Bij brief van 18 november 1992 heeft de Commissie verzoekster op de hoogte gebracht van dit bericht en haar verzocht binnen 30 dagen een aantal vragenlijsten te retourneren. Zij wees erop, dat de nieuwe onderzoeksperiode liep van 1 juli 1991 tot 31 oktober 1992.

24 Bij brief van 23 december 1992 heeft verzoekster de Commissie haar standpunt medegedeeld over PEM's nota van 1 juli 1992 inzake de schade.

25 Bij brief van 29 juli 1993 heeft de Commissie verzoekster gevraagd, haar alle feiten mede te delen die van belang konden zijn voor haar oordeelsvorming, met name ten aanzien van het vraagstuk van de schade. Bij brief van 12 augustus 1993 heeft verzoekster geantwoord, ter zake geen nieuwe informatie te kunnen verschaffen, aangezien de situatie sinds haar brief van 23 december 1992 niet of nauwelijks was gewijzigd.

26 Op 21 april 1994 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 892/94 vastgesteld, tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (PB L 104; hierna: "voorlopige verordening"). De hoogte van het recht bedroeg 2 074 ECU/ton voor het product uit China en 2 120 ECU/ton voor dat uit Rusland.

27 Bij schrijven van 31 mei 1994 heeft verzoekster een groot aantal bezwaren tegen de voorlopige verordening kenbaar gemaakt. De Commissie heeft hierop geantwoord bij brief van 14 juni 1994.

28 Op 11 augustus 1994 heeft de Commissie verzoekster de belangrijkste feiten en overwegingen medegedeeld op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit China en Rusland voor te stellen.

29 Op voorstel van de Commissie heeft de Raad op 19 oktober 1994 bij verordening (EG) nr. 2557/94 een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van metallisch calcium van oorsprong uit de Volksrepubliek China en uit Rusland (PB L 270, blz. 27; hierna: "bestreden verordening"). De hoogte van het recht bleef ten opzichte van de voorlopige verordening ongewijzigd; voorts werd het voorlopige antidumpingrecht bekrachtigd.

Het procesverloop

30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 januari 1995, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

31 Op dezelfde dag heeft zij bij afzonderlijke akte een verzoek in kort geding ingediend, gericht op opschorting van de bestreden verordening. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van de president van het Gerecht van 24 februari 1995, IPS/Raad (T-2/95 R, Jurispr. blz. II-485).

32 Bij beschikking van 28 april 1995 heeft de president van de Vierde kamer - uitgebreid de Commissie toegestaan te interveniëren aan de zijde van de Raad.

33 Bij beschikking van 28 november 1995 heeft de president van de Vijfde kamer - uitgebreid de interventie van PEM en de chambre syndicale aan de zijde van de Raad toegestaan alsmede een verzoek om vertrouwelijke behandeling van een aantal, in de punten 9, 10, 14 en 15 van die beschikking aangestipte gegevens ten opzichte van deze interveniënten.

34 Op 16 april 1996 hebben PEM en de chambre syndicale hun memorie in interventie ingediend. Op 17 juni 1996 heeft verzoekster haar opmerkingen ter zake ingediend.

35 Bij beschikking van 20 november 1996 heeft de president van de Vijfde kamer - uitgebreid een tweede verzoek om vertrouwelijke behandeling van de in punt 4 van die beschikking aangestipte gegevens ten opzichte van dezelfde interveniërende partijen ingewilligd.

36 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

37 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 2 december 1997.

Conclusies van partijen

38 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

- de bestreden verordening nietig te verklaren;

- subsidiair, die verordening op verzoekster buiten toepassing te verklaren;

- de Raad in de kosten te veroordelen.

39 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster in de kosten te veroordelen.

40 De Commissie, interveniënte, concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster in de kosten te veroordelen.

41 PEM en de chambre syndicale, interveniënten, concluderen dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekster in de kosten van hun interventie te veroordelen.

De ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

42 In zijn verweerschrift opent de Raad een exceptie van niet-ontvankelijkheid. Volgens vaste rechtspraak kan een importeur namelijk in het algemeen geen nietigverklaring vorderen van een verordening die antidumpingrechten instelt. Het Hof heeft weliswaar in enkele gevallen aanvaardt, dat bepaalde marktdeelnemers individueel werden geraakt door een antidumpingverordening en derhalve beroep tot nietigverklaring konden instellen, doch de Raad acht de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep niettemin twijfelachtig in verband met de subsidiaire vordering van verzoekster, de verordening op haar buiten toepassing te verklaren. Hiermee erkent verzoekster, dat particulieren enkel krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep kunnen instellen, wanneer de betrokken handeling jegens hen het karakter van een beschikking heeft.

43 Een antidumpingverordening heeft geen beschikkingskarakter jegens een importeur. Jegens een exporteur kan zij dat wel hebben, omdat het antidumpingrecht op de invoer van zijn product rust. De subsidiaire vordering van verzoekster veronderstelt, dat de Raad haar had kunnen uitsluiten van de werkingssfeer van de bestreden verordening.

44 De verordening kon evenwel geen uitzonderingsregeling ten gunste van verzoekster scheppen en mist dus beschikkingskarakter jegens haar. Ontvankelijkverklaring van de primaire vordering brengt mee, dat op de vordering van een particulier die slechts in zijn objectieve hoedanigheid van importeur wordt geraakt, een handeling van algemene strekking kan worden nietigverklaard. Dit zou onjuist zijn. Een enkele importeur zou immers aldus herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden voor alle ondernemingen van de communautaire bedrijfstak kunnen verhinderen.

45 De Commissie betoogt, dat de omstandigheden die volgens het arrest Extramet I een bijzondere situatie vormden waardoor verzoekster ten opzichte van iedere andere ondernemer werd gekarakteriseerd, in deze zaak ontbreken. Haars inziens heeft verzoekster het bestaan van een dergelijke bijzondere situatie niet aangetoond.

46 De bevoegdheid van een onafhankelijk importeur om in rechte op te treden is niet een recht dat een persoon of een vennootschap bezit, maar, zoals blijkt uit het arrest Extramet I, een recht dat voortvloeit uit een specifieke situatie. Verzoekster kan derhalve niet eenvoudig volstaan met te verwijzen naar dit arrest. Het feit dat het beroep van de voormalige vennootschap Extramet tegen verordening nr. 2808/89 ontvankelijk is verklaard in zaak C-358/89, betekent niet automatisch dat het beroep van IPS, opvolgster van Extramet, in deze zaak eveneens ontvankelijk is.

47 De omstandigheid waardoor de situatie van Extramet verschilde van die van onafhankelijke importeurs in andere zaken, was dat Extramet volgens het arrest (punt 17) "moeilijkheden [ondervond] om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap die bovendien haar belangrijkste concurrent voor het verwerkte product [was]". Dit is hier niet het geval. Blijkens het besluit van de conseil de la concurrence van 31 maart 1992 heeft PEM zich na 1984 niet aan onrechtmatige gedragingen schuldig gemaakt. In casu kan men eerder spreken van een aankoopweigering door IPS dan van een verkoopweigering door PEM.

48 Naar de mening van verzoekster kan over de ontvankelijkheid van het beroep geen twijfel bestaan na het arrest Extramet I, dat bovendien is bevestigd in de beschikking van de president van het Gerecht van 24 februari 1995.

Beoordeling door het Gerecht

49 Het enige ontvankelijkheidscriterium waaraan het Hof in het arrest Extramet I heeft getoetst, was of verzoekster rechtstreeks en individueel werd geraakt. In punt 13 van het arrest heeft het Hof eraan herinnerd, dat gelet op de criteria van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag antidumpingverordeningen naar aard en strekking weliswaar in feite normatieve maatregelen zijn, aangezien zij voor alle betrokken ondernemers gelden, doch dat het niet is uitgesloten dat de bepalingen ervan bepaalde ondernemers individueel kunnen raken. Handelingen waarbij antidumpingrechten worden ingesteld, kunnen derhalve, aldus het Hof verder, zonder hun verordenend karakter te verliezen, in bepaalde omstandigheden sommige ondernemers individueel raken, die dan ook bevoegd zijn een beroep tot nietigverklaring van deze handelingen in te stellen (punt 14 van het arrest). Naar het oordeel van het Hof had verzoekster een aantal feiten aangetoond die een bijzondere situatie opleverden waardoor zij voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer werd gekarakteriseerd.

50 Het betoog van de Raad, dat hoofdzakelijk berust op de normatieve aard van de bestreden handeling ten opzichte van de importeurs en op het feit dat geen uitzonderingsregeling met beschikkingskarakter kon worden gecreëerd voor een importeur, faalt derhalve.

51 De argumenten van de Commissie ter ondersteuning van de exceptie van niet-ontvankelijkheid moeten eveneens worden verworpen.

52 Anders dan door haar wordt gesteld, heeft het Hof in zaak C-358/89 het beroep niet uitsluitend ontvankelijk verklaard op grond van de moeilijkheden van Extramet om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap. In werkelijkheid heeft het de verschillende hierna vermelde omstandigheden ten grondslag gelegd aan zijn oordeel, dat Extramet zich in een bijzondere positie bevond waardoor zij voor de betrokken maatregel ten opzichte van ieder ander ondernemer werd gekarakteriseerd (punt 17 van het arrest Extramet I): zij was de belangrijkste importeur van het door de antidumpingrechten getroffen product en tevens eindgebruiker van dat product; bovendien waren haar economische activiteiten grotendeels van deze import afhankelijk en werden ze door de bestreden verordening ernstig getroffen, gelet op het beperkte aantal producenten van het betrokken product en op het feit dat zij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die bovendien haar belangrijkste concurrent voor het verwerkte product was.

53 Voorts bestrijdt de Commissie niet, dat PEM niet in staat is een standaardkwaliteit primair metallisch calcium met de door verzoekster gewenste specificaties te leveren en dat verzoekster dus wel degelijk nog steeds moeilijkheden ondervindt om zich bij PEM te bevoorraden.

54 Aangezien de omstandigheden die ontvankelijkverklaring van het beroep in zaak C-358/89 rechtvaardigden (zie hierboven punt 52), nog steeds actueel zijn, dient het onderhavige beroep ontvankelijk te worden verklaard.

Ten gronde

I - De vordering tot nietigverklaring van de bestreden verordening

55 Verzoekster voert zeven middelen aan: ten eerste schending van artikelen 5 en 7, lid 9, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 (PB L 209, blz. 1; hierna: "basisverordening", miskenning van het gezag van gewijsde en van de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen, ten tweede schending van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening alsmede schending van de rechten van de verdediging, ten derde schending van de artikelen 4, lid 4, en 2, lid 12, van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de gelijksoortigheid van de producten, ten vierde schending van artikel 4 van de basisverordening en kennelijk onjuiste beoordeling van de schade van de communautaire bedrijfstak, ten vijfde schending van artikel 12 van de basisverordening en kennelijke beoordelingsfout, ten zesde schending van artikel 190 van het Verdrag, en ten zevende misbruik van bevoegdheid.

Het eerste middel: schending van de artikelen 5 en 7, lid 9, van de basisverordening, miskenning van het gezag van gewijsde en van de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen

Argumenten van partijen

56 Volgens verzoekster verzette het arrest Extramet II zich tegen hervatting van de onrechtmatig verklaarde procedure, te meer omdat de Commissie een andere onderzoeksperiode wenste aan te houden. Geen bepaling verbood de Commissie om na een nieuwe klacht een nieuw onderzoek met betrekking tot standaard metallisch calcium te beginnen, dat een recentere periode dekte. Daarentegen verleende geen bepaling de Commissie de bevoegdheid het onderzoek te hervatten.

57 Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen. In de eerste plaats zou de hervatting van het onderzoek juridische grondslag missen, aangezien ter zake niets is geregeld in de basisverordening. In de tweede plaats zou hervatting van het onderzoek indruisen tegen het gezag van gewijsde daar zij, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, leidt tot regularisering van een door het Hof nietigverklaarde procedure. In de derde plaats zou in casu niet zijn voldaan aan de voorwaarden voor regularisatie, ook al zou regularisatie op zich gemeenschapsrechtelijk geoorloofd zijn.

- Het eerste onderdeel: schending van de artikelen 5 en 7, lid 9, van de basisverordening

58 Verzoekster stelt enerzijds, dat de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheden in verband met antidumpingprocedures gebonden is aan de regeling van de basisverordening, en anderzijds dat voor hervatting van het onderzoek door de Commissie geen rechtsgrondslag bestaat. De basisregeling bevat enkel bepalingen inzake de opening van een onderzoek en de sluiting daarvan. Wat de opening van een onderzoek betreft, heeft de Commissie nimmer gesteld, een nieuwe klacht te hebben ontvangen die opening van een nieuwe procedure rechtvaardigde. Integendeel, in het op 14 november 1992 gepubliceerde bericht wordt uitdrukkelijk verwezen naar arrest Extramet II. De nota van PEM van 1 juli 1992 is geen klacht, maar bewijsmateriaal voor "heropening" van het onderzoek.

59 Artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening spreekt enkel over de afsluiting van een onderzoek. Het aanvankelijke onderzoek in deze zaak is, in de zin van deze bepaling, afgesloten met een definitieve maatregel, te weten verordening nr. 2808/89, die vervolgens is nietigverklaard bij het arrest Extramet II.

60 De Commissie kan zich niet baseren op artikel 14 van de basisverordening, dat een nieuw onderzoek van de definitieve antidumpingrechten toelaat in geval van voldoende gewijzigde omstandigheden. Een dergelijk nieuw onderzoek is evenwel slechts denkbaar, wanneer de definitieve antidumpingrechten rechtmatig zijn ingesteld.

61 Volgens de Raad bracht de nietigverklaring van verordening nr. 2808/89, gelet op artikel 176 van het Verdrag, enkel de verplichting mee de krachtens die verordening geheven rechten terug te betalen.

62 Het onderzoek is na het arrest Extramet II en de nota van PEM van 1 juli 1992 hervat. Met dit onderzoek heeft de Commissie rekening willen houden met de rechten van de communautaire producent die een klacht met voldoende bewijsmateriaal had ingediend; deze klacht had hij bijgewerkt in een nota die voor heropening van het onderzoek, werd gepleit en waarbij een nota over de schade was gevoegd. Overigens heeft de Commissie rekening gehouden met de rechten van de andere betrokken partijen en heeft zij hen in de gelegenheid gesteld, gegevens over de invoer en verkoop van metallisch calcium in de Gemeenschap te verstrekken alsook hun standpunt kenbaar te maken.

63 Onder deze omstandigheden heeft de Commissie het onderzoek, dat door de nietigverklaring van verordening nr. 2808/89 niet was afgesloten, rechtmatig van begin af aan hervat. Voor de belanghebbenden is de hervatte procedure verlopen alsof een nieuw onderzoek was ingesteld, gebaseerd op een door de nota van 1 juli 1992 en de bijlage daarbij geactualiseerde klacht.

64 Gezien artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening eindigt een onderzoek hetzij door afsluiting ervan, hetzij door een definitieve maatregel. In casu ontbreekt een uitdrukkelijke afsluitingshandeling. De eerste definitieve maatregel, die door het Hof is nietigverklaard, moet worden geacht nooit te hebben bestaan. Het onderzoek kon dus rechtmatig worden hervat.

- Het tweede onderdeel: miskenning van het gezag van gewijsde

65 De hervatting van het onderzoek door de Commissie miskent het gezag van gewijsde en doorkruist de strekking van het arrest Extramet II.

66 Door de nietigheid van verordening nr. 2808/89 uit te spreken, heeft het Hof niet alleen met terugwerkende kracht de slotfase van de antidumpingprocedure vernietigd, dat wil zeggen de verordening waarbij de definitieve rechten waren vastgesteld. Het heeft in feite de gehele procedure nietig verklaard die de Commissie met betrekking tot metallisch calcium voor het tijdvak van 1 januari 1987 tot 31 december 1987 had gevoerd, met inbegrip van de fasen voorafgaand aan de vaststelling van de definitieve verordening. Aangezien de nietigverklaring een algemene strekking had, was het onderzoek niet opgeschort, doch moet het worden geacht nooit te hebben plaatsgehad. Indien de Commissie zich derhalve opnieuw over de zaak wilde buigen, had zij een nieuwe procedure moeten beginnen met inachtneming van de voorgeschreven vormen. Indien de dumpingpraktijken na de vaststelling van de nietig verklaarde verordening waarbij het eerste onderzoek was afgesloten, waren voortgezet, was een nieuw onderzoek op basis van een nieuwe klacht de enig procedureel juiste oplossing geweest.

67 Indien de Commissie haar fouten telkens weer kon corrigeren, zouden de procedures jaren kunnen duren zonder enige rechtszekerheid voor de ondernemingen.

68 De Raad betoogt, dat alle betrokken partijen hun rechten onder dezelfde voorwaarden hebben kunnen uitoefenen alsof het een nieuwe procedure betrof. Zo was een bericht in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen verschenen, waren vragenlijsten verzonden aan de betrokken partijen en was een nieuwe referentieperiode bepaald. De Commissie heeft de verkregen gegevens geverifieerd bij de partijen die aan het onderzoek hebben meegewerkt, de betrokken partijen hebben het niet-vertrouwelijke dossier kunnen inzien en de partijen die dit wensten, zijn door de Commissie gehoord.

69 De nieuwe definitieve rechten die met ingang van 22 oktober 1994 zijn ingesteld, de dag volgende op de datum van bekendmaking van de bestreden verordening in het Publicatieblad, berusten op een nieuw onderzoek, dat betrekking heeft op een na de datum van de nietig verklaarde verordening gelegen tijdvak. Het gaat hier dus niet om een regularisatie, maar om een optreden tegen dumpingpraktijken die na de vaststelling van de nietig verklaarde verordening waren voortgezet.

70 Subsidiair merkt de Raad op, dat het gehele betoog van verzoekster is opgebouwd op de pretense onjuiste kwalificatie van "hervatting" van het onderzoek, terwijl de Commissie nochtans spreekt van de "opening" van een nieuw onderzoek. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond, in hoeverre het onderzoek voor haar anders zou zijn verlopen wegens de laatstgenoemde kwalificatie (arresten Hof van 10 juli 1980, Distillers Company/Commissie, 30/78, Jurispr. blz. 2229, punt 26, en 27 juni 1991, Al-Jubail Fertilizer en Saudi Arabian Fertilizer/Raad, C-49/88, Jurispr. blz. I-3187, punten 23 en 24).

71 PEM en de chambre syndicale betogen, dat de meeste handelingen vóór het besluit waarbij de antidumpingprocedure formeel wordt afgesloten, geen rechtsgevolgen sorteren en dus niet met een beroep tot nietigverklaring kunnen worden aangevochten. Dit is onder meer het geval met de handeling waarbij de procedure wordt geopend. Aangezien deze handelingen niet vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring, kunnen zij niet worden nietigverklaard.

72 PEM en de chambre syndicale betogen subsidiair, dat ingevolge de terugwerkende kracht van nietigverklaringsarresten de onwettigheid terugwerkt tot de dag waarop de nietig verklaarde handeling van kracht is geworden. Verordening nr. 2808/89 nu was van kracht vanaf 22 maart 1989, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 707/89 van 17 maart 1989 (reeds aangehaald). Op alle handelingen vóór 22 maart 1989, en met name het bericht van 26 januari 1988 inzake de opening van de antidumpingprocedure, heeft het arrest Extramet II geen invloed gehad. De door dit bericht geopende procedure is dus niet door het Hof nietig verklaard, zodat de Commissie dan ook het onderzoek in het kader van deze procedure kon hervatten (zie in deze zin arrest Hof van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, Jurispr. blz. 2181, punt 30).

73 Verzoekster meent, dat PEM zich volkomen vergist wat betreft de gevolgen van de niet-ontvankelijkheid van een beroep tegen voorbereidingshandelingen. Een onderneming is nimmer de mogelijkheid ontzegd, de wettigheid van voorbereidingshandelingen te bestrijden in een beroep tot nietigverklaring tegen de definitieve besluiten (zie arresten Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeythiö e.a./Commissie, C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C-125/85-C-129/85, Jurispr. blz. I-1307, en Gerecht van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49). Voorts bestrijdt zij het standpunt van PEM, dat de aan de nietig verklaarde handeling voorafgegane procedure nog steeds effect sorteert omdat de nietigverklaring niet verder teruggaat dan tot de dag van vaststelling van de bestreden handeling. Deze opvatting leidt ertoe, dat regularisatie te allen tijde mogelijk is en dat beroepen tot nietigverklaring doelloos zijn.

- Het derde onderdeel: miskenning van de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen

74 Volgens verzoekster heeft de Commissie de voorwaarden miskent waaronder een nietige handeling kan worden geregulariseerd. Zo de beginselen van het gemeenschapsrecht regularisatie al niet verbieden, dan moeten toch de daarvoor geldende voorwaarden in acht worden genomen. Dit is hier niet het geval. In de eerste plaats betreft het niet een gebied waarop regularisatie is toegestaan. In de tweede plaats is de regularisatie op onjuiste wijze uitgevoerd.

75 Een regularisatie was in casu niet mogelijk, omdat het Hof verordening nr. 2808/89 niet op formele of procedurele gronden heeft nietig verklaard, maar wegens onjuistheden in de vaststelling van de schade van de communautaire bedrijfstak, dus wegens een onjuiste beoordeling van een van de fundamentele materiële voorwaarden voor de vaststelling van de antidumpingrechten.

76 Herstel van vorm- of procedurefouten moge op zich aanvaardbaar zijn, dit is anders ingeval er materiële regels zijn geschonden. In casu heeft het Hof zich in zijn arrest immers niet uitgesproken over de andere middelen van verzoekster, die de overige materiële voorwaarden van de verordening betroffen, met name de gelijksoortigheid van de producten. Niemand, ook de Commissie niet, is in staat te zeggen, hoe het Hof op die andere middelen zou hebben beslist.

77 Voorts heeft de Commissie de regularisatie op onjuiste wijze uitgevoerd door de onderzoeksperiode te wijzigen: aanvankelijk bestreek het onderzoek de periode van 1 januari tot 31 december 1987, na de hervatting van het onderzoek echter de periode van 1 juli 1991 tot 31 oktober 1992.

78 Indien het doel was, nieuwe rechten in te stellen op basis van een andere referentieperiode, dan had een nieuwe procedure moeten worden ingeleid.

79 Verzoekster bestrijdt de opvatting van de Raad, PEM en van de chambre syndicale, dat de procedurele onregelmatigheid geen consequenties heeft gehad en dus geen nietigverklaring rechtvaardigt. Haar positie is wel degelijk aangetast doordat de Commissie het onderzoek heeft hervat in plaats van een nieuw onderzoek te beginnen. Men kan zich niet verschuilen achter het feit, dat de Commissie op dezelfde wijze te werk is gegaan alsof een nieuwe procedure was geopend.

80 Het is dus onjuist te stellen, dat de heropening van het onderzoek niet nadelig is geweest voor verzoekster. Voor het openen van een nieuwe procedure had er een klacht moeten zijn. De enige nu die een klacht kon indienen, was PEM, de enige communautaire producent. PEM heeft echter geen klacht ingediend. Ten tijde van de feiten was PEM juist door de Franse conseil de la concurrence veroordeeld (31 maart 1992) wegens misbruik van machtspositie en waren tegen deze beslissing nog beroepen aanhangig waarin verzoekster stelde, dat PEM haar machtspositie had misbruikt door een klacht over dumping in te dienen.

81 Het zou dan ook buitengewoon onhandig zijn geweest van Péchiney om, terwijl de eerste antidumpingprocedure net was geëindigd in een nietigverklaring van de definitieve verordening, meteen een nieuwe klacht in te dienen, want daarmee had zij de cour d'appel de Paris argumenten aan de hand gedaan die voor het standpunt van IPS pleitten.

82 De Raad betoogt, dat het niet ging om een regularisatie van de nietigverklaarde rechten, maar om oplegging van nieuwe rechten vanaf de inwerkingtreding van de bestreden verordening. Hij deelt niet de opvatting van verzoekster, dat het Hof verordening nr. 2808/89 om andere dan formele redenen heeft nietigverklaard. Zijns inziens blijkt uit de punten 20 en 21 van het arrest Extramet II duidelijk, dat het om een vormgebrek en niet om een materiële fout ging. En ook al was een materiële regel geschonden, de Commissie heeft het onderzoek van begin af aan hervat en kon derhalve nieuwe antidumpingrechten instellen.

83 Immers, het Hof heeft niet de opening van de procedure of van het onderzoek nietig verklaard, maar alleen de verordening die de Raad in het kader van die procedure had vastgesteld.

84 PEM en de chambre syndicale stellen, dat ingevolge artikel 176 van het Verdrag de betrokken instelling verplicht is om de rechtsgevolgen van de nietigverklaarde handeling teniet te doen. Dit is in casu ook gebeurd, aangezien de definitieve en voorlopige antidumpingrechten die waren geheven, na het arrest van het Hof zijn gerestitueerd conform artikel 16 van de basisverordening.

85 Met een beroep op het arrest Asteris e.a./Commissie (reeds aangehaald) betogen PEM en de chambre syndicale verder, dat de instelling waarvan een handeling is nietig verklaard, zich niet mag beperken tot het ongedaan maken van de gevolgen die die handeling heeft gehad. Ook behoort zij in haar toekomstig gedrag rekening te houden met het arrest en ervoor te zorgen dat de door de communautaire rechter geconstateerde onwettigheid ontbreekt in de handeling die de nietigverklaarde handeling moet vervangen. Met hun diepgaande behandeling van het vraagstuk van het causaal verband tussen de dumping en de schade hebben de instellingen volledig uitvoering gegeven aan het arrest van het Hof.

86 Een onregelmatigheid in de procedure levert slechts een grond voor nietigverklaring op, wanneer het aangevochten besluit zonder deze onregelmatigheid een andere inhoud zou hebben gehad (arresten Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78-215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 47, en 23 april 1986, Bernardi/Parlement, 150/84, Jurispr. blz. 1375, punt 28). Het feit dat de Commissie het onderzoek heeft voortgezet in het kader van de op 26 januari 1988 geopende procedure in plaats van een nieuwe procedure te openen, heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de eindbeslissing van de instellingen, aangezien verzoekster in dezelfde, zo niet in een betere positie is gebracht dan wanneer de Commissie een nieuwe procedure had geopend.

Beoordeling door het Gerecht

87 Blijkens de basisverordening omvat de antidumpingprocedure verscheidene fasen, waar het onderzoek er een van is. In een procedure kunnen een of meer onderzoeken plaatsvinden.

88 Volgens artikel 7, lid 9, sub b, van de basisverordening eindigt de procedure hetzij door afsluiting van het onderzoek zonder dat rechten worden ingesteld of verbintenissen in de zin van artikel 9 van de basisverordening worden aanvaard, hetzij door het vervallen of intrekken van ingestelde rechten dan wel door beëindiging van verbintenissen overeenkomstig artikel 14 of 15 van de basisverordening.

89 Het onderzoek eindigt volgens artikel 7, lid 9, sub a, van de basisverordening slechts, indien definitieve maatregelen worden genomen of indien het onderzoek wordt afgesloten. De procedure zelf neemt daarmee echter geen einde.

90 Zolang de procedure doorloopt, kan om terugbetaling worden verzocht overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening en kan het onderzoek worden heropend voor heronderzoek van de definitieve maatregelen.

91 Het feit dat de basisverordening geen specifieke bepalingen bevat over de rechtsgevolgen van een nietigverklaringsarrest kan niet, zoals verzoekster meent, zo worden uitgelegd, dat de instellingen het onderzoek evenals de procedure in het kader waarvan de nietigverklaarde definitieve maatregelen zijn vastgesteld, niet zouden mogen hervatten. Ingevolge artikel 176 van het Verdrag dient de betrokken instelling immers op passende wijze uitvoering te geven aan een nietigverklaringsarrest. De nietigverklaring van een handeling die een uit meerdere fasen bestaande administratieve procedure afsluit, leidt derhalve niet noodzakelijkerwijs tot nietigverklaring van de gehele procedure die aan de bestreden handeling is voorafgegaan, ongeacht de gronden, van materiële of formele aard, waarop het nietigverklaringsarrest berust (zie, in deze zin, arresten Hof Asteris e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 30, en 13 november 1990, Fedesa e.a., C-331/88, Jurispr. blz. I-4023, punt 34; arresten Gerecht van 14 februari 1990, Hochbaum/Commissie, T-38/89, Jurispr. blz. II-43, punt 13, en 15 juli 1993, Camara Alloisio e.a./Commissie, T-17/90, T-28/91 en T-17/92, Jurispr. blz. II-841, punt 79).

92 Verzoeksters primaire stelling, dat de nietigverklaring van een verordening houdende instelling van antidumpingrechten zich noodzakelijkerwijs tot de gehele eraan voorafgegane administratieve procedure uitstrekt, berust derhalve, gelet op deze beginselen, op een onjuiste rechtsopvatting.

93 Ter beoordeling van de gegrondheid van verzoeksters middel dienen de gevolgen van de door het Hof in het arrest Extramet II vastgestelde onwettigheid te worden bepaald. Hierbij moet voor ogen worden gehouden, dat om zich te voegen naar het arrest en er volledige uitvoering aan te geven, de instelling niet alleen het dictum moet naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die daartoe hebben geleid en er de noodzakelijke steun aan bieden (arrest Asteris e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 27).

94 Verordening nr. 2808/89 is in het arrest Extramet II nietigverklaard, omdat de instellingen niet daadwerkelijk hadden onderzocht, of de communautaire producente, te weten PEM, door haar verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de geleden schade, en zij niet hadden aangetoond, dat de schade niet uit de door Extramet aangevoerde omstandigheden voortvloeide. Op grond hiervan oordeelde het Hof, dat de instellingen de schade niet naar behoren hadden vastgesteld (punt 19 van het arrest). De door het Hof geconstateerde onwettigheid had derhalve geen betrekking op de voorbereidingshandelingen voor het onderzoek en in het bijzonder niet op de opening van de procedure krachtens artikel 7, lid 1, van de basisverordening.

95 De Commissie kon dan ook op rechtmatige wijze de procedure hervatten en zich baseren op alle handelingen die niet door de nietigverklaring waren getroffen, te weten de klacht van PEM van juli 1987, het advies van het raadgevend comité en het besluit om de procedure te openen, voor het instellen van een onderzoek met betrekking tot dezelfde referentieperiode als in de bij het arrest Extramet II nietigverklaarde verordening nr. 2808/89 in aanmerking was genomen, zij het beperkt tot de vraag, of PEM door de verkoopweigering niet zelf had bijgedragen tot de schade van de communautaire bedrijfstak. Aangezien de Commissie evenwel heeft besloten tot een nieuw onderzoek met betrekking tot een andere referentieperiode, rijst de vraag of de voorwaarden van de basisverordening in casu in acht zijn genomen.

96 Vooraf moet erop worden gewezen, dat de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wat betreft de keuze van de in aanmerking te nemen periode voor de vaststelling van de schade in een antidumpingprocedure (arresten Hof van 28 november 1989, Epicheiriseon Metalleftikon Viomichanikon kai Naftiliakon e.a./Raad, C-121/86, Jurispr. blz. 3919, punt 20, en 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C-69/89, Jurispr. blz. I-2069, punt 86).

97 Blijkens artikel 7, lid 1, van de basisverordening is het bestaan van omstandigheden die bewijs opleveren van dumpingpraktijken die schade toebrengen aan de communautaire bedrijfstak, de noodzakelijke materiële en tevens voldoende voorwaarde voor een optreden van de Gemeenschap tegen de dumping en in het bijzonder voor het openen van een onderzoek.

98 In casu waren er geen redenen voor de Commissie om aan te nemen, dat de dumpingpraktijken waren gestaakt of dat de communautaire bedrijfstak geen schade meer leed. Integendeel. Zij heeft van PEM een nota ontvangen waarin werd gepleit voor heropening van het onderzoek, alsmede een nota over de schade van de communautaire bedrijfstak. In de nota van 1 juli 1992 heeft PEM de gegevens in de klacht van juli 1987 aangevuld met gegevens over de periode van 1987 tot december 1991, dit wil zeggen de jongste periode waarover cijfers beschikbaar waren, en op basis daarvan een gedetailleerde analyse gemaakt van de verschillende factoren die aan de vaststelling van antidumpingmaatregelen ten grondslag liggen, te weten de normale waarde, de uitvoerprijs, de prijsvergelijking, de dumpingmarge en de schade.

99 Gelet op het feit dat de ingeleide procedure niet door het arrest Extramet II was nietigverklaard en dat de dumpingpraktijken aanhielden, heeft de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden door te besluiten de reeds in 1989 geopende procedure voort te zetten en een nieuw onderzoek in te stellen voor een andere referentieperiode.

100 Het middel van verzoekster, dat de hervatting van het onderzoek juridische grondslag miste, het gezag van gewijsde miskende, de strekking van het arrest van het Hof doorkruiste en hoe dan ook in strijd was met de voorwaarden voor regularisatie van bestuurshandelingen, is derhalve niet gegrond.

101 Bovendien zijn de rechten die ingevolge de opening van de procedure in 1989 aan IPS toekwamen, niet aangetast door de keuze van een andere onderzoeksperiode. De Commissie heeft IPS immers op de hoogte gesteld van haar voornemen om het onderzoek te hervatten en heeft haar op 17 juli 1992 verzocht haar standpunt over de kwestie van de schade kenbaar te maken. Voorts heeft zij haar op 14 oktober 1992 de nota van PEM over de schade toegezonden en heeft zij na advies van het raadgevend comité de voortzetting van de procedure bekendgemaakt in het Publicatieblad van 14 november 1992; dit bericht vermeldde het betrokken product en de betrokken landen en bevatte een korte uiteenzetting van de ontvangen informatie alsmede het verzoek, haar alle nuttige gegevens mede te delen. Zij heeft de kennelijk belanghebbende exporteurs en importeurs officieel op de hoogte gebracht en de termijn bepaald waarbinnen de betrokken partijen hun standpunt schriftelijk konden indienen en konden verzoeken om te worden gehoord. Uit de punten 4 tot en met 7 van de considerans van de voorlopige verordening blijkt duidelijk, dat het onderzoek zowel de dumping als de schade betrof en dat de onderzoeksperiode het tijdvak van 1 juli 1991 tot 31 oktober 1992 besloeg.

102 Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen.

Het tweede middel: schending van de artikelen 7 en 8 van de basisverordening

103 Dit middel omvat drie onderdelen. Het eerste klaagt over schending van de rechten van de verdediging: de op 1 juli 1992 door PEM ingediende nota inzake de schade was verzoekster eerst op 14 oktober 1992 medegedeeld. Het tweede onderdeel klaagt over schending van artikel 7, lid 4, van de basisverordening en over miskenning van artikel 8 van dezelfde verordening: de Commissie zou bepaalde documenten van PEM niet aan verzoekster hebben doorgezonden. Het derde middel onderdeel klaagt over schending van artikel 7, lid 4, van de basisverordening en van de rechten van de verdediging: de Commissie zou hebben geweigerd bepaalde essentiële gegevens aan verzoekster mee te delen, die van belang waren voor een behoorlijke standpuntbepaling.

Het eerste onderdeel: schending van de rechten van de verdediging wegens de vertraagde toezending van PEM's nota van 1 juli 1992

- Argumenten van partijen

104 Verzoekster betoogt, dat tussen 10 juli 1992, op welke datum zij vernam dat het onderzoek werd hervat, en 18 november 1992, toen zij bevestiging kreeg van deze informatie door het bericht in het Publicatieblad, drie maanden zijn verstreken waarin de Commissie haar rechten van de verdediging niet heeft gerespecteerd. Door een toeval had zij op 10 juli 1992 kennis gekregen van PEM's nota van 1 juli 1992. Niettemin had zij haar opmerkingen over de kwestie van de schade vóór 17 augustus 1992 moeten indienen, zonder dus over die nota te kunnen beschikken. Deze was haar uiteindelijk pas 14 oktober 1992 toegezonden, nadat zij haar standpuntbepaling dus reeds had ingediend.

105 De vraag in deze is niet, of over de "hervatting" van een onderzoek een contradictoir debat moest plaatsvinden. Indien de opvatting van de Raad, PEM en de chambre syndicale juist is, dat het in 1989 begonnen onderzoek niet was afgesloten, dan had logischerwijs echter de fase voor de opening van het onderzoek zijn betekenis verloren en bevond men zich dus in de tweede fase bedoeld in artikel 7 van de basisverordening. Vanaf de hervatting van het onderzoek had de procedure derhalve contradictoir moeten zijn.

106 De Raad wijst erop, dat de Commissie verzoekster bij schrijven van 17 juli 1992, dus twee maanden voor de bekendmaking van het bericht in het Publicatieblad, had verzocht haar standpunt kenbaar te maken over de schade die de importen van het betrokken product veroorzaakten. Verzoekster heeft hierop geantwoord bij brief van 14 augustus 1992. Verzoekster stelt overigens niet, dat zij niet op PEM's nota van 1 juli 1992 heeft kunnen reageren. De Raad herinnert eraan, dat zij de Commissie haar standpunt heeft laten weten bij brief van 23 december 1992.

107 De vraag, of de Commissie een onderzoek moet continueren, is geen vraag die het onderwerp vormt van een contradictoir debat, omdat het doel van een onderzoek is, of aan de voorwaarden voor het treffen van antidumpingmaatregelen is voldaan. Blijkens de rechtspraak (arrest Hof van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, Jurispr. blz. 2639) is de hervatting van een onderzoek geen voor beroep vatbare handeling, aangezien de positie van de betrokken partijen er niet door wordt beïnvloed.

108 PEM en de chambre syndicale stellen, dat wanneer verzoekster heropening van het onderzoek had willen tegengaan, een uiteenzetting van haar visie, met name op het causaliteitsvraagstuk, wellicht een mogelijkheid daartoe was geweest. Ondanks de uitdrukkelijke uitnodiging in de brief van de Commissie van 17 juli 1992 heeft verzoekster evenwel steeds geweigerd, haar visie ter zake te geven vóór het bericht van 14 november 1992 waarin de hervatting van het onderzoek werd aangekondigd. Zij heeft derhalve ervan afgezien, zich tegen die hervatting te verzetten. Het feit dat PEM's nota van 1 juli 1992 haar niet is toegezonden, kan dan ook geen schending van de rechten van de verdediging van verzoekster opleveren.

- Beoordeling door het Gerecht

109 De brief van de Commissie van 17 juli 1992 had twee doelen: verzoekster informeren dat na het arrest Extramet II, waarbij de definitieve verordening nr. 2808/89 was nietigverklaard, het onderzoek de jure opnieuw begon, en dat zij opmerkingen kon indienen over de door de communautaire bedrijfstak geleden schade.

110 Wat het eerste punt betreft, is verzoekster blijkens haar brieven van 14 en 21 augustus 1992 in staat geweest de stelling van de Commissie met materiële argumenten aan te vechten. Kennis van de zeer technische inhoud van de nota van PEM van 1 juli 1992 was daartoe niet noodzakelijk, zoals verzoekster ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft erkend. Het feit dat PEM's nota haar pas op 14 oktober 1992 is toegezonden, heeft haar dus niet belet haar standpunt kenbaar te maken over de vraag, of de Commissie het onderzoek wel mocht hervatten, zodat haar procedurele rechten niet zijn geschonden.

111 Wat het tweede punt betreft, is verzoekster op zijn minst vanaf 17 juli 1992 en in ieder geval vanaf 14 oktober 1992, toen zij de nota van PEM van 1 juli 1992 ontving, dat wil zeggen een maand voor het bericht over de antidumpingprocedure in het Publicatieblad van 14 november 1992, in staat geweest haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de materiële voorwaarden voor hervatting van het onderzoek, wat zij trouwens een eerste keer heeft gedaan op 23 december 1992 en vervolgens tijdens het verdere verloop van de administratieve procedure tot aan de raadpleging van het raadgevend comité.

112 Bijgevolg zijn verzoeksters procedurele rechten niet geschonden doordat de nota van PEM van 1 juli 1992 haar pas op 14 oktober 1992 is toegezonden.

113 Overigens blijkt uit het dossier niet, dat verzoekster de Commissie schriftelijk om inzage in de brief van PEM van 1 juli 1992 zou hebben verzocht, hoewel zij sinds 10 juli 1992 het bestaan ervan kende. Bij gebreke van een dergelijk verzoek, dat had kunnen worden ingediend krachtens artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening, was de Commissie uit hoofde van voormelde bepaling niet verplicht, de inhoud van de brief aan verzoekster ter kennis te brengen.

114 Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het middel worden verworpen.

Het tweede onderdeel: schending van artikel 7, lid 4, van de basisverordening doordat de Commissie verzoekster bepaalde stukken van PEM niet heeft verstrekt, en schending van artikel 8 van de basisverordening

- Argumenten van partijen

115 Volgens verzoekster heeft de Commissie het vertrouwelijke karakter van bepaalde documenten onjuist beoordeeld.

116 Als gevolg van deze fout heeft zij ten onrechte geweigerd haar de navolgende documenten te verstrekken:

- een brief van PEM aan de Commissie van 19 augustus 1993, waarbij waren gevoegd een brief van 19 augustus 1993 van PEM aan haar advocaat, Me Rambaud, een verslag van het bezoek van de vertegenwoordiger van PEM, M. Plasse, aan verzoeksters fabriek op 17 augustus 1993, mede ondertekend door haar president, en vijf brieven die PEM en verzoekster tussen 10 en 17 augustus 1993 aan elkaar hebben gezonden;

- een brief van PEM aan de Commissie van 11 augustus 1993 met in bijlage een brief van verzoekster aan PEM van 4 augustus 1993;

- een brief van PEM aan de Commissie van 5 augustus 1993 met daarbij dertien brieven die PEM en verzoekster tussen 26 april en 4 augustus 1993 aan elkaar hebben gezonden;

- de nota over de technische werkzaamheden in de fabriek van PEM te La Roche de Rame, die bij PEM's brief van 5 augustus 1993 aan de Commissie was gevoegd.

117 Al deze stukken zijn door PEM in de loop van het onderzoek aan de Commissie gezonden. Verzoekster is hierover niet geïnformeerd, terwijl evenmin de voorwaarden van artikel 8, leden 2 en 3, van de basisverordening in acht zijn genomen. Eerst op 29 september 1993 vernam zij, dat een aantal vertrouwelijke documenten was overgelegd. Daarop heeft zij herhaalde malen gevraagd, haar deze stukken ter beschikking te stellen.

118 In strijd met het bepaalde in artikel 8, lid 2, sub b, van de basisverordening ontbrak een niet-vertrouwelijke samenvatting van die stukken, in het bijzonder van de brief van PEM van 5 augustus 1993 aan de Commissie inzake de technische werkzaamheden in haar fabriek te La Roche de Rame, van de interne nota's van PEM en van de brief van 19 augustus 1993 van PEM aan Me Rambaud.

119 Met name van de brief van 5 augustus 1993 kan niet worden gezegd, dat de vijf inleidende regels een niet-vertrouwelijke samenvatting vormden in de zin van de basisverordening, gezien het feit dat het een technische nota van achttien pagina's betrof.

120 Wanneer een niet-vertrouwelijke samenvatting van deze nota of van bepaalde onderdelen ervan niet mogelijk was, dan had de Commissie voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging die brief in ieder geval moeten opnemen op de lijst van door PEM geproduceerde bijlagen die de aantekening "vertrouwelijk, niet doorgezonden" hadden gekregen.

121 Het was alleen aan haar hardnekkig aandringen te danken, dat zij alsnog de beschikking over deze technische nota had gekregen; het tijdstip en de wijze waarop alsook de omvang waarin zij werd geïnformeerd, voldeden niet aan de gestelde criteria.

122 In de eerste plaats had zij, na herhaalde malen te hebben gereclameerd zowel bij de Commissie, PEM als haar advocaat, de technische nota pas ontvangen op 21 mei 1994, de dag waarop de termijn voor het indienen van opmerkingen op de voorlopige verordening afliep. Op grond van haar energieke protesten heeft de Commissie die termijn met enkele dagen verlengd, zodat zij haar reactie uiteindelijk op 27 mei 1994 kon indienen.

123 In de tweede plaats was het, hoewel de verplichting ter zake op de Commissie rustte, uiteindelijk PEM die, ondanks de weigerachtige houding van haar advocaat, haar het stuk ter beschikking heeft gesteld. De Commissie heeft dus geenszins voldaan aan haar verplichting, het al dan niet vertrouwelijke karakter van de documenten in alle objectiviteit te beoordelen.

124 Ten aanzien van in de derde plaats de omvang waarin zij werd geïnformeerd, stelt verzoekster, dat haar drie zeer vertrouwelijke stukken niet zijn meegedeeld, te weten de tekeningen van de oven van de fabriek, een briefwisseling over gevulde lasdraad en een rekening van een plaatselijk handwerkbedrijf.

125 Volgens verzoekster was kennis van de technische nota in de gegeven omstandigheden essentieel, omdat zij aan de hand daarvan kon nagaan, of PEM's pogingen om aan haar te leveren reëel waren.

126 De Raad stelt, dat verzoekster op de hoogte was van het bestaan van de documenten, gezien de in bijlage 53 bij het verzoekschrift opgenomen lijst, die haar door de Commissie is verstrekt.

127 Zijns inziens werd verzoekster door middel van het niet-vertrouwelijke dossier voldoende geïnformeerd over de inhoud van de stukken om haar rechten van de verdediging te kunnen uitoefenen. De technische nota van 5 augustus 1993 is haar op 21 mei 1994 toegezonden, met uitzondering van drie zeer vertrouwelijke onderdelen, te weten de tekeningen van de oven van de fabriek in La Roche de Rame, de correspondentie over de gevulde lasdraad en een rekening van een lokaal handwerkbedrijf; een niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan geven was onmogelijk. In haar reactie van 27 mei 1994 op de voorlopige verordening heeft verzoekster zich trouwens tevens over de technische nota uitgelaten.

128 Overigens bestrijdt verzoekster niet, dat de documenten vertrouwelijk zijn ten opzichte van de exporteurs en de andere importeurs.

129 PEM en de chambre syndicale delen het standpunt van de Raad.

- Beoordeling door het Gerecht

130 Verzoekster verwijt de Commissie in de eerste plaats, ten onrechte een aantal stukken als vertrouwelijk te hebben aangemerkt, althans jegens haar, en, in de tweede plaats, haar een aantal stukken uit het dossier niet te hebben verstrekt. Wat de wijze van toegang tot het dossier betreft verwijt zij haar, bepaalde stukken uit het vertrouwelijke dossier met vertraging te hebben vrijgegeven en geen niet-vertrouwelijke versie of niet-vertrouwelijke samenvatting van sommige van die stukken te hebben verstrekt.

131 Deze drie klachten hebben in hoofdzaak betrekking op de vier stukken, vermeld op de lijst van vertrouwelijke stukken die de Commissie verzoekster heeft toegezonden en die zijn genoemd in punt 116 hierboven.

132 Verzoekster stelt niet, dat deze documenten niet jegens derden vertrouwelijk waren, maar alleen dat zij dat niet jegens haar waren.

133 Bij de beoordeling van de klachten inzake het niet of te laat verstrekken van bepaalde stukken en inzake het ontbreken van een niet-vertrouwelijke versie van de als vertrouwelijk aangemerkte stukken moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de stukken die voorkwamen op de door de Commissie aan verzoekster verstrekte lijst en haar bekend waren, en anderzijds de stukken die, hoewel vermeld op de haar toegezonden lijsten, haar niet bekend waren.

134 De volgende documenten waren verzoekster bekend: het verslag van het bezoek van de heer Plasse aan IPS op 17 augustus 1993, de vijf brieven die PEM en IPS tussen 10 en 17 augustus 1993 aan elkaar hadden gezonden en die in bijlage bij PEM's brief aan de Commissie van 19 augustus 1993 waren gevoegd, de brief van SPS aan PEM van 4 augustus 1993, die in bijlage bij PEM's brief aan de Commissie van 11 augustus 1993 was gevoegd, de dertien brieven die PEM bij haar brief aan de Commissie van 5 augustus 1993 had meegezonden en de brief van IPS aan PEM van 19 november 1992.

135 Gelet op het feit dat de Commissie deze stukken als vertrouwelijk had aangemerkt en verzoekster een lijst daarvan had verstrekt, en in aanmerking genomen dat verzoekster het origineel of een kopie bezat, was de Commissie niet verplicht een kopie van deze stukken te verstrekken of een niet-vertrouwelijke versie op te stellen, althans niet jegens verzoekster. Door verzoekster een lijst te verschaffen van de door PEM overgelegde correspondentie met verzoekster, heeft zij haar in staat gesteld haar standpunt naar behoren kenbaar te maken en haar procedurele rechten ten volle uit te oefenen.

136 Wat de aan verzoekster niet bekende stukken betreft, te weten de brief van 19 augustus 1993 van PEM aan haar advocaat, de brieven van PEM aan de Commissie van 5, 11 en 19 augustus 1993 en de brief van PEM van 5 augustus 1993 over de technische werkzaamheden in haar fabriek te La Roche de Rame, was de Commissie ingevolge artikel 8, lid 4, van de basisverordening verplicht PEM om een niet-vertrouwelijke versie te verzoeken, voor zover een dergelijke samenvatting kon worden opgesteld.

137 Het feit dat dergelijke samenvattingen niet aan verzoekster ter beschikking zijn gesteld, levert echter slechts een schending van procedurele rechten op die nietigverklaring van de bestreden verordening rechtvaardigt, indien verzoekster onvoldoende bekend was met de inhoud van het of de stukken en daarom haar standpunt omtrent de juistheid en de relevantie ervan niet op zinvolle wijze kenbaar heeft kunnen maken.

138 Dit is in casu niet het geval.

139 Wat PEM's brieven van 5, 11 en 19 augustus 1993 aan de Commissie betreft, heeft verzoekster geen schriftelijke aanvraag als bedoeld in artikel 7, lid 4, sub a, van de basisverordening ingediend. Bijgevolg hoefde de Commissie haar deze niet te verstrekken. In haar brief van 5 oktober 1993 had verzoekster namelijk verklaard, dat zij de lijst van door de Commissie van PEM ontvangen stukken ter kennis had genomen en dat zij sommige van die stukken kende omdat het tussen haar en PEM gewisselde brieven betrof. Zij had haar verzoek om toegang tot het vertrouwelijke dossier van de Commissie derhalve beperkt tot de drie volgende stukken: de brief van PEM aan Me Rambaud van 19 augustus 1993, het verslag van het bezoek van de heer Plasse aan verzoekster op 17 augustus 1993 en de brief van 5 augustus 1993 van PEM aan de Commissie over de technische werkzaamheden die PEM had uitgevoerd in haar fabriek te La Roche de Rame.

140 Bovendien heeft de Commissie ter terechtzitting in antwoord op vragen van het Gerecht verklaard, dat de brieven van 5, 11 en 19 augustus 1993 die PEM haar had verstrekt, niet meer waren dan aankondigingen van de telkens bijgevoegde correspondentie tussen verzoekster en PEM. Onder deze omstandigheden kan ter zake geen schending van de procedurele rechten van verzoekster worden aanvaard, zelfs niet indien de Commissie haar deze stukken ook zonder een uitdrukkelijk daartoe strekkend schriftelijk verzoek ter beschikking had behoren te stellen.

141 Ten aanzien van de brief van PEM van 19 augustus 1993 aan haar advocaat heeft verzoekster ter terechtzitting erkend, dat deze kennelijk een vertrouwelijk karakter had, gelet op het arrest van het Hof van 18 mei 1982, AM & S Europe/Commissie (155/79, Jurispr. blz. 1575, punten 21-23, 25 en 28) inzake de bescherming van de vertrouwelijkheid van de briefwisseling tussen advocaat en cliënt.

142 De nota van PEM van 5 augustus 1993 over de technische werkzaamheden in PEM's fabriek te La Roche de Rame is terecht aangemerkt als vertrouwelijk document in de zin van artikel 8 van de basisverordening, aangezien deze vertrouwelijke informatie bevatte over de productieprocédés van PEM. Niettemin heeft de Commissie hier niet voldaan aan haar verplichtingen met betrekking tot het verlenen van toegang tot het dossier. In de eerste plaats heeft zij eerst na geruime tijd op verzoeksters gerechtvaardigde aanvragen gereageerd, en in de tweede plaats heeft zij geen echte niet-vertrouwelijke samenvatting van de nota verstrekt. Ten slotte heeft zij niet aangetoond, de nodige pogingen in het werk te hebben gesteld om van PEM een niet-vertrouwelijke versie te verkrijgen. Immers, pas op aandringen van verzoekster en niet van de Commissie, heeft PEM op 21 mei 1994 besloten, de nota aan IPS toe te zenden.

143 Ondanks deze onregelmatigheden heeft verzoekster op 27 mei 1994, dus nog voor de vaststelling van de bestreden verordening, opmerkingen over de nota kunnen indienen. Die onregelmatigheden hebben verzoekster derhalve niet belet, haar standpunt over de juistheid of de relevantie van het document kenbaar te maken.

144 Met betrekking tot de drie vertrouwelijke gedeelten van de technische nota van PEM van 5 augustus 1993 die verzoekster niet ter beschikking zijn gesteld, ook niet in de vorm van een samenvatting, te weten de tekeningen van de oven van de fabriek van PEM, correspondentie over de gevulde lasdraad alsmede een rekening van een plaatselijk handwerkbedrijf, moet worden opgemerkt, dat verzoekster het vertrouwelijk karakter daarvan niet bestrijdt en evenmin de stelling van de Commissie in twijfel trekt, dat een niet-vertrouwelijke samenvatting daarvan mogelijk had kunnen worden opgesteld. Ten slotte stelt verzoekster niet, als gevolg van het ontbreken van deze drie vertrouwelijke delen niet haar standpunt over de technische nota kenbaar te hebben kunnen maken.

145 Bijgevolg moet het tweede onderdeel van dit middel worden verworpen.

Het derde onderdeel: schending van artikel 7, lid 4, van de basisverordening alsook van de rechten van de verdediging doordat de Commissie bepaalde gegevens niet heeft willen verstrekken die essentieel waren voor een doeltreffende verdediging

- Argumenten van partijen

146 Verzoekster stelt, dat zij niet in staat is geweest zich uit te laten over bepaalde punten van de juistheid waarvan het instellen van antidumpingrechten in casu afhangt. Tijdens de hele duur van het onderzoek heeft zij kritiek uitgeoefend op verschillende uitgangspunten van de Commissie ter zake, in het bijzonder de keuze van de Verenigde Staten als referentieland en de onderbezetting van de productiecapaciteit van PEM, zonder echter over de gegevens te beschikken waarop de Commissie haar standpunt baseerde. Zij is van mening, dat ook al heeft zij formeel haar standpunt over de omstreden punten van het dossier naar voren heeft kunnen brengen, haar procedurele rechten niettemin zijn geschonden.

147 Zij heeft de Commissie herhaalde malen om opheldering gevraagd over de bronnen waarop zij haar opvatting baseerde, dat de Verenigde Staten als referentieland moesten worden genomen, aangezien in het dossier hieromtrent niets was te vinden. Zij verwijt de Commissie in dit verband niet, haar toegang tot het dossier te hebben geweigerd, maar wel, haar geen inzicht in de gegevens te hebben verschaft die voor de keuze van de Verenigde Staten als referentieland pleit. Dit bewijsmateriaal speelt daarom een grote rol, omdat de Commissie, door de Amerikaanse prijzen aan haar berekeningen ten grondslag te leggen, tot exorbitante marges is gekomen en tot antidumpingrechten die de monopoliepositie van de communautaire producent alleen maar kunnen versterken. Reeds tijdens het eerste onderzoek heeft verzoekster zich tegen de keuze van dit land uitgesproken en gepleit voor berekening van een aangenomen waarde voor de prijs van metallisch calcium.

148 Verzoekster stelt, dat de Commissie haar hetzij een lijst van de afnemers van de Amerikaanse producent had kunnen verstrekken, zodat zij had kunnen nagaan welk soort product hij verkocht, hetzij de omvang van zijn verkopen van het ruwe product ten opzichte van de verkopen van gevulde lasdraad. Tegen dit laatste had geen bezwaar bestaan vanuit het oogpunt van vertrouwelijkheid, en IPS had aldus kunnen nagaan, of de Amerikaanse markt inderdaad als referentiemarkt kon worden gekozen, zoals de Commissie beweerde.

149 Tijdens het onderzoek heeft zij eveneens de bezettingsgraad van de productiecapaciteit van PEM bestreden, die zich volgens deze onderneming iets boven 50 % had gestabiliseerd. Tijdens het onderzoek had zij vernomen, dat PEM in werkelijkheid niet had kunnen leveren aan bepaalde cliënten.

150 De Raad kan haar niet verwijten, geen cijfers te hebben geproduceerd om de door de Commissie aangenomen bezettingsgraad te weerleggen. De Commissie had haar de nodige informatie behoren te verstrekken zodat zij kon verifiëren, of de feiten correct waren beoordeeld.

151 De Commissie heeft haar geen enkel informatie verstrekt over welke inspanningen PEM zich had getroost en welke investeringen zij had gedaan om aan verzoekster te kunnen leveren. Verzoekster vraagt zich af, hoe de Commissie heeft kunnen vaststellen dat de gegevens van PEM voldoende bewijs opleverden van de gedane investeringen in uitrusting, gelet op de technische aard van deze gegevens, ter beoordeling waarvan zij de nodige kennis mist.

152 De Raad betoogt, dat blijkens de correspondentie die verzoeksters advocaat en de Commissie tussen 12 augustus 1993 en 22 augustus 1994 hebben gevoerd, verzoekster zich wel degelijk heeft kunnen uitlaten over de door haar genoemde punten.

153 Hij voegt eraan toe, dat de Commissie slechts de gegevens hoeft mee te delen die de betrokken partij heeft gevraagd, en alleen indien die gegevens van belang zijn voor zijn verdediging en niet vertrouwelijk zijn. In ieder geval heeft verzoekster daadwerkelijk haar standpunt kenbaar kunnen maken over de voor haar verdediging relevante punten.

154 Met betrekking tot de kwestie van het referentieland wijzen PEM en de chambre syndicale erop, dat artikel 8 van de basisverordening, inzake de vertrouwelijke behandeling van informatie, eveneens van toepassing is op informatie afkomstig van ondernemingen uit het referentieland. Bij de gegevens die voor de berekening van de normale waarde zijn gebruikt, gaat het duidelijk om gegevens die in wezen vertrouwelijk zijn.

- Beoordeling door het Gerecht

155 Nagegaan moet worden, of verzoekster voldoende nauwkeurig is geïnformeerd over de feiten en overwegingen die voor de Commissie aanleiding waren om definitieve maatregelen voor de invoer van metallisch calcium uit China en Rusland voor te stellen.

156 Verzoekster heeft het niet-vertrouwelijke dossier van de Commissie vijf maal ingezien, te weten op 27 april 1993, 4 oktober 1993, 17 mei 1994, 8 juli 1994 en 26 juli 1994.

157 Vervolgens heeft de Commissie bij brief van 11 augustus 1994 overeenkomstig artikel 7, lid 4, sub b en c, van de basisverordening aan verzoeksters advocaat de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op grond waarvan werd overwogen, definitieve antidumpingmaatregelen voor de import van metallisch calcium uit China en Rusland voor te stellen.

158 Wat de keuze van de Verenigde Staten als referentieland betreft, heeft de Commissie in de punten 12 tot 18 van de considerans van de voorlopige verordening in detail uiteengezet, waarom de Verenigde Staten een passende en niet onredelijke keuze vormden in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening.

159 Blijkens punt 15 van de considerans van de definitieve verordening hebben de instellingen de kritiek van IPS op de keuze van het referentieland - deze betrof de representativiteit van de verkopen van de Amerikaanse producent en de gelijksoortigheid van de producten - onderzocht.

160 Onder deze omstandigheden heeft de Commissie verzoekster voldoende geïnformeerd over de criteria waarop de keuze van de Verenigde Staten als referentieland berustte.

161 Het enige verwijt dat de Commissie zou kunnen worden gemaakt, is dat zij verzoekster niet het bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit het representatieve karakter bleek van de verkopen van metallisch calcium van de Amerikaanse producent waarvan de prijzen zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde op zijn thuismarkt.

162 De omvang van de verkopen van deze producent op zijn thuismarkt is evenwel een vertrouwelijk gegeven, hetgeen verzoekster niet bestrijdt. Bijgevolg was de Commissie niet verplicht haar mededelingen ter zake te doen.

163 Evenmin kon de Commissie toepassing geven aan de twee alternatieve informatiemogelijkheden die verzoekster heeft aangevoerd (zie hierboven, punt 148), aangezien verzoekster deze tevoren nimmer heeft voorgesteld.

164 Bovendien moet worden vastgesteld, dat met opgave van een lijst van de afnemers van de Amerikaanse producent, aan de hand waarvan verzoekster had kunnen verifiëren welk soort producten hij verkocht, vertrouwelijke gegevens waren prijsgegeven, zoals verzoekster zelf erkent.

165 Voorts heeft verzoekster niet weten te weerleggen, dat kennis van de verhouding tussen de omvang van de verkopen van het onbewerkte product en die van gevulde lasdraad van de Amerikaanse producent haar indirect inzicht zou hebben verschaft in zijn verkopen van metallisch calcium op zijn thuismarkt.

166 Ten slotte heeft zij niet aangetoond, in hoeverre haar verweermogelijkheden of de uitkomst van de procedure zouden zijn beïnvloed doordat haar deze gegevens niet zijn verstrekt, te meer nu zij, zoals de Raad terecht opmerkt, nimmer een alternatieve referentiemarkt heeft voorgesteld.

167 De klacht met betrekking tot de keuze van de Verenigde Staten als referentieland moet derhalve worden verworpen.

168 Ten aanzien van de informatie die de Commissie volgens verzoekster had moeten verstrekken zodat zij de juistheid van het gestelde over de bezettingsgraad van PEM's productiecapaciteit kon nagaan, blijkt uit de voorlopige verordening het volgende (punten 29 tot en met 31 van de considerans):

- vanaf 1989 heeft de communautaire producent in nieuwe ovens geïnvesteerd en heeft hij zijn productiecapaciteit enigszins verhoogd (index 103 in 1990, 107 in 1991 en 111 in 1992 vergeleken met 100 in 1989);

- de productie was stabiel: index 88 in 1990, 94 in 1991 en 101 in 1992 vergeleken met 100 in 1989;

VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER: 695A0002.1

- de in 1989 ingestelde antidumpingrechten hebben een verbetering van de bezettingsgraad tot gevolg gehad, die zich daarna op een lager niveau, iets boven 50 %, heeft gestabiliseerd.

169 Blijkens de bestreden beschikking (punt 20) heeft de Raad de kritiek van IPS onderzocht en heeft de Commissie nader onderzoek verricht waaruit bleek, dat de bezettingsgraad bij PEM in de betrokken periode laag bleef, namelijk tussen circa 50 en 60 %.

170 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie de uitgangspunten heeft toegelicht die haar tot de conclusie brachten, dat de bezettingsgraad bij PEM, dat wil zeggen de verhouding tussen de werkelijke productie en de productiecapaciteit, tijdens het onderzoekstijdvak schommelde tussen 50 en 60 %. Ook blijkt, dat zij dit punt opnieuw heeft onderzocht toen, na de vaststelling van de voorlopige verordening, zonder enig concreet bewijs werd gesteld, dat PEM aan bepaalde cliënten niet kon leveren.

171 Verzoeksters klacht, dat de Commissie haar geen enkele informatie had verstrekt aan de hand waarvan zij de juistheid van de bevindingen omtrent de bezettingsgraad van de productiecapaciteit van PEM kon beoordelen, moet derhalve worden afgewezen.

172 Ter zake van de stukken die voor bovengenoemde berekeningen zijn gebruikt, rustte op de Commissie geen mededelingsplicht jegens verzoekster ingevolge artikel 8 van de basisverordening, aangezien deze stukken, zoals verzoekster niet betwist, vertrouwelijk waren en een niet-vertrouwelijke samenvatting ervan niet mogelijk was.

173 Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond, in hoeverre haar verweermogelijkheden of de uitkomst van de procedure zouden zijn beïnvloed doordat haar deze stukken niet zijn verstrekt, te meer omdat zij nimmer bewijskrachtige omstandigheden heeft aangevoerd voor de onjuistheid van de berekeningen van de Commissie.

174 Verzoeksters klacht, dat haar niet de informatie is medegedeeld over de door PEM genomen stappen en gedane investeringen teneinde aan haar te kunnen leveren, moet worden afgewezen om dezelfde redenen als genoemd in de punten 142 tot 144 met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel.

175 Ten aanzien van de vraag, of verzoekster commentaar heeft kunnen leveren op de feiten en overwegingen op grond waarvan definitieve maatregelen voor de invoer van metallisch calcium uit China en Rusland werden voorgesteld, moet eraan worden herinnerd, dat zij is gehoord overeenkomstig artikel 7, lid 5, van de basisverordening. De hoorzitting heeft plaatsgehad op 4 mei 1993.

176 Voorts heeft verzoekster het gehele onderzoek door haar opvatting onder de aandacht van de Commissie gebracht, zoals blijkt uit het door de Raad gegeven overzicht van de correspondentie tussen de advocaat van verzoekster en de Commissie:

- brief van 31 maart 1994 (bijlage 40 bij het verzoekschrift): verzoekster deelt haar niet-vertrouwelijke opmerkingen over de voorlopige verordening mee; in deze brief bestrijdt zij de keuze van de Verenigde Staten als referentieland, de bezettingsgraad van de communautaire producent van 50 %, het nut van de door PEM gedane investeringen en de door de Commissie aangenomen zuiverheidsgraad van 96 %; de Commissie antwoordde haar bij brief van 14 juni 1994;

- brief van 11 juli 1994 (bijlage 42 bij het verzoekschrift): verzoekster antwoordt op de brief van de Commissie van 14 juni 1994 en bevestigt daarin de in de brief van 31 maart 1994 geuite kritiek;

- brief van 22 augustus 1994 (bijlage 62 bij het verzoekschrift): verzoekster becommentarieert de brief van 11 augustus 1994 waarin de Commissie belangrijkste feiten en overwegingen uiteenzet op grond waarvan zij definitieve maatregelen wil voorstellen; verzoekster gaat in het bijzonder in op de keuze van het referentieland, PEM's bezettingsgraad, de zuiverheidsgraad van het calcium en de door PEM genomen stappen om te proberen een conform product te leveren.

177 Verzoekster heeft derhalve ruime gelegenheid gehad haar standpunt duidelijk te maken over de keuze van het referentieland, de bezettingsgraad van de productiecapaciteit van de fabriek van PEM en de gegevens over de investeringen die PEM had gedaan teneinde aan IPS te kunnen leveren.

178 Bijgevolg moet het derde middelonderdeel eveneens worden verworpen.

179 Het middel dient derhalve in zijn geheel te worden verworpen.

Het derde middel: schending van de artikelen 4, lid 4, en 2, lid 12, van de basisverordening en kennelijke beoordelingsfout

- Argumenten van partijen

180 Verzoekster stelt, dat de Raad en de Commissie ten onrechte hebben aangenomen dat het uit China en Rusland afkomstige metallisch calcium en het door PEM vervaardigde product wat de toepassingen ervan betreft onderling verwisselbaar zijn en dus gelijksoortig in de zin van artikel 2, lid 12, van de basisverordening. Gelijksoortigheid en onderlinge verwisselbaarheid zijn equivalente begrippen. De gelijksoortigheid van de betrokken producten dient derhalve te worden onderzocht aan de hand van hun fysische en technische kenmerken en hun toepassingen.

181 Volgens verzoekster heeft het standaard calcium uit China of Rusland niet dezelfde fysische kenmerken als dat van PEM. Het eerste heeft de vorm van glanzende en homogene krullen (spaanders), terwijl het tweede de vorm heeft van ongelijke stukjes met een vezelachtig, poreus en altijd dof uiterlijk.

182 De technische kenmerken van de producten zijn volkomen verschillend. De chemische analyses ter bepaling van het aluminium- en magnesiumgehalte tonen aan, dat het niet dezelfde producten zijn. Het communautaire calcium bevat veel meer zuurstof dan het Russische of Chinese calcium, waardoor het vier tot vijf maal sterker oxideert.

183 Juist die sterke oxidatie in vergelijking met het calcium van andere producenten in de wereld maakt het calcium van PEM ongeschikt voor verzoekster. Het te hoge zuurstofgehalte leidt tot kalkafzetting in de ovens, waardoor verzoeksters installaties dichtslibben. PEM heeft overigens erkend, dat het zuurstofgehalte van haar calcium veel hoger ligt.

184 Deze eigenschap van het calcium van PEM is essentieel. Dit te meer omdat, aangezien het een industrieel product is dat dient ter vervaardiging van een derivaat, en dus geen product bestemd voor de eindgebruiker, de toepassingsvoorwaarden van het product erdoor worden bepaald en het productieproces en de productiekosten er aanzienlijk door worden beïnvloed. Het economische effect van het fysische verschil in zuurstofgehalte is groot.

185 Het argument van PEM, dat het verschil tussen de twee producten niet in het calcium zelf is gelegen, maar in het bijzondere procédé dat verzoekster gebruikt, gaat feitelijk en ook juridisch niet op.

186 Het feit dat andere verwerkende bedrijven het calcium van PEM kunnen gebruiken, bewijst enkel dat eenzelfde product voor verschillende doeleinden en in verschillende omstandigheden kan worden gebruikt. Het standaard metallisch calcium kan tot verschillende markten behoren. Het kan worden gebruikt voor de vervaardiging van lood en ferrolegeringen en als grondstof voor de vervaardiging van gegranuleerd calcium. Voor de eerstgenoemde toepassingen zijn verschillen in zuiverheid niet van belang, evenmin als het zuurstofgehalte. Het zuurstofgehalte is daarentegen essentieel voor de tweede soort toepassingen, die een belangrijk aandeel vertegenwoordigen van alle toepassingen van calcium.

187 Metallisch calcium is een bewerkte grondstof die wordt gebruikt in drie sectoren, te weten de loodindustrie (340 ton, ofwel 40 % van de calciumtoepassingen), de behandeling van staal (570 ton, ofwel 46 % van de calciumtoepassingen) en de verwerking van calcium bij hoge temperatuur (100 ton, ofwel 11 % van de calciumtoepassingen). Het standaardcalcium van PEM is zonder probleem te gebruiken in de loodindustrie, maar niet voor toepassingen bij hoge temperatuur en evenmin voor bijna de helft van de producten ter behandeling van staal.

188 De redenering van PEM is onjuist. Volgens verzoekster kan men niet van metallisch calcium als grondstof een sprong maken naar de eindtoepassingen van het derivaat van de grondstof, zonder rekening te houden met de toepassing in de tussenfase, te weten de vervaardiging van gegranuleerd metallisch calcium. Voor deze intermediaire markt moeten de toepassingsvoorwaarden worden bezien, aangezien het geschil de invoer van standaard metallisch calcium en niet van gegranuleerd calcium betreft.

189 Gezien deze omstandigheden en het grote aandeel dat de behandeling van staal vertegenwoordigt binnen de toepassingsmogelijkheden van calcium, kan men niet zeggen dat de verschillen tussen de toepassingen van weinig belang of zelfs marginaal zijn. Het tegendeel is waar. Slechts voor een van de drie toepassingen - de loodindustrie - zijn het standaardcalcium van PEM en het standaardcalcium uit China of Rusland gelijksoortig. Voor de andere twee toepassingen moet PEM het calcium opnieuw destilleren. De twee producten kunnen derhalve niet als gelijksoortig worden beschouwd.

190 Derhalve zijn zij niet onderling verwisselbaar.

191 De Raad is van mening, dat een ondernemer als verzoekster die een nieuw procédé ontwikkelt om van een bepaald product een granulaat te verkrijgen, niet twee verschillende producten in de zin van de basisverordening creëert alleen omdat zijn procédé, in tegenstelling tot bestaande procédés, bijzonder gevoelig is voor bepaalde onzuiverheden. Verschillen in kwaliteit of in gebruik zijn op zich niet voldoende om twee producten van elkaar te onderscheiden. Waar het op aankomt is, of de verschillen in kwaliteit of gebruik naar algemene marktopvattingen twee verschillende producten opleveren.

192 Het is niet waar, dat verzoekster PEM's product helemaal niet kan gebruiken; wel brengt het gebruik ervan extra kosten mee.

193 Verzoekster nu kan zich niet beroepen op kostenverschillen voor haar eigen productie zonder rekening te houden met het feit dat de Chinese en Russische producten een elektrolytische behandeling hebben ondergaan waarvan de kosten in een markteconomie veel hoger liggen.

194 Volgens de Raad mag het punt van de identiteit van het chemische element of bestanddeel niet worden verward met dat van de aanwezigheid van onzuiverheden. Een verschil in zuiverheid heeft niet noodzakelijkerwijs gevolgen voor de gelijksoortigheid van producten. Het door PEM vervaardigde metallisch calcium is opgebouwd uit hetzelfde chemische element als het metallisch calcium uit China en Rusland. Het verschil in zuiverheidsgraad was in de ogen van de instellingen niet van betekenis voor het gebruik van PEM's standaardproduct door andere verwerkende bedrijven dan verzoekster.

195 Het metallisch calcium uit China of Rusland kan dat van PEM in alle sectoren vervangen, omdat voor 86 % van de industriële verbruikers van metallisch calcium (loodindustrie, ferrolegeringen en staalbewerking) het door middel van aluminothermie en a fortiori het door elektrolyse verkregen calcium aan hun technische eisen voldoet. 11 % van de industriële verbruikers (toepassingen bij hoge temperatuur) geeft de voorkeur aan een door elektrolyse verkregen calcium, dat PEM kan leveren door haar standaardproduct te destilleren. Voor 3 % van de industriële verbruikers (de kerntechnische installaties) is een product van hoge zuiverheid nodig, dat PEM eveneens kan leveren.

196 Refererend aan de beschikkingspraktijk van de Commissie stellen PEM en de chambre syndicale, dat het voor soortgelijkheid van twee producten volstaat dat de communautaire producten en die uit derde landen dezelfde wezenlijke fysische en technische kenmerken hebben en dezelfde functies en fundamentele gebruiksmogelijkheden, ook al kunnen verschillen in kenmerken, uiterlijk of kwaliteit de mate van onderlinge verwisselbaarheid verminderen.

197 Het communautaire metallisch calcium en het metallisch calcium uit China of Rusland zijn gelijksoortig.

198 Ofschoon de zuiverheidsgraad en dus het zuurstofgehalte licht kan verschillen naar gelang het productieprocédé, komen de fysische en chemische kenmerken van het communautaire en het Chinese of Russische metallisch calcium voldoende overeen om te kunnen spreken van gelijksoortige producten.

199 De twee producten hebben ook dezelfde eindgebruikers.

200 Met beide productieprocédés wordt een zogeheten "standaard" primair calcium verkregen, dat wordt toegepast ofwel in massieve vorm, in de lood- en ferrolegeringsverwerkende industrie, ofwel in granulaatvorm.

201 Voor toepassing van metallisch calcium in massieve vorm (40 % van het totale verbruik) zijn het communautaire en het Chinese of Russische metallisch calcium volkomen onderling verwisselbaar. Voor toepassing van metallisch calcium in granulaatvorm bij calcium-thermische reacties is metallisch calcium met een hogere zuiverheidsgraad nodig. Hiervoor kan het calcium worden gebruikt van de producenten uit China en Rusland, die het elektrolytisch procédé gebruiken, maar ook het product van degenen die het aluminothermisch procédé gebruiken, zoals PEM. Ook met dit laatste procédé kan een zeer zuiver calcium worden verkregen. Het enige verschil is de prijs: het Russische of Chinese calcium is weliswaar zuiverder, maar dankzij de dumping goedkoper. Per saldo zijn voor 86 % van de toepassingen de functies en fundamentele gebruiksmogelijkheden van het communautaire en het geïmporteerde metallisch calcium gelijk, terwijl het zuiverdere metallisch calcium dat nodig is voor verwerking bij hoge temperatuur (11 % van het verbruik), zowel bij PEM als de Chinese en Russische producenten kan worden betrokken. Deze producten zijn derhalve gelijksoortig in de zin van de basisverordening.

- Beoordeling door het Gerecht

202 Artikel 4, leden 1 en 4, van de basisverordening bepaalt:

"1. Schade wordt slechts vastgesteld indien de invoer met dumping of subsidiëring door het effect van de dumping of de subsidiëring schade veroorzaakt, dat wil zeggen aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt. (...)

(...)

4. Het effect van de invoer met dumping of subsidiëring wordt geraamd ten opzichte van de productie van het soortgelijke product in de Gemeenschap, (...)."

203 Artikel 2, lid 12, van dezelfde verordening bepaalt:

"12. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder $soortgelijk product' verstaan een product dat gelijk, dat wil zeggen in alle opzichten gelijksoortig, is aan het betrokken product, of bij het ontbreken van een dergelijk product, een ander product dat kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken product grote overeenkomst vertonen."

204 Voorop dient te worden gesteld, dat de instellingen over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken bij het onderzoek van ingewikkelde economische situaties (zie arrest Gerecht van 28 september 1995, Ferchimex/Raad, T-164/94, Jurispr. blz. II-2681, punt 66); daartoe behoort ook het bepalen van de "soortgelijke producten" (zie arrest Gerecht van 25 september 1997, Shanghai Bicycle/Raad, T-170/94, Jurispr. blz. II-1383, punt 63).

205 Bijgevolg moet worden nagegaan, of de instellingen een fout van juridische of feitelijke aard hebben begaan dan wel de feiten kennelijk onjuist hebben beoordeeld, waardoor zij de producten ten onrechte als gelijksoortig hebben aangemerkt (zie arrest Hof van 14 juli 1988, Fediol/Commissie, 188/95, Jurispr. blz. 4193, punt 6).

206 Bij het onderzoek van het gelijksoortigheidsvraagstuk heeft de Raad zowel de fysische en technische verschillen tussen het product van PEM en het uit China of Rusland geïmporteerde product in aanmerking genomen, alsook de betekenis daarvan voor intermediaire producenten als verzoekster.

207 Een communautair product en een product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, kunnen door de instellingen als gelijksoortig worden beschouwd, ook al bestaan er tussen de producten fysische, technische of andere verschillen waardoor de gebruiksmogelijkheden van de eindgebruiker worden ingeperkt. Naar aanleiding van antidumpingrechten op fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (zie arresten Hof van 10 maart 1992, Canon/Raad, C-171/87, Jurispr. blz. I-1237, punten 47, 48 en 52, Ricoh/Raad, C-174/87, Jurispr. blz. I-1335, punten 35, 36 en 40, en Sharp Corporation/Raad, C-179/87, Jurispr. blz. I-1635, punten 25, 26 en 30) heeft het Hof overwogen, dat de instellingen geen beoordelingsfout hadden gemaakt door voor de vaststelling van de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap als "productie van het soortgelijk product van de Gemeenschap" te beschouwen, de productie van alle fotokopieerapparaten van alle segmenten tezamen, met uitzondering van de apparaten die niet in de Gemeenschap werden geproduceerd, ondanks dat er technische verschillen waren tussen de diverse fotokopieerapparaten.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in