Gerecht EU 8 september 2021, T-152/19, ECLI:EU:T:2021:539

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer)

8 september 2021 ( *1 )

„Bescherming van de gezondheid en veiligheid van consumenten en werknemers – Richtlijn 2006/42/EG – Vrijwaringsclausule – Nationale maatregel waarbij een kegelzetmachine en een daarmee te gebruiken aanvullende set uit de handel wordt genomen en het in de handel brengen ervan wordt verboden – Essentiële gezondheids- en veiligheidseisen – Besluit van de Commissie waarbij de maatregel gerechtvaardigd wordt verklaard – Gelijke behandeling”

In zaak T‑152/19,

Brunswick Bowling Products LLC, voorheen Brunswick Bowling & Billiards Corporation, gevestigd te Muskegon, Michigan (Verenigde Staten), vertegenwoordigd door R. Martens en V. Ostrovskis, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Huttunen en P. Ondrůšek als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Koninkrijk Zweden, vertegenwoordigd door H. Eklinder, R. Eriksson, C. Meyer-Seitz, A. Runeskjöld, M. Salborn Hodgson, H. Shev, J. Lundberg en O. Simonsson als gemachtigden,

interveniënt,

inzake een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1960 van de Commissie van 10 december 2018 betreffende een door Zweden op grond van richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad genomen vrijwaringsmaatregel om het in de handel brengen van een door Brunswick Bowling & Billiards geproduceerd type kegelzetmachine en daarmee te gebruiken aanvullende set te verbieden en in voorkomend geval uit de handel te nemen (PB 2018, L 315, blz. 29),

wijst

HET GERECHT (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, F. Schalin en P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), rechters,

griffier: C. Kristensen, hoofd van een administratieve eenheid,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 oktober 2020,

gezien de beschikking tot heropening van de mondelinge behandeling van 11 maart 2021 en de antwoorden van partijen op de schriftelijke vragen van het Gerecht,

het navolgende

Arrest ( 1 )

[omissis]

Procedure en conclusies van partijen

12 Bij op 8 maart 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

13 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 juni 2019, heeft het Koninkrijk Zweden verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie. De Commissie en verzoekster hebben respectievelijk op 9 en 17 juli 2019 ingestemd met dit verzoek tot interventie. Bij beslissing van 25 juli 2019 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht het verzoek tot interventie van het Koninkrijk Zweden ingewilligd.

14 Op 24 juni 2019 heeft de Commissie haar verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht.

15 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 21 augustus en 22 oktober 2019 neergelegd ter griffie van het Gerecht.

16 Op 9 oktober 2019 heeft het Koninkrijk Zweden een memorie in interventie neergelegd ter griffie van het Gerecht.

17 Op 5 en 7 november 2019 hebben respectievelijk de Commissie en verzoekster hun opmerkingen over de memorie in interventie van het Koninkrijk Zweden neergelegd ter griffie van het Gerecht.

18 Bij beslissing van de president van het Gerecht van 16 oktober 2019 is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die zitting heeft in de Tweede kamer.

19 Overeenkomstig artikel 106, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft verzoekster op 3 december 2019 een met redenen omkleed verzoek ingediend om een pleitzitting te houden.

20 Bij beslissing van 16 juli 2020 heeft het Gerecht een maatregel tot organisatie van de procesgang vastgesteld op grond van de artikelen 88 tot en met 90 van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn hierop geantwoord. De andere partijen hebben geen gevolg gegeven aan het tot hen gerichte verzoek om hun opmerkingen over het antwoord van de Commissie in te dienen.

21 Ter terechtzitting van 6 oktober 2020 zijn partijen in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

22 Bij beschikking van 11 maart 2021 heeft het Gerecht besloten de mondelinge behandeling te heropenen en bij beslissing van diezelfde dag heeft het op grond van de artikelen 88 tot en met 90 van het Reglement voor de procesvoering een maatregel tot organisatie van de procesgang vastgesteld, waarmee verzoekster werd verzocht om verduidelijking van haar juridische band met Brunswick Bowling & Billiards, waarnaar in overweging 1 van het bestreden besluit wordt verwezen als fabrikant van de litigieuze producten.

23 In haar antwoord van 26 maart 2021 heeft verzoekster uitleg gegeven en bewijselementen overgelegd waaruit blijkt dat in het bestreden besluit haar vroegere bedrijfsnaam wordt gebruikt. Bij brief van 16 april 2021 heeft de Commissie aangegeven dat zij geen opmerkingen had over verzoeksters antwoord. Het Koninkrijk Zweden heeft binnen de gestelde termijn geen opmerkingen ingediend.

24 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – het bestreden besluit nietig te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

25 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Zweden, verzoekt het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

[omissis]

Ten gronde

Eerste middel: schending van de in artikel 11 van richtlijn 2006/42 en artikel 18, lid 5, van verordening nr. 765/2008 neergelegde procedurevoorschriften, en van het in artikel 18, lid 4, van die verordening bedoelde evenredigheidsbeginsel

[omissis]

– Eerste onderdeel: schending van de in artikel 11 van richtlijn 2006/42 en artikel 18, lid 5, van verordening nr. 765/2008 neergelegde procedurevoorschriften

[omissis]

42 Richtlijn 2006/42 voert dus een systeem in voor het toezicht op en regulering van de interne markt, waarin het in eerste instantie aan de bevoegde nationale autoriteiten staat om te beoordelen of een machine de gezondheid of de veiligheid van personen in gevaar brengt en zo ja, de nodige maatregelen te nemen om deze terug te halen of te verbieden. De hiertoe bedoelde vrijwaringsclausule van artikel 11 van richtlijn 2006/42 moet zelf worden gezien in het licht van artikel 114, lid 10, VWEU, dat de lidstaten machtigt om dergelijke maatregelen te treffen op grond van een of meerdere van de in artikel 36 VWEU bedoelde niet-economische redenen, waaronder de bescherming van de gezondheid en het leven van personen. Uit de rechtspraak volgt dat een dergelijke toepassing kan inhouden dat de nationale autoriteiten ingewikkelde technische of wetenschappelijke beoordelingen moeten maken. De Commissie moet op haar beurt nagaan of de maatregelen die de lidstaten in het kader van richtlijn 2006/42 hebben getroffen, al dan niet feitelijk en rechtens gerechtvaardigd zijn (zie arrest van 3 mei 2018, Grizzly Tools/Commissie, T‑168/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:246, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43 Het Gerecht heeft reeds geoordeeld dat de Commissie in dit kader een ruime bevoegdheid bij de beoordeling van de feiten moet worden toegekend opdat zij de haar opgedragen doelstelling efficiënt kan nastreven, alsmede vanwege de ingewikkelde technische evaluaties die zij moet maken. Overigens kan, daar het een rechtsvraag betreft, enkel in een volledige rechterlijke toetsing worden beoordeeld of de juridische redenen voor het oordeel van de Commissie dat de betrokken nationale maatregelen gerechtvaardigd waren, gegrond waren (zie in die zin arrest van 15 juli 2015, CSF/Commissie, T‑337/13, EU:T:2015:502, punten 48 en 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak). [omissis]

54 Zo moet ervan worden uitgegaan dat het bestreden besluit inhoudt dat iedere andere lidstaat dan het Koninkrijk Zweden dienstige maatregelen moet nemen met betrekking tot het bij hem in de handel brengen of houden van de betrokken producten en hierdoor de juiste en eenvormige toepassing van richtlijn 2006/42 moet waarborgen in het licht van de maatregelen die door de Zweedse autoriteiten zijn genomen en door de Commissie gerechtvaardigd zijn verklaard. Het bestreden besluit heeft tot rechtstreeks gevolg dat de nationale procedures in gang worden gezet die het recht aan de orde stellen dat verzoekster tot dan toe in de gehele Unie had om een machine waarvoor het vermoeden van overeenstemming van artikel 7 van deze richtlijn gold, in de handel te brengen, aangezien zij was voorzien van een CE-markering en vergezeld ging van een EG-verklaring van overeenstemming (zie in die zin arrest van 15 juli 2015, CSF/Commissie, T‑337/13, EU:T:2015:502, punt 28). [omissis]

– Tweede onderdeel: schending van het evenredigheidsbeginsel

[omissis]

65 Wat in de eerste plaats verzoeksters argumenten betreft dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden doordat de Commissie geen rekening heeft gehouden met haar in 2016 in het bowlingcentrum van Gustavsberg voorgestelde verbeteringsplan en met de positieve opmerkingen van de daaropvolgende onafhankelijke studie, moet, in navolging van de Commissie, worden benadrukt dat het bestreden besluit betrekking heeft op de vraag of de door de Arbetsmiljöverk (dienst voor de arbeidsomgeving, Zweden) in 2013 genomen vrijwaringsmaatregelen al dan niet gerechtvaardigd waren.

66 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 95, lid 10, EG, dat de rechtsgrondslag vormt van richtlijn 2006/42, bepaalt dat krachtens dit artikel vastgestelde harmonisatiemaatregelen in passende gevallen een vrijwaringsclausule omvatten die de lidstaten machtigt om, op grond van één of meer van de in artikel 36 VWEU bedoelde niet-economische redenen, „voorlopige maatregelen te treffen die aan [een] toetsingsprocedure van de Unie worden onderworpen”. Hieruit vloeit volgens de rechtspraak voort dat, ofschoon het inderdaad aan de lidstaten staat richtlijn 2006/42 op de juiste wijze uit te voeren, met name wat betreft het evenredigheidsbeginsel, en ervoor te waken dat de machines die op hun grondgebied in de handel zijn gebracht of in bedrijf zijn gesteld voldoen aan het hierin bepaalde, zo nodig door het nemen van maatregelen zoals bedoeld in artikel 11 van die richtlijn, de Commissie niettemin moet nagaan of deze maatregelen zijn gerechtvaardigd, door zich meer bepaald ervan te vergewissen dat de feitelijke en juridische redenen waardoor de vaststelling is gemotiveerd, gegrond zijn, en dat de genomen maatregelen evenredig zijn. Het resultaat van deze controle is de voorwaarde voor de definitieve handhaving van de betrokken nationale maatregel, in die zin dat de lidstaat de maatregel enkel mag handhaven indien deze door de Commissie gerechtvaardigd wordt verklaard en hij deze in het tegengestelde geval moet beëindigen (zie in die zin arrest van 3 mei 2018, Grizzly Tools/Commissie, T‑168/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:246, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67 Uit de in punt 66 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt dat de Commissie in het kader van de door haar uitgeoefende controle uitsluitend bevoegd is om na te gaan of de nationale vrijwaringsmaatregelen, zoals deze krachtens artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/42 zijn vastgesteld en vervolgens door het Koninkrijk Zweden zijn meegedeeld, al dan niet gerechtvaardigd zijn en bijgevolg of die maatregelen na afloop van die controle definitief kunnen worden gehandhaafd.

68 Aangezien het, zoals uit die rechtspraak blijkt, aan de Commissie staat om te controleren of de betrokken vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd zijn, waarbij zij zich in het bijzonder ervan dient te vergewissen dat de juridische en feitelijke redenen waarmee de vaststelling is gemotiveerd gegrond zijn, moet bovendien worden vastgesteld dat de door de Commissie uitgeoefende controle slechts betrekking kan hebben op omstandigheden die bestonden ten tijde van de vaststelling van het besluit van de Arbetsmiljöverk, en niet op latere omstandigheden.

69 Om de in de punten 66 tot en met 68 hierboven uiteengezette redenen zijn de door verzoekster aangevoerde omstandigheden die dateren van na het besluit van de Arbetsmiljöverk, zoals verbeteringen van de litigieuze producten in het bowlingcentrum van Gustavsberg in 2016, niet relevant voor de beoordeling van de gegrondheid van het bestreden besluit. Evenzo moet worden vastgesteld dat verzoeksters argumenten over de „positieve opmerkingen” in de onafhankelijke studie met betrekking tot de litigieuze producten betrekking hebben op verbeteringen van die producten die na de vaststelling van het bestreden besluit zijn aangebracht. Zij zijn dus evenmin relevant.

70 In de tweede plaats blijkt uit verzoeksters betoog dat zij de Commissie verwijt niet te hebben onderzocht of de geïnventariseerde gebreken zo belangrijk waren dat de vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd waren, en vrijwaringsmaatregelen te hebben bevestigd die verder gingen dan noodzakelijk was om de gezondheid en de veiligheid van personen te waarborgen.

71 In dit verband zij er ten eerste aan herinnerd dat uit artikel 11, lid 1, van richtlijn 2006/42 volgt dat wanneer de in dit artikel bedoelde machines, zoals die welke in casu aan de orde zijn, niet voldoen aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen en aldus de gezondheid of de veiligheid van personen in gevaar dreigen te brengen, de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen nemen om deze machines uit de handel te nemen, te verbieden dat zij in de handel worden gebracht of in bedrijf worden gesteld, dan wel het vrije verkeer ervan te beperken. De vaststelling dat machines niet voldoen aan de toepasselijke essentiële gezondheids- en veiligheidseisen en de gezondheid of de veiligheid van personen in gevaar dreigen te brengen, rechtvaardigt derhalve dat de bevoegde autoriteiten beslissen om machines uit de handel te nemen en het in de handel brengen ervan te verbieden.

72 Bovendien moet worden benadrukt dat volgens de rechtspraak de bescherming van de gezondheid en het leven van personen bij uitstek behoren tot de door artikel 36 VWEU beschermde waarden en belangen (zie in die zin arrest van 23 december 2015, Scotch Whisky Association e.a., C‑333/14, EU:C:2015:845, blz. 845, punt 35), ten aanzien waarvan de lidstaten de vrijwaringsmaatregelen kunnen vaststellen waarin is voorzien bij richtlijn 2006/42, zoals blijkt uit de in punt 42 aangehaalde rechtspraak.

73 In casu blijkt uit het geheel van de schendingen van de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen die de Commissie in de overwegingen 9 tot en met 13 van het bestreden besluit in aanmerking heeft genomen, dat deze schendingen risico’s voor de gezondheid en de veiligheid van personen vormen, met name het gebrek aan overzicht van de gevarenzone, het risico op letsel, het risico op vallen in de machine, risico’s in verband met bewegende delen en het risico van verkeerd gebruik. De Commissie heeft in overweging 14 van het bestreden besluit dan ook terecht vastgesteld dat de geïnventariseerde onregelmatigheden de gezondheid en de veiligheid van personen in gevaar dreigden te brengen.

74 Aangezien de betrokken machines niet in overeenstemming waren met de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen en risico’s opleverden voor de gezondheid en de veiligheid van personen, moet derhalve worden vastgesteld dat de Commissie overeenkomstig artikel 11 van richtlijn 2006/42 en zonder het evenredigheidsbeginsel te schenden, tot de slotsom kon komen dat de door de Arbetsmiljöverk vastgestelde vrijwaringsmaatregelen, te weten het verbod op het in de handel brengen van de litigieuze producten en het uit de handel nemen ervan, op zich gerechtvaardigd waren.

75 Wat ten tweede het uit de handel nemen betreft, moet daaraan worden toegevoegd dat uit overweging 2 van het bestreden besluit blijkt dat verschillende alternatieven voor de toepassing van die maatregel werden geboden, te weten de mogelijkheid om de defecten die verband hielden met de arbeidsomgeving van de operator te corrigeren, om de litigieuze producten terug te nemen en te vervangen door andere technisch foutloze producten van dezelfde of een soortgelijke soort, of om de litigieuze producten terug te nemen en de eigenaar hiervoor compensatie te bieden.

76 Opgemerkt moet worden dat de Commissie in overweging 5 van het bestreden besluit het volgende heeft aangegeven: „Met betrekking tot de genomen maatregelen lichtten de Zweedse autoriteiten toe dat zij het evenredigheidsbeginsel in acht hebben genomen, zoals dat is vastgesteld in artikel 18 van [verordening nr. 765/2008]. Op basis van dit beginsel en met inachtneming van de ernst van de risico’s en de kosten van het uit de handel nemen, waren enkele van de acties die nodig waren om de tekortkomingen van de [nieuwe litigieuze producten] aan te pakken, niet nodig geweest als de bestaande [litigieuze producten] uit de handel waren gehaald. Het betrof hier de eisen met betrekking tot het aanbrengen van drie afzonderlijke lichten om de verschillende (bedrijfs)modi aan te geven op het bedieningspaneel, de vergroting van de toegangspunten tussen de machines die ook werden gebruikt als werkplatforms en het overzicht van de gevarenzone.”

77 Aangezien de Commissie de in punt 76 hierboven bedoelde uitleg van het Koninkrijk Zweden niet ter discussie heeft gesteld, heeft zij de vaststelling bevestigd dat de benadering van de Arbetsmiljöverk evenredig was.

78 Zo blijkt uit het bestreden besluit dat, gelet op het evenredigheidsbeginsel, een afweging is gemaakt tussen de ernst van de risico’s en de kosten van het uit de handel nemen. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de producten die later zouden worden verkocht en de litigieuze producten die reeds op de markt waren gebracht, en wel – wat deze laatste producten betreft – door de toepassing van een beperkte lijst van onregelmatigheden die tot gevolg had dat de litigieuze producten uit de handel werden genomen. Bovendien dragen de drie alternatieven voor het uit de handel nemen van de litigieuze producten, zoals uiteengezet in punt 75 hierboven, ertoe bij dat de Arbetsmiljöverk, en dus ook de Commissie, het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.

79 In de derde plaats kunnen, gelet op de voorgaande vaststellingen, verzoeksters argumenten betreffende een onevenredige financiële last die uit de vrijwaringsmaatregelen zou voortvloeien, niet slagen. De in punt 73 hierboven vermelde risico’s waaraan verzoeksters machines de gezondheid en de veiligheid van personen blootstellen, rechtvaardigen de noodzaak van het verbod om de litigieuze producten in de handel te brengen alsook het uit de handel nemen van die producten, niettegenstaande de kosten die dit voor verzoekster zou kunnen meebrengen. Voorts blijkt uit het onderscheid tussen de vrijwaringsmaatregelen voor bestaande en nieuwe litigieuze producten, uit de drie alternatieven voor het uit de handel nemen van de litigieuze producten, en uit het beperkte aantal onregelmatigheden dat bij de eerste van die drie oplossingen moest worden gecorrigeerd om die producten op de markt te houden, dat de benadering van de Arbetsmiljöverk en de Commissie in verhouding stond tot de financiële last die de vrijwaringsmaatregelen voor verzoekster konden meebrengen.

80 In de vierde plaats moet worden vastgesteld dat, gelet op zowel de nauwkeurige verwijzingen naar de door het Koninkrijk Zweden aangevoerde rechtvaardigingsgronden als op de grondige risicoanalyse door de Commissie van het gebruik van de litigieuze producten, verzoeksters argumenten inzake het ontbreken van een passende motivering in het bestreden besluit met betrekking tot de evenredigheid van de vrijwaringsmaatregelen, ongegrond zijn.

81 Gelet op een en ander moet worden geconcludeerd dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel niet heeft geschonden door zich op het standpunt te stellen dat de betrokken vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd waren.

82 Wat in de vijfde plaats verzoeksters argumenten betreft, dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden omdat alle andere lidstaten verplicht zijn om maatregelen te nemen naar aanleiding van het bestreden besluit, moet om te beginnen worden benadrukt dat volgens de rechtspraak het besluit van de Commissie in de zin van artikel 11 van richtlijn 2006/42 is gericht tot alle lidstaten van de Unie, in overeenstemming met de mededelings- en informatieverplichtingen van de Commissie ingevolge artikel 11, leden 3 en 6, van richtlijn 2006/42. Het besluit is dus overeenkomstig artikel 288 VWEU voor elk van hen verbindend in al zijn onderdelen (zie in die zin arrest van 15 juli 2015, CSF/Commissie, T‑337/13, EU:T:2015:502, punt 24).

83 De door verzoekster aangevoerde gevolgen zijn dus inherent aan de door de Commissie gevoerde procedure voor het onderzoek van het gerechtvaardigd karakter van de vrijwaringsmaatregelen, waarin is voorzien bij artikel 11 van richtlijn 2006/42. Zoals in punt 54 hierboven is herinnering is gebracht, blijkt uit het geheel van de bepalingen van richtlijn 2006/42, zoals uitgelegd door de rechtspraak, dat het bestreden besluit impliceert dat de lidstaten de noodzakelijke maatregelen nemen in verband met het op de markt brengen of houden van de litigieuze producten. Het gaat immers om een essentieel onderdeel van de procedure inzake de vrijwaringsclausule van artikel 11 van richtlijn 2006/42, dat een uniforme toepassing ervan beoogt te waarborgen.

84 Vervolgens blijkt uit artikel 11 van richtlijn 2006/42 dat de Commissie verplicht was om na de kennisgeving door de Arbetsmiljöverk van de vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de litigieuze producten, op te treden en een besluit te nemen over de vraag of deze maatregelen al dan niet gerechtvaardigd waren. Verzoeksters argumenten dienaangaande kunnen dus niet slagen.

85 Bovendien moet worden opgemerkt dat de in de punten 82 tot en met 84 hierboven uiteengezette conclusies niet kunnen worden weerlegd door de inhoud van artikel 9 van richtlijn 2006/42, waarnaar verzoekster ter terechtzitting heeft verwezen ter ondersteuning van haar argument dat de Commissie over een beoordelingsmarge beschikte met betrekking tot de gevolgen van het bestreden besluit in de lidstaten.

86 Artikel 9 van richtlijn 2006/42, dat „[b]ijzondere maatregelen voor potentieel gevaarlijke machines” instelt, bepaalt immers met name dat de Commissie, wanneer zij overeenkomstig de in artikel 11 van die richtlijn bedoelde procedure van oordeel is dat een door een lidstaat genomen maatregel gerechtvaardigd is, maatregelen kan nemen om van de lidstaten te verlangen dat zij het op de markt brengen van machines met technische kenmerken die hetzelfde risico opleveren als de machine waarop de nationale maatregelen zijn gericht, verbieden of inperken, dan wel dergelijke machines aan bijzondere voorwaarden onderwerpen. Overweging 13 van deze richtlijn preciseert overigens dat dergelijke maatregelen, die op het niveau van de Unie worden vastgesteld, niet rechtstreeks van toepassing zijn voor marktdeelnemers en door de lidstaten moeten worden toegepast (arrest van 15 juli 2015, CSF/Commissie, T‑337/13, EU:T:2015:502, punt 33).

87 In dat verband moet worden vastgesteld dat de lidstaten volgens de rechtspraak weliswaar moeten zorgen voor de juiste en uniforme toepassing van richtlijn 2006/42, door zonder beoordelingsmarge ten aanzien van het te bereiken resultaat de gevolgen te trekken uit een nationale vrijwaringsmaatregel die ten aanzien van een bepaalde machine is genomen en naar oordeel van de Commissie is gerechtvaardigd, doch dat zij de werkingssfeer van deze maatregel uiteraard niet uit eigen beweging en buiten ieder formeel en materieel kader van artikel 11, lid 1, van deze richtlijn, mogen uitbreiden naar andere machines op grond dat deze laatste hetzelfde risico opleveren, omdat zij anders het in artikel 6, lid 1, van de richtlijn genoemde beginsel van vrij verkeer en het vermoeden van overeenstemming van artikel 7 ervan zouden schenden. Om deze reden heeft de wetgever van de Unie deze uitbreiding onderworpen aan een specifieke, in artikel 9 van richtlijn 2006/42 vastgelegde procedure, waarbij hiertoe ten eerste een uitdrukkelijk besluit moet worden vastgesteld door de Commissie en ten tweede nationale maatregelen moeten worden genomen ter uitvoering van dit besluit. Dergelijke handelingen zijn daarentegen niet voorzien en niet noodzakelijk voor de toepassing van artikel 11 van de betreffende richtlijn, gelet op de strekking ervan (arrest van 15 juli 2015, CSF/Commissie, T‑337/13, EU:T:2015:502, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Vastgesteld moet worden dat, gelet op de in de punten 86 en 87 hierboven bedoelde rechtspraak, de bepalingen van artikel 9 van richtlijn 2006/42 in de omstandigheden van de onderhavige zaak, die uitsluitend het onderzoek van de betrokken vrijwaringsmaatregel betreffen, in casu niet van toepassing zijn.

89 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het tweede onderdeel van het eerste middel, inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, en derhalve het eerste middel in zijn geheel ongegrond worden verklaard. [omissis]

Derde middel: schending van de procedurevoorschriften van bijlage I bij richtlijn 2006/42

[omissis]

108 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2006/42 met name bepaalt dat machines die van de CE-markering zijn voorzien en vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming, door de lidstaten worden geacht aan deze richtlijn te voldoen, en dat machines gebouwd overeenkomstig een geharmoniseerde norm waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen waarop deze geharmoniseerde norm betrekking heeft. Met andere woorden, op grond van de naleving van een geharmoniseerde norm kan worden aangenomen dat een machine aan de respectieve essentiële gezondheids- en veiligheidseisen voldoet. Evenzo is een geharmoniseerde norm krachtens artikel 2, onder l), van richtlijn 2006/42 een niet-bindende technische specificatie die op grond van een door de Commissie verstrekte opdracht is vastgesteld door een normalisatie-instelling. Uit deze bepalingen volgt dat de door een geharmoniseerde norm voorgestelde technische oplossingen niet bindend zijn, maar dat door de toepassing ervan het betrokken product het vermoeden geniet dat het in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 2006/42.

109 Hoewel zij vrij mogen beslissen over de methode voor de beoordeling van de overeenstemming van hun producten met de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, moet de fabrikant of zijn gemachtigde niet alleen zorgen voor deze overeenstemming, maar deze ook bewijzen in het technisch dossier, zoals dat is bepaald in bijlage VII bij richtlijn 2006/42. Door de keuze om de geharmoniseerde normen niet toe te passen kan ook het hierboven geciteerde vermoeden van overeenstemming geen toepassing vinden, zodat de overeenstemming van de producten met die eisen met andere middelen moet worden bewezen.

110 Met betrekking tot verzoeksters argumenten moet worden gepreciseerd dat het derde middel betrekking heeft op overweging 10 van het bestreden besluit, waarin de Commissie heeft bevestigd dat er met betrekking tot de litigieuze machines niet was voldaan aan de in de punten 1.1.6, 1.6.1 en 1.6.2 van bijlage I bij richtlijn 2006/42 genoemde essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, volgens welke een machine zodanig moet zijn ontworpen en gebouwd dat de werkzaamheden van degene die de machine bedient, worden vereenvoudigd, zodat hij op comfortabele en veilige wijze kan werken, buiten de gevarenzones. Meer in het bijzonder heeft de Commissie zich op basis van het besluit van de Arbetsmiljöverk op het standpunt gesteld dat er een risico op letsel bestond bij de toegang tot de litigieuze machines, veroorzaakt door de nauwe loopbrug van 190 mm tussen deze machines of door een abrupt einde aan de voorkant van deze machine op een hoogte van 1000 mm.

111 Wat de breedte van de loopbrug van 190 mm betreft, hebben verzoeksters argumenten met name betrekking op de vaststellingen van de Commissie, of zelfs rechtstreeks op die van de Arbetsmiljöverk. In wezen verwijt verzoekster hun om te beginnen dat zij geen rekening hebben gehouden met het beginsel van de stand van de techniek, aangezien in hun respectieve besluiten niet naar dit beginsel werd verwezen. Voorts kwam de betrokken technische oplossing volgens verzoekster overeen met de stand van de techniek ten tijde van de inspectie, terwijl het vereiste van geharmoniseerde norm EN ISO 14122‑2:2001 verder ging dan de stand van de techniek.

112 Primair zij er om te beginnen aan herinnerd dat vaststaat dat verzoekster in de EG-verklaring van overeenstemming met name heeft verwezen naar geharmoniseerde norm EN ISO 14122‑2:2001. Met andere woorden, verzoekster heeft de vrije keuze gemaakt om deze geharmoniseerde norm toe te passen om aan te tonen dat de litigieuze producten overeenstemden met de in de punten 1.1.6, 1.6.1 en 1.6.2 van bijlage I bij richtlijn 2006/42 genoemde essentiële gezondheids- en veiligheidseisen.

113 Voorts stelt geharmoniseerde norm EN ISO 14122‑2:2001 de technische veiligheidsvoorschriften vast voor permanente toegangsmiddelen tot machines en in het bijzonder voor de werkplatforms en de loopbruggen. Hoewel de betrokken norm voorziet in een breedte van 500 mm, staat vast dat de op de litigieuze machines geïnstalleerde loopbruggen een breedte van 190 mm hadden. In navolging van de Commissie moet dus worden vastgesteld dat verzoekster weliswaar ervoor had gekozen geharmoniseerde norm EN ISO 14122‑2:2001 toe te passen, maar dat zij deze niet naleefde.

114 Wat ten slotte de toepassingsvoorwaarden van de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen betreft, bepaalt overweging 14 van richtlijn 2006/42 dat die eisen oordeelkundig moeten worden toegepast, rekening houdend met de stand van de technologie ten tijde van de bouw alsmede met technische en economische eisen. Bovendien bepaalt de eerste titel, met als opschrift „Algemene beginselen”, van bijlage I bij deze richtlijn in punt 3 dat, hoewel de in die bijlage vermelde essentiële veiligheids- en gezondheidseisen dwingend zijn, het gezien de stand van de techniek evenwel mogelijk is dat de daarin gestelde doelen niet kunnen worden bereikt. In dat geval moeten die doelstellingen bij het ontwerp en de bouw van de machine zoveel mogelijk worden nagestreefd.

115 In de eerste plaats verwijt verzoekster in casu de Commissie en de Arbetsmiljöverk dat zij de procedurevoorschriften van bijlage I bij richtlijn 2006/42 hebben geschonden, omdat noch in het bestreden besluit noch in het besluit van de Arbetsmiljöverk wordt verwezen naar het beginsel van de stand van de techniek. Ten eerste dient te worden benadrukt dat verzoekster geenszins nader aangeeft welke procedureregels geschonden zouden zijn, maar de bepalingen aanhaalt die voorzien in de naleving van het beginsel van de stand van de techniek bij de toepassing van de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen. Vastgesteld moet worden dat in overweging 14 van richtlijn 2006/42 en in punt 3 van de eerste titel van bijlage I bij deze richtlijn, zoals vermeld in het vorige punt, weliswaar is vermeld dat in het kader van de toepassing van de essentiële veiligheids- en gezondheidseisen rekening wordt gehouden met de stand van de techniek, maar dat de richtlijn geen enkel procedurevoorschrift bevat dat de verplichting oplegt om in het besluit van een bevoegde nationale autoriteit of in het besluit van de Commissie, dat wordt vastgesteld in het kader van de procedure inzake de vrijwaringsclausule, een analyse te maken van de toepassing van het beginsel van de stand van de techniek. Ten tweede levert het feit dat noch het bestreden besluit noch het besluit van de Arbetsmiljöverk een analyse van de toepassing van het beginsel van de stand van de techniek bevat, op zich geen schending van dit beginsel op. Daarom kunnen verzoeksters argumenten betreffende het ontbreken van een verwijzing naar dat beginsel in de betrokken besluiten niet slagen.

116 In de tweede plaats zij erop gewezen dat overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder b), van richtlijn 2006/42 de onjuiste toepassing van de geharmoniseerde normen een van de redenen is voor de niet-overeenstemming van een machine met die normen, welke door een lidstaat aan de Commissie en aan de andere lidstaten moeten worden meegedeeld in het kader van de vrijwaringsmaatregel die hij heeft besloten te nemen. Met andere woorden: ofschoon de geharmoniseerde normen niet bindend zijn, brengt de keuze om ze toe te passen en er een beroep op te doen in de EG-verklaring van overeenstemming mee dat zij juist moeten worden toegepast. In geval van onjuiste toepassing van dergelijke normen, heeft de nationale bevoegde autoriteit het recht om in de maatregelen die worden genomen in het kader van de procedure inzake de vrijwaringsclausule in de zin van artikel 11 van richtlijn 2006/42, vast te stellen dat de producten niet in overeenstemming met die normen zijn. De Commissie heeft derhalve in overweging 10 van het bestreden besluit terecht vastgesteld dat, de door de Arbetsmiljöverk vastgestelde vrijwaringsmaatregel in aanmerking genomen, de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen van de punten 1.1.6, 1.6.1 en 1.6.2 van bijlage I bij richtlijn 2006/42 met betrekking tot de litigieuze machines niet waren nageleefd, en wel wegens de onjuiste toepassing van de geharmoniseerde norm.

117 Zoals de Commissie terecht stelt, had verzoekster, aangezien zij ervoor had gekozen om in de EG-verklaring van overeenstemming te verwijzen naar een geharmoniseerde norm, deze norm volledig moeten naleven. Indien de norm ten aanzien van de breedte van de loopbruggen van de betrokken machines niet was nageleefd, zoals in casu het geval is, had verzoekster een andere technische oplossing moeten bieden om hetzelfde veiligheidsniveau te verzekeren en had zij moeten aantonen dat de litigieuze producten in overeenstemming waren met de respectieve essentiële gezondheids- en veiligheidseisen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

118 Wat in de derde plaats de toepassing van het beginsel van de stand van de techniek betreft met betrekking tot het vereiste van een breedte van 500 mm voor de loopbruggen van de litigieuze machines, moet worden gewezen op drie aspecten.

119 Ten eerste dient opgemerkt te worden dat een geharmoniseerde norm waarvan de referentiegegevens zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad, deel uitmaakt van het Unierecht (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction, C‑613/14, EU:C:2016:821, punt 40).

120 Ten tweede stelt de Commissie terecht dat de geharmoniseerde normen weliswaar niet bindend zijn, maar wel een weergave zijn van het vereiste veiligheidsniveau en rekening houden met de stand van de techniek.

121 In dit verband moet worden opgemerkt dat § 162 van de Gids voor de toepassing van Machinerichtlijn 2006/42/EG, die door de Commissie in juni 2010 is gepubliceerd, thans met name preciseert dat de geharmoniseerde normen een goede indicatie geven van de stand van de techniek op het moment van vaststelling ervan. Bovendien wordt volgens hetzelfde document de ontwikkeling van de stand van de techniek weerspiegeld in latere wijzigingen of herzieningen van geharmoniseerde normen.

122 Ten derde moet hieraan worden toegevoegd dat verzoekster ter onderbouwing van haar argumenten dat er geen betere optie is, verwijst naar de conclusie van de onafhankelijke studie. In dit verband moet worden vastgesteld dat die conclusies, die betrekking hebben op de mogelijkheden om gebreken van reeds geïnstalleerde machines te corrigeren en niet op de algemene stand van de techniek op de datum van het besluit van de Arbetsmiljöverk, de situatie in het bowlingcentrum Gustavsberg betreffen na de wijzigingen van de litigieuze producten als gevolg van de vaststelling van dat besluit. Zoals in punt 69 hierboven reeds is vastgesteld, zijn die conclusies in casu echter niet relevant.

123 Uit het voorgaande volgt dat verzoeksters argument dat de voorwaarde in verband met de breedte van de loopbruggen van de litigieuze machines verder ging dan de stand van de techniek, ongegrond moet worden verklaard.

124 Gelet op de voorgaande overwegingen moet het derde middel ongegrond worden verklaard. [omissis]

HET GERECHT (Tweede kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Brunswick Bowling Products LLC wordt verwezen in de kosten.

3) Het Koninkrijk Zweden zal zijn eigen kosten dragen.

Tomljenović Schalin Škvařilová-Pelzl Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 september 2021. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in