Gerecht EU 9 juni 2021, T-235/19, ECLI:EU:T:2021:343

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer)

9 juni 2021 ( *1 )

„Arbitragebeding – Subsidieovereenkomsten die zijn gesloten in het kader van het programma ter ondersteuning van het beleid inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT) – Auditverslag – Debetnota’s van de Commissie – Onderzoek door OLAF – Beroep tot nietigverklaring – Vordering in reconventie – Volledige terugbetaling van de subsidies – Schadevergoeding”

In zaak T‑235/19,

Health Information Management (HIM), gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door P. Zeegers, advocaat,

verzoekende partij,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Estrada de Solà en M. Ilkova als gemachtigden,

verwerende partij,

betreffende, enerzijds, een primaire vordering die krachtens artikel 272 VWEU is ingesteld tot vaststelling dat de debetnota’s nr. 3241901815 en nr. 3241901886 van 4 februari 2019, waarmee de Commissie terugbetaling verlangt van de bedragen van 94445 EUR en 121517 EUR, die zijn uitbetaald op grond van de subsidieovereenkomsten nr. 225023 voor het project „ElDeRly-friEndly Alarm handling and monitorING (Dreaming)” en nr. 250449 voor het project „Health monitoring and sOcial integration environMEnt for Supporting WidE ExTension of independent life at HOME (HOME SWEET HOME)” – welke zijn gesloten in het kader van het programma ter ondersteuning van het beleid inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT), dat is vastgesteld bij besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007‑2013) –, door haar zijn opgesteld in strijd met haar contractuele verplichtingen, zodat die bedragen niet verschuldigd zijn, en, voor zover nodig, een vordering op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van die debetnota’s; anderzijds, een vordering in reconventie waarbij de Commissie vraagt om HIM te veroordelen tot volledige terugbetaling van de subsidies die zij op grond van de voormelde overeenkomsten heeft ontvangen en tot betaling van een schadevergoeding van 58876,50 EUR,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, E. Buttigieg en G. Hesse (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest ( 1 )

Voorgeschiedenis van het geding

[omissis]

2 Verzoekster maakt deel uit van twee consortia bestaande uit de begunstigden van twee subsidieovereenkomsten die zijn gesloten in het kader van het programma ter ondersteuning van het beleid inzake informatie- en communicatietechnologie (ICT), dat is vastgesteld bij besluit nr. 1639/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie (2007‑2013) (PB 2006, L 310, blz. 15; hierna: „kaderprogramma CI”).

3 De eerste overeenkomst, met nummer 225023, is op 10 oktober 2008 gesloten tussen de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, en Tesan Televita Srl, handelend in de hoedanigheid van coördinator van het project „ElDeRly-friEndly Alarm handling and MonitorING (Dreaming)” (hierna respectievelijk: „Dreaming-overeenkomst” en „project Dreaming”). De tweede overeenkomst, met nummer 250449, is op 31 mei 2010 gesloten tussen de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, en Digipolis SCRL, handelend in de hoedanigheid van coördinator van het project „HOME SWEET HOME: Health monitoring and sOcial integration environMEnt for Supporting WidE ExTension of independent life at HOME” (hierna respectievelijk: „HOME SWEET HOME-overeenkomst” en „project HOME SWEET HOME”).

4 De projecten Dreaming en HOME SWEET HOME hadden tot doel minder zelfstandig wordende ouderen in staat te stellen thuis te blijven wonen met behulp van een samenstel van technologische apparaten en systemen, waaronder een aangepaste mobiele telefoon en een gebruiksvriendelijk videoconferentiesysteem, die verbonden waren met sociaal-medische hulpcentra. [omissis]

24 In het kader van de uitvoering van deze twee projecten heeft de Commissie het accountantskantoor PKF Littlejohn LLP verzocht om een audit uit te voeren, die tussen 18 april 2014 en 27 mei 2015 heeft plaatsgevonden.

25 Intussen had OLAF op 30 april 2015 een onderzoek ingesteld naar met name vermeende frauduleuze handelingen van verzoekster bij de uitvoering van de litigieuze overeenkomsten. [omissis]

35 Bij een vooraankondigingsbrief van 20 september 2018 heeft de Commissie aangegeven dat – ter uitvoering van de conclusies van het auditrapport – de bedragen van 94445 EUR voor het project Dreaming en 121517 EUR voor het project HOME SWEET HOME, die overeenkwamen met de niet-subsidiabele kosten, moesten worden teruggevorderd, aangezien deze door de Commissie waren gefinancierd en door haar aan verzoekster waren betaald. De Commissie heeft verzoekster verzocht om haar standpunt in te nemen binnen dertig dagen na ontvangst van die brief, bij gebreke waarvan zij debetnota’s zou opstellen om de procedure voor terugvordering van die bedragen te starten. [omissis]

37 Het verslag van OLAF is afgerond op 13 november 2018. In de conclusies ervan stelde OLAF in wezen dat verzoekster tussen 2008 en 2014 verschillende onregelmatigheden had begaan, met name in het kader van de projecten Dreaming en HOME SWEET HOME. Er zijn drie soorten onregelmatigheden vastgesteld. De eerste betrof in wezen een belangenconflict met betrekking tot verzoekster, aangezien zij haar consortiumpartners die belast waren met de uitvoering van die projecten (hierna: „consortiumpartners”) zou hebben beïnvloed om een vennootschap te kiezen die als leverancier aan haar verbonden was en zij provisies over de verkopen van laatstgenoemde zou hebben ontvangen. De tweede onregelmatigheid die in het verslag is opgenomen, had betrekking op het feit dat verzoekster te hoge bedragen voor personeelskosten in rekening had gebracht. De derde onregelmatigheid bestond in wezen in het in rekening brengen van te hoge bedragen voor bepaalde producten die noodzakelijk waren voor de uitvoering van de betrokken projecten. [omissis]

39 Op 4 februari 2019 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van twee debetnota’s strekkende tot terugvordering van het deel van de financiële bijdrage van de Europese Unie dat voor het project Dreaming en het project HOME SWEET HOME als ongerechtvaardigd werd beschouwd, te weten debetnota nr. 3241901815 ten bedrage van 94445 EUR, en debetnota nr. 3241901886 ten bedrage van 121517 EUR. De Commissie heeft in beide debetnota’s 18 maart 2019 als uiterste betaaldatum vastgesteld.

Procedure en conclusies van partijen

40 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 april 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

41 Op 12 juli 2019 heeft de Commissie ter griffie van het Gerecht een verweerschrift met een vordering in reconventie ingediend.

42 Verzoekster heeft haar memorie van repliek ingediend op 5 september 2019.

43 Op 7 november 2019 heeft verzoekster een aanvullende memorie ingediend, met een nieuw verzoek om de Commissie te gelasten verzoeksters naam te verwijderen uit het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting (EDES).

44 Op 6 januari 2020 heeft de Commissie haar memorie van dupliek ingediend, waarin haar opmerkingen over verzoeksters aanvullende memorie waren opgenomen.

45 In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang, die op 9 juni en 4 augustus 2020 zijn vastgesteld op grond van artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, heeft het Gerecht vragen gesteld aan partijen, die daar binnen de gestelde termijn op hebben geantwoord.

46 Aangezien een lid van de Tiende kamer verhinderd was, heeft de president van het Gerecht op 10 augustus 2020 krachtens artikel 17, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering een andere rechter aangewezen ter aanvulling van de kamer.

47 Daar partijen niet binnen drie weken vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling hebben verzocht om een mondelinge behandeling, heeft het Gerecht, dat zich voldoende voorgelicht achtte door de stukken in het procesdossier, overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslist uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.

48 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – voor recht te verklaren dat zij de op 4 februari 2019 opgestelde debetnota’s nrs. 3241901815 en 3241901886 niet hoeft te voldoen; – voor zover nodig, deze debetnota’s nietig te verklaren; – de Commissie te gelasten haar naam te verwijderen uit de databank van het EDES; – de vordering in reconventie niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren; – de Commissie te verwijzen in de kosten.

49 De Commissie verzoekt het Gerecht: – verzoeksters primaire vordering tot vaststelling dat er jegens haar geen vorderingen zijn, ongegrond te verklaren; – verzoeksters aanvullende vordering tot nietigverklaring van de op 4 februari 2019 opgestelde debetnota’s nrs. 3241901815 en 3241901886 niet-ontvankelijk te verklaren; – het door verzoekster in haar aanvullende memorie van 7 november 2019 geformuleerde verzoek om de Commissie te gelasten haar naam uit de databank van het EDES te verwijderen, niet-ontvankelijk te verklaren; – voor recht te verklaren dat de in de vordering in reconventie aan verzoekster verweten schendingen van de contractuele verplichtingen als onregelmatigheden moeten worden beschouwd; – verzoekster te veroordelen tot volledige terugbetaling van de ontvangen subsidies ten bedrage van 230348 EUR voor het project Dreaming en 282451 EUR voor het project HOME SWEET HOME; – verzoekster te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 58876,50 EUR; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Bevoegdheid van het Gerecht en ontvankelijkheid van het beroep en van de vordering in reconventie

Bevoegdheid van het Gerecht

50 Vastgesteld moet worden dat het Gerecht bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige, krachtens artikel 272 VWEU ingestelde beroep, op grond van het arbitragebeding in artikel 10, derde alinea, van elk van de litigieuze overeenkomsten, waarin het Gerecht de bevoegdheid wordt verleend om uitspraak te doen in elk geschil over de uitlegging, de uitvoering of de geldigheid van die overeenkomsten.

51 Op dezelfde grond is het Gerecht eveneens bevoegd om zich uit te spreken over de vordering in reconventie van de Commissie. Volgens de rechtspraak impliceert de bevoegdheid waarover het Gerecht bij instelling van beroep beschikt om kennis te nemen van een beroep krachtens een arbitragebeding, immers noodzakelijkerwijs de bevoegdheid om kennis te nemen van een door een instelling in het kader van hetzelfde beroep geformuleerde vordering in reconventie die voortspruit uit de contractuele betrekking of uit het feit waarop de hoofdvordering is gebaseerd, of een rechtstreeks verband heeft met de daaruit voortvloeiende verbintenissen (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, Isotis/Commissie, T‑59/11, EU:T:2014:679, punt 265 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenals verzoeksters beroep spruit de vordering in reconventie van de Commissie voort uit de contractuele betrekking die tussen de partijen bij de litigieuze overeenkomsten is ontstaan. Voorts betreft deze vordering in reconventie de terugbetaling van alle bedragen die krachtens de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster zijn betaald, zodat met deze vordering de bedragen worden teruggevraagd waarop de met het beroep van verzoekster aangevochten debetnota’s betrekking hebben. [omissis]

Ten gronde

Vordering in reconventie

76 In de eerste plaats dient de vordering in reconventie te worden onderzocht aangezien zij strekt tot terugbetaling van alle bedragen die krachtens de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster zijn betaald, zodat met deze vordering de bedragen worden teruggevraagd waarop de met het beroep van verzoekster aangevochten debetnota’s betrekking hebben.

77 De vordering in reconventie strekt ertoe verzoekster te veroordelen tot betaling van een bedrag van 571675,50 EUR op grond van de litigieuze overeenkomsten. Deze vordering is gebaseerd op de conclusies van het verslag van OLAF.

78 Met betrekking tot dit verslag betoogt de Commissie dat er bij verzoekster onregelmatigheden zijn vastgesteld in het kader van de uitvoering van de projecten Dreaming en HOME SWEET HOME. De Commissie wijst op de twee volgens haar meest duidelijke onregelmatigheden, te weten, ten eerste, het bestaan van een belangenconflict en, ten tweede, het in rekening brengen van te hoge prijzen voor apparatuur en de ontvangst van verkoopprovisies.

79 Wat de eerste vermeende onregelmatigheid betreft, merkt de Commissie op dat verzoekster 25 % van de aandelen van de vennootschap XJ bezit. In dit verband stelt de Commissie dat verzoekster haar consortiumpartners in het kader van de genoemde projecten ertoe heeft aangezet de voor de uitvoering van die projecten noodzakelijke apparatuur bij XJ te kopen. Bovendien wordt verzoekster verweten dat zij bij de Commissie of bij haar consortiumpartners geen melding heeft gemaakt van het risico van een belangenconflict. Sterker nog, verzoekster zou, voordat zij in het kader van de twee betrokken projecten als begunstigde van de subsidies werd aanvaard, twee valse verklaringen hebben overgelegd volgens welke er geen sprake was van een belangenconflict.

80 Wat de tweede aan verzoekster verweten onregelmatigheid betreft, voert de Commissie met name aan dat verzoekster verkoopprovisies van 5 tot 10 % van XJ heeft ontvangen als tegenprestatie voor de verkoop – via verzoekster – van de apparatuur aan haar consortiumpartners in het kader van die projecten. Bovendien zou verzoekster hebben bijgedragen tot een kunstmatige verhoging van de prijs van bepaalde apparatuur. In dit verband wijst de Commissie erop dat voor deze projecten was voorzien in de aankoop van het mobieletelefoonmodel Z tegen een eenheidsprijs van 1018 EUR. Dit model zou later echter zijn vervangen door een goedkoper model, namelijk het model Y, tegen een eenheidsprijs van 616 EUR. De Commissie haalt correspondentie aan waaruit blijkt dat verzoekster, XJ en een derde vennootschap in deze context hadden besloten om de prijs van andere, voor de betrokken projecten bedoelde apparatuur kunstmatig te verhogen om het kostenverschil van 70350 EUR onderling te verdelen. De prijs van een console zou zijn gestegen van 438,50 EUR naar 577 EUR en de prijs van software voor videoconferenties van 200 EUR naar 400 EUR. [omissis]

Vermeende onregelmatigheden

117 De Commissie verwijt verzoekster schending van met name haar contractuele verplichtingen uit punt II.3, onder g) en i), van de algemene voorwaarden van elk van de litigieuze overeenkomsten en van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, zoals dat is neergelegd in het Belgische recht, dat subsidiair van toepassing is op de litigieuze overeenkomsten. Daartoe stelt zij dat er sprake is van een belangenconflict in verband met de deelneming in het aandelenkapitaal van een leverancier van bepaalde apparatuur en het ontvangen van verkoopprovisies en het in rekening brengen van te hoge bedragen. [omissis]

124 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat het in het kader van een overeenkomst die een arbitragebeding in de zin van artikel 272 VWEU bevat, aan de partij staat die bij de Commissie kosten heeft gedeclareerd voor de toekenning van een financiële bijdrage van de Unie, om het bewijs te leveren dat deze kosten reële kosten waren die werkelijk noodzakelijk waren en zijn gemaakt ten behoeve van de uitvoering van het project gedurende de looptijd ervan. Indien de Commissie naar aanleiding van een financiële audit verzoekt om terugbetaling van een schuld, rust de bewijslast dat de contractuele prestatie niet voldoet of dat de kostenstaten onjuist of ongeloofwaardig zijn echter op haar, mits de begunstigde de kostenstaten en andere relevante informatie heeft ingediend (zie arrest van 13 juli 2017, Talanton/Commissie, T‑65/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:491, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

125 Aangezien verzoekster in casu de kostenstaten en andere relevante informatie heeft ingediend, staat het aan de Commissie om concreet bewijs te leveren dat verzoeksters contractuele prestaties niet voldeden in het licht van de verplichtingen die zij in het kader van de litigieuze overeenkomsten is aangegaan.

126 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat uit punt II.3, onder g), van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten volgt dat een risico van een belangenconflict veronderstelt dat er sprake is van convergentie van economische belangen, politieke of nationale affiniteit, familiale of emotionele banden of enig ander soort belang. Een dergelijke convergentie, affiniteit of band moet dus daadwerkelijk worden vastgesteld na een concrete beoordeling van het voorwerp van de overeenkomst en van de situatie van de betrokken partijen (zie naar analogie arrest van 22 januari 2019, EKETA/Commissie, T‑166/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:26, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127 Voor zover dit punt van de algemene voorwaarden verwijst naar een „risico” van een belangenconflict dat de onpartijdige en objectieve uitvoering van het project in gevaar „kan” brengen, vereist het daarentegen niet dat wordt bewezen dat dit conflict daadwerkelijk van invloed is of is geweest op de uitvoering van de overeenkomst of op de kosten ervan (zie naar analogie arrest van 22 januari 2019, EKETA/Commissie, T‑166/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:26, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

128 In casu berust het vermeende belangenconflict op twee elementen, te weten het feit dat verzoekster verkoopprovisies van XJ ontving en het feit dat verzoekster minderheidsaandeelhouder van deze vennootschap was.

– Vermeend belangenconflict in verband met de deelneming van verzoekster in het aandelenkapitaal van een leverancier

129 Om te beginnen staat vast dat verzoekster 25 % van de aandelen van XJ bezat en dat zij dit niet bij de Commissie had gemeld.

130 Vervolgens heeft de Commissie aangetoond dat de concrete gedragingen van verzoekster bij de uitvoering van de twee betrokken projecten de onpartijdige en objectieve uitvoering ervan in de zin van punt II.3, onder g), van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten in gevaar konden brengen.

131 In dit verband moet worden vastgesteld dat de door XJ voorgestelde producten en oplossingen op initiatief van verzoekster reeds vóór de ondertekening van de Dreaming-overeenkomst waren gekozen, zoals blijkt uit de beschrijving van het project in bijlage I bij die overeenkomst. Zoals de Commissie in punt 72 van haar verweerschrift heeft opgemerkt, was het project HOME SWEET HOME een voortzetting van het project Dreaming en werden dezelfde producten gebruikt.

132 Bovendien moet worden gewezen op het ontbreken van transparantie aan de zijde van verzoekster over haar banden met XJ. Zoals in de punten 108 en 109 hierboven is opgemerkt, staat vast dat ten minste een aantal van de consortiumpartners niet waren ingelicht over de aard van deze banden. Bovendien heeft verzoekster de Commissie niet ingelicht over haar banden met de leverancier van de apparatuur waarop de beschrijving van het project Dreaming reeds betrekking had, en heeft zij zelfs valse verklaringen ingediend dat er geen sprake was van een belangenconflict, zoals reeds is opgemerkt in punt 121 hierboven.

133 Ten slotte heeft verzoekster haar consortiumpartners dringend verzocht om de apparatuur van XJ aan te kopen, met name omdat er geen andere geschikte apparatuur op de markt was voor de uitvoering van de projecten. Uit de e-mails in bijlage B.20, met name de e-mail van 10 augustus 2010 die verzoekster aan haar met het project HOME SWEET HOME belaste consortiumpartners heeft gezonden, blijkt immers dat zij in overleg met XJ heeft geprobeerd om bij deze partners bestellingen voor de aankoop van de producten van die vennootschap binnen te halen, met name door hun voorgedrukte bestelformulieren te sturen.

134 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie concrete bewijzen heeft overgelegd dat verzoekster, in strijd met punt II.3, onder g), van de algemene voorwaarden van elk van de litigieuze overeenkomsten, verwikkeld was in een belangenconflict dat de onpartijdige en objectieve uitvoering van de overeenkomsten in gevaar kon brengen, overeenkomstig de in de punten 124 tot en met 127 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak.

135 Verzoeksters betoog kan aan het voorgaande niet afdoen.

136 Verzoekster betoogt in wezen dat de banden tussen haar en XJ de begroting van de projecten niet hebben benadeeld en dat zij derhalve haar contractuele verplichtingen met betrekking tot het bestaan van een belangenconflict niet heeft geschonden. Zij voert met name aan dat de door XJ geleverde apparatuur het enige product was waarmee de projecten konden worden uitgevoerd.

137 Er moet op worden gewezen dat de bewering dat uitsluitend de apparatuur van XJ relevant is, niet rechtens genoegzaam is aangetoond, met name gelet op het feit dat – zoals blijkt uit punt 76 van het verweerschrift van de Commissie en uit bijlage B.25 – de door XL georganiseerde aanbesteding heeft geleid tot de indiening van ten minste vier offerten waarbij een product is gepresenteerd dat concurreert met dat van XJ voor het project HOME SWEET HOME. Verder heeft verzoekster, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, het oorspronkelijk bedoelde telefoonmodel vervangen door een ander model, hetgeen erop wijst dat ten minste een aantal van de in het kader van de twee projecten gebruikte apparaten onderling verwisselbaar waren. Gesteld dat de oplossing van XJ daadwerkelijk de enige mogelijke was geweest, dan nog legt verzoekster bovendien niet uit waarom zij brieven heeft gezonden aan de sociaal-medische partners die verantwoordelijk waren voor de aankoop van de apparatuur, waarbij zij hun dringend heeft verzocht om zodanig te werk te gaan dat de producten van deze vennootschap werden aangekocht (zie punt 133 hierboven). Het feit dat er geen technische oplossing was die met die van XJ concurreerde, zou immers tot gevolg moeten hebben gehad dat XJ in een bevoorrechte onderhandelingspositie terechtkwam. Voor de inmenging van verzoekster in deze aankoopprocedures kan dus enkel de verklaring van de Commissie worden gegeven.

138 Verzoeksters overige argumenten kunnen evenmin afdoen aan de concrete bewijzen die de Commissie heeft overgelegd.

139 Zo was de Commissie, voordat zij zich ertoe verbond de projecten te financieren, weliswaar op de hoogte van het voornemen om de apparatuur van XJ aan te kopen, zoals verzoekster stelt, maar dit neemt niet weg dat zij vóór het onderzoek van OLAF geen weet had van verzoeksters banden met XJ.

140 Voorts is er evenmin kans van slagen voor verzoeksters argument dat het feit dat zij minderheidsaandeelhouder was van een van de leveranciers in het kader van de twee betrokken projecten geen risico van een belangenconflict oplevert. Het feit dat zij aandeelhouder is – zij het zelfs maar een minderheidsaandeelhouder – van de belangrijkste leverancier van apparatuur in het kader van die projecten, brengt een risico met zich mee van convergentie van economische belangen in de zin van punt II.3, onder g), van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten.

141 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat verzoekster de door de Commissie overgelegde bewijzen dat zij in een belangenconflict verkeerde dat van invloed kon zijn op de uitvoering van de betrokken projecten en op het bedrag van de subsidies ten laste van de door de Unie beheerde begroting, niet rechtens genoegzaam heeft weerlegd, aangezien zij – gelet op haar deelneming in het aandelenkapitaal van XJ – niet heeft bewezen dat de aankoop van de door deze vennootschap in de handel gebrachte apparatuur de enige mogelijkheid was en dat, indien dit niet het geval was, deze keuze uitsluitend was gebaseerd op de prijs-kwaliteitverhouding van deze producten.

142 Uit al deze overwegingen volgt derhalve dat de beweringen van de Commissie dat er sprake is van een niet gemeld belangenconflict wegens de deelneming van verzoekster in het aandelenkapitaal van een leverancier zijn bewezen.

– Vermeend belangenconflict in verband met de door verzoekster ontvangen provisies over de verkopen van een leverancier en vermeende overfacturering

143 Wat in de eerste plaats de verkoopprovisies betreft die verzoekster zou hebben ontvangen, moet worden vastgesteld dat niet wordt betwist dat verzoekster in het kader van het project Dreaming voor de jaren 2008 en 2009 een factuur heeft uitgereikt aan XJ voor een verkoopprovisie van 45991 EUR. In dit verband heeft XJ bevestigd dat zij voor de met tussenkomst van verzoekster tot stand gekomen verkopen verkoopprovisies van 5 tot 10 % heeft betaald. De Commissie verwijst naar een brief van verzoekster waaruit blijkt dat zij erkent met name voor de in het kader van het project Dreaming tot stand gekomen verkopen verkoopprovisies te hebben ontvangen die zij had moeten melden.

144 Volgens de Commissie vormt het ontvangen van een verkoopprovisie een schending van verschillende in casu toepasselijke regels, namelijk van punt II.3, onder g) en i), van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten en van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, en derhalve van artikel 1134 van het Belgische Burgerlijk Wetboek. De betrokken gedragingen moeten eveneens als onregelmatigheden in de zin van punt II.1 van die algemene voorwaarden worden aangemerkt.

145 Verzoekster brengt hiertegen in dat geen enkele wettelijke, bestuursrechtelijke of contractuele regeling is geschonden door het feit dat zij in het kader van het project Dreaming verkoopprovisies heeft ontvangen. Dit is een gangbare handelspraktijk. Volgens verzoekster is hoe dan ook niet aangetoond dat het ontvangen van dergelijke provisies heeft geleid tot een prijsstijging van de voor de uitvoering van dit project aangekochte producten.

146 Er zij aan herinnerd dat het feit dat verzoekster verkoopprovisies heeft ontvangen, past in de context van het belangenconflict waarin zij verkeerde als gevolg van haar banden met XJ, zoals vastgesteld in de punten 126 tot en met 140 hierboven. Zoals in punt 137 is uiteengezet, heeft verzoekster ten eerste niet aangetoond dat de keuze van de door deze onderneming verkochte apparatuur was gebaseerd op de prijs-kwaliteitverhouding van de betrokken apparatuur en niet uitsluitend op haar economische belangen. Het feit dat verzoekster verkoopprovisies ontving, kon derhalve op zijn minst van invloed zijn op de keuze voor die apparatuur. Ten tweede konden door de betaling van verkoopprovisies door XJ aan verzoekster de totale kosten van de apparatuur stijgen en kon daardoor schade worden toegebracht aan de begrotingen voor de betrokken projecten.

147 Verzoekster voert enkel aan dat het feit dat XJ met behulp van haar tussenkomst een bepaald aantal producten heeft kunnen verkopen, heeft geleid tot een daling van de eenheidsprijzen. Deze bewering wordt echter niet door concreet bewijs gestaafd. In het bijzonder is geenszins aangetoond dat het ontvangen van verkoopprovisies een positief effect zou hebben gehad op de begrotingen voor de betrokken projecten.

148 Hieruit volgt dat verzoekster er niet in is geslaagd de conclusie te ontkrachten dat door het ontvangen van verkoopprovisies de onpartijdige en objectieve uitvoering van de betrokken projecten in gevaar kon worden gebracht.

149 Wat in de tweede plaats de vermeende overfacturering betreft, zet de Commissie uiteen dat het project Dreaming aanvankelijk inhield dat het mobieletelefoonmodel Z – dat tegen een eenheidsprijs van 1018 EUR werd verkocht – in de woningen van de ouderen werd geïnstalleerd. Tijdens de uitvoering van voornoemd project zou dit model zijn vervangen door een goedkoper model, namelijk het model Y – dat tegen een eenheidsprijs van 616 EUR werd verkocht.

150 De Commissie verwijt verzoekster dat zij deze kostenverlaging niet heeft doorberekend in het project en de kosten van de technologische apparatuur voor elk van de deelnemers niet heeft verminderd, maar met de medeplichtigheid van XJ en de vennootschap XM de uit het kostenverschil voortvloeiende – als toevallig aangemerkte – winst daarentegen heeft behouden. Die winst zou gelijkelijk tussen verzoekster en deze twee vennootschappen zijn verdeeld. De Commissie beroept zich in dit verband met name op een aan verzoekster en XM gerichte e-mail van XJ van 17 november 2008.

151 Verzoekster en de twee bovengenoemde vennootschappen zouden daartoe de prijzen van andere voor de uitvoering van het project noodzakelijke apparatuur kunstmatig hebben verhoogd, zoals zou blijken uit de in punt 90 van het verweerschrift opgenomen tabel. Op die manier zou de prijs van een console zonder objectieve reden zijn gestegen van 438,50 EUR naar 577 EUR en de prijs van software voor videoconferenties van 200 EUR naar 400 EUR.

152 Voor de berekening van het bedrag van de vermeende overfacturering heeft de Commissie het aantal te hoog gefactureerde eenheden berekend op basis van een analyse van de facturen in het door haar overgelegde dossier. De overfacturering zou een bedrag betreffen van 45697,50 EUR voor het project Dreaming en van 26064,50 EUR voor het project HOME SWEET HOME, dus in totaal 71762 EUR.

153 Volgens verzoekster stroken de beweringen van de Commissie niet met de feiten. Tijdens de uitvoering van het project Dreaming zou zijn gebleken dat telefoon Z niet meer werd verkocht. Als leverancier van het technische materiaal zou XJ bijgevolg hebben voorgesteld om een ander product te gebruiken, namelijk telefoon Y, die tegen de prijs van 616 EUR werd verkocht. Intussen zouden de kosten van andere apparatuur zijn gestegen. Over het geheel genomen zouden de zaken voor XJ hoe dan ook grotendeels verliesgevend zijn geweest.

154 Voorts erkent verzoekster dat de prijswijzigingen met name in een e-mail van 16 december 2008 zijn besproken met XM, eveneens begunstigde van de subsidie in het kader van het project Dreaming, en met XJ. De in die e-mail geformuleerde voorstellen om de prijsdaling van een product te compenseren door een verhoging van de prijzen voor de andere producten, zouden echter niet zijn uitgevoerd. Bovendien zou het doel van verzoekster niet zijn geweest om winst te maken. Volgens haar wordt een leverancier door geen enkele contractuele, wettelijke of bestuursrechtelijke regeling en ook niet door eerlijke handelsgebruiken of het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, ertoe verplicht om de kosten van zijn aanbod te verlagen wanneer de prijs van een van de te leveren onderdelen daalt. Dit zou des te meer het geval zijn wanneer de prijs van andere producten stijgt en de totale kosten gelijk blijven.

155 Het Gerecht is van oordeel dat de Commissie aan de hand van de overgelegde documenten, met name de briefwisseling tussen de bestuurders van de drie betrokken vennootschappen, die als bijlage B.21 is opgenomen, rechtens genoegzaam heeft bewezen dat verzoekster in nauw overleg met XJ en XM de prijzen van de console en de software kunstmatig heeft verhoogd nadat telefoonmodel Z door het goedkopere model Y was vervangen. Uit die correspondentie blijkt immers dat „wanneer model Z door model Y is vervangen, het prijsverschil van 402 EUR wordt overgeboekt naar de begrotingen van de vennootschap XM voor de software en de console” en dat „het juist is om het saldo van 402 EUR gelijkelijk te verdelen tussen [XJ, XM en verzoekster]”.

156 Verzoeksters stelling dat dit voorstel voor de verdeling van het saldo nooit is uitgevoerd, kan – gelet op de door de Commissie overgelegde bewijzen – niet worden aanvaard. Zo blijkt uit de tabel bij een van de e-mails tussen verzoekster, XM en XJ (bijlage B.21, blz. 1124) dat de prijs van de consoles en de software voor videoconferenties is gestegen. Vervolgens blijkt uit de facturen met nummers 151, 157, 158, 165 en 179 die XJ aan de kopers van de betrokken apparatuur heeft gezonden, dat de verhoogde prijzen daadwerkelijk in rekening zijn gebracht. Verzoeksters stelling dat de prijsverhoging van de software en de console een werkelijke stijging van de prijzen van deze producten op de markt weerspiegelt, wordt door geen enkel bewijs gestaafd.

157 De Commissie verwijt verzoekster dus terecht dat zij punt II.3, onder g) en i), van de algemene voorwaarden en het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, heeft geschonden.

Schendingen van de contractuele verplichtingen die worden aangemerkt als onregelmatigheden in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten

158 Met haar derde vordering verzoekt de Commissie het Gerecht voor recht te verklaren dat de aan verzoekster verweten schendingen van de contractuele verplichtingen als onregelmatigheden moeten worden beschouwd in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten.

159 Het begrip onregelmatigheid wordt in dat punt II.1 gedefinieerd als volgt: „Onregelmatigheid: elke schending van een bepaling van het recht [van de Unie] of elke niet-nakoming van een bepaling van deze subsidieovereenkomst die voortvloeit uit een handelen of een nalaten van een of meer contractanten en tot gevolg heeft of kan hebben dat de begroting [van de Unie] schade lijdt.”

160 Er zij op gewezen dat het begrip onregelmatigheid dus wordt gedefinieerd aan de hand van twee cumulatieve criteria: een schending van een rechtsregel of een contractuele bepaling en het feit dat deze schending financiële gevolgen heeft of kan hebben doordat ongerechtvaardigde uitgaven ten laste van de door de Unie beheerde begrotingen worden gebracht. Volgens deze definitie is daarentegen niet vereist dat de feiten een bepaalde mate van ernst vertonen (zie naar analogie arrest van 2 oktober 2012, ELE.SI.A/Commissie, T‑312/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:512, punt 107).

161 In dit verband heeft de Commissie rechtens genoegzaam bewezen dat de aan verzoekster verweten gedragingen negatieve gevolgen konden hebben voor de door de Unie beheerde begrotingen. Wegens het belangenconflict waarin verzoekster was verwikkeld en het ontvangen van provisies over de verkopen van bepaalde apparatuur die consortiumpartners in het kader van de uitvoering van de betrokken projecten hadden aangekocht, bestond er immers een ernstig risico dat de prijs-kwaliteitverhouding van die apparatuur niet vergelijkbaar was met die welke uit een transparante onderhandelingsprocedure zou kunnen voortvloeien. Wat vervolgens de overfacturering van de software en de console betreft, is het duidelijk dat deze tot ongerechtvaardigde uitgaven heeft geleid, aangezien zij tot gevolg heeft gehad dat de prijsdaling van de telefoons niet is doorberekend ten gunste van de begroting van het project.

162 Bijgevolg stelt het Gerecht vast dat verzoekster door haar gedragingen haar contractuele verplichtingen op zodanige wijze heeft verzaakt dat het financiële gevolgen kon hebben voor de door de Unie beheerde begrotingen. Dientengevolge moeten de betrokken gedragingen als onregelmatigheden worden aangemerkt in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van elk van de litigieuze overeenkomsten.

163 Derhalve moet voor recht worden verklaard dat de aan verzoekster verweten schendingen van de contractuele bepalingen met betrekking tot het bestaan van een belangenconflict, het ontvangen van verkoopprovisies en het in rekening brengen van te hoge bedragen onregelmatigheden vormen in de zin van die contractuele bepaling.

Volledige terugbetaling van de overgemaakte bedragen

164 De Commissie vordert in de eerste plaats volledige terugbetaling van de aan verzoekster overgemaakte bedragen, met name op grond van artikel 119 van het Financieel Reglement en artikel 183 van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 [van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen] (PB 2002, L 357, blz. 1), gelezen in samenhang met punt II.26, lid 6, en punt II.28, lid 5, van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten en met artikel 9, lid 1, van besluit nr. 1639/2006. [omissis]

166 Verzoekster betoogt in wezen dat, gesteld dat het bestaan van een belangenconflict wordt aangetoond, dit niet rechtvaardigt dat alle subsidies worden teruggevorderd, temeer daar deze situatie volgens haar geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de begroting van de betrokken projecten. Zij betoogt ook dat deze projecten zijn voltooid en dat de bereikte resultaten toereikend zijn bevonden. Voorts wijst zij erop dat de terugvordering van de subsidies tot haar faillissement zou leiden.

167 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de litigieuze overeenkomsten en dus de toekenning van de subsidie waarop zij betrekking hadden, overeenkomstig artikel 10, eerste alinea, van elk van deze overeenkomsten werden beheerst door de bepalingen ervan, de handelingen van de Unie betreffende het kaderprogramma CI, het Financieel Reglement en de regels voor de uitvoering ervan, alsmede door andere bepalingen van het recht van de Unie en, subsidiair, het Belgische recht.

168 Wat in de eerste plaats de relevante contractuele bepalingen betreft, moet worden opgemerkt dat elke betaling overeenkomstig punt II.26, lid 6, van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten aan een audit of controle kan worden onderworpen en op basis van de resultaten van die audit of die controle kan worden gewijzigd of teruggevorderd. Volgens punt II.28, lid 5, van die algemene voorwaarden neemt de Commissie op basis van de conclusies van de audit passende maatregelen, waaronder de afgifte van een invorderingsopdracht voor het geheel of een deel van de verrichte betalingen en de oplegging van sancties.

169 Deze bepalingen sluiten derhalve niet uit dat de Commissie de krachtens die overeenkomsten betaalde bedragen volledig kan terugvorderen. Integendeel, hieruit volgt uitdrukkelijk dat alle betalingen kunnen worden teruggevorderd.

170 In de tweede plaats bepaalt artikel 119 van het Financieel Reglement: „1. Het bedrag van de subsidie wordt eerst definitief vastgesteld nadat de instelling de eindverslagen en -rekeningen heeft aanvaard, onverminderd latere controles door de instelling. 2. Indien de begunstigde zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de subsidie opgeschort; zij kan vervolgens in de in de uitvoeringsvoorschriften bepaalde gevallen worden verlaagd of ingetrokken, nadat de begunstigde in de gelegenheid is gesteld zijn opmerkingen te formuleren.”

171 Het gebruik van de term „ingetrokken” in artikel 119, lid 2, ziet dus op het geval van terugvordering van alle ontvangen bedragen.

172 Deze conclusie is ook in overeenstemming met het in artikel 317 VWEU neergelegde beginsel van een goed en gezond financieel beheer van de middelen van de Unie. Wanneer de in een subsidieovereenkomst vastgestelde voorwaarden niet worden nageleefd, dienen de instellingen, organen of instanties van de Unie de uitgekeerde subsidie dus terug te vorderen ten belope van de bedragen die niet betrouwbaar of niet controleerbaar worden geacht.

173 Bovendien heeft de Unierechter reeds geoordeeld dat in het stelsel van toekenning van financiële bijstand van de Unie de aanwending van die bijstand onderworpen is aan regels die kunnen leiden tot gedeeltelijke of algehele teruggave van reeds toegekende bijstand (arresten van 7 juli 2010, Commissie/Hellenic Ventures e.a., T‑44/06, niet gepubliceerd, EU:T:2010:284, punt 85, en 16 december 2010, Commissie/Arci Nuova associazione comitato di Cagliari en Gessa, T‑259/09, niet gepubliceerd, EU:T:2010:536, punt 61).

174 Uit de rechtspraak blijkt eveneens dat de begunstigde van een subsidie geen definitief recht op volledige betaling van die subsidie verkrijgt indien hij de voorwaarden waarvan die steun afhankelijk is gesteld, niet in acht neemt (zie arrest van 10 oktober 2019, Help – Hilfe zur Selbsthilfe/Commissie, T‑335/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:736, punt 200 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

175 Hieruit volgt dat de contractuele bepalingen en de relevante bepalingen van het Financieel Reglement de Commissie niet beletten om alle krachtens de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster betaalde bedragen terug te vorderen.

176 Vervolgens moet worden nagegaan of de Commissie in de omstandigheden van het onderhavige geval recht heeft op volledige terugbetaling van die bedragen.

177 In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals in punt 162 hierboven is vastgesteld, de verwijten aan verzoekster kunnen worden aangemerkt als „onregelmatigheden” in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten.

178 Wat voorts de context van deze contractuele bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat uit punt II.10, lid 3, onder f), van die algemene voorwaarden volgt dat het begaan van een onregelmatigheid een handeling of een nalaten is die of dat dermate ernstig is dat dit de onmiddellijke beëindiging van de betrokken overeenkomst kan rechtvaardigen. Bovendien bepaalt punt II.5, lid 3, onder d), vierde streepje, van die algemene voorwaarden dat de Commissie de betaling van het voor de betrokken begunstigde bestemde bedrag te allen tijde geheel of gedeeltelijk kan opschorten indien er een vermoeden bestaat dat een of meer begunstigden een onregelmatigheid hebben begaan.

179 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster, doordat zij het risico van een belangenconflict niet heeft gemeld, verkoopprovisies heeft ontvangen en heeft meegewerkt aan overfacturering van bepaalde apparatuur, inbreuk heeft gemaakt op het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, zoals dat in het Belgische recht is vastgelegd in artikel 1134, derde alinea, en artikel 1135 van het Burgerlijk Wetboek.

180 In de punten 128 en 129 hierboven is immers vastgesteld dat verzoekster in een belangenconflict verkeerde ten opzichte van XJ, dat ten grondslag lag aan de beslissing om XJ te kiezen als leverancier van de apparatuur. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, is het onmogelijk om te berekenen wat de gevolgen van dit belangenconflict zijn voor de begroting van de betrokken projecten, aangezien niet kan worden bepaald wat de prijs van die apparatuur zou zijn geweest – en of het überhaupt noodzakelijk zou zijn geweest om deze aan te kopen – indien het belangenconflict zich niet had voorgedaan. Vervolgens volgt uit punt 141 hierboven dat verzoekster niet heeft aangetoond dat haar gedragingen geen negatieve gevolgen voor de begroting van die projecten hebben gehad. Zij heeft dus niet bewezen dat de producten van XJ de enige waren waarmee deze projecten konden worden uitgevoerd, en dat de keuze van deze producten derhalve op objectieve overwegingen was gebaseerd. Evenmin heeft zij aangetoond dat het feit dat zij verkoopprovisies heeft ontvangen, geen invloed heeft gehad op de prijs van de betrokken producten. Gelet op dit belangenconflict is niet aangetoond dat de aangekochte apparatuur de beste prijs-kwaliteitverhouding bood. In deze omstandigheden moet worden vastgesteld dat dit belangenconflict de gehele contractuele verhouding tussen verzoekster en de Commissie heeft beïnvloed.

181 Voorts moet erop worden gewezen dat de schendingen van de contractuele verplichtingen door verzoekster dermate ernstig waren dat de volledige terugbetaling van de subsidies gerechtvaardigd is. Verzoekster heeft immers ernstig afbreuk gedaan aan haar contractuele relatie met de Commissie door het bestaan van een belangenconflict en het ontvangen van verkoopprovisies niet te melden en door voor bepaalde producten te hoge bedragen te factureren.

182 In die omstandigheden is de volledige terugvordering van de krachtens de litigieuze overeenkomsten betaalde bedragen niet onevenredig.

183 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de betrokken projecten daadwerkelijk door verzoekster zijn uitgevoerd, noch door de verkregen resultaten.

184 Het bewijs dat een project is uitgevoerd, volstaat niet om de toekenning van een specifieke subsidie te rechtvaardigen. De begunstigde van de steun moet bovendien bewijzen dat hij de gedeclareerde kosten heeft gemaakt overeenkomstig de voor de toekenning van de betrokken subsidie gestelde voorwaarden. De verplichting van de begunstigde tot naleving van de gestelde financiële voorwaarden vormt een essentiële verplichting en is om die reden een voorwaarde voor de toekenning van de subsidie van de Unie (arrest van 10 oktober 2019, Help – Hilfe zur Selbsthilfe/Commissie, T‑335/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:736, punt 201).

185 Bijgevolg is de vordering tot terugbetaling van alle in het kader van de litigieuze overeenkomsten betaalde bedragen gegrond, zodat dit onderdeel van de vordering in reconventie van de Commissie moet worden toegewezen.

Schadevordering

186 Naast de terugbetaling van de subsidies vordert de Commissie schadevergoeding ten bedrage van 58876,50 EUR.

187 Volgens de Commissie is voldaan aan de drie voorwaarden waaronder verzoekster contractueel aansprakelijk kan worden gesteld, namelijk dat er een of meer contractuele bepalingen zijn geschonden, dat er werkelijk schade is geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen de verweten gedraging en de gestelde schade.

188 Volgens de Commissie is bewezen dat verzoekster verkoopprovisies voor een bedrag van 45991 EUR heeft ontvangen. Zij gaat ervan uit dat XJ haar prijzen ten minste met dat bedrag zou hebben verlaagd indien deze provisies niet verschuldigd waren geweest. Om de overeenkomst op een juiste en eerlijke manier uit te voeren, had verzoekster deze verlaging hoe dan ook moeten melden en doorberekenen ten gunste van de consortiumpartners die met de uitvoering van het betrokken project waren belast.

189 Wat de overfacturering van de console en de software betreft, leidt de Commissie uit de gegevens in het verslag van OLAF af dat in het kader van het project Dreaming 135 eenheden van de console en de software zijn verkocht. Een bedrag van 338,50 EUR per eenheid zou te veel in rekening zijn gebracht, derhalve een totaalbedrag van 45697,50 EUR. In het kader van het project HOME SWEET HOME zouden 77 eenheden zijn verkocht, hetgeen tot meerkosten van 26064,50 EUR zou hebben geleid.

190 Aangezien de Commissie slechts de helft van deze projecten heeft gefinancierd, zou zij in totaal 58876,50 EUR schade hebben geleden.

191 Volgens verzoekster is het bestaan van de schade en het causaal verband tussen haar gedragingen en die vermeende schade niet bewezen, gesteld al dat ze de haar verweten schendingen van wettelijke of contractuele regels heeft begaan, hetgeen zij betwist. In dit verband voert zij aan dat de prijs van de betrokken producten niet lager zou zijn geweest indien zij niet als tussenpersoon was opgetreden, aangezien XJ dankzij haar een groter aantal producten tegen een lagere eenheidsprijs heeft kunnen verkopen. Wat de verhoging van de prijs van de console en de software betreft, zou de prijs van deze apparatuur op de markt daadwerkelijk zijn gestegen, zodat er geen sprake was van overfacturering.

192 Om te beginnen zij erop gewezen dat de betrokken vordering ertoe strekt verzoekster contractueel aansprakelijk te stellen. De Commissie betoogt namelijk dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, erdoor is veroorzaakt dat verzoekster haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen. Bijgevolg is het Gerecht op grond van artikel 272 VWEU bevoegd om kennis te nemen van deze vordering, die voortvloeit uit dezelfde contractuele band als die waarop de vordering in reconventie is gebaseerd.

193 Vervolgens moet worden opgemerkt dat het Gerecht, wanneer het is aangezocht in het kader van een arbitragebeding op grond van artikel 272 VWEU, het geschil dient beslechten op basis van het op de overeenkomst toepasselijke materiële recht (zie arresten van 29 november 2016, ANKO/REA, T‑270/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:681, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 1 maart 2017, Universiteit Antwerpen/REA, T‑208/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:136, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het op de overeenkomst toepasselijke recht is het recht dat uitdrukkelijk in de overeenkomst is bepaald, en de contractuele bepalingen die de gemeenschappelijke wilsovereenstemming tussen partijen uitdrukken dienen te prevaleren boven enig ander criterium waarop enkel een beroep kan worden gedaan wanneer de overeenkomst ter zake geen uitsluitsel geeft (zie arrest van 8 september 2015, Amitié/Commissie, T‑234/12, niet gepubliceerd, EU:T:2015:601, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

194 Er zij aan herinnerd dat op de litigieuze overeenkomsten, overeenkomstig artikel 10 van elk van deze overeenkomsten, de eigen bepalingen ervan, de relevante bepalingen van het Unierecht en, subsidiair, het Belgische recht van toepassing zijn.

195 Vastgesteld moet worden dat de Commissie geen enkel beding van die overeenkomsten aanhaalt dat voorziet in de contractuele aansprakelijkheid van verzoekster.

196 Bovendien moet worden opgemerkt dat het Unierecht geen materiële bepaling bevat over de contractuele aansprakelijkheid voor schade die door een medecontractant van de Unie is veroorzaakt.

197 In dit verband verwijst de Commissie in punt 99 van het verweerschrift naar het arrest van 12 april 2018, PY/EUCAP Sahel Niger (T‑763/16, EU:T:2018:181), dat betrekking heeft op de contractuele aansprakelijkheid van de Unie krachtens artikel 340 VWEU en het recht dat in een dergelijke situatie van toepassing is. In punt 66 van dat arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de contractuele aansprakelijkheid kan worden onderzocht „op basis van uitsluitend de bepalingen van de betrokken arbeidsovereenkomsten [...] met inachtneming van de algemene Unierechtelijke beginselen inzake contractuele aansprakelijkheid” en dat „volgens die beginselen [...] aan drie voorwaarden [moet] zijn voldaan om een beroep tot schadevergoeding wegens contractuele aansprakelijkheid te kunnen toewijzen, te weten dat de betrokken instelling haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen, dat de verzoekende partij schade heeft geleden en, ten slotte, dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het gedrag van die instelling en de schade”.

198 De Commissie gaat uit van het beginsel dat deze rechtspraak naar analogie van toepassing is op de contractuele aansprakelijkheid van de medecontractant van een instelling van de Unie, in casu verzoekster. De situatie in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 12 april 2018, PY/EUCAP Sahel Niger (T‑763/16, EU:T:2018:181), verschilt echter van de situatie in de onderhavige zaak. Uit punt 62 van dat arrest blijkt immers dat de arbeidsovereenkomsten die in die zaak aan de orde waren, niet vermeldden welk recht hierop van toepassing was, terwijl in casu de litigieuze overeenkomsten een bepaling bevatten betreffende het toepasselijke recht.

199 Voor de voorwaarden waaronder verzoekster contractueel aansprakelijk is, moet in casu worden gekeken naar het Belgische recht, dat subsidiair op de litigieuze overeenkomsten van toepassing is.

200 Op het gebied van contractuele aansprakelijkheid bepaalt artikel 1142 van het Belgische Burgerlijk Wetboek – dat deel uitmaakt van boek III, titel III, met het opschrift „Contracten of verbintenissen uit overeenkomst in het algemeen”, – dat „[i]edere verbintenis om iets te doen of niet te doen wordt opgelost in schadevergoeding, ingeval de schuldenaar de verbintenis niet nakomt”.

201 Voorts schrijft artikel 1147 van het Belgische Burgerlijk Wetboek voor dat „de schuldenaar [...], indien daartoe grond bestaat, [wordt] veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet nakomen het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is”.

202 Uit artikel 1147 van het Belgische Burgerlijk Wetboek volgt dat voor vergoeding van contractuele schade aan drie voorwaarden moet zijn voldaan, te weten gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de overeenkomst, schade en een causaal verband tussen de niet-uitvoering en de schade (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, Meta Group/Commissie, T‑744/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:304, punt 271 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

203 Het Gerecht is van oordeel dat de Commissie in casu niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat er een voldoende rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de aan verzoekster verweten niet-uitvoering van de contractuele verplichtingen en de vermeende schade, gesteld dat deze schade wordt bewezen.

204 In de eerste plaats staat vast dat verzoekster in het kader van de litigieuze overeenkomsten geen apparatuur aan de betrokken consortiumpartners heeft verkocht en evenmin om terugbetaling van kosten voor de aankoop van apparatuur heeft verzocht. De apparatuur waarvoor te hoge bedragen in rekening zijn gebracht of waarvoor verkoopprovisies zijn betaald, is namelijk niet door verzoekster gekocht, maar door andere, niet aan haar verbonden entiteiten, waaraan de Commissie de met die aankopen verband houdende kosten heeft vergoed.

205 In de tweede plaats staat eveneens vast dat niet verzoekster verantwoordelijk was voor de aankoop van de apparatuur waarvoor te hoge bedragen in rekening zijn gebracht en waarvoor verkoopprovisies zijn betaald, maar de leden van de consortia die deze aankopen hebben verricht. Dit wordt bevestigd door het antwoord van de Commissie op een vraag van het Gerecht in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang, waarin zij heeft verklaard dat „de keuze van de in de projecten van de begunstigde gebruikte producten of materialen volledig onder de verantwoordelijkheid van de begunstigde valt, ook wanneer de beschrijving van apparatuur in bijlage I bij de overeenkomst is opgenomen”.

206 De Commissie, die overeenkomstig het beginsel actori incumbit probatio moet bewijzen dat aan de drie in punt 202 hierboven genoemde voorwaarden is voldaan, is er niet in geslaagd om aan te tonen dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat. Zij stelt dienaangaande immers enkel, in één enkele zin en zonder enig concreet bewijs, dat het causaal verband „voor de hand ligt” omdat verzoekster „actief” aan de schendingen van de contractuele bepalingen in kwestie heeft meegewerkt en de gestelde schade zonder deze schendingen niet zou zijn ontstaan.

207 Dergelijke algemene verklaringen volstaan echter niet om rechtens genoegzaam aan te tonen dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de vermeende schade en de schendingen van de contractuele bepalingen die aan de orde zijn in een situatie die wordt gekenmerkt door de tussenkomst van meerdere derden, zoals de situatie die in de punten 204 en 205 hierboven is beschreven.

208 Bovendien moet hoe dan ook worden opgemerkt dat, in het kader van de uitvoering van contractuele verplichtingen, de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel deel uitmaakt van de meer algemene verplichting van de partijen bij een overeenkomst om deze overeenkomst te goeder trouw uit te voeren. Voorts is het een partij overeenkomstig de in artikel 1134 van het Belgische Burgerlijk Wetboek neergelegde verplichting om overeenkomsten te goeder trouw uit te voeren, verboden om een recht uit te oefenen op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening daarvan door een voorzichtig en bedachtzaam persoon kennelijk te buiten gaat (Cass. 16 november 2007, AR nr. C.06.0349.F.1) (zie in die zin arrest van 24 oktober 2018, Nova/Commissie, T‑299/15, niet gepubliceerd, EU:T:2018:713, punt 140).

209 Aangezien de projecten waarop de litigieuze overeenkomsten betrekking hebben, onverwijld en in overeenstemming met de doelstellingen van die projecten zijn uitgevoerd, hetgeen niet wordt betwist, en gelet op de bijzonder ernstige gevolgen die voor verzoekster uit de volledige terugvordering van de subsidies voortvloeien, is het Gerecht van oordeel dat de schadevordering, die boven op voornoemde volledige terugvordering komt, de grenzen van de normale uitoefening van het betrokken recht kennelijk te buiten gaat.

210 Hieruit volgt dat de schadevordering ongegrond moet worden verklaard.

Conclusie

211 Uit het voorgaande volgt dat alle bedragen die krachtens de litigieuze overeenkomsten aan verzoekster zijn overgemaakt, door haar moeten worden terugbetaald wegens door haar begane onregelmatigheden. Verzoeksters vorderingen om voor recht te verklaren dat zij de debetnota’s nrs. 3241901815 en 3241901886 niet hoeft te voldoen, treffen bijgevolg geen doel.

212 Gelet op een en ander moet het principale beroep worden verworpen en moet de vordering in reconventie van de Commissie worden toegewezen voor zover zij ertoe strekt voor recht te doen verklaren dat de aan verzoekster verweten schendingen van de contractuele bepalingen onregelmatigheden zijn in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van de litigieuze overeenkomsten, en voor zover zij strekt tot terugbetaling van de in het kader van die overeenkomsten aan verzoekster overgemaakte bedragen. De vordering in reconventie moet worden afgewezen voor het overige. [omissis]

HET GERECHT (Tiende kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het principale beroep wordt verworpen.

2) De inbreuken op de subsidieovereenkomsten nr. 225023 voor de uitvoering van het project „ElDeRly-friEndly Alarm handling and monitorING (Dreaming)” en nr. 250449 voor de uitvoering van het project „Health monitoring and sOcial integration environMEnt for Supporting WidE ExTension of independent life at HOME (HOME SWEET HOME)” waaraan Health Information Management (HIM) zich schuldig heeft gemaakt, vormen onregelmatigheden in de zin van punt II.1 van de algemene voorwaarden van die overeenkomsten.

3) HIM wordt veroordeeld tot terugbetaling van 512799 EUR aan de Europese Commissie.

4) De vordering in reconventie van de Commissie wordt verworpen voor het overige.

5) HIM zal haar eigen kosten en de helft van die van de Commissie dragen.

Kornezov Buttigieg Hesse Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juni 2021. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken