Gerecht EU 9 juni 2021, T-580/19, ECLI:EU:T:2021:330

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

9 juni 2021 ( *1 )

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen ten aanzien van Iran ter voorkoming van nucleaire proliferatie – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Handhaving van verzoekers naam op de lijst – Beoordelingsfout – Artikel 266 VWEU”

In zaak T‑580/19,

Sayed Shamsuddin Borborudi, wonende te Teheran (Iran), vertegenwoordigd door L. Vidal, advocaat,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door V. Piessevaux en D. Mykolaitis als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsverordening (EU) 2019/855 van de Raad van 27 mei 2019 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2019, L 140, blz. 1), voor zover daarbij verzoekers naam wordt gehandhaafd op de lijst in bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1),

wijst

HET GERECHT (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: S. Gervasoni, president, L. Madise en J. Martín y Pérez de Nanclares (rapporteur), rechters,

griffier: E. Artemiou, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 3 december 2020,

het navolgende

Arrest ( 1 )

I. Voorgeschiedenis van het geding

[omissis]

B. Plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten

5 Bij besluit 2011/783/GBVB van 1 december 2011 houdende wijziging van besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB 2011, L 319, blz. 71) heeft de Raad laatstgenoemd besluit gewijzigd om de betrokken beperkende maatregelen toe te passen op andere personen en entiteiten, waarvan de namen zijn toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij dat besluit. De naam van verzoeker, Sayed Shamsuddin Borborudi, en de datum waarop zijn naam op die lijst is geplaatst, in casu 1 december 2011, zijn toegevoegd aan bijlage II bij besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van gemeenschappelijk standpunt 2007/140/GBVB (PB 2010, L 195, blz. 39, met rectificatie in PB 2010, L 197, blz. 19), met vermelding van de volgende motivering: „Plaatsvervangend directeur van de door de [Verenigde Naties (VN)] aangewezen Atomic Energy Organisation of Iran [(Organisatie voor Atoomenergie van Iran, hierna: „AEOI”)], waar hij ondergeschikt is aan de op de VN‑lijst geplaatste Feridun Abbasi Davani. Is zeker sedert 2002 betrokken bij het Iraans kernprogramma, onder meer als voormalig hoofd bevoorrading en logistiek bij [het project] AMAD, waar hij verantwoordelijk was voor het gebruik van dekmantelbedrijven, zoals Kimia Madan, voor het aankopen van apparatuur en materiaal voor het kernwapenprogramma van Iran.” [omissis]

C. Handhaving van verzoekers naam op de betrokken lijsten

[omissis]

11 Bij brief van 15 april 2014 heeft verzoeker bij de Raad een nieuw verzoek tot verwijdering van zijn naam van de betrokken lijsten ingediend (hierna: „brief van 15 april 2014”). De inhoud van dit nieuwe verzoek was in wezen dezelfde als die van de in punt 9 hierboven genoemde brief van 31 januari 2013. De brief van 15 april 2014 bevatte, naast de inhoud van laatstgenoemde brief, een vermelding van het op 24 november 2013 te Genève (Zwitserland) overeengekomen gemeenschappelijke actieplan. Verzoeker betoogde dat de AEOI, gelet op dit plan, van de Raad verwachtte dat hij zijn besluit tot instelling van beperkende maatregelen ten aanzien van personen en entiteiten die deelnamen aan het Iraanse nucleaire programma zou heroverwegen. Verzoeker voerde tevens aan dat hij op geen enkele wijze, noch als consultant, noch als bestuurder, samenwerkte met de ondernemingen of organisaties waarop sancties van toepassing waren of met entiteiten die banden hadden met de Iraanse nucleaire industrie.

12 Na de verzending van de brief van 15 april 2014 is er geen correspondentie meer gevoerd tussen de Raad en verzoeker tot 27 mei 2019, de datum waarop de Raad besluit (GBVB) 2019/870 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2019, L 140, blz. 90) heeft vastgesteld na de jaarlijkse evaluatie van de lijst van personen en entiteiten in bijlage II bij besluit 2010/413, zoals bepaald in artikel 26, lid 3, van laatstgenoemd besluit. Bij artikel 1 van besluit 2019/870 is bijlage II bij besluit 2010/413 gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij besluit 2019/870. De vermelding betreffende verzoeker in die bijlage is gewijzigd om in de kolom betreffende de identificatiegegevens zijn geboortedatum, te weten 21 september 1969, toe te voegen.

13 Op 27 mei 2019 heeft de Raad tevens uitvoeringsverordening (EU) 2019/855 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2019, L 140, blz. 1; hierna: „bestreden handeling”) vastgesteld. Krachtens artikel 1 van die uitvoeringsverordening is bijlage IX bij verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010 (PB 2012, L 88, blz. 1) gewijzigd om rekening te houden met de wijzigingen die bij besluit 2019/870 zijn aangebracht in bijlage II bij besluit 2010/413. In het bijzonder staat verzoekers naam vermeld in regel 25 van tabel A van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012 bij de bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen.

II. Procedure en conclusies van partijen

14 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 augustus 2019, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

15 Bij beslissing van 17 oktober 2019 heeft de president van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht de zaak aan een andere rechter-rapporteur toegewezen, die is toegevoegd aan de Vierde kamer.

16 Op 22 november 2019 heeft de Raad ter griffie van het Gerecht het verweerschrift neergelegd.

17 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk door verzoeker op 14 februari 2020 en door de Raad op 23 april 2020 neergelegd.

18 Op 23 april 2020 is de schriftelijke behandeling gesloten.

19 In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89, lid 3, onder a), van het Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht partijen op 6 oktober 2020 verzocht te antwoorden op een reeks vragen, die zij binnen de gestelde termijn hebben beantwoord.

20 Partijen zijn ter terechtzitting van 3 december 2020 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

21 Verzoeker verzoekt het Gerecht: – de bestreden handeling nietig te verklaren voor zover zij hem betreft; – de Raad te gelasten zijn naam te schrappen van bijlage IX bij verordening nr. 267/2012; – de Raad te verwijzen in alle kosten van de procedure.

22 De Raad verzoekt het Gerecht: – het beroep ongegrond te verklaren; – verzoeker te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Eerste vordering

23 Opgemerkt zij dat verzoeker niet heeft verzocht om nietigverklaring van besluit 2019/870, dat tegelijk met uitvoeringsverordening 2019/855 is vastgesteld.

24 Volgens artikel 29 VEU, op basis waarvan besluit 2010/413 is vastgesteld, „stelt [de Raad] besluiten vast waarin de aanpak van de Unie wordt bepaald ten aanzien van een bepaalde aangelegenheid van geografische of thematische aard. De lidstaten dragen er zorg voor dat hun nationaal beleid met de standpunten van de Unie overeenstemt.”

25 Artikel 215, lid 1, VWEU bepaalt dat „[w]anneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie [(het hoofdstuk waartoe artikel 29 VEU behoort)] vastgesteld besluit voorziet in verbreking of gehele of gedeeltelijke beperking van de economische en financiële betrekkingen met een of meer derde landen, [...] de Raad, op gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de nodige maatregelen [vaststelt]. De Raad stelt het Europees Parlement daarvan in kennis.” Lid 2 van dat artikel bepaalt dat „[w]anneer een overeenkomstig hoofdstuk 2 van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vastgesteld besluit daarin voorziet, [...] de Raad volgens de in lid 1 bedoelde procedure jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten beperkende maatregelen [kan] vaststellen”.

26 Uit de rechtspraak volgt dat besluiten die zijn vastgesteld op grond van artikel 29 VEU en verordeningen die zijn vastgesteld op grond van artikel 215 VWEU twee soorten handelingen zijn, waarbij met de eerste de aanpak van de Unie ten aanzien van de vast te stellen beperkende maatregelen wordt bepaald en de tweede het instrument vormt om op het niveau van de Unie gevolg te geven aan die maatregelen (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 90).

27 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de geldigheid van een op basis van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening veronderstelt dat er eerst een geldig besluit overeenkomstig de bepalingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) is vastgesteld (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 55). Anders gezegd, de vaststelling van een verordening op grond van artikel 215 VWEU is afhankelijk van de vaststelling van een besluit op grond van artikel 29 VEU.

28 Ondanks de nauwe samenhang tussen deze twee soorten handelingen, blijven het twee afzonderlijke en los van elkaar bestaande handelingen, zodat niets een verzoekende partij belet om uitsluitend een uitvoeringsverordening aan te vechten.

29 In casu staat de omstandigheid dat het beroep beperkt is tot een vordering tot nietigverklaring van de bestreden handeling voor zover deze verzoeker betreft, en niet tevens betrekking heeft op besluit 2019/870, er dus niet aan in de weg dat het beroep wordt behandeld, onverminderd de gevolgen die een eventuele nietigverklaring van de bestreden handeling voor dat besluit zou kunnen hebben (zie hieronder de punten 91 e.v.). [omissis]

C. Ten gronde

[omissis]

3. Verzoekers hoedanigheid van plaatsvervangend directeur van de AEOI

52 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat verzoeker stelt dat hij in augustus 2013 is opgehouden te werken voor de AEOI en dat hij geen enkele band meer heeft met die organisatie. Tot staving van deze stelling legt verzoeker ten eerste een verklaring van 5 mei 2019 over, ondertekend door de directeur-generaal van de AEOI, volgens welke verzoeker van 23 april 2011 tot en met 31 augustus 2013 heeft gewerkt als „vicevoorzitter van de [AEOI] voor uitvoerende zaken en adjunct voor de administratieve en financiële aangelegenheden van die organisatie”. In antwoord op de in het verweerschrift geformuleerde kritiek van de Raad dat bovengenoemde verklaring van geringe technische kwaliteit is en niet is gecertificeerd, heeft verzoeker bij de indiening van de repliek een nieuwe verklaring overgelegd, afkomstig van de directeur-generaal personeelsontwikkeling en toelagen van de AEOI van 22 januari 2020. In laatstgenoemde verklaring, waarvan de inhoud identiek is aan die van de verklaring van 5 mei 2019, wordt vermeld dat verzoeker na 31 augustus 2013 geen positie, functie of arbeidsbetrekking bij de AEOI heeft vervuld. Ten tweede voert verzoeker aan dat zijn vermeende hoedanigheid van plaatsvervangend directeur van de AEOI wordt tegengesproken door een persbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van het Verenigd Koninkrijk van 23 juni 2019, volgens hetwelk de minister belast met het Midden-Oosten had samengewerkt met onder meer de plaatsvervangende directeur van de AEOI, A. Ten derde merkt verzoeker in repliek op dat zijn naam in geen enkel rapport van de AEOI voorkomt. Volgens verzoeker vermelden de verschillende rapporten van deze organisatie regelmatig de namen van de wettelijke vertegenwoordigers van de AEOI, met name die van de voorzitter ervan. Ten vierde en tot slot merkt verzoeker op dat sinds de ondertekening van het gemeenschappelijk actieplan het Iraanse nucleaire programma onder strikt toezicht staat van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) en de Unie. Indien verzoeker nog steeds een band met de AEOI had, zou de Raad derhalve over gegevens hebben beschikt om dit te bewijzen.

53 Ondanks de kritiek van de Raad op de door verzoeker overgelegde en door de directeur-generaal van de AEOI ondertekende verklaring van 5 mei 2019, en ondanks de betwisting van bepaalde door verzoeker aangevoerde argumenten, moet worden opgemerkt dat de Raad in het kader van de onderhavige procedure overigens niet betwist dat verzoeker in augustus 2013 is opgehouden voor de AEOI te werken.

54 De Raad betoogt daarentegen wel dat het, gelet op bepaalde omstandigheden, niet onredelijk was dat hij op de datum van vaststelling van de bestreden handeling aannam dat verzoeker nog steeds plaatsvervangend directeur van de AEOI was. Dit vloeide in wezen voort uit, ten eerste, het feit dat verzoeker geen gegevens had overgelegd ter ondersteuning van de beweringen in zijn brief van15 april 2014; ten tweede, de dubbelzinnige inhoud van die brief, die de indruk wekte dat verzoeker deze als plaatsvervangend directeur van de AEOI had geschreven; ten derde, het feit dat verzoeker zijn adres of andere contactgegevens dan die van de AEOI niet aan de Raad had meegedeeld; ten vierde, het feit dat verzoeker sinds die brief geen contact had opgenomen met de Raad, en, ten vijfde, het feit dat noch de website van de AEOI, noch andere openbare bronnen informatie verschaften over de vraag wie binnen de AEOI directiefuncties bekleedde, zodat de enige informatie waarop de Raad zich in dit verband kon baseren het van verzoeker afkomstige schriftelijke bewijsmateriaal was.

55 In dit verband moet worden opgemerkt dat de Raad, zonder de bewijslast om te keren, verzoeker niet kan verwijten dat hij niet heeft aangetoond alle activiteiten binnen de AEOI te hebben stopgezet door te verlangen dat hij deze instelling van een dergelijke omstandigheid op de hoogte stelt, laat staan dat hij de Raad bewijzen voorlegt (zie in die zin arrest van 3 juli 2014, Alchaar/Raad, T‑203/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:602, punt 152 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Integendeel, het staat aan de Raad om in het kader van de jaarlijkse evaluatie van de beperkende maatregelen als bedoeld in artikel 26, lid 3, van besluit 2010/413 en artikel 46, lid 7, van verordening nr. 267/2012 de elementen tot staving van de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten zorgvuldig te onderzoeken. Dat neemt niet weg dat verzoeker te allen tijde opmerkingen of nieuw bewijsmateriaal kan indienen overeenkomstig artikel 24, lid 4, van besluit 2010/413 en artikel 46, lid 5, van verordening nr. 267/2012. Het gaat daarbij echter om een mogelijkheid voor verzoeker, die de Raad niet kan vrijstellen van de op hem rustende bewijslast. [omissis]

62 Voorts moet worden opgemerkt dat het niet-vertrouwelijke uittreksel van het voorstel voor plaatsing op een lijst hoe dan ook slechts één lid bevat waarvan de tekst overeenstemt met de tekst in de motivering voor plaatsing op de betrokken lijsten. Het gaat echter niet vergezeld van enig gegeven tot staving van de grond dat verzoeker plaatsvervangend directeur van de AEOI is. [omissis]

5. De vroegere activiteiten van verzoeker in de motivering voor plaatsing op de lijst

[omissis]

80 Door te stellen dat de handhaving van verzoekers naam op de betrokken lijsten wordt gerechtvaardigd door zijn vroegere activiteiten, vervangt de Raad de motivering waarop de bestreden handeling is gebaseerd, waarmee het Gerecht niet kan instemmen (zie in die zin arrest van 26 oktober 2012, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑63/12, EU:T:2012:579, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81 Hoe dan ook moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak het criterium voor plaatsing op de betrokken lijsten betreffende het verlenen van steun aan Iraanse proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten impliceert dat wordt aangetoond dat er een direct of indirect verband bestaat tussen de activiteiten van de betrokken persoon of entiteit en de nucleaire proliferatie (arrest van 25 maart 2015, Central Bank of Iran/Raad, T‑563/12, EU:T:2015:187, punt 66).

82 Bovendien is geoordeeld dat de verschillende bepalingen van besluit 2010/413 en verordening nr. 267/2012 waarbij in de bevriezing van tegoeden wordt voorzien, in algemene bewoordingen zijn opgesteld („zich bezighouden met, rechtstreeks betrokken zijn bij, dan wel steun verlenen aan”), en niet verwijzen naar gedragingen die voorafgaan aan een besluit tot bevriezing van tegoeden (arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 85).

83 Voorts zij eraan herinnerd dat de beperkende maatregelen tegen Iran tot doel hebben de ontwikkeling van nucleaire proliferatie te voorkomen door druk uit te oefenen op die staat om zijn proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten te staken. Zowel uit de opzet als uit de algemene doelstelling van besluit 2010/413, verordening nr. 961/2010 en verordening nr. 267/2012 blijkt dat zij tot doel hebben een „risico van nucleaire proliferatie” in die staat te voorkomen en dat de op grond van die teksten opgelegde maatregelen tot bevriezing van tegoeden preventief bedoeld zijn (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a., C‑72/11, EU:C:2011:874, punt 44).

84 Hieruit volgt dat de vaststelling van beperkende maatregelen jegens een persoon niet veronderstelt dat hij zich daaraan voorafgaand daadwerkelijk laakbaar heeft gedragen, aangezien het risico dat deze persoon in de toekomst een dergelijke gedraging zal stellen, kan volstaan (zie in die zin arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 84).

85 Indien niet kan worden vereist dat er daadwerkelijk is deelgenomen aan het Iraanse nucleaire programma voorafgaand aan de vaststelling van de beperkende maatregelen, is het bestaan van een direct of indirect verband tussen de activiteiten van een persoon en de nucleaire proliferatie dus een voorwaarde voor de plaatsing van de naam van die persoon op de betrokken lijsten (zie in die zin arrest van 7 maart 2017, Neka Novin/Raad, T‑436/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:142, punt 30).

86 In casu kunnen verzoekers vroegere functies binnen de AEOI, op zich beschouwd, en zijn vroegere deelname aan het Iraanse nucleaire programma, gesteld dat zij bewezen is, niet rechtvaardigen dat zijn naam op de betrokken lijsten wordt geplaatst. Indien de Raad zich wilde baseren op verzoekers vroegere functies en op zijn vroegere deelname aan het Iraanse nucleaire programma, alsmede op het risico dat verzoeker, gelet op zijn kennis en zijn bekwaamheden, steun zou verlenen aan Iraanse nucleaire activiteiten die een risico van nucleaire proliferatie vormen, had de Raad immers ernstige en onderling overeenstemmende aanwijzingen moeten verstrekken op grond waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat verzoeker banden had met de AEOI en met het Iraanse nucleaire programma, of, meer in het algemeen, met activiteiten die op het tijdstip van de vaststelling van de bestreden handeling een risico van nucleaire proliferatie inhielden, welke aanwijzingen de plaatsing van zijn naam op de betrokken lijsten rechtvaardigden nadat hij zijn activiteiten binnen die organisatie had beëindigd en na afloop van zijn deelname aan het Iraanse nucleaire programma (arrest van 18 februari 2016, Jannatian/Raad, T‑328/14, niet gepubliceerd, EU:T:2016:86, punt 40). [omissis]

D. Gevolgen van het onderhavige arrest voor besluit 2019/870

91 In antwoord op een vraag van het Gerecht betoogt verzoeker in wezen dat, indien het Gerecht de bestreden handeling nietig verklaart, de Raad besluit 2019/870 moet intrekken.

92 In antwoord op diezelfde vraag merkt de Raad op dat verzoeker slechts om nietigverklaring van de bestreden handeling heeft verzocht voor zover deze hem betreft. Bovendien heeft hij erop gewezen dat, indien het Gerecht die handeling nietig verklaart, de nietigverklaring alleen op laatstgenoemde handeling van toepassing zou zijn. De Raad heeft eveneens aangevoerd dat het Gerecht gebonden is aan de door verzoeker geformuleerde vorderingen en dat het niet meer mag toewijzen dan is gevorderd. Tot slot heeft de Raad benadrukt dat besluit 2019/870 is vervangen door besluit (GBVB) 2020/849 tot wijziging van besluit 2010/413 (PB 2020, L 196, blz. 8).

93 Er zij op gewezen dat in het onderhavige arrest enkel wordt geconcludeerd tot nietigverklaring van de bestreden handeling, te weten uitvoeringsverordening 2019/855. Dit arrest kan dus niet automatisch leiden tot nietigverklaring van besluit 2019/870.

94 De omstandigheid dat besluit 2019/870 van toepassing blijft ook al zou de bestreden handeling nietig worden verklaard, kan echter leiden tot een ernstige aantasting van de rechtszekerheid, aangezien beide handelingen verzoeker identieke maatregelen opleggen (arrest van 17 april 2013, TCMFG/Raad, T‑404/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:194, punt 43).

95 Om zich te voegen naar dit arrest en hieraan volledig uitvoering te geven, moet de Raad bovendien niet alleen het dictum van het arrest naleven, maar ook de rechtsoverwegingen die er de noodzakelijke steun aan bieden in die zin dat zij onontbeerlijk zijn om de juiste betekenis van het dictum te bepalen. Het zijn immers die rechtsoverwegingen die aangeven welke redenen voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijsten als onwettig worden beschouwd, omdat zij op onjuiste beoordelingen berusten, en wat precies de redenen zijn van de in het dictum vastgestelde onwettigheid waar de Raad rekening mee moet houden (zie in die zin arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

96 Hoewel de vaststelling van de onwettigheid in de rechtsoverwegingen van een arrest houdende nietigverklaring de instelling waarvan de nietig verklaarde handeling is uitgegaan in de eerste plaats verplicht om die onwettigheid op te heffen in de handeling die voor de nietig verklaarde handeling in de plaats komt, kan zij echter voor die instelling ook andere gevolgen hebben wanneer zij een bepaling betreft met een bepaalde inhoud op een gegeven gebied (zie arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

97 Wanneer het, zoals in casu, gaat om de nietigverklaring van een uitvoeringsverordening tot wijziging van de lijst in bijlage IX bij verordening nr. 267/2012, welke lijst krachtens artikel 46, lid 7, van verordening nr. 267/2012 regelmatig opnieuw moet worden bezien, is de instelling die deze verordening heeft vastgesteld in de eerste plaats gehouden ervoor te zorgen dat eventuele latere besluiten tot bevriezing van tegoeden die na het arrest houdende nietigverklaring moeten worden genomen, voor perioden na dat arrest niet dezelfde onwettigheden vertonen (zie in die zin arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98 Op grond van de terugwerkende kracht van arresten houdende nietigverklaring, werkt de vaststelling van de onwettigheid terug tot de dag waarop de nietig verklaarde handeling in werking is getreden (zie arrest van 23 oktober 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad, T‑256/07, EU:T:2008:461, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hieruit moet dus worden afgeleid dat de Raad in casu ook verplicht kan zijn om op grond van artikel 266 VWEU uit de teksten die reeds ten tijde van het arrest houdende nietigverklaring tot stand zijn gekomen, de redenen voor plaatsing van verzoekers naam op de lijst met dezelfde inhoud als die welke onwettig worden geacht, te verwijderen, indien die redenen werden gestaafd door dezelfde bewijselementen als die welke het Gerecht in het onderhavige arrest heeft onderzocht (zie naar analogie arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punt 30). Dit geldt dus ook voor de teksten die dateren van na de vaststelling van de bestreden handeling en die dezelfde redenen bevatten voor plaatsing als die welke in het onderhavige arrest tot nietigverklaring onwettig zijn bevonden en die op dezelfde bewijzen zouden zijn gebaseerd (zie naar analogie arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punt 31), evenals voor besluit 2019/870, waarvan de datum van inwerkingtreding dezelfde is als die van de bestreden handeling, op voorwaarde dat het dezelfde redenen bevat als die welke in het onderhavige arrest tot nietigverklaring onwettig zijn verklaard en dat het op dezelfde bewijzen is gebaseerd. [omissis]

HET GERECHT (Vierde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/855 van de Raad van 27 mei 2019 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran wordt nietig verklaard voor zover die betrekking heeft op Sayed Shamsuddin Borborudi.

2) De Raad wordt verwezen in de kosten.

Gervasoni Madise Martín y Pérez de Nanclares Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 9 juni 2021. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Engels.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in