Gerecht EU 20 september 2019, T-125/17, ECLI:EU:T:2019:638

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

20 september 2019 ( *1 )

„REACH – Beoordeling van stoffen – Triclosan – Besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht – Artikel 51, lid 6, van verordening (EG) nr. 1907/2006 – Beroep ingesteld bij de kamer van beroep – Opdracht van de kamer van beroep – Procedure op tegenspraak – Toetsingsomvang – Toetsingsintensiteit – Bevoegdheden van de kamer van beroep – Artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 – Artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 – Relevante informatie – Evenredigheid – Artikel 25 van verordening nr. 1907/2006 – Bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 – Onder relevante omstandigheden verkregen gegevens – Persistentie – Neurotoxiciteit – Reprotoxiciteit – Artikel 12, lid 1, van verordening (EG) nr. 771/2008 – Vertraging bij de indiening van een wetenschappelijk advies”

In zaak T‑125/17,

BASF Grenzach GmbH, gevestigd te Grenzach-Wyhlen (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Nordlander en M. Abenhaïm, advocaten, vervolgens door K. Nordlander en K. Le Croy, solicitor,

verzoekster,

tegen

Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Heikkilä, W. Broere en T. Röcke, vervolgens door M. Heikkilä, W. Broere en C. Jacquet als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door

Koninkrijk Denemarken, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Thorning en M. Wolff, vervolgens door M. Wolff, J. Nymann-Lindegren en P. Ngo als gemachtigden,

door

Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door T. Henze en D. Klebs, vervolgens door D. Klebs als gemachtigden,

en door

Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. Schillemans als gemachtigden,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van beslissing A-018‑2014 van de kamer van beroep van ECHA van 19 december 2016, voor zover daarbij verzoeksters beroep tegen het besluit van ECHA van 19 september 2014 waarbij om aanvullende informatie over de stof triclosan (CAS 3380‑34-5) wordt verzocht, gedeeltelijk is verworpen en de uiterste datum voor indiening van die informatie is vastgesteld op 26 december 2018,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: D. Gratsias, president, I. Labucka, S. Papasavvas, A. Dittrich (rapporteur) en I. Ulloa Rubio, rechters,

griffier: N. Schall, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 december 2018,

het navolgende

Arrest

I. Voorgeschiedenis van het geding en bestreden beslissing

1 Triclosan (CAS 3380‑34-5) is een breedspectrumantibioticum dat is goedgekeurd voor gebruik als conserverend middel in bepaalde soorten cosmetische producten. Het is uitsluitend voor cosmetisch gebruik geregistreerd overeenkomstig verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB 2006, L 396, blz. 1, met rectificatie in PB 2007, L 136, blz. 3).

2 Verzoekster, BASF Grenzach GmbH, fabrikant van triclosan, is de enige registrant van die stof in de zin van artikel 3, punt 7, van verordening nr. 1907/2006.

3 In 2012 is triclosan opgenomen in het voortschrijdend communautair actieplan voor de beoordelingen in de zin van artikel 44 van verordening nr. 1907/2006, aangezien er redenen tot ongerustheid waren met betrekking tot de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen alsmede de mogelijke hormoonontregelende effecten van deze stof.

4 Krachtens artikel 45 van verordening nr. 1907/2006 is de bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden aangewezen om triclosan te beoordelen in samenwerking met de bevoegde instantie van het Koninkrijk Denemarken. Overeenkomstig artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 hebben die instanties samen een ontwerpbesluit ten aanzien van verzoekster opgesteld dat voorzag in verzoeken om aanvullende informatie over triclosan.

5 Op 20 maart 2013 is verzoekster overeenkomstig artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 op de hoogte gesteld van het ontwerpbesluit.

6 Op 23 april 2013 heeft verzoekster opmerkingen over het ontwerpbesluit ingediend.

7 De bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden heeft verzoeksters opmerkingen in aanmerking genomen en heeft het ontwerpbesluit overeenkomstig artikel 50, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 herzien.

8 Op 6 maart 2014 zijn het herziene ontwerpbesluit en verzoeksters opmerkingen overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 meegedeeld aan de bevoegde instanties van de andere lidstaten en aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

9 Vier bevoegde instanties van die andere lidstaten en ECHA hebben wijzigingsvoorstellen ingediend krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

10 Na die voorstellen te hebben onderzocht, heeft de bevoegde instantie van het Koninkrijk der Nederlanden het ontwerpbesluit gewijzigd krachtens artikel 51, lid 4, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

11 Op 22 april 2014 is het gewijzigde ontwerpbesluit voorgelegd aan het Comité lidstaten overeenkomstig artikel 51, lid 4, tweede volzin, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

12 Verzoekster heeft over die wijzigingsvoorstellen opmerkingen gemaakt waarmee het Comité lidstaten rekening heeft gehouden (artikel 51, lid 5, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening).

13 Op 12 juni 2014 heeft het Comité lidstaten krachtens artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, met eenparigheid van stemmen overeenstemming bereikt over het gewijzigde ontwerpbesluit.

14 Op 19 september 2014 heeft ECHA besluit SEV-D-2114285478‑33-01/F inzake de beoordeling van triclosan (hierna: „besluit van ECHA”) vastgesteld op basis van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Bij dat besluit heeft het verzoekster verzocht met name de volgende informatie over te leggen: – een simulatietest met betrekking tot de uiteindelijke afbraak van triclosan in oppervlaktewater (meer of rivier) en in zeewater, die als pelagische test wordt uitgevoerd, dat wil zeggen uitsluitend in water, zonder gesuspendeerd sediment, bij een geschikte omgevingstemperatuur van hoogstens 12 graden Celsius, volgens testmethode C.25 van de Europese Unie en richtsnoeren 309 van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor het testen van chemische stoffen (hierna: „persistentietest”); – een uitgebreid onderzoek naar neurotoxiciteit bij de ontwikkeling, volgens OESO-richtsnoeren 426 voor het testen van chemische stoffen, rekening houdend met de relevante gegevens van het uitgebreide onderzoek naar reprotoxiciteit over één generatie, volgens OESO-richtsnoeren 443 voor het testen van chemische stoffen, dat proeven met ratten inhoudt (hierna: „uitgebreid neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat”); – een test met betrekking tot de geslachtelijke ontwikkeling bij vissen, volgens richtsnoeren 234 van de OESO voor het testen van chemische stoffen, op de zebravis of het Japanse rijstvisje (hierna: „vistest”).

15 Bij zijn besluit heeft ECHA verzoekster eveneens verzocht de beschikbare informatie over te leggen met betrekking tot de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem van bepaalde laboratoriumdieren en de mens, alsmede nadere gegevens over een scenario van schadelijke emissies van het type „gebruik binnenshuis met verspreiding op grote schaal van stoffen in open systemen”.

16 Bij het besluit van ECHA is de uiterste datum voor indiening van de gevraagde informatie vastgesteld op 26 september 2016.

17 Op 17 december 2014 heeft verzoekster krachtens artikel 51, lid 8, van verordening nr. 1907/2006, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, en artikel 91, lid 1, van die verordening, tegen het besluit van ECHA beroep ingesteld bij de kamer van beroep van dat agentschap.

18 Overeenkomstig artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 had het beroep tegen het besluit van ECHA schorsende werking.

19 Op 2 april 2015 heeft ECHA zijn verweerschrift bij de kamer van beroep ingediend.

20 Op 6 oktober 2015 heeft PETA International Science Consortium Ltd toelating gekregen om bij de kamer van beroep te interveniëren aan de zijde van verzoekster.

21 Op 12 januari 2016 heeft PETA International Science Consortium haar memorie in interventie bij de kamer van beroep ingediend. Op 22 februari 2016 hebben ECHA en verzoekster hun opmerkingen over die memorie ingediend. Verzoekster heeft bij haar opmerkingen een deskundigenadvies gevoegd.

22 Op 9 juni 2016 heeft een terechtzitting voor de kamer van beroep plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft ECHA drie studies overgelegd ter betwisting van het deskundigenadvies dat verzoekster in het kader van haar opmerkingen over de memorie in interventie had ingediend. Die kamer heeft partijen de gelegenheid gegeven om na de terechtzitting hun opmerkingen in te dienen over dat advies en de drie door ECHA overgelegde studies.

23 Op 19 december 2016 heeft de kamer van beroep beslissing A-018‑2014 (hierna: „bestreden beslissing”) gegeven. Bij die beslissing heeft zij het besluit van ECHA nietig verklaard, voor zover ECHA verzoekster had verplicht informatie te verstrekken met betrekking tot de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem (zie punt 15 hierboven), en het beroep verworpen voor het overige. Voorts heeft zij de termijn voor overlegging van de in punt 14 hierboven vermelde informatie vastgesteld op 26 december 2018.

II. Procedure bij het Gerecht en conclusies van partijen

24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 februari 2017, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

25 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op diezelfde dag, heeft verzoekster een verzoek in kort geding ingediend waarbij zij de president van het Gerecht verzocht de onmiddellijke opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te gelasten in afwachting van een beslissing over het verzoek om voorlopige maatregelen, de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing op te schorten voor zover zij de persistentietest, het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat en de vistest betreft, en dienovereenkomstig voor de duur van de opschorting een termijnverlenging te gelasten voor de mededeling van de resultaten van de tests en het onderzoek. Het verzoek in kort geding is afgewezen bij beschikking van 13 juli 2017, BASF Grenzach/ECHA (T‑125/17 R, niet gepubliceerd, EU:T:2017:496), op grond dat verzoekster het spoedeisend karakter niet had aangetoond, en de kosten voor die procedure zijn aangehouden. De tegen die beschikking ingestelde hogere voorziening is afgewezen bij beschikking van 28 mei 2018, BASF Grenzach/ECHA [C‑565/17 P(R), niet gepubliceerd, EU:C:2018:340].

26 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 april 2017, heeft PETA International Science Consortium verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van verzoekster. Bij beschikking van 12 december 2017, BASF Grenzach/ECHA (T‑125/17, niet gepubliceerd, EU:T:2017:931), is dat verzoek afgewezen.

27 Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht respectievelijk op 16, 18 en 31 mei 2017, hebben de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken verzocht om in de onderhavige procedure te mogen interveniëren aan de zijde van ECHA. Bij beslissingen van de kamerpresident van 21 juni 2017 zijn die lidstaten toegelaten tot interventie.

28 Op 1 juni 2017 heeft het ECHA zijn verweerschrift ingediend.

29 Op 20 juli 2017 heeft verzoekster haar repliek ingediend.

30 Op 7 september 2017 heeft ECHA zijn dupliek ingediend.

31 Op 1 september 2017 hebben het Koninkrijk Denemarken en het Koninkrijk der Nederlanden hun memories in interventie neergelegd. Op 4 september 2017 heeft de Bondsrepubliek Duitsland haar memorie in interventie neergelegd. Op 31 oktober 2017 hebben ECHA en verzoekster hun opmerkingen over die memories ingediend.

32 Op voorstel van de Tweede kamer heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 28 van zijn Reglement voor de procesvoering de zaak naar een uitgebreide kamer verwezen.

33 Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en, in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde maatregelen tot organisatie van de procesgang, schriftelijke vragen te stellen aan ECHA en dat agentschap te verzoeken het administratieve dossier over te leggen. ECHA heeft binnen de gestelde termijn op die vragen geantwoord en aan dat verzoek voldaan.

34 Verzoekster, ECHA, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland en het Koninkrijk der Nederlanden zijn ter terechtzitting van 12 december 2018 gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

35 In het kader van haar pleidooi heeft verzoekster het argument aangevoerd dat de verzoeken om informatie die onderzoeken inhielden waarbij proeven met dieren moesten worden uitgevoerd, niet in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel, omdat de uitvoering van die onderzoeken op grond van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende cosmetische producten (PB 2009, L 342, blz. 59) een verbod zou kunnen meebrengen op het in de handel brengen van de producten waarin triclosan wordt gebruikt.

36 Ter terechtzitting heeft ECHA afgezien van een deel van de argumenten die het tegen het eerste middel van het beroep had aangevoerd.

37 Verzoekster verzoekt het Gerecht: – de bestreden beslissing nietig te verklaren voor zover de kamer van beroep het beroep tegen het besluit van ECHA gedeeltelijk heeft verworpen en de uiterste datum voor het indienen van aanvullende informatie over de stof triclosan heeft vastgesteld op 26 december 2018; – ECHA en interveniënten te verwijzen in hun eigen kosten en in verzoeksters kosten.

38 ECHA en het Koninkrijk der Nederlanden verzoeken het Gerecht: – het beroep te verwerpen; – verzoekster te verwijzen in de kosten.

39 Het Koninkrijk Denemarken en de Bondsrepubliek Duitsland verzoeken het Gerecht het beroep te verwerpen.

III. In rechte

40 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep in de eerste plaats de middelen onderzocht die verzoekster in het kader van haar beroep bij de kamer van beroep had ontwikkeld met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, in de tweede plaats die met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, in de derde plaats die met betrekking tot het verzoek tot uitvoering van de vistest, en in de vierde plaats die met betrekking tot het verzoek tot overlegging van de beschikbare informatie over de effecten van triclosan op het cardiovasculaire systeem.

41 Ter ondersteuning van het onderhavige beroep voert verzoekster twee middelen aan.

42 Met het eerste middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep wezenlijke vormvoorschriften heeft geschonden. Dat middel bestaat uit twee onderdelen: 1) die kamer heeft het besluit van ECHA ontoereikend onderzocht en 2) de kamer van beroep heeft nagelaten cruciale wetenschappelijke studies en dossiers te onderzoeken die deel uitmaakten van het dossier van ECHA en die verzoekster haar had toegezonden.

43 Met het tweede middel wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met het dierenwelzijn en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Het middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste betreft het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat, het tweede het verzoek tot uitvoering van de vistest en het derde het verzoek tot uitvoering van de persistentietest.

44 Verzoeksters argumenten zullen worden onderzocht in de volgorde van de overwegingen in de bestreden beslissing waarop zij betrekking hebben. Derhalve zullen in de eerste plaats de in het kader van het eerste middel en het derde onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest. In de tweede plaats zullen de in het kader van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van dat beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat. In de derde plaats zullen de in het kader van het eerste middel en het tweede onderdeel van het tweede middel aangevoerde argumenten worden onderzocht die zien op de verwerping van dat beroep voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de vistest.

45 In de vierde plaats zal het in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel aangevoerde argument worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in het geheel van de bestreden beslissing geen samenhangende toetsing heeft verricht. In de vijfde plaats zal het in het kader van het eerste middel aangevoerde argument worden onderzocht ontleend aan schending van verzoeksters rechten van verdediging. In de zesde plaats ten slotte zal worden rekening gehouden met het argument inzake de bepalingen van verordening nr. 1223/2009 dat verzoekster in het kader van haar pleidooi ter terechtzitting heeft aangevoerd (punt 35 hierboven).

A. Argumenten met betrekking tot de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest

46 In zijn besluit heeft ECHA verzoekster verzocht om de persistentietest uit te voeren. Volgens de vaststellingen in dat besluit was dat verzoek tot overlegging van aanvullende informatie over triclosan gerechtvaardigd door het feit dat er een potentieel risico bestond dat triclosan persistent was in het mariene of zoetwatermilieu, dat die vraag moest worden opgehelderd, dat het niet mogelijk was om die vraag op basis van de beschikbare informatie op te helderen en dat met de persistentietest ter zake nuttige informatie kon worden verkregen.

47 In het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA niet het recht had de uitvoering van de persistentietest te vragen. Dienaangaande heeft zij de volgende vijf middelen aangevoerd: 1) schending van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006; 2) schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van die verordening; 3), schending van artikel 130 van die verordening; 4) schending van het evenredigheidsbeginsel en, 5) schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, die in hun geheel zijn verworpen om de in de punten 28 tot en met 115 van de bestreden beslissing uiteengezette redenen.

48 In het kader van het onderhavige beroep komt verzoekster op tegen de overwegingen op basis waarvan de kamer van beroep het bij haar ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, heeft verworpen. In de eerste plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster de overwegingen ter discussie stelt op grond waarvan die kamer het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep, namelijk schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, heeft afgewezen. In de tweede plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster de overwegingen ter discussie stelt op grond waarvan die kamer het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep, namelijk schending van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006, heeft verworpen. In de derde plaats zullen de argumenten worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de Canadese instanties tot de conclusie zijn gekomen dat triclosan noch persistente noch bioaccumulerende eigenschappen vertoont.

1. Argumenten ter betwisting van de verwerping door de kamer van beroep van het tweede middel van het bij haar ingestelde beroep

49 In het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden. In die context heeft zij met name aangevoerd dat ECHA geen rekening had gehouden met relevante informatie waaruit bleek dat triclosan grotendeels uit het afvoerwater van zuiveringsinstallaties werd geëlimineerd, niet alleen vanwege de absorptie ervan, maar ook vanwege de mineralisatie ervan. Die stof wordt snel uit de waterige fase geëlimineerd en opgenomen in sediment, hetgeen pleit voor een relatief hoog eliminatiepotentieel in het aquatische compartiment. In het kader van dat middel heeft verzoekster eveneens argumenten aangevoerd inzake de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare gegevens.

50 In de punten 57 tot en met 65 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht.

51 Om te beginnen heeft de kamer van beroep in punt 58 van de bestreden beslissing uiteengezet dat ECHA krachtens artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 weliswaar alle relevante informatie in aanmerking moest nemen die over die stof werd ingediend, maar dat dit niet betekende dat dit agentschap noodzakelijkerwijze tot dezelfde vaststellingen zou komen als verzoekster.

52 In de punten 59 tot en met 61 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep met betrekking tot, ten eerste, verzoeksters argument dat ECHA geen rekening had gehouden met informatie waaruit bleek dat triclosan door de zuiveringsinstallaties grotendeels uit het afvalwater werd geëlimineerd, opgemerkt dat, hoewel tricoslan volgens de vaststellingen in het besluit van ECHA door de zuiveringsinstallaties grotendeels uit het afvalwater werd geëlimineerd, dat niet het geval was voor de volledige stof, die in bepaalde zoete oppervlaktewateren alomtegenwoordig leek te zijn en waarvan de concentratieniveaus in het mariene milieu relatief hoog bleven. Zij is tot de slotsom gekomen dat, anders dan verzoekster stelde, rekening was gehouden met de relevante informatie, maar dat in het besluit van ECHA uit die informatie een andere conclusie was getrokken dan die welke verzoekster voorstond.

53 Ten tweede heeft de kamer van beroep met betrekking tot verzoeksters argument dat ECHA niet in aanmerking had genomen dat triclosan zich snel met het gesuspendeerd sediment verbond en dus grotendeels uit de waterige fase werd geëlimineerd, in de punten 62 en 63 van de bestreden beslissing erop gewezen dat het opmerkingen met betrekking tot de verspreiding van triclosan betrof die reeds waren gemaakt tijdens de procedure bij ECHA en dat in het besluit van dat agentschap reeds expliciet en uitputtend op die opmerkingen was geantwoord. In punt 64 van de bestreden beslissing heeft zij in antwoord op verzoeksters argument dat op de vraag of triclosan al dan niet persistent was, had moeten worden gereageerd door de bewijskracht van de beschikbare gegevens te bepalen, opgemerkt dat de bepaling van de bewijskracht overeenkomstig bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 kon worden gebruikt om de vereiste standaardinformatie aan te passen met het oog op de registratie. Zelfs indien een dergelijke benadering werd gevolgd met het oog op de registratie van een stof, kan volgens haar in het kader van de beoordeling van die stof evenwel worden verzocht om aanvullende informatie om te verduidelijken of er ter zake bezorgdheid bestaat, mits ECHA zijn beoordelingsbevoegdheid correct heeft uitgeoefend door met name alle relevante informatie die over de betrokken stof was ingediend in aanmerking te nemen.

54 Verzoekster betwist die opvattingen en voert daartoe om te beginnen aan dat de kamer van beroep haar opdracht in het kader van een bij haar ingesteld beroep heeft veronachtzaamd, ten tweede, dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met het feit dat bij de beoordeling van stoffen de bewijskracht van de beschikbare informatie dient te worden bepaald, en ten slotte, ten derde, dat de intensiteit van de toetsing door die kamer ontoereikend was.

a) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep haar opdracht in het kader van een beroep bij haar heeft veronachtzaamd

55 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing haar toetsingsopdracht heeft veronachtzaamd. Zij betoogt dat die kamer zich heeft beperkt tot een rechtmatigheidstoetsing van het besluit van ECHA, die beperkt was tot de toetsing van de kennelijke beoordelingsfout. In het bijzonder heeft zij geweigerd de door verzoekster aangevoerde wetenschappelijke gegevens te onderzoeken en rekening te houden met de relevantie ervan. Volgens haar had die kamer zelf een volledig administratief onderzoek moeten verrichten. Een dergelijk onderzoek had niet alleen ingehouden dat het besluit van ECHA wordt getoetst vanuit juridisch oogpunt, maar eveneens dat de aan het besluit ten grondslag liggende wetenschappelijke beoordelingen opnieuw worden onderzocht, rekening houdend met de meest relevante gegevens en, in voorkomend geval, met gegevens die in de loop van de beroepsprocedure aan het licht zijn gekomen. Voorts was die kamer, die elke bevoegdheid kan uitoefenen die binnen de competentie van ECHA valt, volgens verzoekster verplicht om overeenkomstig het beginsel van functionele continuïteit te onderzoeken of op het tijdstip waarop zij uitspraak heeft gedaan op het beroep, een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit van ECHA rechtsgeldig kon worden vastgesteld in het licht van alle relevante gegevens, zowel feitelijk als rechtens. Bij een dergelijk onderzoek is de betrokken kamer onderworpen aan dezelfde materiële verplichtingen en dezelfde bewijslast als die waaraan ECHA was onderworpen in het kader van zijn onderzoek. Het door de kamer van beroep verrichte onderzoek had dus eveneens moeten zijn gebaseerd op de gegevens die tijdens de procedure bij haar waren overgelegd.

56 Ter ondersteuning van haar betoog voert verzoekster ten eerste aan dat de kamer van beroep krachtens artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 deel uitmaakt van ECHA. Ten tweede is de bestaansreden van het mechanisme voor interne toetsing het garanderen van de wetenschappelijke kwaliteit en de rechtmatigheid van de besluiten van ECHA in het licht van de verordening. Ten derde heeft die kamer als opdracht het beroep zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te onderzoeken. Ten vierde stelt een dergelijke benadering die kamer in staat alle relevante aspecten van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken aan de hand van de meest relevante wetenschappelijke gegevens en met toepassing van de beginselen van uitmuntendheid, onafhankelijkheid en transparantie. Ten vijfde beschikt die kamer over dezelfde onderzoeksmogelijkheden als de kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO). Overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 771/2008 van de Commissie van 1 augustus 2008 tot vaststelling van de regels inzake de organisatie en de procesvoering van de kamer van beroep van ECHA (PB 2008, L 206, blz. 5), is die kamer bevoegd om rekening te houden met de wetenschappelijke gegevens en middelen die dateren van na het besluit van ECHA. Daardoor kan zij haar onderzoek aanpassen en rekening houden met de meest recente wetenschappelijke studies terzake. Ten zesde zijn beroepen tegen besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van stoffen om aanvullende informatie wordt verzocht, onderworpen aan dezelfde regels als beroepen tegen andere besluiten van ECHA. Ten zevende kan de kamer van beroep krachtens artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 en het beginsel van functionele continuïteit elke bevoegdheid uitoefenen die binnen de competentie van ECHA valt. Zij had het besluit van ECHA dus kunnen wijzigen of vervangen door haar eigen beslissing. Ten achtste hebben de beroepen voor de kamer van beroep schorsende werking. Ten negende doet de in de bestreden beslissing gevolgde benadering een leemte ontstaan in het besluitvormingsproces die de Uniewetgever en -rechter hebben willen vermijden.

57 ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

58 Alvorens te antwoorden op verzoeksters argumenten, dient om te beginnen de omvang en de intensiteit van de toetsing te worden onderzocht die de kamer van beroep moet verrichten ten aanzien van de besluiten van ECHA, en in het bijzonder ten aanzien van de besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van stoffen om aanvullende informatie wordt verzocht.

1) Omvang en intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep

i) Toetsingsomvang

59 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat in geen enkele bepaling van verordening nr. 1907/2006, noch van verordening nr. 771/2008 uitdrukkelijk staat te lezen dat de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep tegen een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, een onderzoek „de novo” verricht zoals verzoekster dat voor ogen heeft, dat wil zeggen een onderzoek van de vraag of, op het tijdstip waarop zij uitspraak doet op het beroep, een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, rechtsgeldig kan worden vastgesteld, in het licht van alle relevante elementen, feitelijk en rechtens, met name wetenschappelijke kwesties.

60 Integendeel, uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en verordening nr. 771/2008 blijkt dat de kamer van beroep zich in het kader van een dergelijk beroep beperkt tot het onderzoek of de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten aantonen dat het litigieuze besluit onjuist is.

61 In de eerste plaats dient immers te worden opgemerkt dat de procedure bij de kamer van beroep een procedure op tegenspraak is.

62 Artikel 93, lid 4, van verordening nr. 1907/2006 bepaalt dat de procedureregels van de kamer van beroep door de Europese Commissie worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 133, lid 4, van die verordening. Derhalve wordt de procedure bij die kamer geregeld door de regels van verordening nr. 771/2008.

63 Wat de regels inzake procedures voor de kamer van beroep betreft, dient in het bijzonder te worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e) en f), van verordening nr. 771/2008 het beroepschrift de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, moet bevatten, en zo nodig, de bewijsaanbiedingen en een verklaring waarin de feiten waarvoor het bewijs wordt aangeboden, worden uiteengezet. Overeenkomstig artikel 7, lid 1 en lid 2, onder b) en c), van die verordening moet ECHA een verweerschrift overleggen dat aan dezelfde eisen voldoet. Ten slotte bepaalt artikel 12 van die verordening, met als opschrift „Onderzoek van het beroep”, in de leden 1 en 2, dat de partijen na de eerste memoriewisseling geen verdere bewijzen mogen inbrengen, tenzij de vertraging naar behoren is gemotiveerd, en geen nieuwe middelen mogen voordragen, tenzij de kamer van beroep beslist dat die middelen zijn gebaseerd op feiten en omstandigheden, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van het geding is gebleken.

64 De in verordening nr. 771/2008 neergelegde procedureregels voorzien dus in de organisatie, voor de kamer van beroep, van een tegensprekelijk debat tussen de verzoekende partij die opkomt tegen een besluit van ECHA, en dat agentschap als verwerende partij, op grond van middelen, argumenten en bewijzen die in beginsel tijdens de eerste memoriewisseling zijn aangevoerd. Die bepalingen van voormelde verordening zijn algemene bepalingen die van toepassing zijn op alle beslissingen van de kamer van beroep, ongeacht de aard van het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen.

65 Bij wijze van tussentijdse conclusie dient derhalve te worden vastgesteld dat het voorwerp van de procedure bij de kamer van beroep van ECHA wordt afgebakend door de middelen die de verzoekende partij in het kader van het bij die kamer ingestelde beroep heeft aangevoerd. In het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van een dergelijk beroep onderzoekt die kamer dus alleen of de verzoekende partij met haar middelen kan aantonen dat het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, blijk geeft van een fout, en welke middelen ambtshalve dienen te worden aangevoerd.

66 Aan het tegensprekelijke karakter van de procedure bij de kamer van beroep wordt niet afgedaan door artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, dat bepaalt dat de kamer van beroep elke bevoegdheid kan uitoefenen die binnen de competentie van het agentschap valt, of de zaak voor verdere behandeling kan doorverwijzen naar het bevoegde orgaan van het agentschap. In die bepaling worden immers uitsluitend de bevoegdheden geregeld waarover de kamer van beroep beschikt na te hebben vastgesteld dat het beroep bij haar gegrond was. Daarentegen wordt daarin niet geregeld wat de omvang is van de toetsing die de kamer van beroep ten aanzien van de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep verricht.

67 Voorts kan uit het feit dat de kamer van beroep overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 deel uitmaakt van ECHA en dat de bepalingen waarop ECHA zich baseert wanneer het in eerste aanleg uitspraak doet, verwijzen naar het „agentschap”, niet worden afgeleid dat die kamer verplicht zou zijn dezelfde procedure met toepassing van dezelfde procedureregels te volgen als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

68 Uit de opzet van verordening nr. 1907/2006 blijkt immers dat de procedureregels die zijn gericht tot het „agentschap”, die van toepassing zijn op ECHA wanneer het een besluit vaststelt in eerste aanleg, niet bedoeld zijn om rechtstreeks van toepassing te zijn op de kamer van beroep.

69 Zoals blijkt uit het voorbeeld van de procedureregels voor de vaststelling van een besluit waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, zou een rechtstreekse toepassing van die procedureregels op de kamer van beroep leiden tot resultaten die indruisen tegen de door verordening nr. 1907/2006 nagestreefde doelstellingen.

70 In die context dient er immers aan te worden herinnerd dat een bevoegde instantie van een lidstaat die is aangewezen met het oog op de uitvoering van de beoordelingsprocedure met betrekking tot een stof die vanwege bezorgdheid over de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van die stof in het communautaire voortschrijdende actieplan is vermeld (hierna: „aangewezen instantie”), krachtens artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 een ontwerpbesluit opstelt binnen twaalf maanden na publicatie van het communautaire voortschrijdende actieplan op de website van ECHA voor de stoffen die dat jaar zullen worden beoordeeld, wanneer zij van mening is dat aanvullende informatie nodig is. Het besluit wordt dan vastgesteld volgens de in de artikelen 50 en 52 van die verordening opgenomen procedure.

71 Artikel 50 van verordening nr. 1907/2006 regelt de rechten van de registranten en downstreamgebruikers. Volgens lid 1 van dat artikel stelt ECHA de betrokken registranten of downstreamgebruikers op de hoogte van het ontwerpbesluit. Indien de betrokken registranten of downstreamgebruikers opmerkingen wensen te maken, dienen zij die bij ECHA in binnen 30 dagen na ontvangst. Het agentschap stelt vervolgens onverwijld de aangewezen instantie op de hoogte van de indiening van de opmerkingen. Die instantie neemt alle ontvangen opmerkingen in aanmerking en kan het ontwerpbesluit dienovereenkomstig wijzigen.

72 Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 zendt de aangewezen instantie haar ontwerpbesluit, met de eventuele opmerkingen van de registrant of downstreamgebruiker, toe aan ECHA en de bevoegde instanties van de lidstaten.

73 Volgens artikel 52, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 zijn de bepalingen van artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, betreffende het besluitvormingsproces voor de dossierbeoordeling, van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht.

74 Krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 kunnen de lidstaten wijzigingen van het ontwerpbesluit voorstellen binnen 30 dagen na de mededeling. Indien geen enkel wijzigingsvoorstel wordt toegezonden aan de aangewezen instantie, neemt ECHA overeenkomstig artikel 51, lid 3, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, het besluit in de versie zoals het is meegedeeld.

75 Wanneer de aangewezen instantie wijzigingsvoorstellen ontvangt, kan zij het ontwerpbesluit wijzigen overeenkomstig artikel 51, lid 4, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening. Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van 30 dagen voor indiening van de opmerkingen legt die instantie overeenkomstig artikel 51, lid 4, tweede volzin, van die verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, een ontwerpbesluit, alsmede de eventueel voorgestelde wijzigingen, voor aan het Comité lidstaten en ECHA. Overeenkomstig artikel 51, lid 5, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, zendt zij het eveneens toe aan de betrokken registranten en downstreamgebruikers, die hun opmerkingen kunnen maken. Indien het Comité lidstaten binnen 60 dagen na de voorlegging van het ontwerpbesluit met eenparigheid van stemmen overeenstemming erover bereikt, stelt ECHA overeenkomstig artikel 51, lid 6, van de betrokken verordening, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, zijn besluit dienovereenkomstig vast.

76 Indien het Comité lidstaten daarentegen niet tot overeenstemming met eenparigheid van stemmen komt, stelt de Commissie krachtens artikel 51, lid 7, van verordening nr. 1907/2006, zoals dat van toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, een ontwerpbesluit op dat volgens de in artikel 133, lid 3, van die verordening bedoelde procedure wordt aangenomen.

77 Indien in het kader van een beroep tegen een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, de kamer van beroep verplicht zou zijn, omdat zij deel uitmaakt van het „agentschap”, om dezelfde procedure te volgen als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, zou dat dus inhouden dat die kamer slechts een beslissing kan geven indien in het Comité lidstaten voorafgaand overeenstemming met eenparigheid van stemmen is bereikt in de zin van artikel 51, lid 6, van verordening nr. 1907/2006.

78 Een dergelijke benadering zou evenwel niet stroken met de doelstelling van de wetgever om een toetsing door de kamer van beroep mogelijk te maken ten aanzien van besluiten waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof.

79 Soortgelijke overwegingen gelden voor de procedure voor de aanneming van besluiten op grond van de dossierbeoordeling, in het kader waarvan artikel 51 van verordening nr. 1907/2006 rechtstreeks van toepassing is.

80 In die context dient eveneens te worden opgemerkt dat, anders dan is vastgesteld voor de kamers van beroep van andere agentschappen, zoals de kamer van beroep van het EUIPO, de regels die gelden voor de kamer van beroep van ECHA geen bepaling bevatten volgens welke de procedureregels bij de instantie die het besluit heeft vastgesteld waartegen beroep is ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures (inzake de voor de kamer van beroep van het EUIPO geldende regels, zie punt 96 hieronder).

81 In de tweede plaats en hoe dan ook dient te worden opgemerkt dat een beroep bij de kamer van beroep tegen een besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, alleen mag gericht zijn op het onderzoek of met de door verzoekster overgelegde gegevens kan worden aangetoond dat dit besluit onjuist is.

82 Een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, wordt immers vastgesteld op grond van artikel 46, lid 1, van verordening nr. 1907/2006, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 2 van titel VI, waarin het gaat over stoffenbeoordelingen, alsmede van artikel 50, lid 1, artikel 52 en artikel 51, leden 2 tot en met 6, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening.

83 Zoals blijkt uit de artikelen 44 tot en met 48 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in het licht van overwegingen 66 tot en met 68 van die verordening, is de stoffenbeoordelingsprocedure, die het kader vormt voor de vaststelling van een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in het kader van de beoordeling van een stof, erop gericht een nadere beoordeling te verrichten van stoffen die worden geacht prioritair te zijn in het licht van de risico’s die zij kunnen inhouden voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Een dergelijke beoordeling, die de aangewezen instantie verricht rekening houdend met het voorzorgsbeginsel (artikel 1, lid 3, tweede volzin, van die verordening), dient te worden toevertrouwd aan wetenschappelijke deskundigen.

84 Zoals blijkt uit artikel 46, lid 1, en artikel 52 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, wordt de procedure tot vaststelling van een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, ingeleid op basis van een door de aangewezen instantie opgesteld ontwerp indien die instantie van mening is dat aanvullende informatie noodzakelijk is. Zoals in punt 75 hierboven is uiteengezet, leidt dat voorstel tot een besluit van ECHA in geval van overeenkomst als bedoeld in artikel 51, lid 3 of 6, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op grond van artikel 52, lid 2, van die verordening, namelijk wanneer over het ontwerpbesluit geen enkele opmerking is gemaakt door de lidstaten of door ECHA, of, ingeval opmerkingen zijn gemaakt, wanneer in het Comité lidstaten overeenstemming met eenparigheid van stemmen is bereikt.

85 Een dergelijk besluit komt derhalve tot stand in een context van onzekerheid en is gebaseerd op wetenschappelijke beoordelingen van wetenschappelijke deskundigen die behoren tot de aangewezen instantie van een bepaalde lidstaat en de bevoegde instanties van de andere lidstaten. Evenwel dient te worden vastgesteld dat noch uit de bepalingen van verordening nr. 1907/2006, noch uit die van verordening nr. 771/2008 blijkt dat die wetenschappelijke beoordeling dient te worden overgedaan in het kader van de beroepsprocedure bij de kamer van beroep. Integendeel, zoals hierboven in de punten 68 tot en met 79 is uiteengezet, blijkt uit de opzet van de procedurele bepalingen voor de vaststelling van besluiten waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, dat de artikelen 46 en 50 tot en met 52 van verordening nr. 1907/2006 niet rechtstreeks van toepassing zijn op de procedure bij de kamer van beroep.

86 Derhalve kan een bij de kamer van beroep ingesteld beroep tegen een besluit van ECHA waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht, uitsluitend tot doel hebben te onderzoeken of op grond van de door verzoekster ingediende gegevens wordt aangetoond dat dit besluit onjuist is. In het kader van een dergelijk beroep kan de verzoekende partij zich dan ook niet beperken tot de stelling dat het resultaat van de beoordeling waarop dat besluit is gebaseerd anders had moeten zijn, maar dient zij argumenten aan te voeren ten bewijze dat de wetenschappelijke beoordeling waarop het betrokken besluit is gebaseerd, onjuist is.

ii) Toetsingsintensiteit

87 Wat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing betreft, zij eraan herinnerd dat de toetsing die de Unierechter in het kader van een beroep tot nietigverklaring verricht krachtens artikel 263 VWEU, inderdaad beperkt is wanneer zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten worden beoordeeld. Bij dat soort beoordelingen blijft de toetsing door de Unierechter met name beperkt tot de vraag of sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, dan wel of de instantie die de beslissing heeft genomen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie arrest van 21 juli 2011, Etimine, C‑15/10, EU:C:2011:504, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88 Die rechtspraak is evenwel niet van toepassing op de toetsing door de kamer van beroep van ECHA. Dienaangaande zij er met betrekking tot de leden van dat orgaan aan herinnerd dat volgens artikel 1, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 771/2008 ten minste één lid juridisch en ten minste één lid technisch gekwalificeerd is overeenkomstig verordening (EG) nr. 1238/2007 van de Commissie van 23 oktober 2007 tot vaststelling van regels voor de kwalificaties van de leden van de kamer van beroep van ECHA (PB 2007, L 280, blz. 10). Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van die laatste verordening moeten de technisch gekwalificeerde leden in het bezit zijn van een universitair diploma of een daarmee gelijkgesteld getuigschrift en ruime beroepservaring hebben op het gebied van risico- en blootstellingsbeoordeling of risicobeheersing met betrekking tot de gevaren van chemische stoffen voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, of op aanverwante gebieden. Uit die bepalingen dient te worden afgeleid dat de wetgever de kamer van beroep van ECHA heeft willen voorzien van de nodige deskundigheid zodat zij zelf zeer ingewikkelde wetenschappelijke feiten zou kunnen beoordelen.

89 Derhalve is de toetsing door de kamer van beroep ten aanzien van de wetenschappelijke beoordelingen in een besluit van ECHA niet beperkt tot de vraag of sprake is van kennelijke dwalingen. Integendeel, op basis van de juridische en wetenschappelijke competenties van haar leden moet de kamer van beroep dienaangaande nagaan of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat de overwegingen waarop dat besluit is gebaseerd, onjuist zijn.

2) Verzoeksters argumenten

90 Verzoeksters argumenten dienen te worden onderzocht in het licht van de voorgaande overwegingen inzake de omvang en de intensiteit van de toetsing door de kamer van beroep.

91 In de eerste plaats voert verzoekster aan dat ingevolge artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 sprake is van een functionele continuïteit tussen de kamer van beroep en ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, die vergelijkbaar is met die tussen de kamers van beroep van het EUIPO en de instanties van dat bureau, en dat vanwege die functionele continuïteit de kamer van beroep van ECHA in het kader van een bij haar ingesteld beroep tegen een besluit van dit agentschap alle vragen, met name de wetenschappelijke vragen, die aan bod komen in het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, moet onderwerpen aan een volledig nieuw onderzoek.

92 Dienaangaande dient ten eerste eraan te worden herinnerd dat de procedureregels tot vaststelling van een besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, zoals in de punten 60 tot en met 80 hierboven is uiteengezet, niet rechtstreeks toepasselijk zijn bij het onderzoek naar de gegrondheid van een beroep bij de kamer van beroep. Integendeel, die kamer past de in de verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 vastgestelde procedureregels toe die specifiek zijn bedoeld voor de bij haar ingeleide procedure, en onderzoekt in het kader van een procedure op tegenspraak dan ook enkel of dat besluit onjuist is. Zoals hierboven in de punten 81 tot en met 86 is uiteengezet, beperkt de kamer van beroep zich hoe dan ook tot een dergelijk onderzoek in het kader van een beroep tegen een besluit van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht in de context van de beoordeling van een stof.

93 Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, zoals in punt 66 hierboven is aangegeven, alleen de bevoegdheden regelt waarover de kamer van beroep beschikt na te hebben vastgesteld dat een bij haar ingesteld beroep gegrond is, en niet de omvang van de toetsing die deze kamer verricht ten aanzien van de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep.

94 Wat ten derde verzoeksters argumenten betreft inzake de rechtspraak met betrekking tot de kamers van beroep van het EUIPO, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de kamer van beroep van het EUIPO, wanneer bij haar beroep is ingesteld, inderdaad de vordering of het geschil dat bij de instantie in eerste aanleg aanhangig was, opnieuw volledig ten gronde dient te onderzoeken, zowel rechtens als feitelijk (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 57). Een kamer van beroep van het EUIPO kan zich dus niet beperken tot het onderzoek of, in het licht van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten, het besluit van de in eerste aanleg rechtsprekende instantie van het EUIPO onjuist was, maar dient te onderzoeken of een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen beroep bij haar is ingesteld, al dan niet rechtsgeldig kan worden vastgesteld op het ogenblik waarop zij op het beroep uitspraak doet. De omvang van het door de kamer van beroep te verrichten onderzoek van het besluit waartegen beroep is ingesteld, wordt in beginsel dan ook niet bepaald door de middelen die de insteller van het beroep heeft aangevoerd [arresten van 23 september 2003, Henkel/BHIM – LHS (UK) (KLEENCARE), T‑308/01, EU:T:2003:241, punten 26 en 29, en 16 maart 2005, L’Oréal/BHIM – Revlon (FLEXI AIR), T‑112/03, EU:T:2005:102, punt 36].

95 Anders dan verzoekster aanvoert, kan die rechtspraak evenwel niet worden toegepast op de kamer van beroep van ECHA. De aard en reikwijdte van het door de kamers van beroep van het EUIPO verrichte onderzoek zijn immers sterk afhankelijk van hun wettelijke en bestuursrechtelijke context, die sterk verschilt van die van de kamer van beroep van ECHA.

96 In die context dient om te beginnen worden opgemerkt dat volgens de opzet van het bij verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1) ingevoerde stelsel de bepalingen betreffende de procedure voor de instanties en afdelingen van het EUIPO van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures voor de kamer van beroep. Dat is het geval met de algemene regels van hoofdstuk IX, afdeling 1, van verordening 2017/1001 en in het bijzonder artikel 95 van die verordening, dat bepaalt dat het EUIPO ambtshalve de feiten onderzoekt, behalve in procedures inzake relatieve afwijzingsgronden en in nietigheidsprocedures op basis van artikel 59 van die verordening. Evenzo staat in artikel 48 van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) te lezen dat, tenzij anders is bepaald, de bepalingen inzake de procedures voor de instantie van het EUIPO die de beslissing heeft gegeven waartegen beroep is ingesteld, van overeenkomstige toepassing zijn op de beroepsprocedures.

97 Wat ECHA betreft, dient daarentegen niet alleen in herinnering te worden gebracht dat de bepalingen inzake de procedure tot vaststelling van de door dat agentschap in eerste aanleg genomen besluiten, zoals hierboven in de punten 68 tot en met 79 is uiteengezet, niet van toepassing zijn op de beroepsprocedure bij de kamer van beroep, maar eveneens dient te worden opgemerkt dat de op die kamer toepasselijke regels niet voorzien in een met artikel 48 van de gedelegeerde verordening 2018/625 vergelijkbaar voorschrift waarin wordt bepaald dat de procedureregels voor de vaststelling van een besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, van overeenkomstige toepassing zijn op procedures voor die kamer.

98 Voorts is het juist dat de in punt 94 hierboven aangehaalde rechtspraak betreffende de kamers van beroep van het EUIPO met name is gebaseerd op artikel 71, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001, volgens hetwelk die kamer hetzij de bevoegdheden kan uitoefenen van de instantie die de bestreden beslissing heeft genomen, hetzij de zaak voor verdere afdoening naar die instantie kan terugwijzen. Die bepaling bevat volgens die rechtspraak immers niet alleen een aanwijzing over de mogelijke inhoud van een beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO, maar ook over de omvang van haar onderzoek van de bestreden beslissing (arrest van 23 september 2003, KLEENCARE, T‑308/01, EU:T:2003:241, punt 24).

99 Anders dan verzoekster aanvoert, kan die rechtspraak evenwel niet worden toegepast op de kamer van beroep van ECHA op grond van het loutere feit dat de bewoordingen van artikel 71, lid 1, tweede volzin, van verordening 2017/1001 vergelijkbaar zijn met die van artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006.

100 In die context dient te worden opgemerkt dat de tweede volzin van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 wordt voorafgegaan door een eerste volzin, waaruit blijkt dat de kamer van beroep van het EUIPO de in de tweede volzin van dat lid bedoelde bevoegdheden uitoefent „[n]adat onderzocht is of het beroep [gegrond]” is. Volgens de bewoordingen ervan heeft artikel 71, lid 1, van die verordening dus betrekking op de vraag over welke bevoegdheden die kamer beschikt na te hebben vastgesteld dat het bij haar ingestelde beroep gegrond was.

101 Uit het regelgevend kader van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001 blijkt evenwel dat de bepalingen betreffende de procedure voor de instanties en afdelingen van het EUIPO in het kader van een procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO van toepassing zijn (zie punt 96 hierboven) en dat die kamer dus dient te onderzoeken of een nieuw besluit met hetzelfde dispositief als het besluit waartegen beroep bij haar is ingesteld, al dan niet rechtsgeldig kan worden vastgesteld op het ogenblik waarop zij op het beroep uitspraak doet. De in punt 98 hierboven vermelde rechtspraak dient dan ook te worden gelezen in het licht van het regelgevend kader van artikel 71, lid 1, van verordening 2017/1001. Uit die rechtspraak kan dan ook niet worden afgeleid dat artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006, dat deel uitmaakt van een ander regelgevend kader, aldus dient te worden uitgelegd dat alleen dat artikel de omvang van de toetsing bepaalt die de kamer van beroep van ECHA bij het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep moet verrichten.

102 Ten slotte dient eraan te worden herinnerd dat de aard van de opdrachten van het EUIPO en van de besluiten die dat bureau vaststelt, niet vergelijkbaar is met die van de opdrachten en besluiten van ECHA. Zoals blijkt uit overweging 27 van verordening 2017/1001, dient het EUIPO te zorgen voor de administratieve uitvoering op Unieniveau die het merkenrecht voor ieder individueel merk vereist. Zoals uit de overwegingen 40 en 41 van die verordening kan worden afgeleid, impliceert de administratieve uitvoering met name dat het EUIPO uitspraak doet op de aanvragen om inschrijving van een Uniemerk en op de door derden ingeleide procedures om zich te verzetten tegen een dergelijke inschrijving of daaraan een einde te maken. ECHA van zijn kant dient volgens overweging 15 van verordening nr. 1907/2006 als centraal orgaan te zorgen voor een doeltreffend beheer van de technische, administratieve en wetenschappelijke aspecten van het bij die verordening ingevoerde stelsel ter bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de risico’s verbonden aan het vervaardigen, het in omloop brengen en het gebruiken van chemische stoffen. In het bijzonder blijkt uit de overwegingen 16 tot en met 21 van die verordening dat één van de kernpunten van dat stelsel, dat ECHA dient uit te voeren, de verplichting is die op de fabrikanten en importeurs van chemische stoffen rust om alle relevante en beschikbare informatie over de gevaren van die stoffen te verstrekken en passende risicobeheersmaatregelen te bevorderen. De besluiten van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht sluiten aan bij die verplichtingen.

103 In het licht van die verschillen wordt een passende rechtsbescherming tegen dergelijke besluiten niet noodzakelijkerwijze gewaarborgd door de toetsing ervan door de kamer van beroep van ECHA te onderwerpen aan de vereisten die gelden voor de toetsing door de kamers van beroep van het EUIPO. Zoals kan worden afgeleid uit overweging 42 van verordening 2017/1001, kan het immers gerechtvaardigd zijn aan te nemen dat het, teneinde een effectieve en efficiënte behandeling te waarborgen van de vorderingen en geschillen waarvan het EUIPO kennis dient te nemen, aan de kamers van beroep van dat bureau staat om die vorderingen en geschillen opnieuw ten gronde te onderzoeken, en zich daarbij in de plaats te stellen van de instantie van het EUIPO die in eerste aanleg uitspraak doet. Wanneer daarentegen particulieren verplichtingen worden opgelegd op grond van een bestuursrechtelijk besluit, zoals een besluit van ECHA dat is gebaseerd op artikel 46, lid 1, en artikel 52 van verordening nr. 1907/2006, gelezen in samenhang met artikel 51, leden 2 tot en met 8, van die verordening, rechtvaardigt de rechtsbescherming die deze particulieren ten aanzien van dat besluit genieten, een dergelijke substitutie niet, maar vereist zij alleen dat de kamer van beroep nagaat of het betrokken besluit onjuist is.

104 In de tweede plaats dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep krachtens artikel 76, lid 1, onder h), van verordening nr. 1907/2006 integrerend deel uitmaakt van ECHA. Zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, kan het feit dat die kamer een orgaan van ECHA vormt en geen van dat agentschap losstaand orgaan, op zich immers niet afdoen aan de aard en de omvang van het onderzoek dat zij dient te verrichten, ongeacht de bepalingen waarbij de bevoegdheden van dat orgaan worden vastgesteld en de procedureregels waaraan het onderworpen is, de aard van de besluiten die aan zijn toetsing zijn onderworpen en de doelstellingen van rechtsbescherming waaraan het beantwoordt.

105 In de derde plaats dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep over onderzoeksmogelijkheden beschikt die haar in staat stellen een beslissing te nemen die is gebaseerd op een nieuw onderzoek, zowel feitelijk als rechtens, van de kwesties die ECHA behandelt wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

106 Ten eerste dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep over dezelfde onderzoeksmogelijkheden beschikt als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet. Dienaangaande kan worden volstaan met de opmerking dat, zoals blijkt uit de punten 59 tot en met 86 hierboven, in het licht van het tegensprekelijk karakter van de procedure bij die kamer en het feit dat de procedureregels die voor ECHA gelden wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, niet van toepassing zijn in het kader van het onderzoek naar de gegrondheid van het bij haar ingestelde beroep, niet kan worden geoordeeld dat die kamer over dezelfde onderzoeksmogelijkheden beschikt als ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet.

107 Ten tweede voert verzoekster aan dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008, op grond waarvan de kamer van beroep rekening kan houden met gegevens die voor het eerst zijn overgelegd in de loop van de beroepsprocedure, bevestigt dat die kamer verplicht is om zelf een nieuw onderzoek te verrichten van de wetenschappelijke beoordelingen die het verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen.

108 Die uitlegging van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 kan evenwel niet worden aanvaard.

109 Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 dient te worden gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, onder f), van die verordening. Overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder f), van die verordening moeten de bewijsaanbiedingen en de feiten waarvoor het bewijs wordt aangeboden, in beginsel reeds in het beroepschrift zijn opgenomen. Zoals blijkt uit een gezamenlijke lezing van artikel 6, lid 1, onder f), en artikel 12, lid 1, van de betrokken verordening, kunnen de partijen na de eerste memoriewisseling in beginsel geen verdere bewijzen overleggen. Een uitzondering is echter voorzien voor het geval dat de vertraging waarmee het nieuwe bewijsaanbod geschiedt, naar behoren is gemotiveerd. Artikel 12, lid 1, van die verordening regelt dus alleen, in welk geval in het kader van een procedure op tegenspraak voor de kamer van beroep, een bewijsaanbod dat nog niet in het beroepschrift was opgenomen, nog kan geschieden in een later stadium van die procedure.

110 Daarnaast dient te worden gepreciseerd dat artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 niet kan worden gelijkgesteld met een regel zoals artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001, betreffende het EUIPO, dat bepaalt dat dit „[b]ureau [...] geen rekening [hoeft] te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd”.

111 Artikel 95, lid 2, van verordening 2017/1001 maakt immers deel uit van de procedureregels die niet alleen gelden voor de instantie van het EUIPO die in eerste aanleg uitspraak doet, maar eveneens voor de kamer van beroep van dat bureau. Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 heeft daarentegen uitsluitend betrekking op de procedure bij de kamer van beroep en preciseert alleen maar in welk geval een bewijsaanbod dat niet in het beroepschrift is opgenomen, nog kan worden geacht ontvankelijk te zijn.

112 In het licht van de bewoordingen van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 en de context van die bepaling kan bijgevolg, anders dan verzoekster stelt, uit die bepaling niet worden afgeleid dat de kamer van beroep verplicht is om in het kader van een bij haar ingesteld beroep de wetenschappelijke beoordelingen die het verzoek om aanvullende informatie hebben gerechtvaardigd, opnieuw te onderzoeken.

113 Verzoeksters argument ontleend aan artikel 12, lid 1, van verordening nr. 771/2008 dient derhalve eveneens te worden afgewezen.

114 Ten derde dient te worden opgemerkt dat verzoeksters benadering volgens welke de kamer van beroep in het kader van een bij haar ingesteld beroep haar eigen onderzoek moet verrichten, hoe dan ook niet in overeenstemming is met de bepalingen van verordening nr. 1907/2006 en met de doelstellingen die met de bepalingen van die verordening inzake de stoffenbeoordeling worden nagestreefd.

115 Zoals blijkt uit de punten 81 tot en met 86 hierboven, wordt immers een besluit waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, in een context van onzekerheid over de gevaren die de betrokken stof vertoont, vastgesteld op basis van een door de aangewezen instantie van een lidstaat opgesteld ontwerpbesluit. Zoals hierboven in de punten 70 tot en met 76 is uiteengezet, wordt door de regels van verordening nr. 1907/2006 betreffende de procedure voor de vaststelling van een dergelijk besluit van ECHA een belangrijke rol toegekend aan de bevoegde instanties van de lidstaten. Die regels hebben tot doel de deskundigen van de lidstaten bij de besluitvorming te betrekken, teneinde de deskundigheid te benutten waarover de lidstaten beschikken met betrekking tot de verschillende wetenschappelijke vragen die bij de beoordeling van een stof rijzen. Zoals blijkt uit de betrokken bepalingen en uit overweging 67 van die verordening, is de voor de beoordeling van stoffen en dossiers vastgestelde procedure bovendien gebaseerd op het beginsel dat overeenstemming met eenparigheid van stemmen in het Comité lidstaten over de ontwerpbesluiten (of overeenstemming tussen de lidstaten en ECHA) de basis moet zijn van een efficiënt systeem dat strookt met het subsidiariteitsbeginsel. In die context zij eraan herinnerd dat bij gebreke van dergelijke overeenstemming dossierbeoordelingsbesluiten en stofbeoordelingsbesluiten krachtens artikel 51, lid 7, van die verordening, dat rechtstreeks van toepassing is op besluiten die worden vastgesteld op grond van de dossierbeoordeling, en artikel 52, lid 2, van die verordening, dat van overeenkomstige toepassing is op besluiten die worden vastgesteld in het kader van de beoordeling van stoffen, niet door ECHA maar door de Commissie moeten worden vastgesteld.

116 Verzoeksters benadering volgens welke de kamer van beroep middels een eigen onderzoek zelf de wetenschappelijke beoordelingen toetst waarop een verzoek om aanvullende informatie is gebaseerd, houdt evenwel onvoldoende rekening met de doelstellingen van die procedure. De benadering van de kamer van beroep volgens welke zij bij het onderzoek naar de gegrondheid van een bij haar ingesteld beroep alleen nagaat of de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, onjuist zijn in het licht van de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten, strookt met die doelstellingen.

117 Aan die slotsom wordt niet afgedaan door het feit dat, wanneer uit het onderzoek van de middelen die de verzoekende partij in het kader van de door verordening nr. 771/2008 vastgestelde procedure op tegenspraak aanvoert, blijkt dat een besluit van ECHA onjuist is, het overeenkomstig artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 aan de kamer van beroep staat om te beslissen of zij de zaak terugverwijst naar het bevoegde orgaan van dat agentschap dan wel zelf een definitieve beslissing geeft.

118 In het geval waarin het beroep bij de kamer van beroep gegrond is, wordt door artikel 93, lid 3, van verordening nr. 1907/2006 immers een beoordelingsbevoegdheid toegekend aan die kamer. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moet die kamer nagaan of zij op grond van de gegevens waarover zij na onderzoek van het beroep beschikt, zelf een beslissing kan nemen. Voorts moet zij rekening houden met de procedureregels voor de vaststelling van het besluit van ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet. Hoewel die procedure een belangrijke rol toekent aan bepaalde actoren, zoals de procedure voor de vaststelling van besluiten in het kader van de beoordeling van dossiers en stoffen dit doet aan de lidstaten en het Comité lidstaten, moet zij onderzoeken of de vaststelling van een definitieve beslissing door de kamer strookt met de door die verordening nagestreefde doelstellingen dan wel of het voor de naleving van de regels inzake de procedure bij ECHA wanneer dat agentschap in eerste aanleg uitspraak doet, en van de doelstellingen van die procedureregels, is vereist dat de zaak wordt terugverwezen naar het bevoegde orgaan van dat agentschap.

119 In het licht van de voorgaande overwegingen dienen verzoeksters argumenten inzake de onderzoeksmogelijkheden van de kamer van beroep te worden afgewezen.

120 In de vierde plaats voert verzoekster aan dat uit de praktijk van de kamer van beroep blijkt dat die kamer zichzelf beschouwt als een functioneel verlengstuk van ECHA dat in eerste aanleg uitspraak doet. Dienaangaande volstaat het op te merken dat de hierboven in de punten 59 tot en met 86 uiteengezette overwegingen rechtstreeks zijn gebaseerd op de toepasselijke bepalingen van verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 en dat daaraan dus geen afbreuk kan worden gedaan door de praktijk van die kamer van beroep.

121 In de vijfde plaats voert verzoekster aan dat verordeningen nr. 1907/2006 en nr. 771/2008 identieke regels bevatten voor de beroepen tegen alle in artikel 91, lid 1, van verordening nr. 1907/2006 vermelde besluiten van ECHA. Dienaangaande kan worden volstaan eraan te herinneren dat, zoals in punt 59 hierboven is uiteengezet, geen van de bepalingen van bovengenoemde verordeningen de kamer van beroep verplicht ten aanzien van een besluit van ECHA een onderzoek de novo te verrichten. Om de hierboven in de punten 81 tot en met 86 uiteengezette redenen bestaat die verplichting hoe dan ook niet voor besluiten waarbij in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie wordt verzocht.

122 In de zesde plaats voert verzoekster aan dat het doel van een beroep bij de kamer van beroep er niet in bestaat een beperkte toetsing van de rechtmatigheid van een besluit van ECHA te verrichten, die identiek is aan de door de rechterlijke instanties van de Unie verrichte toetsing.

123 Dat argument dient eveneens als irrelevant te worden afgewezen.

124 Zoals in de punten 87 tot en met 89 hierboven is uiteengezet, is de toetsing door de kamer van beroep ten aanzien van de beoordeling van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten intenser dan die van de toetsing door de Unierechter.

125 In de zevende plaats voert verzoekster aan dat ingevolge artikel 91, lid 2, van verordening nr. 1907/2006 beroep bij de kamer van beroep, zoals de beroepen voor de kamer van beroep van het EUIPO, schorsende werking heeft.

126 In het licht van de in de punten 59 tot en met 86 hierboven uiteengezette overwegingen kan het loutere feit dat de beroepen voor de kamer van beroep van ECHA schorsende werking hebben, niet inhouden dat de kamer van beroep de beoordelingen van wetenschappelijke en technische feiten die een verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen zelf opnieuw moet onderzoeken.

127 Integendeel, de schorsende werking van de beroepen voor de kamer van beroep verzet zich tegen een dergelijke benadering.

128 In die context zij eraan herinnerd dat een van de doelstellingen van verordening nr. 1907/2006 erin bestaat de vervaardiging en het gebruik van stoffen met schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens of het milieu uit te sluiten of te beperken. De beoordeling van een stof heeft aldus tot doel te bepalen of die stof persistent, bioaccumulerend of toxisch is of zeer persistent of zeer bioaccumulerend. De besluiten van ECHA waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht, zijn dus noodzakelijk om die beoordeling te kunnen verrichten.

129 Indien de kamer van beroep, zoals verzoekster stelt, de beoordelingen van wetenschappelijke en technische feiten die een verzoek om aanvullende informatie rechtvaardigen, systematisch zelf opnieuw zou moeten onderzoeken, dreigt de procedure bij die kamer langer te duren waardoor de opstelling van studies met aanvullende informatie die dus noodzakelijk is om de betrokken stof te beoordelen, vertraging zou kunnen oplopen.

130 Gelet op die overwegingen dient verzoeksters argument inzake de schorsende werking van het beroep bij de kamer van beroep eveneens te worden afgewezen.

131 Derhalve dienen alle argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing is voorbijgegaan aan de opdracht die haar in het kader van een beroep tegen een besluit van ECHA is toevertrouwd.

b) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep geen rekening heeft gehouden met de bewijskracht van de beschikbare informatie

132 In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden. In dat punt heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat bij de beoordeling van een stof de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie geen toepassing vindt. Die benadering geldt zowel in de context van de registratie van een stof als in die van de beoordeling van een stof. Volgens verzoekster had die kamer, alvorens om de uitvoering van de persistentietest te verzoeken, dan ook moeten nagaan of uit de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie conclusies konden worden getrokken met betrekking tot het risico op persistentie van triclosan. Slechts indien een dergelijke benadering niet had geleid tot overtuigende resultaten, kon om uitvoering van een aanvullende test worden verzocht. De betrokken kamer heeft evenwel geen dergelijk onderzoek uitgevoerd. In die bijlage staat overigens niet dat de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie een aan de registranten voorbehouden taak zou zijn.

133 ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

134 Allereerst dienen verzoeksters argumenten te worden afgewezen voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zelf een nieuw onderzoek had moeten verrichten door zelf de bewijskracht van de beschikbare informatie te bepalen. Zoals hierboven in de punten 55 tot en met 131 reeds is uiteengezet, beperkt die kamer zich in het kader van een bij haar ingesteld beroep immers tot het onderzoek of met de door de verzoekende partij aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat het besluit waartegen bij haar wordt opgekomen, onjuist is.

135 Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich bij de toetsing van het besluit van ECHA heeft vergist.

136 Dienaangaande dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de overweging van de kamer van beroep in punt 64, eerste volzin, van de bestreden beslissing dat overeenkomstig bijlage XI bij verordening nr. 1907/2006 een benadering op grond van de bewijskracht kan worden gehanteerd om de verplichte standaardinformatie in het kader van de registratie van een stof te wijzigen, als dusdanig niet onjuist is. Zoals uit punt 1.2 van die bijlage blijkt, moet er in het kader van de registratie van een stof immers worden afgezien van verder onderzoek voor die eigenschap bij gewervelde dieren en mag er worden afgezien van verder onderzoek waarbij geen gewervelde dieren betrokken zijn, indien een dergelijke benadering het mogelijk maakt de aan- of afwezigheid van een bepaalde gevaarlijke eigenschap te bevestigen.

137 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt, voor zover verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 heeft geschonden, dat in de tweede alinea van die bijlage louter wordt aangegeven dat voor de identificatie van persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen, alsmede voor de identificatie van zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen de bewijskracht wordt bepaald met behulp van het oordeel van deskundigen. Daarentegen wordt in die alinea niet uitdrukkelijk verwezen naar de fase van de stoffenbeoordeling. Derhalve dienen verzoeksters argumenten ontleend aan schending van die bijlage te worden afgewezen.

138 In de derde plaats dienen de argumenten te worden onderzocht waarmee verzoekster aanvoert dat wanneer een benadering op grond van de bewijskracht van de beschikbare informatie zou zijn gevolgd, het mogelijk zou zijn geweest te beoordelen of triclosan persistent was en het evenredigheidsbeginsel er zich dan ook tegen verzette dat ECHA om aanvullende informatie verzocht.

139 Dienaangaande dient ten eerste te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de tweede volzin van punt 64 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet dat ECHA bij de beoordeling van een stof het recht had aanvullende informatie te vragen die verder gaat dan de informatie die in het kader van de registratie ervan is vereist, wanneer dat agentschap, na alle relevante informatie in aanmerking te hebben genomen die met betrekking tot de stof was verstrekt, tot de slotsom komt dat die aanvullende informatie noodzakelijk is voor de beoordeling van de betrokken stof. Met die volzin heeft zij dus in herinnering gebracht dat ECHA alle relevante informatie in aanmerking dient te nemen waarover het beschikt alvorens om aanvullende informatie te verzoeken.

140 Ten tweede dient eraan te worden herinnerd dat de procedure bij de kamer van beroep, zoals hierboven in de punten 59 tot en met 86 reeds is uiteengezet, een procedure op tegenspraak is en de omvang van het door die kamer verrichte onderzoek dan ook door verzoeksters argumenten was beperkt. Gesteld dat ECHA in de fase van de beoordeling van een stof verplicht zou zijn met de bewijskracht van de beschikbare informatie rekening te houden, dan had verzoekster tijdens die procedure derhalve moeten uiteenzetten waarom volgens die benadering een conclusie kon worden getrokken met betrekking tot de vraag of er al dan niet een risico bestond dat die stof persistent was.

141 In het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep had verzoekster evenwel geen omstandige argumenten aangevoerd ten bewijze dat de overwegingen van ECHA ter rechtvaardiging van zijn slotsom dat aanvullende informatie noodzakelijk was, onjuist waren. Dat middel was voornamelijk ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, volgens hetwelk in het kader van de beoordeling van een stof met name alle relevante informatie die over de betrokken stof is verstrekt in aanmerking moet worden genomen. Zoals hierboven in punt 52 is uiteengezet, heeft de kamer van beroep in de punten 59 tot en met 61 van de bestreden beslissing evenwel op dat hoofdargument geantwoord. In die context heeft zij opgemerkt dat ECHA de betrokken informatie in aanmerking had genomen, maar dat dit agentschap daaraan een andere conclusie had verbonden dan verzoekster.

142 Het klopt dat verzoekster in het kader van het tweede middel van het beroep bij de kamer van beroep eveneens het argument had aangevoerd dat ECHA, indien het de bewijskracht van de beschikbare informatie had bepaald, niet tot de slotsom had kunnen komen dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest noodzakelijk was. In die context dient evenwel te worden opgemerkt dat ECHA, zoals die kamer in de punten 57 tot en met 63 van de bestreden beslissing heeft uiteengezet, in zijn besluit omstandig had uiteengezet waarom het van mening was dat op grond van de door verzoekster verstrekte informatie niet tot de slotsom kon worden gekomen dat er geen risico van persistentie bestond. Vastgesteld dient evenwel te worden dat verzoekster in het kader van dat beroep geen argumenten heeft ontwikkeld ter betwisting van de in dat besluit uiteengezette redenen, maar slechts heeft aangevoerd dat de bewijskracht van de beschikbare informatie had moeten worden bepaald.

143 In het licht van de argumenten die verzoekster in het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft aangevoerd, kan, afgezien van de vraag of er een verplichting bestaat om de benadering te volgen die op de bewijskracht van de in het kader van de beoordeling van een stof beschikbare informatie is gebaseerd, die kamer hoe dan ook niet worden verweten in punt 64 van de bestreden beslissing slechts in herinnering te hebben gebracht dat ECHA alle relevante informatie waarover het beschikte in aanmerking moest nemen, alvorens een besluit vast te stellen waarbij om aanvullende informatie wordt verzocht.

144 In de vierde plaats dient het argument te worden afgewezen waarmee verzoekster aanvoert dat het niet aan haar stond om aan te tonen dat een verzoek om aanvullende informatie gelet op de beschikbare informatie niet noodzakelijk was. Uit punt 64 van de bestreden beslissing blijkt immers geenszins dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het aan de registrant staat om tijdens de procedure tot vaststelling van het besluit van ECHA aan te tonen dat het verzoek om informatie noodzakelijk was. Daarnaast dient in elk geval te worden geconstateerd dat uit punt III.I.1, tweede alinea, van het besluit van ECHA (bladzijde 5) blijkt dat dit agentschap in het kader van het onderzoek naar de vraag of aanvullende informatie over de persistentie van triclosan noodzakelijk was, de bewijskracht van de beschikbare informatie heeft bepaald.

145 Derhalve dient het betoog waarmee verzoekster aanvoert dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing de bewijskracht van de beschikbare informatie niet in aanmerking heeft genomen, te worden afgewezen.

c) Argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de intensiteit van de door de kamer van beroep verrichte toetsing ontoereikend was

146 In het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoekster aan dat de kamer van beroep zich in punt 64 van de bestreden beslissing heeft vergist door zich met betrekking tot meningsverschillen op wetenschappelijk gebied te verlaten op ECHA, voor zover dat agentschap zijn beoordelingsbevoegdheid naar behoren had uitgeoefend. In dat punt heeft de kamer van beroep alleen maar nagegaan of ECHA geen kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt.

147 ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

148 Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de vraag of het besluit van ECHA onjuist was, maar zelf had moeten onderzoeken of het noodzakelijk was het verzoek tot uitvoering van de persistentietest vast te stellen, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

149 Voor zover vervolgens met dat argument wordt beoogd aan te tonen dat de kamer van beroep in punt 64, tweede volzin, van de bestreden beslissing ten onrechte de intensiteit van de toetsing heeft beperkt die zij ten aanzien van de wetenschappelijke overwegingen in het besluit van ECHA heeft verricht, dient het eveneens te worden afgewezen.

150 In het kader van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster aangevoerd dat ECHA, indien het een benadering zou hebben gevolgd die op de bepaling van de bewijskracht van de beschikbare informatie was gebaseerd, niet tot de slotsom had kunnen komen dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest noodzakelijk was.

151 In punt 64, tweede volzin, van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep uiteengezet dat in het kader van de beoordeling van een stof om aanvullende informatie kon worden verzocht teneinde tegemoet te komen aan eventuele bezorgdheden, mits ECHA zijn beoordelingsbevoegdheid correct heeft uitgeoefend, met name door rekening te houden met alle relevante informatie die met betrekking tot die stof was verstrekt. Uit die volzin kan evenwel niet worden afgeleid dat die kamer verzoeksters argument heeft afgewezen omdat met dat argument niet kon worden aangetoond dat het besluit van ECHA kennelijk onjuist was. Zoals hierboven in de punten 140 tot en met 143 is uiteengezet, heeft die kamer dat argument van verzoekster in die volzin immers niet verder onderzocht op grond dat het onvoldoende was gedetailleerd. In die omstandigheden kan uit die volzin niet worden afgeleid dat verzoeksters argument is afgewezen omdat de intensiteit van de door die kamer verrichte toetsing ten onrechte beperkt was.

152 De argumenten waarmee wordt aangevoerd dat de kamer van beroep in punt 64 van de bestreden beslissing een fout heeft gemaakt door zich met betrekking tot de meningsverschillen op wetenschappelijk gebied te verlaten op ECHA en alleen na te gaan of er geen sprake was van kennelijke beoordelingsfouten, kunnen dan ook niet slagen. Derhalve dienen alle argumenten van de hand te worden gewezen waarmee wordt beoogd de overwegingen te weerleggen waarop de kamer van beroep zich heeft gebaseerd om het tweede middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep af te wijzen.

2. Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het eerste middel van het bij haar ingestelde beroep

153 In het kader van het eerste middel van het beroep bij de kamer van beroep heeft verzoekster met name schending van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 aangevoerd, volgens welke de informatie die gebruikt wordt bij de beoordeling van de persistente, bioaccumulerende en toxische eigenschappen van een stof en bij de beoordeling van de zeer persistente en zeer bioaccumulerende eigenschappen van die stof moet zijn gebaseerd op onder relevante omstandigheden verkregen gegevens.

154 In de punten 40 tot en met 51 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht en afgewezen. In punt 41 van die beslissing heeft zij uiteengezet dat zij gelet op verzoeksters argumenten diende te onderzoeken of de in het besluit van ECHA omschreven testomstandigheden, te weten het vereiste dat de test in pelagisch water werd uitgevoerd zonder extra gesuspendeerd sediment, relevante omstandigheden vormden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006. In de punten 42 tot en met 45 van de bestreden beslissing heeft zij erop gewezen dat triclosan volgens de vaststellingen in het besluit van ECHA aanwezig was in bepaalde zoete en zoute pelagische wateren die geen grote hoeveelheden gesuspendeerd deeltjesmateriaal bevatten waaraan het zich gemakkelijk bond, dat die stof in dat soort water potentieel persistent was en dat op grond van de resultaten van de testen in de water- en sedimentsystemen geen conclusies konden worden getrokken met betrekking tot de halfwaardetijd ervan in pelagisch water. In punt 46 van die beslissing heeft zij verzoeksters argument in herinnering gebracht dat de belangrijkste bron van emissies van triclosan in het milieu de rechtstreekse lozing was van afvalwater van zuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater, dat al dan niet grote hoeveelheden vaste stoffen en sediment kan bevatten. Zij heeft eveneens uiteengezet dat verzoekster om die reden van mening was dat een test in pelagisch water zonder extra gesuspendeerd sediment niet zou worden uitgevoerd onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van die bijlage. In de punten 47 tot en met 50 van die beslissing heeft zij op dat argument geantwoord. Ten eerste heeft zij herinnerd aan de definitie van het begrip persistentie en aan het feit dat de persistentie van een stof volgens punt 1.1.1 van die bijlage met name afhing van de afbraak ervan in pelagisch water. Ten tweede heeft zij vastgesteld dat, zelfs indien in dat punt was aangegeven dat de testen onder relevante omstandigheden moesten plaatsvinden, dit niet betekende dat men zich hoefde te beperkten tot de meest voorkomende situaties van verspreiding van de stof in het milieu. Zij heeft gepreciseerd dat het verzoek tot uitvoering van de persistentietest niet tot doel had te beoordelen hoe triclosan zich gedroeg in water waarin veel gesuspendeerd stof of sediment aanwezig was, maar wel hoe het zich gedroeg in de in punt 1.1.1. van die bijlage genoemde specifieke compartimenten, waaronder pelagisch zoet- of zeewater zonder grote hoeveelheden gebonden residuen. In punt 51 van die beslissing is zij tot de slotsom gekomen dat het eerste middel van het beroep tegen het besluit van ECHA in het licht van die overwegingen diende te worden afgewezen.

155 Verzoekster voert aan dat die overwegingen onjuist zijn. In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel, dat is ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, voert zij aan dat ECHA en de kamer van beroep, door te eisen dat de persistentietest in pelagisch water zou worden uitgevoerd – hetgeen in strijd is met de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 – geen gegevens in aanmerking hebben genomen die uitdrukking gaven aan relevante omstandigheden voor het milieu. Het doel van een verzoek om informatie is het verkrijgen van gegevens waarmee milieurisico’s kunnen worden geïdentificeerd en passende risicobeheersmaatregelen vastgesteld. Daarentegen is de abstracte vaststelling van een intrinsieke eigenschap van een stof die van invloed is op de mogelijkheid dat zij wordt afgebroken, in die context irrelevant. De belangrijkste bron van emissies van triclosan in het milieu is de rechtstreekse lozing van afvalwater van zuiveringsinstallaties in oppervlaktewater, dat al dan niet grote hoeveelheden vaste stoffen en sediment kan bevatten. Om die reden vindt een test in pelagisch water zonder extra gesuspendeerd sediment niet plaats onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van die bijlage.

156 ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

157 Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in het kader van een onderzoek „de novo” van het besluit van ECHA zelf de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 had moeten toepassen, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

158 Vervolgens dienen verzoeksters argumenten te worden onderzocht voor zover zij daarmee beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep in het kader van haar toetsing van het besluit van ECHA is voorbijgegaan aan de draagwijdte van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006.

159 Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat de persistentie en de afbreekbaarheid van een stof, zoals blijkt uit punt 12.2, eerste volzin, van bijlage II bij verordening nr. 1907/2006, overeenkomen met het vermogen ervan om in het milieu te worden afgebroken, hetzij langs biologische weg, hetzij via andere processen, zoals oxidatie of hydrolyse.

160 Volgens punt 1.1.1 van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 voldoet een stof aan het persistentiecriterium in een van de volgende situaties: a) de halfwaardetijd in zeewater is langer dan 60 dagen; b) de halfwaardetijd in zoet of estuarien water is langer dan 40 dagen; c) de halfwaardetijd in marien sediment is langer dan 180 dagen; d) de halfwaardetijd in zoetwatersediment of sediment van estuaria is langer dan 120 dagen; e) de halfwaardetijd in de bodem is langer dan 120 dagen.

161 Hieruit volgt dat een stof als persistent moet worden beschouwd wanneer de halfwaardetijd ervan in een van de vijf in punt 1.1.1. van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 genoemde milieucompartimenten de in dat punt aangegeven duur overschrijdt. Zoals blijkt uit de punten a) en b) van die bepaling, bestaan sommige van die compartimenten uit pelagisch zoet- of zeewater.

162 In die context dient eveneens in herinnering te worden gebracht dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing erop heeft gewezen dat volgens aanwijzingen in het besluit van ECHA die verzoekster niet had betwist, triclosan in pelagisch zoet- en zeewater aanwezig was en die compartimenten geen grote hoeveelheid gesuspendeerd deeltjesmateriaal bevatten waaraan het zich gemakkelijk bond.

163 In die omstandigheden heeft de kamer van beroep in de punten 40 tot en met 51 van de bestreden beslissing geen fout begaan door te oordelen dat de persistentietest, die betrekking heeft op de manier waarop triclosan zich gedraagt in pelagisch zoet- en zeewater, zou hebben plaatsgevonden onder relevante omstandigheden in de zin van de vierde alinea van de aanhef van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006.

164 Aangezien een stof als persistent moet worden beschouwd indien de halfwaardetijd ervan de duur overschrijdt in een van de vijf in punt 1.1.1. van bijlage XIII bij verordening nr. 1907/2006 genoemde milieucompartimenten (zie punt 160 hierboven), kon het onderzoek naar de persistentie van triclosan immers niet worden beperkt tot het compartiment waarin het grootste deel van de emissies plaatsvindt, wanneer informatie voorhanden is op grond waarvan triclosan eveneens aanwezig is in andere relevante compartimenten zoals pelagisch zoet- en zeewater. De kamer van beroep heeft dan ook terecht het argument afgewezen waarmee werd aangevoerd dat het vereiste dat de persistentietest in pelagisch water zou worden uitgevoerd, niet in overeenstemming was met de vierde alinea van de aanhef van die bijlage.

165 Derhalve dienen alle argumenten te worden afgewezen waarmee verzoekster beoogt de afwijzing door de kamer van beroep van het eerste middel van het beroep tegen het besluit van ECHA ter discussie te stellen.

3. Argumenten ontleend aan de bevindingen van de Canadese instanties

166 In het kader van het derde onderdeel van het tweede middel betoogt verzoekster dat ECHA en de kamer van beroep geen rekening hebben gehouden met de bewijselementen met betrekking tot de persistentie van triclosan. Op basis van de beschikbare informatie zijn de Canadese instanties tot de slotsom gekomen dat triclosan noch persistent, noch bioaccumulerend is. De door ECHA en de Canadese instanties toepaste criteria ter identificatie van de persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen zijn soortgelijk doordat zij dezelfde doelstelling nastreven van het beschermen van het milieu tegen de schadelijke gevolgen van die stoffen. Daarnaast is de wetenschappelijke methode die de Canadese instanties volgen, vergelijkbaar met de benadering die is gebaseerd op de bewijskracht van de bewijselementen.

167 ECHA en de interveniënten betwisten die argumenten.

168 Voor zover verzoekster allereerst met haar argumenten beoogt aan te tonen dat de kamer van beroep met de bevindingen van de Canadese instanties rekening had moeten houden bij het onderzoek „de novo” dat zij in het kader van een bij haar ingesteld beroep ten aanzien van het besluit van ECHA moest verrichten, dienen die argumenten te worden afgewezen om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet in de punten 55 tot en met 131.

169 Vervolgens dienen de argumenten te worden onderzocht die verzoekster ontleent aan de bevindingen van de Canadese instanties, voor zover zij ermee beoogt aan te tonen dat die kamer bij de toetsing die zij ten aanzien van het besluit van ECHA heeft verricht, een fout heeft gemaakt.

170 In de eerste plaats dienen, voor zover verzoekster met haar argumenten wenst aan te tonen dat de kamer van beroep had moeten vaststellen dat ECHA artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006 had geschonden, of dat dit agentschap, gelet op de bevindingen van de Canadese instanties, niet het recht had de uitvoering van de persistentietest te vragen, die argumenten te worden afgewezen. Zoals in de punten 59 tot en met 86 hierboven is uiteengezet, hangt de omvang van de door die kamer verrichte toetsing immers af van de middelen die verzoeksters aanvoert. Evenwel dient vastgesteld te worden dat verzoekster in het kader van het eerste middel van het bij die kamer ingestelde beroep geen enkel middel inzake de bevindingen van de Canadese instanties heeft aangevoerd.

171 In de tweede plaats dient te worden opgemerkt dat voor zover verzoekster met haar argumenten wenst aan te voeren dat de bevindingen van de Canadese instanties aantonen dat de overwegingen van de kamer van beroep onjuist zijn, verzoekster louter het bestaan van die bevindingen aanvoert, maar niet uiteenzet waarom die bevindingen zouden kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van de op de regels van verordening nr. 1907/2006 gebaseerde overwegingen van die kamer. Die argumenten dienen dan ook als onvoldoende gedetailleerd te worden afgewezen.

172 Derhalve dienen verzoeksters argumenten inzake de bevindingen van de Canadese instanties, en bijgevolg alle argumenten inzake de verwerping van het bij de kamer van beroep ingestelde beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van de persistentietest, te worden afgewezen.

B. Argumenten ontleend aan de verwerping van het beroep bij de kamer van beroep, voor zover het betrekking had op het verzoek tot uitvoering van het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat

173 In zijn besluit heeft ECHA verzoekster verzocht het uitgebreide neurotoxiciteitsonderzoek bij de rat uit te voeren. Volgens de overwegingen in dat besluit was dat verzoek om aanvullende informatie gerechtvaardigd omdat er bezorgdheid bestond omtrent potentiële risico’s op neurotoxiciteit en reprotoxiciteit van triclosan en dat het niet mogelijk was deze bezorgdheid op basis van de beschikbare informatie weg te nemen of te bevestigen.

174 In het kader van het beroep dat verzoekster tegen het besluit van ECHA bij de kamer van beroep had ingesteld, heeft zij aangevoerd dat niet om uitvoering van dat onderzoek had mogen zijn verzocht. Dienaangaande heeft zij vier middelen aangevoerd, te weten het zesde middel, ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006, het zevende middel, ontleend aan schending van artikel 25 van die verordening, het achtste middel, ontleend aan schending van het evenredigheidsbeginsel, en het negende middel, ontleend aan schending van artikel 130 van die verordening.

175 In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep die argumenten onderzocht. Zij heeft vragen in verband met de ontvankelijkheid onderzocht (punten 117‑131). Zij heeft enkele inleidende opmerkingen gemaakt (punten 132‑136). Zij heeft het zevende en achtste middel (punten 137‑168), het zesde middel (punten 169‑203) en het negende middel (punten 204‑220) onderzocht en afgewezen.

176 In het kader van het onderhavige beroep voert verzoekster aan dat bepaalde overwegingen die de kamer van beroep in die delen van de bestreden beslissing heeft ontwikkeld, onjuist zijn. Ten eerste zullen de argumenten inzake de afwijzing van het zesde middel van het tegen het besluit van ECHA ingestelde beroep worden onderzocht die zijn ontleend aan schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006. Ten tweede zullen de argumenten inzake de afwijzing van het zevende en het achtste middel van dat beroep worden onderzocht die zijn ontleend aan schending van artikel 25 van die verordening en van het evenredigheidsbeginsel. Ten derde zullen de argumenten worden beoordeeld waarmee wordt beoogd de overwegingen van die kamer die betrekking hebben op vragen in verband met de ontvankelijkheid, ter discussie te stellen. Ten vierde zullen de argumenten worden onderzocht waarmee wordt beoogd de inleidende opmerkingen van die kamer ter discussie te stellen.

1. Argumenten ter betwisting van de afwijzing door de kamer van beroep van het zesde middel van het bij haar ingestelde beroep

177 Het zesde middel van het beroep tegen het besluit van ECHA had betrekking op schending van artikel 47, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1907/2006. Dat middel bestond uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel, waarmee werd beoogd het verzoek tot uitvoering van een uitgebreid neurotoxiciteitsonderzoek in zijn geheel ter discussie te stellen, is door de kamer van beroep onderzocht en afgewezen in de punten 186 tot en met 199 van de bestreden beslissing. Het tweede onderdeel, waarmee meer specifiek werd beoogd het vereiste om aanvullende gegevens te verstrekken, namelijk het onderzoek naar reprotoxiciteit over één generatie, ter discussie te stellen, is door die kamer onderzocht en afgewezen in de punten 200 tot en met 203 van die beslissing.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in