Gerecht EU 6 juni 2018, T-258/17, ECLI:EU:T:2018:331
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)
6 juni 2018 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Handhaving van verzoekers naam op die lijst – Motiveringsplicht – Kennelijk onjuiste beoordeling”
In zaak T‑258/17,
Sergej Arbuzov, wonende te Kiev (Oekraïne), vertegenwoordigd door M. Mleziva, advocaat,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Pekař en J.‑P. Hix als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2017, L 58, blz. 34), voor zover verzoekers naam is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn,
wijst
HET GERECHT (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. Berardis (rapporteur), president, D. Spielmann en Z. Csehi, rechters,
griffier: E. Coulon,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Verzoeker, Sergej Arbuzov, heeft onder meer de functies bekleed van gouverneur van de nationale bank van Oekraïne en van minister-president van Oekraïne.
2 Op 5 maart 2014 heeft de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 29 VEU besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26) vastgesteld. Ook op 5 maart 2014 heeft de Raad op grond van artikel 215, lid 2, VWEU verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 1) vastgesteld.
3 In de overwegingen 1 en 2 van besluit 2014/119 wordt het volgende verduidelijkt: „(1) Op 20 februari 2014 heeft de Raad alle gebruik van geweld in Oekraïne in de krachtigste bewoordingen veroordeeld. Hij heeft gevraagd dat er onmiddellijk een eind komt aan het geweld in Oekraïne en dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden ten volle worden gerespecteerd. Hij heeft de regering van Oekraïne opgeroepen de grootst mogelijke terughoudendheid aan de dag te leggen, en de oppositieleiders gevraagd zich te distantiëren van degenen die radicale acties, waaronder geweldpleging, ondernemen. (2) Op 3 maart 2014 is de Raad overeengekomen om beperkende maatregelen toe te spitsen op het bevriezen en het ontnemen van vermogensbestanddelen van personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen, met het oog op het versterken en het ondersteunen van de rechtsstaat en de eerbied voor mensenrechten in Oekraïne.”
4 Artikel 1, leden 1 en 2, van besluit 2014/119 luidt: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die als verantwoordelijk geïdentificeerd zijn voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en personen die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren. 2. Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.”
5 De voorwaarden waaronder tegoeden kunnen worden bevroren, zijn in de daarop volgende leden van dit artikel omschreven.
6 Overeenkomstig besluit 2014/119 legt verordening nr. 208/2014 de vaststelling van de aan de orde zijnde beperkende maatregelen op en stelt zij er uitvoeringsbepalingen voor vast, waarvan de bewoordingen in wezen overeenkomen met die van dat besluit.
7 De namen van de personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn, zijn vermeld op de lijst in de bijlage bij besluit 2014/119 en op de daaraan identieke lijst in bijlage I bij verordening nr. 208/2014 (hierna: „betrokken lijst”) met onder meer de redenen voor hun opname op die lijst. Oorspronkelijk stond verzoekers naam niet op de betrokken lijst.
8 Op 14 april 2014 heeft de Raad uitvoeringsbesluit 2014/216/GBVB tot uitvoering van besluit 2014/119 (PB 2014, L 111, blz. 91) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 381/2014 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2014, L 111, blz. 33) vastgesteld.
9 Bij uitvoeringsbesluit 2014/216 en uitvoeringsverordening nr. 381/2014 is verzoekers naam aan de lijst toegevoegd, met als nadere gegevens „voormalig minister-president van Oekraïne” en als motivering: „Persoon tegen wie in Oekraïne een onderzoek loopt wegens betrokkenheid bij misdrijven in verband met de verduistering van Oekraïense overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne.”
10 Op 16 juni 2014 heeft verzoeker een beroep ingesteld tot nietigverklaring van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2014/216, voor zover het hem betrof. Dit beroep werd ingeschreven op de griffie van het Gerecht onder nummer T‑434/14.
11 Op 29 januari 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/143 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 24, blz. 16), en verordening (EU) 2015/138 tot wijziging van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 24, blz. 1) vastgesteld.
12 Besluit 2015/143 heeft met ingang van 31 januari 2015 de plaatsingscriteria gegeven voor de personen op wie de bevriezing van tegoeden van toepassing is en artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119 is door de volgende tekst vervangen: „1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen en voor mensenrechtenschendingen in Oekraïne, en de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die banden hebben met hen, worden bevroren. Voor de toepassing van dit besluit worden onder meer beschouwd als personen die zijn geïdentificeerd als verantwoordelijk voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen alle personen tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld wegens: a) het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan, of b) machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel voor zichzelf of een derde te verkrijgen ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of medeplichtigheid daaraan.”
13 Verordening 2015/138 heeft verordening nr. 208/2014 gewijzigd overeenkomstig besluit 2015/143.
14 In het kader van een herziening van de situatie van de personen wier namen op de betrokken lijst stonden, heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/364 van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2015, L 62, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van maart 2015”) vastgesteld.
15 Besluit 2015/364 heeft artikel 5 van besluit 2014/119 gewijzigd door de beperkende maatregelen te verlengen, wat verzoeker betreft, tot en met 6 maart 2016.
16 De handelingen van maart 2015 hebben in wezen de betrokken lijst geactualiseerd. Na de aldus daarin ingevoerde wijzigingen is de naam van verzoeker gehandhaafd met als nadere gegevens „voormalig minister-president van Oekraïne” en als nieuwe motivering: „Persoon tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva.”
17 Bij zijn arrest van 28 januari 2016, Arbuzov/Raad (T‑434/14, niet gepubliceerd), heeft het Gerecht besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit 2014/216, nietig verklaard voor zover het betrekking had op verzoeker.
18 Op 4 maart 2016 heeft de Raad ten gevolge van een herziening van de situatie van de personen wier namen op de betrokken lijst stonden besluit (GBVB) 2016/318 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2016, L 60, blz. 76), en uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2016, L 60, blz. 1) (hierna gezamenlijk: „handelingen van maart 2016”) vastgesteld.
19 Met name besluit 2016/318 heeft artikel 5 van besluit 2014/119 gewijzigd door de betrokken beperkende maatregelen te verlengen tot en met 6 maart 2017. De motivering met betrekking tot verzoeker, die is weergegeven in punt 16 hierboven, is niet gewijzigd bij besluit 2016/318, en ook niet bij uitvoeringsverordening 2016/311.
20 Bij op 5 mei 2015 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker beroep ingesteld tot nietigverklaring van de handelingen van maart 2015, voor zover zij hem betreffen. Dit beroep is ingeschreven op de griffie van het Gerecht onder nummer T‑221/15. Vervolgens heeft verzoeker het verzoekschrift aangepast overeenkomstig artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht teneinde ook nog de nietigverklaring van de handelingen van maart 2016 te vorderen, voor zover zij hem betreffen.
21 Op 28 april 2016 heeft verzoeker aan de Raad een verzoek gericht dat in wezen de handhaving – bij besluit 2016/318 – van de beperkende maatregelen jegens hem betrof. Op basis van verzoekers opmerkingen heeft de Raad vragen gesteld aan het parket-generaal van Oekraïne (hierna „PG)”. Diens antwoorden zijn op 16 juni en 7 juli 2016 aan de Raad voorgelegd.
22 Bij brief van 4 augustus 2016 heeft de Raad geantwoord op het verzoek van verzoeker van 28 april 2016, waarbij hij diens argumenten verwierp en hem verwees naar de opmerkingen die waren ingediend in het kader van zaak T‑221/15. Bij die gelegenheid heeft de Raad hem tevens toegang verleend tot de door het PG overgelegde aanvullende informatie.
23 Op 4 oktober 2016 heeft verzoeker de Raad opnieuw verzocht de hem betreffende beperkende maatregelen te herzien.
24 Bij brief van 12 december 2016 heeft de Raad verzoeker ervan op de hoogte gebracht dat hij voornemens was de beperkende maatregelen jegens hem te handhaven, heeft hij hem de gronden voor zijn besluit medegedeeld alsmede twee brieven van het PG, één van 25 juli 2016 en een andere van 16 november 2016. Hem is ook verzocht zijn eventuele opmerkingen ten laatste op 13 januari 2017 in te dienen.
25 Op 14 december 2016 heeft verzoeker bij de Raad een nieuw verzoek tot herziening ingediend, dat hij heeft aangevuld met een brief van 13 januari 2017.
26 De Raad heeft het PG een aanvullende vraag gesteld. Diens antwoord daarop is op 11 januari 2017 aan de Raad voorgelegd. Bij schrijven van 27 januari 2017 heeft de Raad dit antwoord aan verzoeker medegedeeld, waarin het aangaf dat hij tot 10 februari 2017 de tijd had om zijn eventuele opmerkingen daaromtrent mede te delen.
27 Bij brief van 7 februari 2017 heeft de Raad de inmiddels door hem ontvangen brief van het PG aan verzoeker doorgestuurd. Deze brief bevatte geactualiseerde informatie over de stand van het hem betreffende strafproces. De Raad heeft hem in die brief een termijn gesteld die afliep op 13 februari 2017 voor het indienen van zijn eventuele opmerkingen daaromtrent, hetgeen hij heeft gedaan bij brief van 10 februari 2017.
28 Op 3 maart 2017 heeft de Raad, nadat hij de situatie van de personen wier namen op de lijst stonden opnieuw had bekeken, besluit (GBVB) 2017/381 tot wijziging van besluit 2014/119 (PB 2017, L 58, blz. 34; hierna: „bestreden besluit”), en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 tot uitvoering van verordening nr. 208/2014 (PB 2017, L 58, blz. 1) vastgesteld.
29 Met name heeft het bestreden besluit artikel 5 van besluit 2014/119 gewijzigd door de betrokken beperkende maatregelen te verlengen tot en met 6 maart 2018. De motivering met betrekking tot verzoeker, die is weergegeven in punt 16 hierboven, is niet gewijzigd bij het bestreden besluit, en evenmin bij uitvoeringsverordening 2017/374.
30 Op 6 maart 2017 heeft de Raad verzoeker een brief gestuurd waarin hij de argumenten verwierp die verzoeker in zijn brieven van 14 december 2016 en 13 januari en 10 februari 2017 had aangevoerd tegen de hernieuwing van de beperkende maatregelen jegens hem. De Raad heeft verzoeker met name verwezen naar de documenten die hij hem in zijn eerdere brieven ter beschikking had gesteld, alsook naar zijn opmerkingen in het kader van zaak T‑221/15. De Raad heeft bij zijn brief een exemplaar van het bestreden besluit gevoegd en verzoeker erop gewezen dat hij tot 1 december 2017 zijn opmerkingen kon indienen met betrekking tot een eventuele verlenging van die maatregelen na 6 maart 2018.
31 Bij zijn arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad (T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478), heeft het Gerecht verzoekers beroep ten aanzien van de handelingen van zowel maart 2015 als maart 2016 verworpen.
Procedure en conclusies van partijen
32 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 3 mei 2017, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.
33 Op 14 juli 2017 heeft de Raad het verweerschrift ingediend. Op dezelfde dag heeft hij overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering tevens in een met redenen omkleed verzoek verzocht dat de inhoud van bepaalde bijlagen bij het verweerschrift niet wordt aangehaald in de documenten betreffende die zaak die toegankelijk zijn voor het publiek.
34 Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 juli 2017, heeft verzoeker nieuwe bewijzen ingediend in de zin van artikel 85 van het Reglement voor de procesvoering met betrekking tot het feit dat zijn naam in de tussentijd van de door Interpol – de internationale politieorganisatie – vastgestelde lijst van internationaal gezochte personen was gehaald.
35 De Raad heeft op 25 augustus 2017 zijn opmerkingen over deze nieuwe bewijzen ter griffie van het Gerecht neergelegd.
36 Aangezien verzoeker binnen de hem daartoe gestelde termijn geen repliek heeft ingediend, is de schriftelijke behandeling van de procedure gesloten op 28 september 2017.
37 Op 11 december 2017 heeft het Gerecht (Zesde kamer) besloten partijen vragen ter schriftelijke beantwoording te stellen in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering. Partijen hebben binnen de gestelde termijn op deze vragen geantwoord onder overlegging van een aantal bewijsstukken.
38 Indien binnen drie weken te rekenen vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling de hoofdpartijen niet hebben verzocht om te worden gehoord, kan het Gerecht krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslissen op het beroep uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling. Het Gerecht acht zich in casu voldoende voorgelicht door de stukken van het procesdossier, en beslist, nu een dergelijk verzoek niet is gedaan, uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.
39 Verzoeker verzoekt het Gerecht – het bestreden besluit nietig te verklaren, voor zover het hem betreft, en – de Raad te verwijzen in de kosten.
40 De Raad verzoekt het Gerecht in wezen: – het beroep te verwerpen; – subsidiair, in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit, te gelasten dat de gevolgen ervan worden gehandhaafd tot de termijn waarbinnen een hogere voorziening moet worden ingesteld is verstreken en, mocht een hogere voorziening worden ingesteld, totdat daarover is beslist, en – verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
41 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker in wezen vier middelen aan: ten eerste, schending van de motiveringsplicht; ten tweede, schending van het recht om te worden gehoord; ten derde, kennelijke beoordelingsfout, en, ten vierde, schending van het eigendomsrecht.
Eerste middel: schending van de motiveringsplicht
42 Onder verwijzing naar artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) betoogt verzoeker in wezen dat de Raad zich niet kon beperken tot de hierboven in punt 16 vermelde motivering voor de handhaving van zijn naam op de betrokken lijst door het bestreden besluit vast te stellen.
43 De Raad betwist verzoekers argumenten.
44 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 296, lid 2, VWEU „[r]echtshandelingen [...] met redenen [worden] omkleed”.
45 Volgens artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest, dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, behelst het recht op behoorlijk bestuur met name „de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden”.
46 Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de bestreden handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Zij moet de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de betrokkene de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kan kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen. Zo is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de tegen hem genomen maatregel kan begrijpen. Voorts hangt de mate van nauwkeurigheid waarmee een handeling moet worden gemotiveerd, af van de praktische mogelijkheden en de technische omstandigheden en van de termijn waarbinnen zij tot stand moet komen (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Meer bepaald kan de motivering van een maatregel tot bevriezing van tegoeden in beginsel niet uitsluitend uit een algemene en stereotiepe formulering bestaan. Onder de in punt 47 hierboven genoemde voorbehouden moet een dergelijke maatregel integendeel juist de specifieke en concrete redenen vermelden waarom de Raad van oordeel is dat de relevante regeling op de betrokkene van toepassing is (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 65en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49 Er zij ten slotte aan herinnerd dat de verplichting om een handeling te motiveren een wezenlijk vormvoorschrift vormt dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze handeling berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten zij de inhoudelijke rechtmatigheid van die handeling aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 In casu moet worden vastgesteld dat de in het bestreden besluit gegeven motivering van de handhaving van verzoekers naam op de betrokken lijst (zie punt 16 hierboven) specifiek en concreet is en de elementen vermeldt die de grondslag voor die handhaving vormen, namelijk de omstandigheid dat de Oekraïense autoriteiten tegen hem een strafrechtelijke procedure hebben ingesteld wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva.
51 Bovendien is de handhaving van de maatregelen jegens hem tot stand gekomen in een context die hem bekend is. Hij was gedurende de uitwisselingen met de Raad namelijk op de hoogte gebracht van met name de brieven van het PG van 25 juli en 16 november 2016 en van 27 januari 2017, alsook van de antwoorden van het PG op de vragen van de Raad (zie de punten 21, 22, 24, 26 en 27 hierboven) (hierna gezamenlijk: „nieuwe documenten afkomstig van het PG”), waarop de Raad de handhaving van die maatregelen heeft gebaseerd (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 68en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 De nieuwe documenten afkomstig van het PG maken het mogelijk te weten welke autoriteit met het onderzoek is belast, alsook het nummer te kennen van de relevante strafrechtelijke procedure jegens verzoeker en de datum waarop die procedure is ingeleid, de feiten die verzoeker worden verweten, de overige betrokken personen en organisaties, de hoogte van de vermeendelijk verduisterde overheidsmiddelen, de relevante artikelen van de Oekraïense strafwet en het feit dat verzoeker schriftelijk op de hoogte is gebracht van de jegens hem bestaande verdenkingen (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 69), en bedoelde documenten maken gewag van het feit dat de arrondissementsrechtbank te [vertrouwelijk] ( 1 ) (hierna: „arrondissementsrechtbank”) op 15 februari 2016 een beslissing (hierna: „rechterlijke beslissing van 15 februari 2016”) heeft gegeven waarbij zij het PG toestemming gaf voor een verstekprocedure.
53 Bijgevolg kan niet worden geoordeeld dat de motivering van de Raad zich beperkt tot het weergeven van de tekst van de plaatsingscriteria of dat erin niet de specifieke en concrete redenen worden vermeld voor de handhaving van verzoekers naam op de betrokken lijst (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 70).
54 Aangezien het bestreden besluit met betrekking tot verzoeker toereikend gemotiveerd is, dient het eerste middel te worden verworpen en moet het derde middel worden onderzocht teneinde vast te stellen of met betrekking tot de gronden waarop de Raad zich heeft gebaseerd om verzoekers naam op de betrokken lijst te handhaven, sprake is van een kennelijke beoordelingsfout, zoals verzoeker stelt.
Derde middel: kennelijke beoordelingsfout
55 Verzoeker voert in wezen aan dat de Raad bij de handhaving van de beperkende maatregelen jegens hem door de vaststelling van het bestreden besluit blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout door zich te baseren op de door het PG opgestelde korte synthese van verzoekers situatie, zonder aanvullende informatie te vragen en zonder met de vereiste zorgvuldigheid de ontlastende bewijzen te onderzoeken die verzoeker hem heeft overgelegd.
56 De Raad antwoordt dat het bestreden besluit berust op een voldoende solide feitelijke grondslag die met name bestaat uit de nieuwe documenten afkomstig van het PG.
Opmerkingen vooraf
57 Er zij eraan herinnerd dat, ten eerste, het aanwijzingscriterium in artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119, zoals gewijzigd bij besluit 2015/143 (hierna: „relevant criterium”), op grond waarvan verzoekers naam bij het bestreden besluit op de betrokken lijst is gehandhaafd, van toepassing is op personen die zijn „geïdentificeerd als verantwoordelijk” voor het verduisteren van overheidsmiddelen – daaronder begrepen de personen „tegen wie door de Oekraïense autoriteiten een onderzoek is ingesteld” wegens het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen of activa –, en voorts dat het relevante criterium aldus moet worden uitgelegd dat het niet in abstracto betrekking heeft op iedere verduistering van overheidsmiddelen, maar veeleer op het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva waardoor de eerbiediging van de rechtsstaat in Oekraïne kan worden geschaad (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 97en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Het bestreden besluit heeft verzoekers naam op de betrokken lijst gehandhaafd op grond dat hij een „[p]ersoon [was] tegen wie een strafvervolging is ingesteld door de Oekraïense autoriteiten voor het verduisteren van overheidsmiddelen of overheidsactiva”.
59 Op grond daarvan moet worden nagegaan of de Raad op onpartijdige en eerlijke wijze heeft besloten verzoekers naam op de lijst te handhaven, gelet op de beoordeling van de bewijzen waarover hij beschikte, de reden voor die handhaving en het relevante criterium.
60 In herinnering dient te worden gebracht dat, hoewel de Raad over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wat de algemene criteria betreft die in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van beperkende maatregelen, de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing vereist dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een bepaalde persoon op een lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor die persoon, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste een daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, voldoende nauwkeurig en concreet zijn gestaafd (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 100en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Volgens de rechtspraak inzake besluiten tot handhaving van de naam van een persoon op een lijst van personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, moet de bevoegde autoriteit van de Unie bovendien, wanneer de betrokken persoon of entiteit opmerkingen over de uiteenzetting van redenen maakt, zorgvuldig en onpartijdig onderzoeken of de aangevoerde redenen gegrond zijn in het licht van die opmerkingen en eventueel daarbij gevoegd bewijs à decharge. Daarnaast dient de Raad bij de vaststelling van beperkende maatregelen het in artikel 41 van het Handvest neergelegde beginsel van behoorlijk bestuur te eerbiedigen, waaraan volgens vaste rechtspraak voor de bevoegde instelling de verplichting verbonden is alle relevante elementen van het betrokken geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 101en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Uit de rechtspraak volgt tevens dat, om de aard, de vorm en de intensiteit te beoordelen van het bewijs dat van de Raad kan worden gevraagd, rekening moet worden gehouden met de aard en de specifieke draagwijdte van de beperkende maatregelen en de doelstelling ervan (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 102en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 Zoals volgt uit de overwegingen 1 en 2 van besluit 2014/119, past dit besluit in de meer algemene context van een beleid van de Unie van ondersteuning aan de Oekraïense autoriteiten met het oog op het bevorderen van de politieke stabiliteit in Oekraïne. Het beantwoordt aldus aan de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, die met name zijn omschreven in artikel 21, lid 2, onder b), VEU, op grond waarvan de Unie een internationale samenwerking tot stand brengt om de democratie, de rechtsstaat, de rechten van de mens en de beginselen van internationaal recht te versterken en te ondersteunen (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 103en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Het is tegen die achtergrond dat de betrokken beperkende maatregelen bepalen dat de tegoeden en economische middelen worden bevroren van de personen die als verantwoordelijk zijn geïdentificeerd voor het verduisteren van Oekraïense overheidsmiddelen. Doordat de terugvordering van die tegoeden wordt vergemakkelijkt, wordt de rechtsstaat in Oekraïne namelijk versterkt en ondersteund (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 104).
65 De betrokken beperkende maatregelen strekken er dus niet toe laakbare gedragingen te bestraffen waaraan de betrokken personen zich schuldig zouden hebben gemaakt en ook niet om hen, onder gebruik van dwang, van dergelijke gedragingen te weerhouden. Die maatregelen hebben enkel tot doel het de Oekraïense autoriteiten gemakkelijker te maken om het verduisteren van overheidsmiddelen vast te stellen en ervoor te zorgen dat die autoriteiten de opbrengst van die feiten van verduistering kunnen terugvorderen. Het gaat dus om zuiver bewarende maatregelen (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 105en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 De betrokken beperkende maatregelen, die door de Raad zijn vastgesteld op basis van de bevoegdheden die hij aan de artikelen 21 en 29 VEU ontleent, hebben dus geen strafrechtelijke connotatie. Zij kunnen dus niet worden gelijkgesteld met een besluit tot bevriezing van tegoeden dat een nationale rechterlijke autoriteit van een lidstaat in het kader van de toepasselijke strafprocedure heeft vastgesteld met inachtneming van de waarborgen die deze procedure biedt. Met betrekking tot de bewijzen op grond waarvan de naam van een persoon is geplaatst op de lijst van personen op wie die bevriezing van tegoeden van toepassing is, kunnen dus aan de Raad niet strikt dezelfde eisen worden gesteld als die welke in voornoemd geval aan de nationale rechterlijke autoriteit worden gesteld (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 106en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 Tevens zij eraan herinnerd dat de Raad niet verplicht is om ambtshalve en stelselmatig een eigen onderzoek in te stellen of controles te verrichten met het oog op nadere verduidelijking, wanneer hij reeds over gegevens beschikt die zijn verstrekt door de autoriteiten van een derde land, om beperkende maatregelen vast te stellen jegens personen die uit dat derde land afkomstig zijn en daar in rechte worden vervolgd (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 107en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68 In casu moet de Raad ten eerste verifiëren in hoeverre uit de nieuwe documenten afkomstig van het PG waarop hij zich wil baseren, kan worden opgemaakt dat – zoals blijkt uit de redenen voor de plaatsing van verzoekers naam op de betrokken lijst die in punt 58 hierboven in herinnering zijn gebracht – de Oekraïense autoriteiten tegen verzoeker een strafvervolging hebben ingesteld wegens feiten die als verduistering van overheidsmiddelen kunnen worden gekwalificeerd, en, ten tweede, of middels die procedure kan worden vastgesteld dat diens handelwijze overeenkomstig het relevante criterium kan worden gekwalificeerd. Alleen indien deze verificaties zonder resultaat blijven, dient de Raad overeenkomstig de in punt 61 bedoelde rechtspraak, aanvullende verificaties te verrichten (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 108en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69 In het kader van de door de betrokken beperkende maatregelen geregelde samenwerking (zie punt 63 hierboven) staat het bovendien in beginsel niet aan de Raad om zelf de juistheid en de relevantie te onderzoeken en te beoordelen van de gegevens waarop de Oekraïense autoriteiten zich baseren om verzoeker strafrechtelijk te vervolgen wegens feiten die als verduistering van overheidsmiddelen kunnen worden gekwalificeerd. Zoals in punt 65 hierboven is uiteengezet, heeft de Raad de betrokken beperkende maatregelen namelijk niet vastgesteld om zelf het verduisteren van overheidsmiddelen waarover de Oekraïense autoriteiten een onderzoek voeren, te bestraffen, doch om ervoor te zorgen dat die autoriteiten die feiten van verduistering kunnen vaststellen en de opbrengst ervan kunnen terugvorderen. Het staat dus aan die autoriteiten om in het kader van genoemde procedures de gegevens te verifiëren waarop zij zich baseren en om, in voorkomend geval, daaruit de gevolgen te trekken voor de uitkomst van die procedures (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 109en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Die uitlegging vindt steun in de rechtspraak waaruit blijkt dat het niet aan de Raad is de gegrondheid na te gaan van de tegen de betrokken persoon lopende onderzoeken, maar dat hij enkel moet nagaan of de beslissing tot bevriezing van de tegoeden gegrond is in het licht van die onderzoeken (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 110en aldaar aangehaalde rechtspraak).
71 Het is juist dat de Raad de vaststellingen van de Oekraïense rechterlijke instanties in de stukken die deze instanties hebben overgelegd niet zonder meer kan bevestigen. Dat zou in strijd zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur en, meer algemeen, met de krachtens artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU, juncto artikel 51, lid 1, van het Handvest, op de instellingen van de Unie rustende verplichting om bij de toepassing van het Unierecht de grondrechten te eerbiedigen (zie arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 111en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 De Raad moet echter op basis van de concrete omstandigheden nagaan of het noodzakelijk is aanvullende controles te verrichten, meer in het bijzonder of de Oekraïense autoriteiten verzocht moet worden aanvullende bewijzen te verstrekken indien de reeds verstrekte bewijzen ontoereikend of onsamenhangend blijken te zijn. Het is namelijk niet uitgesloten dat de Raad van de Oekraïense autoriteiten of op een andere wijze informatie ontvangt, die bij die instelling twijfel doet rijzen of de door die autoriteiten eerder verstrekte bewijzen wel toereikend zijn. Bovendien kan het gebeuren dat de betrokken personen, daar zij in staat moeten worden gesteld hun opmerkingen in te dienen over de redenen die de Raad in aanmerking wenst te nemen om hun naam op de betrokken lijst te handhaven, dergelijke informatie, en zelfs informatie à décharge, verstrekken, die het noodzakelijk maakt dat de Raad aanvullende verificaties verricht. Meer in het bijzonder mag de Raad zich weliswaar niet in de plaats stellen van de Oekraïense rechterlijke autoriteiten bij de beoordeling of de in de brieven van het PG genoemde strafvervolging gegrond is, doch het is niet uitgesloten dat die instelling, met name in het licht van verzoekers opmerkingen, de Oekraïense autoriteiten om opheldering moet verzoeken betreffende de gegevens waarop die strafvervolging is gebaseerd (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 112en aldaar aangehaalde rechtspraak).
73 In het licht van die overwegingen dienen verzoekers specifiekere argumenten, die in wezen betrekking hebben op het voorwerp van de hem betreffende procedure en de voortgang ervan.
Voorwerp van de strafvervolging van verzoeker
74 Zich baserend op een aantal documenten betoogt verzoeker dat het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht en dat ten grondslag ligt aan de betrokken beperkende maatregelen geen geldelijk verlies heeft opgeleverd voor de nationale bank van Oekraïne, en dus voor de Oekraïense Staat. Verzoeker valt dus geen verduistering van middelen te verwijten.
75 De Raad betoogt in wezen dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten onder het begrip „verduisteren van overheidsmiddelen” vallen, ongeacht de vraag of het de verzoeker of een derde is die van die verduistering heeft geprofiteerd. De door verzoeker aangedragen bewijzen tonen niet aan dat de Oekraïense Staat door die handelingen geen schade heeft geleden.
76 In casu zij vastgesteld dat de Raad de handhaving van de beperkende maatregelen jegens verzoeker hoofdzakelijk baseert op de brieven van het PG van 25 juli en 16 november 2016 en 27 januari 2017.
77 In zijn brief van 25 juli 2016 brengt het PG het volgende in herinnering: – [vertrouwelijk] – [vertrouwelijk]; – [vertrouwelijk]; – [vertrouwelijk]; – [vertrouwelijk]; – [vertrouwelijk].
78 In de brief van 16 november 2016 heeft het PG aangegeven dat er geen aanvullende informatie bestond met betrekking tot de procedure [vertrouwelijk].
79 In de brief van 27 januari 2017 heeft het PG informatie verschaft die in wezen overeenkomt met die welke staat vermeld in de brief van 25 juli 2016, waarbij het verduidelijkt dat [vertrouwelijk] de verduistering van dat bedrag de mogelijkheden had verkleind voor de nationale bank van Oekraïne om te stabiliteit van de nationale munt te waarborgen en aldus de Oekraïense Staat schade had doen lijden. In zijn brief heeft het PG de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016 genoemd en aangegeven dat het vooronderzoek in kwestie nog steeds liep.
80 Bovendien moet worden opgemerkt dat de Raad bij de vaststelling van het bestreden besluit ook over informatie beschikte die hij van het PG had ontvangen in antwoord op vragen van zijn kant.
81 Zo heeft het PG in de antwoorden die het op 7 juli 2016 aan de Raad heeft overgelegd in wezen aangegeven [vertrouwelijk].
82 [vertrouwelijk].
83 [vertrouwelijk].
84 De handhaving van de beperkende maatregelen jegens verzoeker berustte dus op bewijzen op grond waarvan de Raad ondubbelzinnig tot de vaststelling kon komen dat het Oekraïense gerechtelijke apparaat een procedure tegen verzoeker had ingeleid wegens het strafbare feit van verduistering van overheidsmiddelen.
85 Opgemerkt zij namelijk dat bij lezing van de nieuwe documenten afkomstig van het PG de Raad over het relevante procedurenummer beschikte, alsook over de datum van de inleiding van de procedure, het strafbare feit waarvan verzoeker werd verdacht, het overeenkomstige artikel in de Oekraïense strafwet, de relevante feitelijke omstandigheden en de datum waarop hem werd medegedeeld dat hij verdacht was. Deze documenten tonen aan dat die procedure wordt gevoerd wegens feiten die voldoende concreet en precies zijn, zodat er geen enkele twijfel bestaat over de gestelde betrokkenheid van verzoeker, des te meer daar de feitelijke elementen die het strafbare feit omschrijven onveranderlijk en coherent blijven en door de Oekraïense autoriteiten juridisch als verduistering van overheidsmiddelen worden aangemerkt, hetgeen overeenstemt met het relevante criterium.
86 Daarnaast vormen de documenten die onder de aandacht van de Raad zijn gebracht handelingen die afkomstig zijn van het PG, één van de hoogste rechterlijke instanties van Oekraïne. Het treedt in die Staat immers op als openbaar ministerie bij de strafrechtsbedeling en voert vooronderzoeken uit in verband met de strafrechtelijke vervolging van met name de verduistering van overheidsmiddelen (zin die zin arrest van 19 oktober 2017, Yanukovych/Raad, C‑598/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:786, punt 53) In dat verband kan de Raad dus niet worden verweten dat hij ervan uit is gegaan dat de door het PG verstrekte informatie juist was en met bewijzen was gestaafd.
87 Bovendien moet worden vastgesteld dat in de betrokken documenten is aangegeven dat verzoeker ervan wordt verdacht een economisch delict te hebben gepleegd met betrekking tot een zeer aanzienlijk bedrag, [vertrouwelijk].
88 In dit verband zij opgemerkt dat de betrokken beperkende maatregelen de inspanningen van de Oekraïense autoriteiten om de verduisterde overheidsmiddelen terug te krijgen, vergemakkelijken en aanvullen, hetgeen deel uitmaakt van de doelstelling de rechtsstaat te versterken, zoals dat is aangegeven in de punten 64 en 65 hierboven.
89 In dit verband volgt uit de brief van het PG van 25 juli 2016 dat, [vertrouwelijk], de arrondissementsrechtbank meermaals gedurende het onderzoek op voorstel van de onderzoeker bewarende maatregelen heeft vastgesteld jegens verzoeker (zie punt 77, laatste streepje, hierboven). Derhalve versterkt de door de Raad besloten bevriezing van tegoeden in de gehele Unie de doeltreffendheid van het op nationaal niveau genomen initiatief.
90 Ten slotte moet ten eerste nog worden opgemerkt dat het vervolgen van economische misdrijven, zoals het verduisteren van overheidsmiddelen, een belangrijk middel is bij de bestrijding van corruptie en dat de bestrijding daarvan, in het kader van het externe optreden van de Unie, een beginsel is dat deel uitmaakt van het begrip rechtsstaat. Ten tweede moet worden opgemerkt dat het strafbare feit waarvan verzoeker wordt beschuldigd, moet worden geplaatst in een bredere context waarin een niet te verwaarlozen deel van de voormalige bestuurlijke klasse van Oekraïne ervan wordt verdacht ernstige misdrijven te hebben gepleegd bij het beheer van de overheidsmiddelen, waardoor zij de institutionele en juridische grondslagen van het land ernstig in gevaar hebben gebracht en met name inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van legaliteit, verbod van willekeur van de uitvoerende macht, doeltreffende rechterlijke toetsing en gelijkheid voor de wet. Bijgevolg dragen de beperkende maatregelen in kwestie, als geheel en rekening houdende met de functies die verzoeker binnen de voormalige bestuurlijke klasse van Oekraïne heeft uitgeoefend, alsmede met het feit dat hij aan het hoofd stond van de nationale bank van Oekraïne ten tijde van het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht, er op doeltreffende wijze toe bij dat het gemakkelijk wordt om de ten nadele van de Oekraïense instellingen begane misdrijven met betrekking tot het verduisteren van overheidsmiddelen te vervolgen en stellen zij de Oekraïense autoriteiten in staat gemakkelijker de opbrengst van dergelijke feiten van verduistering terug te krijgen. Hierdoor wordt het gemakkelijker, indien de gerechtelijke vervolgingen gegrond blijken te zijn, om met gerechtelijke middelen de gestelde corruptie door de leden van het voormalige regime te bestraffen en aldus bij te dragen aan de ondersteuning van de rechtstaat in dat land (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 128en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Bijgevolg heeft de Raad zonder blijk te geven van een kennelijke beoordelingsfout aangaande het voorwerp van de strafrechtelijke vervolging van verzoeker en de relevantie ervan voor het relevante criterium, het bestreden besluit vastgesteld, voor zover het verzoeker betreft.
92 Verzoekers argumenten tegen deze conclusie kunnen niet worden aanvaard.
93 Immers, ten eerste bevestigt de inverdenkingstelling van 18 mei 2017, die door verzoeker als ontlastend bewijs is aangevoerd, die conclusie slechts voor zover er in wezen uit blijkt dat verzoeker ervan wordt verdacht middelen te hebben verduisterd door misbreuk te maken van zijn positie van gouverneur van de nationale bank van Oekraïne [vertrouwelijk].
94 Ten tweede zij met betrekking tot de gestelde afwezigheid van schade bij de nationale bank van Oekraïne opgemerkt dat dit argument ongegrond is, aangezien uit meerdere nieuwe documenten afkomstig van het PG blijkt dat verzoeker ervan wordt verdacht onrechtmatig geldbedragen te hebben overgeschreven voor andere doeleinden dan waarvoor dat was toegekend. Een dergelijke vaststelling komt overeen met de definitie van het begrip „verduistering van overheidsmiddelen” in de rechtspraak, volgens welke dit begrip alle handelingen omvat die bestaan in het onrechtmatige gebruik van middelen die toebehoren aan overheden of aan hun toezicht zijn onderworpen, voor doeleinden in strijd met die waarvoor deze middelen zijn bestemd, in het bijzonder voor privédoeleinden. Om onder dat begrip te vallen, moet dit gebruik dus als gevolg hebben gehad dat de financiële belangen van deze overheden zijn geschaad en dus dat de veroorzaakte schade financieel kan worden begroot (zie in die zin arrest van 7 juli 2017, Arbuzov/Raad, T‑221/15, niet gepubliceerd, EU:T:2017:478, punt 138en aldaar aangehaalde rechtspraak).
95 [vertrouwelijk].
Voortgang van het de strafrechtelijke vervolging van verzoeker
96 Verzoeker betoogt dat er bij de vaststelling van het bestreden besluit meer dan een jaar was verstreken sinds de arrondissementsrechtbank bij de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016 het PG toestemming had gegeven tot vervolging bij verstek, zonder dat het PG de zaak evenwel aanhangig heeft gemaakt bij de rechter. Het onderzoek wordt louter formeel gevoerd, opdat met name de Raad de beperkende maatregelen jegens verzoeker onbeperkt kan verlengen.
97 De Raad is van mening dat de duur van de strafrechtelijke vervolging van verzoeker op zichzelf geen rechtstreekse gevolgen heeft voor de vraag of verzoeker nog steeds voldoet aan de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om zijn naam op de lijst te handhaven. De Raad neemt het tijdsaspect evenwel in overweging bij de herziening van die lijst en vraagt het PG regelmatig om informatie over de voortgang van de lopende procedures.
98 Vaststaat dat de arrondissementsrechtbank het PG bij rechterlijke beslissing van 15 februari 2016 toestemming heeft gegeven de procedure [vertrouwelijk] bij verstek te voeren. Tevens staat vast dat meer dan een jaar na die rechterlijke beslissing de Raad de beperkende maatregelen jegens verzoeker heeft verlengd, terwijl het van het PG informatie had ontvangen dat die procedure zich nog in het stadium van het vooronderzoek bevond, aangezien de zaak nog niet aanhangig was gemaakt bij de Oekraïense strafrechter.
99 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de verwijzing van de Raad naar het feit dat procedures vertraging kunnen oplopen doordat de betrokkene afwezig is, in casu volstrekt niet relevant is, aangezien het PG bij de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016 juist is toegestaan over te gaan tot vervolging bij verstek.
100 In de tweede plaats heeft verzoeker – zoals blijkt uit de door de Raad ingediende stukken in antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht (zie punt 37 hierboven) – in de procedure bij de Raad een vraag gesteld omtrent het gebrek aan voortgang in de procedure [vertrouwelijk], ondanks de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016, die het PG heeft toegestaan over te gaan tot vervolging bij verstek. Aldus heeft verzoeker ten eerste in zijn brief van 4 oktober 2016 aan de Raad de suggestie gedaan het PG te vragen waarom – als de onderzoekers aanvoerden te hebben bewezen dat hij schuldig was – zij de zaak nog niet bij een gerecht aanhangig hadden gemaakt, terwijl het onderzoek al bijna tweeënhalf jaar liep. Ten tweede heeft verzoeker in zijn brief aan de Raad van 14 december 2016, juist nadat hij het bestaan van de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016 in herinnering had gebracht, opnieuw benadrukt dat er geen voortgang zat in de procedure in kwestie, en heeft hij betoogd dat de Oekraïense autoriteiten trachtten de procedure zo lang mogelijk te laten voortslepen teneinde de Raad te voorzien van een grondslag voor het verlengen van de beperkende maatregelen jegens hem. Ten derde heeft verzoeker in zijn brief aan de Raad van 13 januari 2017 duidelijk blijk gegeven van zijn verbazing over het feit dat het PG de zaak betreffende de procedure [vertrouwelijk] nog niet bij een gerecht had aangebracht, gelet met name op het feit dat toestemming was verleend voor vervolging bij verstek, zij het volgens hem onrechtmatig.
101 Tegen de achtergrond van verzoekers opmerkingen, zoals samengevat in punt 100 hierboven, alsmede het feit dat althans sinds de brief van het PG van 25 juli 2016 (zie punt 77 hierboven) de Raad op de hoogte was van het bestaan van de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016, dient de stelling van de Raad dat verzoeker niet met voldoende nauwkeurigheid had betoogd dat er ondanks deze beslissing geen voortgang in de procedure tegen hem zat, te worden verworpen.
102 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Raad bij de Oekraïense autoriteiten om opheldering had moeten vragen over de redenen waarom er geen voortgang zat in de procedure [vertrouwelijk] ondanks de rechterlijke beslissing van 15 februari 2016, net zoals hij dat heeft gedaan met betrekking tot andere aspecten van deze procedure die hem niet voldoende duidelijk leken, met name nadat verzoeker zijn opmerkingen had ingediend.
103 De Raad is het op hem rustende zorgvuldigheidsvereiste dus niet nagekomen, daar verzoekers opmerkingen bij de Raad legitieme vragen hadden moeten oproepen die aanvullende verificaties bij de Oekraïense autoriteiten zouden hebben gerechtvaardigd.
104 Dienaangaande zij erop gewezen dat de vraag niet is of de Raad, gelet op de elementen die hem ter kennis waren gebracht, een einde had moeten maken aan de plaatsing van verzoekers naam op de lijst, maar enkel of hij rekening had moeten houden met die elementen en aanvullende verificaties had moeten verrichten of de Oekraïense autoriteiten om opheldering had moeten vragen. Bijgevolg is het voldoende dat die elementen, zoals in casu het geval is, legitieme vragen kunnen oproepen omtrent het verloop van het onderzoek en de toereikendheid van de door het PG verstrekte informatie.
105 Uit het voorgaande volgt dat de Raad blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout door aan te nemen dat verzoekers opmerkingen over het gebrek aan voortgang in de procedure [vertrouwelijk] geen aanvullende verificaties bij de Oekraïense autoriteiten rechtvaardigden, terwijl die opmerkingen legitieme vragen konden oproepen omtrent de toereikendheid van de door het PG verschafte informatie betreffende de procedure [vertrouwelijk] tegen verzoeker.
106 Bijgevolg dient het derde middel te worden aanvaard en moet het bestreden besluit nietig worden verklaard, zonder dat het nodig is een uitspraak te doen over het tweede en het vierde middel of over de nieuwe bewijzen (zie punt 34 hierboven).
107 Wat het subsidiair gestelde verzoek van de Raad betreft, strekkende tot handhaving van de gevolgen van het bestreden besluit totdat de termijn voor het instellen van een hogere voorziening is verstreken en, mocht een hogere voorziening worden ingesteld, totdat daarover is beslist, volstaat de opmerking dat het bestreden besluit slechts effect heeft gesorteerd tot 6 maart 2018. Bijgevolg heeft de nietigverklaring van dat besluit bij het onderhavige arrest geen gevolgen voor de periode na die datum, zodat het niet nodig is een uitspraak te doen over de vraag over de handhaving van de gevolgen van dat besluit (zie in die zin en naar analogie arrest van 28 januari 2016, Azarov/Raad, T‑331/14, EU:T:2016:49, punten 70‑72).
Kosten
108 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoeker in de kosten worden verwezen.
HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne wordt nietig verklaard voor zover de naam van Sergej Arbuzov is gehandhaafd op de lijst van personen, entiteiten en lichamen waarop die beperkende maatregelen van toepassing zijn.
2) De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.
Berardis Spielmann Csehi Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 juni 2018. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.
( 1 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.