Gerecht EU 6 april 2017, T-219/14, ECLI:EU:T:2017:266
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
van 6 april 2017 ( *1 )
„Staatssteun — Zeevervoer — Compensatie voor openbare dienst — Kapitaalsverhoging — Besluit waarbij de steun onverenigbaar met de interne markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast — Begunstigde onderneming in liquidatie — Behoud van het procesbelang — Geen afdoening zonder beslissing — Begrip steun — Dienst van algemeen economisch belang — Criterium van de particuliere investeerder — Kennelijke beoordelingsfout — Onjuiste rechtsopvatting — Exceptie van onwettigheid — Motiveringsplicht — Rechten van de verdediging — Besluit 2011/21/EU — Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden — EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor openbare dienst — Arrest Altmark”
In zaak T‑219/14,
Regione autonoma della Sardegna (Italië), vertegenwoordigd door T. Ledda, S. Sau, G. M. Roberti, G. Bellitti en I. Perego, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Conte, D. Grespan en A. Bouchagiar als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Compagnia Italiana di Navigazione SpA, gevestigd te Napels (Italië), aanvankelijk vertegenwoordigd door F. Sciaudone, R. Sciaudone, D. Fioretti en A. Neri en vervolgens door M. Merola, B. Carnevale en M. Toniolo, advocaten,
interveniënte,
betreffende een verzoek op grond van artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van besluit C(2013) 9101 final van de Commissie van 22 januari 2014 inzake de steunmaatregelen SA.32014 (2011/C), SA.32015 (2011/C) en SA.32016 (2011/C) die de Regione autonoma della Sardegna ten gunste van Saremar ten uitvoer heeft gelegd, voor zover daarbij een maatregel van compensatie voor openbare dienst en een kapitaalsverhoging als staatssteun zijn aangemerkt, die maatregelen onverenigbaar met de interne markt zijn verklaard en de terugvordering van die steun is gelast,
wijst HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias (rapporteur), president, M. Kancheva en N. Półtorak, rechters,
griffier: J. Palacio González, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 juli 2016,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1. Feitelijke context
1 Saremar – Sardegna Regionale Marittima SpA (hierna: „Saremar”), is een thans in liquidatie zijnde vennootschap die sinds haar oprichting een openbare dienst van cabotage in het zeevervoer, enerzijds, tussen Sardinië (Italië) en de kleine Sardische eilanden, en anderzijds, tussen Sardinië en Corsica (Frankrijk) verzorgde. De openbaredienstverleningstaak van Saremar was aanvankelijk geregeld in een op 17 oktober 1991 met de Italiaanse Staat gesloten overeenkomst voor twintig jaar, die met terugwerkende kracht in werking is getreden op 1 januari 1989 en op 31 december 2008 zou aflopen. Artikel 19 ter van decreto-legge 25 settembre 2009, n. 135, Disposizioni urgenti per l’attuazione di obblighi comunitari e per l’esecuzione di sentenze della Corte di giustizia delle Comunita’ europee, convertito in legge, con modifiche, dalla legge 20 novembre 2009 (voorlopig wetsbesluit nr. 135 van 25 september 2009 houdende spoedeisende bepalingen ter nakoming van communautaire verplichtingen en ter uitvoering van arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met wijzigingen in wet omgezet bij wet nr. 166/2009 van 20 november 2009; hierna: „wet van 2009”) (GURI nr. 223 van 25 september 2009 en GURI nr. 274 van 24 november 2009, gewoon supplement nr. 215), voorzag in de privatisering van Saremar.
2 Saremar behoorde aanvankelijk tot de groep Tirrenia. Deze groep omvatte aanvankelijk nog vijf andere vennootschappen, te weten Tirrenia di Navigazione SpA (hierna: „Tirrenia”), een op nationaal niveau werkzame vennootschap voor cabotage in het zeevervoer die met name de verbindingen tussen Sardinië en het vasteland verzorgde, Adriatica, Caremar en Siremar, op regionaal niveau werkzame vennootschappen voor cabotage in het zeevervoer, en tot slot Fintecna – Finanziaria per i Settori Industriale e dei Servizi SpA. Laatstgenoemde vennootschap bezat 100 % van het kapitaal van Tirrenia, die zelf het volledige kapitaal van bovengenoemde regionale vennootschappen en van Saremar bezat. Het kapitaal van Fintecna was volledig in het bezit van de Italiaanse Staat.
3 Op grond van de bepalingen van artikel 19 ter van de wet van 2009 is het kapitaal van Saremar met het oog op de privatisering van deze vennootschap gratis overgedragen aan Regione autonoma della Sardegna (hierna: „verzoekster” of „RAS”). Diezelfde bepalingen voorzagen ook in het sluiten van een nieuwe openbaredienstovereenkomst tussen Saremar en RAS, die in werking zou treden bij die privatisering. Ten tijde van de feiten van het geding was de privatisering van Saremar echter nog niet voltooid en bezat RAS nog steeds 100 % van het kapitaal van deze vennootschap. Verder werden de openbaredienstverplichtingen van Saremar betreffende de in punt 1 hierboven bedoelde verbindingen tot en met 31 juli 2012 geregeld in het kader van achtereenvolgende verlengingen van de met de Italiaanse Staat gesloten overeenkomst voor twintig jaar. Vanaf 1 augustus 2012 werden deze verplichtingen gehandhaafd in het kader van een tussen Saremar en RAS gesloten overeenkomst, die volgens legge regionale n. 15 del 7 agosto 2012, Disposizioni urgenti in materia di trasporti (regionale wet nr. 15 van 7 augustus 2012 houdende spoedeisende bepalingen op het gebied van vervoer; hierna: „regionale wet nr. 15 van 2012”) (Bollettino ufficiale della Regione autonoma della Sardegna nr. 35, van 9 augustus 2012, blz. 5), van kracht zou blijven tot aan de voltooiing van die privatisering.
4 Terzelfder tijd werd in 2010 Tirrenia te koop gesteld. Deze vennootschap, die bij presidentieel decreet van 5 augustus 2010 onder buitengewoon bewind was geplaatst, heeft tijdens de privatisering ervan de verbindingen tussen Sardinië en het vasteland verder verzorgd. In juli 2012 is deze privatisering afgesloten met de overname van Tirrenia door interveniënte, Compagnia Italiana di Navigazione SpA (hierna: „CIN”), een consortium van particuliere reders die werkzaam waren op dezelfde verbindingen over zee. Daarop is tussen dit consortium en de Italiaanse Staat een nieuwe overeenkomst gesloten. Verder dient te worden gepreciseerd dat deze verbindingen in 2011 werden verzorgd door vier particuliere markdeelnemers, namelijk Moby, Forship, SNAV en Grandi Navi Veloci.
5 Na tal van klachten over de hogere tarieven die de betrokken particuliere marktdeelnemers voor de zomerperiode 2011 hanteerden, heeft de nationale mededingingsautoriteit, Autorità Garante della Concurrenza e del Mercato (Italië, hierna: „AGCM”), een onderzoek geopend. In haar besluit van 11 juni 2013 heeft AGCM geoordeeld dat deze verhoging van de tarieven het resultaat van een met artikel 101 VWEU strijdige onderlinge afstemming was. Bij arrest van 29 januari 2014 heeft de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) dit besluit nietig verklaard.
6 In deze context heeft RAS op 26 april 2011 delibera n. 20/57 (regionaal besluit nr. 20/57) vastgesteld, waarin zij Saremar heeft verzocht te onderzoeken of het mogelijk was om, bij wijze van proef, tijdens de periode van 15 juni tot 15 september 2011 ten minste twee verbindingen tussen Sardinië en het vasteland te verzorgen. RAS heeft daartoe aangevoerd dat de hogere tarieven van de betrokken particuliere marktdeelnemers negatieve gevolgen hadden voor het economische en sociale weefsel van Sardinië, en dat dienaangaande dringend maatregelen moesten worden getroffen. In dat regionale besluit heeft RAS gepreciseerd dat het moest gaan om gemengde verbindingen (personenvervoer en vrachtvervoer) en dat daarbij de economische en financiële haalbaarheid van de activiteit in aanmerking moest worden genomen. Vervolgens heeft RAS bij delibera n. 25/69 (regionaal besluit nr. 25/69), van 19 mei 2011, en delibera n. 27/4 (regionaal besluit nr. 27/4) van 1 juni 2011, in wezen de tarieven goedgekeurd die Saremar had voorgesteld voor, enerzijds, de verbinding Golfo Aranci-Civitavecchia voor de periode tussen 15 juni en 15 september 2011, en anderzijds, de verbinding Vado Ligure-Porto Torres voor de periode tussen 22 juni en 15 september 2011. Bij deze laatste twee regionale besluiten is aan Saremar toestemming verleend om het vastgestelde tariefstelsel te laten schommelen teneinde begrotingsevenwicht te verzoenen met maximale tevredenheid van de consumenten.
7 Op 1 september 2011 heeft RAS delibera n. 36/6 (regionaal besluit nr. 36/6) vastgesteld. In dit regionale besluit heeft RAS Saremar verzocht om, gelet op het feit dat onderbreking van de door Saremar verzorgde dienst van cabotage in het zeevervoer op de verbindingen met het vasteland opnieuw tot een monopoliepositie op deze verbindingen zou leiden, op basis van een commercieel plan bij wijze van proef de haalbaarheid te onderzoeken van een dienst van cabotage in het zeevervoer voor de periode tussen 30 september 2011 en 30 september 2012 op ten minste een van de drie volgende verbindingen: Olbia-Livorno, Porto Torres-Livorno en Cagliari-Piombino. In dit regionale besluit is gepreciseerd dat Saremar bij dit onderzoek rekening diende te houden met de vraag naar vervoer en met de economische en financiële haalbaarheid van de cabotagedienst.
8 In datzelfde regionale besluit heeft RAS verder bepaald, welke maatregelen moesten worden genomen om de verliezen te compenseren die Saremar in het kader van het faillissement van Tirrenia had geleden. Saremar had haar schuldvorderingen op Tirrenia, die 11546403,59 EUR bedroegen, immers met 50 % moeten afwaarderen en had daardoor in 2010 een tekort van 5253530,05 EUR. RAS heeft daarom enerzijds beslist, dit verlies te dekken door het kapitaal van Saremar met 4890950,36 EUR te verminderen nadat de wettelijke reserve en de winsten uit de vorige jaren waren opgebruikt. Anderzijds heeft RAS beslist om – gelet op het feit dat de aandeelhouders van een vennootschap waarvan het kapitaal met meer dan een derde is verminderd, op grond van artikel 2446 van het Italiaanse burgerlijk wetboek verplicht zijn de vennootschap te herkapitaliseren – ten vervolge op bovengenoemde vermindering het kapitaal van Saremar met het hetzelfde bedrag te verhogen. Op 28 maart 2012 heeft de vergadering van aandeelhouders van Saremar die kapitaalsvermindering en op 15 juni 2012 de daaraanvolgende kapitaalsverhoging (hierna: „litigieuze kapitaalsverhoging”) goedgekeurd. Op 11 juli 2012 heeft dezelfde vergadering van aandeelhouders een deel van deze kapitaalsverhoging, te weten 824309,69 EUR, gestort.
9 Op 1 december 2011 heeft RAS delibera n. 48/65 (regionaal besluit nr. 48/65) vastgesteld, waarbij zij Saremar heeft geïnstrueerd, de gemengde verbinding Olbia-Civitavecchia met gebruikmaking van de voor het zomerseizoen 2011 ingezette veerboten onmiddellijk op te starten a rato van één traject per dag tegen het in 2011 toegepaste laagseizoentarief met de mogelijkheid om dit tarief te laten schommelen naargelang van de vraag en het doel, begrotingsevenwicht te bereiken. RAS heeft namelijk op basis van de door Saremar verstrekte analyse geoordeeld dat alleen deze verbinding financieel haalbaar was. Verder heeft RAS in datzelfde regionale besluit voorgeschreven, drie cruiseveerboten met grote capaciteit te huren voor het verzorgen van de verbindingen Olbia-Civitavecchia en Porto Torres-Vado Ligure (of Porto Torres-Genua) in de periode tussen mei en september 2012. Daarnaast heeft zij Saremar opgelegd, een standaardtarief voor alle verbindingen, ongeacht het seizoen, op te stellen dat haar in staat stelt financieel evenwicht te verzoenen met maximale tevredenheid van de consumenten. Vervolgens heeft RAS delibera n. 12/28 (regionaal besluit nr. 12/28), van 20 maart 2012, en delibera n. 22/14 (regionaal besluit nr. 22/14), van 22 mei 2012, opgesteld, waarbij zij Saremar heeft toegestaan, uit de tarieven die deze vennootschap haar voor het zomerseizoen 2012 had voorgelegd, die tarieven te kiezen waarmee begrotingsevenwicht het best kon worden verzoend met het bereiken van de doelstellingen van algemeen belang op de verbindingen Olbia-Civitavecchia en Porto Torres-Vado Ligure.
10 Bij artikel 1, lid 3, van regionale wet nr. 15 van 2012 is 10 miljoen EUR uitgetrokken voor het dekken van „het eventuele tekort” van Saremar als gevolg van de verbindingen die deze vennootschap tussen Sardinië en het vasteland verzorgt (hierna: „litigieuze compensatiemaatregel”). Deze laatste bepaling is door RAS ten uitvoer gelegd in de vorm van twee stortingen, te weten een storting op 6 november 2012 en een storting op 3 december 2012.
2. Administratieve procedure
11 Op 5 oktober 2011 heeft de Europese Commissie de Italiaanse Republiek officieel in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ten aanzien van verschillende maatregelen van de Italiaanse autoriteiten ten gunste van de vennootschappen van de voormalige groep Tirrenia, en bij wege van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2012, C 28, blz. 18) heeft zij de belanghebbenden uitgenodigd, hun opmerkingen in te dienen. Dit besluit had alleen betrekking op de compensaties voor openbare dienst die de Italiaanse Staat tussen 2009 en 2011 had betaald, en op de potentiële steun in het kader van de privatisering van Tirrenia en Saremar.
12 Na de vaststelling van dit besluit heeft de Commissie nieuwe klachten ontvangen, die met name betrekking hadden op bepaalde maatregelen die RAS ten gunste van Saremar had getroffen. Op 12 oktober 2012 hebben de Italiaanse autoriteiten om redenen van rechtszekerheid de litigieuze compensatiemaatregel aangemeld.
13 Op 19 december 2012 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten officieel in kennis gesteld van haar in het Publicatieblad van 22 maart 2013 (PB 2013, C 84, blz. 58) bekendgemaakte besluit tot uitbreiding van de formele onderzoeksprocedure. De Commissie heeft namelijk geoordeeld dat de twijfels die zij in haar inleidingsbesluit had geformuleerd, ook golden voor de compensatie die vanaf januari 2012 aan de vennootschappen van de voormalige groep Tirrenia, en in het bijzonder aan Saremar, was betaald, voor de litigieuze compensatiemaatregel en voor het andere overheidsgeld dat vanaf die datum aan die vennootschap was toegekend.
14 Bij brieven van 13 december 2012 en 26 februari, 3 september, 24 oktober, 13 november en 21 november 2013 heeft RAS opmerkingen ingediend over de maatregelen die zij ten gunste van Saremar had genomen. Saremar en haar concurrenten hebben eveneens opmerkingen ingediend. Verder hebben de Italiaanse autoriteiten bij brieven van 26 september en 25 oktober 2013 geantwoord op verzoeken van de Commissie om aanvullende inlichtingen. Tot slot zijn de betrokken maatregelen het onderwerp geweest van verschillende bijeenkomsten tussen de Commissie, RAS en Saremar (24 april 2012 en 2 mei, 10 juli en 10 oktober 2013) en tussen de Commissie en klaagsters (27 juli en 20 november 2012 en 8 augustus 2013).
15 Bij brief van 14 maart 2013 heeft RAS de Commissie verzocht, het onderzoek van de maatregelen die zij ten gunste van Saremar had getroffen, te scheiden van het onderzoek van de andere maatregelen waarop de formele onderzoeksprocedure betrekking had, en eerstgenoemde maatregelen bij voorrang te behandelen, met name gelet op de op handen zijnde privatisering van Saremar. Ten vervolge op dit verzoek heeft de Commissie op 22 januari 2014 besluit C(2013) 9101 final inzake de steunmaatregelen SA.32014 (2011/C), SA.32015 (2011/C) en SA.32016 (2011/C) die RAS ten gunste van Saremar ten uitvoer heeft gelegd (hierna: „bestreden besluit”) vastgesteld.
3. Bestreden besluit
16 Zoals in punt 15 hierboven is gezegd, heeft het bestreden besluit alleen betrekking op de door RAS ten gunste van Saremar getroffen maatregelen.
17 In het bestreden besluit heeft de Commissie vijf maatregelen onderzocht: in de eerste plaats, de litigieuze compensatiemaatregel, in de tweede plaats, de financiering van de reclameactiviteiten van Saremar, te weten de toekenning van 3 miljoen EUR door RAS aan Saremar om het toerisme in Sardinië te promoten, in de derde plaats, de aan Saremar verleende toestemming om een lening van 3 miljoen EUR op te nemen en een door RAS ten behoeve van de betrokken bank afgelegde intentieverklaring, in de vierde plaats, een tweede intentieverklaring ten gunste van Saremar om deze in staat te stellen, een voorschot in rekening-courant van 5 miljoen EUR te krijgen, en in de vijfde plaats, de litigieuze kapitaalsverhoging.
18 De analyse die de Commissie in het bestreden besluit van de litigieuze compensatiemaatregel heeft gemaakt, bestaat uit vier stappen.
19 In de eerste plaats heeft de Commissie onderzocht of de betrokken compensatiemaatregel steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde. In dit verband heeft de Commissie, na enerzijds te hebben vastgesteld dat die maatregel een overdracht van staatsmiddelen omvatte (overwegingen 161‑165) en anderzijds dat hij selectief was (overweging 166), onderzocht of deze maatregel een economisch voordeel voor Saremar bevatte, door na te gaan of hij voldeed aan de in het arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415), geformuleerde voorwaarden (hierna: „Altmark-voorwaarden” (overwegingen 167‑225). De Commissie heeft de litigieuze compensatiemaatregel allereerst getoetst aan de tweede Altmark-voorwaarde en is daarbij tot de slotsom gekomen dat hij niet aan deze voorwaarde voldeed en Saremar dus een economisch voordeel verleende (overwegingen 173‑179). Zij heeft de betrokken maatregel niettemin ook aan de eerste en de derde Altmark-voorwaarde getoetst en is daarbij tot de slotsom gekomen dat hij evenmin voldeed aan deze voorwaarden (overwegingen 180‑219 en 220‑224). Tot slot heeft de Commissie erop gewezen dat de betrokken maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde en de mededinging kon vervalsen en dat hij bijgevolg staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde (overwegingen 246 en 247).
20 In de tweede plaats is de Commissie nagegaan of de litigieuze compensatiemaatregel kon worden beschouwd als steun die, gelet op de voorwaarden van besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, VWEU op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB 2012, L 7, blz. 3; hierna: „DAEB-besluit van 2011”), waarbij artikel 106, lid 2, VWEU ten uitvoer wordt gelegd, verenigbaar is met de interne markt en is ontheven van de in artikel 108, lid 3, VWEU neergelegde aanmeldingsverplichting. Zij is tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval was (overwegingen 255‑260 van het bestreden besluit).
21 In de derde plaats heeft de Commissie geoordeeld dat Saremar voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden in de zin van haar mededeling van 1 oktober 2004, „Communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden” (PB 2004, C 244, blz. 2; hierna: „richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden”). De Commissie heeft dan ook geoordeeld dat, overeenkomstig punt 9 van haar mededeling van 11 januari 2012, „EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst” (PB 2012, C 8, blz. 15; hierna: „DAEB-kaderregeling van 2011”), de verenigbaarheid van de litigieuze compensatiemaatregel met de interne markt moest worden getoetst aan die richtsnoeren en aan artikel 107, lid 3, onder c), VWEU. De Commissie heeft er echter op gewezen dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan de in deze richtsnoeren gestelde voorwaarden. Zij is daarbij tot de slotsom gekomen dat de maatregel met de interne markt onverenigbare staatssteun vormde (overwegingen 261‑280 van het bestreden besluit).
22 In de vierde plaats heeft de Commissie niettemin, subsidiair, onderzocht of de litigieuze compensatiemaatregel ten aanzien van de voorwaarden van de DAEB-kaderregeling als met de interne markt verenigbare steun kon worden beschouwd ingeval Saremar geen onderneming in moeilijkheden zou vormen. Met name gelet op de vaststellingen zij al in het kader van de toepassing van de Altmark-voorwaarden en van het DAEB-besluit van 2011 had gedaan, is zij tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval was (overwegingen 282‑296 van het bestreden besluit).
23 Met betrekking tot de litigieuze kapitaalsverhoging heeft de Commissie geoordeeld dat de voorwaarden om deze maatregel als staatssteun aan te merken waren vervuld (overwegingen 161‑166 en 235‑247). In het bijzonder heeft zij met betrekking tot de voorwaarde inzake het bestaan van een economisch voordeel vastgesteld dat deze kapitaalsverhoging niet voldeed aan het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie (overwegingen 235‑245). Vervolgens heeft de Commissie geoordeeld dat die kapitaalsverhoging niet voldeed aan de criteria van de richtsnoeren inzake reddings‑ en herstructureringssteun en dus geen met de interne markt verenigbare steun in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kon vormen (overwegingen 297- 299).
24 Volgens artikel 1, lid 1, van het bestreden besluit is de steun die, enerzijds, in de vorm van de litigieuze compensatiemaatregel en, anderzijds, in de vorm van de litigieuze kapitaalsverhoging aan Saremar is toegekend, onverenigbaar met de interne markt en door de Italiaanse autoriteiten in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU onrechtmatig ten uitvoer gelegd. Volgens artikel 1, lid 2, van dit besluit vormen de financiering van de reclameactiviteiten en de afgifte van de in punt 17 hierboven bedoelde intentieverklaringen geen aan Saremar verleende staatssteun. Bij artikel 2, lid 1, van dat besluit wordt terugvordering van de in artikel 1, lid 1, bedoelde met de interne markt onverenigbare staatssteun gelast.
25 Alleen het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de compensatiemaatregel en op de litigieuze kapitaalsverhoging, is het voorwerp van het onderhavige beroep. Ditzelfde deel van dit besluit is overigens het voorwerp van een beroep door Saremar, waarop het vandaag gewezen arrest Saremar/Commissie (T‑220/14) betrekking heeft.
Procedure en conclusies van partijen
26 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 april 2014, heeft RAS het onderhavige beroep ingesteld.
27 Op 8 juli 2014 heeft de Commissie haar verweerschrift ingediend.
28 Bij op 21 juli 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft CIN verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de Commissie. Bij brieven van 10 september 2014 hebben RAS en de Commissie, ieder met betrekking tot zichzelf, een verzoek tot vertrouwelijke behandeling ten aanzien van CIN ingediend en daartoe een niet-vertrouwelijke versie van de betrokken stukken overgelegd. Bij beschikking van de president van de Achtste kamer van 10 oktober 2014 is het verzoek tot interventie van CIN toegewezen. Bij gebreke van bezwaar zijn de door RAS en de Commissie ingediende verzoeken tot vertrouwelijke behandeling toegewezen.
29 De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 26 september en 10 november 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd.
30 De memorie in interventie van CIN is op 16 december 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd. De Commissie en RAS hebben, respectievelijk op 12 februari en 2 maart 2015, hun opmerkingen over deze memorie ingediend.
31 Bij brief van de griffie van het Gerecht van 15 april 2016 zijn partijen in kennis gesteld van de beslissing van de president van het Gerecht om, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, wegens verhindering van een lid van de rechtsprekende formatie een andere rechter aan te wijzen ter vervanging van de verhinderde rechter.
32 Bij brief van de griffie van het Gerecht van 21 april 2016 is de hoofdpartijen verzocht, hun opmerkingen in te dienen over een eventuele voeging van de onderhavige zaak met zaak T‑220/14, Saremar/Commissie (zie punt 25 hierboven) voor de terechtzitting en, voorkomend geval, voor de eindbeslissing. Bij brieven van respectievelijk 28 april en 10 mei 2016 hebben de Commissie, enerzijds, en RAS, anderzijds, laten weten dat zij geen opmerkingen hadden over deze voeging. De Commissie heeft verzocht dat in geval van een dergelijke voeging alleen de niet-vertrouwelijke versie van de processtukken in de onderhavige zaak wordt meegedeeld aan de interveniënten in zaak T‑220/14. RAS heeft verzocht dat in geval van een dergelijke voeging aan de interveniënten in zaak T‑220/14 een niet-vertrouwelijke versie van de bijlagen bij het verzoekschrift wordt meegedeeld die identiek is aan die welke Saremar op 11 juni 2015 in zaak T‑220/14 heeft ingediend ten vervolge op de beschikking van 7 mei 2015, Saremar/Commissie (T‑220/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:320).
33 Bij beschikking van de president van de Achtste kamer van 22 juni 2016 zijn de onderhavige zaak en zaak T‑220/14 gevoegd voor de mondelinge behandeling. Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht beslist tot de mondelinge behandeling over te gaan en in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang heeft het RAS en Saremar met name verzocht, het Gerecht – schriftelijk – bijgewerkte informatie over de economische en financiële situatie van Saremar te verstrekken en in het bijzonder mee te delen of Saremar was toegelaten tot de procedure van akkoord ter voorkoming van faillissement en, in voorkomend geval, hoever deze procedure was gevorderd. Op 11 juli 2016 hebben RAS en Saremar hun respectievelijke antwoord ingediend.
34 Bij brief van 30 juni 2016 heeft Grandi Navi Veloci, interveniënte in zaak T‑220/14, het Gerecht laten weten dat zij afstand deed van haar interventie. Bij beschikking van 19 juli 2016 is deze interveniënte doorgehaald in de gevoegde zaken T‑219/14 en T‑220/14.
35 Ter terechtzitting van 20 juli 2016 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht. Tijdens deze terechtzitting heeft het debat tussen de partijen met name betrekking gehad op de vraag, of enerzijds RAS en anderzijds Saremar in de context van het feit dat deze laatste zich in liquidatie bevindt, nog steeds procesbelang had. Het Gerecht heeft partijen verzocht, schriftelijk hun standpunt over deze kwestie kenbaar te maken en een aantal documenten dienaangaande over te leggen. Op 29 juli 2016 hebben partijen hun opmerkingen ingediend en de door het Gerecht gevraagde documenten overgelegd. Bij besluit van 7 september 2016 is de mondelinge behandeling gesloten.
36 RAS verzoekt het Gerecht: — het bestreden besluit „geheel of ten dele” nietig te verklaren voor zover daarbij de litigieuze compensatiemaatregel en de litigieuze kapitaalsverhoging als staatssteun zijn aangemerkt, is vastgesteld dat deze maatregelen onverenigbaar waren met de interne markt, en terugvordering van de steun is gelast; — overeenkomstig artikel 277 VWEU, artikel 4, onder f), van het DAEB-besluit van 2011 en punt 9 van de DAEB-kaderregeling van 2011 onwettig en niet-toepasselijk te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.
37 RAS verzoekt het Gerecht verder, bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang en van maatregelen van instructie in de zin van de artikelen 64 tot en met 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 de Commissie te ondervragen en haar te verzoeken, bepaalde documenten over te leggen betreffende de in het kader van het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel opgeworpen vragen.
38 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — de RAS te verwijzen in de kosten.
39 CIN verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die van de interventie.
In rechte
1. Procesbevoegdheid en procesbelang
40 Ter terechtzitting en in het kader van haar brief van 29 juli 2016 heeft de Commissie betoogd dat als gevolg van het feit dat Saremar in liquidatie is, het procesbelang van RAS in de loop van het geding is verdwenen. Zij voert dienaangaande aan dat RAS niet van plan is de economische activiteit van Saremar te handhaven. Zij baseert zich daarvoor op de opmerkingen die RAS in het kader van zaak T‑506/14, Grandi Navi Veloci/Commissie, heeft ingediend en waarin RAS impliciet zou hebben erkend dat zelfs in het geval van nietigverklaring van het bestreden besluit de liquidatie van Saremar niet zou kunnen worden stopgezet en deze onderneming haar economische activiteit niet zou kunnen hernemen. De Commissie beroept zich ook op de verklaringen van de president van de RAS, die zijn overgenomen in de motivering van de als bijlage bij haar opmerkingen van 29 juli 2016 gevoegde delibera n. 24/23 (regionaal besluit nr. 24/23), van 22 april 2016, volgens welke „het belang van het regionale bestuur bij de handhaving van Saremar is weggevallen”. Verder is de Commissie van mening dat RAS als schuldeiseres van Saremar uit hoofde van de betaling van de steun er geen belang bij heeft dat het bedrag van deze steun wordt uitgesloten van het passief van de onderneming. Tot slot zou het belang dat RAS erbij heeft dat het Gerecht in zijn arrest vaststelt dat zij in het onderhavige geval geen met de interne markt onverenigbare staatssteun heeft verleend, een abstract en hypothetische belang zijn, aangezien een dergelijke vaststelling geen concreet gevolg zal hebben. De Commissie voert in het bijzonder aan dat, gelet op het arrest van de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) van 16 juli 2013, RAS geen enkel „politiek” voordeel zou halen uit de nietigverklaring van het bestreden besluit, omdat zij niet bevoegd is om de litigieuze maatregelen te nemen. Kortom, de Commissie wijst erop dat het ontbreken van procesbelang het Gerecht tot het oordeel dient te brengen dat op het onderhavige beroep niet hoeft te worden beslist.
41 RAS antwoordt op deze argumenten dat haar procesbelang blijft bestaan wegens, enerzijds, haar hoedanigheid van overheidsinstantie, en anderzijds, haar hoedanigheid van enige aandeelhouder van Saremar. Volgens RAS zijn de keuzes die zij als overheidsinstantie heeft gemaakt om de territoriale continuïteit tussen Sardinië en het vasteland te verzekeren, op losse schroeven gezet in het bestreden besluit, waarin de Commissie heeft verklaard dat er geen openbare dienst en geen openbaredienstverplichtingen nodig zijn. RAS is van mening dat zij er daarom een concreet en actueel belang bij heeft dat de rechtmatigheid van haar besluiten wordt bevestigd door de nietigverklaring van het bestreden besluit. Verder voert zij aan dat, indien dit besluit nietig wordt verklaard, het passief van het akkoord aanzienlijk wordt verminderd, waardoor de vorderingen van de schuldeisers volledig kunnen worden voldaan en haar een liquidatiebonus kan worden betaald.
42 In eerste plaats dient erop te worden gewezen dat de Commissie uitdrukkelijk betoogt dat het Gerecht het onderhavige beroep dient af te doen zonder beslissing omdat verzoekster in de loop van het geding haar procesbelang heeft verloren, maar dat zij de ontvankelijkheid van het beroep niet ter discussie stelt. Het argument van de Commissie dat RAS naar nationaal recht niet bevoegd was om de litigieuze maatregelen te nemen, doet echter zowel de vraag naar het bestaan van verzoeksters procesbevoegdheid als die naar het bestaan van verzoeksters procesbelang op het tijdstip van de instelling van dit beroep rijzen. Dit zijn twee cumulatieve voorwaarden voor de ontvankelijkheid van dit beroep (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 62en aldaar aangehaalde rechtspraak) die het Gerecht in elk geval ambtshalve dient te behandelen (zie beschikkingen van 24 maart 2011, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, T‑36/10, EU:T:2011:124, punt 45en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 mei 2012, UPS Europe en United Parcel Service Deutschland/Commissie, T‑344/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:216, punt 31en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Dienaangaande volgt uit artikel 263 VWEU dat er een duidelijk onderscheid bestaat tussen het in de tweede alinea van dat artikel bedoelde recht van de Unie-instellingen en de lidstaten om een beroep tot nietigverklaring in te stellen en het in de vierde alinea daarvan bedoelde recht van natuurlijke personen en rechtspersonen om een dergelijk beroep in stellen. Zo is volgens de rechtspraak voor de uitoefening van dit recht van beroep door de Unie-instellingen en de lidstaten alleen vereist dat kan worden opgekomen tegen de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, en niet dat die instellingen of lidstaten procesbevoegdheid of een procesbelang hebben (zie in die zin arresten van 8 september 2011, Commissie/Nederland, C‑279/08 P, EU:C:2011:551, punten 35‑42, en 20 september 2012, Frankrijk/Commissie, T‑154/10, EU:T:2012:452, punten 37 en 38).
44 Voor het in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde recht van beroep van natuurlijke personen en rechtspersonen is daarentegen, enerzijds, vereist dat deze personen procesbevoegdheid hebben, dat wil zeggen, volgens de bewoordingen van deze bepaling, dat hun beroep is ingesteld tegen een handeling die tot hen is gericht, tegen een handeling die hen rechtstreeks en individueel raakt of tegen een regelgevingshandeling die hen rechtstreeks raakt en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 59en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Anderzijds is dit recht van beroep van de natuurlijke personen en rechtspersonen afhankelijk van het bestaan van een procesbelang ten tijde van de instelling van het beroep, een ontvankelijkheidsvoorwaarde die verschilt van de procesbevoegdheid. Dit belang moet, net als het voorwerp van het beroep, op straffe van afdoening zonder beslissing nog steeds bestaan op het tijdstip van de uitspraak van de rechterlijke beslissing (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 57 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een dergelijk procesbelang veronderstelt dat de nietigverklaring van de bestreden handeling op zich rechtsgevolgen kan hebben, en dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het beroep heeft ingesteld (arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 42, en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 55). Verder moet het procesbelang van een verzoeker een verkregen en daadwerkelijk belang zijn en mag het geen toekomstige en hypothetische situatie betreffen (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 56en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 In het bijzonder zijn de in de punten 44 tot en met 45 in herinnering gebrachte voorwaarden van toepassing op het beroep tot nietigverklaring dat een subnationale entiteit van een lidstaat op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU kan instellen wanneer die entiteit volgens het interne recht van de betrokken lidstaat rechtspersoonlijkheid heeft (zie in die zin arrest van 10 september 2009, Commissie/Ente per le Ville Vesuviane en Ente per le Ville Vesuviane/Commissie, C‑445/07 P en C‑455/07 P, EU:C:2009:529, punt 42en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Wat allereerst de procesbevoegdheid betreft, volgt uit de rechtspraak inzake staatssteun dat een subnationale entiteit van een lidstaat die de adressaat is van een besluit waarin de Commissie uitspraak doet over de verenigbaarheid met de interne markt en de rechtmatigheid van een door deze lidstaat ingestelde steun, onder bepaalde omstandigheden kan worden geacht door dit besluit rechtstreeks en individueel te worden geraakt. Enerzijds moet deze entiteit als rechtstreeks geraakt worden beschouwd wanneer het bestreden besluit rechtstreekse gevolgen kan hebben voor de door haar vastgestelde handelingen waarbij de litigieuze steun is toegekend, en voor haar verplichtingen inzake terugvordering van deze steun, zonder dat de nationale autoriteiten waaraan het bestreden besluit officieel kennis is gebracht, dienaangaande enige beoordelingsbevoegdheid hebben. Anderzijds moet deze entiteit als individueel geraakt worden beschouwd wanneer zij de auteur is van de handeling of de handelingen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, en dat besluit haar belet haar eigen bevoegdheden naar eigen inzicht uit te oefenen, zodat haar belang bij het opkomen tegen dat besluit verschilt van het belang van de betrokken lidstaat (zie in die zin en naar analogie arresten van 15 juni 1999, Regione Autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie, T‑288/97, EU:T:1999:125, punten 30‑34, en 9 september 2014, Hansestadt Lübeck/Commissie, T‑461/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:758, punt 34).
48 Wat enerzijds de rechtstreekse aantasting van de belangen van RAS betreft, blijkt in het onderhavige geval uit geen enkel stuk dat de Italiaanse Staat, waaraan het bestreden besluit officieel ter kennis is gebracht, bij de mededeling van dat besluit aan verzoekster zijn beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend. Dit besluit kan de rechten en verplichtingen van RAS ter zake van de litigieuze steun dus rechtstreeks aantasten. Wat anderzijds de individuele aantasting van deze belangen betreft, dient erop te worden gewezen dat, zoals uit de in de punten 6 tot en met 10 hierboven bedoelde regionale besluiten en regionale wet nr. 15 van 2012 blijkt, RAS de litigieuze steun heeft toegekend op eigen initiatief en in het kader van haar eigen bevoegdheden als regionale autoriteit belast met de bescherming van de sociaal-economische belangen op het grondgebied van Sardinië en als overheidsinstantie belast met het economische en financiële beheer van Saremar, met name met het oog op de privatisering van deze onderneming. Verder blijkt uit de stukken niet dat de Italiaanse Staat is tussengekomen in het kader van de toekenning van deze steun of bevoegd is om de belangen van RAS dienaangaande te bepalen. Bijgevolg wordt RAS door het bestreden besluit rechtstreeks en individueel geraakt en is zij dus bevoegd om op te komen tegen dit besluit.
49 Zoals uit punt 45 hierboven volgt, volstaan deze omstandigheden weliswaar om de procesbevoegdheid van RAS aan te tonen, maar blijkt daaruit niet noodzakelijk dat RAS ook een procesbelang heeft (zie in die zin en naar analogie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, Jurispr., EU:C:2015:609, punt 62). Daarvoor is immers ook nodig dat de nietigverklaring van het bestreden besluit op zichzelf rechtsgevolgen kan hebben voor RAS en dat de uitkomst van het onderhavige beroep RAS een voordeel kan opleveren.
50 Dienaangaande kan worden volstaan met erop te wijzen dat op de datum van instelling van het beroep het bestreden besluit bezwarend was voor RAS doordat de Commissie daarbij de litigieuze steun onverenigbaar met de interne markt heeft verklaard en de terugvordering ervan heeft gelast. Op die datum kon RAS dus voordeel halen uit de nietigverklaring van het bestreden besluit. Door het enkele feit van de nietigverklaring van dat besluit zouden de rechtsgevolgen van dat besluit voor de geldigheid van de handelingen waarbij RAS de litigieuze steun heeft toegekend, en voor de verplichtingen die daaruit voor haar voortvloeiden, te weten het verbod om die handelingen ten uitvoer te leggen en de verplichting om de betrokken steun terug te vorderen, immers automatisch wegvallen, en zou haar rechtspositie noodzakelijk worden gewijzigd (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 maart 2009, Tirrenia di Navigazione e.a./Commissie, T‑265/04, T‑292/04 en T‑504/04, niet gepubliceerd, EU:T:2009:48, punten 69 en 70).
51 Zoals in punt 40 hierboven is aangegeven, is de Commissie weliswaar van mening dat RAS geen „politiek” voordeel kan halen uit de nietigverklaring van het bestreden besluit, omdat RAS niet bevoegd was om de maatregelen te nemen die voorwerp van dit besluit zijn. Volgens de Commissie is de kwestie, wie bevoegd was om de openbaredienstverplichtingen op de verbindingen tussen Sardinië en het vasteland te bepalen, bij het arrest van de Corte costituzionale van 16 juli 2013 immers in het voordeel van de Italiaanse Staat beslecht. Het standpunt van de Commissie komt er dus op neer dat, zakelijk weergegeven, gelet op het arrest van de Corte costituzionale, alleen de Italiaanse Staat bevoegd was om de door RAS in 2011 en 2012 ingestelde openbare cabotagedienst tot stand te brengen en de litigieuze compensatie daarvoor vast te stellen.
52 Enerzijds dient echter te worden beklemtoond dat, volgens vaste rechtspraak, het niet aan de instellingen van de Unie, in het bijzonder aan de rechterlijke instanties van de Unie, staat om uitspraak te doen over de uit de institutionele regels van het interne recht voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende nationale entiteiten en over de op die entiteiten rustende verplichtingen (beschikking van 21 maart 1997, Waals Gewest/Commissie, C‑95/97, EU:C:1997:184, punt 7, en arrest van 15 juni 1999, Regione Autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie, T‑288/97, EU:T:1999:125, punt 48).
53 Anderzijds staat in elk geval vast dat het argument van de Commissie de in de punten 47 tot en 50 hierboven geformuleerde overwegingen over de procesbevoegdheid en het procesbelang van verzoekster geenszins op losse schroeven zet. Wat de procesbevoegdheid betreft, kan het Gerecht, zoals in punt 48 hierboven is uiteengezet, slechts vaststellen dat RAS de litigieuze steun op eigen initiatief heeft betaald in het kader van de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, en dat de Italiaanse Staat daarin niet is tussengekomen, zodat het belang van RAS om op te komen tegen het bestreden besluit verschilt van het belang van de Italiaanse Staat. Bijgevolg hoeft het Gerecht het arrest van de Corte costituzionale van 16 juli 2013 niet uit te leggen om met betrekking tot de litigieuze compensatiemaatregel na te gaan of RAS, zoals zij betoogt, daadwerkelijk bevoegd was om uit hoofde van de territoriale continuïteit haar eigen dienst van cabotage in het zeevervoer tussen Sardinië en het Italiaanse schiereiland in te stellen. Wat het procesbelang betreft, volgt uit punt 50 hierboven dat het bestreden besluit bezwarend is voor verzoekster en dat deze dus een juridisch voordeel kan halen uit de nietigverklaring ervan. De omstandigheid dat zij, om de door de Commissie uiteengezette redenen, daaruit geen „politiek” voordeel kan halen, is dus niet ter zake dienend. Verder betoogt de Commissie niet dat bovengenoemd arrest van de Corte costituzionale de bevoegdheid van RAS om de litigieuze kapitaalsverhoging toe te kennen op losse schroeven zet.
54 In de tweede plaats dient te worden nagegaan of, zoals de Commissie betoogt, het procesbelang van RAS in de loop van het geding is verdwenen als gevolg van het feit dat Saremar thans in liquidatie is.
55 Dienaangaande blijkt uit de uitleg en de stukken die de partijen op 11 en 29 juli 2016 aan het Gerecht hebben verstrekt, dat Saremar, omdat zij in de onmogelijkheid verkeerde om het reeds ontvangen deel van de steun terug te betalen, heeft verzocht om goedkeuring van een preventief akkoord met het oog op liquidatie, een verzoek dat de Tribunale di Cagliari (rechter in eerste aanleg Cagliari, Italië) op 22 juli 2015 heeft ingewilligd. In dit preventief akkoord is bepaald dat de vorderingen van de schuldeisers van Saremar zullen worden voldaan uit de verkoop en de liquidatie van alle goederen van deze onderneming. De vloot van Saremar is verkocht op 30 december 2015 en op 31 maart 2016 heeft deze vennootschap haar activiteiten stopgezet; daarnaast heeft RAS op 18 maart 2016 de concessie voor de verbinding van Sardinië met de kleine Sardische eilanden aan een andere vennootschap toegekend. Verder heeft RAS in haar antwoord van 11 juli 2016 verklaard dat de afwikkeling van het preventief akkoord van Saremar in een vergevorderd stadium verkeert, aangezien alle vorderingen van de preferente schuldeisers zijn gehonoreerd en in de eerstkomende maanden een eerste verdeling van een aanzienlijk bedrag over de niet-preferente schuldeisers zal worden verricht.
56 Vaststaat echter dat, in weerwil van het feit dat Saremar in liquidatie is, het procesbelang van RAS niet is verdwenen.
57 Enerzijds dient er immers op te worden gewezen dat het bestreden besluit niet is opgeheven of ingetrokken, zodat het onderhavige beroep nog steeds een voorwerp heeft (zie in die zin arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punt 48).
58 Anderzijds sorteert het bestreden besluit ten aanzien van RAS nog steeds rechtsgevolgen die niet zijn vervallen door het enkele feit dat Saremar in liquidatie is. Dienaangaande betwist de Commissie niet dat, zoals RAS en Saremar ter terechtzitting hebben uiteengezet, de omstandigheid dat Saremar in liquidatie is, niet tot gevolg heeft dat Saremar niet meer bestaat, een situatie die slechts na afloop van de liquidatie kan intreden. Zelfs al zouden na het verdwijnen van Saremar de uit het bestreden besluit voortvloeiende verplichtingen geen concrete inhoud meer hebben voor RAS, is dit zeker niet het geval in de periode waarin Saremar in liquidatie is. Daaraan dient te worden toegevoegd dat tot op heden aan het Gerecht niet ter kennis is gebracht dat de liquidatie van Saremar is afgesloten.
59 Als gevolg van het bestreden besluit heeft RAS nog steeds niet het recht om Saremar het deel van de litigieuze kapitaalsverhoging te betalen dat zij, zoals blijkt uit het als bijlage bij het verzoekschrift gevoegde proces-verbaal van de vergadering van de aandeelhouders van Saremar van 11 juli 2012, niet had betaald wegens de aanmelding van die verrichting bij de Commissie.
60 Wat het deel van de litigieuze steun betreft dat RAS al aan Saremar heeft betaald, is het vaste rechtspraak dat de enkele omstandigheid dat de onderneming het voorwerp van een faillissementsprocedure is, met name wanneer die procedure leidt tot liquidatie van de onderneming, niet afdoet aan het beginsel dat de steun moet worden teruggevorderd. In dat geval kunnen het herstel van de vroegere toestand en de opheffing van de distorsie van de mededinging als gevolg van de onrechtmatig verleende steun in beginsel immers gebeuren door de inschrijving van een verplichting tot terugbetaling van de betrokken steun op de passiefzijde van de balans van de onderneming in liquidatie (zie arrest van 1 juli 2009, KG Holding e.a./Commissie, T‑81/07–T‑83/07, EU:T:2009:237, punten 192 en 193 en aldaar aangehaalde rechtspraak). RAS blijft dus op zijn minst verplicht, erop toe te zien dat de schuldvorderingen die zij uit hoofde van het reeds betaalde gedeelte van de litigieuze steun op Saremar heeft, op de passiefzijde van de balans van deze vennootschap worden ingeschreven.
61 In die omstandigheden dient, zonder dat de argumenten van RAS hoeven te worden onderzocht, erop te worden gewezen dat de omstandigheid dat Saremar in liquidatie is, niets afdoet aan de vaststelling in punt 50 hierboven, dat de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoekster een voordeel kan verstrekken, aangezien de op grond van dat besluit op haar rustende verplichtingen daardoor automatisch vervallen, en haar rechtspositie daardoor noodzakelijk wordt gewijzigd.
62 Aan deze overwegingen wordt niet afgedaan door de argumenten van de Commissie.
63 Enerzijds volgt uit deze overwegingen duidelijk dat het antwoord op de vraag of Saremar haar economische activiteit kan voortzetten, en bijgevolg het antwoord op de vraag of RAS belang heeft bij de voortzetting van die activiteit, niet ter zake dienend zijn voor het voortbestaan van het procesbelang van verzoekster. Uit de punten 57 tot en met 60 hierboven volgt immers, dat dienaangaande alleen van belang is, enerzijds, dat het bestreden besluit nog steeds een voorwerp heeft, en anderzijds, dat het nog steeds rechtsgevolgen sorteert voor RAS en voor de besluiten die deze als overheidsinstantie heeft genomen. Om die redenen zijn de in de motivering van regionaal besluit nr. 24/23 (zie punt 40 hierboven) overgenomen verklaringen van RAS in de context van zaak T‑506/14, Grandi Navi Veloci/Commissie, en van de president van RAS, waarop de Commissie zich beroept, in het onderhavige geval niet ter zake dienend. Daarbij komt dat, anders dan de Commissie betoogt, RAS, door in weerwil van deze verklaringen het onderhavige beroep te handhaven, geen inbreuk maakt op het beginsel dat niemand kan opkomen tegen hetgeen hij voorheen heeft erkend (nemo potest venire contra factum proprium).
64 Anderzijds is het, zoals uit de punten 47 tot en met 61 hierboven volgt, niet in haar hoedanigheid van schuldeiseres van Saremar, maar in haar hoedanigheid van overheidsinstantie die de litigieuze steun heeft verleend, dat RAS het recht heeft om het onderhavige beroep in te stellen. Bijgevolg is de omstandigheid dat RAS als schuldeiseres van Saremar geen belang zou hebben bij de nietigverklaring van het bestreden besluit wegens het feit dat laatstgenoemde in liquidatie is, niet ter zake dienend.
65 Tot slot kan het argument dat de Commissie ontleent aan de gestelde onbevoegdheid van RAS om de litigieuze compensatiemaatregel te nemen, om de in de punten 52 en 53 hierboven geformuleerde redenen niet worden aanvaard.
66 Uit een en ander volgt dat RAS nog steeds een procesbelang heeft in het kader van het onderhavige beroep, en dat bijgevolg uitspraak dient te worden gedaan.
2. Ten gronde
67 Het beroep bestaat uit twee onderdelen, waarbij het eerste onderdeel strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit voor zover de Commissie daarbij heeft verklaard dat de litigieuze compensatiemaatregel onverenigbaar is met interne markt en onrechtmatig ten uitvoer is gelegd, en het tweede onderdeel strekt tot nietigverklaring van dit besluit voor zover de Commissie daarbij de litigieuze kapitaalsverhoging onverenigbaar met de interne markt en onrechtmatig heeft verklaard.
Eerste onderdeel van het beroep, betreffende het aan de litigieuze compensatiemaatregel gewijde deel van het bestreden besluit
68 Tegen het aan de litigieuze compensatiemaatregel gewijde deel van het bestreden besluit voert verzoekster formeel vijf middelen aan, die vooral aan onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke beoordelingsfouten zijn ontleend. Het eerste middel betreft de identificatie van de aan Saremar opgelegde openbaredienstverplichtingen, het tweede middel betreft de toepassing van de Altmark-voorwaarden, het derde middel betreft de toepassing van beschikking 2005/842/EG van de Commissie van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel [106, lid 2, VWEU] op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PB 2005, L 312, blz. 67; hierna: „DAEB-beschikking van 2005”) en van het DAEB-besluit van 2011, het vierde middel betreft het als onderneming in moeilijkheden aanmerken van Saremar, en het vijfde middel betreft de toepassing van de beginselen van de DAEB-kaderregeling van 2011.
69 In dit verband dient erop te worden gewezen dat deze middelen vooral betrekking hebben op de rechtmatigheid ten gronde van het bestreden besluit. In het kader van deze middelen voert RAS echter ook aan dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd. Verder stelt RAS in het kader van het vierde middel dat haar rechten van verdediging zijn geschonden als gevolg van de omstandigheid dat de vraag of Saremar een onderneming in moeilijkheden was, tijdens de administratieve procedure niet ter sprake is gekomen. Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat RAS dienaangaande in feite een zesde – van bovengenoemde middelen ten gronde verschillend – middel aanvoert, dat is ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften en bestaat uit twee onderdelen, te weten enerzijds niet-nakoming van de motiveringsplicht en anderzijds schending van de rechten van de verdediging. Dit middel moet afzonderlijk worden onderzocht (zie in die zin arrest van 5 december 2013, Commissie/Edison, C‑446/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:798, punt 20en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 Het Gerecht acht het opportuun, eerst het zesde middel, vervolgens het tweede tot en met het vijfde middel, en tot slot het eerste middel te onderzoeken.
Zesde middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften
– Eerste onderdeel: niet-nakoming van de verplichting tot motivering van het bestreden besluit
71 Ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het zesde middel voert RAS, zakelijk weergegeven, vijf grieven aan. Allereerst dienen de eerste twee grieven samen te worden onderzocht.
72 Als eerste grief wordt aangevoerd dat de identificatie van de aan Saremar opgelegde openbaredienstverplichtingen in het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd. Als tweede grief wordt aangevoerd dat de Commissie niet heeft aangegeven waarom zij geen rekening heeft gehouden met de bewijzen die RAS had aangedragen om aan te tonen dat de aan Saremar opgelegde openbaredienstverplichtingen noodzakelijk waren en voldoende duidelijk waren omschreven.
73 In dit verband dient erop te worden gewezen dat deze twee grieven betrekking hebben op de motivering van het aan de toetsing van de litigieuze compensatiemaatregel aan de eerste Altmark-voorwaarde gewijde deel van het bestreden besluit. Zoals in de punten 123 tot en met 132 hieronder zal worden uiteengezet, was dit onderdeel van het bestreden besluit voor de Commissie niet absoluut noodzakelijk om vast te stellen dat die compensatiemaatregel niet voldeed aan de Altmark-voorwaarden, aangezien de Commissie op goede gronden heeft vastgesteld dat niet was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde. Bijgevolg hebben de in het kader van de toepassing van de eerste Altmark-voorwaarde gestelde fouten van de Commissie geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zonder dat hoeft te worden nagegaan of de eerste grief voldoet aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991, dat van toepassing was ten tijde van de instelling van het beroep, dient dan ook te worden geoordeeld dat de twee betrokken grieven niet ter zake dienend zijn en moeten worden afgewezen.
74 De derde grief betreft ontoereikende motivering in de overwegingen 255 tot en met 260 van het bestreden besluit, waarin de Commissie de litigieuze compensatiemaatregel aan de in het DAEB-besluit van 2011 en de DAEB-beschikking van 2005 geformuleerde voorwaarden heeft getoetst.
75 In de eerste plaats is het vaste rechtspraak dat het vereiste van artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991, volgens hetwelk het verzoekschrift, naast het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten en een summiere uiteenzetting van die middelen moet bevatten, aldus moet worden uitgelegd dat het verzoekschrift, op straffe van niet-ontvankelijkheid van die middelen, een nadere uiteenzetting van de inhoud van die middelen moet bevatten, zodat een louter abstracte vermelding daarvan niet voldoet aan de eisen van dit Reglement. Voor een ter ondersteuning van een middel geformuleerde grief gelden soortgelijke eisen (zie in die zin arresten van 14 februari 2012, Italië/Commissie, T‑267/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:69, punt 35, en 12 september 2013, Besselink/Raad, T‑331/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:419, punten 37‑41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76 In het onderhavige geval dient er echter op te worden gewezen dat verzoekster de inhoud van de derde grief niet nader aangeeft. Zij beperkt zich immers ertoe, in de titel van haar derde middel, betreffende de fouten die de Commissie in de overwegingen 255 tot en met 260 van het bestreden besluit zou hebben gemaakt, melding te maken van een „schending van artikel 296 VWEU” zonder nader aan te geven waarin die schending bestaat. Bijgevolg is deze grief volgens artikel 44, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van 2 mei 1991 niet-ontvankelijk.
77 Als vierde grief wordt in wezen gesteld dat de Commissie in overweging 269 van het bestreden besluit niet nader heeft aangegeven of zij heeft geoordeeld dat de toekenning van een compensatie voor openbare dienst aan een onderneming in moeilijkheden in beginsel uitgesloten was.
78 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 296 VWEU geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 28 januari 2016, Slovenië/Commissie, T‑507/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:35, punt 23en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Verder kan, op het gebied van staatssteun, het feit dat de motivering van het besluit van de Commissie moet zijn afgestemd op de gronden die de belanghebbenden tijdens de formele onderzoeksprocedure hebben aangevoerd, niet met zich meebrengen dat de Commissie alle argumenten moet verwerpen die ter ondersteuning van deze gronden zijn aangevoerd. Het volstaat dat zij de feiten en de juridische overwegingen uiteenzet die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn (zie arrest van 28 januari 2016, Slovenië/Commissie, T‑507/12, niet gepubliceerd, EU:T:2016:35, punt 25en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 In het onderhavige geval was het voor de Commissie niet absoluut noodzakelijk om in overweging 269 van het bestreden besluit nader aan te geven of zij van oordeel was dat de toekenning van een compensatie voor openbare dienst aan een onderneming in moeilijkheden in beginsel uitgesloten was. Het volstond immers dat de Commissie, zoals in die overweging van het bestreden besluit overigens is gebeurd, aangeeft dat, overeenkomstig punt 9 van de DAEB-kaderregeling van 2011 en gelet op feit dat in het onderhavige geval de voorwaarden van het DAEB-besluit van 2011 niet waren vervuld, de verenigbaarheid van die compensatie met de interne markt moest worden beoordeeld tegen de achtergrond van de richtsnoeren inzake reddings‑ en herstructureringssteun. Daaruit blijkt duidelijk welke juridische elementen voor de Commissie doorslaggevend zijn geweest om te oordelen dat die richtsnoeren in het onderhavige geval moesten worden toegepast. Bijgevolg hoefde de Commissie niet nader aan te geven op welke theoretische postulaten haar redenering was gebaseerd, daar overweging 269 van het bestreden besluit, enerzijds, RAS in staat stelde deze redenering te vatten en in het kader van het onderhavige beroep, in het bijzonder in het kader van het vierde middel, die postulaten in twijfel te trekken, en anderzijds, het Gerecht in staat stelde zijn toetsing te verrichten. De vierde grief moet dus worden afgewezen.
81 Als vijfde grief wordt in wezen aangevoerd dat de Commissie niet heeft aangegeven waarom zij in het onderhavige geval de in de punten 14, 19, 20, 39 en 60 van de DAEB-kaderregeling van 2011 genoemde beginselen heeft toegepast, ofschoon volgens punt 61 van die kaderregeling die beginselen niet toepassing zouden zijn op de litigieuze compensatiemaatregel.
82 In dit verband hoeft er slechts op te worden gewezen, zoals de Commissie in haar verweerschrift heeft gedaan, dat de onderhavige grief berust op de premisse dat de litigieuze compensatie voor openbare dienst voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, van het DAEB-besluit van 2011 en dat daardoor, overeenkomstig punt 61 van de DAEB-kaderregeling van 2011, de punten 14, 19, 20, 39 en 60 van die kaderregeling niet van toepassing waren op die compensatie. In een daaraan voorafgaand deel van het bestreden besluit, te weten de overwegingen 255 tot en met 260 van dat besluit, heeft de Commissie echter uiteengezet waarom zij van oordeel was dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het DAEB-besluit van 2011. Bijgevolg was zij niet verplicht, later aan te geven waarom zij de litigieuze compensatie aan de in de punten 14, 19, 20, 39 en 60 van de DAEB-kaderregeling gestelde voorwaarden toetste.
83 In die omstandigheden moet de vijfde grief worden afgewezen en dient het eerste onderdeel van het zesde middel dus in zijn geheel te worden afgewezen.
– Tweede onderdeel: schending van de rechten van de verdediging
84 RAS betoogt dat de Commissie Saremar voor het eerst in het bestreden besluit als onderneming in moeilijkheden heeft aangemerkt. Volgens haar is deze kwestie in de loop van de administratieve procedure nooit het voorwerp van een debat op tegenspraak geweest.
85 De Commissie antwoordt hierop dat de rechten van verdediging van verzoekster in de loop van de administratieve procedure in het onderhavige geval niet kunnen worden aangevoerd.
86 In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de belanghebbenden in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU in het kader van de procedure van toezicht op staatssteun alleen de mogelijkheid hebben om de Commissie alle inlichtingen te doen toekomen die haar tot voorlichting strekken voor haar toekomstig beleid, maar geen aanspraak kunnen maken op een debat op tegenspraak met de Commissie, zoals ten behoeve van de betrokken lidstaat is bepaald. Tot de belanghebbenden in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU behoren niet alleen de ontvangers van de steun of, in voorkomend geval, hun concurrenten, maar de ook subnationale entiteiten die de steun hebben toegekend, zoals RAS in het onderhavige geval (zie in die zin arresten van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C‑106/09 P en C‑107/09 P, EU:C:2011:732, punt 181en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 mei 2011, Région Nord-Pas-de-Calais en Communauté d’Agglomération du Douaisis/Commissie, T‑267/08 en T‑279/08, EU:T:2011:209, punt 87en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg levert de omstandigheid dat in de loop van de formele onderzoeksprocedure tussen RAS en de Commissie geen debat op tegenspraak heeft plaatsgevonden over de kwestie of Saremar als een onderneming in moeilijkheden moest worden aangemerkt, in het onderhavige geval geen schending van de rechten van verdediging van verzoekster op. In elk geval werd, zoals de Commissie terecht heeft beklemtoond, in de overwegingen 260 en 261 van het besluit waarbij de formele onderzoeksprocedure is geopend, uitdrukkelijk melding gemaakt van de hypothese dat Saremar een onderneming in moeilijkheden was, maar werd daaraan toegevoegd dat de Commissie op dat ogenblik geen aanwijzingen daarvoor had. Het stond dus aan RAS om in de loop van die procedure gebruik te maken van de haar geboden mogelijkheid om opmerkingen en informatie over deze kwestie in te dienen, indien zij dat noodzakelijk achtte.
87 Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het zesde middel, en dus het zesde middel in zijn geheel, te worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van artikel 106, lid 2, VWEU en kennelijke beoordelingsfouten van de Commissie bij de toepassing van de Altmark-voorwaarden
88 Het tweede middel betreft de toepassing van de eerste drie Altmark-voorwaarden door de Commissie in de overwegingen 167 tot en met 224 van het bestreden besluit. Dit middel bestaat uit vijf onderdelen. De eerste drie onderdelen betreffende de eerste Altmark-voorwaarde, terwijl het vierde en het vijfde onderdeel betrekking hebben op, respectievelijk, de tweede en de derde Altmark-voorwaarde. RAS is, zakelijk weergegeven, van mening dat de kennelijke beoordelingsfouten die de Commissie in het kader van de toepassing van deze voorwaarden heeft gemaakt, een schending van artikel 107, lid 1, VWEU en van artikel 106, lid 2, VWEU opleveren.
89 Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat het Gerecht het door RAS ter ondersteuning van de verschillende onderdelen van het tweede middel gevoerde betoog alleen ten aanzien van een gestelde schending van artikel 107, lid 1, VWEU en niet ten aanzien van een gestelde schending van artikel 106, lid 2, VWEU ten gronde dient te onderzoeken. De Altmark-voorwaarden dienen immers alleen voor de kwalificatie van de betrokken maatregel als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, teneinde te bepalen of deze maatregel bij de Commissie moest worden aangemeld, ingeval het nieuwe steun betreft, dan wel of met de Commissie moest worden samengewerkt, ingeval het bestaande steun betreft (zie in die zin en naar analogie arrest van 1 juli 2010, M6 en TF1/Commissie, T‑568/08 en T‑573/08, EU:T:2010:272, punten 128 en 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze voorwaarden zien daarentegen niet op de toetsing van die steun aan artikel 106, lid 2, VWEU, omdat deze toetsing per definitie impliceert dat de maatregel vooraf als staatssteun is aangemerkt. Bijgevolg is het onderhavige middel niet ter zake dienend voor zover het aan schending van artikel 106, lid 2, VWEU is ontleend.
90 Verder dient eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak voor de kwalificatie als steunmaatregel van de staat is vereist dat is voldaan aan alle voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU. Het gaat daarbij om de volgende voorwaarden: ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd, ten tweede moet deze maatregel het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, ten derde moet de maatregel de begunstigde een voordeel verschaffen en ten vierde moet hij de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen (zie arrest van 22 oktober 2015, EasyPay en Finance Engineering, C‑185/14, EU:C:2015:716, punt 35en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91 Aldus moet volgens artikel 107, lid 1, VWEU voor de kwalificatie als staatssteun met name sprake zijn van een voordeel dat aan een onderneming wordt toegekend. Zoals het Hof in punt 87 van zijn arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415), heeft geoordeeld, is artikel 107, lid 1, VWEU echter niet van toepassing op een overheidsmaatregel die wordt beschouwd als een compensatie die de tegenprestatie vormt voor de prestaties die de begunstigde ondernemingen hebben verricht om openbaredienstverplichtingen uit te voeren, zodat deze ondernemingen in werkelijkheid geen financieel voordeel ontvangen, en die maatregel dus niet tot gevolg heeft dat deze ondernemingen, vergeleken met ondernemingen die met hen concurreren, in een gunstiger mededingingspositie worden geplaatst (arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, EU:C:2003:415, punt 87, en 22 oktober 2015, EasyPay en Finance Engineering, C‑185/14, EU:C:2015:716, punt 45).
92 Opdat een dergelijke compensatie in een concreet geval echter niet als staatssteun kan worden aangemerkt, moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste moet de begunstigde onderneming daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en moeten die verplichtingen duidelijk zijn omschreven. Ten tweede moeten de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf op objectieve en doorzichtige wijze zijn vastgesteld, om te vermijden dat de compensatie een economisch voordeel bevat waardoor de begunstigde onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen wordt bevoordeeld. Ten derde mag de compensatie niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen geheel of gedeeltelijk te dekken, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van die verplichtingen. Ten vierde moet, wanneer de met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen te belasten onderneming niet wordt gekozen in het kader van een openbare aanbesteding, de noodzakelijke compensatie worden vastgesteld op basis van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming, die zodanig met middelen is uitgerust dat zij aan de vereisten van de openbare dienst kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren, rekening houdend met de opbrengsten alsmede met een redelijke winst uit de uitvoering van deze verplichtingen (arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, EU:C:2003:415, punten 88‑93, en 11 maart 2009, TF1/Commissie, T‑354/05, EU:T:2009:66, punt 128).
93 Bijgevolg kan een overheidsmaatregel die niet voldoet aan één of meer van de Altmark-voorwaarden, als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden beschouwd voor zover is voldaan aan de andere in dat artikel bedoelde voorwaarden om een maatregel als steun aan te merken (zie in die zin arresten van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, EU:C:2003:415, punt 94, en 11 maart 2009, TF1/Commissie, T‑354/05, EU:T:2009:66, punt 129).
94 Uit het voorgaande volgt dat de Altmark-voorwaarden, waaraan moet worden voldaan om een overheidsmaatregel in de vorm van een compensatie voor openbare dienst niet als staatssteun aan te merken, cumulatieve voorwaarden zijn. Bovendien verschillen deze voorwaarden van elkaar en heeft elke voorwaarde een specifiek doel (arrest van 18 februari 2016, Duitsland/Commissie, C‑446/14 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:97, punt 31). Zo is de Commissie in het kader van het toezicht op de steunmaatregelen van de staten niet verplicht al deze voorwaarden te behandelen wanneer zij vaststelt dat niet is voldaan aan een of meer van deze voorwaarden (zie in die zin arrest van 11 maart 2009, TF1/Commissie, T‑354/05, EU:T:2009:66, punten 142, 143 en 146). Verder kan de onjuistheid van de vaststelling van de Commissie dat aan een van deze voorwaarden niet is voldaan, niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden wanneer de Commissie met betrekking tot een andere Altmark-voorwaarde een soortgelijke vaststelling heeft gedaan die niet onjuist is. Deze laatste vaststelling volstaat immers op zichzelf voor de slotsom dat de litigieuze maatregel een economisch voordeel verleent op grond waarvan hij als staatssteun kan worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 26 november 2015, Abertis Telecom en Retevisión I/Commissie, T‑541/13, niet gepubliceerd, waartegen hogere voorziening is ingesteld, EU:T:2015:898, punten 64 en 112).
95 In die omstandigheden lijkt het passend, in het onderhavige geval de verschillende onderdelen van het onderhavige middel samen te onderzoeken. Elk van deze onderdelen betreft immers een van de Altmark-voorwaarden en bijgevolg kan geen enkel onderdeel op zichzelf tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.
96 Verder heeft de Commissie, zoals uit overweging 173 van het bestreden besluit blijkt, geoordeeld dat het voor de duidelijkheid beter was haar onderzoek of de litigieuze compensatiemaatregel aan de Altmark-voorwaarden voldeed, te beginnen met de toetsing van deze maatregel aan de tweede Altmark-voorwaarde. Bovendien is zij in overweging 179 van dat besluit aan het einde van die toetsing tot de slotsom gekomen dat niet was voldaan aan deze voorwaarde, en dat de compensatie voor openbare dienst Saremar dus een voordeel verleende in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Pas na deze toetsing heeft de Commissie achtereenvolgens de eerste Altmark-voorwaarde (overwegingen 180‑219 van het bestreden besluit) en de derde Altmark-voorwaarde (overwegingen 220‑223 van het bestreden besluit) behandeld. Zo dienen in de eerste plaats de door RAS ter ondersteuning van het vierde onderdeel van het onderhavige middel aangevoerde argumenten betreffende onjuiste rechtsopvattingen en beoordelingsfouten van de Commissie in het kader van de toepassing van de tweede Altmark-voorwaarde te worden onderzocht.
97 RAS betoogt, zakelijk weergegeven, dat de tweede Altmark-voorwaarde niet eist dat de besluiten waarbij een openbaredienstopdracht wordt gegeven, uitdrukkelijk zien op de betrokken compensatiemaatregel. Het zou volstaan dat, zoals in het onderhavige geval, alle organisatie- en exploitatiecriteria voor deze openbare dienst vooraf op doorzichtige en objectieve en wijze worden vastgesteld, zodat kan worden uitgemaakt welke kosten en inkomsten daaraan verbonden zijn. Bovendien zou de invoering van een gescheiden boekhouding voor de exploitatie van de verbindingen met het vasteland door Saremar in het onderhavige geval elke overcompensatie en kruisfinanciering hebben voorkomen. Verder is RAS van mening dat zij een exploitatietekort niet heeft uitgesloten, aangezien zij Saremar had opgelegd, haar openbaredienstverleningstaak in elk geval te vervullen. Tot slot stelt RAS dat beschikking 2009/611/EG van de Commissie van 8 juli 2008 betreffende steunmaatregel C 58/02 (ex N 118/02) die door Frankrijk is toegekend aan Société Nationale Maritime Corse-Méditerranée (SNCM) (PB 2009, L 225, blz. 180; hierna: „SNCM-beschikking”), bevestigt dat de Commissie een achteraf betaalde compensatie voor openbare dienst kan goedkeuren.
98 Als verweer hiertegen herhaalt de Commissie in wezen hetgeen zij in de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit heeft gezegd en op grond waarvan zij tot de slotsom is gekomen dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde. Bovendien stelt zij dat de SNCM-beschikking niet ter zake dienend is. In haar interventie schaart CIN zich in wezen achter dit betoog.
99 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat, om in overweging 179 van het bestreden besluit tot de slotsom te komen dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde, de Commissie in de overwegingen 174 tot en met 177 van dit besluit heeft geoordeeld dat de parameters voor de berekening van de litigieuze compensatie niet konden worden geacht vooraf op objectieve en doorzichtige wijze te zijn vastgesteld. Zij heeft er namelijk op gewezen dat de besluiten waarbij de openbaredienstverleningstaak van Saremar is omschreven, niet voorzagen in enige compensatie en dat deze zelfs was uitgesloten. Volgens het bestreden besluit berustten bovengenoemde besluiten van RAS aldus op het postulaat dat Saremar deze openbaredienstverleningstaak op rendabele wijze, of op zijn minst met handhaving van begrotingsevenwicht, diende te vervullen, en is pas later, nadat was gebleken dat die taak een tekort veroorzaakte, een compensatiemechanisme ingesteld (overwegingen 174‑177 van het bestreden besluit). Zij heeft daaraan toegevoegd dat, zoals zij later in het kader van de toepassing van de eerste Altmark-voorwaarde zou uiteenzetten, aangezien de verplichtingen inzake de hoogte van de tarieven niet duidelijk waren omschreven, de parameters voor de berekening van de compensatie, die noodzakelijkerwijze verband houden met hoogte van deze tarieven, zelf evenmin vooraf op objectieve en doorzichtige wijze konden zijn vastgesteld (overweging 178 van het bestreden besluit).
100 In dit verband betreft, zoals in punt 92 hierboven in herinnering is gebracht, de tweede Altmark-voorwaarde de noodzaak om de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, vooraf op objectieve en doorzichtige wijze vast te stellen om te vermijden dat de compensatie een economisch voordeel bevat waardoor de begunstigde onderneming ten opzichte van concurrerende ondernemingen wordt bevoordeeld.
101 Het Gerecht heeft er immers herhaaldelijk op gewezen dat de lidstaten niet alleen bij de omschrijving van een openbaredienstverleningstaak, waarop de eerste Altmark-voorwaarde betrekking heeft, over een ruime beoordelingsmarge beschikken, maar ook bij vaststelling van de compensatie voor de kosten van die openbare dienst. Bij ontbreken van een Unieregeling ter zake van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) is de Commissie aldus niet bevoegd zich uit te spreken over de omvang van de openbaredienstverleningstaken van de openbare exploitant, in het bijzonder over de hoogte van de daarmee gepaard gaande kosten, noch over de opportuniteit van de politieke keuzen van de nationale autoriteiten, noch over de economische efficiëntie van de openbare exploitant (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, Zweckverband Tierkörperbeseitigung/Commissie, T‑309/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:676, punten 104 en 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102 Het is overigens juist omdat deze vaststelling van de compensatie voor openbare dienst slechts aan een beperkte toetsing door de instellingen is onderworpen, dat de tweede Altmark-voorwaarde eist dat de instellingen moeten kunnen nagaan of er sprake is van vooraf vastgestelde objectieve en doorzichtige parameters, waarbij deze parameters aldus moeten worden gepreciseerd dat de lidstaat geen misbruik van het begrip DAEB kan maken om aan de openbare exploitant een economisch voordeel in de vorm van een compensatie te verlenen (zie in die zin arrest van 16 juli 2014, Zweckverband Tierkörperbeseitigung/Commissie, T‑309/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:676, punt 148en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103 Deze voorwaarde laat de lidstaten dus vrij in de keuze van de wijze waarop zij in de praktijk aan deze voorwaarden voldoen, mits de parameters voor de berekening van de compensatie op objectieve en doorzichtige wijze worden vastgesteld. Het oordeel van de Commissie dienaangaande moet berusten op een analyse van de concrete juridische en economische omstandigheden ten aanzien waarvan deze parameters zijn bepaald (zie in die zin arrest van 7 november 2012, Shell CBI/Commissie, T‑137/10, EU:T:2012:584, punt 192en aldaar aangehaalde rechtspraak).
104 In het onderhavige geval staat vast dat de analyse die de Commissie in de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit heeft verricht en waarin zij in het bijzonder wijst op het ontbreken van een voorafgaande voorziening in een compensatie, geen fouten bevat.
105 Uit de stukken blijkt immers dat geen enkel van de in de punten 6 tot en met 9 hierboven bedoelde regionale besluiten waarbij RAS aan Saremar de opdracht heeft gegeven, verbindingen met het vasteland te verzorgen, en de desbetreffende openbaredienstverplichtingen nader heeft bepaald, uitdrukkelijk of zelfs stilzwijgend voorziet in de betaling van een compensatie voor openbare dienst ter hoogte van de lasten die de uitvoering van die verplichtingen met zich meebrengt. Integendeel, zoals de Commissie in de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit heeft beklemtoond, zijn in al deze besluiten aan Saremar richtsnoeren gegeven voor het bepalen van de verbindingen en van de toe te passen tarieven en voor het laten schommelen van die tarieven om de vraag naar vervoer in overeenstemming te brengen met het doel, economisch en financieel evenwicht te bewaren. Deze besluiten berustten dus op het postulaat dat deze openbaredienstverplichtingen onder marktvoorwaarden en dus met behoud van de levensvatbaarheid van de activiteit zonder een door RAS betaalde compensatie voor openbare dienst moesten worden uitgevoerd. Daarbij komt dat, zoals de Commissie in overweging 177 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, regionaal besluit nr. 48/65, ter rechtvaardiging van de verplichting om op de verbindingen met het vasteland het economische evenwicht te bewaren, uitdrukkelijk verwijst naar het doel, het betalen van met de interne markt onverenigbare staatssteun te vermijden.
106 In die omstandigheden heeft de Commissie terecht geoordeeld dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan het vereiste inzake voorafgaande vaststelling van objectieve en doorzichtige de parameters voor de berekening van de compensatie voor openbare dienst. Dit kon immers niet het geval zijn in een situatie waarin RAS geen bepalingen had vastgesteld die in de toekenning van een dergelijke compensatie voorzagen, en in het kader van nadere bepalingen inzake de organisatie van de betrokken openbare dienst als welke in punt 105 hierboven zijn beschreven, die deze compensatie althans in beginsel uitsloten. Zoals in punt 103 hierboven in herinnering is gebracht, beschikken de nationale autoriteiten volgens de rechtspraak in het kader van de tweede Altmark-voorwaarde over een ruime beoordelingsbevoegdheid voor de vaststelling van nadere regels voor de berekening van de betrokken compensatie voor openbare dienst. In het kader daarvan ontheft deze beoordelingsbevoegdheid de nationale autoriteiten echter niet van de verplichting om vooraf te voorzien in een compensatie voor openbare dienst. Het vooraf vaststellen van de nadere bepalingen voor de berekening van deze compensatie is aldus noodzakelijk om te voldoen aan de tweede Altmark-voorwaarde en vooronderstelt per definitie dat ook vooraf is beslist een dergelijke compensatie te verlenen.
107 Zoals de Commissie in dupliek, zakelijk weergegeven, heeft opgemerkt, staat het de nationale autoriteiten overigens vrij om, wanneer zij dat passend achten, te voorzien in een openbaredienstverleningstaak waarvan het financiële evenwicht volledig wordt verzekerd door de inkomsten uit exploitatie zonder dat daar een compensatie voor openbare dienst bijkomt. De oplegging van openbaredienstverplichtingen impliceert weliswaar in de regel dat aan de betrokken exploitant als tegenprestatie een compensatie wordt verleend. Bij ontbreken van een Unieregeling ter zake van DAEB verzet het Unierecht zich echter niet ertegen dat niet in een dergelijke compensatie voor openbare dienst wordt voorzien. Zoals de Commissie in overweging 174 van het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt, had de door RAS in het kader de in de punten 6 tot en met 9 hierboven bedoelde regionale besluiten aan Saremar toegekende beoordelingsmarge om de tarieven aan passen, in het onderhavige geval juist tot de doel, deze vennootschap in staat te stellen het financiële en economische evenwicht van haar activiteit onder marktvoorwaarden te handhaven zonder financiering door de overheid nodig te hebben.
108 De gezegd zijnde, kan in dit kader, waarin financiering uit openbare middelen van de taak van Saremar was uitgesloten, de litigieuze compensatiemaatregel, die achteraf wegens het uit die activiteit voortvloeiende exploitatietekort is vastgesteld, niet als een compensatie voor openbare dienst in de zin van het arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415) worden aangemerkt. Aangezien niet vooraf in die compensatie was voorzien vastgesteld, kon deze immers niet worden berekend op basis van objectieve en doorzichtige parameters die eveneens vooraf waren vastgesteld, zoals de tweede Altmark-voorwaarde eist. Zoals de Commissie in overweging 176 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, heeft RAS pas in het kader van regionale wet nr. 15 van 2012 beslist, Saremar een subsidie van 10 miljoen EUR te betalen om „het eventuele tekort te dekken” dat uit de door deze vennootschap verzorgde verbindingen met het vasteland voortvloeit. Bovendien wordt in deze regionale wet niet aangegeven, op basis van welke parameters het bedrag van deze subsidie is bepaald.
109 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie alleen al op basis van de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit op goede gronden heeft kunnen oordelen dat in het onderhavige geval niet was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde.
110 De door RAS in het kader van het vierde onderdeel van het tweede middel voorgedragen argumenten kunnen deze slotsom niet op losse schroeven zetten.
111 In de eerste plaats is volstrekt ongegrond, het argument van RAS, dat het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing naar een compensatie voor openbare dienst in de regionale besluiten waarbij aan Saremar een openbaredienstverleningstaak is opgedragen, niet in strijd is met de tweede Altmark-voorwaarde.
112 Enerzijds vindt dit argument namelijk geen steun in de DAEB-kaderregeling van 2011 en evenmin in de mededeling van de Commissie van 11 januari 2012 betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB 2012, C 8, blz. 4), waarop RAS zich baseert. Zoals verzoekster zelf verklaart, volgt uit deze mededelingen immers alleen dat de Commissie van mening is dat de bevoegde nationale autoriteiten niet verplicht zijn het juiste bedrag van de compensatie of een bepaalde formule voor de berekening van dat bedrag vooraf vast te stellen. Uit deze mededelingen volgt echter geenszins dat de Commissie heeft geoordeeld dat deze autoriteiten, zoals RAS, konden nalaten vooraf te voorzien in de betaling van een compensatie. In dit verband kan, zoals in punt 106 hierboven is gezegd, de beoordelingsbevoegdheid waarover de nationale autoriteiten voor de vaststelling van de parameters voor de berekening van een compensatie voor openbare dienst beschikken, deze autoriteiten per definitie niet ontheffen van de verplichting om vooraf te voorzien in een dergelijke compensatie.
113 Anderzijds kan de SNCM-beschikking evenmin ter ondersteuning van dit argument worden aangevoerd. Zoals de Commissie terecht in herinnering heeft gebracht, is het immers vaste rechtspraak, dat de rechtmatigheid van een besluit waarbij een compensatie voor openbare dienst als staatssteun wordt aangemerkt, uitsluitend dient te worden getoetst aan artikel 107, lid 1, VWEU, zoals dit is uitgelegd in het arrest van 24 juli 2003,Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg (C‑280/00, EU:C:2003:415), en niet aan een eerdere, zij het vaste, praktijk (zie in zin en naar analogie arrest van 15 juni 2005, Regione autonoma della Sardegna/Commissie, T‑171/02, EU:T:2005:219, punt 177en aldaar aangehaalde rechtspraak). Verder en elk geval vindt, zoals de Commissie in dupliek heeft opgemerkt, het argument van verzoekster geen steun in de SNCM-beschikking. Anders dan verzoekster in repliek heeft betoogd, volgt uit overweging 253 van deze beschikking, dat in de aan SNCM verleende compensatie voor openbare dienst, anders dan in de litigieuze compensatie, vooraf was voorzien in de tussen de Franse autoriteiten en deze onderneming gesloten overeenkomst waarbij de openbaredienstopdracht was verleend. In diezelfde SNCM-beschikking heeft de Commissie overigens geoordeeld dat die compensatie, gelet op de Altmark-voorwaarden, staatssteun vormde.
114 In de tweede plaats zijn de omstandigheid dat alle criteria die noodzakelijk zijn om de kosten en de inkomsten van de betrokken openbare dienst exact te bepalen en te berekenen, zijn omschreven in de besluiten van RAS waarbij de opdracht aan Saremar is verleend, en de omstandigheid dat bij regionaal besluit nr. 20/57 voor die openbare dienst een systeem van gescheiden boekhouding is ingevoerd, niet van dien aard dat zij het bestaan van een onjuiste rechtsopvatting of van een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie bij de toepassing van de tweede Altmark-voorwaarde aantonen.
115 Enerzijds is het postulaat waarop het eerste van de in punt 114 hierboven vermelde argumenten berust, onjuist. Zoals RAS zelf in het verzoekschrift heeft erkend, waren immers niet alle criteria die noodzakelijk waren om de kosten en de inkomsten van de betrokken openbare dienst exact te bepalen en te berekenen, vooraf bepaald, aangezien de regionale besluiten waarbij de opdracht aan Saremar is verleend, geen rekening hielden met de te verwachten omvang van het verkeer op de door deze onderneming te verzorgen verbindingen met het vasteland. Dit is echter overduidelijk een veranderlijke grootheid die van wezenlijk belang is voor het al dan niet bereiken van economisch evenwicht met de betrokken activiteit en dus voor de berekening van de compensatie die in voorkomend geval nodig is om dat evenwicht te bereiken. RAS erkent aldus impliciet, maar noodzakelijk, dat in bovengenoemde regionale besluiten geen rekening is gehouden met een beslissend element voor de vaststelling van objectieve parameters voor de berekening van het bedrag van de compensatie.
116 Anderzijds is de omstandigheid dat die regionale besluiten de identificatie van de voor de berekening van een eventuele compensatie noodzakelijke boekhoudkundige gegevens vergemakkelijkten, in het onderhavige geval niet doorslaggevend. Immers, zelfs indien deze omstandigheid zou zijn aangetoond, dan nog kan zij het effect van het ontbreken, in die besluiten, van bepalingen die voorzien in de toekenning van een compensatie voor openbare dienst, en bijgevolg evenmin het ontbreken van objectieve en doorzichtige parameters voor de berekening daarvan, niet wegnemen. In het bijzonder dient te worden beklemtoond dat niets in die regionale besluiten erop wijst dat de boekhoudkundige gegeven waar RAS op wijst, voor de berekening van het bedrag van een compensatie voor openbare dienst moesten worden gebruikt, daar een dergelijke compensatie, zoals in punt 106 hierboven is gezegd, in beginsel was uitgesloten.
117 Daarbij komt dat, zoals de Commissie aanvoert, uit de bewoordingen van regionaal besluit nr. 20/57 volgt dat het bij dit besluit ingevoerde systeem van gescheiden boekhouding tot doel had, het economische en financiële evenwicht van het onder marktvoorwaarden verlenen van de betrokken openbare dienst te garanderen. In het bijzonder was dit systeem van gescheiden boekhouding, zoals RAS zelf in haar verzoekschrift heeft verklaard, met name erop gericht, te vermijden dat de aan deze openbare dienst verbonden lasten zouden worden gecompenseerd door de inkomsten uit de verbindingen met de kleine Sardische eilanden en met Corsica, die Saremar in het kader van een openbaredienstovereenkomst verzorgde, welke verbindingen met name een in het kader van die overeenkomst betaalde compensatie voor openbare dient omvatten.
118 Ten slotte kan RAS zich niet met succes beroepen op de omstandigheid dat de voorafgaande identificatie van de relevante boekhoudkundige gegevens in de regionale besluiten waarbij de openbaredienstopdracht is verleend, en de invoering van een gescheiden boekhouding, overcompensatie konden voorkomen.
119 Zoals in punt 92 hierboven in herinnering is gebracht, is het vereiste inzake het ontbreken van overcompensatie immers relevant in het kader van de toetsing aan de derde Altmark-voorwaarde, maar niet in het kader van de toetsing aan de tweede voorwaarde, in het kader waarvan alleen mag worden nagegaan of er vooraf objectieve en doorzichtige parameters voor de berekening van het bedrag van die compensatie zijn vastgesteld. Ook al zijn deze voorwaarden tot op zekere hoogte onderling verweven, dit neemt niet weg dat, zoals in punt 94 hierboven is gezegd, de litigieuze compensatiemaatregel slechts dan aan de kwalificatie als staatssteun kan ontsnappen, wanneer aan al deze voorwaarden afzonderlijk is voldaan.
120 Verzoekster beroept zich dienaangaande vergeefs op punt 210 van het arrest van 12 februari 2008, BUPA e.a./Commissie (T‑289/03, EU:T:2008:29). In dat punt heeft het Gerecht immers vastgesteld dat de Commissie in de in dat geding aan de orde zijnde beschikking had onderzocht of er in dat geval sprake was van overcompensatie, hetgeen relevant was in het kader van de toetsing aan de derde Altmark-voorwaarde. Het Gerecht heeft, zakelijk weergegeven, daaruit afgeleid dat de Commissie impliciet, maar noodzakelijk, vooraf was nagegaan of er objectieve en doorzichtige parameters voor de berekening van het bedrag van de betrokken compensatie waren vastgesteld, hetgeen onder de tweede Altmark-voorwaarde viel. In punt 211 van dat arrest heeft het Gerecht daaruit geconcludeerd dat het diende na te gaan of Commissie op goede gronden heeft kunnen oordelen dat aan deze tweede voorwaarde was voldaan. Punt 210 van dat arrest, in de context ervan bezien, biedt dus helemaal geen steun voor het argument van verzoekster, maar bevestigt dat moet worden nagegaan of er vooraf objectieve en doorzichtige parameters voor het bepalen van het bedrag van de litigieuze compensatie zijn vastgesteld, ongeacht of er sprake is van overcompensatie (arrest van 12 februari 2008, BUPA e.a./Commissie, T‑289/03, EU:T:2008:29, punten 210 en 211).
121 In de derde en laatste plaats dient erop te worden gewezen dat, anders dan RAS stelt, de op Saremar rustende verplichting om, teneinde de territoriale continuïteit te waarborgen, de haar in het onderhavige geval opgedragen openbaredienstverleningstaak in elk geval te vervullen, zelfs indien dat een exploitatietekort zou opleveren, niet aantoont dat aan de tweede Altmark-voorwaarde is voldaan. Integendeel, het bestaan van een dergelijke verplichting suggereert juist dat, anders dan uit de in de punten 6 tot en met 9 hierboven bedoelde regionale besluiten blijkt, RAS de hypothese van beroep op een compensatie voor openbare dienst niet kon uitsluiten en bijgevolg in die regionale besluiten in de toekenning van een compensatie en in objectieve en doorzichtige parameters voor het bepalen van het bedrag daarvan had moeten voorzien.
122 Uit een en ander volgt dat de Commissie op basis van de inhoud van de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit op goede gronden heeft kunnen oordelen dat de litigieuze compensatiemaatregel niet voldeed aan de tweede Altmark-voorwaarde. De door RAS aangevoerde omstandigheid dat de Commissie zich in overweging 178 van dat besluit zou hebben gebaseerd op in het kader van de toetsing aan de eerste Altmark-voorwaarde geformuleerde onjuiste overwegingen betreffende de beoordelingsbevoegdheid van Saremar voor bepalen en aanpassen van haar tarieven, is niet ter zake dienend. Aangezien, zoals hierboven is gezegd, de inhoud van de punten 174 tot en met 177 van dat besluit volstond voor de vaststelling dat niet was voldaan de tweede Altmark-voorwaarde, is de inhoud van overweging 178 immers noodzakelijk ten overvloede geformuleerd. De grief van RAS inzake deze laatste overweging snijdt dus geen hout. Een onjuiste reden kan immers de nietigverklaring van de handeling die deze reden geeft, niet rechtvaardigen wanneer zij ten overvloede is gegeven en andere redenen een afdoende basis vormen (zie arrest van 20 september 2012, Frankrijk/Commissie, T‑154/10, EU:T:2012:452, punt 99en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het vierde onderdeel van het tweede middel moet dus worden afgewezen.
123 Met betrekking tot de andere onderdelen van het tweede middel dient te worden geoordeeld dat deze, wegens de afwijzing van het vierde onderdeel van dit middel om de in punten 100 tot en met 122 hierboven genoemde redenen, niet ter zake dienend zijn.
124 Enerzijds is de Commissie immers, zoals in punt 94 hierboven is uiteengezet, gelet op het cumulatieve en autonome karakter van de Altmark-voorwaarden, niet verplicht al deze voorwaarden te behandelen wanneer zij vaststelt dat niet is voldaan aan een van die voorwaarden, en dat de litigieuze maatregel dus als staatssteun moet worden aangemerkt. Anderzijds kan, indien de Commissie op goede gronden een dergelijke vaststelling heeft gedaan, de eventuele onjuistheid van haar oordeel betreffende een of meer van de andere voorwaarden in beginsel niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.
125 In het onderhavige geval heeft de Commissie in het bestreden besluit de litigieuze compensatiemaatregel weliswaar aan de eerste drie Altmark-voorwaarden getoetst, doch dit neemt niet was dat zij, zoals in punt 96 hierboven in herinnering is gebracht, heeft geoordeeld dat diende te worden nagegaan of de litigieuze compensatiemaatregel als staatssteun moest worden aangemerkt door om te beginnen te onderzoeken of was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde, en de eerste en de derde Altmark-voorwaarde pas in een latere fase van haar analyse heeft behandeld. Verder heeft de Commissie in overweging 179 van het bestreden besluit, na tot de slotsom te zijn gekomen dat niet was voldaan aan deze tweede voorwaarde, daaruit afgeleid dat die compensatie Saremar een voordeel verleende in de zin van artikel 107 VWEU. In het bestreden besluit heeft zij dus noodzakelijkerwijze geoordeeld dat de toetsing aan deze tweede voorwaarde volstond om tot de slotsom te komen dat de litigieuze compensatiemaatregel Saremar een economisch voordeel verleende.
126 Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat in bepaalde gevallen, gelet op het feit dat de Altmark-voorwaarden tot op zekere hoogte onderling verweven zijn, de gegrondheid van de slotsom van de Commissie betreffende een van deze voorwaarden afhankelijk is van de gegrondheid van het oordeel dat de Commissie in het kader van een van de andere voorwaarden heeft geformuleerd.
127 Enerzijds kon in het onderhavige geval echter, zoals in punt 122 hierboven is vastgesteld, de slotsom van de Commissie dat niet was voldaan aan de tweede Altmark-voorwaarde, op de inhoud van de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit alleen worden gebaseerd.
128 Anderzijds is de inhoud van die overwegingen geenszins afhankelijk van het oordeel dat de Commissie in het kader van de behandeling van de eerste of de derde Altmark-voorwaarde heeft geformuleerd.
129 Allereerst heeft de Commissie immers, in het kader van de toepassing van de eerste Altmark-voorwaarde, in de overwegingen 181 tot en met 210 van het bestreden besluit, zakelijk weergegeven, geoordeeld dat de aan Saremar opgelegde openbaredienstverplichtingen niet noodzakelijk waren, in het bijzonder omdat zij de betaalbaarheid van de tarieven op de verbindingen tussen Sardinië en het vasteland niet konden garanderen. Vaststaat dat deze overwegingen geen enkel verband houden met inhoud van de overwegingen 174 tot en met 177 van het bestreden besluit, die, zoals in punt 99 hierboven is gezegd, berusten op de vaststelling dat de besluiten van RAS houdende vaststelling van de openbaredienstverplichtingen van Saremar niet voorzagen in het verlenen van een compensatie voor openbare dienst.
130 Vervolgens heeft de Commissie, nog steeds in het kader van de toepassing van de eerste Altmark-voorwaarde, in de overwegingen 211 tot en met 219 van het bestreden besluit, geoordeeld dat de openbaredienstverplichtingen van Saremar niet voldoende duidelijk waren omschreven, wat de hoogte van de toe te passen tarieven betreft. In dit verband heeft zij, in overweging 178 van dit besluit, inderdaad naar dit oordeel verwezen om daaruit af te leiden dat de parameters voor de berekening van het bedrag van de compensatie niet vooraf op objectieve en doorzichtige wijze konden zijn vastgesteld, gelet op het in het onderhavige geval bestaande verband tussen deze parameters en de omschrijving van de hoogte van die tarieven. Zoals in punt 122 hierboven is opgemerkt, is overweging 178 van het bestreden besluit in het kader van de toepassing van de tweede Altmark-voorwaarde echter een overweging ten overvloede ten opzichte van de overwegingen 174 tot en met 177 van dat besluit.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 19 juli 2016, C-526/14, ECLI:EU:C:2016:570
- HvJ EU 22 oktober 2015, C-185/14, ECLI:EU:C:2015:716
- HvJ EU 17 september 2015, C-33/14, ECLI:EU:C:2015:609
- HvJ EU 5 maart 2015, C-667/13, ECLI:EU:C:2015:151
- Gerecht EU 9 september 2014, T-461/12, ECLI:EU:T:2014:758
- HvJ EU 4 september 2014, C-533/12, ECLI:EU:C:2014:2142
- HvJ EU 19 maart 2013, C-399/10, ECLI:EU:C:2013:175
- Gerecht EU 7 november 2012, T-137/10, ECLI:EU:T:2012:584
- Gerecht EU 20 september 2012, T-154/10, ECLI:EU:T:2012:452
- Gerecht EU 11 september 2012, T-565/08, ECLI:EU:T:2012:415
- Gerecht EU 14 februari 2012, T-267/06, ECLI:EU:T:2012:69
- HvJ EU 15 november 2011, C-106/09, ECLI:EU:C:2011:732
- HvJ EU 8 september 2011, C-279/08, ECLI:EU:C:2011:551
- Gerecht EU 12 mei 2011, T-267/08, ECLI:EU:T:2011:209
- Gerecht EU 1 juli 2010, T-568/08, ECLI:EU:T:2010:272
- Gerecht EU 30 november 2009, T-427/04, ECLI:EU:T:2009:474
- HvJ EU 10 september 2009, C-445/07, ECLI:EU:C:2009:529
- Gerecht EU 1 juli 2009, T-81/07, ECLI:EU:T:2009:237
- Gerecht EU 11 maart 2009, T-354/05, ECLI:EU:T:2009:66
- Gerecht EU 4 maart 2009, T-265/04, ECLI:EU:T:2009:48