Gerecht EU 26 oktober 2016, T-153/15, ECLI:EU:T:2016:630
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)
26 oktober 2016 ( *1 )
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen Syrië — Bevriezing van tegoeden — Nietigverklaring van eerdere handelingen bij een arrest van het Gerecht — Nieuwe handelingen waarbij de namen van de verzoekers in de lijsten zijn opgenomen — Beroep tot nietigverklaring — Artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering — Inhoud van het verzoekschrift — Ontvankelijkheid — Motiveringsplicht — Bewijslast — Recht van eigendom — Vrijheid van ondernemerschap”
In zaak T‑153/15,
Mohamad Hamcho, wonende te Damascus (Syrië),
Hamcho International, gevestigd te Damascus,
vertegenwoordigd door A. Boesch, D. Amaudruz en M. Ponsard, advocaten,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door G. Étienne en S. Kyriakopoulou als gemachtigden,
verweerder,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/117 van de Raad van 26 januari 2015 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2015, L 20, blz. 85), en uitvoeringsverordening (EU) 2015/108 van de Raad van 26 januari 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB 2015, L 20, blz. 2), voor zover de naam van verzoekers is geplaatst op de lijst van personen en entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden,
wijst
HET GERECHT (Zevende kamer),
ten tijde van de beraadslagingen samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, I. Ulloa Rubio (rapporteur) en A. Marcoulli, rechters,
griffier: E. Coulon,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
1 Mohamad Hamcho, een zakenman met de Syrische nationaliteit, is de voorzitter van Hamcho International (hierna tezamen: „verzoekers”), een Syrische onderneming die gespecialiseerd is op het gebied van telecommunicatie, toerisme, autoverhuur en vertegenwoordiging van buitenlandse bedrijven, voornamelijk Europese.
2 De Raad van de Europese Unie, die de gewelddadige repressie van vreedzame demonstraties op diverse plaatsen in Syrië krachtig heeft veroordeeld en een beroep heeft gedaan op de Syrische autoriteiten om af te zien van het gebruik van geweld, heeft op 9 mei 2011 besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2011, L 121, blz. 11) vastgesteld. Gelet op de ernst van de situatie heeft de Raad een wapenembargo ingesteld, de uitvoer verboden van materiaal dat voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, inreisbeperkingen in de Europese Unie vastgesteld en tegoeden en economische middelen bevroren van bepaalde personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de Syrische burgerbevolking.
3 De namen van degenen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de Syrische burgerbevolking, en van de natuurlijke of rechtspersonen en entiteiten waarmee zij banden hebben, zijn in de bijlage bij besluit 2011/273 vermeld. Krachtens artikel 5, lid 1, van dit besluit kan de Raad deze bijlage wijzigen op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid. Verzoekers naam kwam daarop niet voor.
4 Omdat bepaalde beperkende maatregelen tegen de Arabische Republiek Syrië binnen de werkingssfeer van het VWEU vallen, heeft de Raad verordening (EU) nr. 442/2011 van 9 mei 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2011, L 121, blz. 1) vastgesteld. Die verordening komt in grote lijnen overeen met besluit 2011/273, maar voorziet in mogelijkheden voor de vrijgave van bevroren tegoeden. De lijst van personen, entiteiten en lichamen die ofwel verantwoordelijk zijn voor de betrokken onderdrukking ofwel banden onderhouden met genoemde verantwoordelijken, die is opgenomen in bijlage II bij die verordening, komt overeen met die welke in de bijlage bij besluit 2011/273 is opgenomen. De naam van verzoekers kwam daarop niet voor. Artikel 14, leden 1 en 4, van verordening nr. 442/2011 bepaalt dat in de gevallen waarin de Raad besluit een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een entiteit of een lichaam aan de genoemde beperkende maatregelen te onderwerpen, hij bijlage II dienovereenkomstig wijzigt en daarnaast de lijst in die bijlage regelmatig, en ten minste om de twaalf maanden, opnieuw beziet.
1. Eerdere procedure betreffende verzoekers
5 Bij uitvoeringsbesluit 2011/302/GBVB van 23 mei 2011 houdende uitvoering van besluit 2011/273 (PB 2011, L 199, blz. 74, met rectificatie in PB L 136, blz. 20), heeft de Raad besluit 2011/273 gewijzigd, met name om de betrokken beperkende maatregelen op andere personen en entiteiten toe te passen. De naam van Hamcho is in de lijst in de bijlage bij dat laatste besluit ingevoegd in regel 19 van de tabel waaruit deze bijlage bestaat. In deze regel zijn verschillende vermeldingen opgenomen, waaronder die in verband met de datum van plaatsing van zijn naam op de betrokken lijst, namelijk 23 mei 2011, zijn geboortedatum en het nummer van zijn paspoort alsook de volgende redenen: „Zwager van Mahir Al‑Assad; zakenman en lokaal vertegenwoordiger van verscheidene buitenlandse bedrijven; financiert het bewind en maakt daardoor het harde optreden tegen demonstranten mogelijk”.
6 Diezelfde dag heeft de Raad, op grond van artikel 215, lid 2, VWEU en besluit 2011/273, uitvoeringsverordening (EU) nr. 504/2011 houdende uitvoering van verordening nr. 442/2011 (PB 2011, L 136, blz. 45) vastgesteld. De naam van Hamcho is aan de lijst in bijlage II bij deze verordening toegevoegd met dezelfde vermeldingen en redenen als in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2011/302.
7 Bij uitvoeringsbesluit 2011/367/GBVB van 23 juni 2011 tot uitvoering van besluit 2011/273 (PB 2011, L 164, blz. 14), heeft de Raad de betrokken beperkende maatregelen toegepast op andere personen en entiteiten, waarvan de namen zijn toegevoegd aan de lijst in de bijlage bij dat laatste besluit. De naam van Hamcho International is in de lijst ingevoegd in regel 3 van tabel B van die bijlage, die verschillende vermeldingen bevat, waaronder die betreffende de datum van de plaatsing van haar naam op de betrokken lijst, namelijk 23 juni 2011, en haar adres, alsook de volgende redenen: „Onder zeggenschap van Mohamed Hamcho of Hamsho; financieringsbron van het bewind”.
8 Diezelfde dag heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 611/2011 houdende uitvoering van verordening nr. 442/2011 (PB 2011, L 164, blz. 1) vastgesteld. De naam van Hamcho International is in de lijst in bijlage II bij die laatste verordening ingevoegd met dezelfde vermeldingen en redenen als in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2011/367.
9 Bij besluit 2011/782/GBVB van 1 december 2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van besluit 2011/273 (PB 2011, L 319, blz. 56) heeft de Raad geoordeeld dat het, gelet op de ernst van de situatie in Syrië, noodzakelijk was bijkomende beperkende maatregelen vast te stellen. Duidelijkheidshalve zijn de bij besluit 2011/273 opgelegde maatregelen en de aanvullende maatregelen in één rechtsinstrument opgenomen. In dit besluit is verduidelijkt dat de daarin opgenomen beperkende maatregelen ook van toepassing waren op „personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het bewind”. De namen van verzoekers komen voor in de lijst in bijlage I bij besluit 2011/782, in regel 19 van tabel A voor zover het Hamcho betreft en regel 3 van tabel B voor zover het Hamcho International betreft, met dezelfde informatie en redenen als vermeld in de bijlage bij besluit 2011/273, zoals ten uitvoer gelegd bij uitvoeringbesluiten 2011/302 en 2011/367.
10 Verordening nr. 442/2011 is vervangen door verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad van 18 januari 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië en tot intrekking van verordening nr. 442/2011 (PB 2012, L 16, blz. 1). De namen van verzoekers kwamen voor in de lijst in bijlage II bij verordening nr. 36/2012, met dezelfde informatie en redenen als die vermeld in bijlage II bij verordening nr. 442/2011, zoals ten uitvoer gelegd bij de uitvoeringsverordeningen nr. 504/2011 en nr. 611/2011.
11 Op 30 januari 2012 hebben verzoekers beroep bij het Gerecht ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van besluit 2011/273, besluit 2011/782, verordening nr. 442/2011 en verordening nr. 36/2012, zoals ten uitvoer gelegd of gewijzigd op de datum van indiening van het beroep, voor zover die handelingen op hen betrekking hadden. Dit beroep is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T‑43/12.
12 Bij uitvoeringsbesluit 2012/172/GBVB van de Raad van 23 maart 2012 tot uitvoering van besluit 2011/782 (PB 2012, L 87, blz. 103), en uitvoeringsverordening (EU) nr. 266/2012 van de Raad van 23 maart 2012 houdende uitvoering van artikel 32, lid 1, van verordening nr. 36/2012 (PB 2012, L 87, blz. 45), zijn de op Hamcho betrekking hebbende redenen die voorkwamen in bijlage II bij besluit 2011/782 en bij verordening nr. 36/2012, vervangen door de volgende redenen: „Syrisch zakenman en lokaal vertegenwoordiger van verscheidene buitenlandse bedrijven; geassocieerd met Maher Al‑Assad van wie hij een deel van de financiële en economische belangen beheert; financiert in die hoedanigheid het bewind”.
13 Bij besluit 2012/739/GBVB van de Raad van 29 november 2012 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en houdende intrekking van besluit 2011/782 (PB 2012, L 330, blz. 21) zijn de aan de orde zijnde beperkende maatregelen in één enkel rechtsinstrument opgenomen. De namen van verzoekers kwamen voor in de lijst in bijlage I bij besluit 2012/739, in regel 18 van tabel A voor zover het Hamcho betreft en regel 3 van tabel B voor zover het Hamcho International betreft, met dezelfde informatie en redenen als die vermeld in besluit 2011/782, zoals ten uitvoer gelegd bij uitvoeringsbesluit 2012/172.
14 De Raad heeft op 31 mei 2013 besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2013, L 147, blz. 14) vastgesteld. De namen van verzoekers kwamen voor in de lijst in bijlage I bij dat besluit, in regel 18 van tabel A voor zover het Hamcho betreft en regel 3 van tabel B voor zover het Hamcho International betreft, met dezelfde informatie en redenen als vermeld in de bijlage bij besluit 2012/739.
15 Bij memories houdende aanpassing van de conclusies die ter griffie van het Gerecht zijn neergelegd op 22 juni 2012, 7 januari en 24 juni 2013, hebben verzoekers verzocht om ook de nietigverklaring van met name uitvoeringsbesluit 2012/172, uitvoeringsverordening nr. 266/2012, besluit 2012/739, uitvoeringsbesluit 2013/185/GBVB van de Raad van 22 april 2013 houdende uitvoering van besluit 2012/739 (PB 2013, L 111, blz. 77), uitvoeringsverordening (EU) nr. 363/2013 van de Raad van 22 april 2013 houdende uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2013, L 111, blz. 1), en besluit 2013/255.
16 Bij zijn arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International/Raad (T‑43/12, niet gepubliceerd, hierna: „arrest Hamcho en Hamcho International I”, EU:T:2014:946), heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring van verzoekers gedeeltelijk toegewezen en verordening nr. 36/2012, uitvoeringsverordening nr. 266/2012, uitvoeringsverordening nr. 363/2013 en besluit 2013/255 nietig verklaard voor zover deze handelingen op verzoekers betrekking hadden, met ingang van 23 januari 2015.
17 De Raad heeft geen hogere voorziening tegen het arrest Hamcho en Hamcho International I ingesteld.
2. Procedure tot hernieuwde plaatsing van verzoekers op de litigieuze lijsten
18 Bij brief van 19 december 2014 heeft de Raad aan de advocaten van verzoekers meegedeeld dat hij voornemens was om hun naam opnieuw te plaatsen op de lijsten van personen en entiteiten waarvoor beperkende maatregelen gelden, in bijlage I bij besluit 2013/255 en in bijlage I bij verordening nr. 36/2012 (hierna: „litigieuze lijsten”). Hij heeft aangegeven welke redenen hij ter ondersteuning van deze plaatsing op deze lijsten wilde aanvoeren en een afschrift toegezonden van documenten en inlichtingen (met de referenties RELEX MD 342/14 en RELEX MD 343/14) waarop hij zich wilde beroepen ter staving van het voorstel tot hernieuwde plaatsing op de lijsten. De Raad heeft verzoekers een termijn voor hun eventuele opmerkingen gesteld.
19 Bij brief van 15 januari 2015 hebben verzoekers’ advocaten de Raad verzocht af te zien van de hernieuwde plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten en alle inlichtingen en documenten die volgens de Raad deze hernieuwde plaatsing ondersteunden, betwist.
20 Op 26 januari 2015 heeft de Raad uitvoeringsbesluit 2015/117/GBVB houdende uitvoering van besluit 2013/255 (PB 2015, L 20, blz. 85) vastgesteld. Diezelfde dag heeft hij uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/108 tot uitvoering van verordening nr. 36/2012 (PB 2015, L 20, blz. 2) vastgesteld. Bij deze handelingen is de naam van verzoekers opnieuw op de litigieuze lijsten geplaatst.
21 Meer bepaald is de naam van Hamcho opnieuw geplaatst in regel 18 van de tabel die de betrokken lijsten bevat, onder het opschrift „A. Personen”, waarbij die hernieuwde plaatsing op lijsten op de volgende redenen berustte: „Vooraanstaand Syrisch zakenman, eigenaar van Hamcho International, die dicht bij belangrijke figuren van het Syrische bewind staat, onder wie president Bashar Al‑Assad en Maher Al‑Assad. Sinds maart 2014 is hij voorzitter voor China van de bilaterale handelsraden, na te zijn benoemd door de minister van Economie, Khodr Orfali. Mohammed Hamcho verleent steun aan het Syrische bewind en profiteert ervan, en heeft banden met personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het bewind”.
22 De naam van Hamcho International is opnieuw geplaatst in regel 3 van de tabel die de betrokken lijsten bevat, onder het opschrift „B. Entiteiten”, waarbij die hernieuwde plaatsing op lijsten op de volgende redenen berustte: „Hamcho International is een grote Syrische houdstermaatschappij waarvan Mohammed Hamcho de eigenaar is. Hamcho International verleent steun aan het bewind en profiteert ervan, en heeft banden met een persoon die baat heeft bij of steun verleent aan het bewind.”
23 Bij brief van 27 januari 2015, gericht aan verzoekers en aan de advocaten van verzoekers, heeft de Raad geantwoord op hun brief van 15 januari 2015 en hen kennis gegeven van een afschrift van uitvoeringsbesluit 2015/117 en uitvoeringsverordening 2015/108 (hierna: „bestreden handelingen”) en van nieuwe inlichtingen ter onderbouwing van die handelingen (met referentie RELEX MD 66/15).
Procedure en conclusies van partijen
24 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 maart 2015, hebben verzoekers het onderhavige beroep tot nietigverklaring van de bestreden handelingen ingesteld.
25 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 maart 2015, hebben verzoekers krachtens artikel 76 bis, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van 2 mei 1991 verzocht om de zaak versneld te behandelen.
26 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 mei 2015, hebben verzoekers in kort geding verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handelingen, voor zover deze hen betroffen, tot de uitspraak van het Gerecht in de hoofdzaak.
27 Bij beschikking van 20 mei 2015, Hamcho en Hamcho International/Raad (T‑153/15 R, niet gepubliceerd, EU:T:2015:298), heeft de president van het Gerecht dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
28 Bij beslissing van 3 juni 2015 heeft het Gerecht het verzoek om versnelde behandeling afgewezen.
29 Het Gerecht (Zevende kamer) heeft krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslist om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
30 Hamcho en Hamcho International verzoeken het Gerecht: — „de inbreng van het dossier van procedure T‑43/12” te gelasten; — voor hen het recht voor te behouden om te repliceren en bij die gelegenheid nieuwe stukken over te leggen en getuigen te laten oproepen; — de bestreden handelingen nietig te verklaren; — de Raad te verwijzen in de kosten.
31 De Raad verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekers te verwijzen in de kosten.
In rechte
1. Eerste vordering
32 Met hun eerste vordering vragen verzoekers het Gerecht om „de inbreng van het dossier van procedure T‑43/12”. In wezen willen zij dat het Gerecht gelast dat het procesdossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), in het procesdossier van de onderhavige zaak wordt opgenomen.
33 In dit verband dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat elke bij het Gerecht ingestelde zaak zijn eigen dossier heeft met onder meer de door de partijen in de betrokken zaak overgelegde stukken en processtukken, zodat elk van deze dossiers volledig autonoom is. Dit laatste punt wordt verduidelijkt in de Praktische uitvoeringsbepalingen voor het Reglement voor de procesvoering (PB 2015, L 152, blz. 1), volgens welke „[e]en processtuk en de bijlagen daarbij die in een bepaalde zaak zijn neergelegd en in het procesdossier zijn opgenomen, [...] niet in aanmerking [kunnen] worden genomen voor het in staat brengen van een andere zaak” (beschikking van 15 oktober 2009, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, EU:T:2009:403, punt 12).
34 In de tweede plaats moet erop worden gewezen dat het vaste rechtspraak is dat de partijen volgens de regels voor de behandeling van zaken voor het Gerecht bescherming genieten tegen oneigenlijk gebruik van de processtukken, zodat de partijen in een zaak de processtukken van de andere partijen waartoe zij toegang hebben gekregen, alleen mogen gebruiken tot eigen verweer in die zaak (zie beschikking van 15 oktober 2009, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, EU:T:2009:403, punt 13en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35 Ook is het vaste rechtspraak dat het, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin de openbaarmaking van een stuk de goede rechtsbedeling kan schaden, de partijen vrij staat om hun eigen memories openbaar te maken aan een derde. In dezelfde zin zou een partij bij een procedure onder hetzelfde voorbehoud ermee kunnen instemmen dat een memorie die zij in deze procedure heeft ingediend, door een andere partij bij die procedure wordt gebruikt in een andere procedure (zie beschikking van 15 oktober 2009, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, EU:T:2009:403, punt 14en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Tot slot kan het Gerecht slechts wanneer het zou oordelen dat de inhoud van het procesdossier van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), nuttig zou kunnen zijn voor de oplossing van het onderhavige geschil, de overlegging daarvan gelasten door middel van een maatregel tot organisatie van de procesgang op grond van artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin beschikking van 15 oktober 2009, Hangzhou Duralamp Electronics/Raad, T‑459/07, EU:T:2009:403, punt 15).
37 Het Gerecht stelt in de onderhavige zaak vast dat verzoekers reeds de belangrijkste geschriften uit het procesdossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), als bijlagen bij de op 27 maart 2015 ter griffie het Gerecht neergelegde versie van het verzoekschrift hebben opgenomen, namelijk het verzoekschrift en de repliek van verzoekers (bijlagen A.1 en A.3) en het verweerschrift en de dupliek van de Raad (bijlagen A.2 en A.4).
38 Op grond van de hierboven in de punten 34 en 35 aangehaalde rechtspraak heeft de griffie van het Gerecht bij brief van 9 april 2015 aan verzoekers gevraagd of zij toestemming van de Raad hadden voor de overlegging, als bijlagen A.2 en A.4 van hun verzoekschrift, van het verweerschrift en de dupliek van de Raad in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946). Gezien het negatieve antwoord dat van verzoekers werd ontvangen, zijn genoemde bijlagen uit het procesdossier verwijderd bij beslissing van de president van de Zevende kamer van het Gerecht van 4 mei 2015.
39 Dit betekent dat het verzoek dat verzoekers met hun eerste vordering hebben gedaan, moet worden opgevat als een verwijzing naar alle documenten in het procesdossier in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), met uitzondering van het verzoekschrift en de repliek, die reeds deel uitmaken van het procesdossier in de onderhavige zaak.
40 Ondanks dat zowel de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), als de onderhavige zaak betrekking heeft op de plaatsing van de naam van dezelfde verzoekers op de lijsten inzake beperkende maatregelen die door de Raad zijn vastgesteld ten aanzien van de Arabische Republiek Syrië, moet worden vastgesteld dat die beide zaken verschillende handelingen betreffen en dat de motivering die de Raad in de ene en de andere zaak heeft uitgewerkt alsook het bewijs ter staving van die plaatsingen op lijsten, specifiek zijn voor elke van die beide zaken. Bovendien moet erop worden gewezen dat verzoekers niet hebben verduidelijkt welke concrete elementen in het dossier hen in staat stellen om hun rechten van de verdediging uit te oefenen. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de inbreng van het procesdossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), zoals door verzoekers gevorderd, geen nieuwe informatie kan toevoegen die relevant is voor de beoordeling van de gegrondheid van de bestreden handelingen in de onderhavige zaak. Bijgevolg is het volgens de hierboven in punt 36 aangehaalde rechtspraak niet gerechtvaardigd om een maatregel tot organisatie van de procesgang te treffen.
41 Gelet op een en ander is er geen aanleiding om te gelasten dat het procesdossier van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), in het procesdossier van de onderhavige zaak wordt opgenomen.
42 Deze eerste vordering moet dus worden afgewezen.
2. Tweede vordering
43 Met hun tweede vordering vragen verzoekers het Gerecht om voor hen „het recht voor te behouden om te repliceren en bij die gelegenheid nieuwe stukken over te leggen en getuigen te laten oproepen”.
44 Wat in de eerste plaats het verzoek om in de onderhavige zaak te mogen repliceren betreft, moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht verzoekers overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering heeft uitgenodigd om uiterlijk op 10 september 2015 een repliek in te dienen. Zij hebben daarop verzocht om verlenging van de termijn voor de neerlegging van die memorie, welke termijnverlening hen door het Gerecht is verleend op 26 augustus 2015. Verzoekers hebben de repliek op 9 oktober 2015 neergelegd. Hieruit volgt dat het deel van de tweede vordering betreffende de mogelijkheid om een repliek in te dienen, zonder voorwerp is.
45 Wat in de tweede plaats het verzoek om bij de indiening van de repliek nieuwe stukken te mogen overleggen betreft, voorziet artikel 85, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering erin dat het een verzoeker bij wijze van uitzondering kan worden toegestaan om na de eerste memoriewisseling nog bewijs over te leggen of aan te bieden om zijn stellingen nader te bewijzen, mits de vertraging waarmee dit bewijsaanbod geschiedt, wordt gerechtvaardigd.
46 In casu kan de overlegging van nieuwe stukken niet worden toegestaan, omdat die voortvloeit uit een zuiver speculatief verzoek en betrekking heeft op toekomstig en hypothetisch bewijs dat door verzoekers nog niet is overgelegd. Daarnaast hebben verzoekers, anders dan artikel 85, leden 2 en 3, van het Reglement voor de procesvoering vereist, niet gemotiveerd waarom de stukken ter aanvulling van het verzoekschrift met vertraging worden overgelegd.
47 Wat in de derde plaats het deel van het verzoek betreffende de oproeping van getuigen betreft, moet eraan worden herinnerd dat artikel 88, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat wanneer dit verzoek na de eerste memoriewisseling wordt gedaan, de partij die het verzoek doet uiteen moet zetten waarom zij het verzoek niet eerder heeft kunnen indienen.
48 In casu moet er opnieuw op worden gewezen dat verzoekers niet hebben gemotiveerd waarom de oproeping van getuigen eventueel met vertraging zou moeten geschieden. Daarom moet ook dit verzoek worden afgewezen, en daarmee de tweede vordering in haar geheel.
3. Derde vordering
49 Met hun derde vordering verzoeken verzoekers om nietigverklaring van de bestreden handelingen.
Ontvankelijkheid
50 De Raad heeft, zonder formeel een exceptie krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering op te werpen, twijfels geuit ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring van verzoekers, wegens schending van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering. Meer bepaald geeft hij te kennen dat het verzoekschrift onnauwkeurig en onvoldoende gedetailleerd is en uit hij kritiek op het feit dat verzoekers zich beperken tot stelselmatige verwijzingen naar de bijlagen bij hun beroep en de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946). Volgens de Raad kunnen deze verwijzingen niet de formele en substantiële tekortkomingen in het verzoekschrift ondervangen.
51 Verzoekers voeren geen argumenten aan in antwoord op de stelling van de Raad dat het beroep niet-ontvankelijk is.
52 Er moet op worden gewezen dat een verzoekschrift ingevolge artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze gegevens dienen zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de essentiële elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep berust – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikking van 11 januari 2013, Charron Inox en Almet/Commissie en Raad, T‑445/11 en T‑88/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:4, punt 57).
53 In casu moet erop worden gewezen dat de door verzoekers aangevoerde middelen voldoende begrijpelijk uit de tekst zelf van verzoekschrift blijken. Verzoekers geven immers in de eerste plaats te kennen dat de motivering en stukken die in de onderhavige zaak door de Raad zijn aangedragen, dezelfde zijn als die in de eerdere zaak en dat de documenten die ter ondersteuning van de bestreden handelingen zijn overgelegd, vaag en abstract zijn, net zoals de bron van die inlichtingen. In de tweede plaats betogen verzoekers dat hun rechten op eigendom en economische vrijheid zijn geschonden als gevolg van het loutere feit dat afbreuk is gedaan aan hun rechten van de verdediging. Het feit dat verweerder zijn verweer heeft kunnen voorbereiden, bevestigt daarnaast dat de tekst van het verzoekschrift voldoende duidelijk en precies is om het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep.
54 Het onderhavige beroep is dan ook ontvankelijk en moet ten gronde worden onderzocht.
Ten gronde
55 Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoekers in wezen drie middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht. Met het tweede middel wordt schending van de bewijsregels en een onjuiste beoordeling van de gegrondheid van de redenen voor de plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten gesteld. Het derde middel heeft betrekking op schending van hun rechten op eigendom en economische vrijheid.
Eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht
56 In het kader van het eerste middel geven verzoekers te kennen dat de Raad geen motivering heeft aangedragen en ook geen stuk heeft overgelegd dat inhoudelijk anders of nieuw is ten opzichte van de motivering en stukken die het Gerecht reeds heeft beoordeeld ten behoeve van het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946).
57 De verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging, dient er volgens vaste rechtspraak enerzijds toe, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan voor de rechter van de Unie kan worden betwist, en anderzijds de rechter van de Unie in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 60en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Ook moet eraan worden herinnerd dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 61en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 Aangaande de beperkende maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid dient te worden onderstreept dat aangezien de betrokkene niet het recht heeft om te worden gehoord vóór de vaststelling van een eerste besluit tot bevriezing van tegoeden, de naleving van de motiveringsplicht des te belangrijker is omdat zij de enige waarborg vormt die de betrokkene in staat stelt om, althans na de vaststelling van dat besluit, nuttig gebruik te maken van de hem ter beschikking staande rechtsgangen om de rechtmatigheid van dat besluit te bestrijden (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 62en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Bijgevolg dient de motivering van een handeling van de Raad tot oplegging van een maatregel tot bevriezing van tegoeden de specifieke en concrete redenen aan te geven waarom de Raad in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid van mening is dat een dergelijke maatregel ten aanzien van de betrokkene moet worden vastgesteld (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 63en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Het motiveringsvereiste moet echter worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten bij een toelichting kunnen hebben (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 64en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Het is evenwel niet noodzakelijk, dat alle gegevens, feitelijk en rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering ervan aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, doch ook op de context waarin deze is genomen en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 65en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 In het bijzonder is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat deze de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 In de onderhavige zaak heeft de Raad de beslissing om Hamcho opnieuw op de litigieuze lijsten te plaatsen als volgt gemotiveerd: „Vooraanstaand Syrisch zakenman, eigenaar van Hamcho International, die dicht bij belangrijke figuren van het Syrische bewind staat, onder wie president Bashar Al‑Assad en Maher Al‑Assad. Sinds maart 2014 is hij voorzitter voor China van de bilaterale handelsraden, na te zijn benoemd door de minister van Economie, Khodr Orfali. Mohammed Hamcho verleent steun aan het Syrische bewind en profiteert ervan, en heeft banden met personen die baat hebben bij of steun verlenen aan het bewind”.
65 De beslissing om Hamcho International opnieuw op de litigieuze lijsten te plaatsen heeft de Raad als volgt gemotiveerd: „Hamcho International is een grote Syrische houdstermaatschappij waarvan Mohammed Hamcho de eigenaar is. Hamcho International verleent steun aan het bewind en profiteert ervan, en heeft banden met een persoon die baat heeft bij of steun verleent aan het bewind”.
66 Wat in de eerste plaats verzoekers’ argument betreft dat de door de Raad gehanteerde motivering ter rechtvaardiging van het opnemen van hun naam in de bestreden handelingen dezelfde is als die die ten grondslag lag aan de handelingen die nietig zijn verklaard bij het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), moet erop worden gewezen dat dit argument niet ter zake dienend is. Uit punt 108 van het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), blijkt immers dat de Raad in het kader van een nieuw onderzoek de mogelijkheid heeft om verzoekers’ naam opnieuw op de lijsten inzake beperkende maatregelen te plaatsen op basis van redenen die rechtens genoegzaam zijn gestaafd. Een besluit tot hernieuwde plaatsing op de lijst dat wordt vastgesteld op grond van dezelfde redenen als die waarvan bij de eerste plaatsing is uitgegaan, kan dus als rechtvaardiging voor die plaatsing volstaan, vooropgesteld dat het door de Raad aangedragen bewijs die redenen rechtens genoegzaam staaft.
67 Bovendien, en hoe dan ook, moet worden opgemerkt dat de motivering die in de onderhavige zaak uit de litigieuze lijsten blijkt, anders dan verzoekers stellen, zich duidelijk onderscheidt van de motivering die door de Raad is gehanteerd in het kader van de handelingen die nietig zijn verklaard bij het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946). Verzoekers’ naam was aanvankelijk immers op de lijsten in de bijlage bij besluit 2011/273 en verordening nr. 442/2011 geplaatst wegens hun financiële steun aan het bewind. De nieuwe motivering is daarentegen gebaseerd op ten eerste het feit dat verzoeker een vooraanstaand Syrisch zakenman is, ten tweede de nauwe banden tussen Hamcho en belangrijke figuren van het bewind en ten derde het feit dat hij de functie van voorzitter voor China van de bilaterale handelsraden als vertegenwoordiger van de Arabische Republiek Syrië uitoefent. Hieruit volgt dat verzoekers profiteren van en steun verlenen aan het door het bewind gevoerde beleid door hun banden met personen die baat hebben bij het door het bewind gevoerde beleid en steun verlenen aan dat bewind.
68 In de tweede plaats moet worden geoordeeld dat de motivering die de Raad in de onderhavige zaak in de bestreden handelingen heeft opgenomen, voldoet aan de regels die hierboven in de punten 57 tot en met 63 in herinnering zijn gebracht. Meer bepaald kan niet worden betwist dat verzoekers bij een dergelijke motivering kunnen begrijpen waarom hun naam opnieuw op de litigieuze lijsten is geplaatst wegens hun vooraanstaande rol in de Syrische zakenwereld, temeer daar zij bij hun eerste plaatsing op lijsten reeds wetenschap hadden van de context en de draagwijdte van de jegens hen getroffen maatregelen.
69 Zoals blijkt uit hun betoog, was de door de Raad verstrekte motivering bovendien duidelijk afdoende om hen in staat te stellen het onderhavige beroep in te stellen en om de Unierechter in staat te stellen zijn rechtmatigheidstoezicht uit te oefenen (zie in die zin arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 72).
70 In casu betwisten verzoekers dat de documenten die ter ondersteuning van de motivering van de bestreden handelingen in het kader van de onderhavige zaak zijn overgelegd, nieuw zijn. Zij bestrijden ook dat zij bewijskracht hebben en menen dat zij de bestreden handelingen rechtens niet genoegzaam staven.
71 In dat verband moet erop worden gewezen dat de plicht tot motivering van een handeling een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag van de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De motivering van een handeling houdt immers in dat de gronden waarop deze berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten deze de inhoudelijke wettigheid van de handeling aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 60).
72 Gelet op een en ander moet het middel inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht worden afgewezen. Wat de gegrondheid van de door de Raad jegens verzoekers gehanteerde redenen betreft, moet het in dat verband aangevoerde betoog worden beoordeeld in het kader van een afzonderlijk middel.
Tweede middel: schending van de bewijsregels en onjuiste beoordeling van de gegrondheid van de redenen waarvan in de bestreden handelingen is uitgegaan
73 In het kader van dit middel voeren verzoekers in wezen twee onderdelen aan. Met het eerste onderdeel betogen verzoekers dat de Raad geen stukken heeft verstrekt die inhoudelijk anders of nieuw zijn ten opzichte van de stukken die het Gerecht reeds heeft beoordeeld in het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946). Ter uitwerking van hun betoog verwijzen zij naar hun brief van 15 januari 2015 (zie bijlage A.10 bij het verzoekschrift). Daarnaast verwijten zij de Raad dat de documenten die ter ondersteuning van het hernieuwd opnemen van hun naam in de bestreden handelingen zijn overgelegd, vaag en abstract zijn en bewijskracht missen. In de tweede plaats zijn verzoekers van mening dat deze hernieuwde plaatsing op de lijst kennelijk misbruik oplevert, dat is terug te voeren op de wil van de Raad om hun naam op de litigieuze lijsten te houden.
74 De Raad bestrijdt verzoekers’ argumenten.
75 Volgens vaste rechtspraak vereist de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met name dat de Unierechter bij de toetsing van de rechtmatigheid van de redenen voor het besluit tot plaatsing of handhaving van de naam van een bepaalde persoon op de lijsten van personen ten aanzien van wie sancties gelden, zich ervan vergewist dat dit besluit berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119).
76 Het staat aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het negatief bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn. Het is van belang dat de door de betrokken autoriteit overgelegde informatie of bewijzen de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen staven. Indien de Unierechter op basis van die elementen niet kan vaststellen of een reden gegrond is, moet hij deze afwijzen als grondslag voor het besluit tot plaatsing of handhaving van de betrokken plaatsing op de lijst (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 121‑123).
77 In casu moet eerst worden onderzocht of de Raad heeft voldaan aan de bewijslast die op hem rust krachtens artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, met name in het licht van de argumenten die verzoekers hebben uiteengezet in de punten 50 en 51 van hun verzoekschrift.
– Eerste onderdeel: schending van de bewijsregels
78 In de eerste plaats moet, voor zover verzoekers in punt 49 van het verzoekschrift integraal verwijzen naar hun brief van 15 januari 2015 ter uitwerking van hun betoog inzake de nieuwe stukken die door de Raad zijn overgelegd, worden geoordeeld dat een dergelijke verwijzing niet-ontvankelijk is. De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzing naar bepaalde passages uit erbij gevoegde stukken, doch een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen in het verzoekschrift niet ondervangen. Het is niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten op te sporen en te identificeren die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel en documentatie dienen (zie beschikking van 19 mei 2008, TF1/Commissie, T‑144/04, EU:T:2008:155, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 25 oktober 2012, Arbos/Commissie, T‑161/06, niet gepubliceerd, EU:T:2012:573, punt 23).
79 Wat in de tweede plaats de verwijten in de punten 50 en 51 van hun verzoekschrift betreft, moet er ten eerste op worden gewezen dat verzoekers de kritiek uiten dat de stukken op basis waarvan de Raad bij zijn stelling zou zijn gebleven dat Hamcho de schoonbroer van Maher el‑Assad is, irrelevant zijn. Zij benadrukken dat de Raad dit aspect zelf ook reeds heeft laten vallen.
80 Hoewel het juist is dat de Raad aan verzoekers een uittreksel uit de pers heeft verstrekt waaruit naar voren komt dat Hamcho de schoonbroer van Maher el‑Assad zou zijn, terwijl de Raad die reden niet heeft gehandhaafd als rechtvaardiging van de hernieuwde plaatsing van zijn naam op de litigieuze lijsten, neemt dit niet weg dat in die documentatie ook andere inlichtingen voorkomen die bruikbaar zijn voor de onderbouwing van de nieuwe motivering die jegens verzoekers in aanmerking is genomen, namelijk dat Hamcho een vooraanstaand Syrisch zakenman is, die dicht bij belangrijke figuren van het bewind staat, zoals Maher el‑Assad, en dat hij Hamcho International in handen heeft, een grote houdstermaatschappij met activiteiten in meerdere sectoren van het Syrische bedrijfsleven. Bovendien herinnert de Raad er in punt 12 van zijn verweerschrift aan dat hij zich niet heeft gebaseerd op de informatie dat Hamcho de schoonbroer van Maher el‑Assad zou zijn ter onderbouwing van de redenen waarvan in de bestreden handelingen is uitgegaan.
81 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat dit uittreksel, anders dan verzoekers stellen, relevant blijkt te zijn voor de onderbouwing van de redenen voor de hernieuwde plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten.
82 In de tweede plaats verwijten verzoekers de Raad dat de nieuwe stukken die zijn overgelegd, vaag en abstract zijn en twijfels doen rijzen omtrent hun bewijskracht, aangezien daarin volgens hen niet is aangegeven wat de primaire bron voor de daarin voorkomende inlichtingen is geweest.
83 Opgemerkt moet worden dat de Raad ter rechtvaardiging van hun hernieuwde plaatsing op de litigieuze lijsten aan verzoekers de documenten met referenties RELEX MD 342/14, RELEX MD 343/14 en RELEX MD 66/15, gedateerd van 17 december 2014 en 23 januari 2015 (zie bijlagen A.9 en A.11 bij het verzoekschrift), heeft verstrekt. Het betreft drie documenten die publiek toegankelijke inlichtingen bevatten, die volgens de Raad bedoeld zijn om te verduidelijken in welke algemene en persoonlijke context verzoekers zich bevinden. Meer bepaald bevat het document met referentie RELEX MD 342/14 een samenvatting van de redenen die jegens verzoekers in aanmerking zijn genomen en inlichtingen ter onderbouwing van die motivering. Deze inlichtingen zijn met name hyperlinks en uittreksels uit artikelen in de pers die zijn gepubliceerd op de websites „Wordcrunch”, „The Washington Institute”, „The Middle East Research and Information Project (MERIP)”, „The Syria Report, Syriandays”, „Le Commerce du Levant” en „Al Arabiya”. Dit document bevat daarnaast ook uittreksels uit twee boeken die in 2006 en 2014 zijn gepubliceerd en inlichtingen die afkomstig zijn van de website van Hamcho International. Het document met referentie RELEX MD 343/14 bevat dan weer een artikel dat in het tijdschrift Le Commerce du Levant is gepubliceerd, met de titel „La guerre a transformé la communauté syrienne des affaires” (De oorlog heeft de Syrische zakenwereld omgevormd), waarin wordt omschreven welke ontwikkeling de economische elite in Syrië heeft doorgemaakt en welke betrekkingen zij met het heersende bewind heeft. Tot slot bevat het document met referentie RELEX MD 66/15 een artikel dat op 12 januari 2015 is gepubliceerd op de website „The Syria Report”, volgens hetwelk Hamcho door de minister van Economische Zaken van de Arabische Republiek Syrië zou zijn genoemd tot secretaris-generaal van de kamer van koophandel van Damascus (Syrië).
84 In casu moet erop worden gewezen dat na lezing van de door de Raad overgelegde uittreksels, met name die in de documenten met referenties RELEX MD 342/14 en RELEX MD 66/15, kan worden vastgesteld dat de daarin vervatte inlichtingen niet vaag en abstract zijn, zoals verzoekers beweren, maar juist concreet en precies. Uit die inlichtingen kunnen bruikbare concrete gegevens worden afgeleid om Hamcho te omschrijven als een vooraanstaand zakenman die banden heeft met belangrijke figuren van het Syrische bewind, waaronder Maher el‑Assad. In die inlichtingen is ook verduidelijkt welke economische en representatieve functies hij vervult die hem aan het bewind binden, zoals het voorzitterschap voor China van de Syrische bilaterale handelsraden, het secretariaat-generaal van de kamer van koophandel van Damascus en het voorzitterschap van Hamcho International, een grote houdstermaatschappij die in het merendeel van de sectoren van de Syrische economie aanwezig is.
85 Meer bepaald moet het volgende worden opgemerkt: — om te beginnen omschrijven meerdere artikelen van verschillende data en uit verschillende bronnen op heldere en concrete wijze welke band verzoeker met het bewind heeft. In de eerste plaats is Hamcho in het boek dat in 2006 is gepubliceerd met de titel Governance in the Middle East and North Africa, in het kader van de sluiting van de particuliere televisiezender „the Cham Satellite channel” namelijk omschreven als „een hechte vriend van de President die op het punt stond om zijn eigen televisiezender te lanceren”. In de tweede plaats is in twee artikelen die in februari 2012 op de website „The Middle East Research and Information Project (MERIP)” zijn gepubliceerd, verklaard dat „Hamcho [...] een zakenman [was] die dicht bij Maher el‑Assad [stond]” en dat „de families die met het bewind geassocieerd [waren], er op de ene of de andere manier in waren geslaagd om de privésector te domineren, naast de aanzienlijk controle die zij over de economische activa van de overheid hadden, en dat één van die clans [werd] gevormd door de familie Hamcho”. In de derde plaats is in een artikel dat in november 2013 is gepubliceerd in het tijdschrift Le Commerce du Levant verklaard dat „de belangen van de machtigste zakenlieden, waaronder Mohammad Hamcho, zodanig van de macht afh[i]ngen dat zij als een integrerend deel van het bestaande systeem w[e]rden beschouwd” en dat „deze zakenlieden, hoewel het er niet veel waren, zeer kapitaalkrachtig [waren]”; — vervolgens zijn de activiteiten van verzoeker als volgt omschreven in een artikel dat op 30 juni 2014 op de website „Woldcrunch” is gepubliceerd: „Hamcho, dienaar van de Syrische oligarch Maher el‑Assad, heeft de zeer winstgevende markt van VOIP (Voice Over Internet Protocol) naar Syrië in handen en hij staat op het punt om zich door de minister van Toerisme van het land een vergunning te laten verlenen voor de ontwikkeling van een project voor de aanleg van een kunstmatig eiland nabij Tartus”; — daarnaast is in twee artikelen die op 3 respectievelijk 30 maart 2014 zijn gepubliceerd op de website „The Syria Report” en „Syriandays” omschreven dat verzoeker was benoemd tot voorzitter voor China van de Syrische bilaterale handelsraden door de minister van Economische Zaken, Khodr Orfali, en dat hij tezamen met de premier, Wael al‑Halqi, en de minister van Economische Zaken had deelgenomen aan onder meer de algemene vergadering van de bilaterale handelsraden van 29 maart 2014; — tot slot is in een artikel dat op 12 januari 2015 is gepubliceerd op de website „The Syria Report” vermeld dat verzoeker begin december 2014 door de minister van Economische Zaken was benoemd tot secretaris-generaal van de kamer van koophandel van Damascus en dat hij dicht bij Maher el‑Assad stond en de belangrijkste aandeelhouder was van Hamcho International, die in de IT‑sector actief was. In het artikel wordt gesteld dat de reden waarom de raad van bestuur van die kamer radicaal was gewijzigd, het gevolg van meerdere factoren was, zoals de politieke houding die bepaalde zakenlieden ten aanzien van het bewind hadden aangenomen.
86 Hieruit volgt dat verzoekers’ betoog dat de door de Raad aangevoerde documentatie slechts vage en abstracte beweringen bevat, niet kan worden aanvaard.
87 Wat voorts de omstandigheid betreft dat in de door de Raad aangevoerde artikelen uit de pers niet is vermeld uit welke primaire bron de daarin vervatte inlichtingen afkomstig zijn, waardoor die bewijskracht zouden missen, moet eraan worden herinnerd dat het vaste rechtspraak is dat voor het Hof en het Gerecht het beginsel van de vrije bewijslevering geldt en dat het enige criterium voor de beoordeling van de waarde van het gevoerde bewijs de geloofwaardigheid ervan is. Bovendien moet bij de beoordeling van de bewijswaarde van een stuk worden gekeken naar de waarschijnlijkheid van de daarin vervatte informatie en met name rekening worden gehouden met de herkomst van het stuk, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen en degene tot wie het is gericht, en moet worden onderzocht of het stuk, gelet op zijn inhoud, redelijk en geloofwaardig overkomt (zie in die zin arrest van 27 september 2012, Shell Petroleum e.a./Commissie, T‑343/06, EU:T:2012:478, punt 161en aldaar aangehaalde rechtspraak).
88 In de onderhavige zaak moet om te beginnen worden vastgesteld dat de elementen waarvan verzoekers de bewijskracht bestrijden, afkomstig zijn uit verschillende elektronische informatiebronnen en wetenschappelijke studies, waardoor zij geografisch een gevarieerde herkomst hebben, dus niet enkel een lokale zoals „The Syria Report” en „Syriandays”, maar ook een buitenlandse zoals „The Washington Institute”, „Woldcrunch”, „The Middle East Research and Information Project (MERIP)”, „Le Commerce du Levant” en „Al Arabiya”. Vervolgens moet met de Raad worden opgemerkt dat de aangehaalde artikelen uit de pers op verschillende data zijn gepubliceerd, zelfs nog voordat de crisis in Syrië was begonnen, en dat zij verzoekers toen reeds met het bewind associeerden. Tot slot moet erop worden gewezen dat uit elk van de informatiebronnen verschillende inlichtingen afkomstig zijn, ondanks dat die bronnen grotendeels met elkaar overeenstemmen voor zover het de omschrijving van Hamcho als met het bewind verbonden zakenman betreft, gelet op zijn commerciële activiteiten en de representatieve functies die hij vervult en het feit dat verzoekers voordelen plukken van het Syrische bewind, vooral in de huidige oorlogscontext.
89 Het Gerecht is bijgevolg van oordeel dat de inlichtingen die de Raad heeft aangedragen, in hun geheel genomen, kunnen worden geacht betrouwbaar te zijn in de zin van de rechtspraak die hierboven in punt 87 is aangehaald. In dat verband moet erop worden gewezen dat ook wanneer daarin niet uitdrukkelijk de primaire bron van de daarin vervatte inlichtingen is vermeld, het gezien de oorlogssituatie in Syrië in de praktijk moeilijk of zelfs onmogelijk is geworden om getuigenissen te krijgen van personen die ermee instemmen dat zij worden geïdentificeerd. De daaruit volgende moeilijkheid om onderzoek te verrichten en het gevaar waaraan personen die inlichtingen verstrekken zich blootstellen, staan eraan in de weg dat nauwkeurige bronnen voor het persoonlijk gedrag ter ondersteuning van het bewind worden genoemd (zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:2, punt 204). Tot slot moet worden opgemerkt dat verzoekers in hun verzoekschrift weliswaar globaal de bewijskracht van de door de Raad aangedragen uittreksels bestrijden, maar dat zij nog niet het begin van aanwijzingen aanvoeren op grond waarvan aan de geloofwaardigheid ervan kan worden getwijfeld.
90 Hieruit volgt dat verzoekers’ betoog de door de Raad aangedragen inlichtingen bewijskracht missen, wegens het ontbreken van een vermelding van de primaire bronnen voor de informatie, moet worden afgewezen.
91 In de derde plaats verwijzen verzoekers naar een artikel dat door de Raad is aangedragen in het kader van het document met referentie RELEX MD 343/14, dat in november 2013 is gepubliceerd in het tijdschrift Le Commerce du Levant, om te stellen dat dit artikel het vermoeden van de Raad dat het commerciële succes van verzoekers alleen kan worden verklaard door hun nabijheid tot het Syrische bewind en hun steun daaraan, tot een „ongeldig” vermoeden maakt.
92 In dat verband moet erop worden gewezen dat verzoekers wederom niet kunnen uitleggen waarom genoemd artikel het vermoeden waartegen de kritiek zich richt, tot een „ongeldig” vermoeden kan maken. Daarnaast moet hoe dan ook met de Raad worden geoordeeld dat het artikel dat is opgenomen in het document met referentie RELEX MD 343/14, niet alleen aan dit vermoeden niet afdoet, maar dat het ook ter ondersteuning daarvan kan dienen, omdat daar onder meer uit naar voren komt dat de belangen van de machtigste Syrische zakenlieden, waaronder Hamcho, „zodanig van de macht afhangen dat zij als een integrerend deel van het bestaande systeem worden beschouwd” (zie in dat verband bladzijde 227 aan het eind). Bijgevolg moet verzoekers’ argument worden afgewezen.
93 Uit een en ander volgt dat de argumenten die verzoekers hebben uiteengezet in de punten 50 en 51 van hun verzoekschrift moeten worden afgewezen, en bijgevolg ook het eerste onderdeel van het tweede middel.
– Tweede onderdeel: onjuiste beoordeling van de gegrondheid van de plaatsing van verzoekers’ naam op de litigieuze lijsten
94 Verzoekers stellen in punt 52 van het verzoekschrift dat de hernieuwde plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten „kennelijk misbruik” oplevert, dat is terug te voeren op de wil van de Raad om hun naam „op zijn minst voor de duur van de beroepsprocedure” op de litigieuze lijsten te houden.
95 In dat verband moet er in de eerste plaats op worden gewezen dat uit het arrest van 13 november 2014, Hamcho en Hamcho International I (T‑43/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:946), volgt dat de Raad in het kader van een nieuw onderzoek de mogelijkheid heeft om verzoekers’ naam opnieuw op de lijsten te plaatsen op basis van redenen die rechtens genoegzaam zijn gestaafd, zoals hierboven in punt 66 is aangegeven. In die context kan het feit dat de Raad verzoekers’ naam opnieuw op de litigieuze lijsten heeft geplaatst, niet op zich aantonen dat deze instelling jegens verzoekers een onrechtmatige wil had om misbruik te maken.
96 Indien het Gerecht er in de tweede plaats vanuit zou moeten gaan dat verzoekers met hun argument in werkelijkheid wilden bestrijden dat de hernieuwde plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten genoegzaam is gestaafd en gerechtvaardigd, moet eraan worden herinnerd dat de beoordeling van de gegrondheid van een plaatsing op een lijst volgens de rechtspraak van het Hof moet worden verricht aan de hand van een onderzoek van het bewijs dat niet op geïsoleerde wijze plaatsvindt, maar binnen de context waarin dit moet worden geplaatst (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 102, en van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 70).
97 Rekening houdend met de situatie in Syrië voldoet de Raad voorts aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling samenhangende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan het bestaan van een toereikend verband tussen de persoon op wie een bevriezingsmaatregel van toepassing is en het bestreden regime kan worden vastgesteld (arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad, C‑630/13 P, EU:C:2015:247, punt 53).
98 Zoals volgt uit de brief van 19 december 2014, heeft de Raad in de onderhavige zaak beslist om verzoekers’ naam opnieuw op de litigieuze lijsten te plaatsen op basis van het criterium van associatie met het Syrische bewind, meer bepaald hun economische en politieke banden met de leiders van het heersende bewind en het voordeel dat zij van die nabijheid konden plukken. Een dergelijk criterium vloeit uit artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255 en artikel 15, lid 1, van verordening nr. 36/2012 voort. De motivering van de Raad omvat wat Hamcho betreft daarnaast nog de volgende drie elementen: ten eerste is Hamcho een vooraanstaande Syrische zakenman, die eigenaar is van Hamcho International; ten tweede staat hij dicht bij belangrijke figuren van het Syrische regime, waaronder de president, Bachar el‑Assad, en Maher el‑Assad, en ten derde oefent hij de functie van voorzitter voor China van de Syrische bilaterale handelsraden uit. Daaruit volgt dat hij profiteert van en steun verleent aan het door het bewind gevoerde beleid, waarbij hij tevens banden heeft met personen die baat hebben bij het door het bewind gevoerde beleid en die daaraan steun verlenen. Voorts is de naam van Hamcho International door de Raad op de litigieuze lijsten geplaatst omdat zij een grote Syrische houdstermaatschappij is waarvan Hamcho de eigenaar is, en zij daardoor profiteert van het door het Syrische bewind gevoerde beleid, waarbij zij banden heeft met een persoon die baat heeft bij het door het bewind gevoerde beleid en daaraan steun verleent.
99 Eerst moet worden onderzocht of elk van de redenen tot hernieuwde plaatsing van Hamcho op de litigieuze lijsten zijn gestaafd.
100 Wat de derde reden betreft, inzake de functie die Hamcho uitoefent als voorzitter voor China van de Syrische bilaterale handelsraden, moet meteen al worden opgemerkt dat verzoekers slechts één argument tegen de stelling van de Raad inbrengen. Zij beperken zich namelijk tot de stelling in hun repliek dat „deze instelling snel weer is opgedoekt, voor zover zij al werkelijk heeft gefunctioneerd” en dat „het om louter kamers van koophandel gaat”. Zij voeren echter geen concreet argument aan dat inhoudelijk aan de door Raad aangedragen reden moet afdoen.
101 Bovendien volgt uit de rechtspraak dat indien de Unierechter bij een besluit houdende vaststelling van beperkende maatregelen, gelet op de preventieve aard van die maatregelen, vaststelt dat ten minste één van de genoemde redenen voldoende nauwkeurig en concreet is, gestaafd is en op zich een toereikende grondslag voor dat besluit vormt, de omstandigheid dat andere van die redenen dat niet zijn, niet kan leiden tot de nietigverklaring van dat besluit (zie arrest van 28 november 2013, Raad/Manufacturing Support & Procurement Kala Naft, C‑348/12 P, EU:C:2013:776, punt 72en aldaar aangehaalde rechtspraak).
102 In elk geval is het Gerecht van oordeel dat de Raad in het licht van de inlichtingen die blijken uit de documenten die hierboven in de punten 83 tot en met 88 zijn geanalyseerd en de bijzondere politieke en economische context in Syrië, terecht kon oordelen dat Hamcho één van de belangrijkste zakenlieden van Syrië was en dat hij, gelet op zijn economische en representatieve functies, niet succesvol had kunnen zijn zonder aan het bewind te zijn gelieerd.
103 Opgemerkt moet namelijk worden dat verzoeker, zoals volgt uit de door de Raad aangedragen documentatie, en meer bepaald de twee artikelen die op 3 respectievelijk 30 maart 2014 zijn gepubliceerd op de websites „The Syria Report” en „Syriandays”, in maart 2014 door de minister van Economische Zaken, Khodr Orfali, is benoemd tot voorzitter voor China van de Syrische bilaterale handelsraden. Daarnaast volgt uit het artikel dat op 12 januari 2015 is gepubliceerd op de website „The Syria Report”, dat hij in december 2014 door de minister van Economische Zaken ook is benoemd tot secretaris-generaal van de kamer van koophandel van Damascus. Hoewel het juist is dat op basis van alleen deze artikelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen enerzijds verzoekers en anderzijds de minister van Economische Zaken of het heersende bewind, neemt dit niet weg dat er voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen zijn die tezamen met de belangrijke positie van verzoeker in de Syrische zakenwereld, met name wegens het feit dat hij de vennootschap Hamcho International in handen heeft en zijn economische activiteiten, in aanmerking moeten worden genomen.
104 Bovendien moet erop worden gewezen dat verzoekers functie binnen economische raden als de Syrische bilaterale handelsraden voor China, die de promotie van de Syrische economie en de ontwikkeling van zijn ondernemingen, zijn commerciële activiteiten en zijn investeringen tot doel hebben, slechts kan worden verklaard door een zekere nabijheid tot het heersende bewind en een niet-betwist feitelijk gegeven is dat ervan getuigd dat er een zekere band tussen verzoeker en het bewind van Bachar el‑Assad bestaat. Voor het bestaan van deze band kan steun worden gevonden in zijn benoeming tot secretaris-generaal van de kamer van koophandel van Damascus in december 2014 door de minister van Economische Zaken. In het artikel dat op 12 januari 2015 is gepubliceerd op de website „The Syria Report” is in dat verband vermeld dat de reden waarom de samenstelling van de raad van bestuur van de kamer van koophandel van Damascus radicaal was gewijzigd, het gevolg van meerdere factoren was, waaronder de politieke houding die bepaalde zakenlieden ten aanzien van het bewind hadden aangenomen.
105 Daarnaast moet erop gewezen dat indien de Unierechter op realistische wijze toezicht wil houden op de door de Raad jegens verzoeker vastgestelde beperkende maatregelen, hij bij zijn beoordeling dwingend rekening moet houden met de context waarin de Arabische Republiek Syrië zich bevindt (zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Anbouba/Raad, C‑605/13 P, EU:C:2015:2, punt 205).
106 In casu heeft de Raad het artikel in het tijdschrift Le Commerce du Levant ter kennis van verzoekers gebracht door middel van het document met referentie RELEX MD 343/14. In dit artikel is de algemene context omschreven waarin de Syrische zakenlieden, waartoe ook Hamcho behoort, zich bevonden. Meer bepaald is in dit artikel met name vastgesteld dat de machtigste zakenlieden zodanig van de macht afhangen dat zij als een integrerend deel van het bestaande systeem worden beschouwd. Zoals de Raad tot uitdrukking heeft gebracht in zijn brief van 19 december 2014, gericht aan verzoekers, wordt dit aspect ook geïllustreerd aan de hand van het feit dat het Syrische bewind autoritair is en nauw toezicht houdt op de Syrische economie en zijn actoren.
107 Bovendien moet erop worden gewezen dat over de Syrische zakenwereld vele artikelen zijn verschenen in de pers, met verschillende bronnen, die door de Raad zijn overgelegd als bijlage bij zijn verweerschrift. Deze artikelen bevestigen dat de economische elite in Syrië hoofdzakelijk bestaat uit ondernemers die door Bachar el‑Assad en zijn ruimere familiekring zijn gekozen en dat deze elite wel is gevaren door van de gunsten van het bewind te profiteren. In de onderhavige zaak moet er met de Raad op worden gewezen dat deze documentatie, anders dan verzoekers betogen, ontvankelijk is, aangezien zij niet tot doel heeft om de litigieuze handelingen ex post te motiveren, maar om aan te tonen dat de motivering daarvan, gezien de context waarbinnen die handelingen zijn vastgesteld, toereikend is (zie in die zin arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 62).
108 Tot slot moet worden vastgesteld dat de Raad in zijn verweerschrift niet alleen heeft toegelicht in welk opzicht verzoeker deel uitmaakte van de leidende economische klasse in Syrië, maar ook het feit dat hij onmiskenbaar banden met het Syrische bewind heeft, aangezien hij door middel van representatieve functies, zijn commerciële activiteiten en het houderschap van Hamcho International bepalende invloed uitoefent op de vertrouwelingen van de machthebbers binnen dat regime, zodat hij van dat regime profiteert.
109 Uit een en ander volgt dat de Raad terecht tot het oordeel is gekomen dat Hamcho één van de vooraanstaande Syrische zakenlieden was en banden onderhield met het bewind van Bachar el‑Assad als gevolg van het feit dat hij functies ter vertegenwoordiging van de Arabische Republiek Syrië uitoefende. Bijgevolg moet de conclusie luiden dat de redenen die eraan ten grondslag liggen dat de naam van Hamcho opnieuw op de litigieuze lijsten is geplaatst, afdoende zijn gestaafd.
110 Bovendien volgt uit artikel 28, lid 1, van besluit 2013/255 dat alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan entiteiten die banden hebben met personen die steun verlenen aan het bewind, moeten worden bevroren. In casu volgt uit punt 109 dat Hamcho terecht op de litigieuze lijsten is geplaatst. Voorts moet erop worden gewezen dat Hamcho International een houdstermaatschappij is die hoofdzakelijk door Hamcho wordt gehouden, zoals volgt uit de bijlagen bij de memories van partijen, hetgeen door verzoekers zelf overigens ook niet is betwist.
111 Bijgevolg moet worden vastgesteld, zonder dat het door de Raad aangedragen bewijs hoeft te worden beoordeeld, dat de naam van Hamcho International, een door Hamcho gehouden houdstermaatschappij, terecht op de litigieuze lijsten is geplaatst.
112 Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dus worden afgewezen en daarmee ook het middel in zijn geheel.
Derde middel: schending van de rechten op eigendom en economische vrijheid
113 Verzoekers stellen dat hun rechten op eigendom en economische vrijheid zijn geschonden door het loutere feit dat afbreuk is gedaan aan hun rechten van de verdediging.
114 De Raad bestrijdt verzoekers’ betoog.
115 Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat de eerbiediging van de rechten van verdediging, die is neergelegd in artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten, het recht omvat om te worden gehoord en het recht op toegang tot de stukken met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 99en aldaar aangehaalde rechtspraak).
116 Volgens vaste rechtspraak op het gebied van beperkende maatregelen geldt dat de doeltreffendheid van de rechterlijke controle – die met name moet kunnen zien op de wettigheid van de gronden waarop de plaatsing van de naam van een persoon of een entiteit op de lijst van degenen tot wie de beperkende maatregelen zijn gericht, is gebaseerd – meebrengt dat de betrokken autoriteit van de Unie voor zover mogelijk deze gronden aan de betrokken persoon of entiteit meedeelt op het ogenblik dat wordt beslist hem of haar op de lijst te plaatsen of althans zo snel mogelijk nadat deze beslissing is genomen, teneinde de betrokkenen in staat te stellen, hun recht van beroep tijdig uit te oefenen (zie in die zin arrest van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie, C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 336).
117 De eerbiediging van deze verplichting tot mededeling van deze gronden is immers vereist om degenen tot wie de beperkende maatregelen zijn gericht, de mogelijkheid te bieden hun rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met name om met volledige kennis van zaken te beslissen of zij er baat bij hebben om zich tot de Unierechter te wenden (zie in die zin arresten van 15 oktober 1987, Heylens e.a., 222/86, EU:C:1987:442, punt 15, en van 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punt 132).
118 In de onderhavige zaak moet erop worden gewezen dat de Raad, zoals blijkt uit de punten 18, 19 en 23 hierboven, verzoekers voorafgaand, bij brief van 19 december 2014, mededeling heeft gedaan van de redenen voor en de bewijzen ter ondersteuning van de hernieuwde plaatsing van hun naam op de litigieuze lijsten en hen een termijn heeft gesteld waarbinnen zij eventuele opmerkingen kenbaar konden maken. Verzoekers hebben zich op 15 januari 2015 tegen deze hernieuwde plaatsing op de litigieuze lijsten verzet. Daarna heeft de Raad beslist om hun naam opnieuw op de litigieuze lijsten te plaatsen en heeft hij hen bij brief van 27 januari 2015 mededeling gedaan van zijn besluit, van de bestreden handelingen en van de nieuwe inlichtingen over hen. Derhalve kan het de Raad niet worden verweten dat hij verzoekers’ rechten van de verdediging heeft geschonden.
119 Vervolgens moet eraan worden herinnerd dat het eigendomsrecht deel uitmaakt van de algemene beginselen van Unierecht en is neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 96en aldaar aangehaalde rechtspraak).
120 Volgens vaste rechtspraak geniet dit grondrecht in het Unierecht echter geen absolute bescherming, maar moet het in relatie tot zijn maatschappelijke functie worden beschouwd. Bijgevolg kan de uitoefening van dit recht aan beperkingen worden onderworpen, mits die beperkingen werkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang die de Unie nastreeft en zij, gelet op het nagestreefde doel, niet een onevenredige en onduldbare ingreep opleveren waardoor het gewaarborgde recht in zijn kern wordt aangetast (zie arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 97en aldaar aangehaalde rechtspraak).
121 Hieruit volgt dat de door verzoekers genoemde beperkingen van het recht op eigendom, gelet op het wezenlijke belang van de bescherming van de burgerbevolking in Syrië en de in de bestreden handelingen opgenomen ontheffingen, niet onevenredig zijn (zie in die zin arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punt 106), temeer omdat in de bestreden handelingen is voorzien in bepaalde uitzonderingen die het de personen en entiteiten waartegen beperkende maatregelen zijn gericht, toestaan om essentiële uitgaven te doen.
122 De bestreden handelingen voorzien immers in de mogelijkheid om toe te staan dat bevroren tegoeden worden gebruikt om in essentiële behoeften te voorzien of bepaalde verplichtingen na te komen en specifieke machtigingen te verlenen om bevroren tegoeden, andere financiële activa of andere economische middelen vrij te geven en de samenstelling van de lijsten periodiek te evalueren om de personen en entiteiten die niet meer beantwoorden aan de criteria om op de betrokken lijst te staan, van die lijst te kunnen schrappen (zie in die zin arrest van 13 september 2013, Makhlouf/Raad, T‑383/11, EU:T:2013:431, punten 102 en 105).
123 Wat tot slot de vermeende beperkingen van verzoekers’ economische vrijheid betreft, die in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten is neergelegd, kunnen deze om dezelfde redenen als hierboven in de punten 119 en 120 uiteengezet voor het recht op eigendom, niet worden geacht onevenredig te zijn.
124 Hieruit volgt dat de Raad het recht op eigendom en de economische vrijheid van verzoekers niet heeft geschonden.
125 Bijgevolg moet het derde middel worden afgewezen, zodat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
126 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in de kosten van het onderhavige geding en die van het kort geding.
HET GERECHT (Zevende kamer), rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) Mohamad Hamcho en Hamcho International zullen hun eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie in het kader van dit geding en het kort geding dragen.
Van der Woude Ulloa Rubio Marcoulli Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 oktober 2016. ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Frans.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 21 april 2015, C-630/13, ECLI:EU:C:2015:247
- Gerecht EU 4 februari 2014, T-174/12, ECLI:EU:T:2014:52
- HvJ EU 28 november 2013, C-348/12, ECLI:EU:C:2013:776
- Gerecht EU 13 september 2013, T-383/11, ECLI:EU:T:2013:431
- HvJ EU 18 juli 2013, C-584/10, ECLI:EU:C:2013:518
- HvJ EU 15 november 2012, C-417/11, ECLI:EU:C:2012:718
- Gerecht EU 27 september 2012, T-343/06, ECLI:EU:T:2012:478
- HvJ EU 3 september 2008, C-402/05, ECLI:EU:C:2008:461
- HvJ EU 15 oktober 1987, 222/86, ECLI:EU:C:1987:442