Gerecht EU 21 september 2016, T-363/14, ECLI:EU:T:2016:521

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

21 september 2016 ( *1 )

„Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten betreffende een openbare aanbesteding voor diensten — Weigering van toegang — Uitzondering inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu — Uitzondering inzake de bescherming van commerciële belangen — Uitzondering inzake de bescherming van het besluitvormingsproces — Gedeeltelijke toegang — Hoger openbaar belang — Motiveringsplicht”

In zaak T‑363/14,

Secolux, Association pour le contrôle de la sécurité de la construction, gevestigd te Capellen (Luxemburg), vertegenwoordigd door N. Prüm-Carré en E. Billot, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Buchet en M. Konstantinidis als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 1 en 14 april 2014 houdende weigering om verzoekster volledige toegang te verlenen tot bepaalde documenten betreffende een aanbesteding met referentie 02/2013/OIL inzake veiligheidscontroles die in diverse gebouwen in Luxemburg moeten worden verricht (PB 2013/S 156‑271471),

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, A. M. Collins (rapporteur) en V. Valančius, rechters,

griffier: G. Predonzani, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 30 juni 2016,

het navolgende

Arrest

Voorgeschiedenis van het geding

1 Op 13 augustus 2013 heeft de Europese Commissie in het supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2013/S 156‑271471), een aankondiging van een opdracht gepubliceerd betreffende een aanbesteding die werd aangeduid met referentie 02/2013/OIL en betrekking had op veiligheidscontroles die in diverse in Luxemburg gelegen gebouwen moesten worden verricht, verdeeld over twee percelen. Op 21 september 2013 is vlak voor het verstrijken van de uiterste datum voor de ontvangst van de offertes van 19 september 2013 tot en met 8 oktober 2013 een rectificatie gepubliceerd (PB 2013/S 184‑316785).

2 Op 8 oktober 2013 heeft verzoekster, Secolux, Association pour le contrôle de la sécurité de la construction, een offerte voor perceel nr. 1 en een offerte voor perceel nr. 2 ingediend.

3 Op 3 december 2013 heeft de Commissie verzoekster in kennis gesteld van het besluit tot afwijzing van haar offertes, op grond dat die niet de economisch voordeligste waren, en van de toewijzing van de opdracht aan andere inschrijvers. Tevens heeft zij aan verzoekster voor elk van de twee percelen te kennen gegeven dat haar op schriftelijk verzoek de kenmerken en de voordelen van de geselecteerde inschrijving, alsmede de naam van degene aan wie de opdracht werd gegund, konden worden meegedeeld.

4 Verzoekster heeft bij schrijven van 4 december 2013 een verzoek in die zin gedaan.

5 Op 11 december 2013 heeft de Commissie de betrokken inlichtingen aan verzoekster verstrekt.

6 Op 18 december 2013 heeft verzoekster om aanvullende inlichtingen verzocht, omdat de prijzen die waren vermeld in de offertes van degene aan wie de opdracht was gegund, haar abnormaal laag leken. Ook heeft zij verzocht om de ondertekening van de contracten in verband met die offertes op te schorten.

7 Op 24 december 2013 is een aankondiging van een gegunde opdracht betreffende de twee percelen van de aanbesteding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (PB 2013/S 249‑433951).

8 Op 29 januari 2014 heeft verzoekster de Commissie op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43), verzocht om een afschrift van de documenten betreffende de procedure voor de plaatsing van de opdracht voor perceel nr. 1, waaronder met name het evaluatieverslag en de offerte van de geselecteerde inschrijver of zijn minst zijn prijsopgave.

9 Op 30 januari 2014 heeft de Commissie verzoekster ervan in kennis gesteld dat zij de contracten op 16 december 2013 had ondertekend, gezien het feit dat zij geen opmerkingen over de aanbestedingsprocedure had ontvangen binnen tien dagen, te rekenen vanaf de kennisgeving van het afwijzingsbesluit. Ook heeft zij aanvullende inlichtingen verstrekt over de verschillen tussen de door verzoekster aangeboden prijzen en die van degene aan wie de opdracht was gegund.

10 Op 3 februari 2014 heeft verzoekster een beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie waarbij haar offerte voor perceel nr. 1 is afgewezen en tot vergoeding van de schade die zij stelde te hebben geleden als gevolg van dat besluit. Dit beroep heeft geleid tot het arrest van 8 oktober 2015, Secolux/Commissie (T‑90/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:772).

11 Op 11 februari 2014 heeft de Commissie geantwoord op het verzoek om toegang. Ten eerste heeft zij gedeeltelijke toegang verleend tot het evaluatieverslag betreffende perceel nr. 1, met uitzondering van de persoonsgegevens die zich daarin bevonden en delen van het document die niet onder het verzoek om toegang vielen, omdat die betrekking hadden op perceel nr. 2. Zij heeft echter niet nader aangegeven voor welke delen de toegang op grond van de uitzondering was geweigerd en welke delen eenvoudigweg niet onder het verzoek om toegang vielen. Ten tweede heeft zij geweigerd toegang te verlenen tot de offerte van de geselecteerde inschrijver en zijn prijsopgave, op grond dat die documenten commercieel gevoelige informatie van die onderneming bevatten.

12 Op 3 maart 2014 heeft verzoekster een eerste confirmatief verzoek om toegang tot de documenten ingediend. Meer bepaald heeft zij verzocht om toegang tot onderdeel 6 van het evaluatieverslag, met het opschrift „overeenstemming met het bestek”, waarin bepaalde vragen aan een inschrijver en de offerte van de geselecteerde inschrijver of op zijn minst zijn prijsopgave waren opgenomen. Daarnaast heeft zij verzocht om toegang tot het contract dat met de geselecteerde inschrijver is gesloten.

13 Op 20 maart 2014 heeft de Commissie verzoekster ervan in kennis gesteld dat haar verzoek om toegang tot het contract dat met de geselecteerde inschrijver is gesloten, geen onderdeel was van het initiële verzoek dat zij had ingediend, zodat dit afzonderlijk zou worden behandeld als een initieel verzoek. Zij heeft gedeeltelijke toegang verleend tot de tekst van het contract, waarbij zij de toegang tot bepaalde passages heeft geweigerd om de bescherming van persoonsgegevens te waarborgen. De toegang tot de bijlagen I.A en II bij het contract (met daarin de prijsopgave respectievelijk de offerte van de geselecteerde inschrijver) is in zijn geheel geweigerd om de bescherming van commercieel gevoelige gegevens van de geselecteerde inschrijver te verzekeren.

14 Op 1 april 2014 heeft de Commissie een besluit ten aanzien van het eerste confirmatief verzoek vastgesteld (hierna: „besluit van 1 april 2014”), waarin zij weigerde om een ruimere toegang te verlenen dan tot dusverre was verleend. Volgens dit besluit was deze weigering gebaseerd op de bescherming van persoonsgegevens [artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001], de bescherming van commerciële belangen [artikel 4, lid 2, eerste streepje, van genoemde verordening] en de bescherming van het besluitvormingsproces [artikel 4, lid 3, van diezelfde verordening] voor zover dit het evaluatieverslag, de offerte van de geselecteerde inschrijver en zijn prijsopgave betrof. Wat het evaluatieverslag betreft, heeft de Commissie ook in dit stadium niet nader aangegeven welke delen door de uitzondering inzake persoonsgegevens waren gedekt en welke delen betrekking hadden op perceel nr. 2, die dus niet onder het verzoek om toegang vielen.

15 Op 2 april 2014 heeft verzoekster een tweede confirmatief verzoek ingediend, waarin zij om toegang tot het contract in zijn geheel verzocht.

16 Op 14 april 2014 heeft de Commissie een besluit over het tweede confirmatief verzoek vastgesteld (hierna: „besluit van 14 april 2014”), waarin zij weigerde een ruimere toegang te verlenen dan tot dusverre was verleend, waarbij zij dezelfde gronden aanvoerde als in het besluit van 1 april 2014.

Procedure en conclusies van partijen

17 Bij op 2 juni 2014 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld en het Gerecht verzocht: — het besluit van 1 april 2014 en dat van 14 april 2014 (hierna tezamen: „bestreden besluiten”) nietig te verklaren; — de Commissie te verwijzen in de kosten.

18 De Commissie verzoekt het Gerecht: — het beroep te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.

19 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht de Commissie in het kader van de maatregelen van instructies als voorzien in artikel 91, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gelast om een volledig afschrift over te leggen van de documenten waartoe de toegang was geweigerd. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. Overeenkomstig artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering zijn deze documenten niet aan de verzoekende partij meegedeeld.

20 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan en heeft het in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang aan verzoekster een aantal vragen gesteld, met het verzoek die ter terechtzitting te beantwoorden.

21 Partijen hebben ter terechtzitting van 30 juni 2016 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondeling gestelde vragen van het Gerecht.

In rechte

22 Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan, ontleend aan ten eerste het feit dat de Commissie niet op alle gevraagde documenten had beslist, ten tweede schending van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 en ten derde schending van artikel 296 VWEU.

23 Aangezien verzoekster van het eerste middel heeft afgezien, hoeft dit niet te worden onderzocht.

Tweede middel: schending van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001

24 Met het tweede middel geeft verzoekster te kennen dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 4 van verordening nr. 1049/2001. Dit middel valt uiteen in vijf onderdelen, inzake ten eerste het ontbreken van een aantasting van persoonsgegevens in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001, ten tweede het ontbreken van een aantasting van commerciële belangen in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van diezelfde verordening, ten derde het ontbreken van een aantasting van het besluitvormingsproces in de zin van artikel 4, lid 3, van diezelfde verordening, ten vierde het bestaan van een hoger belang dat tot openbaarmaking gebiedt in de zin van artikel 4 van diezelfde verordening, en ten vijfde schending van artikel 4, lid 6, van die verordening wegens de weigering om bedoelde documenten gedeeltelijk openbaar te maken.

Eerste onderdeel: geen aantasting van persoonsgegevens

25 Uit artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 volgt dat de instellingen de toegang tot een document weigeren wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de integriteit van het individu, in het bijzonder gelet op de Uniewetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens. In de onderhavige zaak is de relevante wetgeving neergelegd in met name verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 2001, L 8, blz. 1).

26 Uit de rechtspraak volgt dat bij het onderzoek van de verhouding tussen de verordeningen nr. 1049/2001 en nr. 45/2001 met het oog op de toepassing van de in artikel 4, lid 1, onder b), van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering op de desbetreffende zaak, rekening moet worden gehouden met het feit dat beide verordeningen verschillende doelstellingen hebben. De eerste heeft tot doel de grootst mogelijke transparantie te verzekeren van het besluitvormingsproces van overheidsorganen, alsmede van de informatie waarop hun besluiten zijn gebaseerd. Zij beoogt dus de uitoefening van het recht op toegang tot documenten zo veel mogelijk te vergemakkelijken en goede administratieve praktijken te bevorderen. De tweede heeft tot doel de bescherming van de fundamentele vrijheden en grondrechten van natuurlijke personen, en met name hun persoonlijke levenssfeer, te waarborgen bij de verwerking van persoonsgegevens (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager, C‑28/08 P, EU:C:2010:378, punt 49).

27 De verordeningen nr. 45/2001 en nr. 1049/2001 zijn vastgesteld op dicht bij elkaar liggende data. Zij bevatten geen bepalingen die een van deze verordeningen uitdrukkelijk voorrang op de andere geven. In beginsel moet dus de volledige toepassing ervan worden verzekerd (arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager, C‑28/08 P, EU:C:2010:378, punt 56).

28 Volgens artikel 2, onder a), van verordening nr. 45/2001 wordt onder „persoonsgegeven” iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon verstaan. Als identificeerbaar wordt beschouwd een persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificatienummer of van een of meer specifieke elementen die voor zijn fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit kenmerkend zijn.

29 Volgens overweging 7 van deze verordening komen voor bescherming in aanmerking diegenen wier persoonsgegevens om welke reden ook door de instellingen of organen van de Unie worden verwerkt, bijvoorbeeld omdat zij bij deze instellingen of organen werkzaam zijn.

30 Daarnaast is er geen enkele principiële reden waarom het begrip persoonlijke levenssfeer geen beroeps‑ of handelsactiviteiten zou omvatten (arresten van 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a., C‑465/00, C‑138/01 en C‑139/01, EU:C:2003:294, punt 73, en van 8 november 2007, Bavarian Lager/Commissie, T‑194/04, EU:T:2007:334, punt 114).

31 In de onderhavige zaak volgt uit de geschriften en de stukken die in het kader van de door het Gerecht gelaste maatregel van instructie zijn overgelegd dat de Commissie de bescherming van persoonsgegevens heeft ingeroepen om toegang te weigeren tot bepaalde passages die de naam en voornaam van werknemers van inschrijvers en die van de leden van het selectiecomité, hun handtekening en hun functie bevatten. De Commissie heeft dus zonder een fout te begaan geoordeeld dat deze gegevens persoonsgegevens vormden.

32 Zoals is aangegeven in het besluit van 1 april 2014, worden persoonsgegevens overeenkomstig artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 pas aan ontvangers als verzoekster doorgegeven, indien zij de noodzaak van de doorgifte aantonen en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad.

33 Aangezien verzoekster geen uitdrukkelijke en legitieme reden of overtuigend argument heeft aangevoerd om de noodzaak van hun doorgifte aan te tonen, heeft de Commissie terecht geweigerd om toegang tot de betrokken persoonsgegevens te verlenen (zie in die zin arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager, C‑28/08 P, EU:C:2010:378, punt 78).

34 Pas in het stadium van de repliek heeft verzoekster betoogd dat de Commissie haar op grond van de rechtspraak en met name punt 216 van het arrest van 9 september 2009, Brink’s Security Luxembourg/Commissie (T‑437/05, EU:T:2009:318), toegang had moeten verlenen tot de passage van het evaluatieverslag die de persoonsgegevens van de leden van het evaluatiecomité bevat.

35 In dat verband moet erop worden gewezen dat het door verzoekster ingeroepen arrest van 9 september 2009, Brink’s Security Luxembourg/Commissie (T‑437/05, EU:T:2009:318), dateert van vóór het arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager (C‑28/08 P, EU:C:2010:378). Het is in dit laatste arrest dat het Hof verduidelijking heeft gegeven van de regels aan de hand waarvan de instellingen van de Unie verzoeken om toegang tot documenten met daarin persoonsgegevens moeten onderzoeken. Na ter terechtzitting over de rechtspraak te zijn ondervraagd, heeft verzoekster overigens toegegeven dat het arrest van 29 juni 2010, Commissie/Bavarian Lager (C‑28/08 P, EU:C:2010:378), voorrang heeft.

36 In die context staat het dan ook aan degene die om doorgifte van persoonsgegevens verzoekt, aan te tonen dat deze noodzakelijk is. Indien dit is aangetoond, staat het vervolgens aan de betrokken instelling om na te gaan of er geen reden bestaat om aan te nemen dat de betrokken doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkene zou kunnen schaden (arrest van 16 juli 2015, ClientEarth en PAN Europe/EFSA, C‑615/13 P, EU:C:2015:489, punt 47).

37 In dat verband moet worden geconstateerd dat, ook wanneer een afgewezen inschrijver in beginsel legitieme redenen zou kunnen aanvoeren om toegang tot de namen van de leden van het selectiecomité voor de betrokken aanbesteding te hebben, verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden besluiten geen argument heeft aangevoerd dat een dergelijk verzoek zou kunnen rechtvaardigen. Meer nog, zelfs in het kader van de onderhavige procedure heeft zij geen uitgewerkte stelling in die zin aangevoerd. In die omstandigheden moet verzoeksters grief inzake de toegang tot de passages van het evaluatieverslag die de persoonsgegevens over de identiteit van de leden van het selectiecomité bevatten, namelijk de passages in het midden van bladzijde 6 en bijlage 1 bij evaluatieverslag, worden afgewezen.

38 Wat de overige niet openbaar gemaakte passages van het evaluatieverslag betreft, waaronder de vragen die aan een inschrijver zijn gesteld, die voorkomen in onderdeel 6 van het verslag, namelijk de passages op de bladzijden 2, 3, 4, 5, aan het begin en het einde van bladzijde 6 en bijlage nr. 2 bij het evaluatieverslag, moet worden gepreciseerd dat die betrekking hebben op perceel nr. 2 en dus niet onder het verzoek om toegang vallen. Ook wanneer de Commissie tot een beter begrip van het besluit van 1 april 2014 door verzoekster had kunnen bijdragen door duidelijk te maken welke delen van het evaluatieverslag onder de bescherming van persoonsgegevens vielen en welke betrekking hadden op perceel nr. 2, heeft de Commissie geen rechtsverplichting geschonden door te handelen zoals zij in de onderhavige zaak heeft gedaan.

39 Gelet op een en ander moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Tweede onderdeel: geen aantasting van commerciële belangen

40 Verzoekster stelt dat de Commissie ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat er een gevaar van ondermijning van de bescherming van commerciële belangen in de zin van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 was.

41 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat in het kader van het tweede onderdeel van het tweede middel alleen hoeft te worden onderzocht of de Commissie zich mocht baseren op de bescherming van commerciële belangen om de toegang tot de offerte van de geselecteerde inschrijver, daaronder begrepen de prijsopgave, en de bijlagen I.A en II bij het contract, te weigeren. Zoals immers uit de conclusie van het Gerecht ten aanzien van het eerste onderdeel van het tweede middel volgt, heeft de Commissie geen fout begaan door gedeeltelijke toegang tot het evaluatieverslag en de tekst van het contract te verlenen, omdat de openbaarmaking van bepaalde passages de bescherming van persoonsgegevens kon ondermijnen, terwijl andere passages betrekking hadden op perceel nr. 2, zodat die niet onder het verzoek om toegang vielen.

42 In de bestreden besluiten heeft de Commissie zich beroepen op artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 en artikel 113 van verordening (UE, EURATOM) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1; hierna: „Financieel Reglement”).

43 Uit de rechtspraak volgt dat verordening nr. 1049/2001 en het Financieel Reglement verschillende doelstellingen hebben en geen bepaling bevatten waarin uitdrukkelijk wordt voorgeschreven dat de ene regeling voorrang heeft op de andere. Elk van deze verordeningen moet dus worden toegepast op een wijze die verenigbaar is met de toepassing van de andere en aldus een coherente toepassing ervan mogelijk maakt (arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 85).

44 Wat specifiek de toepassing van verordening nr. 1049/2001 betreft, heeft die verordening tot doel het publiek een zo ruim mogelijk recht van toegang tot documenten van de instellingen te geven (arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 87).

45 Aan dat recht worden niettemin bepaalde beperkingen op grond van openbare of particuliere belangen gesteld. Aangezien die uitzonderingen afwijken van het beginsel van de ruimst mogelijke toegang van het publiek tot de documenten van de instellingen van de Unie, moeten zij evenwel restrictief worden uitgelegd en toegepast (arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punten 88 en 89).

46 Voorts geldt dat wanneer de betrokken instelling besluit om toegang te weigeren tot een document waarvan haar om openbaarmaking is verzocht, het in beginsel aan haar staat om uit te leggen in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat wordt beschermd door een in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 neergelegde uitzondering waarop die instelling zich beroept. Bovendien moet het gevaar van ondermijning van een beschermd belang redelijkerwijs voorzienbaar zijn en mag het niet louter hypothetisch zijn. Die instelling mag zich evenwel in dit verband baseren op algemene aannames die gelden voor bepaalde categorieën documenten, aangezien vergelijkbare overwegingen van algemene aard kunnen gelden voor verzoeken om openbaarmaking met betrekking tot documenten van gelijke aard (arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 90).

47 Uit de rechtspraak volgt dat de offertes die door inschrijvers worden ingediend in het kader van een aanbestedingsprocedure, binnen de werkingssfeer van de uitzondering inzake de bescherming van commerciële belangen kunnen vallen, met name wegens de economische en technische gegevens die de offertes bevatten (zie in die zin arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 95).

48 Bovendien is de bescherming van de offertes van de inschrijvers ten opzichte van de andere inschrijvers in overeenstemming met de relevante bepalingen van het Financieel Reglement en met name artikel 113, lid 2, ervan, dat niet voorziet in openbaarmaking van de ingediende inschrijvingen, ook niet na schriftelijk verzoek van de afgewezen inschrijvers. Deze beperking is inherent aan het doel van de regels inzake overheidsopdrachten van de Unie, dat berust op een onvervalste mededinging. Om dat doel te bereiken is het belangrijk dat de aanbestedende diensten geen informatie betreffende procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten openbaar maken waarvan de inhoud kan worden gebruikt om de mededinging te vervalsen, zij het in een lopende dan wel in latere aanbestedingsprocedures (arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 100).

49 Gelet op het voorgaande is in de rechtspraak vastgesteld dat er een algemene aanname bestaat dat wanneer aan de andere inschrijvers toegang tot de offertes van de inschrijvers zou worden verleend, dit in beginsel de bescherming van commerciële belangen zou ondermijnen (zie in die zin arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA, T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38, punt 101).

50 Niettemin moet worden benadrukt dat de hierboven in punt 49 vermelde algemene aanname de mogelijkheid niet uitsluit dat wordt aangetoond dat een bepaald document waarvan de openbaarmaking is gevraagd niet onder die aanname valt, of dat een hoger openbaar belang de openbaarmaking van dit document gebiedt (arrest van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 126).

51 In het licht van deze beginselen moet de onderhavige zaak worden onderzocht.

52 In de eerste plaats moet erop worden gewezen dat verzoekster in casu toegang is geweigerd tot de offerte die door de geselecteerde inschrijver is ingediend, waaronder de prijsopgave en de samenvatting van de prijsopgave. Ook bijlage I.A bij het contract, waartoe de Commissie eveneens de toegang integraal heeft geweigerd, bevat de prijsopgave zoals opgenomen in de offerte van de geselecteerde inschrijver. Bijlage II bij het contract, waartoe de toegang ook is geweigerd, bevat de offerte van de geselecteerde inschrijver. Daarbij gaat het dus om precies hetzelfde soort documenten als die bedoeld in het arrest van 29 januari 2013, Cosepuri/EFSA (T‑339/10 en T‑532/10, EU:T:2013:38). Anders dan verzoekster stelt, kan uit dit arrest niet worden afgeleid dat dit uitsluitend betrekking heeft op een verzoek om toegang tot alle offertes van de inschrijvers, en niet een verzoek om toegang tot alleen de offerte van de geselecteerde inschrijver.

53 Het is namelijk duidelijk dat de documenten waarop het onderhavige verzoek om toegang ziet, naar hun aard vertrouwelijke technische en economische gegevens van de geselecteerde inschrijver kunnen bevatten, met name inlichtingen over vaardigheden en werkmethodes, zijn knowhow, zijn interne organisatie, zijn kosten en de door hem aangeboden prijzen.

54 In die omstandigheden heeft de Commissie in de bestreden besluiten terecht geoordeeld dat de offerte van de geselecteerde inschrijver, daaronder begrepen de prijsopgave, bijlage I.A bij het contract met daarin de prijsopgave en bijlage II bij het contract met daarin de offerte van de geselecteerde inschrijver, gedekt werden door de algemene aanname dat hun openbaarmaking in beginsel de bescherming van commerciële belangen zou ondermijnen.

55 Bovendien moet worden benadrukt dat het juist met het oog op de bescherming van de vertrouwelijkheid van de commercieel gevoelige inlichtingen is dat artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement er niet in voorziet dat de offerte van de geselecteerde inschrijver aan de afgewezen inschrijvers wordt meegedeeld en dat daarin zelfs is bepaald dat de mededeling van bepaalde gegevens achterwege kan worden gelaten wanneer dit afbreuk zou doen aan gewettigde commerciële belangen of een eerlijke concurrentie onmogelijk zou maken.

56 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat verzoekster in geen enkel stadium van de procedure ook maar enig argument heeft aangevoerd dat kan aantonen dat de gevraagde documenten niet onder deze algemene aanname vielen.

57 Wat de prijsopgave in zijn geheel betreft, stelt verzoekster dat de openbaarmaking van dit document de bescherming van de commerciële belangen van de geselecteerde inschrijver niet kan ondermijnen, aangezien de hoogte van de door haar aangeboden prijs is weergegeven in de aankondiging van een gegunde opdracht. Dit argument kan niet worden aanvaard, omdat de prijsopgave een veel gedetailleerder document is, waarin per post de prijs van de aangeboden diensten wordt aangegeven, terwijl de aankondiging van een gegunde opdracht niet meer dan een globale vermelding van de waarde van de gegunde opdracht bevat.

58 Datzelfde geldt voor de samenvatting van de prijsopgave in de bijlage bij de offerte. Vastgesteld moet worden dat dit document eveneens inlichtingen over de prijzen van de aangeboden diensten bevat die gedetailleerder zijn dan de inlichtingen die in de aankondiging van een gegunde opdracht openbaar zijn gemaakt. Bijgevolg valt de samenvatting van de prijsopgave eveneens onder bovengenoemde algemene aanname.

59 Hieruit volgt dat de Commissie mocht oordelen dat de betrokken documenten, namelijk de offerte van de geselecteerde inschrijver, daaronder begrepen de prijsopgave en de samenvatting van de prijsopgave, en de bijlagen I.A en II bij het contract, onder de uitzondering inzake de bescherming van commerciële belangen vielen, zonder dat een concreet en individueel onderzoek noodzakelijk was, zoals verzoekster beweert.

60 Verzoeksters argumenten ten aanzien van het bestaan van een vermeend hoger belang dat openbaarmaking gebiedt, zullen hieronder in het kader van het vierde onderdeel worden onderzocht.

61 Wat tot slot verzoeksters argument betreft dat de inlichtingen die de Commissie haar over de prijs van de geselecteerde offerte heeft verstrekt, niet voldoen aan de vereisten van artikel 113 van het Financieel Reglement, moet worden vastgesteld dat, zelfs indien dit argument ontvankelijk zouden worden geacht, artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement, anders dan verzoekster suggereert, niet de verplichting oplegt om aan de afgewezen inschrijver, op grondslag van de kenmerken en voordelen van de geselecteerde offerte, gedetailleerde informatie over de prijzen mee te delen.

62 Gelet op het voorgaande moet het tweede onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Derde onderdeel: geen aantasting van het besluitvormingsproces

63 Verzoekster geeft te kennen dat de Commissie zich ten onrechte heeft gebaseerd op de uitzondering inzake de bescherming van het besluitvormingsproces om op grond van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001 toegang tot bepaalde documenten te weigeren.

64 In dat verband moet worden herinnerd aan de rechtspraak dat een en hetzelfde document onder een of meerdere uitzonderingen in verordening nr. 1049/2001 kan vallen (arrest van 10 september 2008, Williams/Commissie, T‑42/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:325, punt 126). Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de Commissie geen fout heeft begaan met haar oordeel op basis van artikel 4, lid 1, onder b), van genoemde verordening dat de openbaarmaking van het evaluatieverslag in zijn geheel en van de tekst van het contract dat met de geselecteerde inschrijver is ondertekend, de bescherming van persoonsgegevens zou ondermijnen, en dat de openbaarmaking van de offerte van de geselecteerde inschrijver, met inbegrip van de prijsopgave, en de bijlagen I.A en II bij het contract, de bescherming van commerciële belangen zou ondermijnen overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste streepje, van diezelfde verordening.

65 Aangezien deze uitzonderingen, ten aanzien waarvan het Gerecht heeft geoordeeld dat die in casu met recht waren toegepast, de documenten waartoe de toegang geheel is geweigerd en de onleesbaar gemaakte delen van de gevraagde documenten dekken, is het om redenen van proceseconomie niet noodzakelijk om tot het onderzoek van verzoeksters grieven betreffende de uitzondering inzake de bescherming van het besluitvormingsproces over te gaan, die niet ter zake dienend zijn (zie in die zin beschikking van 27 november 2012, Steinberg/Commissie, T‑17/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:625, punt 89).

Vierde onderdeel: er is een hoger belang dat tot openbaarmaking gebiedt

66 Verzoekster betoogt dat er, ondanks het gevaar van ondermijning van commerciële belangen, een hoger belang is dat tot openbaarmaking gebiedt in de zin van het laatste zinsnede van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1049/2001.

67 Zoals hierboven is aangegeven, volgt uit de rechtspraak dat de toepassing van een algemene aanname, zoals de aanname van een aantasting van commerciële belangen in de onderhavige zaak, de mogelijkheid niet uitsluit dat wordt aangetoond dat er een hoger openbaar belang is dat tot openbaarmaking gebiedt (arrest van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 126).

68 Het staat evenwel aan de verzoeker om concreet omstandigheden aan te voeren waaruit een hoger openbaar belang blijkt dat openbaarmaking van de betrokken documenten gebiedt (arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 94, en van 16 juli 2015, ClientEarth/Commissie, C‑612/13 P, EU:C:2015:486, punt 90).

69 In dat verband hoeft het hoger openbaar belang dat tot openbaarmaking van een document kan gebieden, niet noodzakelijkerwijs te verschillen van de aan verordening nr. 1049/2001 ten grondslag liggende beginselen (arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 92, en van 16 juli 2015, ClientEarth/Commissie, C‑612/13 P, EU:C:2015:486, punt 92).

70 Algemene overwegingen kunnen evenwel niet worden aanvaard als rechtvaardiging voor de toegang tot de gevraagde documenten (zie in die zin arresten van 14 november 2013, LPN en Finland/Commissie, C‑514/11 P en C‑605/11 P, EU:C:2013:738, punt 93, en van 16 juli 2015, ClientEarth/Commissie, C‑612/13 P, EU:C:2015:486, punt 93).

71 In de onderhavige zaak moet worden vastgesteld dat verzoekster in haar confirmatieve verzoeken slechts het transparantiebeginsel heeft aangevoerd en daaraan heeft toegevoegd dat er een discrepantie is tussen het bedrag dat is aangegeven in de aankondiging van een gegunde opdracht en het bedrag van de offerte van de geselecteerde inschrijver. Volgens de confirmatieve verzoeken is openbaarmaking van de gevraagde documenten noodzakelijk om verzoekster in staat te stellen om na te gaan voor welk bedrag de opdracht is gegund.

72 In dat verband moet eraan worden herinnerd dat verzoekster op de datum van het besluit van 1 april 2014 reeds haar beroep tot nietigverklaring tegen het besluit tot afwijzing van haar offerte had ingesteld. In het kader van dat beroep heeft zij onder meer een grief aangevoerd over de vermeende onregelmatigheid dat de opdracht is toegekend voor een hoger bedrag dan dat in de offerte van de geselecteerde inschrijver, zoals blijkt uit punt 19 van het arrest van 8 oktober 2015, Secolux/Commissie (T‑90/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:772). In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het door verzoekster ingeroepen belang een particulier en geen openbaar belang is.

73 Uit vaste rechtspraak volgt immers dat het feit dat de gevraagde documenten noodzakelijk kunnen blijken te zijn voor de verdediging van verzoekster in het kader van een beroep, een particulier belang is. Voor zover verzoekster om toegang tot de betrokken documenten heeft gevraagd om haar argumenten in het kader van haar beroep tot nietigverklaring beter voor het voetlicht te brengen, kan dit geen hoger belang zijn dat tot openbaarmaking gebiedt (zie in die zin arresten van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punten 145 en 146, en van 20 maart 2014, Reagens/Commissie, T‑181/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:139, punt 142).

74 Verzoekster voert geen andere onderbouwde argumenten aan ter ondersteuning van haar algemene beroep op het transparantiebeginsel. Wat het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het discriminatieverbod betreft, moet, naast het feit dat verzoekster die in haar confirmatieve verzoeken niet als rechtvaardiging voor het bestaan van een hoger belang heeft aangevoerd, worden opgemerkt dat zij zich beperkt tot het inroepen van die beginselen, zonder enig concreet argument aan te voeren. Dergelijke algemene overwegingen kunnen niet worden aanvaard als rechtvaardiging voor de toegang tot de gevraagde documenten.

75 Gelet op een en ander moet de conclusie luiden dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er een hoger belang is dat tot openbaarmaking van de betrokken documenten gebiedt op grond van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001.

76 Derhalve moet het vierde onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

Vijfde onderdeel: weigering om gedeeltelijke toegang te verlenen

77 Verzoekster geeft te kennen dat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001, doordat daarin wordt geweigerd om gedeeltelijke toegang tot bepaalde van de gevraagde documenten te verlenen. Volgens haar had de Commissie voor elk van de documenten een concrete analyse moeten verrichten van de redenen waarom gedeeltelijke mededeling niet mogelijk was.

78 Artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 bepaalt dat, indien het gevraagde document slechts ten dele onder een of meer van bovengenoemde uitzonderingen valt, de overige delen ervan wel openbaar worden gemaakt.

79 In dat verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat de Commissie gedeeltelijke toegang heeft verleend tot het evaluatieverslag en tot de tekst van het met de geselecteerde inschrijver gesloten contract, zonder dat verzoekster een argument heeft aangevoerd waaruit had kunnen worden opgemaakt dat de Commissie toegang tot andere delen van die documenten had moeten verlenen. Dienaangaande moet eraan worden herinnerd dat de Commissie geen toegang tot onderdeel 6 van het evaluatieverslag heeft verleend omdat dit betrekking had op perceel nr. 2 en dus niet onder het verzoek viel, zoals is aangegeven in punt 38 hierboven.

80 Wat in de tweede plaats de offerte van de geselecteerde inschrijver, met inbegrip van de prijsopgave, in de vorm van een integrale of een samengevatte versie, alsook de bijlagen I.A en II bij het contract betreft, volgt uit de rechtspraak dat de algemene aanname bedoeld in de punten 52 tot en met 54 van dit arrest inhoudt dat voor de documenten waarvoor deze aanname geldt, geen verplichting tot gehele of gedeeltelijke openbaarmaking van hun inhoud geldt (zie in die zin arrest van 28 juni 2012, Commissie/Éditions Odile Jacob, C‑404/10 P, EU:C:2012:393, punt 133).

81 Bijgevolg moet het vijfde onderdeel van het tweede middel worden afgewezen, en derhalve het twee middel in zijn geheel.

Derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht in artikel 296 VWEU

82 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat de door artikel 296 VWEU vereiste motivering volgens vaste rechtspraak moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld, er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting moet komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de Unierechter zijn toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van genoemd artikel voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten van 10 september 2008, Williams/Commissie, T‑42/05, EU:T:2008:325, punt 94; van 7 juli 2011, Valero Jordana/Commissie, T‑161/04, niet gepubliceerd, EU:T:2011:337, punt 48, en van 15 juli 2015, Dennekamp/Parlement, T‑115/13, EU:T:2015:497, punt 136).

83 Met betrekking tot een verzoek om toegang tot documenten moet de betrokken instelling die een dergelijk verzoek afwijst, aan de hand van de informatie waarover zij beschikt, in elk concreet geval aantonen dat de documenten waarvoor toegang wordt gevraagd, werkelijk onder de in verordening nr. 1049/2001 genoemde uitzonderingen vallen (arresten van 10 september 2008, Williams/Commissie, T‑42/05, EU:T:2008:325, punt 95, en van 7 juli 2011, Valero Jordana/Commissie, T‑161/04, niet gepubliceerd, EU:T:2011:337, punt 49). Het staat volgens de rechtspraak dus aan de instelling die toegang tot een document heeft geweigerd, om deze weigering zodanig te motiveren dat duidelijk wordt en controleerbaar is of, enerzijds, het verlangde document werkelijk onder de aangevoerde uitzondering valt, en, anderzijds, de behoefte aan bescherming met betrekking tot deze uitzondering reëel is.

84 De onderhavige zaak moet in het licht van die beginselen worden onderzocht.

85 Wat ten eerste de grief inzake een ontoereikende motivering op het punt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer betreft, moet worden vastgesteld dat in de bestreden besluiten rechtens genoegzaam is uitgelegd waarom bepaalde passages van het evaluatieverslag en het met de geselecteerde inschrijver ondertekende contract niet openbaar konden worden gemaakt om de persoonsgegevens te kunnen beschermen.

86 Verzoeksters argumenten ten aanzien van onderdeel 6 van het evaluatieverslag missen feitelijke grondslag, aangezien dat onderdeel, zoals blijkt uit de toelichting die de Commissie in haar geschriften heeft gegeven en uit het door het Gerecht verrichte onderzoek van dat document, betrekking had op perceel nr. 2, dat dus niet onder het verzoek om toegang viel.

87 Zoals is aangegeven in punt 38 hierboven, had de Commissie weliswaar tot een beter begrip van de bestreden besluiten door verzoekster kunnen bijdragen door duidelijk te maken welke delen van het evaluatieverslag onder de bescherming van persoonsgegevens vielen en welke betrekking hadden op perceel nr. 2, maar opgemerkt moet worden dat zij door te handelen als zij in de onderhavige zaak heeft gedaan, niet aan de motiveringsplicht heeft verzaakt.

88 Ook verzoeksters argument ten aanzien van de offerte van de geselecteerde inschrijver moet worden afgewezen, aangezien de Commissie zich niet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft gebaseerd om toegang tot dit document te weigeren.

89 Wat ten tweede de bescherming van commerciële belangen betreft, bevatten de bestreden besluiten, anders dan verzoekster stelt, een toereikende motivering van de toepassing van een algemene aanname dat de offerte van de geselecteerde inschrijver, met inbegrip van de prijsopgave, en de bijlagen I.A en II bij het contract niet openbaar mochten worden gemaakt om die bescherming te waarborgen.

90 Om dezelfde redenen als uiteengezet in de punten 64 en 65 van dit arrest, was het ten derde niet noodzakelijk om de gegrondheid van de grief inzake een vermeende ontoereikende motivering op het punt van de bescherming van het besluitvormingsproces te onderzoeken om de onderhavige zaak te kunnen afdoen, aangezien die niet ter zake dienend is.

91 Ten vierde moet er ten aanzien van de motivering op het punt dat er geen hoger belang is, op worden gewezen dat verzoekster slechts in algemene termen het transparantiebeginsel heeft ingeroepen in haar geschriften, en terloops het belang heeft vermeld dat zij erbij had na te kunnen gaan of er een discrepantie was tussen de aankondiging van een gegunde opdracht en het bedrag van de offerte van de geselecteerde inschrijver. In dat verband volgt uit de bestreden besluiten dat de Commissie in weliswaar beknopte termen, maar duidelijk heeft geoordeeld dat verzoekster geen argument had aangevoerd dat kon aantonen dat sprake was van een hoger belang dat tot openbaarmaking gebood. De Commissie heeft daar nog aan toegevoegd dat zij niet in staat was om enig hoger belang aan te wijzen dat tot een dergelijke openbaarmaking zou gebieden. Daarnaast moet erop worden gewezen dat de Commissie in haar initiële besluiten op dit punt expliciet heeft aangegeven dat verzoeksters belang bij openbaarmaking een particulier belang was. In die omstandigheden moet het argument inzake een ontoereikende motivering op het punt van het bestaan van een hoger belang worden afgewezen.

92 Tot slot moet daar ten aanzien van het besluit van 14 april 2014 aan worden toegevoegd dat de bijlagen I.A en II bij het contract de prijsopgave en de offerte van de geselecteerde inschrijver bevatten. Om die reden kon in het besluit van 14 april 2014 op goede gronden worden verwezen naar de motivering van het besluit van 1 april 2014, waarin reeds was beslist over de mededeling van die gegevens.

93 Bijgevolg is het derde middel, inzake niet-nakoming van de motiveringsplicht, ongegrond.

94 Derhalve dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen.

Kosten

95 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zesde kamer), rechtdoende, verklaart:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Secolux, Association pour le contrôle de la sécurité de la construction, wordt verwezen in de kosten.

Frimodt Nielsen Collins Valančius Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 september 2016. ondertekeningen

( *1 ) Procestaal: Frans.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in