Gerecht EU 9 december 2014, T-472/09, ECLI:EU:T:2014:1040
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
9 december 2014 ( *1 )
„Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt van betonstaal in staven of rollen — Beschikking houdende vaststelling, op grond van verordening (EG) nr. 1/2003, van inbreuk op artikel 65 KS na expiratie van EGKS-Verdrag — Vaststelling van prijzen en betalingstermijnen — Beperking of beheersing van productie of afzet — Schending van wezenlijke vormvoorschriften — Rechtsgrondslag — Bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure — Geldboeten — Maximum bepaald in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 — Beroep tot nietigverklaring — Wijzigingsbesluit — Niet-ontvankelijkheid”
In de zaken T‑472/09 en T‑55/10,
SP SpA, gevestigd te Brescia (Italië), vertegenwoordigd door G. Belotti, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, in zaak T‑472/09 aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Sauer, V. Di Bucci en B. Gencarelli en vervolgens door R. Sauer en R. Striani, als gemachtigden, bijgestaan door M. Moretto, advocaat, en in zaak T‑55/10, aanvankelijk vertegenwoordigd door R. Sauer en B. Gencarelli en vervolgens door R. Sauer en R. Striani, bijgestaan door M. Moretto,
verweerster,
betreffende, in zaak T‑472/09, een verzoek tot vaststelling van de non-existentie of tot nietigverklaring van beschikking C (2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 in een procedure op grond van artikel 65 KS (zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking), subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van die beschikking, en meer subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete, alsmede, in zaak T‑55/10, een verzoek tot nietigverklaring van besluit C (2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009 tot wijziging van beschikking C (2009) 7492 definitief,
wijst
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: M. E. Martins Ribeiro (rapporteur), waarnemend voor de president, A. Popescu en G. Berardis, rechters,
griffier: T. Weiler, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2013,
het navolgende
Arrest
Toepasselijke bepalingen
1. Bepalingen van het EKGS-Verdrag
1 Artikel 36 KS bepaalde: „De Commissie is verplicht de belanghebbenden in staat te stellen opmerkingen te maken vóórdat zij de geldstraffen of dwangsommen oplegt, welke in dit Verdrag zijn voorzien. Tegen op grond van de bepalingen van dit Verdrag opgelegde geldstraffen en dwangsommen staat in volle omvang beroep open. De verzoekers kunnen, ter ondersteuning van hun beroep overeenkomstig de bepalingen van de eerste alinea van artikel 33 van dit Verdrag, de onrechtmatigheid van beschikkingen of aanbevelingen, waarvan niet-opvolging hun is ten laste gelegd, aanvoeren.”
2 Artikel 47 KS luidde als volgt: „De Commissie kan de voor de vervulling van haar taak noodzakelijke inlichtingen inwinnen. Indien nodig kan zij deze doen verifiëren. De Commissie is gehouden geen ruchtbaarheid te geven aan de inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan de inlichtingen welke betrekking hebben op de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs. Onder dit voorbehoud is zij verplicht de gegevens die voor de Regeringen of voor andere belanghebbenden van nut zouden kunnen zijn, openbaar te maken. De Commissie kan aan ondernemingen die zich onttrekken aan de verplichtingen welke voor hen voortvloeien uit de op grond van de bepalingen van dit artikel gegeven beschikkingen, of die willens en wetens onjuiste gegevens verstrekken, boeten tot een bedrag van ten hoogste 1 % van de jaaromzet en dwangsommen tot een bedrag van ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagomzet per dag vertraging opleggen. Op grond van schending van het beroepsgeheim door de Commissie, waardoor een onderneming schade heeft geleden, kan met inachtneming van het bepaalde in artikel 40 een eis tot schadevergoeding bij het Hof worden aanhangig gemaakt.”
3 Artikel 65 KS bepaalde: „1. Verboden zijn: alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van verenigingen van ondernemingen en alle onderling samenhangende gedragingen welke er direct of indirect toe zouden kunnen leiden om op de gemeenschappelijke markt de normale werking van de mededinging te beletten, te beperken of te vervalsen en in het bijzonder: a) de prijzen vast te leggen of te bepalen; b) de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken of te beheersen; c) de markten, producten, afnemers of voorzieningsbronnen te verdelen. [...] 4. De krachtens het eerste lid van dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten, zijn van rechtswege nietig; voor geen enkele rechterlijke instantie van de deelnemende Staten kan op dezelve een beroep gedaan worden. Alleen de Commissie heeft de bevoegdheid, onder voorbehoud van beroep bij het Hof, om zich uit te spreken over het al of niet strijdig zijn van de genoemde overeenkomsten of besluiten met de bepalingen van dit artikel. 5. De Commissie kan aan ondernemingen die een van rechtswege nietige overeenkomst hebben gesloten, die door arbitrage, uitkoop, boycot of enig ander middel een van rechtswege nietige overeenkomst of een zodanig besluit of een overeenkomst waarvoor de ontheffing is geweigerd of ingetrokken, hebben toegepast of gepoogd hebben toe te passen, of die door middel van willens en wetens onjuist of misleidend gestelde inlichtingen een ontheffing hebben verkregen, of die zich aan gedragingen schuldig maken welke in strijd zijn met de bepalingen van het eerste lid, boeten en dwangsommen opleggen tot ten hoogste het dubbele van de bereikte omzet van de producten welke het voorwerp uitmaken van de overeenkomst, het besluit of de gedraging, strijdig met de bepalingen van het onderhavige artikel, onverminderd een verhoging van dit aldus bepaalde maximum tot een bedrag van 10 % van de jaaromzet der betrokken ondernemingen voor zover het de boete betreft en tot een bedrag van 20 % van de dagomzet voor zover het de dwangsommen betreft, indien de bedoeling heeft voorgezeten de productie, de technische ontwikkeling of de investeringen te beperken.”
4 Overeenkomstig artikel 97 KS is de geldigheidsduur van het EGKS-Verdrag verstreken op 23 juli 2002.
2. Bepalingen van het EG-Verdrag
5 Artikel 305, lid 1, EG bepaalde: „De bepalingen van dit verdrag brengen geen wijziging in die van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, met name wat betreft de rechten en verplichtingen der lidstaten, de bevoegdheden der instellingen van die gemeenschap en de in dat verdrag gestelde regels voor de werking van de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal.”
3. Verordening nr. 1/2003
6 Volgens artikel 4 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] (PB 2003, L 1, blz. 1) „beschikt [de Commissie] met het oog op de toepassing van de artikelen 81 [EG] en 82 [EG] over de bevoegdheden waarin deze verordening voorziet”.
7 Artikel 7, „Vaststelling en beëindiging van inbreuken”, van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „1. Wanneer de Commissie, naar aanleiding van een klacht of ambtshalve, een inbreuk op artikel 81 [EG] of artikel 82 [EG] vaststelt, kan zij bij beschikking de betrokken ondernemingen en ondernemersverenigingen gelasten een einde aan de vastgestelde inbreuk te maken [...] De Commissie kan ook een reeds beëindigde inbreuk vaststellen, indien zij hierbij een legitiem belang heeft. [...]”
8 Artikel 23, lid 2, sub a, van verordening nr. 1/2003 bepaalt: „De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid: a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 [EG ...]”
4. Mededeling van de Commissie betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag
9 Op 18 juni 2002 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen de mededeling betreffende bepaalde aspecten van de behandeling van mededingingszaken als gevolg van het aflopen van het EGKS-Verdrag (PB C 152, blz. 5; hierna: „mededeling van 18 juni 2002”) vastgesteld.
10 Volgens punt 2 van de mededeling van 18 juni 2002 heeft deze tot doel: „[...] — [...] een samenvatting te geven ten behoeve van economische actoren en lidstaten, inzoverre ze te maken hebben met het EGKS-Verdrag en de daarmee verband houdende afgeleide wetgeving, van de belangrijkste door de overgang naar het EG-stelsel teweeggebrachte veranderingen wat het toepasselijke materiële en procedurele recht betreft; — [...] uiteen te zetten hoe de Commissie specifieke problemen wil aanpakken die zich ingevolge de overgang van het EGKS- naar het EG-stelsel zullen voordoen op het gebied van het antitrustbeleid [...], de concentratiecontrole [...] en het toezicht op staatssteun”.
11 Punt 31 van de mededeling van 18 juni 2002, dat is opgenomen in de afdeling Bijzondere vraagstukken die voortvloeien uit de overgang van het EGKS-stelsel naar het EG-stelsel, luidt als volgt: „Indien de Commissie bij de toepassing van de communautaire mededingingsregels op overeenkomsten, een inbreuk vaststelt op een gebied dat onder de toepassing van het EGKS-Verdrag valt, zal het materiële recht dat van toepassing is, ongeacht het tijdstip waarop het toegepast wordt, het recht zijn dat van kracht was op het tijdstip dat de inbreuk makende feiten plaatsvonden. In ieder geval is, wat de procedure aangaat, het recht dat na het aflopen van het EGKS-Verdrag van kracht is het EG-recht [...]”
Voorwerp van de gedingen
12 De onderhavige zaken betreffen, enerzijds, een verzoek tot vaststelling van de non-existentie of tot nietigverklaring van beschikking C (2009) 7492 definitief van de Commissie van 30 september 2009 in een procedure op grond van artikel 65 KS (zaak COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking) (hierna: „eerste beschikking”), subsidiair, een verzoek tot nietigverklaring van artikel 2 van die beschikking, en meer subsidiair, een verzoek tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster, SP SpA, opgelegde geldboete (zaak T‑472/09), en anderzijds, een verzoek tot nietigverklaring van besluit C (2009) 9912 definitief van de Commissie van 8 december 2009 tot wijziging van de eerste beschikking (hierna: „wijzigingsbesluit”) (T‑55/10).
13 In de eerste beschikking heeft de Commissie geoordeeld dat de volgende vennootschappen inbreuk hadden gemaakt op artikel 65 KS: — Alfa Acciai SpA (hierna: „Alfa”); — Feralpi Holding SpA (hierna: „Feralpi”); — Ferriere Nord SpA; — IRO Industrie Riunite Odolesi SpA (hierna: „IRO”); — Leali SpA en Acciaierie e Ferriere Leali Luigi SpA in liquidatie (hierna: „AFLL”) (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Leali-AFLL”); — Lucchini SpA en verzoekster (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Lucchini-SP”); — Riva Fire SpA (hierna: „Riva”); — Valsabbia Investimenti SpA en Ferriera Valsabbia SpA (deze twee vennootschappen samen worden hierna genoemd: „Valsabbia”).
Voorstelling van verzoekster
14 Verzoekster is een vennootschap in liquidatie die als niet-actieve vennootschap is opgenomen in het handelsregister van Brescia (Italië). Zij is voor 83,333 % in het bezit van rechtspersonen of van natuurlijke personen die behoren tot de familie Lucchini, en voor de overige 16,667 % in het bezit van Lucchini.
15 Siderpotenza SpA (hierna: „eerste Siderpotenza”) was tussen 1989 en 1991 een onderneming waarover enerzijds Lucchini Siderurgica SpA en anderzijds de voormalige Acciaierie e Ferriere Leali Luigi gemeenschappelijk zeggenschap uitoefenden. Op 5 maart 1991 is de eerste Siderpotenza overgenomen door Lucchini Siderurgica. Op 10 oktober 1998 is Lucchini Siderurgica per 1 december 1998 opgenomen in Lucchini.
16 Op 31 oktober 1997 is de divisie „betonstaal” van Lucchini Siderurgica overgedragen aan Siderpotenza, een in juli 1997 opgerichte vennootschap (hierna: „nieuwe Siderpotenza”). Op 30 mei 2002 heeft de nieuwe Siderpotenza haar productie-eenheden voor betonstaal overgedragen aan Ferriere Nord.
17 Op 12 september 2002 heeft de nieuwe Siderpotenza haar vennootschapsnaam gewijzigd in SP. Op 28 mei 2009 is SP in liquidatie gesteld.
Voorgeschiedenis van het geding
18 Van oktober tot december 2000 heeft de Commissie overeenkomstig artikel 47 KS verificaties verricht bij Italiaanse betonstaalproducenten en bij een vereniging van Italiaanse ijzer- en staalondernemingen. Zij heeft hen ook krachtens artikel 47 KS verzoeken om inlichtingen toegestuurd.
19 Op 26 maart 2002 heeft de Commissie de administratieve procedure geopend en bezwaren geformuleerd op grond van artikel 36 KS (hierna: „mededeling van punten van bezwaar”). Verzoekster heeft schriftelijke opmerkingen ingediend over deze mededeling van punten van bezwaar. Op 13 juni 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
20 Op 12 augustus 2002 heeft de Commissie aanvullende punten van bezwaar gericht aan de geadresseerden van de mededeling van punten van bezwaar („mededeling van aanvullende punten van bezwaar”). In de mededeling van aanvullende punten van bezwaar, die was gebaseerd op artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), heeft de Commissie haar standpunt over de voortzetting van de procedure na het expireren van het EGKS-Verdrag uiteengezet. Aan de betrokken ondernemingen is een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend en op 30 september 2002 heeft een tweede hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de lidstaten.
21 Aan het einde van de procedure heeft de Commissie beschikking C (2002) 5087 definitief van de Commissie van 17 december 2002 in een procedure op grond van artikel 65 KS (zaak COMP/37.956 – Betonstaal) (hierna: „beschikking van 2002”) gegeven, waarin zij heeft vastgesteld dat de ondernemingen waaraan deze beschikking was gericht, één enkele complexe en voortdurende mededingingsregeling op de Italiaanse markt van betonstaal in staven of rollen ten uitvoer hadden gelegd die ertoe strekte of ten gevolge had, de prijzen te bepalen, en die ook aanleiding had gegeven tot een met artikel 65, lid 1, KS strijdige beperking of beheersing van de productie of de afzet. In deze beschikking heeft de Commissie Lucchini en verzoekster hoofdelijk een geldboete van 16,14 miljoen EUR opgelegd.
22 Op 30 januari 2003 heeft verzoekster bij het Gerecht een beroep ingesteld tegen de beschikking van 2002. Bij arrest van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie (T-27/03, T-46/03, T-58/03 en T-79/03 en T-80/03, T-97/03 en T-98/03, Jurispr. blz. II-4331), heeft het Gerecht de beschikking van 2002 nietig verklaard. Het Gerecht heeft erop gewezen dat, met name gelet op het feit dat de beschikking van 2002 geen verwijzing naar artikel 3 en artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 bevatte, deze beschikking uitsluitend was gebaseerd op artikel 65, leden 4 en 5, KS (arrest SP e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 101). Aangezien deze bepalingen op 23 juli 2002 waren geëxpireerd, kon de Commissie aan deze, op het tijdstip van de vaststelling van de beschikking van 2002 geëxpireerde bepalingen geen bevoegdheid meer ontlenen om een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en de ondernemingen die aan deze inbreuk hadden deelgenomen, geldboeten op te leggen (arrest SP e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 120).
23 Bij brief van 30 juni 2008 heeft de Commissie verzoekster en de andere betrokken ondernemingen laten weten dat zij van plan was een nieuwe beschikking vast te stellen op basis van een andere rechtsgrondslag dan die welke zij voor de beschikking van 2002 had gekozen. Verder heeft zij verklaard dat, gelet op de beperkte draagwijdte van het arrest SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 22 hierboven, de nieuwe beschikking zou worden gebaseerd op het in de mededeling van punten van bezwaar en de mededeling van aanvullende punten van bezwaar aangedragen bewijsmateriaal. Aan de betrokken ondernemingen werd een termijn voor indiening van hun opmerkingen verleend.
24 Bij faxbericht van 11 september 2008 heeft de Commissie verzoekster inlichtingen gevraagd over de sinds augustus 2002 ingetreden wijzigingen in de samenstelling van haar aandeelhouders en over haar wereldwijde omzet in 2007. Zij heeft verzoekster daarbij een exemplaar van bovengenoemde brief van 30 juni 2008 overlegd, die was toegestuurd aan adres dat niet meer werd gebruikt. Verzoekster heeft op dit verzoek om inlichtingen geantwoord bij brief van 17 september 2008.
Eerste beschikking
25 Op 30 september 2009 heeft de Commissie de eerste beschikking gegeven, die aan verzoekster officieel ter kennis is gebracht bij brief van 1 oktober 2009.
26 In de eerste beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de daarin bedoelde beperkingen van de mededinging voortvloeiden uit een mededingingsregeling tussen Italiaanse producenten van betonstaal en tussen deze laatsten en hun vereniging, die had gegolden tussen 1989 en 2000 en tot doel of tot gevolg had, de prijzen vast te stellen en de productie of de afzet te beperken of te beheersen door middel van uitwisseling van een aanzienlijk aantal gegevens over de markt voor betonstaal in Italië.
27 In de eerste plaats heeft de Commissie, wat de juridische beoordeling van de in het onderhavige geval aan de orde zijnde gedragingen betreft, in de punten 353 tot en met 369 van de eerste beschikking beklemtoond dat verordening nr. 1/2003 aldus moest worden begrepen dat deze haar toestond om ook na 23 juli 2002 de mededingingsregelingen vast te stellen en te bestraffen in de sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen. In punt 370 van de eerste beschikking heeft zij verklaard dat deze beschikking was vastgesteld volgens de procedureregels van het EG-Verdrag en van verordening nr. 1/2003. Verder heeft de Commissie in de punten 371 tot en met 376 van de eerste beschikking eraan herinnerd dat de beginselen die de opeenvolging van regels in de tijd beheersen, kunnen leiden tot de toepassing van materiële bepalingen die niet meer van kracht zijn op de datum van de vaststelling van een handeling door een instelling van de Europese Unie, onder voorbehoud van toepassing van het algemene beginsel van de lex mitior, volgens hetwelk niemand kan worden bestraft voor een feit dat volgens de later in werking getreden wettelijke regeling geen strafbaar feit is. Zij is tot de slotsom gekomen dat in het onderhavige geval het EG-Verdrag in concreto niet gunstiger was dan het EGKS-Verdrag en dat bijgevolg in elk geval niet met een beroep op het beginsel van de lex mitior met succes kon worden opgekomen tegen de toepassing van het EKGS-Verdrag op de in het onderhavige geval aan de orde zijnde gedragingen.
28 Wat in de tweede plaats de toepassing van artikel 65, lid 1, KS betreft, heeft de Commissie er ten eerste op gewezen dat de mededingingsregeling tot doel had, de prijzen vast te stellen, en dat op basis daarvan tevens was beslist om de productie of de afzet te beperken of te beheersen. Volgens de Commissie bestond de mededingingsregeling, wat de vaststelling van de prijzen betreft, in de periode van 15 april 1992 tot 4 juli 2000 in wezen uit overeenkomsten of onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de basisprijs (en tot 1995 uit overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de betalingstermijnen) en in de periode van 6 december 1989 tot 1 juni 2000 uit overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen met betrekking tot de „extra’s”.
29 Ten tweede heeft de Commissie, wat de gevolgen van de betrokken beperkende gedragingen op de markt betreft, verklaard dat, aangezien het ging om een mededingingsregeling die tot doel had de normale mededinging te beletten, te beperken of aan te tasten, niet hoefde te worden nagegaan of deze gevolgen had gesorteerd op de markt. Zij heeft echter geoordeeld dat de mededingingsregeling concrete gevolgen had gehad op de markt. De Commissie is in het bijzonder tot de slotsom gekomen dat de mededingingsregeling de door de producenten van betonstaal in Italië toegepaste verkoopprijzen had beïnvloed, ook al hadden de binnen het kartel getroffen maatregelen niet altijd onmiddellijk het resultaat dat de aan het kartel deelnemende ondernemingen verhoopten. Volgens de Commissie kunnen er ook ontwikkelingen zijn geweest die pas later resultaat hebben afgeworpen. Verder vertegenwoordigden de betrokken ondernemingen in 1989 ongeveer 21 %, in 1995 60 % en in 2000 ongeveer 83 % van de Italiaanse markt voor betonstaal, wat erop zou wijzen dat de onderling afgestemde prijsverhogingen steeds meer gevolgen sorteerden op de markt. Ten slotte heeft de Commissie beklemtoond dat het feit dat vanaf 1989 de op dit gebied genomen initiatieven aan alle producenten van betonstaal werden meegedeeld, ook tijdens de eerste jaren van de mededingingsregeling het belang van deze gevolgen had verhoogd.
30 In de derde plaats heeft de Commissie beslist, tot welke ondernemingen de eerste beschikking zou worden gericht. Wat verzoekster betreft, heeft zij in de punten 538 tot en met 544 van de eerste beschikking verklaard, dat zij had beslist om Lucchini en verzoekster aansprakelijk te stellen voor de inbreuk, omdat deze een onderneming vormden waaraan niet alleen hun eigen gedragingen, maar ook die van Lucchini Siderurgica en de eerste Siderpotenza konden worden toegerekend.
31 Voor haar stelling dat Lucchini en verzoekster een economische eenheid vormden, heeft de Commissie zich gebaseerd op het feit dat zowel Lucchini als verzoekster tijdens de gehele duur van de inbreuk rechtstreeks of indirect onder de zeggenschap van de familie Lucchini stond. Volgens de Commissie blijkt bovendien uit nauwkeurige, gedetailleerde en op documenten berustende bewijzen, alsmede uit onderling overeenstemmende gegevens betreffende de organisatiestructuur van Lucchini en verzoekster, met name uit het feit dat bepaalde personen soms gelijktijdig binnen deze vennootschappen belangrijke functies op het gebied van commercieel beheer uitoefenden, dat Lucchini zeggenschap uitoefende over verzoekster ter zake van het concrete beheer van het productie- en handelsbeleid in de sector betonstaal.
32 Met betrekking tot de toerekening van eventuele tegen de mededinging gerichte gedragingen van de eerste Siderpotenza en Lucchini Siderurgica, die juridisch niet meer bestaan, aan Lucchini en verzoekster, heeft de Commissie er ten eerste op gewezen dat Lucchini Siderurgica als gevolg van de fusie door overname van 5 maart 1991 juridisch in de plaats was gekomen van de eerste Siderpotenza en dat Lucchini op dezelfde wijze als gevolg van de fusie door overname van 1 december 1998 in de plaats was gekomen van Lucchini Siderurgica. Ten tweede zouden de activa en het personeel van de eerste Siderpotenza door Lucchini Siderurgica zijn gebruikt vanaf het tijdstip waarop de eerste Siderpotenza in laatstgenoemde was opgenomen, namelijk vanaf 5 maart 1991. Ten derde zouden de activa en het personeel van de fabriek te Potenza (Italië), die door Lucchini Siderurgica werden beheerd, binnen de groep aan verzoekster zijn overgedragen. Ten vierde zouden Lucchini Siderurgica en daarna Lucchini tot 1 juni 2002, datum waarop de divisie productie van betonstaal aan Ferriere Nord is overgedragen, beslissende invloed hebben uitgeoefend op de activiteiten van verzoekster.
33 De Commissie heeft dan ook geconcludeerd: a) dat er juridische continuïteit was tussen de eerste Siderpotenza en Lucchini Siderurgica, b) dat er economische continuïteit was tussen deze twee vennootschappen en de nieuwe Siderpotenza (thans verzoekster), wat de fabriek te Potenza (Italië) betreft, c) dat Lucchini Siderurgica en Lucchini, als gevolg van de beslissende invloed die zij hadden uitgeoefend, aansprakelijk waren voor de activiteiten van de nieuwe Siderpotenza, en d) dat er juridische continuïteit was tussen Lucchini Siderurgica en Lucchini. De Commissie heeft geoordeeld dat al deze entiteiten dus één enkele onderneming vormden die samenviel met die van Lucchini en verzoekster.
34 Ten vierde heeft de Commissie geoordeeld dat artikel 65, lid 2, KS en artikel 81, lid 3, EG in het onderhavige geval niet van toepassing waren. Zij heeft ook beklemtoond dat de in artikel 25 van verordening nr. 1/2003 geformuleerde verjaringsregels haar niet beletten om de eerste beschikking vast te stellen.
35 In de vijfde plaats heeft de Commissie, met betrekking tot de berekening van het bedrag van de in het onderhavige geval opgelegde geldboeten, verklaard dat zij krachtens artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 geldboeten kon opleggen aan de ondernemingen die inbreuk hadden gemaakt op de mededingingsregels. De Commissie heeft verklaard dat, aangezien het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bepaalde maximum voor de geldboeten verschilt van het in artikel 65, lid 5, KS vastgestelde maximum, zij overeenkomstig het beginsel van de lex mitior het laagste maximum zou toepassen. Zij heeft eveneens verklaard dat zij, zoals zij bij brief van 30 juni 2008 aan de betrokken ondernemingen had meegedeeld, in het concrete geval de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, [KS] worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 1998”), zou toepassen. Zij heeft daaraan toegevoegd dat zij in het concrete geval echter rekening zou houden met het feit dat zij bij de vaststelling van de beschikking van 2002 al een beslissing had genomen over het bedrag van geldboeten die zij aan de betrokken ondernemingen zou opleggen.
36 Ten eerste heeft de Commissie geoordeeld dat een mededingingsregeling die tot doel heeft de prijzen vast stellen en op verschillende wijzen, met name door beperking of beheersing van de productie of de afzet, ten uitvoer is gelegd, een zeer zware inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie vormde. De argumenten van de betrokken ondernemingen, volgens welke de zwaarte van de inbreuk wordt verzacht door de geringe concrete gevolgen voor de markt en door de economische context waarin de ondernemingen werkzaam waren, heeft de Commissie van de hand gewezen. De Commissie stelt dat zij, onverminderd het feit dat het een zeer zware inbreuk betreft, bij de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete rekening heeft gehouden met de specifieke kenmerken van de zaak, in casu het feit dat het ging om een nationale markt die op het tijdstip van de feiten aan de specifieke regels van het EGKS-Verdrag was onderworpen en waarop de adressaten van de eerste beschikking tijdens de beginperiode van de inbreuk slechts een klein marktaandeel hadden.
37 Ten tweede heeft de Commissie het specifieke gewicht van elke onderneming in aanmerking genomen en de ondernemingen ingedeeld naargelang van het relatieve belang ervan op de betrokken markt. Omdat de Commissie van oordeel was dat de relatieve marktaandelen van de adressaten van de eerste beschikking tijdens het laatste volledige jaar van de inbreuk (1999) niet representatief waren voor de daadwerkelijke aanwezigheid van deze adressaten op de betrokken markt tijdens de referentieperiode, heeft zij op basis van de gemiddelde marktaandelen tijdens de periode 1990‑1999 onderscheid gemaakt tussen drie groepen van ondernemingen, te weten allereerst Feralpi en Valsabbia, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 5 miljoen EUR heeft bepaald, vervolgens Lucchini-SP, Alfa, Riva en Leali-AFLL, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 3,5 miljoen EUR heeft bepaald, en ten slotte IRO en Ferriere Nord, waarvoor zij het aanvangsbedrag van de geldboete op 1,75 miljoen EUR heeft bepaald.
38 Om ervoor te zorgen dat de geldboete voldoende afschrikkende werking heeft, heeft de Commissie het aanvangsbedrag van de geldboete voor Lucchini-SP met 200 % en voor Riva met 375 % vermeerderd.
39 Ten derde heeft de Commissie geoordeeld dat de mededingingsregeling van 6 december 1989 tot 4 juli 2000 had geduurd. Zij heeft erop gewezen dat verzoekster van 6 december 1989 tot 27 juni 2000 aan de inbreuk had deelgenomen. Zij heeft echter beklemtoond dat Lucchini-SP van 9 juni 1998 tot 30 november 1998 niet had deelgenomen aan het deel van de mededingingsregeling dat betrekking had op de beperking of de beheersing van de productie of de afzet.
40 Daar de inbreuk voor alle ondernemingen, met uitzondering van Ferriere Nord, meer dan tien jaar en zes maanden had geduurd, is het aanvangsbedrag van de geldboete vermeerderd met 105 % voor alle ondernemingen, met uitzondering van Ferriere Nord, voor welke het aanvangsbedrag van de geldboete is vermeerderd met 70 %. De basisbedragen van de geldboeten zijn bijgevolg vastgesteld als volgt: — Feralpi: 10,25 miljoen EUR; — Valsabbia: 10,25 miljoen EUR; — Lucchini-SP: 14,35 miljoen EUR; — Alfa: 7,175 miljoen EUR; — Riva: 26,9 miljoen EUR; — Leali-AFLL: 7,175 miljoen EUR; — IRO: 3,58 miljoen EUR; — Ferriere Nord: 2,97 miljoen EUR.
41 Ten vierde heeft de Commissie, wat de verzwarende omstandigheden betreft, erop gewezen dat Ferriere Nord al een door de Commissie op 2 augustus 1989 gegeven beschikking had ontvangen voor haar deelneming aan een mededingingsregeling betreffende vaststelling van de prijzen en de beperking van de afzet in de sector betonstaalmatten, en heeft zij het basisbedrag van de geldboete voor deze onderneming vermeerderd met 50 %. De Commissie heeft geen enkele verzachtende omstandigheid in aanmerking genomen.
42 Ten vijfde heeft de Commissie, wat de vaststelling van het maximumbedrag van de geldboete overeenkomstig artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 betreft, geoordeeld dat het bedrag van de aan de betrokken ondernemingen opgelegde geldboete niet meer bedroeg dan het maximum van 10 % van de omzet die in 2007 op het grondgebied van de Unie met onder het EGKS-Verdrag vallende producten was behaald. Wat meer in het bijzonder verzoekster betreft, heeft de Commissie erop gewezen dat het feit dat deze thans niet meer actief is, niet eraan in de weg stond dat zij haar een geldboete oplegde, aangezien verzoekster en Lucchini hoofdelijk aansprakelijk moesten worden gesteld daar zij een en dezelfde onderneming vormden.
43 Ten zesde heeft de Commissie, wat de toepassing van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”) betreft, verklaard dat Ferriere Nord haar nuttige inlichtingen had verstrekt die haar in staat hadden gesteld de werking van de mededingingsregeling beter te begrijpen alvorens zij de mededeling van punten van bezwaar toestuurde, en dat zij om die reden het bedrag van de geldboete voor die onderneming met 20 % had verminderd. De Commissie heeft geoordeeld dat de andere betrokken ondernemingen niet hadden voldaan aan de voorwaarden van die mededeling.
44 Het dispositief van de eerste beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De volgende ondernemingen hebben inbreuk gemaakt op artikel 65, lid 1, [KS] door tijdens de genoemde perioden deel te nemen aan een voortdurende overeenkomst en/of aan onderling samenhangende gedragingen betreffende betonstaal in staven of rollen die ertoe strekten en/of tot gevolg hebben gehad dat de prijzen werden vastgesteld en de productie of de afzet op de gemeenschappelijke markt werd beperkt en/of beheerst:
— [Leali-AFLL], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;
— [Alfa], van 6 december 1989 tot 4 juli 2000;
— [Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;
— [Feralpi], van 6 december 1989 tot 27 juin 2000;
— [IRO], van 6 december 1989 tot 27 juin 2000;
— [Lucchini-SP], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;
— [Riva], van 6 december 1989 tot 27 juni 2000;
— [Ferriere Nord], van 1 april 1993 tot 4 juli 2000.
Artikel 2
Voor de in artikel 1 bedoelde inbreuken worden de volgende geldboeten opgelegd:
— [Alfa]: 7,175 miljoen EUR;
— [Feralpi]: 10,25 miljoen EUR;
— [Ferriere Nord]: 3,57 miljoen EUR;
— [IRO]: 3,58 miljoen EUR;
— [Leali en AFLL], hoofdelijk: 6,093 miljoen EUR;
— [Leali]: 1,082 miljoen EUR;
— [Lucchini en SP], hoofdelijk: 14,35 miljoen EUR;
— [Riva]: 26,9 miljoen EUR;
— [Valsabbia Investimenti en Ferriera Valsabbia], hoofdelijk: 10,25 miljoen EUR
[...]”
Gebeurtenissen na de officiële kennisgeving van de eerste beschikking
45 Bij tussen 20 en 23 november 2009 verstuurde brieven hebben acht van de elf vennootschappen tot welke de eerste beschikking was gericht, te weten Riva, Feralpi, Ferriere Nord, Lucchini, Alfa, Ferriera Valsabbia, Valsabbia Investimenti en IRO, de Commissie laten weten dat in de bijlage bij de eerste beschikking zoals deze aan de adressaten ervan officieel ter kennis was gebracht, de tabellen met de prijsschommelingen ontbraken.
46 Op 24 november 2009 hebben de diensten van de Commissie alle adressaten van de eerste beschikking laten weten dat zij het nodige zouden doen om hun een beschikking met die tabellen officieel ter kennis te brengen. Zij hebben ook verklaard dat de termijnen voor betaling van de geldboete en voor een eventueel beroep in rechte zouden ingaan vanaf de datum van de officiële kennisgeving van de „volledige beschikking”.
Wijzigingsbesluit
47 Op 8 december 2009 heeft de Commissie het wijzigingsbesluit vastgesteld, waarbij de ontbrekende tabellen in de bijlage werden opgenomen en de genummerde verwijzingen naar die tabellen in acht voetnoten werden gecorrigeerd. Op 9 december 2009 is het wijzigingsbesluit officieel ter kennis gebracht aan verzoekster.
48 In het dispositief van het wijzigingsbesluit werden de voetnoten nrs. 102, 127, 198, 264, 312, 362, 405 en 448 van de eerste beschikking gecorrigeerd. De tabellen in de bijlage bij het wijzigingsbesluit zijn als bijlagen bij de eerste beschikking gevoegd.
Procedure en conclusies van partijen
49 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 30 november 2009, heeft verzoekster het beroep in zaak T‑472/09 ingesteld.
50 In zaak T‑472/09 verzoekt verzoekster het Gerecht: — in limine, de eerste beschikking, gelet op de onvolledigheid ervan, wegens onrechtmatigheid en vormfout non-existent of van generlei waarde of in elk geval nietig te verklaren; — primair en ten gronde, de eerste beschikking, wat de sanctie betreft, wegens onrechtmatigheid, onbevoegdheid en misbruik van bevoegdheid non-existent of van generlei waarde of in elk geval nietig te verklaren; — subsidiair en ten gronde, de eerste beschikking wegens ontoereikende motivering, onjuiste opvatting van de feiten, onjuiste rechtsopvatting, ongegrondheid van de bezwaren die bovendien niet zijn bewezen, schending van het beginsel dat het bestuur onpartijdig moet handelen en schending van de rechten van de verdediging, nietig te verklaren; — meer subsidiair en ten gronde, de haar opgelegde sanctie te verlagen door, enerzijds, de vermeerdering met 200 % voor afschrikkende werking en de vermeerdering met 105 % voor de duur te schrappen, en anderzijds, het basisbedrag verhoudingsgewijs te verlagen, gelet op de verjaring, op het feit dat het om een niet al te ernstige inbreuk gaat, op verzoeksters marginale deelneming aan de mededingingsregeling, en op bezwaren die uitdrukkelijk niet jegens haar zijn geformuleerd; — bij wege maatregel tot organisatie van de procesgang of bij wege van maatregel van instructie de Commissie krachtens de artikelen 64 en 65 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te gelasten, de op haar betrekking hebbende stukken betreffende de medewerking van Ferriere Nord over te leggen en de wettelijke vertegenwoordiger van deze vennootschap te horen over de in punt 176 van het verzoekschrift vermelde feiten; — de Commissie te verwijzen in alle kosten.
51 In zaak T‑472/09 verzoekt de Commissie het Gerecht: — het beroep in zijn geheel te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
52 Bij brief van 8 januari 2010 heeft de Commissie het Gerecht verzocht, bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten dat verzoekster wordt gevraagd na te gaan of haar vorderingen dienen te worden aangevuld en gewijzigd gelet op het wijzigingsbesluit, dat haar officieel ter kennis is gebracht nadat zij het beroep in T‑472/09 had ingesteld. Verzoekster heeft zich tegen dit verzoek verzet. Het Gerecht heeft het verzoek van de Commissie niet toegewezen.
53 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 februari 2010, heeft verzoekster het beroep in zaak T‑55/10 ingesteld.
54 In zaak T‑55/10 verzoekt verzoekster het Gerecht: — primair en ten gronde, het wijzigingsbesluit nietig te verklaren, ten eerste omdat het geen passende rechtsgrondslag heeft, ten tweede omdat de Commissie niet bevoegd is om een eerdere beschikking te regulariseren wanneer de tekst en de inhoud ervan onvolledig zijn, dat wil zeggen wanneer die beschikking kennelijk een ernstig gebrek vertoont, en ten derde wegens schending van het beginsel van behoorlijk bestuur; — voor het geval dat de Commissie het in punt I van het verzoekschrift gegeven feitenrelaas zou betwisten, deze laatste te gelasten de notulen van de bijeenkomsten van 30 september en 8 december 2009 samen met de bijlagen daarbij over te leggen; — de Commissie te verwijzen in alle kosten.
55 In zaak T‑55/10 verzoekt de Commissie het Gerecht: — het beroep in zijn geheel te verwerpen; — verzoekster te verwijzen in de kosten.
56 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Achtste kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en in het kader van de in artikel 64 van zijn reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het verzoekster in zaak T‑472/09 verzocht, een document over te leggen. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.
57 Bij beschikking van 14 december 2012 heeft de president van de Achtste kamer, na de opmerkingen van partijen te hebben ingewonnen, beslist de zaken T‑472/09 en T‑55/10 krachtens artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering te voegen voor de mondelinge behandeling.
58 Ter terechtzitting van 29 januari 2013 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht.
In rechte
59 Omdat de partijen ter terechtzitting hebben verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat de onderhavige zaken voor het arrest worden gevoegd, beslist het Gerecht overeenkomstig artikel 50 van het Reglement voor de procesvoering dat deze zaken voor het arrest worden gevoegd.
1. Zaak T‑472/09
60 Om te beginnen dient erop te worden gewezen dat het beroep in zaak T‑472/09 drie vorderingen bevat, te weten primair een vordering tot non-existentverklaring of tot nietigverklaring van de eerste beschikking, subsidiair een vordering tot nietigverklaring van de eerste beschikking wat de aan verzoekster opgelegde geldboete betreft, en meer subsidiair een vordering tot verlaging van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete.
61 Ter ondersteuning van haar beroep in zaak T‑472/09 voert verzoekster tien middelen aan. Het eerste middel betreft schending van wezenlijke vormvoorschriften. Als tweede middel wordt aangevoerd dat de Commissie niet bevoegd was en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de rechtsgrondslag van de inbreuk en van de sanctie. Het derde middel betreft ontoereikende motivering, schending van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 en schending van het beginsel van gelijke behandeling. Het vierde middel betreft bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure. Het vijfde middel betreft schending van artikel 65 KS, ontoereikende motivering en onjuiste opvatting van de feiten. Het zesde middel betreft schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het zevende middel betreft onjuiste juridische kwalificatie van de feiten. Het achtste middel betreft schending van de verzoeksters rechten van verdediging. Het negende middel betreft onjuiste rechtsopvattingen en bevoegdheidsoverschrijding bij de vermeerdering van het bedrag van de geldboete en schending van het evenredigheidsbeginsel. Ten slotte wordt als tiende middel aangevoerd dat de inbreuk is verjaard.
62 Nadat het Gerecht verzoekster ter terechtzitting had verzocht, de juiste draagwijdte van haar betoog toe te lichten, heeft deze verklaard dat het derde en het negende middel van haar verzoekschrift uitsluitend worden aangevoerd ter ondersteuning van de subsidiaire vorderingen, te weten de vordering tot nietigverklaring van de eerste beschikking wat de geldboete betreft, en de meer subsidiaire vordering tot verlaging van het bedrag van de geldboete.
De vordering tot non-existentverklaring of tot nietigverklaring van de eerste beschikking
Eerste middel: schending van wezenlijke vormvoorschriften
63 Als eerste middel voert verzoekster verschillende schendingen van wezenlijke vormvoorschriften aan; deze zouden een gevolg zijn van feit dat de eerste beschikking onvolledig is wegens het ontbreken van de tabellen die in de bijlage bij die beschikking hadden moeten worden opgenomen.
64 Om te beginnen voert de Commissie in haar verweerschrift aan dat verzoekster in haar verzoekschrift haar vordering tot non-existentverklaring van de eerste beschikking niet heeft onderbouwd. In dupliek voegt zij daaraan toe dat het in repliek aangevoerde „middel” inzake non-existentie van de eerste beschikking in het verzoekschrift niet was vermeld en op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
65 Opgemerkt dient te worden dat volgens artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering het inleidende verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze gegevens dienen zo duidelijk en precies te zijn, dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Gerecht uitspraak kan doen op het beroep, in voorkomend geval zonder bijkomende informatie. Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk doen uitkomen op welk middel het beroep is gebaseerd, zodat de louter abstracte vermelding van dit middel niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet. Vergelijkbare vereisten gelden in het geval van een ter ondersteuning van een middel aangevoerd bezwaar (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T-352/94, Jurispr. blz. II-1989, punt 333). Bovendien is het Gerecht verplicht, een in het petitum van het bij hem ingediende verzoekschrift geformuleerde vordering niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop deze vordering is gebaseerd, niet coherent en begrijpelijk worden weergegeven in de tekst van dat verzoekschrift zelf (arresten Hof van 18 juli 2006, Rossi/BHIM, C-214/05 P, Jurispr. blz. I-7057, punt 37, en 15 april 2010, Gualtieri/Commissie, C-485/08 P, Jurispr. blz. I-3009, punt 104).
66 Verder blijkt uit de bepalingen van artikel 44, lid 1, sub c, juncto artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dat het inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten en dat in de loop van het geding geen nieuwe middelen mogen worden voorgedragen, tenzij deze steunen op gegevens, rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Een middel dat een uitwerking is van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend geformuleerd middel en daarmee nauw verband houdt, moet ontvankelijk worden verklaard (zie arrest Gerecht van 24 mei 2011, NLG/Commissie, T-109/05 en T-444/05, Jurispr. blz. II-2479, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67 In het onderhavige geval dient erop te worden gewezen dat verzoekster in het petitum van haar verzoekschrift het Gerecht verzoekt, vast te stellen dat de eerste beschikking non existent is en in elk geval deze beschikking wegens onrechtmatigheid en een vormfout nietig te verklaren omdat zij onvolledig is (zie punt 50 hierboven). In de tekst van deze memorie heeft verzoekster echter niet uitdrukkelijk middelen aangevoerd ter ondersteuning van haar vordering tot vaststelling dat de eerste beschikking non-existent is.
68 In de punten 15 tot en met 18 van haar verzoekschrift verklaart verzoekster in het kader van een middel met het opschrift „Onvolledigheid van de [eerste beschikking]. Schending van wezenlijke vormschriften” dat in de eerste beschikking een aantal bijlagen ontbreken die door de Commissie in verschillende punten van die beschikking worden aangehaald ter staving van de bezwaren die daarin worden geformuleerd. Verder stelt zij allereerst dat de eerste beschikking haar niet in staat stelt de bezwaren waarvoor zij is bestraft, ten volle te begrijpen en de door de Commissie geformuleerde beschuldigingen niet voldoende onderbouwt. Vervolgens verklaart zij dat redelijkerwijze mag worden aangenomen dat het college van leden van de Commissie een beslissing heeft moeten nemen op basis van een onvolledig ontwerp van beschikking. Ten slotte is zij van mening dat deze schendingen, „die ongehoord ernstig zijn en elke andere juridische overweging in de schaduw stellen”, rechtvaardigen dat de eerste beschikking nietig wordt verklaard wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften. In repliek beklemtoont zij „de gegrondheid [van haar] middelen [...] inzake non-existentie en, subsidiair, onrechtmatigheid van de [eerste beschikking]”.
69 Ter terechtzitting heeft verzoekster, zakelijk weergegeven, gepreciseerd dat, aangezien de eerste beschikking haar zonder de bijlagen ter kennis was gebracht, zij op het tijdstip van de instelling van het beroep in zaak T‑472/09 niet wist dat de Commissie in feite een beschikking zonder bijlagen had vastgesteld, en dit pas heeft beseft op het tijdstip van de kennisgeving van het wijzigingsbesluit.
70 Zonder dat uitspraak behoeft te worden gedaan over de ontvankelijkheid van het betoog inzake non-existentie van de eerste beschikking, dient erop te worden gewezen dat dit betoog ongegrond is.
71 Naast het in punt 67 hierboven samengevatte betoog stelt verzoekster dat de Commissie de gebreken van de eerste beschikking niet met succes kan proberen te verhelpen door enerzijds te verwijzen naar het wijzigingsbesluit en anderzijds naar de mededeling van punten van bezwaar die verzoekster acht jaren eerder was toegestuurd, omdat de rechtmatigheid van een beschikking niet tegen de achtergrond van een andere, eerdere of latere, maatregel mag worden beoordeeld.
72 Met betrekking tot verzoeksters vordering dat het Gerecht de non-existentie van de eerste beschikking vaststelt, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de handelingen van de instellingen van de Unie, zelfs indien zij onregelmatig zijn, in beginsel worden vermoed rechtmatig te zijn en, bijgevolg, rechtsgevolgen in het leven roepen, zolang zij niet nietig zijn verklaard of zijn ingetrokken (arresten Hof van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C-137/92 P, Jurispr. blz. I-2555, punt 48; 8 juli 1999, Hoechst/Commissie, C-227/92 P, Jurispr. blz. I-4443, punt 69, en 5 oktober 2004, Commissie/Griekenland, C-475/01, Jurispr. blz. I-8923, punt 18).
73 Als uitzondering op dit beginsel moeten handelingen waaraan een onregelmatigheid kleeft die zo overduidelijk zwaar is dat zij door de rechtsorde van de Unie niet kan worden geduld, echter worden geacht geen enkel – zelfs geen voorlopig – rechtsgevolg te hebben gesorteerd, dat wil zeggen als juridisch non-existent worden beschouwd. Deze uitzondering beoogt het evenwicht te bewaren tussen twee fundamentele, zij het soms tegenstrijdige, vereisten waaraan een rechtsorde moet voldoen, te weten stabiliteit van de rechtsverhoudingen en eerbiediging van de rechtmatigheid (arresten Commissie/BASF e.a., aangehaald in punt 72 hierboven, punt 49, en Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 72 hierboven, punt 70).
74 Gelet op de ernst van de consequenties die zijn verbonden aan de vaststelling dat een handeling van een instelling van de Unie non-existent is, moet deze vaststelling om redenen van rechtszekerheid worden voorbehouden voor uiterst extreme gevallen (arresten Commissie/BASF e.a., aangehaald in punt 72 hierboven, punt 50, en Hoechst/Commissie, aangehaald in punt 72 hierboven, punt 76).
75 In het onderhavige geval staat zonder meer vast dat de door verzoekster aangevoerde onregelmatigheden niet zo overduidelijk ernstig zijn dat de eerste beschikking als juridisch non-existent moet worden beschouwd.
76 In de eerste plaats verklaart verzoekster dat de eerste beschikking haar niet in staat stelt de bezwaren waarvoor zij is bestraft, ten volle te begrijpen en de door de Commissie geformuleerde beschuldigingen niet voldoende onderbouwt, en zij verwijst daarvoor uitdrukkelijk naar de punten 496, 515 en 516 en voetnoot nr. 102 van de eerste beschikking.
77 Ter terechtzitting heeft verzoekster in haar antwoord op een desbetreffende vraag verklaard dat zij met deze bezwaar slechts kritiek wilde leveren op het feit dat de Commissie haar motiveringsplicht niet was nagekomen.
78 Volgens vaste rechtspraak moet de motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechterlijke instantie haar toezicht kan uitoefenen. Het motiveringsvereiste moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, met name de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 15 KS voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arresten Gerecht van 24 september 1996, NALOO/Commissie, T-57/91, Jurispr. blz. II-1019, punt 298, en 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T-45/98 en T-47/98, Jurispr. blz. II-3757, punt 129; zie ook naar analogie arresten Hof van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 63, en 14 oktober 2010, Deutsche Telekom/Commissie, C-280/08 P, Jurispr. blz. I-9555, punt 131 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 Zo heeft de verplichting tot motivering van individuele beschikkingen volgens vaste rechtspraak zowel tot doel de rechter in staat te stellen de rechtmatigheid ervan te toetsen, als de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de beschikking een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid ervan kan worden betwist (zie arrest Hof van 29 september 2011, Elf Aquitaine/Commissie, C-521/09 P, Jurispr. blz. I-8947, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80 De motivering moet dus in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld (arrêt Elf Aquitaine/Commissie, aangehaald in punt 79 hierboven, punt 149).
81 Vaststaat dat de eerste beschikking niet vergezeld ging van haar bijlagen, waaronder verschillende tabellen waarnaar was verwezen in de punten 451 (tabel 13), 513 (tabellen 1 en 3), 515 (tabellen 1‑3), 516 (tabellen 9, 11‑14 en 16) en 518 (tabellen 11, 12 en 14) en in de voetnoten nr. 102 (tabellen 15‑17), nr. 127 (tabellen 18‑21), nr. 198 (tabellen 22 en 23), nr. 264 (tabellen 24 en 25), nr. 312 (tabel 26), nr. 362 (tabel 27), nr. 405 (tabel 28), nr. 448 (tabellen 29 en 30) en nr. 563 (alle als bijlage bij de beschikking gevoegde tabellen) van de eerste beschikking. De Commissie verklaart dienaangaande dat het ging om tabellen die waren opgesteld om de in de eerste beschikking vermelde prijsschommelingen gemakkelijker en sneller te kunnen lezen, en slechts een schematische weergave waren van de in de stukken vervatte informatie en gegevens.
82 Bijgevolg dient te worden nagegaan of, los van het ontbreken van de in punt 81 hierboven vermelde tabellen, de relevante punten van deze beschikking ter ondersteuning waarvan naar die tabellen werd verwezen, de redenering van de Commissie duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat verzoekster de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kon kennen.
83 Om te beginnen dient er met de Commissie op te worden gewezen dat alle ontbrekende tabellen bij de mededeling van punten van bezwaar waren gevoegd en dat verzoekster de inhoud van de tabellen kende, daar zij deze als bijlage bij haar verzoekschrift had gevoegd en ernaar had verwezen in de punten 83, 98, 100, 101 en 125 van haar verzoekschrift.
84 Verder dient te worden beklemtoond dat de Commissie in het wijzigingsbesluit niet alle verwijzingen naar de in de eerste beschikking ontbrekende tabellen heeft gewijzigd, maar alleen de verwijzingen daarnaar in de voetnoten nrs. 102, 127, 198, 264, 312, 362, 405 en 448 van dat besluit.
85 Ten eerste staat vast dat de tabellen 15 tot en met 17 (vermeld in voetnoot nr. 102 van de eerste beschikking) volgens deze voetnoot de „gegevens betreffende de wijzigingen van de prijzen voor ‚extra grootte’ in de betonstaalindustrie in Italië tussen december 1989 en juni 2000 overnemen”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van de eerste zin van punt 126 van de eerste beschikking, die luidt als volgt: „Tijdens de eerste bijeenkomst waarvan de Commissie kennis heeft gekregen (die van 6 december 1989 bij de [Associazione degli Industriali di Brescia]), hebben de deelnemers eenparig beslist om de prijzen voor extra grootte van de diameter van voor de Italiaanse markt bestemd betonstaal in staven of rollen vanaf maandag 11 december 1989 te verhogen (+10 ITL/kg voor een ‘extra grootte’ van 14 à 30 mm, + 15 ITL/kg voor een ‚extra grootte’ van 8 à 12 mm, + 20 ITL/kg voor een ‚extra grootte’ van 6 mm; algemene verhoging met 5 ITL/kg voor betonstaal in rollen).”
86 Vaststaat dat de Commissie in dat punt het bedrag van de door de deelnemers aan de bijeenkomst van 6 december 1989 besliste prijsverhogingen voor extra grootte van de diameter van het betonstaal uitdrukkelijk heeft vermeld en heeft aangegeven op welke datum deze prijsverhogingen in werking zouden treden. Verder dient erop te worden gewezen, dat de latere prijsverhogingen, die volgens voetnoot nr. 102 van de eerste beschikking eveneens zijn opgenomen in die tabellen (aangezien deze de periode tussen 1989 en 2000 bestrijken) niet worden behandeld in hoofdstuk 4.1 van de eerste beschikking, betreffende het gedrag van de ondernemingen tussen 1989 en 1992, waarvan punt 126 deel uitmaakt. In elk geval wordt het bedrag van deze prijsverhogingen met name ook vermeld in de punten 126 tot en met 128 en 133 (voor de jaren 1989‑1992), 93 en 94 (voor de jaren 1993‑1994), 149 tot en met 151, 162 en 163 (voor 1995), 184 en 185 (voor 1996), 199, 200 en 213 (voor 1997), 269 (voor 1999) en 296 tot en met 304 (voor 2000) en in de punten 439 en 515 van de eerste beschikking.
87 Ten tweede staat vast dat de tabellen 18 tot en met 21, vermeld in voetnoot nr. 127 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld voor de periode van eind 1989 tot eind 1992, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 131 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Met betrekking tot de basisprijzen voor betonstaal die zijn toepast tijdens de periode waarin bovengenoemde overeenkomst van kracht was, zij erop gewezen dat IRO en (het voormalige) Ferriera Valsabbia SpA vanaf 16 april 1992 een prijs van 210 ITL/kg en vanaf 1 of 6 mei een prijs van 225 ITL/kg hebben toegepast. Vanaf 1 of 8 juni 1992, hebben IRO, (het voormalige) Ferriera Valsabbia SpA, Acciaieria di Darfo SpA en Acciaierie e Ferriere Leali Luigi SpA een prijs van 235 ITL/kg toegepast.”
88 Vaststaat dus dat de Commissie op basis van vijf bladzijden uit het administratieve dossier die in voetnoot nr. 126 van de eerste beschikking worden vermeld, in dat punt de door de aldaar genoemde ondernemingen vastgestelde basisprijzen en de datum van inwerkingtreding daarvan uitdrukkelijk heeft vermeld. Verder dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 419 van de eerste beschikking heeft geoordeeld dat de eerste vaststelling van een basisprijs uiterlijk op 16 april 1992 heeft plaatsgevonden. De gegevens die de tabellen 18 tot en met 21 van de eerste beschikking volgens voetnoot nr. 127 van die beschikking zouden bevatten met betrekking tot de basisprijzen voor de periode tussen „eind 1989” en 16 april 1992, zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 131 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
89 Ten derde staat vast dat de tabellen 22 en 23, vermeld in voetnoot nr. 198 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld voor de jaren 1993 en 1994, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 145 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Zoals aangekondigd in het faxbericht van Federacciai van 25 november 1994 is op 1 december 1994 een nieuwe bijeenkomst gehouden te Brescia. Op die bijeenkomst zijn de beslissingen genomen die nader zijn uiteengezet in een ander faxbericht van Federacciai, dat de ondernemingen op 5 december 1994 hebben ontvangen. Deze beslissingen hadden betrekking op: — de prijs voor betonstaal (320 ITL/kg, basisprijs franco Brescia, met onmiddellijke ingang); — de betaling (vanaf 1 januari 1995 zal de maximumtermijn 60/90 dagen eindigend op het einde van de maand bedragen; vanaf 1 maart 1995 zal de maximumtermijn 60 dagen eindigend op het einde van de maand bedragen) en de kortingen; — de productie (verplichting voor elke onderneming om het in september, oktober en november 1994 geproduceerde aantal tonnen betonstaal vóór 7 december 1994 aan Federacciai mee te delen). Alfa Acciai Srl heeft de nieuwe basisprijs ingevoerd op 7 december 1994. Op 21 december 1994 heeft ook Acciaieria di Darfo SpA de nieuwe basisprijs ingevoerd en heeft Alfa Acciai Srl diezelfde prijs bevestigd. Ook de door [Lucchini-SP] in januari 1995 toegepaste basisprijs bedroeg 320 ITL/kg.”
90 Dienaangaande dient te worden beklemtoond dat de in voetnoot nr. 198 van de eerste beschikking bedoelde tabellen door de Commissie zijn vermeld ter ondersteuning van haar stelling dat „Alfa Acciai Srl [...] de nieuwe basisprijs [had] ingevoerd op 7 december 1994” en dat „[o]p 21 december 1994 [...] ook Acciaieria di Darfo SpA de nieuwe basisprijs [had] ingevoerd en [...] Alfa Acciai Srl diezelfde prijs [had] bevestigd”. Welnu, de aldaar bedoelde „nieuwe basisprijs” en „diezelfde prijs” was de prijs van 320 Italiaanse lire per kilo (ITL/kg), die in het eerste streepje van dat punt is genoemd. De gegevens die de tabellen 22 en 23 van de eerste beschikking zouden bevatten met betrekking tot de basisprijzen voor de periode tussen 1993 en 7 december 1994 zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 145 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
91 Ten vierde staat vast dat de tabellen 24 en 25, vermeld in voetnoot nr. 264 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1995, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 174 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Later is in een stuk uit de eerste dagen van oktober van 1995, dat Federacciai in haar bezit had (handschrift van de secretaresse van de waarnemend algemeen directeur) verklaard: — de klanten stelden de betaling opnieuw ter discussie (vandaar de noodzaak van een mededeling die het vasthouden aan de beslissing over de betaling bevestigt); — sinds vorige week is de prijs van betonstaal nog met 5/10 ITL/kg gedaald, zodat hij thans ongeveer 260/270 ITL/kg bedraagt in de zone Brescia en minder dan 250 ITL/kg buiten die zone; — de vrij verwarde situatie op de markt bemoeilijkte het verstrekken van nauwkeurige gegevens over de prijzen; en — aan de ondernemingen dienden gegevens te worden gevraagd over hun bestellingen in week 39 (van 25 tot 29 september 1995) en week 40 (van 2 tot 6 oktober 1995).”
92 Er dient aldus op te worden gewezen dat de Commissie in punt 174 van de eerste beschikking slechts de inhoud van een in oktober 1995 opgesteld handgeschreven document van de secretaresse van de waarnemend algemeen directeur heeft weergegeven. In dit verband heeft de Commissie slechts naar de tabellen 24 en 25 verwezen ter ondersteuning van de in dat document geponeerde stelling dat „de vrij verwarde situatie op de markt [...] het verstrekken van nauwkeurige gegevens over de prijzen [bemoeilijkte]”. De tabellen 24 en 25 zijn dus niet relevant voor het begrijpen van de bezwaren die de Commissie in punt 174 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
93 Ten vijfde staat vast dat tabel 26, vermeld in voetnoot nr. 312 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1996, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van de in punt 200 van de eerste beschikking geponeerde stelling dat er „[t]ijdens de periode van 22 oktober 1996 tot 17 juli 1997 ten minste twaalf bijeenkomsten van de verkoopverantwoordelijken van de ondernemingen [hadden] plaatsgevonden, [...] [met name] op dinsdag 22 oktober 1996, op welke bijeenkomst de basisprijs van 230 ITL/kg franco Brescia [was] bevestigd voor de maand november 1996 en de koers van 210 ITL/kg uitsluitend [was] gehandhaafd voor de leveringen in oktober”.
94 Bijgevolg staat vast dat, ook al ontbrak tabel 26 van de eerste beschikking, de Commissie in punt 200 van die beschikking de basisprijzen voor de betrokken periode en het tijdstip van de inwerkingtredeng daarvan uitdrukkelijk heeft vermeld.
95 Ten zesde staat vast dat tabel 27, vermeld in voetnoot nr. 362 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini Siderurgica ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1997, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 216 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Hoe het ook zij, [Lucchini-SP ...], Acciaieria di Darfo SpA, Alfa Acciai Srl, Feralpi Siderurgica Srl, IRO, Riva Prodotti Siderurgici SpA en (de voormalige) Ferriera Valsabbia SpA zijn de zeven ondernemingen waarvoor een mededeling van Pierluigi Leali (van 24 november 1997) betreffende de ‚Overeenkomst prijzen-leveringen’ bestemd was. [...] ‚De prijs van 270 ITL/kg is slechts door enkele ondernemingen, vergeefs – volgens de mededeling –, gevraagd en de koers heeft zich in feite gestabiliseerd op 260 ITL/kg, met enkele uitschieters naar beneden, zoals tal van deelnemers tijdens de laatste bijeenkomst van de verkoopverantwoordelijken hebben verklaard. Wij stellen echter met enige tevredenheid vast dat de daling is geëindigd dankzij de contingentering van de leveringen waaraan wij ons allen houden en waarop volgens de overeenkomsten zal worden toegezien door daartoe aangewezen externe inspecteurs.’‚Nu deze maand die – nog steeds volgens de mededeling – zich thans voortsleept met een gebrek aan activiteit, bijna voorbij is, is het absoluut noodzakelijk om onmiddellijk strikter de hand te houden aan de minimumkoers van 260 ITL/kg (die zeker geen gevolgen zal hebben voor de aankopen, die in deze periode in elk geval gering zijn). Door planning van de overeengekomen leveringen voor december (20 % minder dan in november) zijn wij zeker in staat het overeengekomen prijsniveau te waarborgen; het is echter absoluut noodzakelijk – concludeerde Pierluigi Leali – dat niemand afwijkingen van de vastgestelde minimumprijs (260 ITL/kg) aanvaardt.’”
96 Uit de tekst van dit punt blijkt aldus dat de Commissie slechts de bewoordingen van de aldaar vermelde mededeling van 24 november 1997 heeft overgenomen. Tabel 27 is dus niet relevant voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 216 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
97 Ten zevende staat vast dat tabel 28, vermeld in voetnoot nr. 405 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevat van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini/Siderpotenza ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1998, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabel is door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 241 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Op 11 september 1998 heeft Pierluigi Leali een mededeling toegestuurd [...] waarin, onder verwijzing naar het (tijdens een ontmoeting op 9 september 1998) geformuleerde voornemen om de minimumkoers te handhaven op een ‚basisprijs van 170 ITL franco’???, ‚abnormale gedragingen, te weten koersen die gemiddeld 5 ITL/kg onder het vastgestelde niveau lagen en in bepaalde zones in het Zuiden nog lager waren’ werden vastgesteld. ‚Wij – schreef Pierluigi Leali – hebben het overeengekomen minimum gehandhaafd door een aanzienlijke vermindering van de bestellingen.’‚Wij hopen – aldus de mededeling – dat wij tijdens de bijeenkomst van de verkoopverantwoordelijken op volgende dinsdag 15 zullen kunnen vaststellen dat de prijzen goed standhouden, waardoor de koers eventueel weer zal kunnen stijgen.’”
98 Uit de tekst van dit punt van de eerste beschikking blijkt dus dat de Commissie slechts de inhoud van de aldaar vermelde mededeling van 11 september 1998 heeft overgenomen. Tabel 28 is dus niet relevant voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 241 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
99 Ten achtste staat vast dat de tabellen 29 en 30, vermeld in voetnoot nr. 448 van de eerste beschikking, volgens deze voetnoot een overzicht bevatten van de „gegevens betreffende de basisprijzen die op de prijslijsten voorkomen of aan de vertegenwoordigers zijn meegedeeld (en voor Lucchini/Siderpotenza ook de gegevens betreffende de situatie in elke maand ) voor 1999, en die de Commissie in haar bezit [had]”. Deze tabellen zijn door de Commissie vermeld ter ondersteuning van punt 276 van de eerste beschikking, dat luidt als volgt: „Aanvullende informatie over de situatie van de markt van betonstaal in Italië tijdens deze periode is te vinden in een door Leali op 10 november 1999 opgesteld document, in het bijzonder in hoofdstuk ‚Voordelen en grenzen van de handelsovereenkomst van 1999’, waarin staat te lezen: ‚Dankzij de basisovereenkomst tussen de nationale producenten kon de situatie van lage prijzen die de twee voorafgaande boekjaren (1997 en 1998) had gekenmerkt, in 1999 worden omgezet in een opwaartse trend en kon meer dan 50 ITL/kg aan brutomarge worden teruggewonnen. In 1998 bedroeg de gemiddelde brutomarge (verkoopprijs verminderd met de grondstoffenprijs) 70 ITL/kg, en gedurende vijf maanden lag zij onder dit niveau.’‚Dankzij de overeenkomsten kon de verkoopprijs in de loop van het jaar worden gestabiliseerd en de producenten hebben kunnen profiteren van de situatie op het gebied van de kostprijs van grondstoffen en hebben hun brutomarge met meer dan 50 ITL/kg kunnen verhogen tot netto 122 ITL/kg.’”
100 Uit de tekst van punt 276 van de eerste beschikking blijkt dus dat de Commissie slechts de inhoud van de aldaar vermelde mededeling van 10 november 1999 heeft overgenomen. Het ontbreken van de tabellen 29 en 30 heeft dus geen gevolgen voor het begrijpen van het bezwaar dat de Commissie in punt 276 van de eerste beschikking heeft geformuleerd.
101 Ten negende wordt tabel 13, vermeld in punt 451 van de eerste beschikking, aangehaald ter ondersteuning van de stelling dat „[h]et eerste halfjaar van 1997 [werd] gekenmerkt door een voortdurende verhoging van de in het kader van de mededingingsregeling vastgestelde basisprijs: 190 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 30 januari; 210 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 14 februari en 250 ITL/kg, vastgesteld tijdens de bijeenkomst van 10 juli (punt 200)” en dat „[t]ijdens dezelfde periode de gemiddelde basisprijs op de markt eveneens voortdurend [was] gestegen, van 170 ITL/kg in januari tot 240 ITL/kg in juli (tabel 13 in bijlage); in september van datzelfde jaar is de gemiddelde basisprijs op de markt verder gestegen en bereikte hij 290 ITL/kg (tabel 13 in bijlage).” Vaststaat dus dat de Commissie in dat punt de stijgingen van de basisprijs in het jaar 1997 uitdrukkelijk heeft vermeld, zodat die tabel niet absoluut noodzakelijk was voor het begrijpen van de redenering van de Commissie.
102 Ten tiende dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 496 van de eerste beschikking (voetnoot nr. 563 van de eerste beschikking) algemeen naar de „als bijlage bij de beschikking gevoegde tabellen” heeft verwezen ter ondersteuning van haar stelling dat „[u]it [haar] inlichtingen [...] [bleek] dat alle bij de onderhavige procedure betrokken ondernemingen tijdens de betrokken periode prijslijsten [hadden] gepubliceerd”. Er dient echter op te worden gewezen dat punt 496 van de eerste beschikking ook verwijst naar de punten 419 tot en met 433 van de deze beschikking, waarin een „lijst wordt gegeven van alle gelegenheden waarbij tussen de ondernemingen (de vereniging daaronder begrepen) over de basisprijs is gediscussieerd”. In dit verband heeft de Commissie gepreciseerd dat „[s]ommige van die gelegenheden al [waren] vermeld bij de behandeling van de wilsovereenstemming (punten 473 tot en met 475)”, dat „[v]oor andere gelegenheden, tussen 1993 en 2000, het begrip afstemming [diende] te worden gebruikt” en dat „[d]ie afstemming tot doel had, het marktgedrag van de producenten te beïnvloeden en de in concreto voorgenomen handelwijze van elk van hen ter zake van de vaststelling van de basisprijs bekend te maken”. Het samenstel van de als bijlage bij de eerste beschikking gevoegde tabellen is dus niet absoluut noodzakelijk voor het begrijpen van het door de Commissie geformuleerde bezwaar.
103 Ten elfde dient erop te worden gewezen dat de punten 513, 515, 516 en 518 van de eerste beschikking, waarin naar de tabellen 1 tot en met 3, 9, 11 tot en met 14 en 16 wordt verwezen, deel uitmaken van het hoofdstuk van de eerste beschikking waarin de gevolgen van de beperkende feitelijke gedragingen op de markt worden behandeld, en dat uit de analyse van de inhoud van deze punten blijkt dat de aldaar vermelde tabellen, hetzij slechts de aldaar verstrekte cijfergegevens overnemen, hetzij niet absoluut noodzakelijk zijn voor het begrijpen van de redenering van de Commissie met betrekking tot de gevolgen van de mededingingsregeling.
104 Gelet op een en ander, kan niet worden geoordeeld dat verzoekster de in de eerste beschikking geformuleerde bezwaren niet heeft kunnen begrijpen omdat de in punt 81 hierboven bedoelde tabellen niet als bijlage bij die beschikking waren gevoegd.
105 In de tweede plaats betoogt verzoekster dat, gelet op het ontbreken van bovengenoemde tabellen, mag worden aangenomen dat het college van leden van de Commissie een beslissing heeft moeten nemen zonder volledige kennis van alle basisgegevens waarop de maatregel berustte, en dat de eerste beschikking om die reden nietig dient te worden verklaard.
106 Geoordeeld dient te worden dat de omstandigheid dat de in punt 81 hierboven vermelde tabellen niet als bijlage bij de eerste beschikking waren gevoegd, slechts de onrechtmatigheid van die beschikking tot gevolg kan hebben indien het college van leden van de Commissie als gevolg daarvan het in artikel 1 van de eerste beschikking bedoelde gedrag niet heeft kunnen bestraffen met volledige kennis van zaken, dat wil zeggen zonder door onjuistheden of omissies op een essentieel punt op een verkeerd spoor te zijn gezet (zie in die zin en naar analogie arresten Gerecht van 10 juli 1991, RTE/Commissie, T-69/89, Jurispr. blz. II-485, punten 23‑25; 27 november 1997, Kaysersberg/Commissie, T-290/94, Jurispr. blz. II-2137, punt 88; 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 742, en 17 februari 2011, Zhejiang Xinshiji Foods en Hubei Xinshiji Foods/Raad, T‑122/09, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punten 104 en 105).
107 Aangezien, los van het ontbreken van bovengenoemde tabellen, de gegevens waarop de eerste beschikking is gebaseerd, rechtens genoegzaam zijn uiteengezet in de tekst zelf van de beschikking (zie punten 76‑104 hierboven), kan niet op goede gronden worden gesteld dat het college van leden van de Commissie ten tijde van de vaststelling van de eerste beschikking geen volledige kennis had van alle gegevens waarop de maatregel berustte. Het ontbreken van die tabellen kan het vaststellingsproces van de eerste beschikking dus niet hebben aangetast, en kan de rechtmatigheid van die beschikking dus niet ter discussie stellen.
108 Bijgevolg moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede en vierde middel: onbevoegdheid van de Commissie, onjuiste rechtsopvatting ter zake van de rechtsgrondslag van de inbreuk en van de geldboete, bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure
109 Het tweede en het vierde middel, betreffende onbevoegdheid van de Commissie, onjuiste rechtsopvatting ter zake van de rechtsgrondslag van de inbreuk en van de geldboete, bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure, waarin het in wezen gaat om de vraag of de Commissie bevoegd was om de eerste beschikking vast te stellen, dienen samen te worden behandeld.
110 Als tweede middel voert verzoekster aan dat de eerste beschikking nietig moet worden verklaard omdat de Commissie haar daarbij een geldboete heeft opgelegd zonder rechtsgrondslag, hetgeen volgens haar zowel in strijd is met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) als met de institutionele structuur waarop de Verdragen berusten, volgens welke de Commissie slechts autonoom kan optreden in het welomschreven kader van de bevoegdheden die haar zijn toegekend. Het EGKS-Verdrag is geëxpireerd op 23 juli 2002 en de Commissie zou als gevolg daarvan niet alleen haar bevoegdheid hebben verloren om krachtens artikel 65 KS sancties op te leggen, maar ook haar bevoegdheid om inbreuken op die bepaling vast stellen, daar deze bepaling niet meer van kracht was.
111 Allereerst zou volgens het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten niemand kunnen worden bestraft voor een handeling die op de dag van de uitspraak niet meer strafbaar was. Dit beginsel zou aldus impliceren dat slechts een sanctie kan worden opgelegd indien de betrokken handeling niet alleen strafbaar was op het tijdstip waarop zij werd gesteld, maar ook nog op het tijdstip waarop formeel een sanctie wordt opgelegd. De Commissie zou verzoekster dus geen sanctie hebben kunnen opleggen op grond van artikel 65 KS.
112 Vervolgens zou de Commissie volgens het volgens het legaliteitsbeginsel ter zake van straffen en het in artikel 5, eerste alinea, EG neergelegde beginsel van toegewezen bevoegdheden het opleggen van sancties niet kunnen baseren op de „asymmetrische” toepassing van artikel 23 van verordening nr. 1/2003 en artikel 65 KS, daar deze laatste bepaling in die verordening niet wordt genoemd.
113 Ten slotte zou de rechtmatigheid van de handelingen van de Unie moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van het volkenrecht, met name artikel 70 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, volgens hetwelk een geëxpireerd verdrag tussen staten geen verplichtingen meer kan doen ontstaan voor degenen die partij waren bij het verdrag of eraan waren onderworpen, en evenmin de grondslag kan vormen voor een bevoegdheid van zijn organen. Bijgevolg had de Commissie artikel 65 KS slechts met terugwerkende kracht kunnen toepassen, indien er een overgangsbepaling ter zake van de mededingingsregels van het EKGS-Verdrag ware geweest, hetgeen niet het geval was. Anders dan de Commissie stelt, zouden het EG-Verdrag en het EGKS-Verdrag verschillende rechtsorden vormen.
114 Verder zou de Commissie zich evenmin kunnen baseren op het „algemene rechtsbeginsel van de voorrang de lex generalis op de lex specialis” of op de mededeling van 18 juni 2002.
115 In haar vierde middel betoogt verzoekster dat de procedure die tot de vaststelling van de eerste beschikking heeft geleid, is voortgezet op basis van verordening nr. 17 en daarna op basis van verordening nr. 1/2003. Deze verordeningen zouden echter geen regeling bevatten voor het geval dat een op het EKGS-Verdrag gebaseerde procedure wordt voorgezet in het kader van een procedure op grond van het EG-Verdrag, en zouden niet de mogelijkheid bieden om een beschikking te gegeven ter zake van inbreuken op het EKGS-Verdrag, waarop die verordeningen niet betrekking hebben. Zonder enige daartoe strekkende rechtsregel zouden het voorzetten van de procedure en het gebruik van op basis van het EKGS-Verdrag verkregen documenten in het kader van een procedure op grond van het EG-Verdrag bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure opleveren.
– Keuze van de rechtsgrondslag van de eerste beschikking
116 Er dient aan te worden herinnerd dat de gemeenschapsverdragen een nieuwe rechtsorde tot stand hebben gebracht ten behoeve waarvan de staten op steeds breder terrein hun soevereiniteit hebben beperkt en waarvan niet slechts de lidstaten, maar ook hun staatsburgers de rechtssubjecten zijn (zie in die zin arresten Hof van 5 februari 1963, van Gend & Loos, 26/62, Jurispr. blz. 1, en 15 juli 1964, Costa, 6/64, Jurispr. blz. 1203, 1218; advies Hof 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. blz. I‑6079, punt 21, en arrest Gerecht SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 22 hierboven, punt 70, en arrest Gerecht van 1 juli 2009, ThyssenKrupp Stainless/Commissie, T-24/07, Jurispr. blz. II-2309, punt 63).
117 Binnen de communautaire rechtsorde beschikken de instellingen alleen over de bevoegdheden die hun zijn toegekend. Om deze reden vermelden gemeenschapshandelingen in hun aanhef de rechtsgrondslag op grond waarvan de betrokken instelling bevoegd is om op het betrokken gebied te handelen. De keuze van de juiste rechtsgrondslag is immers van constitutioneel belang (zie arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 22 hierboven, punt 71, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
118 Vaststaat in het onderhavige geval dat in de aanhef van de eerste beschikking wordt verwezen naar het EKGS-Verdrag, te weten de artikelen 36 KS, 47 KS en 65 KS, maar ook naar het EG-Verdrag, naar verordening nr. 17, in het bijzonder artikel 11 daarvan, naar verordening nr. 1/2003, te weten naar de artikelen 7, lid 1, 18 en 23, lid 2, ervan, en naar verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB L 354, blz. 18).
119 Verder dient erop te worden gewezen dat de Commissie in punt 1 van de eerste beschikking heeft verklaard „[d]at de onderhavige beschikking een inbreuk op artikel 65, lid 1, [KS] [vaststelde] en [was] vastgesteld op grond van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003”. In punt 3 van de eerste beschikking heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat „[zij] [b]ij de onderhavige beschikking [...] aan de geadresseerde ondernemingen geldboeten [oplegde] op basis van artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003”.
120 In punt 350 van de eerste beschikking heeft de Commissie aldus verklaard dat zij van mening was dat „de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 de passende rechtsgrondslagen [waren] voor de vaststelling van de onderhavige beschikking” en dat „[zij] [o]p basis van artikel 7, lid 1, [...] een inbreuk op artikel 65, lid 1, [KS] [vaststelde] en [...] de adressaten van de onderhavige beschikking [verplichtte] daaraan een einde te maken, en [...] [hun] krachtens artikel 23, lid 2, [...] geldboeten [oplegde]” (zie ook punt 361 van de eerste beschikking).
121 In deze omstandigheden staat vast dat de rechtsgrondslag van de eerste beschikking, waarbij de Commissie een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS heeft vastgesteld en aan verzoekster een geldboete heeft opgelegd, wordt gevormd door artikel 7, lid 1, van verordening nr. 1/2003 voor de vaststelling van de inbreuk en door artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 voor de oplegging van de geldboete.
– Bevoegdheid van de Commissie om na het expireren van het EKGS-Verdrag een inbreuk op artikel 65, lid 1, KS vast te stellen en te bestraffen op grond van verordening nr. 1/2003
122 In de eerste plaats dient eraan te worden herinnerd dat de bepaling die de rechtsgrondslag vormt voor een handeling en de instelling van de Unie machtigt om de betrokken handeling vast te stellen, van kracht moet zijn op het moment van de vaststelling van die handeling (arresten Hof van 4 april 2000, Commissie/Raad, C-269/97, Jurispr. blz. I-2257, punt 45; 29 maart 2011, ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie /ArcelorMittal Luxembourg e.a., C-201/09 P en C-216/09 P, Jurispr. blz. I-2239, punt 75, en arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, C-352/09 P, Jurispr. blz. I-2359, punt 88; arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 22 hierboven, punt 118, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 74), wat ontegenzeglijk het geval is met artikel 7, lid 1, en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003, die de rechtsgrondslag van de eerste beschikking vormen.
123 In de tweede plaats dient te worden beklemtoond dat, anders dan verzoekster stelt, de gemeenschapsverdragen één enkele rechtsorde tot stand hebben gebracht, in het kader waarvan, zoals blijkt uit artikel 305, lid 1, EG, het EGKS-Verdrag een bijzondere regeling vormde die afweek van de bij het EG-Verdrag vastgestelde algemene regels (zie arresten Gerecht van 31 maart 2009, ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, T-405/06, Jurispr. blz. II-771, point 57, en arrest ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
124 Anders dan verzoekster stelt, vormde het EGKS-Verdrag dus krachtens artikel 305, lid 1, EG een lex specialis die afweek van de lex generalis, het EG-Verdrag (arrest Hof van 24 oktober 1985, Gerlach, 239/84, Jurispr. blz. 3507, punten 9‑11; advies Hof 1/94 van 15 november 1994, Jurispr. blz. I‑5267, punten 25‑27; arresten SP e.a./Commissie, aangehaald in punt 22 hierboven, punt 111, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 76, op hogere voorziening bevestigd door het arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 70 en 73).
125 Voor de werking van de gemeenschappelijke markt volgt hieruit dat de bepalingen van het EGKS-Verdrag en de ter uitvoering daarvan getroffen regelingen zijn blijven gelden ondanks de totstandkoming van het EG-Verdrag (arrest Gerlach, aangehaald in punt 124 hierboven, punt 9, en arrest Hof van 24 september 2002, Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, C-74/00 P en C-75/00 P, Jurispr. blz. I-7869, punt 100; arrest ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 77, op hogere voorziening bevestigd door het arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 70 en 73).
126 Voor zover bepaalde kwesties echter niet werden geregeld door het EGKS-Verdrag of door op basis daarvan vastgestelde regelingen, konden het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen reeds vóór het expireren van het EKGS-Verdrag toepassing vinden op onder het EGKS-Verdrag vallende producten (arrest Hof van 15 december 1987, Deutsche Babcock, 328/85, Jurispr. blz. 5119, punt 10, en arrest Falck en Acciaierie di Bolzano/Commissie, aangehaald in punt 125 hierboven, punt 100; arresten Gerecht van 25 oktober 2007, Ferriere Nord/Commissie, T‑94/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 83, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 78, op hogere voorziening bevestigd door arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 70 en 73).
127 Het EGKS-Verdrag is op grond van artikel 97 ervan op 23 juli 2002 geëxpireerd. Bijgevolg is de werkingssfeer van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende algemene regeling op 24 juli 2002 uitgebreid tot de sectoren die aanvankelijk onder het EGKS-Verdrag vielen (arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 58, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 79, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 59 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 70 en 73).
128 Hoewel de vervanging van het rechtskader van het EGKS-Verdrag door dat van het EG-Verdrag per 24 juli 2002 heeft geleid tot een wijziging van de toepasselijke rechtsgrondslagen, procedures en materiële regels, maakt die wijziging deel uit van de eenheid en de continuïteit van de communautaire rechtsorde en de doelstellingen daarvan (arresten Gerecht van 12 september 2007, González y Díez/Commissie, T-25/04, Jurispr. blz. II-3121, punt 55; ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 59, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 80, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 71 en 73).
129 In dit verband moet worden opgemerkt dat de invoering en de handhaving van een stelsel van vrije mededinging waarin de normale concurrentieverhoudingen worden verzekerd en dat met name ten grondslag ligt aan de staatssteunregels en de regels inzake mededingingsregelingen tussen ondernemingen, een van de wezenlijke doelstellingen is van zowel het EG-Verdrag als het EGKS-Verdrag (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 60, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 71 en 73).
130 In deze context moet worden benadrukt dat, hoewel de bepalingen van het EGKS-Verdrag en het EG-Verdrag op het gebied van mededingingsregelingen tussen ondernemingen in zekere mate uiteenlopen, de begrippen overeenkomsten en onderling samenhangende gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS overeenstemmen met de begrippen overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de zin van artikel 81 EG en dat deze twee bepalingen door de Unierechter op dezelfde wijze zijn uitgelegd. Het nastreven van het doel van een onvervalste mededinging in de sectoren die aanvankelijk onder de gemeenschappelijke markt voor kolen en staal vielen, wordt dus niet onderbroken door het expireren van het EGKS-Verdrag, omdat dit doel ook in het kader van het EG-Verdrag wordt nagestreefd en wel door dezelfde instelling, te weten de Commissie, de administratieve autoriteit die verantwoordelijk is voor de uitvoering en de ontwikkeling van het mededingingsbeleid in het algemene belang van de Europese Gemeenschap (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 61, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 60 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 71 en 73).
131 De continuïteit van de communautaire rechtsorde en van de doelstellingen die daaraan ten grondslag liggen, vereist dus dat de Europese Gemeenschap, voor zover zij de opvolgster is van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, in haar eigen procedurele kader met betrekking tot onder het EGKS-Verdrag ontstane situaties de naleving verzekert van de rechten en plichten die krachtens het EGKS-Verdrag en de tot uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen eo tempore voor zowel de lidstaten als de particulieren golden. Dit klemt temeer daar onder het EG-Verdrag de mededingingsverstoring als gevolg van de niet-naleving van de regels op het gebied van mededingingsregelingen kan blijven doorwerken in de tijd na het expireren van het EGKS-Verdrag (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 63, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 62 en 63, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 72 en 73).
132 Het Hof heeft er ook aan herinnerd dat de opvolging van het EGKS-Verdrag door het EG-Verdrag en later door het VWEU de vrije mededinging beoogde te waarborgen door ervoor te zorgen dat alle gedragingen in de zin van artikel 65, lid 1, KS, ongeacht of zij voor dan wel na 23 juli 2002 hebben plaatsgevonden, door de Commissie konden en kunnen worden bestraft (arresten ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 65‑67 en 77, en ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punten 55‑57 en 65).
133 Verder blijkt uit de rechtspraak enerzijds dat overeenkomstig een aan de rechtsstelsels der lidstaten gemeenschappelijk beginsel, waarvan de oorsprong reeds in het Romeinse recht te vinden is, bij wijziging der wettelijke voorschriften, behoudens uitdrukkelijke bepaling van het tegendeel door de wetgever, de continuïteit van het rechtsbestel moet worden verzekerd, en anderzijds dat dit beginsel van toepassing is op wijzigingen van het primaire recht van de Unie (arresten Hof van 25 februari 1969, Klomp, 23/68, Jurispr. blz. 43, punt 13, en ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punt 63).
134 Niets wijst er echter op dat de wetgever van de Unie heeft gewenst dat onder vigeur van het EGKS-Verdrag verboden onderling samenhangende gedragingen na het expireren van dit verdrag aan elke sanctie kunnen ontsnappen (arrest ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punt 64).
135 Enerzijds heeft het Hof er immers op gewezen dat de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten te kennen hadden gegeven dat zij bereid waren alle maatregelen te nemen die noodzakelijk waren om de gevolgen van het expireren van dat verdrag te ondervangen. Anderzijds heeft het Hof beklemtoond dat de Commissie had verklaard dat zij slechts voorstellen voor overgangsbepalingen diende voor te leggen indien zij dat noodzakelijk achtte, en dat zij, gelet op de toepasselijke algemene rechtsbeginselen, van mening was dat dit op het gebied van het recht betreffende mededingingsregelingen niet noodzakelijk was (arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punt 75).
136 Bijgevolg kan verzoekster geen enkel steekhoudend argument ontlenen aan het ontbreken van overgangsbepalingen ter zake (zie in die zin arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punt 76).
137 In die omstandigheden zou het indruisen tegen het doel en de samenhang van de Verdragen en onverenigbaar zijn met de continuïteit van de rechtsorde van de Unie, dat de Commissie niet bevoegd zou zijn om een eenvormige toepassing te verzekeren van de normen van het EGKS-Verdrag die ook na het expireren van dat verdrag nog effect blijven sorteren (zie in die zin arrest Hof van 18 juli 2007, Lucchini, C-119/05, Jurispr. blz. I-6199, punt 41).
138 Uit het voorgaande volgt dat, anders dan verzoekster stelt, verordening nr. 1/2003 en met name de artikelen 7, lid 1, en 23, lid 2, daarvan aldus moeten worden uitgelegd dat zij de Commissie in staat stellen om na 23 juli 2002 mededingingsregelingen te constateren en te bestraffen die tot stand zijn gebracht in sectoren die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer van het EGKS-Verdrag vielen, ook al wordt artikel 65 KS niet uitdrukkelijk vermeld in bovengenoemde bepalingen van die verordening (zie arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 64, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punt 74, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punten 72, 73 en 87).
139 In dit verband dient te worden geoordeeld dat het betoog van verzoekster dat de mededeling van 18 juni 2002 geen geldige rechtsgrondslag kon vormen voor de bevoegdheid van de Commissie om artikel 65 KS toe te passen, volledig irrelevant is omdat de bevoegdheid van de Commissie in het onderhavige geval niet op die mededeling is gebaseerd, maar op bovengenoemde bepalingen van verordening nr. 1/2003 (zie in die zin arrest ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 71). Verder moeten eveneens worden afgewezen de argumenten waarmee verzoekster aannemelijk probeert te maken dat „[h]et automatisch en informeel voorzetten [...] van een [EG]KS procedure in het kader van een EG-procedure” bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van procedure oplevert.
140 Bovendien moeten bij de toepassing, binnen de rechtsorde van de Unie, van de regels van het EG-Verdrag op een gebied dat aanvankelijk door het EGKS-Verdrag werd beheerst, de beginselen betreffende de werking van de wet in de tijd in acht worden genomen. In dit verband is het vaste rechtspraak dat procedurevoorschriften in het algemeen worden geacht te gelden voor alle bij de inwerkingtreding ervan aanhangige gedingen, maar dat dit niet het geval is met de materiële voorschriften. Die voorschriften moeten immers ter verzekering van de eerbiediging van het rechtszekerheids‑ en het vertrouwensbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij alleen gelden ten aanzien van vóór de inwerkingtreding ervan verworven rechtsposities voor zover er blijkens de bewoordingen, doelstellingen of opzet ervan duidelijk dergelijke gevolgen aan dienen te worden toegekend (arresten Hof van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., 212/80-217/80, Jurispr. blz. 2735, punt 9, en 10 februari 1982, Bout, 21/81, Jurispr. blz. 381, punt 13; arresten Gerecht van 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie, T-42/96, Jurispr. blz. II-401, punt 55; ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 65, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 85, op hogere voorziening bevestigd door arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punt 79).
141 Aangaande de vraag welke materiële bepalingen van toepassing zijn op een vóór het expireren van het EGKS-Verdrag definitief verworven rechtspositie, is het omwille van de continuïteit van de rechtsorde van de Unie en de vereisten in verband met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen dus geboden dat de krachtens het EGKS-Verdrag vastgestelde materiële bepalingen toepassing vinden op feiten die ratione materiae en ratione temporis binnen de werkingssfeer daarvan vallen. De omstandigheid dat wegens het expireren van het EGKS-Verdrag het betrokken rechtskader niet meer van kracht is op het tijdstip waarop de feitelijke situatie wordt beoordeeld, doet hieraan niet af, aangezien die beoordeling betrekking heeft op een rechtspositie die definitief is verworven in een periode waarin de op grond van het EGKS-Verdrag vastgestelde materiële bepalingen van toepassing waren (arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 66, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, punt 86, op hogere voorziening bevestigd door arrest ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punt 79; zie in die zin ook arrest Ferriere Nord/Commissie, aangehaald in punt 126 hierboven, punt 96).
142 Wat de materiële voorschriften betreft, moet in het onderhavige geval worden opgemerkt dat de eerste beschikking betrekking heeft op een vóór het expireren van het EGKS-Verdrag op 23 juli 2002 definitief verworven rechtspositie, aangezien de inbreukperiode liep van 6 december 1989 tot 4 juli 2000 (zie punt 39 hierboven). Bij gebreke van terugwerkende kracht van het sinds 24 juli 2002 geldende materiële mededingingsrecht moet worden vastgesteld dat artikel 65, lid 1, KS het materiële voorschrift is dat van toepassing is en door de Commissie in de eerste beschikking daadwerkelijk is toegepast, waarbij eraan wordt herinnerd dat juist uit de aard van lex generalis van het EG-Verdrag ten opzichte van het EGKS-Verdrag, zoals bevestigd in artikel 305 EG, volgt dat op grond van het beginsel lex specialis derogat legi generali alleen de bijzondere regeling van het EGKS-Verdrag en de voor de uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen van toepassing zijn op vóór 24 juli 2002 verworven rechtsposities (zie in die zin arresten ArcelorMittal Luxembourg e.a./Commissie, aangehaald in punt 123 hierboven, punt 68, en ThyssenKrupp Stainless/Commissie, aangehaald in punt 116 hierboven, point 89, op hogere voorziening bevestigd door de arresten ArcelorMittal Luxembourg/Commissie en Commissie/ArcelorMittal Luxembourg e.a., aangehaald in punt 122 hierboven, punt 77, en ThyssenKrupp Nirosta/Commissie, aangehaald in punt 122 hierboven, punt 79).
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex