Gerecht EU 18 juni 2008, T-410/03, ECLI:EU:T:2008:211
Tekst
Zaak T‑410/03
Hoechst GmbH
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van sorbaten – Beschikking houdende vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Berekening van bedrag van geldboeten – Motiveringsplicht – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzwarende omstandigheden – Beginsel ne bis in idem – Medewerking tijdens administratieve procedure – Toegang tot dossier – Duur van procedure”
Samenvatting van het arrest
1. Mededinging – Administratieve procedure – Schending volgend uit plicht van Commissie – Eerbiediging van beginselen van behoorlijk bestuur en van gelijke behandeling
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2, en 17; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)
2. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier
(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1, en 20)
3. Mededinging – Administratieve procedure – Beëindiging van inbreuken – Bevoegdheid van Commissie – Bevelen aan ondernemingen
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 3, lid 1)
4. Mededinging – Administratieve procedure – Verjaring op gebied van geldboeten – Uitsluitend toepassing van verordening nr. 2988/74
(Verordening nr. 2988/74 van de Raad, art. 2, leden 1 en 3)
5. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang
(Art. 253 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Beoordelingsvrijheid van Commissie
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)
7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)
8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Indeling van betrokken ondernemingen in categorieën met identiek basisbedrag
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)
9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Afschrikkende werking van geldboete
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A, vierde en vijfde alinea)
10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Duur van inbreuk
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 B, eerste en derde alinea)
11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte en duur van inbreuk
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A en B)
12. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud – Eerbiediging van rechten van verdediging
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)
13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzwarende omstandigheden – Recidive
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)
14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van betrokken onderneming
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededelingen 96/C 207/04 en 2002/C 45/03 van de Commissie)
15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, titel B)
16. Mededinging – Geldboeten – Communautaire sancties en sancties in derde staat opgelegd wegens schending van nationaal mededingingsrecht
(Art. 3, lid 1, sub g, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)
1. Bij de toepassing van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, schendt de Commissie de beginselen van behoorlijk bestuur en van gelijke behandeling, wanneer zij een van de ondernemingen die meewerken, verzekert dat zij zal worden gewaarschuwd als andere ondernemingen haar trachten voorbij te streven op het gebied van medewerking, ook als deze belofte vervolgens niet daadwerkelijk wordt nagekomen.
Ook al kan een dergelijke procedurele onregelmatigheid niet tot nietigverklaring van de eindbeschikking van de Commissie leiden, het belang van de eerbiediging van genoemde beginselen door deze instelling kan rechtvaardigen dat de gemeenschapsrechter in de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht het bedrag van de boete van de onderneming die van deze onregelmatigheid het slachtoffer is geworden, vermindert.
(cf. punten 136‑137, 581-582)
2. Het recht op toegang tot het dossier, als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, impliceert in mededingingszaken dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid geeft alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die voor haar verdediging relevant kunnen zijn. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.
De Commissie kan haar algehele weigering om inzage te verlenen in de stukken van haar dossier echter niet rechtvaardigen met een algemeen beroep op de vertrouwelijkheid. Het recht van ondernemingen en ondernemersverenigingen op bescherming van hun zakengeheimen moet immers in evenwicht worden gebracht met het recht op toegang tot het hele dossier.
In dat verband komt het feit dat toegang wordt verleend tot de niet-vertrouwelijke versie van een document dat deel uitmaakt van het dossier van de Commissie, waarvan de pagina’s vrijwel geheel blanco zijn gemaakt en de vermelding „zakengeheimen” dragen, zonder dat een meer begrijpelijke niet-vertrouwelijke versie of zelfs maar een samenvatting van deze documenten ter beschikking is gesteld, neer op de niet-openbaarmaking van dat document.
(cf. punten 145, 152-153)
3. De toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 kan het verbod omvatten om zekere activiteiten of praktijken voort te zetten of toestanden voort te laten bestaan waarvan de onrechtmatigheid is vastgesteld, maar ook het verbod om in de toekomst gelijksoortige gedragingen te vertonen. Dergelijke op de ondernemingen rustende verplichtingen mogen evenwel niet verder gaan dan hetgeen passend en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken. Bovendien moet de bevoegdheid van de Commissie om bevelen te geven, zijn afgestemd op de aard van de vastgestelde inbreuk.
Het feit dat een onderneming die aan mededingingsverstorende praktijken heeft deelgenomen, op de dag waarop de beschikking van de Commissie tot beboeting van die praktijken wordt vastgesteld geen activiteiten meer ontplooit op de betrokken markt, of dat deze praktijken vóór de vaststelling van de beschikking hebben opgehouden te bestaan, impliceert niet dat de Commissie de grenzen van de haar in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 17 toegekende bevoegdheden overschrijdt wanneer zij de betrokken onderneming gelast om zich te onthouden van enige mededingingsverstorende maatregel of gedraging, nu een dergelijk bevel naar zijn aard preventief is en niet afhangt van de situatie van de betrokken ondernemingen op het moment van vaststelling van de beschikking.
(cf. punten 198‑200)
4. Hoewel de overschrijding van een redelijke termijn in sommige omstandigheden de nietigverklaring rechtvaardigt van een beschikking waarbij een inbreuk op de mededingingsregels is vastgesteld, kan datzelfde niet gelden wanneer de hoogte van de bij deze beschikking opgelegde geldboeten wordt betwist, nu immers de bevoegdheid van de Commissie tot oplegging van geldboeten is geregeld bij verordening nr. 2988/74 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het mededingingsrecht, die daarvoor een verjaringstermijn heeft ingevoerd. Deze verordening heeft immers een volledige regeling ingevoerd die in bijzonderheden de termijnen vaststelt waarbinnen de Commissie, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele eis van rechtszekerheid, geldboeten mag opleggen aan ondernemingen waartegen procedures inzake toepassing van de communautaire mededingingsregels lopen. Artikel 2, lid 3, van die verordening bepaalt dat de verjaring – behoudens schorsing – in elk geval na tien jaar intreedt, wanneer de verjaring overeenkomstig artikel 2, lid 1, wordt gestuit, zodat de Commissie niet eindeloos kan wachten met haar beslissing inzake de geldboeten zonder dat de verjaring intreedt. Gezien deze regeling moeten overwegingen in verband met de verplichting van de Commissie om haar bevoegdheid tot oplegging van geldboeten binnen een redelijke termijn uit te oefenen, van de hand worden gewezen.
(cf. punten 220, 223-224)
5. Een beschikking waarbij de Commissie aan meerdere ondernemingen geldboeten oplegt wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels is op het punt van de indeling van de betrokken ondernemingen in verschillende categorieën ter fine van de bepaling van het uitgangsbedrag van de boete voldoende gemotiveerd, wanneer de Commissie aangeeft dat zij zich heeft gebaseerd op de wereldwijde marktaandelen die zijn berekend op basis van de gegevens over de wereldwijde omzet voor het betrokken product, zelfs wanneer zij om redenen van vertrouwelijkheid niet deze omzetgegevens vermeldt, maar enkel bandbreedtes van marktaandelen, daar deze gegevens voldoende begrijpelijk zijn.
(cf. punten 258‑259, 261, 263-265)
6. De Commissie beschikt bij de vaststelling van het bedrag van een boete wegens schending van de communautaire mededingingsregels over een beoordelingsbevoegdheid. Krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 wordt de hoogte van de boete bepaald op basis van de zwaarte van de inbreuk en de duur ervan. Daarnaast is het bedrag van de boete het resultaat van een reeks cijfermatige beoordelingen die de Commissie uitvoert in overeenstemming met de richtsnoeren. De hoogte van de boete wordt immers met name bepaald op basis van verschillende omstandigheden die verband houden met de individuele gedragingen van de betrokken onderneming, zoals het bestaan van verzwarende of verzachtende omstandigheden.
Uit dit rechtskader kan niet worden afgeleid dat de Commissie ervoor moet zorgen dat de hoogte van de aldus berekende boete in verhouding staat tot het totale marktvolume van het betrokken product in de Europese Economische Ruimte in een bepaald jaar van de inbreuk.
(cf. punt 342)
7. Aan de drie aspecten waarmee volgens de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk rekening moet worden gehouden, namelijk de aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt wanneer die meetbaar is, en de omvang van de betrokken geografische markt, komt in het kader van de globale beoordeling niet hetzelfde gewicht toe. De aard van de inbreuk speelt een essentiële rol, met name bij de kwalificatie van de inbreuken als „zeer zwaar”. In dit verband volgt uit de omschrijving van de zeer zware inbreuken in die richtsnoeren dat overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die met name zijn gericht op de vaststelling van prijzen of de toewijzing van afzetquota, reeds op grond van hun aard als „zeer zwaar” kunnen worden gekwalificeerd, en dat voor die kwalificatie niet nodig is dat zij een bijzondere uitwerking hebben.
(cf. punten 343, 345)
8. Een boetebeschikking van de Commissie die gericht is aan verschillende ondernemingen die aan een onrechtmatige mededingingsregeling hebben deelgenomen, moet, hoewel zij is geredigeerd in de vorm van één beschikking, worden gezien als een bundel van individuele beschikkingen waarin ten aanzien van elk van de ondernemingen tot welke zij zijn gericht, wordt vastgesteld welke inbreuk haar wordt verweten, en waarin haar een geldboete wordt opgelegd. De Commissie mag de situatie van de verschillende ondernemingen dus separaat onderzoeken en hen in categorieën indelen teneinde de individuele bijdrage van elke onderneming tot het succes van het kartel te bepalen, zelfs wanneer binnen de mededingingsregeling een samenstel van ondernemingen gedrag heeft vertoond dat steeds onderling was afgestemd.
(cf. punten 308, 360, 365)
9. Bij de vaststelling van het bedrag van een boete wegens schending van de communautaire mededingingsregels overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, mag de Commissie op het uitgangsbedrag van de boete een verhogingsfactor toepassen om rekening te houden met de omvang en de globale middelen van de onderneming.
Immers, de noodzaak om de boete een voldoende afschrikwekkende werking te geven, vereist dat het bedrag van de boete wordt aangepast teneinde rekening te houden met de voorgenomen weerslag ervan op de onderneming waaraan zij wordt opgelegd, ter voorkoming dat de boete in het niet valt of integendeel buitensporig is gelet op onder meer het financiële vermogen van de betrokken onderneming, zulks overeenkomstig de vereisten om zowel de doelmatigheid van de boete te waarborgen als het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen. De Commissie mag rekening houden met het feit dat, wegens haar totale omzet in vergelijking met die van de andere kartelleden, de betrokken onderneming gemakkelijker de voor de betaling van haar geldboete vereiste middelen zou kunnen bijeenbrengen, wat met het oog op een voldoende afschrikkende werking daarvan de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor rechtvaardigt. In dat kader moeten de financiële middelen van de onderneming worden beoordeeld, teneinde op de dag waarop de boete wordt opgelegd het doel van afschrikking op correcte wijze te bereiken, zulks onder eerbiediging van het evenredigheidbeginsel. Om dezelfde redenen wordt in het kader van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, het plafond voor geldboeten van 10 % van de omzet van de betrokken onderneming bepaald aan de hand van de omzet in het boekjaar voorafgaande aan de datum van de beschikking.
Daarnaast mag de Commissie rekening houden met de juridisch-economische infrastructuren waarover de ondernemingen beschikken waardoor zij beter in staat zijn zich rekenschap te geven van de inbreukmakende aard van hun gedragingen. Dit element is erop gericht nog bestraffender op te treden tegen grote ondernemingen, waarvan wordt verondersteld dat zij over voldoende kennis en structurele middelen beschikken om zich rekenschap te geven van de inbreukmakende aard van hun gedragingen en daar de eventuele voordelen van te evalueren. In die hypothese moet het omzetcijfer op grond waarvan de Commissie de omvang van de betrokken ondernemingen vaststelt, en dus hun vermogen om de inbreukmakende aard en de gevolgen van hun gedragingen te taxeren, betrekking hebben op hun situatie ten tijde van de inbreuk.
Een verhogingsfactor van 100 % van het uitgangsbedrag van de geldboete om rekening te houden met de omvang en de globale middelen van de betrokken onderneming, overschrijdt niet de grenzen van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 en van de richtsnoeren.
(cf. punten 374, 379, 382, 387)
10. Ofschoon punt 1 B, derde alinea, van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, op het punt van inbreuken op de mededingingsregels van lange duur gewag maakt van een „gevaar van een aanzienlijke verhoging” van het uitgangsbedrag van de boete, kan uit het gebruik van die woorden niet worden geconcludeerd dat een verhoging met meer dan 100 % voor een inbreuk die langer dan tien jaar heeft geduurd, ingaat tegen de in de richtsnoeren voorziene berekeningsmethode of de daarin of in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 gestelde grenzen overschrijdt. Ook al voorziet punt 1 B, eerste alinea, derde gedachtestreepje, van de richtsnoeren niet in een automatische verhoging van 10 % per jaar voor inbreuken van lange duur, laat het in dit verband een beoordelingsmarge aan de Commissie, die een dergelijke verhoging kan vaststellen zonder het evenredigheidsbeginsel te schenden.
(cf. punten 395‑396)
11. Zelfs gesteld dat sommige typen van kartels, zoals prijs‑ en afzetvolumekartels, naar hun aard zijn opgezet om voort te duren, moet er bij de toepassing van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 steeds onderscheid worden gemaakt tussen de effectieve werkingsduur en de zwaarte van de inbreuk zoals die volgt uit de aard ervan. Bijgevolg wordt bij de verhoging wegens de duur van de inbreuk geen tweede maal rekening gehouden met de zwaarte van de inbreuk.
(cf. punten 397‑398)
12. In het kader van een administratieve procedure op mededingingsgebied eerbiedigt de Commissie de rechten van de verdediging van een onderneming niet wanneer zij jegens deze laatste een verzwarende omstandigheid in aanmerking neemt op grond van feitelijke elementen die, hoewel in verschillende punten van haar mededeling van punten van bezwaar genoemd, tezamen beschouwd onvoldoende nauwkeurig waren wat hun strekking en kwalificatie betreft, zodat pas in het stadium van de beschikking deze elementen zijn samengebracht tot één geheel en het geuite bezwaar duidelijk naar voren is gekomen.
(cf. punten 424, 431, 433)
13. De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, doelen op recidive van dezelfde onderneming „voor eenzelfde type inbreuk”. In die omstandigheden kan de Commissie, wanneer een onderneming eenzelfde type inbreuk pleegt, van een verzwarende omstandigheid uitgaan, ook wanneer de betrokken economische sector een andere is.
In dat opzicht kan de Commissie geen recidive van een onderneming vaststellen onder verwijzing naar een eerdere beschikking waarbij die onderneming voor eenzelfde type inbreuk is bestraft, wanneer die beschikking door de gemeenschapsrechter nietig is verklaard vóór de vaststelling van de beschikking waarbij de recidive is vastgesteld. Artikel 231 EG bepaalt immers dat indien het beroep tot nietigverklaring gegrond is, de betwiste handeling door de rechter nietig wordt verklaard.
Zij kan zich daarentegen wel baseren op een eerdere beschikking waarbij deze onderneming voor eenzelfde type inbreuk is bestraft, maar waartegen een beroep tot nietigverklaring is ingesteld dat nog bij de gemeenschapsrechter aanhangig is, wanneer er zelfs geen verzoek tot opschorting van de uitvoering ervan is ingediend. Een dergelijke beschikking vormt immers overeenkomstig artikel 256, eerste alinea, EG executoriale titel, nu zij een geldelijke verplichting inhoudt ten laste van andere personen dan de staten, en zulks ongeacht de instelling van een beroep tot nietigverklaring, aangezien krachtens artikel 242 EG bij de gemeenschapsrechter ingestelde beroepen geen schorsende werking hebben.
Wanneer de Commissie voor de vaststelling van recidive uitgaat van meerdere eerdere beschikkingen waarbij de betrokken onderneming is bestraft, waaronder één die nietig is verklaard vóór de vaststelling van de beschikking waarbij recidive wordt vastgesteld, kan de vergissing van de Commissie geen afbreuk doen aan de kwalificatie van recidive, die steun vindt in de overige eerdere beschikkingen, of aan de toegepaste verhogingsfactor, althans wanneer niets erop wijst dat de constatering van de Commissie dat de recidive voortvloeide uit meerdere precedenten, ertoe heeft geleid dat het bedrag van de boete meer wegens verzwarende omstandigheden is verhoogd dan het geval zou zijn geweest als er maar één precedent zou zijn geïdentificeerd.
(cf. punten 465‑466, 468-470, 474)
14. Wanneer de medewerking van de bij een kartelprocedure betrokken ondernemingen met de Commissie is aangevangen vóór de vaststelling van de mededeling betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken van 2002, en deze ondernemingen een beroep hebben gedaan op de oudere mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen van 1996, is deze laatste regeling de enige toepasselijke, zelfs wanneer de Commissie zich pas na de vaststelling van de mededeling inzake medewerking van 2002 definitief heeft uitgesproken, meer bepaald over de vraag welke onderneming in voorkomend geval boete-immuniteit kon genieten. Ofschoon in een dergelijk geval de daden van medewerking effect hebben gesorteerd na de vaststelling van de mededeling inzake medewerking van 2002, is de nieuwe regeling immers enkel onmiddellijk op de toekomstige gevolgen van de onder de oude regeling ontstane situatie van toepassing als er geen overgangsmaatregelen zijn getroffen. Punt 28 van de mededeling inzake medewerking van 2002 bepaalt echter duidelijk dat zij met ingang van 14 februari 2002 van toepassing is in alle zaken waarin een onderneming geen beroep heeft gedaan op de mededeling inzake medewerking van 1996.
Aan deze conclusie kan ook geen afbreuk worden gedaan door het beginsel van de gunstigste bepaling in te roepen. Immers, zonder dat hoeft te worden vastgesteld of dat beginsel zou kunnen worden toegepast op mededelingen van de Commissie inzake medewerking, kan de mededeling inzake medewerking van 2002 niet worden gekwalificeerd als door de bank genomen gunstiger dan de mededeling inzake medewerking van 1996, die zowel op het gebied van de inhoudelijke als de procedurele regels op verschillende punten is gewijzigd, waarbij sommige wijzigingen gunstiger zijn voor de betrokken ondernemingen en andere weer niet.
Ten slotte moet ook een analoge toepassing van de mededeling inzake medewerking van 2002 van de hand worden gewezen, aangezien die situatie zich onderscheidt van gevallen waarin de mededeling inzake medewerking van 1996 analoog kon worden toegepast op situaties die vóór de vaststelling van die mededeling waren aangevangen, maar onder geen enkele andere rechtsregel vielen.
(cf. punten 507‑511)
15. De toekenning van volledige immuniteit of van een verlaging van het bedrag van de geldboete uit hoofde van deel B van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen van 1996, vereist onder meer dat de onderneming als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang is om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen. Ofschoon dat materiaal niet noodzakelijkerwijs op zichzelf moet volstaan om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen, moet het daartoe wel doorslaggevend zijn. Derhalve mag het niet eenvoudigweg gaan om een oriëntatiebron voor het onderzoek door de Commissie, maar moet het gaan om materiaal dat rechtstreeks kan worden gebruikt als voornaamste bewijs voor het geven van een beschikking houdende vaststelling van de inbreuk. Dit materiaal kan ook mondeling worden verstrekt.
De Commissie beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling of de betrokken medewerking „doorslaggevend” is geweest voor de volbrenging van haar taak om het bestaan van een inbreuk vast te stellen, waarbij alleen een duidelijke overschrijding van deze marge door de gemeenschapsrechter kan worden afgekeurd.
De Commissie begaat geen kennelijke beoordelingsfout wanneer zij zich op het standpunt stelt dat een onderneming die tijdens een vergadering een gedetailleerde omschrijving heeft gegeven van de activiteiten en de werking van het kartel, ondersteund met schriftelijk materiaal dat relevant was voor het bewijs van het bestaan ervan, als eerste heeft meegewerkt in de zin van deel B van de mededeling inzake medewerking van 1996, terwijl een andere onderneming tijdens een eerdere vergadering een minder gedetailleerde beschrijving van de mededingingsregeling heeft gegeven, die het doel en de werking ervan niet juist weergaf en met geen enkel schriftelijk materiaal werd ondersteund.
(cf. punten 552‑555, 568-569)
16. De toepassing van het ne bis in idem-beginsel is afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn. Dit beginsel verbiedt dus om een persoon voor een zelfde onrechtmatig gedrag meer dan één keer te bestraffen ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed.
Op het gebied van sancties voor schending van de mededingingsregels is dit beginsel niet toepasselijk in situaties waarin de rechtsorden en de mededingingsautoriteiten van derde staten in het kader van hun eigen bevoegdheden een rol hebben gespeeld.
In het geval van een wereldwijde mededingingsregeling, die zowel door de mededingingsautoriteiten van een derde staat als door de Commissie wordt bestraft, kan dit beginsel dus niet worden toegepast, zelfs wanneer de voor de eerste en de tweede in geding zijnde feiten hun oorsprong vinden in één complex van overeenkomsten, nu de rechtsbelangen die worden beschermd verschillend zijn. Het ingrijpen van de Commissie is er namelijk op gericht om de vrije mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te waarborgen, hetgeen ingevolge artikel 3, lid 1, sub g, EG een van de fundamentele doelstellingen van de Gemeenschap is, terwijl ingeval de door de autoriteiten van een derde staat ingeleide procedure betrekking had op de tenuitvoerlegging of de gevolgen van de mededingingsregeling elders dan op zijn grondgebied, in het bijzonder in de Europese Economische Ruimte, dit een duidelijke aantasting van de territoriale bevoegdheid van de Commissie zou zijn geweest.
Om dezelfde redenen moeten ook overwegingen van billijkheid, die ertoe strekken dat op de opgelegde boete de door de autoriteiten van de derde staat opgelegde boete in mindering wordt gebracht, worden afgewezen.
(cf. punten 600‑605)
ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
18 juni 2008 (*)
„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van sorbaten – Beschikking tot vaststelling van inbreuk op artikel 81 EG – Berekening van hoogte van geldboeten – Motiveringsplicht – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzwarende omstandigheden – Beginsel ne bis in idem – Medewerking tijdens administratieve procedure – Toegang tot dossier – Duur van procedure”
In zaak T‑410/03,
Hoechst GmbH, voorheen Hoechst AG, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Klusmann en V. Turner, vervolgens door Klusmann, Turner en M. Rüba, en ten slotte door Klusmann en Turner, advocaten,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door W. Mölls, O. Beynet en K. Mojzesowicz, vervolgens door Mölls en Mojzesowicz als gemachtigden, bijgestaan door A. Böhlke, advocaat,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2005/493/EG van de Commissie van 1 oktober 2003 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst tegen Chisso Corporation, Daicel Chemical Industries, Ltd, Hoechst AG, The Nippon Synthetic Chemical Industry Co., Ltd en Ueno Fine Chemicals Industry, Ltd (Zaak C.37.370 – Sorbaten) (samengevat in PB 2005, L 182, blz. 20) voor zover deze betrekking heeft op verzoekster, of subsidiair, tot verlaging van de aan verzoekster opgelegde geldboete tot een passend bedrag,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. Vilaras, president, F. Dehousse en D. Šváby, rechters,
griffier: K. Andová, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 februari 2007,
het navolgende
Arrest
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Bij beschikking 2005/493/EG van 1 oktober 2003 betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst tegen Chisso Corporation, Daicel Chemical Industries, Ltd, Hoechst AG, The Nippon Synthetic Chemical Industry Co., Ltd en Ueno Fine Chemicals Industry, Ltd (Zaak C.37.370 – Sorbaten; hierna: „beschikking”), heeft de Commissie vastgesteld dat meerdere ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) door deel te nemen aan een mededingingsregeling op de markt van sorbaten.
2 De beschikking is gericht tot Chisso Corporation, Daicel Chemical Industries Ltd (hierna: „Daicel”), The Nippon Synthetic Chemical Industry Co. Ltd (hierna: „Nippon Synthetic”), Ueno Fine Chemicals Industry Ltd (hierna: „Ueno”), alle gevestigd in Japan, en verzoekster, Hoechst AG, thans Hoechst GmbH, gevestigd in Duitsland.
3 Voor de berekening van de duur van de inbreuk is van de volgende tijdvakken uitgegaan: 31 december 1978 tot en met 31 oktober 1996 (voor Chisso, Daicel, Ueno en Hoechst) en 31 december 1978 tot en met 30 november 1995 (voor Nippon Synthetic).
4 Met het begrip „sorbaten” wordt in de beschikking gedoeld op chemische bewaarmiddelen (antimicrobiële stoffen) die de groei van micro-organismen, zoals gisten, bacteriën, schimmels en fungi, kunnen verhinderen of vertragen. Zij worden hoofdzakelijk gebruikt in voedsel en dranken. Sorbaten kunnen soms ook andere voedselkenmerken, zoals de smaak, de kleur, de textuur en de voedingswaarde, in stand houden. Sorbaten kunnen overigens ook als stabilisator in andere soorten producten zoals farmaceutische producten en cosmetica en in voedsel voor huisdieren en veevoeder worden gebruikt (punt 56 van de beschikking).
5 Volgens de beschikking zijn er drie types sorbaten. Allereerst sorbinezuur, dat het basisproduct is, waaruit de andere sorbaten worden afgeleid. De productie van deze substantie is technisch complex en de toepassingen ervan zijn beperkt wegens de slechte oplosbaarheid in water. In de tweede plaats wordt, wanneer een hoge oplosbaarheid in water gewenst is, kaliumsorbaat gebruikt. In de derde plaats wordt calciumsorbaat gebruikt voor de deklaag van verpakkingspapier voor kaas in Frankrijk en Italië. Sorbinezuur is goed voor ongeveer 30 % van de verkopen van sorbaten in West-Europa, kaliumsorbaat vertegenwoordigt 70 %, terwijl calciumsorbaat een nichepositie bekleedt (punten 57‑61 van de beschikking).
6 Ten tijde van de feiten bestonden er wereldwijd zeven grote leveranciers van sorbaten: twee Europese ondernemingen (Hoechst en Cheminova A/S), een Amerikaanse onderneming (Monsanto, thans Eastman Chemical Company) en vier Japanse ondernemingen (Chisso, Daicel, Nippon Synthetic en Ueno) (punt 64 van de beschikking).
7 Tot de overdracht, in september 1997, van haar activiteiten in de sector sorbaten aan één van haar volle dochterondernemingen (Nutrinova Nutrition Specialities & Food Ingredients GmbH; hierna: „Nutrinova”), was Hoechst de belangrijkste speler op de wereldmarkt (meer dan 20 % in 1995) en op de Europese markt (meer dan 45 % in 1995). Hoechst werd gevolgd door Chisso, Daicel, Nippon Synthetic en Ueno (in datzelfde jaar had elk van deze ondernemingen een aandeel tussen 9,5 en 15 % van de wereldmarkt en tussen 4 en 15 % van de Europese markt) [punten 65 en 70 (tabel I van de beschikking)].
8 Volgens de punten 4 en 5 van de beschikking hebben de advocaten van Chisso op 29 september 1998 vertegenwoordigers van de diensten van de Commissie ontmoet en te kennen gegeven dat Chisso medewerking wilde verlenen in het kader van de mededeling van de Commissie van 18 juli 1996 betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking van 1996”) met betrekking tot een wereldwijde mededingingsregeling op de markt van sorbinezuur.
9 Op 27 oktober 1998 heeft ook de advocaat van Nutrinova contact opgenomen met de diensten van de Commissie en haar bereidheid kenbaar gemaakt om medewerking te verlenen in het kader van de mededeling inzake medewerking van 1996.
10 Op 29 oktober 1998 is tijdens een vergadering tussen de advocaten van Hoechst en van Nutrinova en de diensten van de Commissie een mondelinge omschrijving gegeven van de betrokken markt, de producenten, de marktaandelen, de procedure in de Verenigde Staten en de activiteiten van het kartel.
11 Op 13 november 1998 heeft Chisso de diensten van de Commissie mondeling de activiteiten van het kartel uiteengezet en schriftelijke bewijsstukken overgelegd.
12 Op 9 december 1998 hebben de diensten van de Commissie de mondelinge getuigenis afgenomen van de vertegenwoordiger van Chisso in het kartel, die uitleg en verduidelijkingen bij de op 13 november 1998 overgelegde documenten heeft verschaft.
13 Op 21 december 1998 heeft Nutrinova een memorandum over de markt van sorbaten overgelegd.
14 Op 19 maart en 28 april 1999 heeft Nutrinova een memorandum met daarin een uiteenzetting van de mededingingsverstorende activiteiten op de markt van sorbaten en schriftelijk materiaal overgelegd.
15 Op 20 april 1999 heeft Chisso een verklaring afgelegd waarin zij de mondelinge uiteenzetting tijdens de vergadering van 13 november 1998 bevestigde en verder uitwerkte.
16 Op basis hiervan heeft de Commissie op 26 mei en 17 juni 1999 krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962: Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204), verzoeken om inlichtingen gezonden aan Daicel, aan Nippon Synthetic en aan Ueno (punt 6 van de beschikking).
17 Op respectievelijk 15 juli 1999, 24 oktober 2001 en 21 februari 2002 hebben Nippon Synthetic, Ueno en Daicel zich bereid verklaard medewerking te verlenen in het kader van de mededeling inzake medewerking van 1996. Zij hebben de verzoeken om inlichtingen van de Commissie beantwoord (punten 7, 10 en 11 van de beschikking).
18 De Commissie heeft vervolgens nog meer verzoeken om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17 verzonden, waarvan het laatste dateert van 13 december 2002 (punt 21 van de beschikking).
19 Tussen 1998 en 2001 zijn in de Verenigde Staten en in Canada vervolgingen ingesteld betreffende prijsvaststellingspraktijken in de sector van de sorbaten. Aan Daicel, Hoechst, Nippon Synthetic en Ueno (wat de procedure in de Verenigde Staten betreft) en aan Daicel, Hoechst en Ueno (wat de procedure in Canada betreft) zijn geldboeten opgelegd (punten 30‑32 van de beschikking).
20 Op 20 december 2002 heeft de Commissie de procedure tot toepassing van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan de ondernemingen tot welke de beschikking is gericht (punt 22 van de beschikking).
21 Op 24 april 2003 hebben de ondernemingen tot welke de beschikking is gericht, deelgenomen aan de hoorzitting bij de Commissie (punt 29 van de beschikking).
22 De administratieve procedure heeft op 1 oktober 2003 geleid tot vaststelling van de beschikking door de Commissie.
23 Luidens artikel 1 van het dispositief van de beschikking hebben de volgende ondernemingen een inbreuk gepleegd op artikel 81, lid 1, EG en, met ingang van 1 januari 1994, op artikel 53, lid 1, van de EER-Overeenkomst, door in de hierna aangegeven periodes deel te nemen aan één enkele, voortdurende complexe overeenkomst en aan onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de sector sorbaten, in het kader waarvan zij zijn overeengekomen richtprijzen vast te stellen en zich volumequota toe te wijzen, een informatie‑ en controlesysteem op te zetten en potentiële markttoetreders geen technologie te leveren:
a) Chisso, van 31 december 1978 tot en met 31 oktober 1996;
b) Daicel, van 31 december 1978 tot en met 31 oktober 1996;
c) Hoechst, van 31 december 1978 tot en met 31 oktober 1996;
d) Nippon Synthetic, van 31 december 1978 tot en met 30 november 1995;
e) Ueno, van 31 december 1978 tot en met 31 oktober 1996.
24 In artikel 2 van het dispositief van de beschikking heeft de Commissie de in artikel 1 genoemde ondernemingen gelast, aan de in dat artikel bedoelde inbreuken onmiddellijk een einde te maken voor zover dat nog niet was gebeurd, en zich in de toekomst te onthouden van de in artikel 1 omschreven handelingen en gedragingen en van enige maatregel met hetzelfde of een gelijksoortig doel of gevolg.
25 Op grond van de in de beschikking gedane feitelijke vaststellingen en de juridische beoordeling heeft de Commissie de betrokken ondernemingen geldboeten opgelegd waarvan het bedrag is berekend overeenkomstig de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”), en de mededeling inzake medewerking van 1996.
26 In artikel 3 van het dispositief van de beschikking heeft de Commissie de volgende geldboeten opgelegd:
a) Daicel: 16 600 000 EUR;
b) Hoechst: 99 000 000 EUR;
c) Nippon Synthetic: 10 500 000 EUR;
d) Ueno: 12 300 000 EUR.
27 Bij de hoogte van de aan Hoechst opgelegde boete is met name rekening gehouden met de leidinggevende rol die deze onderneming samen met Daicel in het kartel zou hebben gespeeld en met het recidiverende gedrag dat zij ten toon zou hebben spreid (punten 363‑373 van de beschikking). Hoechst heeft evenwel een vermindering van 50 % van de hoogte van de geldboete gekregen vanwege haar medewerking in het kader van de administratieve procedure (punten 455‑466 van de beschikking).
28 De Commissie heeft ten aanzien van Chisso geoordeeld dat zij in het kader van het onderzoek als eerste bewijs van doorslaggevend belang had overgelegd. Op grond daarvan heeft deze onderneming volledige immuniteit genoten en is haar geen geldboete opgelegd (punten 439‑447 van de beschikking).
29 De beschikking is bij brief gedateerd 8 oktober 1993 aan Hoechst op 9 oktober 2003 betekend.
Procesverloop en conclusies van partijen
30 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 december 2003, heeft Hoechst het onderhavige beroep ingesteld.
31 Op 16 december 2004 heeft het Gerecht het interventieverzoek van Chisso afgewezen (beschikking Gerecht van 16 december 2004, Hoechst/Commissie, T‑410/03, Jurispr. blz. II‑4451).
32 Op 2 maart 2006 is de Commissie door het Gerecht uitgenodigd, een vraag te beantwoorden en 1) documenten uit het onderzoeksdossier in de opmaak zoals zij aan Hoechst ter beschikking zijn gesteld en 2) een bruikbare niet-vertrouwelijke versie of samenvatting van de brief van Chisso van 17 december 2002, met de bijlagen, over te leggen. De Commissie heeft tijdig aan dit verzoek voldaan. Wat de brief van Chisso van 17 december 2002, met de bijlagen, betrof, heeft de Commissie gepreciseerd dat Chisso ermee instemde dat de originele versies van deze documenten zouden worden gebruikt, zij het enkel in het kader van de procedure bij het Gerecht.
33 Op 5 april 2006 zijn het door de Commissie gegeven antwoord en de door haar overgelegde documenten aan Hoechst betekend.
34 Op 18 mei 2006 is Hoechst uitgenodigd haar opmerkingen over het antwoord van de Commissie in te dienen. Hoechst is meer bepaald uitgenodigd om aan te geven in welke zin de niet-openbaarmaking van de brief van Chisso van 17 december 2002, met de bijlagen, in de opmaak zoals de Commissie die aan het Gerecht heeft gezonden, haar had belet kennis te nemen van voor haar verdediging bruikbare documenten en aldus haar rechten van de verdediging had geschonden. Hoechst heeft deze vraag tijdig, bij brief van 16 juni 2006 beantwoord.
35 Op 12 juli 2006 is de Commissie uitgenodigd haar opmerkingen over sommige punten in het antwoord van Hoechst in te dienen. De Commissie heeft bij brief van 5 september 2006 tijdig haar opmerkingen ingediend.
36 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.
37 Partijen zijn gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht ter terechtzitting van 8 februari 2007.
38 Ter terechtzitting heeft het Gerecht de Commissie op grond van artikel 65, sub b, en artikel 67, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gelast om binnen drie weken vanaf de datum van de terechtzitting, de interne notities van telefoongesprekken die van september 1998 tot en met april 1999 tussen haar diensten en Chisso hadden plaatsgevonden, over te leggen.
39 De beschikking van het Gerecht, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting, is partijen op 13 februari 2007 betekend.
40 De Commissie heeft tijdig aan het verzoek van het Gerecht voldaan.
41 Overeenkomstig artikel 67, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering zijn de door de Commissie overlegde documenten hangende de toetsing door het Gerecht van de vertrouwelijkheid en de relevantie ervan voor de beslissing over het geschil, niet aan verzoekster meegedeeld.
42 De mondelinge behandeling is op 30 april 2007 gesloten.
43 Op 11 mei 2007 zijn partijen ervan op de hoogte gesteld dat het Gerecht had besloten om de in punt 38 bedoelde notities uit het dossier te verwijderen en terug te zenden aan de Commissie.
44 Hoechst concludeert dat het het Gerecht behage:
– de beschikking nietig te verklaren voor zover deze op haar betrekking heeft;
– subsidiair, de hoogte van de haar in de beschikking opgelegde geldboete terug te brengen tot een passend niveau;
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
45 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep te verwerpen;
– Hoechst te verwijzen in de kosten.
In rechte
46 Het beroep van Hoechst berust op dertien middelen.
47 Anders dan de Commissie beweert, kan door lezing van de argumenten van Hoechst de strekking van de ter ondersteuning van haar beroep aangevoerde middelen worden bepaald.
48 Zo zijn het eerste en het vierde middel gericht op nietigverklaring van de beschikking in haar geheel, voor zover deze betrekking heeft op Hoechst.
49 Het dertiende middel strekt tot gedeeltelijke nietigverklaring van het dispositief van de beschikking, namelijk artikel 2, voor zover dit betrekking heeft op Hoechst.
50 De overige middelen strekken tot verlaging van de geldboete.
I – De middelen strekkende tot nietigverklaring van de beschikking in haar geheel, voor zover zij betrekking heeft op Hoechst
51 Met haar eerste middel komt Hoechst op tegen de weigering van de Commissie om haar toegang te verlenen tot ontlastende stukken. In het kader van haar vierde middel voert Hoechst aan dat het dossier van de raadadviseur-auditeur onvolledig is.
A – Het eerste middel, inzake weigering van toegang tot ontlastende stukken
1. Samenvatting van de administratieve procedure en van de beschikking
52 Tijdens een op 13 november 1998 gehouden vergadering tussen Chisso en de Commissie, heeft een van de ambtenaren van de Commissie die met het dossier was belast, deze onderneming verzekerd dat zij „zonder achterhoudendheid zou worden gewaarschuwd als het er naar uitzag dat een andere onderneming Chisso voorbij zou streven in het kader van de mededeling inzake medewerking”.
53 Op 9 december 1998 hebben de diensten van de Commissie de mondelinge getuigenis van de vertegenwoordiger van Chisso in het kartel afgenomen.
54 Op 5 maart 1999 heeft Nutrinova in een telefoongesprek met de diensten van de Commissie verzocht om een vergadering. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.
55 Op 20 december 2002 heeft de Commissie een procedure krachtens artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst ingeleid en een mededeling van punten van bezwaar gezonden aan de adressaten van de beschikking. Op diezelfde datum hebben deze ondernemingen toegang tot het dossier gekregen in de vorm van twee cd-roms met daarop een volledige kopie van de documenten, met uitsluiting van zakengeheimen en anderszins vertrouwelijke informatie (punten 22 en 23 van de beschikking).
56 De notulen die de Commissie van de vergadering van 13 november 1998 had gemaakt, waren in het dossier opgenomen.
57 Bij brief van 22 januari 2003, gericht aan de raadadviseur-auditeur, heeft Hoechst tezamen met Nutrinova, bij monde van hun raadslieden, verzocht om toegang tot de interne documenten betreffende de telefonische contacten tussen de Commissie en Chisso tussen september 1998 en eind april 1999. Zij verzochten eveneens om toegang tot een brief van Chisso van 17 december 2002, waarvan een niet-vertrouwelijke versie in het dossier was opgenomen.
58 Wat de interne documenten betreffende de telefonische contacten tussen de Commissie en Chisso betreft, herinnerden de raadslieden van Hoechst en Nutrinova aan de bewoordingen van de notulen van de vergadering van 13 november 1998 en wezen zij op het volgende:
„Het is voor onze cliënten van wezenlijk belang te weten of, en in welke mate, ambtenaren van de Commissie bijdragen hebben uitgelokt terwijl onze cliënten met de Commissie aan het meewerken waren.”
59 Wat de brief van Chisso van 17 december 2002 betreft, wezen de raadslieden van Hoechst en Nutrinova er met name op dat een bijlage bij die brief, te weten een brief van 26 maart 1999, de titel „[Aan] de Commissie betreffende de door Chisso verleende medewerking aan het directoraat-generaal Concurrentie” droeg. Zij voegden hier het volgende aan toe:
„Alle argumenten betreffende de medewerking van Chisso of – belangrijker nog – alle toespelingen op contacten die Chisso in die periode onderhield met de Commissie, zouden daarentegen zeer relevant kunnen zijn voor het verweer van onze cliënten.”
60 Bij brief van 24 februari 2003 heeft de raadadviseur-auditeur niet bewilligd in het verzoek om toegang dat in de brief van 22 januari 2003 was geformuleerd.
61 De raadadviseur-auditeur heeft in dit verband verduidelijkt dat de notities betreffende telefoongesprekken tussen Chisso en de Commissie interne documenten waren en dientengevolge niet toegankelijk waren. Bij gebreke van overtuigend bewijs van het tegendeel moest worden verondersteld dat de Commissie een objectieve analyse had gemaakt van de informatie die voor Hoechst nuttig was. Wat bovendien de brief van Chisso van 17 december 2002 (en die van 26 maart 1999 in bijlage bij die brief) betrof, wees de raadadviseur-auditeur erop dat Chisso had verzocht om vertrouwelijke behandeling van die documenten.
62 Op 7 maart 2003 hebben Hoechst en Nutrinova bij monde van hun raadslieden de verzoeken in de brief van 22 januari 2003 herhaald in het kader van hun antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar. Meer bepaald heeft Hoechst, tezamen met Nutrinova, aangedrongen op toegang tot het dossier, met als argument dat in de loop van de procedure sprake was geweest van ongelijke behandeling.
63 De raadadviseur-auditeur heeft op 23 september 2003 haar eindverslag in deze zaak gepresenteerd (PB 2005, C 173, blz. 5). In dit eindverslag wees zij er met name op dat:
„[...] ik de partijen bij brief van 24 februari 2003 mee[deelde] dat aanvullende toegang tot het dossier in dat stadium van de procedure niet zou worden verleend. Ik legde uit dat notities van telefoongesprekken tussen partijen en ambtenaren van de Commissie interne documenten van de Commissie zijn en dus in principe niet toegankelijk zijn. In dit bijzondere geval had de Commissie uitzonderlijk een aantal van de interne notities beschikbaar gesteld en er in de mededeling van punten van bezwaar naar verwezen, teneinde de feiten en data van de bijeenkomsten tussen de Commissie en de verschillende adressaten, nader toe te lichten. Wat de brieven van Chisso betreft, had deze onderneming verzocht om een vertrouwelijke behandeling van de brieven en hadden de partijen toegang gekregen tot niet-vertrouwelijke samenvattingen van die brieven.”
64 In een voetnoot bij die alinea is verduidelijkt:
„Na de mondelinge hoorzitting en in antwoord op een verzoek van mij om de vertrouwelijkheid van de op 26 maart 1999 aan de Commissie gestuurde brief te heroverwegen, bevestigde [de advocaat] van Chisso zijn standpunt dat dit document bedrijfsgeheimen bevatte en dus als zodanig vertrouwelijk was.”
65 De raadadviseur-auditeur heeft vervolgens in haar eindverslag opgemerkt:
„Naar aanleiding van deze beweringen van Hoechst en Nutrinova, heb ik in deze ontwerpbeschikking speciaal aandacht besteed aan de conclusies van de Commissie met betrekking tot de clementieregeling. Ik heb ook de interne notities van de diensten van de Commissie onderzocht, voor zover deze bestaan. Daarbij heb ik vastgesteld dat de door Hoechst en Nutrinova geformuleerde punten van zorg grotendeels zonder voorwerp zijn geraakt door de in de ontwerpbeschikking opgenomen conclusies met betrekking tot clementie. Daarenboven heb ik vastgesteld dat het optreden van de Commissiediensten ten aanzien van de partijen geen invloed heeft gehad op de afloop van de zaak met betrekking tot deze kwestie. Ik kan ook bevestigen dat er geen complementaire toegang tot het dossier vereist is om te voldoen aan de rechten van verdediging van Hoechst. Noch de interne documenten van de Commissie, noch de door Chisso overgelegde documenten houden enig bijkomend bezwarend of ontlastend bewijs in op grond waarvan zij aan Hoechst ter beschikking zouden moeten worden gesteld.”
66 Op 1 oktober 2003 heeft de Commissie de beschikking vastgesteld en in de punten 26 en 27 daarvan als volgt op de verzoeken van Hoechst geantwoord:
„26. Wat de door Chisso overgelegde documenten of delen van documenten betreft en waarvoor zij om bescherming als ,zakengeheimen’ heeft gevraagd, dient de niet-mededeling daarvan ter bescherming van de legitieme commerciële belangen van deze onderneming. Deze bescherming staat eraan in de weg dat de overige partijen strategische aanwijzingen over de commerciële belangen van Chisso en over de gang van zaken en de ontwikkeling van haar activiteiten krijgen, zulks in overeenstemming met artikel 20 van verordening nr. 17 en de mededeling van de Commissie inzake de interne procedureregels voor de behandeling van verzoeken om toegang tot een dossier bij de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag, van de artikelen 65 en 66 van het EGKS-Verdrag en van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad.
27. Wat in de tweede plaats de toegang tot de interne documenten van de Commissie betreft, is de Commissie volgens vaste rechtspraak niet verplicht om in het kader van de eerbiediging van de rechten van de verdediging toegang tot deze documenten te verlenen. Wat bovendien de contacten met de ondernemingen in het kader van hun medewerking betreft, meent de Commissie dat de redenering van Hoechst op pertinent onjuiste veronderstellingen is gebaseerd. Aanvullende toegang tot interne documenten van de Commissie zou in geen enkel opzicht de rechten van de verdediging van de ondernemingen verbeteren of bijdragen tot de vaststelling, welke onderneming haar als eerste bewijs van doorslaggevend belang heeft overgelegd. De onderhavige beoordeling zal uitsluitend plaatsvinden op basis van de door de ondernemingen overlegde documenten en de documenten waartoe zij toegang hebben gehad.”
2. Argumenten van partijen
a) Argumenten van Hoechst
67 Hoechst geeft aan dat zij pas bij het lezen van de mededeling van punten van bezwaar heeft opgemerkt dat Chisso aan het begin van de procedure, min of meer parallel met haar, met een beroep op de mededeling inzake medewerking van 1996, met de Commissie heeft meegewerkt. Tegelijkertijd is Hoechst op basis van de documenten waartoe zij toegang heeft gehad, onregelmatigheden tijdens de administratieve procedure op het spoor gekomen. Hoechst benadrukt in dit verband dat zij in het kader van het achtste middel betwist dat Chisso op 13 november 1998 als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang was om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen.
68 In het kader van het eerste middel komt Hoechst in de eerste plaats op tegen de weigering toegang te verschaffen tot interne documenten betreffende de contacten tussen de Commissie en Chisso. In de tweede plaats komt Hoechst op tegen de weigering om toegang te verlenen tot een brief met bijlagen van Chisso van 17 december 2002. In de derde plaats wijst Hoechst op het feit dat de Commissie geen gehoor heeft gegeven aan haar verzoek om nieuwe onderzoeken te verrichten. Bovendien verzoekt Hoechst om maatregelen tot organisatie van de procesgang.
De weigering van toegang tot documenten betreffende contacten tussen de Commissie en Chisso
69 De Commissie zou hebben geweigerd Hoechst toegang te verlenen tot sommige door Chisso overgelegde documenten en tot door de Commissie opgestelde nota’s naar aanleiding van bijeenkomsten en telefonische contacten met Chisso. Als Hoechst deze had kunnen inzien, zou zij zich een compleet beeld hebben kunnen vormen van de contacten tussen de Commissie en Chisso en zou zij bijgevolg gemakkelijker hebben kunnen bewijzen dat zij, en niet Chisso, in de tijd en naar inhoud gemeten, als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang was om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen en dus een vermindering van haar geldboete had moeten krijgen. Hoechst zou ook beter hebben kunnen aantonen dat de bijdrage van Chisso in het kader van de medewerking, door inlichtingen van de Commissie werd gestuurd.
70 Onder verwijzing naar de arresten van het Gerecht van 29 juni 1995, ICI/Commissie (T‑36/91, Jurispr. blz. II‑1847, punt 69), 28 april 1999, Endemol/Commissie (T‑221/95, Jurispr. blz. II‑1299, punt 65), en 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie (T‑191/98 en T‑212/98–T‑214/98, Jurispr. blz. II‑3275, punt 334), benadrukt Hoechst dat het recht op toegang tot het dossier één van de fundamentele procedurele waarborgen in het gemeenschapsrecht is ter bescherming van de rechten van de verdediging van degenen tot wie een mededeling van punten van bezwaar is gericht. Het recht op toegang tot het dossier moet meer bepaald een effectieve uitoefening van het recht om te worden gehoord waarborgen, daar het de mogelijkheid biedt, kennis te nemen van de door de Commissie in haar mededeling van bezwaar gebruikte bewijzen en deze te beoordelen en indien mogelijk deze te weerleggen in het antwoord. De Commissie is in beginsel verplicht toegang tot het gehele dossier te verschaffen. Dit ligt slechts anders voor de interne documenten van de Commissie en de stukken die zakengeheimen van derden bevatten.
71 Hoechst geeft ook aan dat het beginsel van equality of arms met zich meebrengt dat de Commissie niet alleen kan beslissen of en in welke mate zij toegang verleent tot stukken die een partij zou kunnen gebruiken als ontlastende elementen. Er is sprake van schending van de rechten van de verdediging wanneer kan worden aangetoond dat de administratieve procedure een andere uitkomst zou hebben gehad indien Hoechst toegang tot de betreffende ontlastende stukken had gehad. Betreft het stukken die zich niet in het dossier bevinden, dan moet Hoechst uitdrukkelijk om toegang daartoe hebben verzocht.
72 Hoechst heeft in de onderhavige zaak heel duidelijk aangegeven dat de nota’s betreffende de telefoongesprekken die tussen september 1998 en april 1999 tussen vertegenwoordigers van de Commissie en Chisso hebben plaatsgevonden, belangrijk waren voor haar verdediging, daar het ontlastende documenten kon betreffen op grond waarvan het gebrek aan onpartijdigheid bij het voeren van de procedure in dat tijdvak zou kunnen worden aangetoond.
73 De delen van het dossier die Hoechst wel heeft kunnen raadplegen, wijzen erop dat sprake is van ongelijke behandeling in haar nadeel ten opzichte van Chisso.
74 In de eerste plaats heeft de Commissie in de herfst van 1998 aan Chisso toegestaan hetgeen zij op hetzelfde moment aan Hoechst heeft geweigerd, namelijk erkenning van de mondelinge getuigenissen als medewerking. Tegelijkertijd heeft de Commissie Chisso actief uitgenodigd om met haar te vergaderen, terwijl zij dergelijke vergaderingen met Hoechst weigerde. Meer bepaald volgt uit een interne nota van de Commissie van 9 november 1998 dat „de advocaten [van Chisso], na telefonisch contact met het Directoraat-generaal Mededinging, op zijn minst [hadd]en ingestemd met het houden van de afgesproken vergaderingen”. Deze herhaalde telefoongesprekken van de Commissie tonen aan hoe partijdig de Commissie de procedure heeft gevoerd.
75 Bovendien staat in de tweede plaats vast dat in dit voor de procedure beslissende tijdvak, dat wil zeggen eind 1998, Chisso van de Commissie illegaal de toezegging heeft gekregen zij zou worden „gewaarschuwd” als andere ondernemingen haar zouden inhalen op het gebied van medewerking. Dergelijke partijdige waarschuwingen zijn niet alleen op zichzelf illegaal, zij zijn ook relevant voor de verdediging van Hoechst. Deze verdediging hangt er immers in wezen van af of, en in welke mate, de Commissie Chisso dergelijke „waarschuwingen” of aanwijzingen over de status van de medewerking van Hoechst heeft gegeven. Daarenboven hangt met het beginsel van behoorlijk bestuur, de verplichting voor de bevoegde instelling samen om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (arrest Gerecht van 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881, punt 99). Zelfs in de veronderstelling dat Chisso niet door de Commissie is gewaarschuwd, blijft de grief in stand dat de Commissie zich in elk geval bereid heeft verklaard een dergelijke waarschuwing te doen uitgaan. Alleen al deze schending van het beginsel van behoorlijk bestuur rechtvaardigt dat Hoechst een ruimere toegang tot het dossier had moeten krijgen om haar rechten van de verdediging te vrijwaren.
76 In die omstandigheden zijn alle documenten betreffende contacten tussen de advocaten van Chisso en de ambtenaren van de Commissie die met deze zaak waren belast, als ontlastende stukken belangrijk voor de verdediging van Hoechst. Hoechst heeft dit standpunt meerdere malen uitgedragen, zowel schriftelijk (bij de raadadviseur-auditeur en het afdelingshoofd van de Commissie dat voor de zaak verantwoordelijk was) als tijdens de hoorzitting van 24 april 2003.
77 De raadadviseur-auditeur heeft deze verzoeken bij brief van 24 februari 2003, gericht aan de raadslieden van Hoechst en van Nutrinova, afgewezen. Zij verduidelijkte daarbij het volgende:
„Bij gebreke van overtuigend bewijs van het tegendeel moet worden verondersteld dat de Commissie een objectieve analyse heeft gemaakt van de informatie die in dit opzicht voor uw cliënte[n] nuttig was. Uw brief bevat geen enkel overtuigend bewijs van het tegendeel. Bovendien is de (hiervoor genoemde) reden voor aanvullende toegang tot het dossier geen adequate reden om toegang tot de stukken te verlenen; meer bepaald is zij niet relevant voor de vraag naar de toepassing van de mededeling over medewerking in deze zaak.”
78 Deze argumenten tonen aan dat de raadadviseur-auditeur, van wie de handelingen zijn toe te rekenen aan de Commissie, heeft gehandeld in strijd met haar bevoegdheden en plichten als waker over de eerbiediging van de rechten van de verdediging. Volgens de rechtspraak kan van een partij die om ruimere toegang tot het dossier verzoekt enkel worden verwacht dat zij met relevante argumenten aantoont welke documenten van belang zijn voor haar verdediging en waarom (arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, punt 70 supra, punt 335). De beoordeling van het belang voor de verdediging moet vanuit het perspectief van de verwerende partij worden gemaakt en noch de ambtenaar van de Commissie, noch de raadadviseur-auditeur zijn bevoegd te bepalen welke documenten als ontlastende stukken relevant zijn voor de verdediging.
79 Hoechst verwijst tevens naar het arrest van het Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie (T‑30/91, Jurispr. blz. II‑1775, punten 81 en 83), en benadrukt dat wanneer in een zaak moeilijke en ingewikkelde economische beoordelingen moeten worden gemaakt, de Commissie ervoor moet zorgen dat de adressaten van een beschikking gelijke kennis hebben van de feiten als zijzelf en de overige betrokken partijen. Dit beginsel geldt ook voor interne documenten van de Commissie over contacten met Chisso, waartoe Hoechst toegang heeft gevraagd teneinde haar rechten te vrijwaren. Onder verwijzing naar het arrest van het Gerecht van 20 maart 2002, HFB e.a./Commissie (T‑9/99, Jurispr. blz. II‑1487, punt 40), wijst Hoechst erop dat interne documenten van de Commissie ter inzage moeten worden gegeven wanneer er ernstige aanwijzingen zijn verstrekt die aantonen dat de bijzondere omstandigheden van het geval dit vereisen. Toegang tot interne documenten van de Commissie moet worden toegestaan wanneer zij tot het bewijs van schending van het legaliteitsbeginsel door de Commissie dienen (beschikking Hof van 18 juni 1986, BAT en Reynolds/Commissie, 156/84, Jurispr. blz. 1899, punt 11).
80 Hoechst betoogt aangaande de verwijzing van de raadadviseur-auditeur naar toepassing van de mededeling inzake medewerking van 1996, dat het niet aan de raadadviseur-auditeur staat om de toekomstige motivering van de beschikking van de Commissie te bepalen en om haar procedurele beslissingen op die toekomstige motivering te baseren. Zij kan weten noch beslissen op welke motieven de leden van het college van commissarissen hun beschikking zullen baseren en zij heeft de bevoegdheid noch het recht om alleen te beslissen over het belang van potentieel ontlastende stukken voor de verdediging (arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, punt 70 supra, punt 339).
81 In die context verzoekt Hoechst het Gerecht, maatregelen tot organisatie van de procesgang te nemen door de Commissie te gelasten, haar en het Gerecht toegang te verschaffen tot de integrale versie van alle documenten in het dossier of anderszins in het bezit van de Commissie die een licht werpen op de inhoud van de contacten tussen de advocaten van Chisso en de vertegenwoordigers van de Commissie tussen september 1998 en april 1999. Hoechst verzoekt daarnaast om bij wijze van maatregel van instructie, de twee ambtenaren van de Commissie die destijds met de behandeling van de zaak waren belast op te roepen als getuigen.
De weigering van toegang tot een brief van Chisso van 17 december 2002 met de bijlagen
82 Hoechst geeft aan dat zij reeds vóór de vaststelling van de beschikking heeft betoogd dat een brief van de advocaten van Chisso van 17 december 2002, die zich in het dossier bevond, maar waarvan de inhoud vrijwel geheel onleesbaar was gemaakt, in een leesbare versie had moeten worden opgenomen in het dossier. Hoechst had benadrukt dat de bijlagen bij die brief, waaronder een brief van 26 maart 1999, die volgens de samenvatting ervan betrekking had op de medewerking van Chisso met de Commissie, van groot belang waren voor haar verdediging.
83 Voor zover de inhoud van dit document, zoals kan worden afgeleid uit het wel toegankelijke deel van het dossier, slechts betrekking heeft op de inhoudelijke aspecten van of rechtsvragen omtrent de medewerking van Chisso en de beoordeling ervan, meent Hoechst dat er geen geldige reden is om het niet ter inzage te geven.
84 Hoechst voegt hieraan toe dat de brief van Chisso belastende elementen kan bevatten (bijvoorbeeld als Chisso haar ervan zou hebben beschuldigd een leidinggevende rol in het kartel te hebben gespeeld), in welk geval de Commissie haar dus onmiddellijk in eigener beweging toegang had moeten verlenen. Omgekeerd zou de brief van Chisso ontlastend kunnen zijn, als daarin aanwijzingen kunnen worden gevonden voor discriminatie zoals de eerder gesignaleerde onregelmatigheden in de procedure bij de Commissie. In dat geval had de brief uiterlijk ten tijde van het verzoek van Hoechst moeten worden overgelegd.
85 In dit verband is irrelevant of één van de partijen bij de procedure al dan niet om vertrouwelijke behandeling van de betreffende documenten heeft verzocht. De Commissie moet de vertrouwelijke aard van de elementen in het dossier ambtshalve en objectief onderzoeken. Hoechst verduidelijkt in dit verband dat artikel 21, lid 2, van verordening nr. 17 bepaalt dat de Commissie enkel gegronde verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zakengeheimen kan honoreren.
86 Volgens Hoechst kunnen enkel commerciële gegevens zoals actuele omzetcijfers of marktaandelen rechtvaardigen dat de brief van Chisso – gedeeltelijk althans – onleesbaar wordt gemaakt.
87 Onder verwijzing naar het arrest Endemol/Commissie, punt 70 supra (punt 65), benadrukt Hoechst dat de bescherming van vertrouwelijke informatie moet worden afgewogen tegen de rechten van de verdediging van de adressaten van de mededeling van punten van bezwaar. De adressaten van de mededeling van punten van bezwaar moeten in staat worden gesteld om met kennis van zaken te bepalen of documenten relevant kunnen zijn voor hun verdediging (arrest ICI/Commissie, punt 70 supra, punt 104). Hoechst betoogt dat de mogelijkheid om zich te verdedigen in de onderhavige zaak is beperkt doordat zij sommige voor de procedure en de feiten doorslaggevende vragen niet heeft kunnen ophelderen.
88 Voor zover Hoechst bestrijdt dat Chisso als eerste doorslaggevend bewijsmateriaal heeft overgelegd, zou inzonderheid de brief van Chisso van 26 maart 1999, die volgens de samenvatting ervan ingaat op de medewerking van Chisso met de Commissie, eventueel de mogelijkheid hebben geboden om conclusies te trekken ten aanzien van de inhoud en de data van deze medewerking, in het bijzonder vóór 29 oktober 1998.
89 In die context verzoekt Hoechst het Gerecht, maatregelen tot organisatie van de procesgang te nemen die erin bestaan dat de Commissie wordt gelast, het Gerecht en Hoechst de brief van de advocaten van Chisso aan de Commissie van 17 december 2002 in zijn integrale versie, met de bijlagen, ter beschikking te stellen. Bovendien vraagt Hoechst dat bij wijze van maatregel van instructie de twee ambtenaren die destijds met de zaak waren belast, met tussenkomst van de Commissie worden opgeroepen als getuigen.
90 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht waarbij zij werd uitgenodigd om aanvullende opmerkingen te maken over de eerder door de Commissie toegezonden documenten, met name de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen (zie punt 34 supra), heeft Hoechst bij brief van 16 juni 2006 betoogd dat haar bewijsmateriaal is onthouden en dat de administratieve procedure onregelmatig is verlopen.
91 Wat in de eerste plaats het niet ter inzage gegeven bewijsmateriaal betreft, meent Hoechst dat de brief van de raadslieden van Chisso aan de Commissie van 11 januari 1999, die nu pas voor het eerst kon worden geraadpleegd, een ontlastend document is.
92 Deze brief toont aan dat Chisso op 3 november 1998, dus meerdere dagen na het verzoek om immuniteit van Hoechst, heeft getracht de bevestiging te krijgen dat vóór haar geen enkele andere onderneming medewerking had aangeboden.
93 Dit toont aan dat Chisso op die datum nog geen verzoek om immuniteit bij de Commissie had ingediend. Blijkens de inhoud van deze brief heeft Chisso dit verzoek om immuniteit pas op of na 11 januari 1999 ingediend. Dat geen verzoek om immuniteit is ingediend kan echter niet achteraf worden hersteld. Dit element is in de beschikking niet vermeld en bevestigt dat Hoechst als eerste onderneming met de Commissie heeft meegewerkt.
94 In de tweede plaats meent Hoechst dat ook de brief van Chisso aan de Commissie van 26 maart 1999 een ontlastend stuk is.
95 Volgens Hoechst toont deze brief aan dat ten tijde van de verzending ervan, de schriftelijke verklaringen waar de Commissie Chisso om had verzocht, nog steeds niet waren ingediend.
96 Hoechst merkt in dit verband allereerst op dat Chisso op informele wijze aanvullende termijnen zijn toegekend, wat in de mededeling inzake medewerking van 1996 niet is voorzien.
97 Daar waar er op 26 maart 1999 nog stukken ontbraken, kan er vervolgens niet van uit worden gegaan, zoals in punt 458 van de beschikking is gebeurd, dat de Commissie op basis van de door Chisso verleende medewerking beschikte over het bewijs van het bestaan van de mededingingsregeling. De Commissie heeft Chisso derhalve illegale toezeggingen gedaan en is die ook nagekomen door haar daarna boete-immuniteit toe te kennen.
98 Hoechst herinnert er ook aan dat zij de Commissie op 19 maart 1999 schriftelijk bewijsmateriaal heeft verstrekt, zulks terwijl haar werknemers nog steeds het risico op strafvervolging in de Verenigde Staten liepen en de mededeling inzake medewerking van 1996 enkel verlangde dat het bestaan van het kartel zou worden bewezen, wat Hoechst reeds op 29 oktober 1998 heeft gedaan.
99 Wat de onregelmatigheden in het verloop van de procedure betreft, benadrukt Hoechst dat de Commissie in punt 461 van de beschikking heeft geweigerd te erkennen dat zij als eerste heeft meegewerkt, op grond dat zij over documenten beschikte die zij niet had overgelegd, terwijl was overeengekomen dat, rekening houdend met de procedure die in de Verenigde Staten aanhangig was, Hoechst deze documenten in een later stadium kon overleggen.
100 Zoals de brief van 26 maart 1999 aantoont, heeft de Commissie in datzelfde tijdvak Chisso kennelijk „aanvullende termijnen” toegekend voor de overlegging van documenten. Bovendien hadden de in april 1999 door Chisso overgelegde documenten ook eerder kunnen worden overgelegd. Bijgevolg had de medewerking van Chisso om dezelfde redenen als voor Hoechst, moeten worden verworpen.
101 Chisso wordt echter geen enkele tekortkoming in de medewerking verweten, ondanks de zeer vergelijkbare situatie. Dit levert een ongelijke behandeling ten nadele van Hoechst op.
Het verzoek om nieuw onderzoek uit te voeren
102 Hoechst geeft aan dat zij in haar brief van 22 januari 2003 de raadadviseur-auditeur heeft verzocht om aanvullend onderzoek ten kantore van de Commissie door het ondervragen van getuigen. Dit verzoek is door de raadadviseur-auditeur of de Commissie weliswaar niet als zodanig afgewezen, maar is zonder gevolg gebleven aangezien het gevraagde onderzoek klaarblijkelijk niet is uitgevoerd. Aangezien dit onderzoek, om de in het vorige middel uiteengezette redenen, bepalend is geweest voor de inhoud van de beschikking, heeft de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.
b) Argumenten van de Commissie
De weigering van toegang tot sommige documenten
103 De Commissie benadrukt dat Hoechst niet ontkent dat de toegang tot sommige documenten in beginsel kan worden geweigerd wanneer de documenten intern zijn of zakengeheimen bevatten.
104 In die context benadrukt de Commissie in de eerste plaats dat de raadadviseur-auditeur „speciaal aandacht” heeft besteed aan haar conclusies in haar ontwerpbeschikking aangaande de kwestie van de gunstige behandeling op het gebied van de geldboeten. Zij heeft „bovendien” de interne nota’s van de Commissie bestudeerd alvorens haar overtuiging kenbaar te maken dat „de handelingen van de Commissie tegenover de partijen geen invloed [hadden] gehad op de uitkomst van de zaak op dit punt”.
105 De Commissie geeft in de tweede plaats aan dat het eerste materiaal dat van doorslaggevend belang was voor het bewijs van het bestaan van de mededingingsregeling door Chisso is verstrekt tijdens de vergadering van 13 november 1998. De bepaling, welke onderneming als eerste bewijs van doorslaggevend belang aan de Commissie heeft verstrekt, is uitsluitend geschied op basis van de door de ondernemingen verstrekte documenten, welke voor partijen toegankelijk zijn geweest. Bijgevolg heeft de tijdens de vergadering van 13 november 1998 aan Chisso toegezegde waarschuwing logischerwijze geen invloed kunnen hebben op de bepaling, welke onderneming als eerste medewerking heeft verleend. Hieruit volgt tegelijkertijd dat de bezwaren die ten aanzien van het verloop van de procedure na die datum zijn geuit, in dit opzicht geen enkel belang hebben. Dat geldt ook voor de grieven inzake de weigering om toegang te verlenen tot de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen.
106 In de derde plaats heeft Hoechst geen ernstige twijfels kunnen doen ontstaan over de objectiviteit van het verloop van de procedure bij de Commissie, als gevolg waarvan een ruimere toegang tot haar interne documenten zou moeten worden gegeven.
107 De Commissie geeft in dit verband aan dat de op 9 december 1998 aan Chisso geboden mogelijkheid om mondelinge opmerkingen te maken, enkel ter toelichting op de op 13 november 1998 overgelegde schriftelijke bewijzen heeft gediend. Daarentegen had de door Hoechst op 5 maart 1999 per telefoon voorgestelde vergadering tot doel, schriftelijke bewijsstukken te vervangen door een mondelinge getuigenis.
108 Wat de „weigering” om de door Hoechst voorgestelde vergadering te aanvaarden betreft, geeft de Commissie aan dat dit eerder moest worden gezien als een algemene herinnering aan de algemene voorwaarden voor toepassing van de mededeling inzake medewerking van 1996 dan een definitieve weigering van elk nieuw contact met Hoechst. De Commissie verduidelijkt ook dat haar standpunt was gebaseerd op een voorlopige beoordeling van in de eerste plaats de bereidheid tot medewerking van Hoechst, die vóór de afloop van de in de Verenigde Staten aanhangige strafrechtelijke en civiele procedures geen volledige medewerking wilde verlenen, en in de tweede plaats van de bewijswaarde van de tot dan toe door Hoechst aan de Commissie verstrekte documenten. Daar Hoechst niet had aangekondigd dat zij tijdens de verzochte vergadering bereid zou zijn tot volledige medewerking met de Commissie door haar te voorzien van informatie van andere aard dan de tot dan toe overgelegde informatie, had het noch voor de Commissie noch voor Hoechst enige zin een nieuwe vergadering te beleggen.
109 Aangaande het feit dat de Commissie Chisso actief voor vergaderingen zou hebben uitgenodigd en deze zou hebben georganiseerd, verduidelijkt de Commissie dat zij enkel telefonisch contact had opgenomen om te reageren op een initiatief van Chisso. Er was tijdens de vergadering van 29 september 1998 overeengekomen dat de advocaten het initiatief zouden nemen voor een nieuwe vergadering met de Commissie binnen twee weken. Daar deze zich niet binnen de overeengekomen termijn hadden gemanifesteerd, heeft de Commissie contact opgenomen om na te gaan of de advocaten haar nog steeds wilden ontmoeten.
110 De Commissie voegt toe dat de goede werking van de betrokken instelling op het gebied van de mededinging onder meer afhangt van de doelmatigheid van de mededeling inzake medewerking en dus van het vertrouwen dat de ondernemingen die meewerken hebben in de geheimhouding van de contacten die zij in dat verband opbouwen. Bijgevolg moet afwijzend worden gereageerd op de stelling van Hoechst dat haar belang om eventuele onregelmatigheden in de procedure te bewijzen primeert op de goede werking van de instelling. Het door Hoechst in dit verband gedane beroep op het arrest Solvay/Commissie, punt 79 supra, doet er niet aan af dat er zich in de onderhavige zaak geen bijzondere omstandigheden voordoen. De zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Solvay/Commissie betrof niet interne nota’s van de Commissie, maar enkel vertrouwelijke documenten van een partij. Bovendien verschillen de feiten die aan dat arrest ten grondslag liggen in sterke mate van die in de onderhavige zaak, die geen betrekking heeft op moeilijke en ingewikkelde economische beoordelingen.
111 Onder verwijzing naar het arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, punt 70 supra (punt 340), benadrukt de Commissie dat wanneer documenten die ontlastende elementen kunnen bevatten niet aan een partij ter inzage zijn gegeven, schending van de rechten van de verdediging slechts kan worden geconstateerd als vast komt te staan dat de administratieve procedure een andere afloop zou hebben gehad als deze partij in de loop van de procedure wel inzage zou hebben gehad in de betrokken documenten. Dit is evenwel in de onderhavige zaak uitgesloten ten aanzien van het feit dat Chisso de eerste onderneming was die medewerking heeft verleend door haar bijdrage van 13 november 1998.
112 In haar antwoord van 5 september 2006 op een vraag van het Gerecht heeft de Commissie het volgende commentaar geleverd op de aanvullende opmerkingen van Hoechst van 16 juni 2006 (zie punten 34 en 90‑101 supra).
113 Wat in de eerste plaats de brief van Chisso van 11 januari 1999 betreft, geeft de Commissie aan dat dit document reeds toegankelijk was tijdens de administratieve procedure, zodat het in geen geval kan worden gekwalificeerd als bewijsmateriaal waartoe zij geen toegang heeft verleend.
114 Hoe dan ook preciseert de Commissie dat deel E, punt 1, van de mededeling inzake medewerking van 1996 de ondernemingen ertoe verplicht om „contact op te nemen” met het Directoraat-generaal Concurrentie. Hoewel in de Duitse versie van deze bepalingen in dit verband het begrip „verzoeker” (Antragsteller) is gebruikt, is het niet nodig een formeel verzoek in te dienen. Hoechst heeft overigens ook geen „verzoek” gedaan in haar brief van 27 oktober 1998.
115 Aangaande de vraag welke onderneming als eerste heeft meegewerkt in de zin van deel B van de mededeling inzake medewerking van 1996, meent de Commissie dat niet de datum van het „verzoek” doorslaggevend is. Van belang is of de onderneming „als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang is om het bestaan van de aangebrachte mededingingsregeling te bewijzen”. Overigens tonen de door Chisso gebruikte bewoordingen in haar brief van 11 januari 1999 aan dat Chisso er kennelijk van uitging dat haar medewerking reeds was begonnen.
116 Wat in de tweede plaats de brief van Chisso van 26 maart 1999 betreft, benadrukt de Commissie dat dit document enkel betrekking heeft op vragen betreffende de termijnen die aan Chisso, en niet aan Hoechst, waren gesteld om overige documenten over te leggen, op een moment waarop Chisso reeds voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van deel B, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 1996 dankzij haar bijdrage van 13 november 1998. Hoechst begaat dus een vergissing wanneer zij meent dat dit document voor haar ontlastend is. Dit kan niet het geval zijn nu het geen betrekking heeft op de redenen waarom Hoechst niet voor toepassing van deel B van de mededeling inzake medewerking van 1996 in aanmerking komt, die zijn aangegeven in punten 455 tot en met 464 van de beschikking en die de Commissie in herinnering brengt.
117 Het feit dat Chisso wordt beschouwd als de eerste onderneming die heeft meegewerkt, berust niet op de opmerkingen die deze heeft ingediend op 20 april 1999, maar op de op 13 november 1998 overgelegde documenten. De termijnverlengingen hebben er dus niet toe geleid dat Chisso met terugwerkende kracht de primeur van de medewerking heeft gekregen.
118 Voor zover Hoechst wil betogen dat uit dit document volgt dat Chisso evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van deel B, sub d, van de mededeling inzake medewerking van 1996 voldeed, meent de Commissie dat dit argument moet worden afgewezen, daar niemand een ten gunste van een ander begane onrechtmatigheid in zijn voordeel kan inroepen (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 373). Sterker nog, zelfs als Chisso daadwerkelijk het voordeel van deel B van de mededeling inzake medewerking van 1996 zou verliezen, dan zou dit geen enkele weerslag op Hoechst hebben.
119 De Commissie voegt toe dat het voor toepassing van deel B, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 1996 vereiste materiaal datgene is dat van doorslaggevend belang is om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen. Anders dan Hoechst meent, volstaat het materiaal dat de Commissie enkel in staat stel om een verificatie te verrichten niet.
120 Het is juist dat mondeling gegeven inlichtingen niet a priori zijn uitgesloten. Zij zijn echter niet ipso facto relevant in het kader van de toepassing van deel B, sub b, van de mededeling inzake medewerking van 1996, maar worden dit pas nadat zij met de juiste hulpmiddelen zijn vastgelegd (arrest Gerecht van 15 maart 2006, BASF/Commissie, T‑15/02, Jurispr. blz. II‑497, punt 505).
121 De Commissie had uitdrukkelijk moeten worden verzocht een proces-verbaal daarvan op te stellen (arrest BASF/Commissie, punt 120 supra, punt 502), althans zolang dit nog niet in het kader van de administratieve praktijk door de Commissie zelf werd voorgesteld. Overigens had een dergelijk proces-verbaal enkel tot het bewijs van het bestaan van de mededingingsregeling kunnen bijdragen indien de Commissie de authenticiteit van de verklaring had kunnen nagaan.
122 Wat in de derde plaats de onregelmatigheden in het verloop van de procedure betreft, leidt Hoechst uit de brief van 26 maart 1999 af dat Chisso evenmin aan de voorwaarden voor toepassing van deel B, sub d, van de mededeling inzake medewerking van 1996 voldeed. Dit argument moet worden verworpen daar niemand een ten gunste van een ander begane onrechtmatigheid in zijn voordeel kan inroepen.
123 Bovendien moet volgens de Commissie van geval tot geval worden beoordeeld of de voorwaarden voor toepassing van deel B, sub d, van de mededeling inzake medewerking van 1996 zijn vervuld. Een van de belangrijke elementen in dit verband is of het gedrag van de betrokken onderneming heeft geleid tot een niet‑verwaarloosbare vertraging van de procedure. De procedure in haar geheel in beschouwing nemend, lijkt hiervan geenszins sprake te zijn in het onderhavige geval. De Commissie benadrukt ook dat Hoechst het tweede deel van haar opmerkingen pas in april 1999 heeft ingediend, enkele dagen nadat Chisso haar verklaringen had neergelegd (welke Hoechst als te laat kwalificeert).
124 Ten slotte bestrijdt de Commissie enkele feitelijke stellingen in de opmerkingen van Hoechst.
Het verzoek om nieuwe onderzoeken
125 De Commissie betoogt dat er wel degelijk een onderzoek heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet heeft geleid tot voor Hoechst gunstige resultaten. Meer bepaald is de ambtenaar die destijds met de zaak was belast, ondervraagd. Deze heeft bevestigd dat Chisso geen waarschuwing heeft gekregen over de mogelijkheid dat zij op het gebied van medewerking werd voorbijgestreefd. Chisso is niet te kennen gegeven dat zij op dit punt op haar hoede moest zijn. De Commissie verwijst in dit opzicht naar punt 458, in fine, van de beschikking.
3. Beoordeling door het Gerecht
126 Vooraf moet worden opgemerkt dat Hoechst in het kader van het eerste middel meerdere malen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het beginsel van gelijke behandeling inroept ter ondersteuning van de schending van het recht op toegang tot het dossier. Deze argumenten worden overigens opnieuw uitgewerkt in het kader van het achtste en het negende middel, die strekken tot een boeteverlaging.
127 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel dat eerst die argumenten moeten worden onderzocht, alvorens specifieker in te gaan op de door Hoechst vermeende schending van het recht op toegang tot het dossier.
a) Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het beginsel van gelijke behandeling
128 De Commissie dient tijdens de administratieve procedure de in het gemeenschapsrecht voorziene procedurele waarborgen te eerbiedigen (arrest Gerecht van 14 mei 1998, Enso Española/Commissie, T‑348/94, Jurispr. blz. II‑1875, punt 56).
129 Tot de waarborgen van het gemeenschapsrecht tijdens de administratieve procedure behoort met name het beginsel van behoorlijk bestuur, dat voor de bevoegde instelling de verplichting meebrengt om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (arrest Gerecht van 24 januari 1992, La Cinq/Commissie, T‑44/90, Jurispr. blz. II‑1, punt 86, en arrest ABB Asea Brown Boveri/Commissie, punt 75 supra, punt 99).
130 Bij de beoordeling van de door ondernemingen verstrekte medewerking dient de Commissie het beginsel van gelijke behandeling te eerbiedigen, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat volgens vaste rechtspraak wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten Gerecht van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T‑45/98 en T‑47/98, Jurispr. blz. II‑3757, punt 237, en 25 oktober 2005, Groupe Danone/Commissie, T‑38/02, Jurispr. blz. II‑4407, punt 453).
131 Wat in de onderhavige zaak in de eerste plaats de bewering van Hoechst betreft dat de Commissie in de herfst van 1998 aan Chisso heeft toegestaan hetgeen zij haar destijds geweigerde, namelijk de erkenning van mondelinge verklaringen als handelingen van medewerking, moet om de redenen uiteengezet in de punten 572 tot en met 578 infra, worden geoordeeld dat de Commissie in de beschikking uiteindelijk de mondelinge bijdragen van Hoechst als medewerking heeft aangemerkt, en alsmede hoe dan ook dat het feit dat de Commissie voornemens was om met sommige mondelinge bijdragen geen rekening te houden, voortvloeide uit de onzekerheid omtrent de effectieve medewerking van Hoechst in het begin van de procedure. De argumenten van Hoechst op dit punt moeten dus worden verworpen.
132 Wat in de tweede plaats de interne nota van de Commissie van 9 november 1998 over de vergadering van 29 oktober 1998 betreft, waarin is aangegeven dat „de advocaten [...], na telefonisch contact [met het Directoraat-generaal Mededinging], ten minste [hadd]en ingestemd met het houden van de afgesproken vergaderingen”, moet worden geoordeeld dat de door de diensten van de Commissie geïnitieerde telefonische contacten voortvloeiden uit het feit dat deze diensten reeds op 29 september 1998 een ontmoeting met de advocaten van Chisso hadden gehad, zonder dat hoeft te worden vastgesteld of de identiteit van Chisso al dan niet officieel bekend was gemaakt. Zoals de Commissie in haar interne nota van 1 oktober 1998 opmerkt, was de afspraak dat de advocaten binnen twee weken weer contact zouden opnemen met de diensten van de Commissie. Het feit dat de diensten van de Commissie hen in die context weer benaderd hebben, wekt geen twijfel over de regelmatigheid van de procedure in dit opzicht.
133 Wat in de derde plaats het feit betreft dat de verzoeken van Hoechst om aanvullend onderzoek zonder gevolg zouden zijn gebleven, moet worden geoordeeld dat het verzoek van Hoechst in een brief van 22 januari 2003 aan de raadadviseur-auditeur, werd gedaan in het kader van een verzoek om toegang tot interne documenten betreffende telefonische contacten tussen de Commissie en Chisso van september 1998 tot en met april 1999. Meer bepaald verzocht Hoechst de raadadviseur-auditeur om deze telefonische contacten te onderzoeken. Uit het eindverslag van de raadadviseur-auditeur volgt dat zij „naar aanleiding van deze beweringen van Hoechst en Nutrinova [...] de interne notities van de diensten van de Commissie [heeft] onderzocht, voor zover deze best[onden]”. De bewering van Hoechst dat haar verzoek zonder gevolg is gebleven, vindt dus geen steun in de feiten.
134 Wat in de vierde plaats de bewering betreft dat sprake was van een partijdige houding of ongelijke behandeling bij de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 1996, moet worden opgemerkt dat de Commissie in een interne nota van 9 november 1998 over de eerste vergaderingen met Chisso en Hoechst, het volgende te kennen gaf:
„We hebben hun [dat wil zeggen de advocaten van Chisso] er uiteraard niet van op de hoogte gebracht dat andere ondernemingen ook informatie aan het verstrekken [waren], noch deze andere ondernemingen ervan in kennis gesteld dat [...] Chisso een verzoek om immuniteit [had] ingediend.”
135 Uit de notulen van de vergadering tussen Chisso en de Commissie van 13 november 1998 volgt evenwel dat een van de ambtenaren die met de onderhavige zaak was belast heeft aangegeven dat „voldoende waarschuwing zou worden gegeven als het er naar uitzag dat een andere onderneming Chisso voorbij zou streven in het kader van de mededeling inzake medewerking”.
136 Hieruit volgt dat de Commissie op 9 november 1998 nog duidelijk blijk heeft gegeven van haar voornemen om aan de medewerkende ondernemingen, meer bepaald Hoechst, niet te openbaren dat andere ondernemingen bij haar diensten stappen hadden ondernomen om boete-immuniteit te krijgen, terwijl zij vervolgens op 13 november 1998, dus enkele dagen later, Chisso verzekerde dat zij zou worden gewaarschuwd als andere ondernemingen trachtten haar voorbij te streven op het gebied van medewerking.
137 Deze elementen leiden het Gerecht ertoe te oordelen dat de Commissie in de onderhavige zaak de beginselen van behoorlijk bestuur en van gelijke behandeling heeft geschonden. Het Gerecht benadrukt in dit verband dat ofschoon de verzekering die de betrokken ambtenaar tijdens de vergadering van 13 november 1998 heeft gegeven niet aantoont dat de aan Chisso gedane belofte vervolgens ook daadwerkelijk is nagekomen, zij niettemin indruist tegen de twee hiervoor vermelde beginselen.
138 In dit stadium moet worden opgemerkt dat Hoechst niet tot nietigverklaring van de beschikking concludeert op grond dat de Commissie de beginselen van behoorlijk bestuur en van gelijke behandeling heeft geschonden. Daar waar de schending van deze beginselen evenwel is ingeroepen om aan te tonen dat het recht op toegang tot het dossier is geschonden, hetgeen hierna zal worden onderzocht, en voor zover de argumenten van Hoechst opnieuw worden uitgewerkt in het kader van het achtste en het negende middel, betreffende de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 1996, moet worden ingegaan op de gevolgen van de hierboven in punt 137 vastgestelde schending voor de inhoud van de beschikking.
139 In de eerste plaats doet de in punt 137 vastgestelde onrechtmatigheid niet af aan de in de beschikking vastgestelde inbreuk, die voor het overige op schriftelijke bewijzen berust. Hoechst heeft overigens geen enkel argument van die strekking aangevoerd.
140 Wat in de tweede plaats de medewerking van de ondernemingen betreft, volgt uit punt 440 van de beschikking dat:
„tijdens de op 13 november 1998 gehouden vergadering, [...] Chisso een mondelinge omschrijving [heeft] gegeven van de activiteiten van het kartel en schriftelijke bewijsstukken [heeft] overgelegd [...] De Commissie meent dat Chisso bij die gelegenheid als eerste onderneming materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang was voor het bewijs van het bestaan van de mededingingsregeling die in de onderhavige beschikking wordt geconstateerd.”
141 Hieruit volgt dat de Commissie zich enkel heeft gebaseerd op de mondelinge omschrijving van de activiteiten van het kartel en de schriftelijke bewijsstukken die zijn verstrekt tijdens de vergadering van 13 november 1998, en niet op latere informatie, om te concluderen dat Chisso als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang was voor het bewijs van het bestaan van de mededingingsregeling.
142 In die omstandigheden kon de Commissie, zelfs als wordt verondersteld dat Chisso na 13 november 1998 tot verdere medewerking is aangezet, in de beschikking niet tot een ander resultaat ter zake van de toepassing van de mededeling inzake medewerking van 1996 komen, zulks onder voorbehoud van het onderzoek van het achtste en het negende middel van Hoechst, die ertoe strekken aan te tonen dat het door Chisso op 13 november 1998 verstrekte materiaal in materieel opzicht niet van doorslaggevend belang was. Dit geldt zelfs als Hoechst na 13 november 1998 – in de wetenschap van de medewerking van Chisso – tot verdere medewerking is aangezet.
143 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de hiervóór in punt 137 geconstateerde onrechtmatigheid de geldigheid van de beschikking op het punt van de constatering van de inbreuk en aangaande de primeur van de medewerking van Chisso niet aantast.
144 Onafhankelijk van de vraag naar de weerslag van de hiervóór in punt 137 geconstateerde onrechtmatigheid op het recht van toegang tot het dossier, en dus naar de weerslag ervan op de geldigheid van de beschikking in haar geheel, en voor zover de door Hoechst aangevoerde argumenten opnieuw worden ontwikkeld in het kader van het achtste en het negende middel, strekkende tot verlaging van de in geding zijnde boete, behoudt het Gerecht in dit stadium zijn standpunt ten aanzien van een eventuele herziening van deze boete voor.
b) Schending van het recht op toegang tot het dossier
145 Vooraf moet eraan worden herinnerd dat het recht op toegang tot het dossier, als uitvloeisel van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, impliceert dat de Commissie de betrokken onderneming de mogelijkheid geeft alle stukken van het onderzoeksdossier te onderzoeken die voor haar verdediging relevant kunnen zijn. Daartoe behoren zowel de belastende als de ontlastende stukken, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (zie arrest Hof van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie, C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, Jurispr. blz. I‑123, punt 68, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
146 Wat de belastende documenten betreft, dient de betrokken onderneming aan te tonen dat de Commissie in haar beschikking tot een ander resultaat zou zijn gekomen indien een niet‑meegedeeld document op grond waarvan de Commissie deze onderneming heeft beschuldigd, als belastend bewijsmiddel had moeten worden uitgesloten. Wat de ontlastende documenten betreft, dient de betrokken onderneming aan te tonen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie ten nadele van deze onderneming heeft kunnen beïnvloeden. Het volstaat dat de onderneming aantoont dat zij die ontlastende stukken voor haar verweer had kunnen gebruiken doordat, indien zij zich tijdens de administratieve procedure daarop had kunnen beroepen, zij elementen had kunnen aanvoeren die niet overeenstemden met de deducties die de Commissie in dat stadium had verricht en dus op enigerlei wijze het oordeel van de Commissie in de eventuele beschikking had kunnen beïnvloeden, althans wat de zwaarte en de duur van het haar verweten gedrag en derhalve de hoogte van de geldboete betreft. De mogelijkheid dat een niet‑overgelegd document het verloop van de procedure en de inhoud van de beschikking van de Commissie heeft kunnen beïnvloeden, kan slechts worden aangetoond na een voorlopig onderzoek van bepaalde bewijsmiddelen, waaruit zou blijken dat de niet‑overgelegde stukken – gelet op die bewijsmiddelen – mogelijk een belang hadden dat niet had mogen worden verwaarloosd (zie arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 145 supra, punten 73‑76, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
147 Daarenboven moet worden benadrukt dat de Commissie, die kennis geeft van de punten van bezwaar en de beschikking geeft waarbij een sanctie wordt opgelegd, niet alleen kan bepalen welke documenten voor het verweer van de betrokken onderneming van nut kunnen zijn. Wel mag zij elementen die geen verband houden met de beweringen rechtens en feitelijk in de mededeling van punten van bezwaar, en die derhalve niet relevant zijn voor het onderzoek, van de administratieve procedure uitsluiten. Een verzoeker kan de niet-mededeling van niet-relevante stukken niet met succes als middel tot nietigverklaring aanvoeren (zie arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 145 supra, punt 126, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
148 Ten slotte kan schending van het recht op toegang tot het dossier enkel tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van een beschikking van de Commissie leiden, als wordt vastgesteld dat de onregelmatige toegang tot het onderzoeksdossier tijdens de administratieve procedure de betrokken ondernemingen heeft belet kennis te nemen van documenten die voor hun verweer dienstig konden zijn, en dat daardoor hun rechten van de verdediging zijn geschonden. Dit zou het geval zijn als de openbaarmaking van het document zou resulteren in een kans, hoe klein ook, dat de administratieve procedure een andere afloop zou hebben gehad indien de betrokken onderneming zich in die procedure op het betrokken document had kunnen beroepen (zie in die zin arrest Aalborg Portland e.a./Commissie, punt 145 supra, punten 101 en 131).
149 Het is in het licht van deze overwegingen dat moet worden beoordeeld of het recht van Hoechst op toegang tot het dossier in de onderhavige zaak is geschonden op het punt van de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen en de interne documenten betreffende de telefonische contacten die tussen de Commissie en Chisso hebben plaatsgevonden van september 1998 tot en met april 1999.
De brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen
150 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de Commissie heeft besloten, de brief van de Chisso van 17 december 2002 met bijlagen in een niet-vertrouwelijke versie op te nemen in het voor de partijen bij de procedure toegankelijke onderzoeksdossier. Bijgevolg ging de Commissie er noodzakelijkerwijze van uit dat deze documenten relevant waren voor het onderzoek.
151 In de tweede plaats heeft de Commissie de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen niet in de beschikking gebruikt om vast te stellen dat de betrokken ondernemingen een inbreuk hadden gepleegd. Het betreft dus geen belastende bewijsstukken.
152 In de derde plaats heeft Hoechst metterdaad toegang gehad tot de niet-vertrouwelijke versie van de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen. Deze documenten bestonden echter in de versie zoals voor Hoechst toegankelijk gemaakt, uit 101 pagina’s die vrijwel geheel blanco waren gemaakt en de vermelding „Zakengeheimen” droegen. Er is noch een meer begrijpelijke niet-vertrouwelijke versie, noch een samenvatting van de inhoud van deze documenten ter beschikking gesteld gedurende de administratieve procedure. Er was in de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen enkel een lijst van de data van de betrokken documenten, de verzender en ontvanger ervan en in voorkomend geval het onderwerp vermeld. In die omstandigheden komt de niet-vertrouwelijke versie van de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen, in de vorm zoals Hoechst deze tijdens de administratieve procedure heeft kunnen inzien, in feite neer op de niet-openbaarmaking van de betrokken stukken, welke relevant waren voor het onderzoek daar zij in het dossier waren opgenomen.
153 In de vierde plaats moet worden opgemerkt dat Hoechst tijdens de administratieve procedure meerdere malen om een meer geschikte toegang tot de brief van Chisso van 17 december 2002 met bijlagen heeft verzocht. Deze toegang is haar geweigerd op grond dat Chisso om vertrouwelijke behandeling ervan had gevraagd, aldus de bewoordingen van punt 26 van de beschikking. De Commissie kan haar algehele weigering om inzage te verlenen in de stukken van haar dossier echter niet rechtvaardigen met een algemeen beroep op de vertrouwelijkheid (arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 1017). Het recht van ondernemingen en ondernemersverenigingen op bescherming van hun zakengeheimen moet immers in evenwicht worden gebracht met het recht op toegang tot het hele dossier (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, „Cement-arrest”, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 147).
154 In de omstandigheden van de onderhavige zaak had de Commissie, gelet op de uitdrukkelijke verzoeken van Hoechst in die zin, een niet-vertrouwelijke versie van die documenten kunnen maken, of doen maken, of in voorkomend geval, als dit moeilijk zou blijken, een lijst van de betrokken documenten kunnen opstellen tezamen met een niet-vertrouwelijke samenvatting van de inhoud ervan.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- HvJ EU 4 september 2014, C-408/12, ECLI:EU:C:2014:2153
- HvJ EU 28 januari 2021, C-466/19, ECLI:EU:C:2021:76
- Gerecht EU 28 maart 2017, T-210/15, ECLI:EU:T:2017:224
- Gerecht EU 29 februari 2016, T-265/12, ECLI:EU:T:2016:111
- Gerecht EU 9 juni 2021, T-514/19, ECLI:EU:T:2021:332
- Gerecht EU 27 november 2014, T-521/09, ECLI:EU:T:2014:1000