Gerecht EU 12 september 2007, T-68/03, ECLI:EU:T:2007:253
Tekst
Zaak T‑68/03
Olympiaki Aeroporia Ypiresies AE
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen
„Staatssteun – Door Helleense Republiek aan luchtvaartmaatschappij Olympic Airways verleende herstructureringssteun – Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering daarvan wordt gelast – Misbruik van steun – Nieuwe steun – Bewijslast – Recht om te worden gehoord – Criterium van particuliere schuldeiser – Feitelijke vergissing – Kennelijk onjuiste beoordeling – Motivering – Artikel 87, leden 1 en 3, sub c, EG”
Arrest van het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) van 12 september 2007
Samenvatting van het arrest
1. Steunmaatregelen van de staten – Onderzoek door Commissie – Misbruik van eerder goedgekeurde steunmaatregel – Nieuwe steun – Bewijslast
(Art. 10 EG, 87, lid 1, EG en 88, leden 2 en 3, EG)
2. Steunmaatregelen van de staten – Administratieve procedure – Verplichting van Commissie om belanghebbenden aan te manen hun opmerkingen in te dienen – Belanghebbenden uitgesloten van rechten van verdediging
(Art. 88, lid 2, EG)
3. Beroep tot nietigverklaring – Middelen – Middelen die kunnen worden aangevoerd tegen beschikking van Commissie inzake staatssteun – Middelen die niet zijn aangevoerd in administratieve procedure
(Art. 88, lid 2, EG en 230 EG)
4. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Steunmaatregelen die als verenigbaar met gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd – Steun voor herstructurering van onderneming in moeilijkheden
(Art. 87, lid 3, sub c, EG en 88, leden 2 en 3, EG; mededeling 1999/C 288/02 van de Commissie, punten 3.2.2 en 3.2.4)
5. Steunmaatregelen van de staten – Verbod – Afwijkingen – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Grenzen
(Art. 87, lid 3, EG)
6. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Regularisering van motiveringsgebrek tijdens gerechtelijke procedure – Ontoelaatbaarheid
(Art. 253 EG)
7. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Beoordelingscriterium – Criterium van particuliere schuldeiser
(Art. 87, lid 1, EG)
8. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang
(Art. 87, lid 1, EG en 253 EG)
9. Steunmaatregelen van de staten – Beschikking van Commissie houdende vaststelling dat steun onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt en houdende bevel tot terugvordering ervan – Mogelijkheid voor Commissie, berekening van precieze terug te betalen bedrag aan nationale autoriteiten over te laten
(Art. 88, lid 2, EG)
10. Steunmaatregelen van de staten – Begrip – Geen betaling van belasting over toegevoegde waarde – Daaronder begrepen – Voorwaarde
(Art. 87, lid 1, EG)
1. Het staat in beginsel aan de Commissie om in een beschikking waarbij misbruik van een eerder goedgekeurde steunmaatregel wordt vastgesteld en melding wordt gemaakt van het bestaan van nieuwe, niet-aangemelde steunmaatregelen, het bewijs te leveren van zowel het misbruik van de steun als de toekenning van nieuwe steun. Uit artikel 88, leden 2 en 3, EG blijkt immers, dat indien dit niet wordt aangetoond, de bestaande steun door de eerdere goedkeuringsbeschikking wordt gedekt en de betrokken nieuwe maatregelen niet kunnen worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG. De bewijslast dat een steunmaatregel in afwijking van artikel 87, lid 1, EG verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, rust daarentegen in beginsel op de betrokken lidstaat, die moet aantonen dat aan de voorwaarden voor die afwijking is voldaan.
Die verdeling van de bewijslast is evenwel afhankelijk van de naleving van de respectieve procedureverplichtingen die op de Commissie en de betrokken lidstaat rusten, in het kader van de uitoefening door die instelling van de bevoegdheid waarover zij beschikt om de lidstaat ertoe te bewegen, haar alle nodige inlichtingen te verstrekken.
In het bijzonder moet de betrokken lidstaat teneinde goedkeuring van nieuwe of gewijzigde steunmaatregelen in afwijking van de verdragsregels te verkrijgen, krachtens zijn uit artikel 10 EG voortvloeiende verplichting tot samenwerking met de Commissie alle gegevens verstrekken aan de hand waarvan deze instelling kan nagaan of aan de voorwaarden voor de afwijking is voldaan. Verder is de Commissie bevoegd een beschikking te geven op grond van de beschikbare informatie wanneer de lidstaat in strijd met zijn medewerkingsverplichting haar niet de informatie verstrekt waarom zij hem heeft verzocht om de kwalificatie en de verenigbaarheid van een nieuwe of gewijzigde steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken of het regelmatige gebruik van een eerder goedgekeurde steunmaatregel na te gaan. Vóór de vaststelling van een dergelijke beschikking dient de Commissie evenwel de lidstaat te gelasten haar, binnen de door haar gestelde termijn, alle documenten en inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitoefening van haar controle. Enkel wanneer de lidstaat, ondanks het bevel van de Commissie, de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, heeft de Commissie het recht de procedure te beëindigen en op basis van de haar ter beschikking staande gegevens al naar het geval een beschikking betreffende het bestaan en de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt vast te stellen of een beschikking waarbij het regelmatige gebruik van een eerder goedgekeurde steunmaatregel wordt vastgesteld.
Die procedureverplichtingen worden aan de betrokken lidstaat en de Commissie opgelegd om laatstgenoemde in staat te stellen, haar controle uit te oefenen op basis van voldoende duidelijke en nauwkeurige informatie en tevens de eerbiediging van het recht van de betrokken lidstaat om te worden gehoord te waarborgen.
(cf. punten 34‑37)
2. Artikel 88, lid 2, EG machtigt de belanghebbenden, waaronder de begunstigden van de betrokken maatregel, hun opmerkingen te maken. De belanghebbenden hebben uitsluitend het recht om, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken. De eerbiediging van de aldus afgebakende procedurele rechten van de belanghebbenden is een wezenlijk vormvoorschrift waarvan schending tot nietigverklaring van de bestreden beschikking kan leiden. Dat is met name het geval wanneer de begunstigden van de terug te vorderen steun niet daadwerkelijk in staat zijn gesteld hun opmerkingen in het kader van de formele onderzoeksprocedure te maken, omdat zij door de Commissie in het inleidingsbesluit of in een later stadium niet als zodanig waren aangemerkt, en niet kan worden uitgesloten dat de procedure, indien deze onregelmatigheid zich niet had voorgedaan, eventueel een andere uitkomst had opgeleverd.
Voor zover de procedure inzake staatssteun uitsluitend tegen de betrokken lidstaat wordt ingeleid, kunnen de belanghebbenden zich echter in beginsel niet beroepen op een recht van verweer als dat van personen tegen wie een procedure is ingeleid, die aanspraak kunnen maken op een debat op tegenspraak met de Commissie, zoals dit voor de betrokken lidstaat wel mogelijk is.
(cf. punten 42‑43)
3. In het kader van een krachtens artikel 230 EG ingesteld beroep tot nietigverklaring moet de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Inzonderheid de door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden onderzocht aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen heeft verricht.
Hieruit volgt dat een verzoeker in beginsel geen feitelijke argumenten kan inroepen die de Commissie niet bekend waren en die hij niet aan de Commissie heeft meegedeeld tijdens de formele onderzoeksprocedure. Daarentegen belet niets de belanghebbende, tegen de eindbeschikking een rechtsmiddel aan te voeren dat niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen.
(cf. punten 72‑73)
4. Uit artikel 87, lid 3, sub c, EG juncto artikel 88, leden 2 en 3, EG, die zijn uitgevoerd bij de punten 3.2.2, sub b, f en g, en 3.2.4 van de communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, volgt dat voor elke belangrijke wijziging van een herstructureringsplan dat door de Commissie in de beschikking tot goedkeuring van herstructureringssteun is aanvaard, de betrokken lidstaat in beginsel een gewijzigd plan met alle noodzakelijke gegevens moet voorleggen, zodat de Commissie de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt kan toetsen aan de in punt 3.2.4 van de richtsnoeren gestelde voorwaarden.
Wat de procedure betreft, kan de Commissie in geval van niet-nakoming van één van de voorwaarden waaraan de goedkeuring van een steunmaatregel is onderworpen, doorgaans enkel een beschikking houdende afwijking van die voorwaarde geven zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG te heropenen, wanneer de afwijkingen van de oorspronkelijke voorwaarde relatief gering zijn. In het bijzonder wanneer de aanpassing van het herstructureringsplan aanleiding is tot twijfel aan de verenigbaarheid van de steunmaatregel, is de Commissie verplicht de verenigbaarheid van die steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt opnieuw formeel te onderzoeken.
Die procedureregels bevestigen dat de Commissie, wanneer het in de beschikking tot goedkeuring van herstructureringssteun aanvaarde herstructureringsplan niet volledig is uitgevoerd, in voorkomend geval een belangrijke wijziging van dat plan enkel kan goedkeuren op basis van een uitvoerig formeel onderzoek van de vraag of het door de betrokken lidstaat voorgelegde gewijzigde plan strookt met die in de richtsnoeren gestelde voorwaarden. Wanneer de betrokken lidstaat geen gewijzigd herstructureringsplan voorlegt, is de Commissie derhalve in beginsel niet verplicht en ook niet in staat – bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de steun – rekening te houden met eventuele belangrijke wijzigingen van het aanvankelijke plan op basis van loutere intentieverklaringen van de betrokken lidstaat.
(cf. punten 91‑93)
5. De Commissie beschikt bij de toepassing van artikel 87, lid 3, EG over een ruime beoordelingsvrijheid. Daar de gemeenschapsrechter zijn beoordeling van ingewikkelde economische feiten en omstandigheden niet in de plaats kan stellen van die van de Commissie, moet de toetsing door het Gerecht bijgevolg ertoe beperkt blijven na te gaan of de procedure‑ en motiveringsvoorschriften zijn nageleefd, of de vastgestelde feiten materieel juist zijn, en of er geen sprake is van een onjuiste rechtsopvatting, van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten of van misbruik van bevoegdheid.
(cf. punt 150)
6. De redengeving van een beschikking moet in de beschikking zelf te vinden zijn en latere toelichtingen van de Commissie, uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, kunnen niet in aanmerking worden genomen. De beschikking op zich moet dus volstaan en het kan niet zijn dat de redengeving ervan moet blijken uit schriftelijke of mondelinge toelichtingen die worden gegeven nadat tegen de beschikking al beroep bij de gemeenschapsrechter is ingesteld.
(cf. punt 254)
7. Het loutere feit dat betalingsfaciliteiten door een openbare schuldeiser discretionair worden toegekend, volstaat niet om ze als staatssteun te kwalificeren. De toegekende betalingsfaciliteiten moeten dan nog wel duidelijk groter zijn dan die welke zouden zijn verleend door een particuliere schuldeiser die zich ten aanzien van zijn schuldenaar in een vergelijkbare situatie bevindt, gelet met name op de omvang van de schuld, de beroepsmiddelen waarover de openbare schuldeiser beschikt, de kansen op herstel van de situatie van de schuldenaar indien hij zijn activiteit mag voortzetten, alsook op het risico op nog groter verlies dat de schuldeiser bij voortzetting van de activiteit loopt.
Het begrip steunmaatregel, zoals omschreven in het Verdrag, is in dit verband een juridisch begrip en moet op basis van objectieve elementen worden uitgelegd. Om deze reden moet de gemeenschapsrechter in beginsel en gelet op zowel de concrete gegevens van het hem voorgelegde geschil als het technische of ingewikkelde karakter van de door de Commissie gemaakte beoordelingen, volledig toetsen of een maatregel al dan niet binnen de werkingssfeer van artikel 87, lid 1, EG valt.
Wanneer de beoordeling door de Commissie van de vraag of een maatregel voldoet aan het criterium van de particuliere investeerder, een ingewikkelde economische beoordeling impliceert, waarvoor de Commissie over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, blijft evenwel de rechterlijke toetsing beperkt tot de vraag, of de procedurevoorschriften en de motiveringsplicht in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten of van misbruik van bevoegdheid. Met name staat het niet aan het Gerecht om zijn economische beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie.
(cf. punten 283‑285)
8. Wanneer het gaat om een beschikking van de Commissie inzake staatssteun, mag de motivering niet worden beperkt tot de vaststelling dat het bij de betrokken maatregel om staatssteun gaat, maar moet zij verwijzen naar concrete feiten, zodat de belanghebbenden zinvol hun standpunt kenbaar kunnen maken omtrent het bestaan en de relevantie van de gestelde feiten en omstandigheden en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen.
Het is evenwel niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van het artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.
(cf. punten 286‑287)
9. Geen enkele bepaling van gemeenschapsrecht vereist dat de Commissie, wanneer zij de terugbetaling van met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun gelast, het precieze bedrag van de terug te betalen steun vaststelt. Voldoende is namelijk dat de beschikking van de Commissie de gegevens bevat aan de hand waarvan de adressaat van de beschikking zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen. De Commissie kan er dus mee volstaan, vast te stellen dat de betrokken steun moet worden terugbetaald, en het aan de nationale autoriteiten overlaten, het precieze bedrag van de terug te betalen steun te berekenen.
In dit verband bestaat het voordeel dat voor een schuldenaar het gedogen van de niet of niet-tijdige betaling van zijn schuld betekent, in beginsel juist in het niet of niet-tijdig betalen van het bedrag van die schuld vanaf het tijdstip waarop deze opeisbaar wordt. Dat voordeel valt niet noodzakelijkerwijs samen met het bedrag dat een particuliere schuldeiser had kunnen terugkrijgen indien hij de niet of niet-tijdige betaling niet meer had getolereerd.
Om vast te stellen of een schuldenaar een voordeel heeft gekregen, moet de Commissie dus enkel nagaan of uiterlijk bij de vaststelling van de bestreden beschikking een particuliere schuldeiser in een vergelijkbare situatie de niet of niet-tijdige betaling duidelijk niet nog steeds zou hebben gedoogd. Dat onderzoek vereist niet dat het precieze tijdstip wordt bepaald waarop die particuliere schuldeiser de niet of niet-tijdige betaling niet meer zou hebben gedoogd en maatregelen zou hebben genomen om betaling van zijn schuldvordering te verkrijgen.
(cf. punten 291, 293-294)
10. De belasting over de toegevoegde waarde is in beginsel neutraal met betrekking tot de concurrentiepositie. De door de belastingplichtige voldane belasting over de toegevoegde waarde kan immers onmiddellijk als voorbelasting worden afgetrokken dan wel op korte termijn worden terugbetaald. Het enige eventuele voordeel dat een belastingplichtige door de niet-betaling van de belasting over de toegevoegde waarde kan genieten, zou dus in voorkomend geval kunnen bestaan in een liquiditeitsvoordeel als gevolg van het tijdelijke voorfinancieren van de voorbelasting.
In die context volstaat de niet-betaling van de belasting over de toegevoegde waarde in beginsel niet voor het vermoeden dat een onderneming een voordeel in de zin van artikel 87, lid 1, EG heeft genoten. Het staat aan de Commissie om na te gaan of die niet-betaling in de gegeven omstandigheden de belanghebbende werkelijk een liquiditeitsvoordeel verschaft.
(cf. punten 361, 363)
ARREST VAN HET GERECHT (Tweede kamer – uitgebreid)
12 september 2007 (*)
„Staatssteun – Door Helleense Republiek aan luchtvaartmaatschappij Olympic Airways verleende herstructureringssteun – Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering daarvan wordt gelast – Misbruik van steun – Nieuwe steun – Bewijslast – Recht te worden gehoord – Criterium van particuliere schuldeiser – Feitelijke vergissing – Kennelijke beoordelingsfout – Motivering – Artikel 87, leden 1 en 3, sub c, EG”
In zaak T‑68/03,
Olympiaki Aeroporia Ypiresies AE, voorheen Olympiaki Aeroporia AE, gevestigd te Athene (Griekenland), aanvankelijk vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, E. Bourtzalas, advocaten, J. Ellison en M. Hall, solicitors, A. Kalogeropoulos, C. Tagaras en A. Chiotelis, advocaten, vervolgens door P. Anestis, advocaat, en T. Soames, solicitor,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Triantafyllou en J. L. Buendía Sierra als gemachtigden, bijgestaan door A. Oikonomou, advocaat,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2003/372/EG van de Commissie van 11 december 2002 betreffende door Griekenland aan Olympic Airways verleende steun (PB 2003, L 132, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: J. Pirrung, kamerpresident, A. W. H. Meij, N. J. Forwood, I. Pelikánová, en S. Papasavvas, rechters,
griffier: C. Kantza, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 november 2006,
het navolgende
Arrest
Voorgeschiedenis van het geding
I – Beschikking van 1994
1 Op 7 oktober 1994 heeft de Commissie beschikking 94/696/EG vastgesteld betreffende de steun die de Griekse Staat aan de luchtvaartmaatschappij Olympic Airways heeft verleend (PB L 273, blz. 22; hierna: „beschikking van 1994”). Volgens artikel 1 van die beschikking was de herstructureringssteun die ten behoeve van Olympic Airways (Olympiaki Aeroporia Ypiresies AE, voorheen Olympiaki Aeroporia AE; hierna: „OA” of „verzoekster”) was verleend of voorgenomen, verenigbaar met de gemeenschappelijke markt krachtens artikel 87, lid 3, sub c, EG, mits de Griekse regering de 21 in dat artikel opgesomde toezeggingen nakwam. Die steun bestond in:
– leninggaranties die tot 7 oktober 1994 aan OA op grond van artikel 6 van de Griekse wet nr. 96/75 van 26 juni 1975 zijn verstrekt (FEK A’154/26.7.1975);
– nieuwe garanties ten bedrage van 378 miljoen Amerikaanse dollars (USD) voor leningen die vóór 31 december 1997 voor de aankoop van nieuwe toestellen moeten worden afgesloten;
– verlichting van de schuld van de maatschappij ter hoogte van 427 miljard Griekse drachmen (GRD);
– omzetting van de schuld van OA in kapitaal voor een bedrag van 64 miljard GRD;
– een kapitaalinjectie van 54 miljard GRD in drie tranches van 19, 23 en 12 miljard in respectievelijk 1995, 1996 en 1997.
2 De vier laatste steunmaatregelen maakten deel uit van het herkapitalisatie‑ en herstructureringsplan van OA voor de periode 1994-1997, dat vooraf aan de Commissie was meegedeeld.
3 Artikel 1 van de beschikking van 1994 stelde echter de verenigbaarheid van de vijf bedoelde steunmaatregelen afhankelijk van de naleving van 21 door de Helleense Republiek gedane toezeggingen om te garanderen dat die steun de handel niet zodanig beïnvloedt dat het gemeenschappelijk belang daardoor wordt geschaad. Volgens een aantal van die toezeggingen, die zowel OA als haar dochtermaatschappij Olympic Aviation betroffen, diende de Helleense Republiek in het bijzonder:
„a) [...] vóór 31 december 1994 artikel 6 van de Griekse wet nr. 96/75 in te trekken, volgens hetwelk de Griekse Staat garanties [mocht] verlenen voor de door OA afgesloten leningen;
b) [...] zich in de toekomst enkel nog binnen de grenzen van haar hoedanigheid van aandeelhouder met het beheer van OA te bemoeien;
c) [...] OA vóór 31 december 1994 een fiscaal statuut van naamloze vennootschap te geven, dat te vergelijken is met dat van de Griekse ondernemingen naar gemeen recht op voorwaarde dat OA wordt vrijgesteld van de eventuele belastingen die de kapitaalverhogingen van de onderneming zouden kunnen treffen die in het aan de Commissie voorgelegde plan voor kapitaalverhoging en herstructurering van de maatschappij voorzien zijn;
[...]
e) [...] geen verdere steun te verlenen aan OA, in welke vorm ook, overeenkomstig de bepalingen van het gemeenschapsrecht;
f) [...] onmiddellijk de vereiste wettelijke bepalingen uit te vaardigen, voor een effectieve toepassing van de sociale, financiële en salariëringsaspecten van het herstructureringsplan;
[...]
h) [...] de Commissie jaarlijks, minstens vier weken voordat de betaling van de voor januari 1996 en januari 1997 geplande kapitaalverhogingen geschiedt, een rapport voor te leggen over de uitvoering van het plan, om de Commissie gelegenheid te geven tot commentaar, en anderzijds vier weken te wachten met het betalen van een kapitaalverhoging, indien de Commissie het betreffende rapport door een onafhankelijk adviesbureau wenst te laten beoordelen;
i) [...] niet tot de voor 1995, 1996 en 1997 geplande kapitaalverhogingen over te gaan, indien de doelstellingen van het plan, zoals deze onder hoofdstuk IV van deze beschikking zijn uiteengezet, in het voorafgaand jaar niet [waren] gehaald;
[...]
p) erop toe te zien dat OA in de jaren 1994 tot en met 1997 niet optreedt als ‚price leader’ op de vaste verbindingen Athene-Stockholm en Athene-London;
[...]
s) erop [toe te zien] dat voor de volledige duur van het plan het stoelenaanbod van OA op de geregelde vluchten binnen de Europese Economische Ruimte, de extra‑ of seizoenvluchten inbegrepen, de verbindingen tussen het Griekse vasteland en de eilanden evenwel niet meegerekend, niet groter is dan het aanbod van OA op de EER-markt in het jaar 1993 (3 518 778 zitplaatsen), waarbij er wel ruimte mag zijn voor een eventuele, aan de groei van de betreffende markt evenredige stijging van dit aantal;
t) erop toe [te zien] dat de reeds aan OA toegekende leninggaranties en de uitdrukkelijk in het plan voorziene, vóór 31 december 1997 toe te kennen garanties ten bedrage van 378 miljoen [USD] voldoen aan de voorwaarden die in de brief van de Commissie van 5 april 1989 aan de lidstaten vermeld staan;
[...]”
4 In 1995 is de eerste tranche van de bij de beschikking van 1994 bedoelde kapitaalinjectie ten bedrage van 13 miljard GRD aan OA betaald.
II – Beschikking van 1998
5 Omdat de Commissie van mening was dat Griekenland een aantal van de in artikel 1 van de beschikking van 1994 bedoelde toezeggingen niet was nagekomen, en ook twijfelde aan de verenigbaarheid met artikel 87 EG van nieuwe en niet-aangemelde steunmaatregelen, heeft zij in 1996 de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid. In juli 1998 heeft de Helleense Republiek de Commissie een herzien herstructureringsplan meegedeeld. Teneinde rekening te houden met de aan OA verleende onrechtmatige steun, voorzag dit herziene plan in een verlaging van het bedrag van de nog niet betaalde tweede en derde tranche van de kapitaalinjectie, als bedoeld in de beschikking van 1994.
6 Die procedure heeft geleid tot de vaststelling van beschikking 1999/332/EG van de Commissie van 14 augustus 1998 betreffende de steun die door Griekenland aan OA is verleend (PB 1999, L 128, blz. 1; hierna: „beschikking van 1998”), waarin de Commissie bovenbedoeld herzien herstructureringsplan aanvaardde. In artikel 1, lid 1, van die beschikking heeft de Commissie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard de leninggaranties en de vermindering en de omzetting van schuld in kapitaal, die in 1994 waren goedgekeurd, en nieuwe garanties voor leningen die vóór 31 december 2000 voor de aankoop van nieuwe toestellen moesten worden aangegaan. Zij heeft de bij de beschikking van 1994 bedoelde kapitaalinjectie van 54 miljard GRD verlaagd tot een bedrag van in totaal 40,8 miljard GRD, te betalen in drie tranches van 19, 14 en 7,8 miljard GRD in respectievelijk 1995, 1998 en 1999.
7 De verlening van die steun was gekoppeld aan een herzien herstructureringsplan voor de periode van 1998 tot en met 2002 (hierna: „herstructureringsplan van 1998”) en was krachtens artikel 1, lid 1, van de beschikking van 1998 afhankelijk gesteld van de nakoming door de Helleense Republiek van de volgende toezeggingen:
„a) [...] de [21] [voormelde] toezeggingen na te komen als bedoeld in artikel 1 van de beschikking van 1994:
b) [...] erop toe [te zien] dat OA in de jaren 1998 tot en met 2002 op de vaste verbindingen Athene-Stockholm en Athene-Londen niet als ‚price leader’ optreedt;
c) [...] erop toe [te zien] dat tot en met 31 december 2002 het stoelenaanbod van OA op de geregelde vluchten binnen de [Europese Economische Ruimte], de extra‑ en seizoenvluchten en de verbindingen tussen het Griekse vasteland en de Griekse eilanden inbegrepen, niet groter is dan het aanbod van OA op de markt van de [Europese Economische Ruimte] in 1997 (7 792 243 zitplaatsen), waarbij er wel ruimte mag zijn voor een eventuele, aan de groei van de betreffende markt evenredige stijging van dit aantal;
d) [...] erop toe [te zien] dat OA uiterlijk 1 december 1998 een volledig operationeel en adequaat ‚Management Information System’ ten uitvoer legt, [en] uiterlijk 1 december 1998 bij de Commissie een rapport terzake in te dienen.”
8 Volgens artikel 1, lid 2, van de beschikking van 1998 werd de betaling van de laatste tranche van 7,8 miljard GRD (ongeveer 22,9 miljoen EUR) afhankelijk gesteld van de naleving van alle voorwaarden die zijn gesteld om de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt en de daadwerkelijke uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 te verzekeren, alsmede van de verwezenlijking van de verwachte resultaten met name met betrekking tot de kosten‑ en productiviteitsratio’s. Ten minste tien weken vóór de voor 15 juni 1999 geplande betaling van die laatste tranche en vóór het einde van de maanden oktober 1999, maart 2000 en oktober 2000 moest de Helleense Republiek aan de Commissie een rapport voorleggen over de naleving van alle voorwaarden die zijn gesteld om de verenigbaarheid van de steun en de uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 en de verwezenlijking van de geplande resultaten te waarborgen.
III – Ontwikkeling van OA na de beschikking van 1998
9 In september 1998 heeft de Helleense Republiek de bij de beschikking van 1998 bedoelde tweede tranche van de kapitaalinjectie ten bedrage van 14 miljard GRD (ongeveer 41 miljoen EUR) aan OA uitbetaald en heeft zij haar een deel van de goedgekeurde leninggaranties verleend.
10 Bij brief van 7 mei 1999 heeft de Helleense Republiek aan de Commissie een rapport over de uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 voorgelegd. Bij brieven van 12 mei 1999 en 19 mei 1999 heeft de Commissie de Griekse autoriteiten om bepaalde informatie gevraagd. Die autoriteiten hebben in juni 1999 bovenbedoeld rapport aangevuld met een memorandum. Dit rapport is onderzocht door een onafhankelijk adviesbureau (Deloitte & Touche) overeenkomstig de bepalingen van de beschikking van 1998 (artikel 1 van die beschikking en toezegging als bedoeld in artikel 1, sub h, van de beschikking van 1994).
11 De Commissie heeft de Griekse autoriteiten bij brief van 27 juli 1999 de analyse meegedeeld van de gestelde tekortkomingen met betrekking tot de uitvoering van het herstructureringsplan van 1998, die in het rapport van Deloitte & Touche van 21 juli 1999 is uiteengezet. In die brief heeft de Commissie de Griekse regering met name verzocht een bijgewerkt herstructureringsplan voor OA over te leggen zodat de Commissie dit kon toetsen aan de voorwaarden voor de derde en laatste tranche van de kapitaalinjectie ten bedrage van 22,9 miljoen EUR. Volgens de in de bestreden beschikking verstrekte aanwijzingen heeft de Helleense Republiek in haar antwoord aan de Commissie van 26 augustus 1999 erkend dat het herstructureringsplan moest worden herzien om de gewenste resultaten te bereiken en de Commissie in staat te stellen de uitbetaling van de laatste tranche goed te keuren.
12 Bij brief van 7 juli 1999 hadden de Griekse autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van hun voornemen om na een internationale openbare aanbesteding de leiding over OA aan een ervaren internationaal managementbureau toe te vertrouwen. Het contract was toegekend aan Speedwing, bedrijfsadviesbureau, dochtermaatschappij van British Airways. Dat contract voorzag ook in een optie voor British Airways om 20 % van de aandelen van OA te kopen binnen een jaar na de ondertekening van het managementcontract.
13 Na een bijeenkomst op 3 augustus 1999 te Brussel tussen het nieuwe managementteam van Speedwing en de ambtenaren van de Commissie hebben de Griekse autoriteiten bij brief van 18 november 1999 een herzien herstructureringsplan ingediend dat door Speedwing was opgesteld (hierna: „Speedwing-plan”). Blijkens de dossierstukken was bij dit herziene plan een ondernemingsplan gevoegd en had het betrekking op de periode 2000-2004. Met de uitvoering van het Speedwing-plan werd begonnen zonder dat de uitkomst van het onderzoek daarvan door de Commissie werd afgewacht. In haar aanvankelijke rapport over dit plan heeft de onderneming Deloitte & Touche haar bezorgdheid over een aantal aspecten daarvan te kennen gegeven. Het voornaamste verschil tussen dit plan en dat van 1998, dat in 1998 en begin 1999 is uitgevoerd, was de nadruk die werd gelegd op de verhoging van de inkomsten en de uitbreiding van de activiteiten van de maatschappij.
14 Bij brief van 20 maart 2000 heeft de Commissie het eindrapport van Deloitte & Touche over het Speedwing-plan van maart 2000 aan de Griekse autoriteiten meegedeeld, waarin de oorspronkelijke bezorgdheid werd bevestigd. Speedwing heeft de conclusies van dit rapport bestreden en zich midden 2000 uit het OA-management teruggetrokken. Bij schrijven van 29 augustus 2000 aan de Commissie hebben de Griekse autoriteiten bevestigd dat OA geen officiële resultaten voor 1999 had in de vorm van door accountants gecontroleerde rekeningen, en hebben zij zich ertoe verbonden de laatste tranche van de kapitaalinjectie niet uit te betalen. De Helleense Republiek heeft de Commissie verzocht geen beschikking daarover vat te stellen.
15 In het najaar van 2000 heeft OA het adviesbureau PricewaterhouseCoopers verzocht een samenvattend rapport over de niet-gecontroleerde voorlopige geconsolideerde balans op 31 december 1999 op te stellen teneinde een solide basis voor haar latere herstructurering te krijgen. De Griekse autoriteiten hebben Crédit Suisse First Boston tot financieel adviseur benoemd met het oog op de privatisering van OA.
IV – Beschikking van 2000
16 Bij brief van 17 juli 2000 had de Helleense Republiek de Commissie meegedeeld dat zij voornemens was de rest van de goedgekeurde steun voor de nieuwe garanties voor leningen die voor eind 2000 moesten worden afgesloten, te gebruiken voor investeringen met het oog op de verhuizing van OA van de luchthaven Hellinikon naar de nieuwe luchthaven van Athene te Spata, en de termijn te verlengen tot 31 maart 2001. Tot op dat tijdstip had de Griekse Staat leninggaranties ten bedrage van 201,6 miljoen USD voor de aankoop van vier vliegtuigen van het type Airbus 340 verleend.
17 Op 4 oktober 2000 heeft de Commissie besloten geen bezwaar tegen dat voornemen te maken en heeft zij artikel 1, lid 1, van de beschikking van 1998 dienovereenkomstig gewijzigd. Bijgevolg konden de nieuwe leninggaranties ter hoogte van 378 miljoen USD voor de aankoop van nieuwe vliegtuigen en voor de nodige investeringen in verband met de verhuizing van OA naar de nieuwe luchthaven te Spata, die bij de beschikking van 1998 waren goedgekeurd, tot 31 maart 2001 worden afgegeven.
V – Klachten van de HACA en formele onderzoeksprocedure
18 Op 12 oktober 2000 heeft de Hellenic Air Carriers Association (vereniging van Griekse luchtvaartmaatschappijen; hierna: „HACA”) een klacht ingediend waarin zij stelde dat de Griekse Staat aan OA nog steeds steun in verschillende vormen verleende, in strijd met hetgeen was voorgeschreven bij de beschikkingen van 1994 en 1998. De Griekse autoriteiten hebben hun opmerkingen over die klacht bij brief van 19 februari 2001 ingediend. Op 24 juli 2001 heeft de HACA een aanvullende klacht ingediend waarop de Griekse autoriteiten bij brieven van 25 oktober, 7 november en 11 december 2001 hebben geantwoord.
19 Na die klachten heeft de Commissie bij beschikking van 6 maart 2002 (PB C 98, blz. 8) de procedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid, op grond dat het herstructureringsplan niet was uitgevoerd en dat enkele voorwaarden van de beschikking van 1998 niet waren nageleefd. Bovendien heeft de Commissie in deze beschikking de Helleense Republiek gelast, haar informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 10 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1).
20 De Helleense Republiek heeft haar antwoorden bij brief van 11 april 2002 aan de Commissie gezonden.
21 Op 9 augustus 2002 heeft de Commissie de Helleense Republiek het tweede bevel tot informatieverstrekking doen toekomen. De Griekse autoriteiten hebben bij brief van 30 september 2002 geantwoord.
22 In november 2002 hebben de Griekse autoriteiten aan de Commissie twee door Deloitte & Touche opgestelde rapporten toegezonden: het „Report on the Limited Review of Olympic Airways’ Performance as Compared to its 2002 Financial Plan (July 2002)” [„Rapport inzake het beperkte onderzoek van de prestatie van [OA] in vergelijking met haar financiële plan van 2002 (juli 2002)”], en het rapport over OA met het opschrift „Restructuring and Privatisation (november 5th, 2002)” [„Herstructurering en privatisering (5 november 2002)”].
VI – Beschikking
23 Op 11 december 2002 heeft de Commissie beschikking 2003/372/EG betreffende door Griekenland aan OA verleende steun (PB 2003, L 132, blz. 1; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld. Daarin stelt zij vast dat het merendeel van de doelstellingen van het herstructureringsplan van 1998 niet was gehaald, dat de in de beschikking van 1998 gestelde voorwaarden niet volkomen waren nageleefd en dat de herstructureringssteun derhalve verkeerd was toegepast.
24 Zij maakt voorts melding van het bestaan van niet-aangemelde nieuwe steun, die hoofdzakelijk bestaat in het gedogen door de Griekse Staat van het niet of te laat betalen van sociale bijdragen, van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „btw”) op brandstof en reserveonderdelen, van de luchthavenbelasting en de aan de luchthavens verschuldigde huursommen, en van een heffing op vliegbiljetten bij vertrek vanuit de Griekse luchthavens, de zogeheten „spatosimo”-belasting. De Commissie acht die onrechtmatige steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. Zij voert aan dat de verlening daarvan indruist tegen de toezegging van de Griekse Staat om geen steun meer aan OA te verlenen, en in strijd is met het beginsel van de eenmalige steun. Bovendien leeft OA niet alleen het herstructureringsplan van 1998 niet na, maar zij heeft ook geen alternatief plan waaruit de Commissie zou kunnen opmaken dat de onderneming op middellange en lange termijn weer levensvatbaar zal worden.
25 De Commissie verlangt de terugvordering van de onverenigbaar verklaarde steun. Daar het evenwel herstructureringssteun betreft, is zij van mening dat:
„niet [kan] worden uitgesloten dat de positieve beschikking van de Commissie van 1998 bepaalde verwachtingen heeft geschapen dat het steunpakket van 1994 niet problematisch was. In het perspectief van de uitzonderlijk specifieke omstandigheden, is het bijgevolg niet noodzakelijk om een terugvordering op te leggen van de steun verleend vóór de datum van 14 augustus 1998” (punt 229).
26 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:
„Artikel 1
De Commissie oordeelt dat de herstructureringssteun verleend door Griekenland aan [OA] in onderstaande vormen onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, in de zin van artikel 87, lid 1, [EG]
a) garanties voor leningen verstrekt aan de onderneming tot en met 7 oktober 1994 krachtens artikel 6 van de Griekse wet nr. 96/75 van 26 juni 1975;
b) nieuwe garanties voor leningen voor een totaalbedrag van 378 miljoen [USD] voor leningen aangegaan vóór de datum van 31 maart 2001, ten behoeve van de aankoop van nieuwe vliegtuigen en investeringen die [OA] nodig heeft om zich te vestigen op de nieuwe luchthaven te Spata;
c) verlichting van de schuld van OA voor een bedrag van 427 miljard [GRD];
d) omzetting van de [Olympic Airways]-schuld in kapitaal voor een waarde [van] 64 miljard [GRD];
e) de kapitaalinjectie ten bedrage van 54 miljard [GRD], teruggebracht tot 40,8 miljard [GRD], in drie schijven van respectievelijk 19, 14 en 7,8 miljard [GRD voor de respectieve jaren 1995, 1998 en 1999,
daar volgende voorwaarden, waaronder de oorspronkelijke goedkeuring werd gegeven, niet werden vervuld:
a) volledige tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan [van 1998] met als doel de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn;
b) het nakomen van de 24 bijzondere verbintenissen die waren gehecht aan de goedkeuring van de steun, en
c) de regelmatige controle op de toepassing van de herstructureringssteun.
Artikel 2
De staatssteun die Griekenland heeft verleend in de vorm van tolerantie ten aanzien van de aanhoudende wanbetalingen met betrekking tot de sociale bijdragen, de btw verschuldigd door Olympic Airways voor brandstof en reserveonderdelen, de huurgelden verschuldigd aan verschillende luchthavens, de luchthavenbelasting voor de internationale luchthaven van Athene en andere luchthavens, en de zogenaamde ‚spatosimo’-belasting, is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.
Artikel 3
1. Griekenland is verplicht om alle nodige maatregelen te treffen teneinde van de begunstigde de steun van 14 miljard [GRD] (41 miljoen EUR) terug te vorderen, zoals bepaald in artikel 1, welke steun onverenigbaar is met het Verdrag en met de steun bedoeld in artikel 2, en illegaal ter beschikking is gesteld van de begunstigde.
2. De terugvordering dient zonder verdere vertraging te geschieden en op basis van de procedures van het nationale recht, onder voorwaarde dat deze een onmiddellijke en efficiënte uitvoering van de beschikking toelaten. De terug te vorderen steun moet de interesten bevatten vanaf de datum dat de steun ter beschikking werd gesteld van de begunstigde tot de uiteindelijke terugbetaaldag. De interesten worden berekend volgens de rentevoet die van toepassing is voor het berekenen van soortgelijke subsidies ten behoeve van regionale steun.
Artikel 4
Griekenland is verplicht om binnen de twee maanden na de datum van openbaarmaking van de onderhavige beschikking de Commissie op de hoogte te brengen van de maatregelen die het heeft getroffen om gevolg te geven aan de beschikking.
[...]”
Procesverloop en conclusies van partijen
27 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 februari 2003, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.
28 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
– de bestreden beschikking geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren;
– de Commissie te verwijzen in de kosten;
– alle noodzakelijk geachte maatregelen tot organisatie van de procesgang of maatregelen van instructie te gelasten;
– alle andere maatregelen te gelasten die het passend acht.
29 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
– het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
30 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Tweede kamer – uitgebreid) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
31 Partijen zijn ter terechtzitting van 29 november 2006 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
In rechte
32 Verzoekster betwist de bestreden beschikking voor zover daarbij de in de bestreden beschikking van 1998 goedgekeurde herstructureringssteun en de gestelde nieuwe steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden verklaard en de terugvordering daarvan wordt gelast.
33 Alvorens achtereenvolgens in te gaan op de twee onderdelen van het beroep en op het middel betreffende misbruik van bevoegdheid, dat die beide onderdelen gemeenschappelijk hebben, acht het Gerecht het wenselijk in de eerste plaats vooraf het rechtskader te preciseren waarin verzoeksters grieven moeten worden geplaatst met betrekking tot omkering van de bewijslast, schending van de procedureregels en van het recht te worden gehoord, en in de tweede plaats meteen in te gaan op het middel betreffende schending van verzoeksters rechten te worden gehoord.
I – Inleidende opmerkingen over de bewijslast, de procedurele verplichtingen van partijen en de grieven inzake schending van het recht te worden gehoord
34 Verzoekster betoogt op goede gronden dat het in beginsel aan de Commissie stond in de bestreden beschikking het bewijs te leveren van zowel het misbruik van de herstructureringssteun als de toekenning van nieuwe steun. Uit artikel 88, leden 2 en 3, EG blijkt immers, dat indien dit niet wordt aangetoond, de bestaande steun door de eerdere goedkeuringsbeschikking wordt gedekt en de betrokken nieuwe maatregelen niet kunnen worden aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG (zie met betrekking tot de bewijslast van een eerder goedgekeurde steunmaatregel, arrest Gerecht van 11 mei 2005, Saxonia Edelmetalle en Zemag/Commissie, T‑111/01 en T‑133/01, Jurispr. blz. II‑1579, punt 86, en met betrekking tot de bewijslast van de toekenning van nieuwe steun, arrest Hof van 13 april 1994, Duitsland en Pleuger Worthington/Commissie, C‑324/90 en C‑342/90, Jurispr. blz. I‑1173, punt 23). De bewijslast dat een steunmaatregel in afwijking van artikel 87, lid 1, EG verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, rust daarentegen in beginsel op de betrokken lidstaat, die moet aantonen dat aan de voorwaarden voor die afwijking is voldaan.
35 Opgemerkt zij evenwel dat die verdeling van de bewijslast afhankelijk is van de naleving van de respectieve procedureverplichtingen die op de Commissie en de betrokken lidstaat rusten, in het kader van de uitoefening door die instelling van de bevoegdheid waarover zij beschikt om de lidstaat ertoe te bewegen, haar alle nodige inlichtingen te verstrekken.
36 In het bijzonder volgt uit de rechtspraak dat de betrokken lidstaat teneinde goedkeuring van nieuwe of gewijzigde steunmaatregelen in afwijking van de verdragsregels te verkrijgen, krachtens zijn uit artikel 10 EG voortvloeiende verplichting tot samenwerking met de Commissie alle gegevens moet verstrekken aan de hand waarvan deze instelling kan nagaan of aan de voorwaarden voor de afwijking is voldaan (zie in die zin arrest Hof van 28 april 1993, Italië/Commissie, C‑364/90, Jurispr. blz. I‑2097, punt 20, en arresten Gerecht van 15 juni 2005, Regione autonoma della Sardegna/Commissie, T‑171/02, Jurispr. blz. II‑2123, punt 129, en 6 april 2006, Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke/Commissie, T‑17/03, Jurispr. blz. II‑1139, punt 48). Verder is de Commissie bevoegd een beschikking te geven op grond van de beschikbare informatie wanneer de lidstaat in strijd met zijn medewerkingsverplichting haar niet de informatie verstrekt waarom zij hem heeft verzocht om de kwalificatie en de verenigbaarheid van een nieuwe of gewijzigde steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt te onderzoeken of het regelmatige gebruik van een eerder goedgekeurde steunmaatregel na te gaan. Vóór de vaststelling van een dergelijke beschikking dient de Commissie evenwel de lidstaat te gelasten haar, binnen de door haar gestelde termijn, alle documenten en inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitoefening van haar controle. Enkel wanneer de lidstaat, ondanks het bevel van de Commissie, de gevraagde inlichtingen niet verstrekt, heeft de Commissie het recht de procedure te beëindigen en op basis van de haar ter beschikking staande gegevens al naar het geval een beschikking betreffende het bestaan en de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt vast te stellen (zie arresten Hof van 14 februari 1990, Frankrijk/Commissie, „Boussac”, C‑301/87, Jurispr. blz. I‑307, punt 22, en Duitsland en Pleuger Worthington/Commissie, punt 34 supra, punt 26), of een beschikking waarbij het regelmatige gebruik van een eerder goedgekeurde steunmaatregel wordt vastgesteld (arresten Saxonia Edelmetalle en Zemag/Commissie, punt 34 supra, punt 93, en Freistaat Thüringen/Commissie, T‑318/00, Jurispr. blz. I‑4178, punt 73).
37 Die procedureverplichtingen worden aan de betrokken lidstaat en de Commissie opgelegd om laatstgenoemde in staat te stellen haar controle uit te oefenen op basis van voldoende duidelijke en nauwkeurige informatie en tevens de eerbiediging van het recht van de betrokken lidstaat om te worden gehoord te waarborgen. Er zij namelijk aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de eerbiediging van de recht van verdediging in iedere procedure die tot een voor de belanghebbende bezwarend besluit kan leiden, te beschouwen zijn als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, die zelfs bij ontbreken van enig specifiek voorschrift in acht moeten worden genomen (arrest Hof van 12 februari 1992, Nederland en PTT Nederland/Commissie, C‑48/90 en C‑66/90, Jurispr. blz. I‑565, punt 44; zie ook arrest Gerecht van 6 maart 2003, Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie, T‑228/99 en T‑233/99, Jurispr. blz. II‑435, punt 121).
38 In casu zijn voormelde procedurele verplichtingen opgenomen en hebben hun beslag gekregen in de artikelen 2, lid 2, 5, leden 1 en 2, 10, 13, lid 1, en 16 van verordening nr. 659/1999.
39 In casu verwijt verzoekster de Commissie in wezen dat zij niet heeft aangegeven wat het essentiële bewijs is dat haar twijfel omtrent de kwalificatie van de betrokken maatregelen of de verenigbaarheid van de steun met het Verdrag had kunnen wegnemen, en er niet om heeft gevraagd. Verweerster heeft aldus de bewijslast omgekeerd en inbreuk gemaakt op het recht van de Helleense Republiek te worden gehoord. De schending van dit recht heeft de uitkomst van de procedure rechtstreeks beïnvloed (arresten Hof Boussac, punt 36 supra, punt 31, en 21 maart 1990, België/Commissie, „Tubemeuse”, C‑142/87, Jurispr. blz. I‑959, punt 48). Bovendien heeft zij afbreuk gedaan aan het recht te worden gehoord van verzoekster die volledig in handen van de staat was en de enig mogelijke bron van het essentiële bewijs was dat volgens de Commissie ontbrak.
40 Uit dit betoog blijkt dat verzoekster met haar beroep op schending van het recht van de betrokken lidstaat te worden gehoord en schending van haar eigen recht te worden gehoord, meer in het bijzonder de Commissie verwijt dat zij noch de Helleense Republiek noch verzoekster zelf opmerkzaam heeft gemaakt op de belangrijke elementen ten aanzien waarvan deze instelling nog steeds twijfel koesterde, en vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet om bijkomende informatie daarover heeft verzocht.
41 De grieven inzake de omkering van de bewijslast en de daarmee samenhangende schending van het recht van de Helleense Republiek te worden gehoord, die door verzoekster achtereenvolgens naar voren zijn gebracht met betrekking tot de herstructureringssteun en de verschillende gestelde nieuwe steunmaatregelen, die in de bestreden beschikking onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt zijn verklaard, zullen in het licht van voormelde procedurele beginselen moeten worden onderzocht.
II – Middel betreffende schending van verzoeksters recht te worden gehoord
42 Met betrekking tot het middel betreffende schending van verzoeksters recht te worden gehoord, zij meteen eraan herinnerd dat artikel 88, lid 2, EG de belanghebbenden, waaronder de begunstigden van de betrokken maatregel, machtigt hun opmerkingen te maken. Die bepaling is aldus uitgelegd dat de belanghebbenden uitsluitend het recht hebben om, gelet op de omstandigheden van het concrete geval, op passende wijze bij de administratieve procedure te worden betrokken (arresten Gerecht van 25 juni 1998, British Airways e.a./Commissie, T‑371/94 en T‑394/94, Jurispr. blz. II‑2405, punt 60, en Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie, punt 37 supra, punt 125). De eerbiediging van de aldus afgebakende procedurele rechten van de belanghebbenden is een wezenlijk vormvoorschrift waarvan schending tot nietigverklaring van de bestreden beschikking kan leiden. Dat is met name het geval wanneer de begunstigden van de terug te vorderen steun niet daadwerkelijk in staat zijn gesteld hun opmerkingen in het kader van de formele onderzoeksprocedure te maken, omdat zij door de Commissie in het inleidingsbesluit of in een later stadium niet als zodanig waren aangemerkt, en niet kan worden uitgesloten dat de procedure, indien deze onregelmatigheid zich niet had voorgedaan, eventueel een andere uitkomst had opgeleverd (zie in die zin arrest Gerecht van 22 februari 2006, Le Levant 001 e.a./Commissie, T‑34/02, Jurispr. blz. II‑267, punten 82‑95, en 137).
43 Voor zover de procedure inzake staatssteun uitsluitend tegen de betrokken lidstaat wordt ingeleid, kunnen de belanghebbenden zich echter in beginsel niet beroepen op een recht van verweer als dat van personen tegen wie een procedure is ingeleid, die aanspraak kunnen maken op een debat op tegenspraak met de Commissie, zoals dit voor de betrokken lidstaat wel mogelijk is (arresten Gerecht British Airways e.a./Commissie, punt 42 supra, punt 60; Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie, punt 37 supra, punten 122 en 125; 8 juli 2004, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, T‑198/01, Jurispr. blz. II‑2717, punt 192, en Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke/Commissie, punt 36 supra, punt 54).
44 In casu moet worden vastgesteld dat verzoekster geen bijzondere omstandigheid aanvoert die de overweging wettigt dat zij, gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval, niet op passende wijze bij de administratieve procedure was betrokken. Het enkele door de belanghebbende aangevoerde feit dat zij de enige mogelijke bron van het door de Commissie noodzakelijk geachte bewijs was, was in dit verband geen reden voor die instelling om haar om informatie te verzoeken. Zoals reeds is opgemerkt (zie punt 36, hierboven), staat het immers in beginsel aan de betrokken lidstaat om op verzoek van de Commissie alle nodige informatie te verstrekken. In die omstandigheden kunnen verzoeksters procedurele rechten niet worden aangetast doordat de Commissie niet zou hebben aangegeven wat het vereiste essentiële bewijs was om haar twijfel weg te nemen, en ook niet doordat die instelling niet om bijkomende inlichtingen heeft verzocht (zie punt 40 hierboven). Die grieven zullen derhalve uitsluitend worden onderzocht in het kader van het middel betreffende schending van het recht van de Helleense Republiek te worden gehoord, dat verzoekster ook heeft aangevoerd.
45 Verder moet hoe dan ook ervan worden uitgegaan dat verzoekster in staat is gesteld op indirecte wijze aan de administratieve procedure deel te nemen door middel van de betrokken lidstaat die haar enige aandeelhouder is. Bovendien blijkt uit het dossier dat directieleden van OA gedurende de gehele administratieve procedure aan bijeenkomsten tussen de diensten van de Commissie en de Griekse autoriteiten hebben deelgenomen.
46 Om al die redenen moet het middel betreffende schending van verzoeksters recht te worden gehoord ongegrond worden verklaard.
III – Herstructureringssteun (artikelen 1, 3 en 4 van de bestreden beschikking)
47 Verzoekster betwist de gegevens op basis waarvan de Commissie in de bestreden beschikking de bestaande herstructureringssteun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt heeft verklaard. Zij maakt om te beginnen bezwaar tegen de conclusies van de Commissie dat het herstructureringsplan van 1998 niet is uitgevoerd (A). Zij stelt vervolgens dat de Helleense Republiek haar verplichtingen krachtens artikel 1, lid 1, sub d, van de beschikking van 1998 is nagekomen met betrekking tot de invoering van een informatiebeheersysteem (hierna: „IBS”) (B). Bovendien is de Helleense Republiek haar verplichtingen krachtens artikel 1, lid 2, van de beschikking van 1998 nagekomen betreffende de indiening van rapporten over de naleving van de bij die beschikking gestelde voorwaarden (C). Ten slotte zijn de in artikel 1, sub b, c en e, van de beschikking van 1994 geformuleerde voorwaarden ook geëerbiedigd (D).
A – Geen daadwerkelijke uitvoering van het herstructureringsplan als gesteld in de bestreden beschikking
48 Volgens verzoekster is het herstructureringsplan uitgevoerd om de levensvatbaarheid van OA op lange termijn te verzekeren. Zij voert in de eerste plaats aan dat de conclusies van de Commissie inzake de uitvoering van dit plan er geen rekening mee houden dat dit is gewijzigd, zodat zij een feitelijke vergissing en een kennelijke beoordelingsfout bevatten en/of ontoereikend zijn gemotiveerd (1). In de tweede plaats heeft de Commissie niet naar behoren onderzocht of de in 1998 goedgekeurde steun verenigbaar met artikel 87, lid 3, sub c, EG kon worden geacht op basis van het gewijzigde herstructureringsplan dat bij de vaststelling van de bestreden beschikking van toepassing was. In dat verband houdt de bestreden beschikking een kennelijke onjuiste beoordeling en een schending van artikel 87, lid 3, sub c, EG in (2). In de derde plaats heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt met haar vaststelling dat geen maatregel tot herstructurering van OA was genomen (3).
1. Grief dat de wijziging van het herstructureringsplan niet in aanmerking is genomen
a) Argumenten van partijen
49 Enerzijds stelt verzoekster dat de Commissie een feitelijke vergissing en een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen rekening te houden met de wijziging van het herstructureringsplan van 1998, die volgens verzoekster door die instelling was goedgekeurd in het kader van de enkele langdurige herstructureringsprocedure die tot een succesvol einde was gebracht. De Commissie heeft namelijk de naleving van de aan OA opgelegde verplichtingen tot herstructurering getoetst aan de aanvankelijke versie van het herstructureringsplan van 1998. Bij de vaststelling van de bestreden beschikking voorzag het gewijzigde plan in de privatisering van de meerderheid van de aandelen van Olympic Airways, kostenbesparende maatregelen en de verkoop van activa die niet tot de kernactiviteiten behoren. De enige onderbreking in de herstructureringsprocedure was toe te schrijven aan de gebeurtenissen van 11 september 2001. Het eerste gedeelte van het privatiseringsproces was op het tijdstip van de bestreden beschikking reeds voltooid.
50 Anderzijds is de bestreden beschikking ontoereikend gemotiveerd, voor zover de Commissie het gewijzigde plan niet heeft geanalyseerd maar zich op het aanvankelijke plan van 1998 heeft gebaseerd. Derhalve heeft de Commissie geen relevante redenen aangevoerd voor haar conclusie dat het herstructureringsplan (zoals gewijzigd) de levensvatbaarheid op lange termijn van Olympic Airways niet heeft verzekerd.
51 Ter ondersteuning van vorenbedoelde middelen betwist verzoekster de stelling van de Commissie in de bestreden beschikking (punt 173), dat de Helleense Republiek de wijzigingen van het herstructureringsplan die zij noodzakelijk achtte, niet heeft voorgesteld. Zij stelt dat het tijdens de administratieve procedure voor alle betrokken partijen duidelijk was dat het herstructureringsplan was gewijzigd.
52 De Commissie heeft reeds in 1999 geaccepteerd dat het herstructureringsplan werd gewijzigd. Zij heeft namelijk de wijziging van dat plan onder de leiding van Speedwing aangemoedigd, zoals blijkt uit haar brieven aan de Griekse regering van 12 mei 1999, 27 juli 1999 en 23 augustus 1999. Zij is van dit eerste wijzigingsvoorstel vooraf in kennis gesteld bij brieven van de Griekse regering van 7 mei 1999, 23 juni 1999 en 7 juli 1999. Het uiterst gedetailleerde Speedwing-plan was dus het eerste gewijzigde herstructureringsplan. Het is op 18 november 1999 aan de Commissie voorgelegd samen met een brief van de Griekse regering. In haar brief van 29 maart 2000 aan de Helleense Republiek heeft de Commissie erkend dat het Speedwing-plan reeds werd toegepast.
53 Daar de Commissie het Speedwing-plan echter niet heeft goedgekeurd, heeft de Griekse regering haar met ingang van 2000, met name bij brieven van 29 augustus en 6 september 2000, het tweede gewijzigde herstructureringsplan meegedeeld, dat voorzag in de privatisering van OA, zoals met name blijkt uit de punten 73 en 175 van de bestreden beschikking. Uitvoerige informatie over de privatiseringsprocedure is aan de Commissie verstrekt met name in een door Crédit Suisse First Boston in december 2000 opgesteld memorandum, en vervolgens in een brief van de Griekse regering van 16 mei 2001.
54 Uit de briefwisseling blijkt dat vanaf 2000 het herstructureringsplan bestond uit privatisering van de meerderheid van de aandelen, kostenbesparende maatregelen en de verkoop van activa die niet tot de kernactiviteiten behoren. Verzoekster preciseert dat met de kostenbesparende maatregelen, die blijkens de bestreden beschikking (punten 106 en 174) door de Commissie waren aanvaard, in 1998 was begonnen overeenkomstig de beschikking van 1998.
55 Verschillende verklaringen van de Commissie bevestigen dat zij heeft erkend dat het plan van 1998 was gewijzigd om het aan te passen aan de nieuwe situatie en dat de herstructurering van OA noodzakelijkerwijs privatisering inhield. In haar besluit van 4 oktober 2000, waarbij wijziging van het plan van 1998 formeel werd toegestaan, heeft de Commissie immers geen blijk gegeven van haar bezorgdheid over de voortgang van de herstructurering, maar heeft zij integendeel uitdrukkelijk verwezen naar de privatisering met name met de bewoordingen dat „[...] de huidige directie tijdelijk is, in afwachting van de privatisering [van OA] begin volgend jaar [...]”.
56 Voorts heeft de Commissie akte genomen van de vaststelling van doeltreffende maatregelen met het oog op privatisering, met name in een brief aan de Griekse autoriteiten van 25 april 2001, alsmede in een brief van de met vervoer belaste vicevoorzitter van de Commissie, mevrouw Loyola de Palacio, aan de Griekse minister van Vervoer en Communicatie van 5 juli 2001. In die brief werd namelijk verwezen naar een bijeenkomst op 29 mei 2001 tussen ambtenaren van de Commissie en leden van het kabinet van mevrouw Loyola de Palacio enerzijds en financiële en juridische adviseurs van de Griekse regering anderzijds „over het thema van de thans lopende privatisering [van OA]”.
57 Dat de laatste tranche van de in de beschikking van 1998 goedgekeurde steun (22,9 miljoen EUR) niet is uitbetaald, toont verder aan dat de Griekse regering en de Commissie hadden erkend dat het herstructureringsplan van 1998 reeds in 1999 was gewijzigd teneinde de ontwikkeling van de conjunctuur van de luchtvaartmarkt en de situatie van OA in aanmerking te nemen. Gelet op die gestelde wijziging of dit gestelde opgeven van het herstructureringsplan, dat in het bijzonder tot uiting kwam in de niet-betaling van de laatste steuntranche, zou de bestreden beschikking, waarbij de niet-naleving van het herstructureringsplan van 1998 is vastgesteld en de terugvordering van de tweede steuntranche werd gelast, ook inbreuk maken op het beginsel van het gewettigd vertrouwen, de wezenlijke vormvoorschriften en het beginsel ne bis in idem. De Commissie had immers vóór de vaststelling van de bestreden beschikking moeten signaleren dat zij voormelde wijziging niet aanvaardde. Bovendien had de Commissie de niet-betaling van de laatste steuntranche bij de bepaling van het terug te vorderen steunbedrag in aanmerking moeten nemen.
58 De uitvoering van het tweede gewijzigde herstructureringsplan was na de gebeurtenissen van 11 september 2001 onderbroken. Bij brief van 1 februari 2002 heeft de Griekse regering de Commissie de nieuwe maatregelen meegedeeld, die OA overeenkomstig dit gewijzigde herstructureringsplan had vastgesteld om het hoofd te bieden aan de daling van het gehele luchtverkeer. De privatisering van de meerderheid van de aandelen van OA, de kostenbesparende maatregelen en de verkoop van activa die niet tot de kernactiviteiten behoren, waren reële en passende herstructureringsmaatregelen in het licht van die omstandigheden.
59 Het huidige privatiseringsproces was reeds in februari 2002 succesvol gestart, zoals blijkt uit de brief van de Griekse regering van 22 februari 2002 aan de Commissie. In 2002 kende de activiteit van OA namelijk een duidelijke verbetering. De Helleense Republiek heeft de Commissie ingelicht over het privatiseringsproces en de kostenbesparende maatregelen, met name in haar antwoorden van 11 april 2002 op het eerste bevel van de Commissie om informatie te verstrekken, in haar brief van 16 juli 2002 en in haar antwoorden van 30 september 2002 op het tweede bevel tot informatieverstrekking van de Commissie van 9 augustus 2002. In die antwoorden heeft zij met name de verkoop van 58 % van de dochtermaatschappij Olympic Catering bevestigd.
60 Uit het verslag van de bijeenkomst van 16 oktober 2002 blijkt dat de Commissie bij die gelegenheid nogmaals op de hoogte is gebracht van de situatie. Daarin was uitdrukkelijk opgenomen dat het herstructureringsplan van 1998 (in de in 1998 goedgekeurde vorm) „niet meer actueel was” (laatste paragraaf van punt 2, „financiële en commerciële presentatie”). In dit verslag werd ook vermeld („Bijlage II”, paragraaf 16) dat het met vervoer belaste lid van de Commissie, mevrouw Loyola de Palacio, op 2 en 3 oktober 2002 de heer Verelis, de Griekse minister van Vervoer en Communicatie, had ontmoet en had verzocht dat vóór eind 2002 een nieuw herstructureringsplan werd opgesteld.
61 Bovendien werd in het „Report on the Limited Review of [OA] Performance as Compared to its 2002 Financial Plan (July 2002)”, dat op 5 november 2002 aan de chef van het kabinet van mevrouw Loyola de Palacio was meegedeeld en op 14 november 2002 aan de diensten van de Commissie was gezonden, melding gemaakt van een aanmerkelijke verbetering van de bedrijfssituatie van OA in 2002. In die omstandigheden was het uitstel van de privatisering van de meerderheid van de vluchtactiviteiten tot na 2002 niet van betekenis.
62 Op 21 november 2002 is het uitvoerige rapport „Restructuring & Privatisation Report on OA (5 november 2002)” [„Herstructurering en privatisering: rapport over OA (5 november 2002)”] aan de Commissie meegedeeld. Dit rapport beschreef het privatiseringsvoorstel haarfijn tot aan het aantal personeelsleden toe, en bevatte tevens financiële prognoses voor de vluchtactiviteiten van 2003 tot 2005, waarmee de levensvatbaarheid van de onderneming werd aangetoond.
63 Bij brief van de Griekse minister van Vervoer en Communicatie van 2 december 2002 is het met vervoer belaste lid van de Commissie ervan in kennis gesteld dat zes particuliere investeerders blijk hadden gegeven van hun belangstelling om de meerderheid van de aandelen van OA te verwerven (zie punt 9 van de bestreden beschikking).
64 In die context is, anders dan de Commissie stelt, het tweede gewijzigde herstructureringsplan „met alle noodzakelijke gegevens” aan haar voorgelegd overeenkomstig punt 32 van de communautaire richtsnoeren van 1999 voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB C 288, blz. 2; hierna: „richtsnoeren”). In het bijzonder bevatte voormeld rapport van 5 november 2002 alle vereiste „gegevens, veronderstellingen, vooruitzichten, maatregelen, doelstellingen en voorwaarden” en in het opschrift daarvan werd duidelijk aangegeven dat het een herstructureringsplan was. Bovendien werd in bovenbedoelde richtsnoeren in punt 3.2.4 enkel vermeld, dat een lidstaat de Commissie kan „verzoeken” wijzigingen van het herstructureringsplan te aanvaarden. In casu is voormelde overvloedige briefwisseling tussen de Helleense Republiek en de Commissie derhalve aan te merken als een geldig verzoek. Het tweede gewijzigde herstructureringsplan is overigens aan de Commissie gepresenteerd volgens dezelfde procedure als voor het Speedwing-plan was gevolgd en waarover de Commissie tevreden scheen te zijn.
65 De Commissie stelt, dat het door verzoekster aangevoerde feitelijke middel, dat het privatiseringsplan aan haar was voorgelegd en door haar was goedgekeurd, door OA of de Griekse autoriteiten tijdens de administratieve procedure nooit als verzoek om bijkomende steun dan wel als nieuw herstructureringsplan ter vervanging van het plan van 1998 is aangevoerd. Zelfs tijdens de bijeenkomst van 16 oktober 2002 is erop gewezen dat de Commissie onderzocht of de Helleense Republiek de bij de bestreden beschikking van 1998 opgelegde toezeggingen nakwam. Verzoekster kon zich dus niet op dit nieuwe feitelijke middel beroepen (zie, a contrario, de conclusie van advocaat‑generaal Darmon bij arrest Duitsland en Pleuger Worthington/Commissie, punt 34 supra, Jurispr. blz. I‑1175, punten 33 en 107; arresten Gerecht British Airways e.a./Commissie, punt 42 supra, punt 81, en 15 september 1998, BFM en EFIM/Commissie, T‑126/96 en T‑127/96, Jurispr. blz. II‑3437, punt 88). Ten gronde betwist de Commissie dat OA het voorwerp was van een „enkele langdurige herstructureringsprocedure” die op een gewijzigd herstructureringsplan was gebaseerd. Zij stelt dat het Speedwing-plan volledig verschilde van een privatiseringsplan. Bovendien was haar na het opgeven van het Speedwing-plan geen gewijzigd herstructureringsplan meer voorgelegd en a fortiori ook niet door haar goedgekeurd.
66 De Commissie voert aan dat volgens de rechtspraak (arrest BFM en EFIM/Commissie, punt 65 supra, punten 98‑100) een loutere intentieverklaring niet volstaat om een herstructureringsplan te wijzigen. Een gewijzigd plan moet (samen met gegevens, veronderstellingen, vooruitzichten, maatregelen, doelstellingen en voorwaarden) met het oog op de beoordeling daarvan door de Commissie formeel worden ingediend. De Griekse autoriteiten wisten overigens duidelijk welke procedure van toepassing was, aangezien zij deze zowel bij de aanpassing van het plan van 1994, dat de Commissie in de beschikking van 1998 heeft goedgekeurd, als bij het Speedwing-plan heeft gevolgd.
67 In casu had de door verzoekster aangevoerde briefwisseling in geen geval kunnen worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van een gewijzigd herstructureringsplan. In het bijzonder is het rapport met het opschrift „Report on the limited review of [OA] performance as compared to its 2002 financial plan” gebaseerd op niet-bevestigde informatie en veronderstellingen en op gegevens die soms onjuist en onvolledig bleken te zijn. Het rapport van 5 november 2002, „Restructuring and Privatization”, stelt de privatiseringsprocedure nog als een „concept” voor, terwijl het in november 2002 aan de Commissie was voorgelegd, dus minder dan 2 maanden vóór het verstrijken van het in 1998 goedgekeurde plan. Overigens is geen van die twee rapporten met zoveel woorden als gewijzigd plan gepresenteerd.
68 Ten slotte is het argument dat de niet-betaling van de laatste steuntranche bewijst, dat het plan van 1998 in onderlinge overeenstemming is gewijzigd, laattijdig omdat het niet tijdens de administratieve procedure is aangevoerd. Bovendien is het ongegrond. Het is verder in tegenspraak met de op 21 november 2002 door de Griekse autoriteiten meegedeelde opmerkingen, volgens welke de Commissie de betaling van de laatste tranche niet had goedgekeurd, zodat het plan geen succes kon opleveren.
69 Daar de duur van het bij de beschikking van 1998 goedgekeurde herstructureringsplan ten einde liep, was de Commissie in die omstandigheden verplicht de uitvoering van dat plan te beoordelen.
b) Beoordeling door het Gerecht
70 De exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Commissie heeft opgeworpen tegen verzoeksters betoog met betrekking tot de wijziging van het herstructureringsplan, moet worden onderzocht vóór de middelen betreffende enerzijds motiveringsgebrek en anderzijds feitelijke vergissing en kennelijke beoordelingsfout.
Door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid
71 De Commissie stelt dat verzoeksters betoog op basis van de gestelde indiening van een privatiseringsplan tot wijziging van het herstructureringsplan van 1998 niet-ontvankelijk is, omdat dit niet tijdens de administratieve procedure is aangevoerd.
72 Het Gerecht herinnert eraan dat in het kader van een krachtens artikel 230 EG ingesteld beroep tot nietigverklaring de rechtmatigheid van een gemeenschapshandeling moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en de rechtstoestand op de datum waarop de handeling is vastgesteld. Inzonderheid de door de Commissie verrichte ingewikkelde beoordelingen mogen enkel worden onderzocht aan de hand van de gegevens waarover de Commissie beschikte op het ogenblik waarop zij die beoordelingen heeft verricht (arresten Gerecht British Airways e.a./Commissie, punt 42 supra, punt 81, en 15 juni 2005, Corsica Ferries France/Commissie, T‑349/03, Jurispr. blz. II‑2197, punt 142).
73 Hieruit volgt dat een verzoeker in beginsel geen feitelijke argumenten kan inroepen die de Commissie niet bekend waren en die hij niet aan de Commissie heeft meegedeeld tijdens de formele onderzoeksprocedure. Daarentegen belet niets de belanghebbende, tegen de eindbeschikking een rechtsmiddel aan te voeren dat niet tijdens de administratieve procedure is voorgedragen (arresten Gerecht van 6 oktober 1999, Kneissl Dachstein/Commissie, T‑110/97, Jurispr. blz. II‑2881, punt 102, en Saxonia Edelmetalle e.a./Commissie, punt 34 supra, punt 68).
74 In casu betwist de Commissie niet dat de kwestie van de privatisering van OA, die met name is aangesneden in haar briefwisseling met de Griekse autoriteiten en in een aantal door die autoriteiten meegedeelde rapporten waarop verzoekster haar middel betreffende het bestaan van een door die instelling goedgekeurd gewijzigd herstructureringsplan baseert, haar tijdens de administratieve procedure ter kennis is gebracht.
75 De vraag of een privatiseringsplan tot wijziging van het herstructureringsplan van 1998 naar behoren ter goedkeuring aan de Commissie is voorgelegd overeenkomstig de toepasselijke procedureregels, betreft een juridische beoordeling op basis van voormelde feiten, waarvan vaststaat dat zij aan de Commissie waren meegedeeld.
76 Nu het derhalve gaat om een rechtsmiddel en niet een zuiver feitelijk betoog, kan verzoekster zich beroepen op het gestelde bestaan van een privatiseringsplan ter vervanging van het herstructureringsplan van 1998, ongeacht of zij dit middel al dan niet tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd.
77 Om dezelfde redenen moet de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen verzoeksters juridische argument dat de niet-betaling van de laatste tranche van de bij de beschikking van 1998 goedgekeurde steun zou bewijzen dat het herstructureringsplan van 1998 met goedkeuring van de Commissie is gewijzigd, ook worden afgewezen.
Middel betreffende motiveringsgebrek
78 Eerst moet de strekking van verzoeksters betoog met betrekking tot het gebrek aan motivering worden beoordeeld.
79 Het Gerecht herinnert in dit verband eraan dat de motiveringsplicht een wezenlijk vormvoorschrift is dat moet worden onderscheiden van de vraag naar de gegrondheid van de motivering, die de inhoudelijke wettigheid van de omstreden handeling betreft. De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van die handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende gebrek aan of ontoereikende motivering. De door artikel 253 EG geëiste motivering moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden kennis kunnen nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arrest Hof van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C‑17/99, Jurispr. blz. I‑2481, punten 35‑38; arresten Corsica Ferries France/Commissie, punt 72 supra, punten 52 en 59, en Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke/Commissie, punt 36 supra, punten 70 en 71).
80 Verder moet volgens vaste rechtspraak de vraag of de motivering van een beschikking aan de eisen van artikel 253 EG voldoet, niet alleen worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen ervan, maar ook aan de hand van de context en het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (arresten British Airways e.a./Commissie, punt 42 supra, punt 94, en Freistaat Thüringen/Commissie, punt 36 supra, punt 202).
81 In casu verwijt verzoekster de Commissie in wezen dat zij de bestreden beschikking niet heeft gemotiveerd met betrekking tot het ontbreken van levensvatbaarheid van OA in het licht van het gewijzigde herstructureringsplan.
82 In de bestreden beschikking heeft de Commissie weliswaar de daadwerkelijke uitvoering van het herstructureringsplan ten opzichte van het plan in de beschikking van 1998 gecontroleerd. In punt 173 van die beschikking heeft zij echter als reden voor die benadering gegeven dat volgens haar de Griekse Staat, de enige aandeelhouder van OA, geen concreet voorstel tot wijziging van het herstructureringsplan van 1998 heeft ingediend nadat zij het Speedwing-plan had afgewezen. In punt 116, derde alinea, had zij dienaangaande reeds opgemerkt dat, hoewel de drempel van 50 % verlies van het maatschappelijk kapitaal reeds in 1999 was overschreden, het aandelenkapitaal niet was verhoogd en niet tijdig „belangrijke aanpassingen” in het herstructureringsplan waren aangebracht.
83 Om uit te maken of die verklaring in casu een toereikende motivering vormt, moet deze worden beoordeeld in de context van de procedure die tot de vaststelling van de bestreden beschikking heeft geleid. In dat verband merkt het Gerecht enerzijds op dat de Commissie in haar besluit van 6 maart 2002 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure in het bijzonder had vermeld dat het herstructureringsplan van 1998, waarop de beschikking van 1998 tot goedkeuring van de betrokken herstructureringssteun was gebaseerd, niet was uitgevoerd zoals gepland, en dat het bestaan van ernstige twijfel aan de verenigbaarheid van de huidige economische en financiële situatie van OA met de operationele en financiële kencijfers van het betrokken plan een reden was om de beschikking van 1998 vanuit het oogpunt van de correcte toepassing van dat plan opnieuw te onderzoeken. Anderzijds volgt uit het dossier niet dat de Griekse autoriteiten na het opgeven van het Speedwing-plan en vóór de vaststelling van de bestreden beschikking op 11 december 2002 een formeel en expliciet verzoek om wijziging van het herstructureringsplan van 1998 bij de Commissie hebben ingediend, teneinde de noodzakelijke aanpassingen in dat plan aan te brengen door in casu OA te privatiseren.
84 In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de Commissie niet verplicht was in de bestreden beschikking nog meer redenen aan te geven waarom zij meende de uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 in zijn aanvankelijke versie te moeten controleren.
85 Hieruit volgt dat het middel dat die beschikking niet was gemotiveerd met betrekking tot de vraag of het door verzoekster aangevoerde gewijzigde herstructureringsplan het mogelijk maakte binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid van OA op lange termijn te herstellen, ongegrond is.
86 Derhalve moeten de grieven inzake de niet-inaanmerkingneming van het gewijzigde herstructureringsplan worden onderzocht in het kader van de door verzoekster aangevoerde middelen betreffende feitelijke vergissing en kennelijke beoordelingsfout.
Middelen betreffende feitelijke vergissing en kennelijke beoordelingsfout
87 Verzoekster voert vier reeksen van argumenten aan ten bewijze dat het plan van 1998 na het opgeven van het Speedwing-plan was gewijzigd. Het is wenselijk eerst het rechtskader te preciseren waarvan de litigieuze kwestie deel uitmaakt, alvorens achtereenvolgens die argumenten van verzoekster te onderzoeken, die zijn gebaseerd op: 1) de volgens haar enkele langdurige herstructureringsprocedure van OA en de noodzaak het plan van 1998 bij te werken; 2) de niet-betaling van de laatste steuntranche; 3) het besluit van 4 oktober 2000, en 4) de briefwisseling tussen de Griekse autoriteiten en de Commissie, alsmede de tijdens de administratieve procedure aan laatstgenoemde meegedeelde rapporten.
– Rechtskader en in casu opgeworpen vraag
88 Het is vaste rechtspraak dat steun aan bedrijven in moeilijkheden slechts verenigbaar met de gemeenschappelijke markt op grond van artikel 87, lid 3, sub c, EG kan worden verklaard, indien hij gepaard gaat met een coherent herstructureringsplan, dat met alle noodzakelijke gegevens aan de Commissie dient te worden voorgelegd (arresten Frankrijk/Commissie, punt 79 supra, punt 45; BFM en EFIM/Commissie, punt 65 supra, punt 98, en Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, punt 43 supra, punt 151). De richtsnoeren die in casu van toepassing zijn, bevestigen dat het herstructureringsplan binnen een redelijk tijdsbestek de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming dient te herstellen op grond van realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden, en dat het met alle noodzakelijke gegevens moet worden voorgelegd (punt 3.2.2, sub b).
89 Bovendien staat het volgens de richtsnoeren na de goedkeuring van de herstructureringssteun aan de betrokken onderneming, het door de Commissie aanvaarde herstructureringsplan volledig uit te voeren en alle andere in de beschikking van de Commissie opgelegde verplichtingen na te komen (punt 3.2.2, sub f). De uitvoering van het herstructureringsplan geschiedt onder de controle van de Commissie, die in staat moet worden gesteld zich, op grond van regelmatige en gedetailleerde verslagen die de betrokken lidstaat bij haar indient, van een behoorlijke uitvoering van het herstructureringsplan te vergewissen (punt 3.2.2, sub g).
90 In de richtsnoeren (punt 3.2.4) wordt ook gepreciseerd dat wanneer herstructureringssteun is goedgekeurd, de betrokken lidstaat, zolang de herstructureringsperiode niet is afgelopen, de Commissie kan verzoeken wijzigingen van het herstructureringsplan en van het steunbedrag te aanvaarden. De Commissie kan dergelijke wijzigingen goedkeuren nadat zij heeft geverifieerd dat aan een aantal voorwaarden was voldaan. In het bijzonder moet het gewijzigde plan, steeds binnen een redelijk tijdsbestek, een herstel van de levensvatbaarheid inhouden.
91 Derhalve volgt uit artikel 87, lid 3, sub c, EG juncto artikel 88, leden 2 en 3, EG, zoals deze door voormelde rechtspraak zijn uitgelegd en bij de reeds aangehaalde bepalingen van de richtsnoeren zijn uitgevoerd, dat voor elke belangrijke wijziging van een door de Commissie aanvaard herstructureringsplan de betrokken lidstaat in beginsel een gewijzigd plan met alle noodzakelijke gegevens moet voorleggen, zodat de Commissie de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt kan toetsen aan de in punt 3.2.4 van de richtsnoeren gestelde voorwaarden.
92 Wat de procedure betreft, blijkt verder uit de rechtspraak dat de Commissie in geval van niet-nakoming van één van de voorwaarden waaraan de goedkeuring van een steunmaatregel is onderworpen, doorgaans enkel een beschikking houdende afwijking van die voorwaarde kan geven zonder de procedure van artikel 88, lid 2, EG te heropenen, wanneer de afwijkingen van de oorspronkelijke voorwaarde relatief gering zijn (arrest Gerecht van 15 september 1998, Ryanair/Commissie, T‑140/95, Jurispr. blz. I‑3327, punt 88). In het bijzonder wanneer de aanpassing van het herstructureringsplan aanleiding is tot twijfel aan de verenigbaarheid van de steunmaatregel, is de Commissie verplicht de verenigbaarheid van die steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt opnieuw formeel te onderzoeken.
93 Die procedureregels bevestigen dat de Commissie wanneer het in de beschikking tot goedkeuring van herstructureringssteun aanvaarde herstructureringsplan niet volledig is uitgevoerd, in voorkomend geval een belangrijke wijziging van dat plan enkel kan goedkeuren op basis van een uitvoerig formeel onderzoek van de vraag of het door de betrokken lidstaat voorgelegde gewijzigde plan strookt met die in de richtsnoeren gestelde voorwaarden. Wanneer de betrokken lidstaat geen gewijzigd herstructureringsplan voorlegt, is de Commissie derhalve in beginsel niet verplicht en ook niet in staat – bij haar beoordeling van de verenigbaarheid van de steun – rekening te houden met eventuele belangrijke wijzigingen van het aanvankelijke plan op basis van loutere intentieverklaringen van de betrokken lidstaat.
94 In casu moet derhalve worden nagegaan of bij gebreke van een tweede formeel verzoek om wijziging van het herstructureringsplan na het opgeven van het eerste gewijzigde herstructureringsplan dat aan de Commissie is meegedeeld, namelijk het Speedwing-plan (zie punten 13 en 83 hierboven), op grond van de verschillende door verzoekster aangevoerde gegevens toch ervan kan worden uitgegaan dat een tweede verzoek om wijziging van het herstructureringsplan van 1998 aan de Commissie is voorgelegd met alle noodzakelijke gegevens om haar in staat te stellen de verenigbaarheid van de steunmaatregel te beoordelen.
– Onderzoek van de argumenten inzake de enkele langdurige herstructureringsprocedure van OA en de noodzaak om het herstructureringsplan van 1998 bij te werken
95 Allereerst moet worden opgemerkt dat verzoeksters argument dat OA een enkele langdurige herstructureringsprocedure heeft gevolgd, tijdens welke het herstructureringsplan van 1998 is gewijzigd, in elk geval irrelevant is. Immers, ongeacht de aard van de uitgevoerde of voorgenomen herstructureringsmaatregelen, moesten de bevoegde nationale autoriteiten, wanneer zij, zoals in casu, een aanzienlijke wijziging van het aanvankelijke plan (zie punt 97 hierna) wensten te bewerkstelligen, een gewijzigd plan ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen overeenkomstig bovenbedoelde bepalingen van de richtsnoeren, teneinde die instelling in staat te stellen de verenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt aan dit gewijzigde plan te toetsen. In het bijzonder volstond het niet de Commissie te verzoeken om een onderzoek van de financiële situatie van OA los van de daadwerkelijke uitvoering van het herstructureringsplan van 1998, zoals de Griekse autoriteiten volgens de bestreden beschikking herhaaldelijk hebben gedaan (punt 184). Overigens zij opgemerkt dat reeds in 1994 met de herstructurering van OA was begonnen, zoals is benadrukt in het eindrapport dat Deloitte & Touche over het Speedwing-plan in maart 2000 heeft opgesteld, en dat een bijwerking van het plan van 1994 en een verlenging van de herstructureringsperiode, die noodzakelijk waren om OA in staat te stellen de situatie met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het oorspronkelijke plan te herstellen, door de Commissie in de beschikking van 1998 waren goedgekeurd nadat de Helleense Republiek in juli 1998 een gewijzigd herstructureringsplan met een gedetailleerd uitvoeringsplan had meegedeeld (zie punten 40, 46, 78 en 85 van die beschikking). Het herstructureringsplan van 1998 beoogde de levensvatbaarheid van OA op lange termijn te herstellen door de volledige uitvoering van de reeds in het plan van 1994 voorziene herstructureringsmaatregelen samen met bijkomende herstructureringsmaatregelen teneinde rekening te houden met de verslechtering van de financiële resultaten van OA in 1997.
96 Bovendien waren de herstructureringsmaatregelen van OA, die tijdens de toepassingsperiode van het herstructureringsplan van 1998 achtereenvolgens werden uitgevoerd, een onderdeel van verschillende strategieën, wat tot een gebrek aan continuïteit in de herstructureringsprocedure leidde. Zoals de Griekse autoriteiten met name in hun antwoorden van 11 april 2002 op het bevel tot informatieverstrekking van 6 maart 2002 hebben erkend, „verschilde de filosofie [van het] Speedwing-plan sterk van die van het in 1998 goedgekeurde plan, omdat het meer gericht was op stijging en maximalisering van de inkomsten dan van de uitgaven”. Het Speedwing-plan, vergezeld van een ondernemingsplan, is in november 1999 aan de Commissie meegedeeld (zie punt 13 hierboven). Met de verwezenlijking van dat plan was echter al in augustus 1999 een begin gemaakt zonder de goedkeuring van de Commissie. De uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 is dus van augustus 1999 tot het vertrek van Speedwing medio 2000 opgeschort, en in de zomer van 2000 kon met een nieuwe fase van kostenbesparing en reactivering van het herstructureringsplan van 1998 een begin worden gemaakt.
97 In casu was het evenwel al in 1999 duidelijk dat een wezenlijke wijziging van het herstructureringsplan van 1998 noodzakelijk was om de levensvatbaarheid van OA op lange termijn te verzekeren, zoals de Griekse regering met name in het Speedwing-plan heeft opgemerkt onder verwijzing in het bijzonder naar het rapport Deloitte & Touche van 21 juli 1999 over de uitvoering van het plan van 1998 (zie punt 11 hierboven). In dat rapport werd er namelijk op gewezen dat de slechte financiële situatie van OA en de verslechtering van de marktvoorwaarden bijkomende maatregelen onmisbaar maakten om de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn te verzekeren. Dat de in het herstructureringsplan van 1998 verwachte financiële resultaten van OA niet toereikend waren, was overigens reeds opgemerkt in het rapport over de uitvoering van dit op 7 mei 1999 aan de Commissie meegedeelde plan (zie punt 10 hierboven), waarin die autoriteiten hadden verklaard dat na de vaststelling van de beschikking van 1998 de uit de gecontroleerde jaarrekening van het boekjaar 1997 voortvloeiende feitelijke resultaten zelfs de meest pessimistische verwachtingen van eind februari 1998 overtroffen toen het herstructureringsplan en het daarbij behorende ondernemingsplan waren uitgewerkt. Ten slotte blijkt uit de door de Commissie opgestelde notulen van die bijeenkomst, dat de juridische adviseurs van de Griekse regering op de bijeenkomst met de diensten van de Commissie van 16 oktober 2002 opnieuw hebben bevestigd dat het herstructureringsplan van 1998 sinds 1999 niet meer was bijgewerkt wegens de aanzienlijke afwijkingen die zich meteen vanaf het eerste jaar van het plan hadden voorgedaan.
98 Gelet op de omvang van de door beide partijen noodzakelijk geachte wijzigingen, konden bovenbedoelde eisen (zie punten 91 en 93 hierboven) dat de betrokken lidstaat tijdens de herstructureringsperiode een gewijzigd herstructureringsplan voorlegt met het oog op een grondig onderzoek door de Commissie, niet worden gewijzigd enkel omdat de Commissie – zoals zijzelf opmerkt – de wijziging van het herstructureringsplan van 1998 heeft aangemoedigd. De Commissie heeft namelijk de wijziging van dat plan eerst tijdens het management van Speedwing aangemoedigd, zoals met name blijkt uit haar brieven van 27 juli 1999 en 23 augustus 1999 alsmede uit de bestreden beschikking (punt 29), daarna uit het opgeven van het Speedwing-plan, zoals blijkt uit haar brief van 29 maart 2000, de brief van het met vervoer belaste lid van de Commissie, mevrouw Loyola de Palacio, van 5 juli 2001, en uit het feit dat laatstgenoemde tijdens haar ontmoetingen van 2 en 3 oktober 2002 met de heer Verelis, Griekse minister van Vervoer en Communicatie, de twijfel van de Commissie omtrent de levensvatbaarheid van OA te kennen heeft gegeven en de noodzaak om vóór de afloop van het huidige herstructureringsplan over een nieuw herstructureringsplan te beschikken, zoals blijkt uit bijlage II bij de notulen van de bijeenkomst van 16 oktober 2002.
99 Bovendien volgt uit de dossierstukken dat de Commissie meermaals en met name in haar bovenbedoelde brief van 23 augustus 1999 weliswaar heeft verklaard positief te staan tegenover een wijziging van het herstructureringsplan van 1998, maar heeft gewezen op het feit dat zij het gewijzigde nieuwe plan uitvoerig moest onderzoeken alvorens haar eindbeschikking over de verenigbaarheid van de steunmaatregel te geven. Vooraf had de Commissie met name benadrukt dat door de bevoegde nationale autoriteiten prioriteit moest worden gegeven aan de omschrijving van de gewijzigde financiële prognoses betreffende de gehele duur van het plan (zie brief van de Commissie aan de Griekse autoriteiten van 12 mei 1999).
100 In die context kan op grond van het feit dat de Griekse autoriteiten en de Commissie het tijdens de administratieve procedure eens waren over de noodzaak om het herstructureringsplan van 1998 bij te werken, op zichzelf niet worden aangenomen dat een gewijzigd nieuw plan, dat aan bovenbedoelde eisen voldeed (zie punten 91 en 93 hierboven), ter goedkeuring aan de Commissie was voorgelegd.
– Onderzoek van het argument inzake de niet-betaling van de laatste steuntranche
101 Met betrekking tot de niet-betaling van de derde en laatste steuntranche blijkt duidelijk uit de dossierstukken dat de reden daarvoor de niet-uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 was. De beschikking van 1998 (artikel 1, lid 2) stelde de betaling van die tranche, 22,9 miljoen EUR, namelijk afhankelijk van de naleving van alle voorwaarden die bij die beschikking waren gesteld om de verenigbaarheid van de steun met de gemeenschappelijke markt en de daadwerkelijke uitvoering van het herstructureringsplan van 1998 en de verwezenlijking van de verwachte resultaten te waarborgen (met name wat de kosten‑ en productiviteitsratio’s betreft). Nadat de Griekse autoriteiten op 7 mei 1999 het reeds aangehaalde rapport als bedoeld bij artikel 1, lid 2, van de beschikking van 1998 vóór de betaling van de laatste tranche hadden meegedeeld, had de Commissie de Griekse autoriteiten in het bijzonder bij bovenbedoelde brief van 27 juli 1999 te kennen gegeven dat de analyse van de tekortkomingen met betrekking tot de uitvoering van het herstructureringsplan van 1998, die in het rapport van Deloitte & Touche van 21 juli 1999 is uiteengezet (zie punten 10 en 11 hierboven), aantoonde dat zij geen gunstig besluit over de betaling van de laatste tranche kon nemen. Zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld (zie punt 98 hierboven), had zij in die brief de Griekse regering verzocht haar een bijgewerkt herstructureringsplan van OA voor te leggen om te onderzoeken of de betaling van een kapitaalinjectie van 22,9 miljoen EUR gerechtvaardigd was. In haar brief van 18 november 1999 waarbij het Speedwing-plan aan de Commissie werd meegedeeld (zie punt 13 hierboven), had de Griekse regering gevraagd of zij de laatste steuntranche kon uitbetalen nadat de Commissie het gewijzigde plan had gecontroleerd. Bij brief van 17 december 1999 heeft die regering de Commissie verzocht haar beslissing over de betaling van de laatste tranche uit te stellen om de Griekse autoriteiten in staat te stellen de eventuele invloed te beoordelen van de zojuist begonnen procedure die beoogde particuliere investeringen in OA mogelijk te maken, en een optimaal plan ter verzekering van de levensvatbaarheid van OA te ontwikkelen. Het met Speedwing gesloten contract bood British Airways immers een optie om vóór juli 2000 20 % van het aandelenkapitaal van OA te kopen. In die context valt de niet-betaling van de laatste steuntranche nog minder te verklaren door de omstandigheid dat volgens de Griekse regering en de Commissie het herstructureringsplan van 1998 was gewijzigd, daar het Speedwing-plan definitief was opgegeven nadat de Commissie bij brief van 20 maart 2000 het door Deloitte & Touche in maart 2000 opgestelde ongunstige eindrapport aan de Griekse autoriteiten had meegedeeld (zie punt 14 hierboven).
102 Latere ontwikkelingen van de zaak maken het ook niet mogelijk de niet-betaling van de laatste steuntranche als bewijs van de wijziging van het herstructureringsplan van 1998 te beschouwen. Daar British Airways vóór juli 2000 geen bod heeft uitgebracht, heeft de Griekse regering de Commissie bij brief van 29 augustus 2000 in kennis gesteld van haar beslissing een internationale aanbestedingsprocedure uit te schrijven om een strategische investeerder te vinden. In die brief herhaalde zij haar verzoek dat de Commissie de beslissing over de betaling van de laatste tranche uitstelt zolang OA „niet de resultaten had beoordeeld van die poging” tot privatisering. Hieruit blijkt enkel dat de Commissie op de hoogte was van het project tot privatisering van de meerderheid van de aandelen van OA om de verwezenlijking van de doelstellingen van het herstructureringsplan te vergemakkelijken (zie punt 106 hierna). Hoewel de Griekse autoriteiten in hun antwoorden van 11 april 2002 (punt 1.9) de „bevriezing” van de laatste steuntranche hebben voorgesteld als het resultaat van hun open houding tegenover het compromis met de Commissie, kan die „bevriezing” in de hierboven beschreven context niet worden uitgelegd als het resultaat van de indiening van een verzoek tot wijziging van het herstructureringsplan samen met een overeenkomstig de bepalingen van de richtsnoeren gewijzigd plan. Die bevriezing vloeide uitsluitend voort uit de toepassing door de Commissie van artikel 1, lid 2, van de beschikking van 1998 (zie punt 101 hierboven).
103 Anders dan verzoekster stelt, kan de niet-betaling van de laatste steuntranche bijgevolg niet worden beschouwd als een aanwijzing voor de wijziging van het herstructureringsplan van 1998 of van de indiening bij de Commissie van een verzoek tot wijziging van dat herstructureringsplan van 1998 samen met een tweede gewijzigd plan, na het opgeven van het Speedwing-plan.
104 In weerwil van de niet-betaling van de laatste steuntranche bleef derhalve het herstructureringsplan van 1998 in zijn geheel geldig en is het nog steeds volledig verbindend voor verzoekster overeenkomstig de bepalingen van de richtsnoeren (zie punt 89 hierboven). Anders dan verzoekster stelt, stond het in het bijzonder niet aan de Commissie vóór de vaststelling van de bestreden beschikking aan te geven dat zij de gestelde wijziging van dat plan niet aanvaardde, wat neerkwam op de niet-betaling van de laatste steuntranche. Toen zij in de bestreden beschikking de naleving van het herstructureringsplan van 1998 controleerde en een standpunt bepaalde ten aanzien van de terugvordering van de reeds uitbetaalde steun die zij onverenigbaar achtte met de gemeenschappelijke markt, behoefde zij bovendien geen rekening te houden met die gestelde wijziging en met de niet-betaling van de laatste steuntranche, aangezien zij niet op regelmatige wijze van een wijziging van het herstructureringsplan van 1998 in kennis was gesteld. Hieruit volgt dat de bijkomende middelen die verzoekster in verband met dat betoog inzake de niet-betaling van de laatste tranche heeft aangevoerd, en schending van het vertrouwensbeginsel, van de wezenlijke vormvoorschriften en van het beginsel ne bis in idem betreffen, ook ongegrond moeten worden verklaard.
– Onderzoek van het argument inzake het besluit van 4 oktober 2000
105 Ook de verwijzing – in het besluit van de Commissie van 4 oktober 2000 geen bezwaar te maken tegen een wijziging van de beschikking van 1998 – naar het tijdelijke karakter van de directie van OA in afwachting van de privatisering van OA begin 2001 wettigt niet de veronderstelling dat een tweede gewijzigd herstructureringsplan, waarvan de privatisering van OA deel uitmaakt, aan de Commissie was voorgelegd na het opgeven van het Speedwing-plan. In de context van het besluit van 4 oktober 2000 was bovenbedoelde verwijzing enkel een van de redenen van het besluit van de Commissie om de termijn voor het gebruik van de in de beschikking van 1998 goedgekeurde nieuwe leninggaranties te verlengen (zie punten 16 en 17 hierboven). Anders dan verzoekster ter terechtzitting heeft gesteld, werd in het besluit van 4 oktober 2000 enkel de geringe wijziging bestaande in voormelde verlenging van de termijn voor het gebruik van de nieuwe leninggaranties geacht geen twijfel op te werpen wat de verenigbaarheid van de steun betrof, overeenkomstig de rechtspraak van het arrest Ryanair/Commissie, punt 92 supra.
106 Bijgevolg kan het door verzoekster aangevoerde besluit van 4 oktober 2000 niet aldus worden uitgelegd dat dit een aanwijzing bevat voor de indiening bij de Commissie van een tweede gewijzigd plan waarin de privatiseringsprocedure is opgenomen, en van de goedkeuring van dat plan.
– Onderzoek van de argumenten die zijn gebaseerd op de briefwisseling tussen de Griekse autoriteiten en de Commissie en op de aan die instelling meegedeelde rapporten
107 Vooraf zij eraan herinnerd dat noch de regelmatig aan de Commissie verstrekte informatie over de uitvoering van het project tot privatisering van de meerderheid van de aandelen van OA, in het bijzonder over de twee achtereenvolgende privatiseringsprocedures waarmee aan het begin van de zomer van 2000 respectievelijk in februari 2002 een begin was gemaakt, noch de bijeenkomsten die daarover tussen de adviseurs van de Griekse regering en de diensten van de Commissie zijn gehouden, de Griekse autoriteiten konden ontslaan van de verplichting elke belangrijke wijziging van het herstructureringsplan van 1998 met de noodzakelijke gegevens ter goedkeuring aan de Commissie voor te leggen.
108 Derhalve moet worden nagegaan of de briefwisseling en de verschillende door verzoekster aangevoerde rapporten de overweging wettigen dat een verzoek om wijziging van het herstructureringsplan samen met een gewijzigd plan is voorgelegd aan de Commissie overeenkomstig de eisen van de richtsnoeren, ongeacht of het in verband met de eerste of de tweede privatiseringsprocedure is.
109 Wat de eerste privatiseringsprocedure betreft, is na de vaststelling in september 2000 van het besluit dat noodzakelijk is voor een privatisering van de meerderheid van de aandelen van OA, de aanbesteding in december daaraanvolgend uitgeschreven volgens de aanwijzingen in de antwoorden van de Griekse autoriteiten van 11 april 2002 op het bevel tot informatieverstrekking van 6 maart 2002 (punten 2.7.4 en 2.19.2). De Griekse minister van Vervoer en Communicatie heeft in een brief aan mevrouw Loyola de Palacio van 6 september 2000 erop gewezen dat volgens het door Crédit Suisse First Boston van particuliere investeerders ontvangen commentaar enkel belangstelling was indien een meerderheidspakket van de aandelen werd verkocht en mits de financiële parameters van OA „helder” waren. Het op 20 december 2000 aan de Commissie meegedeelde memorandum van het Crédit Suisse First Boston was bedoeld om een beperkt aantal ondernemingen dat hun belangstelling voor overname van OA te kennen had gegeven, te helpen bij hun beslissing om al dan niet bijkomend onderzoek naar de situatie van die onderneming in te stellen. Dat omvatte met name het door PricewaterhouseCoopers opgestelde rapport (zie punt 15 hierboven). De kwestie van de aanpassing van het herstructureringsplan van 1998 met het oog op het herstel van de levensvatbaarheid van OA werd echter noch in dat memorandum noch in de briefwisseling en voormelde antwoorden aangesneden.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaald in
- Gerecht EU 16 maart 2016, T-103/14, ECLI:EU:T:2016:152
- Gerecht EU 24 september 2019, T-760/15, ECLI:EU:T:2019:669
- Gerecht EU 13 mei 2015, T-511/09, ECLI:EU:T:2015:284
- Gerecht EU 6 april 2022, T-508/19, ECLI:EU:T:2022:217
- Gerecht EU 12 mei 2021, T-816/17, ECLI:EU:T:2021:252
- Gerecht EU 12 maart 2020, T-732/16, ECLI:EU:T:2020:98
- Gerecht EU 12 maart 2020, T-901/16, ECLI:EU:T:2020:97
- Gerecht EU 26 mei 2016, T-479/11, ECLI:EU:T:2016:320
- Gerecht EU 15 juli 2020, T-778/16, ECLI:EU:T:2020:338
- Gerecht EU 4 mei 2022, T-718/20, ECLI:EU:T:2022:276
- Gerecht EU 24 september 2019, T-755/15, ECLI:EU:T:2019:670
- Gerecht EU 17 november 2017, T-263/15, ECLI:EU:T:2017:820
- Gerecht EU 1 maart 2016, T-79/14, ECLI:EU:T:2016:118