Gerecht EU 15 maart 2006, T-15/02, ECLI:EU:T:2006:74

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑15/02

BASF AG

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Mededinging – Mededingingsregelingen in sector vitamineproducten – Rechten van verdediging – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten – Vaststelling van uitgangsbedrag van geldboete – Afschrikkende werking – Verzwarende omstandigheden – Rol van leider of aanstichter – Medewerking tijdens administratieve procedure – Beroepsgeheim en beginsel van behoorlijk bestuur”

Arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 15 maart 2006

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud – Eerbiediging van rechten van verdediging

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 19, lid 1; verordening nr. 2842/98 van de Commissie, art. 2 en 3)

2. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

3. Mededinging – Geldboeten – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Motiveringsplicht – Omvang

(Art. 253 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1)

6. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

8. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkend karakter

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkend karakter

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 1 A)

10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkend karakter

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Afschrikkend karakter

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

16. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Art. 229 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)

17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

18. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

19. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie, punt 2)

22. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Mededeling van Commissie betreffende niet opleggen of verminderen van geldboeten in ruil voor medewerking van betrokken ondernemingen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)

23. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, deel B, sub b)

24. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, deel B)

25. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededelingen van de Commissie 96/C 207/04, deel B, en 98/C 9/03, punt 2)

26. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, deel B)

27. Mededinging – Geldboeten – Rechterlijke toetsing

(Art. 81 EG en 229 EG; EER-Overeenkomst, art. 53, lid 1; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)

28. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Inaanmerkingneming van medewerking van betrokken onderneming met Commissie buiten door mededeling inzake medewerking vastgesteld kader

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededelingen van de Commissie 96/C 207/04 en 98/C 9/03, punt 3)

29. Mededinging – Administratieve procedure – Geheimhoudingsplicht

(Art. 287 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 20, lid 2)

1. In het kader van de toepassing van de mededingingsregels moeten de punten van bezwaar, hoe bondig ook, in de mededeling van de punten van bezwaar worden geformuleerd in bewoordingen die voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten, welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Alleen dan kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen alle informatie verschaffen die zij nodig hebben om zich nuttig te kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft. Deze functie varieert niet naar gelang van de bijzondere situatie van de onderneming tot wie zij is gericht en de mate waarin zij met de Commissie heeft meegewerkt. Aan het genoemde vereiste is voldaan wanneer in de beschikking aan de betrokkenen geen andere dan de in de mededeling van de punten van bezwaar genoemde inbreuken ten laste worden gelegd, en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken.

Wat de uitoefening van de rechten van verdediging ter zake van het opleggen van geldboeten betreft, voldoet de Commissie aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord, wanneer zij in haar mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd, en zij de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, vermeldt op grond waarvan een boete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze „opzettelijk of uit onachtzaamheid” is begaan. De Commissie verstrekt deze ondernemingen daardoor de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van geldboeten te verdedigen. Hieruit volgt dat de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboeten voor de Commissie worden gewaarborgd door middel van de opmerkingen die zij omtrent de duur, de zwaarte en het mededingingsverstorende karakter van de hun verweten feiten kunnen maken.

De Commissie is niet gehouden in de mededeling van de punten van bezwaar de mogelijkheid van een beleidswijziging met betrekking tot het algemene niveau van de geldboeten te vermelden, daar deze mogelijkheid afhankelijk is van algemene overwegingen betreffende het mededingingsbeleid en geen rechtstreeks verband houdt met de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak, en zij moet evenmin de omvang aangeven van de verhoging van de geldboete die in voorkomend geval zou worden toegepast om de afschrikkende werking van de geldboete te verzekeren, aangezien deze instelling, voorzover zij de gegevens, feitelijk en rechtens, heeft vermeld op basis waarvan de geldboete zal worden berekend, niet nader behoeft uit te leggen op welke wijze zij elk van deze gegevens bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zal gebruiken. Zolang de ondernemingen niet in staat zijn gesteld hun opmerkingen te maken omtrent de tegen hen in aanmerking genomen punten van bezwaar, zou het geven van aanwijzingen omtrent het niveau van de beoogde geldboeten erop neerkomen dat de Commissie vooruitloopt op haar beslissing, hetgeen onjuist zou zijn.

(cf. punten 46‑49, 58‑59, 62)

2. Ofschoon de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van elke geldboete over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt en niet verplicht is een louter mathematische formule te hanteren, mag zij niet afwijken van de regels die zij zichzelf heeft opgelegd. Aangezien de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, een instrument vormen om, met inachtneming van de rechtsregels van hogere rang, de criteria te omschrijven die de Commissie bij het gebruik van deze beoordelingsvrijheid voornemens is te hanteren, moet de Commissie bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten daadwerkelijk rekening houden met de richtsnoeren, met name met de punten die daarin dwingend zijn vastgesteld.

(cf. punt 119)

3. Bij de bepaling van de omvang van de plicht tot motivering van een beschikking waarbij aan meerdere ondernemingen geldboeten worden opgelegd wegens schending van de communautaire mededingingsregels, dient in het bijzonder rekening te worden gehouden met het feit dat de zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld aan de hand van een groot aantal factoren, zoals – met name – de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context ervan en de afschrikkende werking van de geldboeten, zonder dat een dwingende of uitputtende lijst van verplicht in aanmerking te nemen criteria is opgesteld. Aan deze plicht is derhalve voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de beoordelingsfactoren aangeeft op grond waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft bepaald, zonder dat zij dit nader behoeft toe te lichten of de cijfergegevens betreffende de berekening van de geldboete moet vermelden, ofschoon het wenselijk kan zijn dat de Commissie gebruik maakt van de mogelijkheid om deze cijfers te vermelden die – met name voor de beoogde afschrikkende werking – de leidraad waren bij het gebruik van haar beoordelingsvrijheid.

(cf. punten 131, 206, 213‑214)

4. De richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, voorzien als uitgangspunt voor de berekening van de geldboete in een bedrag dat wordt vastgesteld binnen bepaalde grenzen die de verschillende zwaarte van de inbreuken weerspiegelen, maar die als zodanig niets van doen hebben met de relevante omzet. Deze methode berust vooral op een, zij het relatieve en soepele, tarifering van de geldboeten. Wanneer de Commissie bij één enkele beschikking verschillende inbreuken vaststelt, legt deze methode bijgevolg niet de verplichting – net zomin als het verbod – op om voor de vaststelling van de met elk van deze inbreuken overeenkomende uitgangsbedragen de omvang van de betrokken markt in aanmerking te nemen, en legt zij de Commissie dus nog veel minder de verplichting op om dit bedrag aan de hand van een vast percentage van de samengevoegde marktomzetcijfers vast te stellen.

(cf. punten 133‑135)

5. De Commissie is niet verplicht om bij de berekening van het bedrag van de wegens inbreuk op de communautaire mededingingsregels opgelegde geldboeten uit te gaan van bedragen die op de omzet van de betrokken ondernemingen zijn gebaseerd, en zij behoeft evenmin, wanneer zij geldboeten oplegt aan verschillende bij eenzelfde inbreuk betrokken ondernemingen, ervoor te zorgen dat het definitieve bedrag van deze geldboeten elk verschil tussen de betrokken ondernemingen op het gebied van hun totale omzet of hun omzet op de markt voor het betrokken product weerspiegelt. De zwaarte van de inbreuken moet worden vastgesteld op basis van een groot aantal factoren, zoals met name de bijzondere omstandigheden van de zaak, de context daarvan en de afschrikkende werking van de geldboeten. Derhalve mag de Commissie voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete weliswaar rekening houden met het deel van de omzet dat is behaald met de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, als element dat een indicatie kan geven van de zwaarte van de inbreuk, maar aan dit omzetcijfer mag geen belang worden toegekend dat niet in verhouding staat tot dat van de overige beoordelingselementen, zodat de vaststelling van het bedrag van de geldboeten niet de resultante kan zijn van een eenvoudige berekening op basis van dit cijfer.

Daarbij komt dat, hoewel de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, niet voorzien in de berekening van de geldboeten op basis van de wereldwijde omzet met het product, zij zich niet ertegen verzetten dat de Commissie bij de bepaling van het bedrag van de geldboete dit omzetcijfer in aanmerking neemt om de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht in acht te nemen, of wanneer de omstandigheden dit vereisen. Verder wordt in de richtsnoeren beklemtoond dat het beginsel van gelijke bestraffing van een gelijke gedraging, wanneer de omstandigheden daartoe nopen, kan leiden tot de toepassing van verschillende boetebedragen voor de betrokken ondernemingen zonder dat deze differentiëring in een rekenkundig regeltje te vatten is.

Het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel eisen evenmin dat het uitgangsbedrag van de geldboete voor de verschillende leden van de mededingingsregeling een identiek percentage van de individuele omzet bedraagt.

(cf. punten 139, 145-149)

6. Tegen de methode die erin bestaat, bij de bepaling van het bedrag van de aan de verschillende deelnemers aan een mededingingsregeling opgelegde geldboeten, de leden ervan in verschillende categorieën in te delen, hetgeen meebrengt dat vaste bedragen worden vastgesteld als uitgangsbedrag voor de ondernemingen van eenzelfde categorie, kan, ook al gaat zij voorbij aan de verschillen in omvang tussen ondernemingen van eenzelfde categorie, niets worden ingebracht. Deze indeling moet evenwel aan het gelijkheidsbeginsel voldoen, hetgeen betekent dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Verder moet het bedrag van de geldboeten ten minste in verhouding staan tot de factoren die bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk in aanmerking worden genomen.

Om na te gaan of een indeling in groepen van de leden van een mededingingsregeling conform het gelijkheids‑ en het evenredigheidsbeginsel is gebeurd, mag de gemeenschapsrechter, in het kader van zijn wettigheidstoezicht op het gebruik van de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie op dit gebied beschikt, evenwel alleen toetsen of deze indeling samenhangend is en of zij objectief gerechtvaardigd is, zonder zijn beoordeling zonder meer in de plaats van die van de Commissie te stellen.

In dit verband is een indeling van de leden van een mededingingsregeling in twee categorieën, de grootste en de andere, geen onredelijke werkwijze voor de aanpassing van het uitgangsbedrag aan het relatieve belang op de markt, voorzover zij niet tot een grove vertekening van de betrokken markten leidt.

(cf. punten 150, 156‑157, 159)

7. De Commissie beschikt over een beoordelingsmarge die haar toestaat om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten wegens inbreuk op de mededingingsregels die zij wil opleggen, al dan niet met bepaalde factoren rekening te houden, met name gelet op de omstandigheden van de zaak. Gelet op de bewoordingen van punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dient te worden aangenomen dat, in geval van inbreuken waarbij verschillende ondernemingen zijn betrokken, de Commissie een zekere marge heeft behouden bij de beoordeling van de opportuniteit om op basis van de omvang van elke onderneming een weging op de geldboeten toe te passen. Uit het gebruik van de uitdrukking „onder bepaalde omstandigheden” en van de term „met name” in punt 1 A, zesde alinea, van de richtsnoeren blijkt immers dat de Commissie zichzelf geen absolute verplichting heeft opgelegd om een weging op basis van de individuele omvang van de ondernemingen te verrichten, maar dat het gaat om een mogelijkheid die zij zichzelf heeft voorbehouden in zaken waarin dit noodzakelijk is.

In dit verband overschrijdt de Commissie niet de grenzen van haar beoordelingsvrijheid wanneer zij, in de fase van de vaststelling van de uitgangsbedragen van de geldboeten wegens een inbreuk die is gepleegd door de enige twee marktdeelnemers, ervan afziet om deze twee marktdeelnemers gedifferentieerd te behandelen ondanks het onloochenbare verschil tussen hun omzetcijfers op deze markt en hun marktaandelen, aangezien op een dergelijke markt een mededingingsregeling alleen kan bestaan indien deze twee marktdeelnemers eraan deelnemen, waarbij de deelneming van de tweede marktdeelnemer in termen van marktaandelen voor het bestaan zelf van de mededingingsregeling even onontbeerlijk is als de deelneming van de eerste marktdeelnemer, en, het in casu om twee grote producenten gaat.

(cf. punten 180‑182)

8. De in artikel 15 van verordening nr. 17 vastgestelde sancties voor inbreuken op de mededingingsregels hebben tot doel, ongeoorloofde gedragingen tegen te gaan en herhaling daarvan te voorkomen. Aangezien afschrikking een doelstelling van de geldboeten voor inbreuken op de mededingingsregels is, vormt de noodzaak om daarvoor te zorgen een algemeen vereiste dat de Commissie bij de gehele berekening van de geldboete dient te leiden, en impliceert zij niet noodzakelijkerwijs dat deze berekening wordt gekenmerkt door een specifieke tussenstap waarin alle voor de verwezenlijking van deze doelstelling relevante omstandigheden globaal worden beoordeeld.

(cf. punten 218‑220, 226, 238)

9. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete die op grond van artikel 15 van verordening nr. 17 wegens inbreuk op de mededingingsregels moet worden opgelegd, vormen de omvang en de totale middelen van de betrokken onderneming relevante beoordelingselementen die in aanmerking mogen worden genomen om de afschrikkende werking van de geldboeten te verzekeren. Een grote onderneming, die over aanzienlijke financiële middelen beschikt in vergelijking met die van de andere leden van de mededingingsregeling, kan immers gemakkelijker de voor de betaling van haar geldboete vereiste middelen bijeenbrengen, hetgeen met het oog op een voldoende afschrikkende werking van de geldboete rechtvaardigt dat deze onderneming een verhoudingsgewijs hogere geldboete wordt opgelegd dan die welke wordt opgelegd aan een onderneming die niet over dergelijke middelen beschikt, en dezelfde inbreuk heeft gepleegd.

In dit verband wordt de toepassing door de Commissie van een vermenigvuldigingsfactor om met het oog op de afschrikkende werking rekening te houden met de omvang en de totale middelen van de ondernemingen, niet uitgesloten door de omstandigheid dat de richtsnoeren niet uitdrukkelijk voorzien in deze mogelijkheid. De inaanmerkingneming van de omvang en de totale middelen van de ondernemingen kan immers beantwoorden aan de noodzaak om het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat in de zin van punt 1 A, vierde alinea, van de richtsnoeren, en dit zowel door rechtstreeks een uitgangsbedrag vast te stellen waarin met name met deze elementen rekening wordt gehouden, als door op een uitgangsbedrag dat op basis van andere elementen (zoals de aard van de inbreuk of de invloed van het individuele onrechtmatige gedrag) is vastgesteld, een correctie toe te passen om rekening te houden met de omvang en de totale middelen van de ondernemingen. Deze tweede methode druist niet alleen niet in tegen de richtsnoeren, maar versterkt zelfs de transparantie van de berekening van de Commissie ten opzichte van de eerste methode.

(cf. punten 235, 253)

10. De richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, staan geenszins eraan in de weg dat voor zeer zware inbreuken op de mededingingsregels een verhoging met 100 % wordt toegepast om het afschrikkende karakter van de geldboeten te verzekeren.

Aangaande in het bijzonder deze inbreuken preciseren de richtsnoeren alleen dat de mogelijke boetebedragen meer dan 20 miljoen EUR bedragen. De enige in de richtsnoeren genoemde bovengrenzen die met betrekking tot dergelijke inbreuken van toepassing zijn, zijn het algemene maximum van 10 % van de totale omzet, bepaald in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, en de bovengrenzen voor het aanvullende bedrag dat op basis van de duur van de inbreuk kan worden opgelegd (punt 1 B, eerste alinea, tweede en derde streepje, van de richtsnoeren). Derhalve leveren de richtsnoeren geen grond op voor een gewettigd vertrouwen met betrekking tot het niveau van het uitgangsbedrag, van de verhogingen die op dit bedrag worden toegepast op andere gronden dan de duur van de inbreuk, en dus van de uiteindelijke bedragen van de geldboeten die voor zeer zware inbreuken moeten worden opgelegd. Hetzelfde geldt voor het percentage van de uiteindelijke geldboete dat een in het kader van de berekening opgelegd aanvullende bedrag mag vertegenwoordigen.

(cf. punten 249, 251‑252)

11. Het feit dat een onderneming waaraan wegens schending van de mededingingsregels een sanctie is opgelegd, na de beëindiging van de inbreuken binnen haar organisatie maatregelen heeft genomen om recidive te voorkomen, verplicht de Commissie geenszins om factoren van vermindering van de geldboete toe te passen. Het is weliswaar belangrijk dat een onderneming maatregelen treft om te voorkomen dat haar personeelsleden in de toekomst opnieuw inbreuk zouden maken op de communautaire mededingingsregels, doch deze omstandigheid doet niets af aan het feit dat een inbreuk is vastgesteld. Het feit alleen dat de Commissie in haar eerdere beschikkingspraktijk het opzetten van een dergelijk programma als verzachtende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, betekent niet dat zij verplicht is om in elk concreet geval op dezelfde wijze te handelen.

(cf. punten 266‑267)

12. De Commissie is niet verplicht, bij de beoordeling van het vereiste van afschrikking jegens een onderneming die moet worden bestraft wegens een inbreuk op de communautaire mededingingsregels, rekening te houden met de veroordelingen die deze onderneming in derde landen voor dezelfde onderlinge afstemmingen heeft opgelopen. Het doel van afschrikking dat de Commissie bij de vaststelling van een geldboete mag nastreven, is immers erop gericht te verzekeren dat de ondernemingen de mededingingsregels naleven die in het Verdrag zijn vastgesteld voor hun activiteiten binnen de Gemeenschap of de Europese Economische Ruimte (EER). Bijgevolg kan de afschrikkende werking van een geldboete die wegens schending van de communautaire mededingingsregels wordt opgelegd, niet uitsluitend worden bepaald op basis van de bijzondere situatie van de veroordeelde onderneming, noch op basis van de mate waarin deze de mededingingsregels van derde landen buiten de EER heeft nageleefd.

(cf. punt 269)

13. Wanneer door verschillende ondernemingen een inbreuk op de mededingingsregels is gepleegd, moet bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten de relatieve zwaarte van ieders deelneming in aanmerking worden genomen, hetgeen inzonderheid impliceert dat wordt vastgesteld welke rol elke onderneming tijdens de duur van haar deelneming aan de inbreuk heeft gespeeld. Hieruit vloeit met name voort dat bij de berekening van de geldboete rekening moet worden gehouden met het feit dat een of meer ondernemingen binnen een kartel als „kopstuk” zijn opgetreden, omdat de ondernemingen die een dergelijke rol hebben gespeeld, in vergelijking met de andere ondernemingen een bijzondere verantwoordelijkheid dragen. Overeenkomstig deze beginselen wordt in punt 2 van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, onder het kopje verzwarende omstandigheden een niet-exhaustieve lijst van omstandigheden genoemd die tot een verhoging van het basisbedrag van de geldboete kunnen leiden, waaronder met name „het feit dat de betrokken onderneming een leidinggevende rol speelde of tot de inbreuk heeft aangezet”.

(cf. punten 280‑282)

14. Zoals blijkt uit de formulering zelf van punt 2, derde streepje, van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, dient bij het onderzoek van de rol die een onderneming bij een inbreuk op de mededingingsregels heeft gespeeld, een onderscheid te worden gemaakt tussen het begrip leider en het begrip aanstichter van een inbreuk, en dienen twee afzonderlijke analyses te worden gemaakt om na te gaan of deze onderneming de ene of de andere rol heeft gespeeld. Terwijl de rol van aanstichter op het tijdstip van de totstandkoming of de uitbreiding van een mededingingsregeling betrekking heeft, ziet de rol van leider namelijk op de werking ervan.

(cf. punt 316)

15. Om als aanstichter van een mededingingsregeling te worden aangemerkt, moet een onderneming andere ondernemingen onder druk hebben gezet of hebben aangemoedigd om een mededingingsregeling op te zetten of zich erbij aan te sluiten. Het volstaat evenwel niet dat zij gewoon tot de oprichters van de mededingingsregeling behoorde. Aldus is het bijvoorbeeld met betrekking tot een mededingingsregeling die door slechts twee ondernemingen is opgericht, niet gerechtvaardigd, deze ondernemingen automatisch als aanstichters aan te merken. Deze kwalificatie moet worden voorbehouden aan de onderneming die het initiatief heeft genomen door, bijvoorbeeld, aan de andere onderneming de mogelijkheid van een heimelijke verstandhouding voor te stellen of door te proberen haar daarvan te overtuigen.

(cf. punten 321, 456)

16. In het kader van een beroep tegen een beschikking van de Commissie waarbij wegens inbreuk op de mededingingsregels een geldboete wordt opgelegd, kan de gemeenschapsrechter, wanneer hij vaststelt dat de beoordeling van de Commissie aangaande de verzwarende omstandigheden die tot een verhoging van de geldboete ten opzichte van het basisbedrag hebben geleid, onrechtmatig was, gebruikmaken van zijn volledige rechtsmacht, teneinde tegen de achtergrond van alle relevante omstandigheden van de betrokken zaak deze verhoging van de geldboete te bevestigen, in te trekken, of te wijzigen.

(cf. punten 303, 338, 394)

17. Wat de kwalificatie van leider van een inbreuk op de mededingingsregels betreft, doet de omstandigheid dat tijdens de bijeenkomsten van de leden van de mededingingsregeling prijsverhogingen, met inbegrip van de hoogte, de datum en de wijze van toepassing ervan, worden overeengekomen, niet af aan de bijzondere verantwoordelijkheid die deze of gene onderneming op zich neemt wanneer zij beslist om als eerste de overeengekomen verhoging daadwerkelijk te lanceren. Door dit initiatief te nemen, zonder daartoe met name en specifiek in de op een bijeenkomst van de mededingingsregeling opgestelde overeenkomst tot verhoging van de prijzen te zijn gelast, geeft de betrokken onderneming uit eigen beweging een fundamentele aanzet tot de uitvoering van deze overeenkomst, door ervoor te zorgen dat deze op de markt effecten sorteert veeleer dan dode letter te blijven.

Het feit alleen dat een lid van een mededingingsregeling als eerste een nieuwe prijs of een prijsverhoging heeft bekendgemaakt, kan daarentegen niet als een indicatie van zijn rol van leider van de mededingingsregeling worden beschouwd wanneer uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat de betrokken prijs of prijsverhoging vooraf in onderling overleg met de andere leden van de mededingingsregeling is vastgesteld, en deze laatsten eveneens hebben beslist, wie van hen deze als eerste zou bekendmaken. Uit dit laatste blijkt dat het als eerste bekendmaken van de prijs of de prijsverhoging slechts een handeling van strikte inachtneming van een vooraf gemeenschappelijk vastgelegd schema is, en niet een spontaan initiatief dat een mededingingsregeling op gang brengt.

(cf. punten 348, 427)

18. De omstandigheid dat een onderneming druk uitoefent, of zelfs het gedrag van de andere leden van de mededingingsregeling voorschrijft, is geen noodzakelijke voorwaarde om deze onderneming als leider van de mededingingsregeling te kunnen aanmerken. Het volstaat immers dat de onderneming een significante drijvende kracht van de mededingingsregeling is geweest, hetgeen met name kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat zij zich heeft beziggehouden met het uitwerken en voorstellen van het door de leden van de mededingingsregeling te volgen gedrag, ook al was zij niet noodzakelijkerwijs in staat, hun dit op te leggen.

(cf. punt 374)

19. Het samenlopen van belangen, doelstellingen en standpunten van een groep ondernemingen binnen een ruimere mededingingsregeling impliceert niet noodzakelijkerwijs dat aan de leden van deze groep de rol van leider wordt toegerekend, en evenmin dat deze kwalificatie – die voor één van hen wordt verricht om andere redenen – tot alle anderen mag worden uitgebreid.

(cf. punt 402)

20. Wanneer verschillende ondernemingen samen verschillende inbreuken op de mededingingsregels hebben gepleegd, geeft de omstandigheid dat de bijeenkomsten betreffende de ene mededingingsregeling tegelijkertijd en grotendeels volgens hetzelfde schema als dat van de bijeenkomsten betreffende de andere mededingingsregeling hebben plaatsgevonden, geen voorbarig antwoord op de vraag, welke onderneming bij elk van deze mededingingsregelingen daadwerkelijk de rol van leider heeft vervuld. Derhalve kan op basis van die gelijkenissen tussen de twee onderzochte mededingingsregelingen niet worden aangenomen dat de onderneming die met betrekking tot de ene mededingingsregeling de rol van leider heeft vervuld, dat ook met betrekking tot de andere mededingingsregeling heeft gedaan.

(cf. punt 459)

21. Bij een inbreuk van lange duur kunnen de leden van een mededingingsregeling om beurt op verschillende tijdstippen de rol van leider vervullen, zodat niet mag worden uitgesloten dat op ieder van hen de verzwarende omstandigheid van leider kan worden toegepast.

(cf. punt 460)

22. De mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen wekt een gewettigd vertrouwen waarop ondernemingen zich kunnen beroepen wanneer zij het bestaan van een mededingingsregeling aan de Commissie kenbaar maken. Gelet op het gewettigd vertrouwen dat ondernemingen die met de Commissie willen samenwerken, aan deze mededeling kunnen ontlenen, is de Commissie verplicht zich aan deze mededeling te houden wanneer zij de medewerking van een onderneming beoordeelt in het kader van de vaststelling van het bedrag van de aan deze laatste op te leggen geldboete.

(cf. punt 488)

23. Voor de toekenning van een volledige vrijstelling of een vermindering van het bedrag van de geldboete op grond van deel B van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen is met name vereist dat de betrokken onderneming als eerste doorslaggevend materiaal heeft verstrekt om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen.

Dit materiaal behoeft niet noodzakelijkerwijs op zichzelf te volstaan om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen, maar moet daartoe wel doorslaggevend zijn. Derhalve mag het niet eenvoudigweg gaan om een oriëntatiebron voor het onderzoek door de Commissie, maar moet het gaan om materiaal dat rechtstreeks kan worden gebruikt als voornaamste bewijs voor een beschikking houdende vaststelling van de inbreuk. Dit materiaal moet bovendien daadwerkelijk aan de Commissie worden verstrekt; een eenvoudig aanbod of een aanwijzing van de bron waar dit materiaal kan worden verkregen, volstaat niet.

Als zodanig kunnen derhalve niet worden aangemerkt, de gegevens die de Commissie in staat hebben gesteld om verzoeken om inlichtingen te versturen en zelfs om verificaties te gelasten, maar die de taak van de instelling om de feiten te reconstrueren en te bewijzen nagenoeg onverlet hebben gelaten, ook al heeft de onderneming die deze gegevens heeft verstrekt, haar verantwoordelijkheid erkend, en evenmin het voorstel van een onderneming om werknemers als getuigen ter beschikking van de Commissie te stellen, welk voorstel overigens niet noodzakelijkerwijs moet worden aanvaard door de Commissie, die de onderneming kan verzoeken, informatie in te zamelen bij haar werknemers en haar deze schriftelijk mee te delen teneinde de werklast van de instelling niet onnodig te verzwaren.

Ten slotte rust op de Commissie niet de verplichting om de aandacht van de onderneming te vestigen op de ontoereikendheid van de verstrekte gegevens en op de noodzaak om deze aan te vullen, aangezien deel E, lid 2, van de mededeling preciseert dat „[p]as wanneer zij haar eindbeschikking vaststelt, de Commissie [beoordeelt] of aan de in deel B, C of D gestelde voorwaarden is voldaan”.

(cf. punten 492‑493, 517‑518, 521‑522, 526, 568)

24. Met het oog op de toekenning van een volledige vrijstelling of een vermindering van het bedrag van de geldboete op grond van deel B van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, kan het doorslaggevend materiaal om het bestaan van de mededingingsregeling te bewijzen ook mondeling door de betrokken onderneming aan de Commissie worden verstrekt. Uit het oogpunt van de rechtszekerheid is er geen enkel belangrijk nadeel verbonden aan de mondelinge mededeling van inlichtingen, aangezien een inlichting die tijdens een bijeenkomst mondeling wordt verstrekt aan de administratie, normaal gesproken kan worden opgeslagen en bewaard door middel van een geluidsopname en/of schriftelijk kan worden vastgesteld in een proces-verbaal.

Hoewel de Commissie geen algemene verplichting heeft om processen-verbaal op te stellen van haar bijeenkomsten met personen of ondernemingen, sluit het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling die voorziet in de opstelling van een proces-verbaal niet uit dat de Commissie in een welbepaald geval de verplichting kan hebben, de door haar ontvangen verklaringen in een dergelijke handeling op schrift te stellen. Deze verplichting kan immers, naar gelang van de omstandigheden van de zaak, rechtstreeks voortvloeien uit het beginsel van behoorlijk bestuur, dat één van de door de communautaire rechtsorde in administratieve procedures geboden waarborgen vormt. Wanneer een onderneming contact opneemt met de Commissie om met deze laatste mee te werken en daarvoor mogelijkerwijs op grond van de mededeling inzake medewerking te worden beloond, en in die context een bijeenkomst van de diensten van de instelling met deze onderneming wordt georganiseerd, eist het beginsel van behoorlijk bestuur derhalve dat een proces-verbaal van deze bijeenkomst met de essentie van de aldaar afgelegde verklaringen wordt opgesteld of althans een geluidsopname wordt gemaakt, indien de betrokken onderneming uiterlijk aan het begin van de bijeenkomst daarom heeft gevraagd.

(cf. punten 498‑502, 506)

25. De uitdrukkingen „de rol van leider en aanstichter van de inbreuk” en „het nemen van initiatief tot of het spelen van een bepalende rol bij”, die in punt 2, derde streepje, van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, respectievelijk in deel B, sub e, van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, verzwarende omstandigheden voor de berekening van de geldboeten en omstandigheden die in de weg staan aan een volledige vrijstelling of een aanzienlijke vermindering van het bedrag van de geldboete weergeven, hebben in wezen dezelfde inhoud.

Wanneer wordt vastgesteld dat een onderneming de rol van leider of aanstichter in een mededingingregeling heeft vervuld, komt deze onderneming derhalve niet in aanmerking voor vrijstelling van geldboete of een zeer aanzienlijke vermindering van het bedrag van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking.

(cf. punt 535‑536, 544-545)

26. Gelet op deel B, sub b, van de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, dat volgens de bewoordingen ervan tot doel heeft, alleen de onderneming die daadwerkelijk de „eerste” is geweest om doorslaggevend bewijsmateriaal te verstrekken, met een zeer aanzienlijke vermindering van de geldboete te belonen, kan niet op goede gronden worden gesteld dat twee ondernemingen gezamenlijk aan deze voorwaarde voldoen, wanneer zij niet op dezelfde datum dergelijk materiaal hebben verstrekt.

(cf. punt 550)

27. Het toezicht dat de gemeenschapsrechter dient uit te oefenen op een beschikking waarbij de Commissie een schending van artikel 81 EG en van artikel 53 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte vaststelt en geldboeten oplegt, is beperkt tot het toetsen van de wettigheid van deze beschikking. De volledige rechtsmacht waarover de gemeenschapsrechter krachtens artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 beschikt, kan in voorkomend geval slechts worden uitgeoefend nadat is vastgesteld dat de beschikking is aangetast door een onwettigheid waartegen de betrokken onderneming met haar beroep is opgekomen, teneinde de gevolgen van deze onwettigheid voor de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboete weg te werken, indien nodig door intrekking of wijziging van de geldboete.

Een vordering van een verzoeker, op wie de Commissie de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen heeft toegepast, dat het Gerecht zijn medewerking aan het administratief onderzoek beoordeelt en beloont los van de bepalingen van deze mededeling, waarvan hij niet de onwettigheid aanvoert, moet dan ook worden verworpen.

(cf. punt 581-583)

28. De mogelijkheid om aan een onderneming die tijdens een procedure inzake schending van de mededingingsregels met de Commissie heeft meegewerkt, een vermindering van geldboete toe te kennen buiten het kader dat is vastgesteld door de mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen, waarin is voorzien in punt 3, zesde streepje, van de richtsnoeren van de Commissie voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, vooronderstelt noodzakelijkerwijs dat de betrokken medewerking niet kan worden beloond in het kader van de mededeling inzake medewerking, en dat het gaat om daadwerkelijke medewerking, dat wil zeggen medewerking die de taak van de Commissie om inbreuken op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en te beteugelen heeft vergemakkelijkt.

(cf. punten 585, 588)

29. In procedures op tegenspraak die met een veroordeling kunnen worden afgesloten, vallen de aard en het bedrag van de voorgestelde sanctie uiteraard onder de geheimhoudingsplicht zolang de sanctie niet definitief is goedgekeurd en uitgesproken. Dit beginsel vloeit met name voort uit de noodzaak om de goede naam en de waardigheid van de betrokkene te eerbiedigen zolang hij niet is veroordeeld. De verplichting voor de Commissie om aan de pers geen inlichtingen mee te delen over de voorgenomen sanctie, valt bovendien niet alleen samen met haar verplichting om de geheimhoudingsplicht na te komen, maar ook met haar verplichting tot behoorlijk bestuur.

Al zouden de diensten van de Commissie ervoor verantwoordelijk zijn dat vóór de vaststelling van een geldboete wegens inbreuk op de mededingingsregels daarover aan de media precieze details zijn meegedeeld, een dergelijke onregelmatigheid kan alleen tot nietigverklaring van de betrokken beschikking leiden, indien wordt aangetoond dat deze beschikking zonder die onregelmatigheid niet zou zijn vastgesteld of een andere inhoud zou hebben gehad. De betrokkene dient minstens aanwijzingen ter onderbouwing van een dergelijke conclusie aan te dragen. Dit criterium heeft niet tot gevolg dat dergelijke onregelmatigheden nagenoeg ongestraft blijven. Afgezien van de mogelijkheid om nietigverklaring van de betrokken beschikking te verkrijgen ingeval de onregelmatigheid invloed heeft gehad op de inhoud van de beschikking, kan de belanghebbende tegen de betrokken instelling immers een aansprakelijkheidsvordering instellen ter zake van de schade die hij als gevolg van deze onregelmatigheid heeft geleden.

(cf. punten 604, 606-607)

ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer)

15 maart 2006 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen in sector vitamineproducten – Rechten van verdediging – Richtsnoeren voor berekening van geldboete – Vaststelling van uitgangsbedrag van geldboeten – Afschrikkende werking – Verzwarende omstandigheden – Rol van leider of aanstichter – Medewerking tijdens administratieve procedure – Beroepsgeheim en beginsel van behoorlijk bestuur”

In zaak T‑15/02,

BASF AG, gevestigd te Ludwigshafen (Duitsland), vertegenwoordigd door N. Levy, J. Temple-Lang, solicitors, R. O’ Donoghue, barrister, en C. Feddersen, advocaat,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Wainwright en L. Pignataro-Nolin als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring of tot vermindering van de geldboeten die verzoekster zijn opgelegd bij artikel 3, sub b, van beschikking 2003/2/EG van de Commissie van 21 november 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/E‑1/37.512 – Vitaminen) (PB 2003, L 6, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: H. Legal, kamerpresident, P. Mengozzi en I. Wiszniewska-Białecka, rechters,

griffier: I. Natsinas, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 januari 2005,

het navolgende

Arrest

De voorgeschiedenis van het geding

1 In artikel 1 van beschikking 2003/2/EG van 21 november 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak COMP/E‑1/37.512 – Vitaminen) (PB 2003, L 6, blz. 1; hierna: „beschikking”) heeft de Commissie vastgesteld dat verschillende ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), door deel te nemen aan verschillende mededingingsregelingen die twaalf verschillende markten voor vitamineproducten, namelijk de vitaminen A, E, B 1, B 2, B 5, B 6, folinezuur, de vitaminen C, D 3, H, betacaroteen en carotenoïden, beïnvloedden. In het bijzonder blijkt uit punt 2 van de beschikking dat de betrokken ondernemingen in het kader van deze mededingingsregelingen prijzen voor de verschillende producten hebben vastgesteld en verkoopquota hebben toegewezen, prijsverhogingen zijn overeengekomen en deze ten uitvoer hebben gelegd, in overeenstemming met hun afspraken prijzen hebben aangekondigd en de producten tegen de overeengekomen prijzen hebben verkocht, een systeem hebben opgezet voor de controle op en de naleving van de overeengekomen regelingen, en hebben deelgenomen aan een structuur van regelmatige bijeenkomsten om hun plannen uit te voeren.

2 Tot deze ondernemingen behoort onder meer BASF AG (hierna: „BASF” of „verzoekster”), die verantwoordelijk is gehouden voor inbreuken op de markten van de Gemeenschap en de EER voor de vitaminen A, E, B 1, B 2, B 5, C, D 3 en H, betacaroteen en carotenoïden (artikel 1, lid 1, sub b, van de beschikking).

3 In artikel 2 van de beschikking wordt de ondernemingen die voor de vastgestelde inbreuken verantwoordelijk zijn gehouden, gelast, deze onmiddellijk te beëindigen, indien zij dat nog niet hebben gedaan, en zich voortaan te onthouden van de vastgestelde onrechtmatige handelingen of gedragingen en van maatregelen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg hebben.

4 De Commissie heeft geldboeten opgelegd voor de inbreuken die zij op de markten voor de vitaminen A, E, B 2, B 5, C, D 3, betacaroteen en carotenoïden had vastgesteld, maar niet voor de inbreuken op de markten voor de vitaminen B 1, B 6, H en folinezuur (artikel 3 van de beschikking).

5 Uit de punten 645 tot en met 649 van de beschikking blijkt immers dat de inbreuken die op laatstgenoemde markten zijn vastgesteld, meer dan vijf jaar voordat de Commissie haar onderzoek begon, zijn beëindigd, en dat daardoor artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad van 26 november 1974 inzake de verjaring van het recht van vervolging en van tenuitvoerlegging op het gebied van het vervoers‑ en het mededingingsrecht van de Europese Economische Gemeenschap (PB L 319, blz. 1) op deze inbreuken van toepassing was.

6 Aldus is met name aan BASF geen geldboete opgelegd voor haar deelneming aan de inbreuken betreffende de vitaminen B 1 en H.

7 Aan BASF is evenwel voor haar deelneming aan de inbreuken betreffende de vitaminen A, E, B 2, B 5, C, D 3, betacaroteen en carotenoïden, een boete opgelegd voor elke inbreuk (artikel 3, sub b, van de beschikking).

8 De Commissie heeft het bedrag van deze geldboeten vastgesteld overeenkomstig haar richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) en haar mededeling betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”).

9 In de punten 657 en 658 van de beschikking heeft de Commissie de algemene criteria genoemd aan de hand waarvan zij het bedrag van de geldboeten heeft vastgesteld. Zij heeft erop gewezen dat zij rekening diende te houden met alle relevante omstandigheden, en met name met de zwaarte en de duur van de inbreuk, twee criteria die uitdrukkelijk zijn genoemd in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), dat zij de rol van elke bij de inbreuken betrokken onderneming individueel diende te beoordelen, dat zij inzonderheid ervoor diende te zorgen dat eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden bij de vaststelling van het bedrag van de opgelegde geldboete in aanmerking werden genomen, en dat zij in voorkomend geval de mededeling inzake medewerking diende toe te passen.

10 Wat de zwaarte van de inbreuken betreft, heeft de Commissie geoordeeld dat, gelet op de aard van de onderzochte inbreuken, de invloed ervan op de verschillende betrokken markten van vitamineproducten, en de omstandigheid dat elke inbreuk het geheel van de gemeenschappelijke markt en, na de oprichting ervan, het geheel van de EER dekte, de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, zeer zware inbreuken op artikel 81, lid 1, EG en op artikel 53, lid 1, van de EER‑overeenkomst hadden gepleegd, waarvoor de onderscheiden mogelijke geldboeten minstens 20 miljoen EUR zouden bedragen (punten 662‑674 van de beschikking).

11 Na te hebben verklaard dat zij bij het bepalen van het uitgangsbedrag van de geldboete rekening hield met de omvang van de markt van de onderscheiden vitamineproducten, heeft de Commissie eraan herinnerd dat „[i]n de categorie zeer zware inbreuken, [...] de voorgestelde scala mogelijke boetebedragen de mogelijkheid [biedt] ondernemingen verschillend te behandelen teneinde rekening te houden met de daadwerkelijke economische macht van de inbreukmakers om de mededinging aanzienlijke schade te berokkenen, en het bedrag van de geldboete op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking uitgaat”. Zij heeft daarbij opgemerkt dat „deze oefening inzonderheid noodzakelijk is wanneer er een aanzienlijk verschil is in de omvang van de inbreukmakende ondernemingen zoals in de onderhavige zaak”. Voorts heeft zij erop gewezen dat „[g]ezien de omstandigheden van deze zaak waarbij verschillende ondernemingen betrokken zijn, [...] het basisbedrag van de geldboete op zodanige wijze [moet] worden vastgesteld dat rekening wordt gehouden met het specifieke gewicht en derhalve de invloed van het inbreukmakend gedrag van elke onderneming afzonderlijk op de mededinging” (punten 675, 678 en 679 van de beschikking).

12 De Commissie heeft geoordeeld dat de betrokken ondernemingen daartoe in categorieën kunnen worden ingedeeld „volgens hun respectieve relatieve belang op de relevante betrokken vitamineproductmarkten”, maar zij heeft hieraan toegevoegd dat „[d]e indeling van een onderneming in een bepaalde categorie [...] in voorkomend geval [kan] worden aangepast om inzonderheid rekening te houden met de behoefte aan doeltreffende afschrikkende werking”. De Commissie heeft het dienstig geacht het relatieve belang van de ondernemingen op elke betrokken vitamineproductmarkt te beoordelen op grond van hun respectieve wereldwijde omzet met het product in kwestie. Zij heeft er namelijk op gewezen dat „[d]eze zienswijze wordt ondersteund door het feit dat elk kartel mondiaal was, er onder meer op gericht was markten op mondiaal niveau toe te wijzen en aldus reserves waarvan concurrentiedruk kon uitgaan, aan de EER‑markt te onttrekken” en dat „de wereldwijde omzet van een partij bij een bepaald kartel eveneens een indicatie [geeft] van de bijdrage van die partij aan de doeltreffendheid van het gehele kartel of, omgekeerd aan de instabiliteit waaronder dat kartel te lijden zou hebben gehad, indien de bedoelde partij er niet aan had deelgenomen”. De Commissie heeft eveneens verklaard dat zij zich voor de vaststelling van deze productomzetcijfers heeft gebaseerd op het „laatste volledige kalenderjaar van de inbreuk” (punten 680 en 681 van de beschikking).

13 Uit de punten 695 en 696 van de beschikking blijkt evenwel dat de Commissie, gelet op de kenmerken van de markten van betacaroteen en carotenoïden, het niet passend heeft geacht om voor de inbreuken betreffende deze producten de methode van indeling van de ondernemingen in categorieën toe te passen, zodat dezelfde uitgangsbedragen voor de geldboeten zijn vastgesteld voor de twee ondernemingen die bij deze inbreuken betrokken waren, F. Hoffmann-La Roche AG (hierna: „Roche”) en BASF.

14 Aldus heeft de Commissie voor verzoekster de volgende uitgangsbedragen ten belope van in totaal 128,5 miljoen EUR vastgesteld: 18 miljoen EUR voor vitamine A; 35 miljoen EUR voor vitamine E; 10 miljoen EUR voor vitamine B 2; 14 miljoen EUR voor vitamine B 5; 7,5 miljoen EUR voor vitamine C; 4 miljoen EUR voor vitamine D 3; 20 miljoen EUR voor betacaroteen en, ten slotte, 20 miljoen EUR voor carotenoïden (punten 683‑696 van de beschikking).

15 Om ervoor te zorgen dat de boeten een voldoende afschrikkende werking zouden hebben, heeft de Commissie de voor BASF, Roche en Aventis SA berekende uitgangsbedragen van de geldboeten met 100 % verhoogd om rekening te houden met de omvang en de totale middelen van deze ondernemingen (punten 697‑699 van de beschikking).

16 Vervolgens heeft de Commissie voor elke onderneming naar gelang van de duur van haar deelneming aan elke inbreuk op de aldus aangepaste uitgangsbedragen van de geldboeten in voorkomend geval de in het vorige punt genoemde verhogingsfactor van 100 % toegepast. De aan verzoekster opgelegde basisbedragen, die in totaal 438,75 miljoen EUR bedragen, zijn aldus vastgesteld op: 68,4 miljoen EUR voor vitamine A; 133 miljoen EUR voor vitamine E; 28 miljoen EUR vitamine B 2; 50,4 miljoen EUR voor vitamine B 5; 21,75 miljoen EUR voor vitamine C; 11,2 miljoen EUR voor vitamine D 3; 64 miljoen EUR voor betacaroteen en, ten slotte, 62 miljoen EUR voor carotenoïden (punten 701‑711 van de beschikking).

17 Voor Roche en BASF is als verzwarende omstandigheid in aanmerking genomen hun gezamenlijke rol van leider en aanstichter van de verschillende mededingingsregelingen. De basisbedragen van hun geldboeten zijn daarom met respectievelijk 50 % en 35 % verhoogd (punten 712‑718 van de beschikking). Hierdoor bedroegen de voor BASF berekende geldboeten in totaal bijna 592,32 miljoen EUR.

18 Ten slotte heeft de Commissie, wat de toepassing van de mededeling inzake medewerking betreft, allereerst op grond van deel B van deze mededeling Aventis vrijgesteld van geldboeten voor de inbreuken betreffende de vitaminen A en E. Dienaangaande heeft de Commissie er met name op gewezen dat Aventis met haar verklaringen van 19 en 25 mei 1999 als eerste materiaal heeft verstrekt dat van doorslaggevend belang was om het bestaan van de inbreuken te bewijzen overeenkomstig de voorwaarde van deel B, sub b, van de mededeling inzake medewerking (punten 741 en 742 van de beschikking).

19 Voorts heeft de Commissie geoordeeld dat Roche en BASF, met het belangrijke materiaal dat zij haar diensten tussen 2 juni 1999 en 30 juli 1999 hebben verstrekt, haar als eersten doorslaggevende bewijzen van het bestaan van heimelijke afspraken op de markten voor de vitaminen B 2, B 5, C, en D 3, en voor betacaroteen en carotenoïden hebben bezorgd. Omdat Roche en BASF evenwel het initiatief hebben genomen tot, of een bepalende rol hebben gespeeld bij, de onwettige activiteiten betreffende de vitaminen A, E, B 2, B 5, C en D 3, alsook betacaroteen en carotenoïden, hebben zij volgens de Commissie niet voldaan aan de voorwaarde van deel B, sub e, van de mededeling inzake medewerking. Bijgevolg is geen van beide ondernemingen voor een vermindering van de geldboeten op grond van de delen B of C van deze mededeling in aanmerking gekomen (punten 743‑745 van de beschikking).

20 Aan ieder van hen is evenwel een vermindering van de geldboeten op grond van deel D van de mededeling inzake medewerking toegekend. De Commissie heeft met name erop gewezen dat Roche et BASF, doordat zij gedetailleerde bewijzen met betrekking tot de organisatorische structuur van de kartelafspraken op de markten voor de vitaminen A, E, B 2, B 5, C en D 3, en voor betacaroteen en carotenoïden hadden verstrekt, op doorslaggevende wijze tot de vaststelling en/of bevestiging van essentiële aspecten van deze inbreuken hebben bijgedragen. Op grond daarvan heeft de Commissie geconcludeerd dat Roche en BASF voldeden aan de voorwaarden van deel D, punt 2, eerste streepje, van de mededeling inzake medewerking, en heeft zij de boete die hun zou zijn opgelegd indien zij niet met de Commissie hadden meegewerkt, met 50 % verminderd (punten 747, 748, 760 en 761 van de beschikking).

21 Aldus zijn de aan BASF opgelegde geldboeten uiteindelijk vastgesteld als volgt: 46,17 miljoen EUR voor vitamine A; 89,78 miljoen EUR voor vitamine E; 18,9 miljoen EUR voor vitamine B 2; 34,02 miljoen EUR voor vitamine B 5; 14,68 miljoen EUR voor vitamine C; 7,56 miljoen EUR voor vitamine D 3; 43,2 miljoen EUR voor betacaroteen en, ten slotte, 41,85 miljoen EUR voor carotenoïden (artikel 3, sub b, van de beschikking). Het totale bedrag van deze geldboeten (hierna: „totale geldboete”) bedraagt 296,16 miljoen EUR.

De procedure en de conclusies van partijen

22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 31 januari 2002, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

23 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 juni 2002, heeft Aventis verzocht om in de onderhavige procedure te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van verweerster. Na partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht (Vierde kamer) dit verzoek afgewezen bij beschikking van 25 februari 2003 (Jurispr. blz. II‑213), datum waarop de schriftelijke behandeling aldus is beëindigd.

24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. Als maatregel tot organisatie van de procesgang in de zin van artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft het de partijen verzocht, een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden, en heeft het verweerster verzocht, bepaalde documenten over te leggen. De partijen hebben binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan.

25 De partijen hebben ter terechtzitting van 12 januari 2005 pleidooi gehouden en op de mondelinge vragen van het Gerecht geantwoord. Het Gerecht heeft tijdens deze terechtzitting verweerster verzocht, een brief die haar door Roche in het kader van de medewerking van deze onderneming tijdens de administratieve procedure was bezorgd, over te leggen, en heeft de mondelinge behandeling geschorst.

26 Verweerster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan door de gevraagde brief op 18 januari 2005 over te leggen samen met andere documenten die Roche haar in het kader van haar medewerking tijdens de administratieve procedure had bezorgd. Op verzoek van het Gerecht heeft verzoekster op 8 februari 2005 opmerkingen over de door verweerster overgelegde documenten ingediend.

27 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– het bedrag van de haar in artikel 3, sub b, van de beschikking opgelegde boete nietig te verklaren of aanzienlijk te verminderen;

– verweerster te verwijzen in de kosten en andere uitgaven die verzoekster betreffende de onderhavige zaak zijn opgekomen.

28 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

De vorderingen tot nietigverklaring en tot vermindering van de totale geldboete

29 Verzoekster erkent ten volle en zonder voorbehoud dat zij heeft deelgenomen aan de inbreuken betreffende de vitaminen A, E, B 2, B 5, C, D 3, betacaroteen en carotenoïden en erkent de zwaarte van die inbreuken. Zij beklemtoont evenwel dat er voor de beschikking geen precedent inzake de hoogte van de opgelegde geldboeten bestaat, en dat de beschikking een radicale breuk vormt in het beteugelingsbeleid van de Commissie.

30 Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring of vermindering van de totale geldboete, voert verzoekster acht middelen aan. De eerste twee middelen betreffen schending van de rechten van de verdediging in velerlei opzicht; het derde middel is gebaseerd op schending van het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van een aantal aan verzoekster opgelegde geldboeten; het vierde middel betreft de ter afschrikking toegepaste verhoging van de uitgangsbedragen van de aan verzoekster opgelegde geldboeten; het vijfde middel is gebaseerd op beoordelingsfouten bij de toerekening aan verzoekster van de rol van leider en aanstichter met betrekking tot zeven inbreuken; het zesde en het zevende middel betreffen de beoordeling van de medewerking van verzoekster in het kader van de administratieve procedure; het achtste middel betreft schending van het beroepsgeheim en van het beginsel van behoorlijk bestuur.

A – Het eerste en het tweede middel: schending van de rechten van de verdediging

1. De argumenten van partijen

a) Het eerste middel: schending van de rechten van de verdediging wegens het ontbreken van een voorafgaande mededeling van het oordeel van de Commissie betreffende het bestaan van verschillende afzonderlijke mededingingsregelingen

31 Verzoekster betoogt dat het aan de oplegging van verschillende afzonderlijke geldboeten ten grondslag liggende oordeel van de Commissie dat er voor elke vitamine sprake was van een onderscheiden mededingingsregeling, haar vóór de beschikking nooit is meegedeeld. Het ontbreken van voorafgaande mededeling van dit oordeel heeft haar aanzienlijk geschaad in de uitoefening van haar rechten van verdediging met betrekking tot de omvang van alle opgelegde geldboeten.

32 Zij herinnert eraan dat volgens een vast beginsel een beschikking van de Commissie niet mag berusten op juridische of feitelijke beoordelingen die substantieel verschillen van die welke de mededeling van de punten van bezwaar bevat. De Commissie heeft dit beginsel geschonden door voor het eerst in de beschikking een cruciale nieuwe opvatting met betrekking tot de juridische kwalificatie van de onrechtmatige afspraken te formuleren. Volgens verzoekster werd in de mededeling van de punten van bezwaren, met name in de punten 206, 210 en 212 ervan, immers gepreciseerd dat het ging om één enkel globaal kartel dat uit heimelijke afspraken met betrekking tot verschillende vitaminen bestond, terwijl in de beschikking, te weten in punt 584 ervan, voor het eerst is vermeld dat de afspraken betreffende elke vitamine afzonderlijke schendingen van het communautaire mededingingsrecht vormden.

33 Derhalve was het mogelijke uitgangsbedrag van een eventuele aan verzoekster op te leggen geldboete niet 20 miljoen EUR, het bedrag dat door de richtsnoeren als uitgangspunt voor één enkele schending wordt genoemd, maar 160 miljoen EUR voor acht afzonderlijke inbreuken. In de praktijk heeft de Commissie evenwel op basis van het oordeel dat er uit hoofde van de litigieuze afspraken voor elke betrokken vitamine sprake was van een inbreuk, voor verzoekster een uitgangsbedrag van de geldboete vastgesteld dat minstens het achtvoudige was van het bedrag dat kon worden voorzien. Verzoekster is van mening dat zij derhalve de gelegenheid had moeten krijgen haar standpunt kenbaar te maken ter zake van dit oordeel en van de conclusies die daaraan zijn verbonden voor de vaststelling van de geldboete.

34 Verweerster stelt dat deze argumenten ongegrond zijn. Volgens haar heeft de beschikking, doordat zij de structuur en de rechtsopvatting van de mededeling van de punten van bezwaar getrouw heeft overgenomen, de redenering die daaraan ten grondslag ligt, niet gewijzigd. Zij voert inzonderheid aan dat zowel uit de structuur als uit tal van passages van de mededeling van de punten van bezwaar wel degelijk blijkt dat de Commissie het geheel van overeenkomsten betreffende de markt van de onderscheiden vitamineproducten niet als één en dezelfde voortdurende inbreuk, maar als verschillende afzonderlijke inbreuken heeft aangemerkt. Dit blijkt ook uit verzoeksters antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar, voorzover deze daarin, in de voorlaatste alinea van bladzijde 5, aan verschillende „inbreuken” en niet aan één enkele inbreuk refereert.

35 In repliek merkt verzoekster op dat het deel van de mededeling van de punten van bezwaar waarin de onrechtmatige afspraken zijn beschreven, als opschrift „het kartel” heeft, terwijl in het overeenkomstige deel van de beschikking sprake is van „de kartels”. Zij voegt hieraan toe dat de mededeling van de punten van bezwaar tal van aanduidingen bevatte dat de Commissie één enkel kartel behandelde. In elk geval is, los van de structuur en de specifieke passages van de mededeling van de punten van bezwaar, het enige relevante punt, de in deze mededeling geformuleerde juridische conclusie dat er voor de berekening van de geldboeten sprake was van één enkel kartel.

36 Wat de door verweerster aangehaalde passage uit haar antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar betreft, stelt verzoekster dat het daarin niet ging om de kwestie of de onrechtmatige afspraken één of meerdere inbreuken opleverden, maar dat daarin gewoonweg werd verwezen naar de verzachtende omstandigheden met betrekking tot de rol van BASF in het kartel.

b) Het tweede middel: schending van de rechten van de verdediging wegens ontoereikende uiteenzetting in de mededeling van de punten van bezwaar van de elementen die de Commissie voornemens was in aanmerking te nemen voor de berekening van de geldboeten

37 Verzoekster verklaart dat de in de mededeling van de punten van bezwaar verstrekte uiteenzetting van de voor de berekening van de haar opgelegde geldboeten relevante elementen niet adequaat was, en haar niet in staat heeft gesteld om haar rechten van verdediging met betrekking tot het niveau van deze geldboeten naar behoren uit te oefenen.

38 Verzoekster wijst erop dat de mededeling van de punten van bezwaar algemeen en vaag is met betrekking tot de uiteenzetting van de elementen die de Commissie voornemens was in aanmerking te nemen voor de berekening van de geldboeten. Na een algemeen inleidend deel, bevat de mededeling van de punten van bezwaar slechts drie overwegingen, op een totaal van ongeveer 230, waarin – in zeer algemene standaardbewoordingen – wordt uitgelegd hoe de Commissie van plan was om bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete rekening te houden met de zwaarte, de afschrikking, de duur en alle verzwarende en verzachtende omstandigheden. Een dergelijk gebrek aan uitleg over de voorgenomen geldboeten is vooral om drie redenen onverenigbaar met de rechten van de verdediging.

39 In de eerste plaats heeft de mededeling van de punten van bezwaar, wanneer een onderneming ten volle met de Commissie meewerkt en de feiten niet betwist, zoals in casu verzoekster, voornamelijk – ja zelfs uitsluitend – tot doel, deze onderneming in staat te stellen zo duidelijk als mogelijk te begrijpen op welke basis de Commissie voornemens is haar een geldboete op te leggen.

40 In de tweede plaats zijn de bij de beschikking opgelegde geldboeten de hoogste die ooit in een communautaire mededingingsprocedure zijn opgelegd, en vormen zij een radicale en nog nooit geziene wijziging van het beleid van de Commissie ter zake van geldboeten. Als voorbeeld wijst verzoekster erop dat de geldboeten die zijn opgelegd aan de ondernemingen tot wie de beschikking is gericht, vóór de toepassing van de mededeling inzake medewerking samen ongeveer 1 800 miljoen EUR bedroegen, te weten een bedrag dat meer dan het zesvoudige is van het hoogste totaalbedrag dat tot hiertoe in eenzelfde zaak is opgelegd, namelijk 273 miljoen EUR in beschikking 1999/243/EG van de Commissie van 16 september 1998 inzake een procedure op grond van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag (Zaak nr. IV/35.134 – Trans-Atlantic Conference Agreement) (PB 1999, L 95, blz. 1). Zij voegt hieraan toe dat de totale geldboete te haren laste vóór de toepassing van de mededeling inzake medewerking – bijna 600 miljoen EUR (zie punt 17 hierboven) – ongeveer het zesvoudige is van de hoogste individuele geldboete die ooit door de Commissie is opgelegd, namelijk 102 miljoen EUR aan Volkswagen AG in beschikking 98/273/EG van de Commissie van 28 januari 1998 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/35.733 – VW) (PB L 124, blz. 60). De omvang van de motiveringsplicht en van het recht om te worden gehoord met betrekking tot de basiselementen waarop de instelling zich voor de vaststelling van het bedrag van de geldboete wil baseren, dient evenwel evenredig te zijn met de omvang van dit bedrag.

41 In de derde plaats zijn de elementen die in de mededeling van de punten van bezwaar niet adequaat zijn uiteengezet, bijzonder significant, aangezien zij een aanzienlijke verhoging van de aan verzoekster opgelegde totale geldboete tot gevolg hebben gehad. Dat is met name het geval met de verhoging met 100 % ter afschrikking, waarbij de Commissie de op grond van de zwaarte berekende totale geldboete van 128,5 miljoen EUR tot 257 miljoen EUR heeft verhoogd (zie de punten 14 en 15 hierboven), alsook met het oordeel dat verzoekster een van de leiders van het kartel was, waarvoor de Commissie het basisbedrag van de totale geldboete met 35 %, te weten met meer dan 153 miljoen EUR, heeft verhoogd en een grotere vermindering van de geldboete op grond van de mededeling inzake medewerking heeft geweigerd (zie de punten 17 en 19 hierboven). Verzoekster onderstreept met name dat er in de mededeling van de punten van bezwaar nergens sprake was van het voornemen van de Commissie om aan BASF een zo grote verhoging van de geldboete ter afschrikking op te leggen, en dat de aan BASF toegerekende rol van leider onverenigbaar is met de mededeling van de punten van bezwaar.

42 Verweerster betwist de gegrondheid van verzoeksters bezwaren.

2. Beoordeling door het Gerecht

43 Met het eerste en het tweede middel, die samen moeten worden onderzocht, beoogt verzoekster in wezen de gehele nietigverklaring van artikel 3, sub b, van de beschikking, en dus van de geldboeten die haar hierbij zijn opgelegd, te verkrijgen.

44 Er zij aan herinnerd dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van een sanctie, met name van geldboeten of dwangsommen, kan leiden, een fundamenteel beginsel van het gemeenschapsrecht is, dat ook in acht moet worden genomen in een administratieve procedure (arresten Hof van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche/Commissie, 85/76, Jurispr. blz. 461, punt 9, en 2 oktober 2003, ARBED/Commissie, C‑176/99 P, Jurispr. blz. I‑10687, punt 19).

45 Overeenkomstig dit beginsel leggen artikel 19, lid 1, van verordening nr. 17, en de artikelen 2 en 3 van verordening (EG) nr. 2842/98 van de Commissie van 22 december 1998 betreffende het horen van belanghebbenden en derden in bepaalde procedures op grond van de artikelen [81] en [82] van het EG-Verdrag (PB L 354, blz. 18) – welke bepalingen in casu van toepassing zijn ratione temporis – de Commissie de verplichting op, de bezwaren mede te delen die zij tegen de ondernemingen en de betrokken verenigingen formuleert, en in haar beschikking alleen die punten van bezwaar op te nemen waarover deze laatste hun standpunt kenbaar hebben kunnen maken.

46 Volgens de rechtspraak moeten deze punten van bezwaar, hoe bondig ook, in de mededeling van de punten van bezwaar worden geformuleerd in bewoordingen die voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn om te weten, welke gedragingen de Commissie hun verwijt. Alleen dan kan de mededeling van de punten van bezwaar de haar door de gemeenschapsverordeningen toegedachte functie vervullen, te weten de ondernemingen alle informatie verschaffen die zij nodig hebben om zich nuttig te kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft (arrest Hof van 31 maart 1993, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, C‑89/85, C‑104/85, C‑114/85, C‑116/85, C‑117/85 en C‑125/85–C‑129/85, Jurispr. blz. I‑1307, punt 42, en arrest Gerecht van 14 mei 1998, Mo och Domsjö/Commissie, T‑352/94, Jurispr. blz. II‑1989, punt 63, op hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van 16 november 2000, Mo och Domsjö/Commissie, C‑283/98 P, Jurispr. blz. I‑9855).

47 Aan dit vereiste is voldaan wanneer in de beschikking aan de betrokkenen geen andere dan de in de mededeling van de punten van bezwaar genoemde inbreuken ten laste worden gelegd, en daarin slechts wordt uitgegaan van feiten waarover de betrokkenen zich hebben kunnen uitspreken (zie arrest Hof van 15 juli 1970, ACF Chemiefarma/Commissie, 41/69, Jurispr. blz. 661, punt 94, en arrest Gerecht van 30 september 2003, Atlantic Container e.a./Commissie, T‑191/98, T‑212/98–T‑214/98, Jurispr. blz. II‑3275, punt 138).

48 Wat de uitoefening van de rechten van verdediging ter zake van het opleggen van geldboeten betreft, is het vaste rechtspraak dat wanneer de Commissie in haar mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd, en zij de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, vermeldt op grond waarvan een boete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze „opzettelijk of uit onachtzaamheid” is begaan, zij voldoet aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord. De Commissie verstrekt deze ondernemingen daardoor de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van geldboeten te verdedigen (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 21, en arrest Gerecht van 20 maart 2002, Lögstör Rör/Commissie, T‑16/99, Jurispr. blz. II‑1633, punt 193, op hogere voorziening bevestigd bij arrest Hof van 28 juni 2005, Dansk Rørindustri e.a./Commissie, C‑189/02 P, C‑202/02 P, C‑205/02 P, C‑208/02 P en C‑213/02 P, Jurispr. blz. I‑5425, met name punt 428).

49 Hieruit volgt dat de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboeten voor de Commissie worden gewaarborgd door middel van de opmerkingen die zij omtrent de duur, de zwaarte en het mededingingsverstorende karakter van de hun verweten feiten kunnen maken (arresten Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T‑83/91, Jurispr. blz. II‑755, punt 235, en Lögstör Rör/Commissie punt 48 supra, punt 194).

50 Welnu, in punt 229, sub b, van de beschikking heeft de Commissie duidelijk haar voornemen kenbaar gemaakt om geldboeten op te leggen aan de ondernemingen tot wie deze handeling was gericht.

51 De Commissie heeft eveneens aangegeven – in punt 227 van de mededeling van de punten van bezwaar – dat opzettelijk inbreuk was gemaakt op artikel 81, lid 1, EG en artikel 53, lid 1, EER.

52 Met betrekking tot de zwaarte van de verweten feiten heeft de Commissie, na in punt 226 van de mededeling van de punten van bezwaar in herinnering te hebben gebracht dat zij rekening zou houden met de specifieke aard van de inbreuk, met de concrete weerslag ervan op de markt en met de omvang van de betrokken geografische markt – stuk voor stuk factoren die relevant zijn voor de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk volgens punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren – in punt 227 gepreciseerd dat de repartitie van de markten en de gemeenschappelijke vaststelling van prijzen uiteraard de meest zware schending van artikel 81, lid 1, EG, en artikel 53, lid 1, EER vormen; dat de betrokken ondernemingen zich ten volle rekenschap gaven van de onrechtmatigheid van hun gedrag; dat zij overleg hadden gepleegd om een geheim en geïnstitutionaliseerd stelsel in te voeren dat tot doel had de mededinging in een zeer belangrijke industriesector te beperken; dat de geheime afspraken de gehele vitamine‑industrie hadden beïnvloed, op een zeer hoog niveau binnen de betrokken ondernemingen waren bedacht, gestuurd, en aangemoedigd, uitsluitend aan deze ondernemingen ten goede waren gekomen en de afnemers van deze ondernemingen en uiteindelijk het publiek in het algemeen hadden benadeeld, en de gehele gemeenschappelijke markt en, na de oprichting ervan, alle lidstaten van de EER‑overeenkomst dekten.

53 In punt 226 van de mededeling van de punten van bezwaar heeft de Commissie ook haar voornemen kenbaar gemaakt om de geldboete op een voldoende hoog niveau vast te stellen om de afschrikkende werking ervan te verzekeren.

54 Voorts heeft de Commissie in punt 228 hieraan toegevoegd dat zij bij de vaststelling van de geldboete die aan elke onderneming moest worden opgelegd, voor elke onderneming haar rol in de heimelijke afspraken, haar belang in de vitamine‑industrie, de weerslag van haar onrechtmatig gedrag op de mededinging en elke andere verzwarende of verzachtende omstandigheid in aanmerking zou nemen. Zij heeft uitdrukkelijk gewezen op de leidersrol die met name verzoekster bij de heimelijke afspraken heeft gespeeld.

55 Nog steeds in punt 228 heeft de Commissie eveneens erop gewezen dat de duur van de individuele deelneming van elke onderneming aan deze afspraken, zoals die voor elke vitamine en voor elke deelnemer in punt 220 is gepreciseerd, noodzakelijkerwijs in aanmerking diende te worden genomen.

56 Aldus heeft de Commissie in haar mededeling van de punten van bezwaar de feitelijke en juridische elementen aangegeven waarop zij zich voor de berekening van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboeten zou baseren, zodat dienaangaande het recht van deze laatste om te worden gehoord op het eerste gezicht naar behoren is geëerbiedigd.

57 Niettemin dient te worden onderzocht, in welke mate de specifieke argumenten die verzoekster in het kader van haar eerste en haar tweede middel aanvoert, deze conclusie kunnen ontkrachten.

58 Dat is niet het geval met het argument inzake de bijzondere doelstelling die de mededeling van de punten van bezwaar zou hebben wanneer zij is gericht tot een onderneming die ten volle met de Commissie heeft meegewerkt en die de feiten niet heeft betwist (zie punt 39 hierboven). Zoals verweerster terecht heeft opgemerkt, varieert de functie van de mededeling van de punten van bezwaar niet naar gelang van de bijzondere situatie van de onderneming tot wie zij is gericht. In welke mate deze onderneming ook heeft meegewerkt, deze functie is steeds, de ondernemingen en de ondernemersverenigingen alle informatie te verschaffen die zij nodig hebben om zich nuttig te kunnen verdedigen alvorens de Commissie een definitieve beschikking geeft (arresten Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie, punt 46 supra, punt 42, en 16 november 2000, Mo och Domsjö/Commissie, punt 46 supra, punt 63). Uit dit oogpunt deed de omstandigheid dat verzoekster met de Commissie heeft meegewerkt, heeft erkend inbreuken te hebben gemaakt en deze heeft omschreven, niet af aan haar recht om van de Commissie een handeling te verkrijgen waarin alle bezwaren die deze laatste tegen haar in aanmerking nam, precies werden uiteengezet, met inbegrip van die welke konden worden gebaseerd op verklaringen of bewijzen die door de andere betrokken ondernemingen waren verstrekt. Verzoeksters argument is overigens niet zonder innerlijke tegenspraak, aangezien het uitdrukkelijk is gebaseerd op een omstandigheid, namelijk het feit dat verzoekster de feiten niet betwist, die logischerwijs de voorafgaande verzending van een mededeling van de punten van bezwaar met een uiteenzetting van de beschuldigingen van de Commissie en de feiten waarop deze berusten, vooronderstelt, zodat de aard en de functie van deze mededeling derhalve door een dergelijke latere omstandigheid niet op losse schroeven kunnen worden gezet.

59 Nog steeds in kader van het tweede middel kan het argument inzake de radicale en nog nooit geziene wijziging van het beleid van de Commissie ter zake van de geldboeten die de beschikking vormt (zie punt 40 hierboven), evenmin slagen. Zonder dat behoeft te worden onderzocht of, en in welke mate, de in de beschikking opgelegde geldboeten daadwerkelijk, gelet op de hoge bedragen ervan, een nieuwe fase in dit beleid hebben ingeluid, dient eraan te worden herinnerd dat volgens de rechtspraak de Commissie niet gehouden is in de mededeling van de punten van bezwaar de mogelijkheid van een beleidswijziging met betrekking tot het algemene niveau van de geldboeten te vermelden; deze mogelijkheid is afhankelijk van algemene overwegingen betreffende het mededingingsbeleid en houdt geen rechtstreeks verband met de bijzondere omstandigheden van de betrokken zaak (arrest Musique diffusion française e.a./Commissie, punt 48 supra, punt 22, en arrest Lögstör Rör/Commissie, punt 48 supra, punt 203). De Commissie is immers niet verplicht de ondernemingen te waarschuwen door hen te verwittigen van haar voornemen om het algemene niveau van het bedrag van de geldboeten te verhogen (arrest Gerecht van 10 maart 1992, Solvay/Commissie, T‑12/89, Jurispr. blz. II‑907, punt 311, en arrest Lögstör Rör/Commissie, punt 48 supra, punt 203).

60 Ongegrond is ook het argument dat nog steeds in het kader van het tweede middel op een bijzonder verwarde wijze is ontleend aan het ontbreken in de mededeling van de punten van bezwaar van een adequate uiteenzetting van twee volgens verzoekster „bijzonder significante” elementen die in de beschikking worden genoemd bij de berekening van het bedrag van geldboeten, te weten, enerzijds de verhoging met 100 % ter afschrikking en anderzijds de toerekening van de leidersrol aan verzoekster (zie punt 41 hierboven).

61 Wat het tweede van deze elementen betreft, stelt verzoekster in feite niet dat in de mededeling van de punten van bezwaar onvoldoende uitleg wordt gegeven, maar wel dat er een gebrek aan samenhang bestaat tussen de mededeling van de punten van bezwaar en de beschikking, doordat dit element, dat in de beschikking wordt genoemd, niet in de mededeling van de punten van bezwaar is opgenomen. Dienaangaande moet evenwel worden vastgesteld, zoals in punt 54 hierboven in herinnering is gebracht, dat in punt 228 van de mededeling van de punten van bezwaar uitdrukkelijk is gewezen op de leidersrol die verzoekster heeft gespeeld, zodat het door haar aangevoerde gebrek aan samenhang niet bestaat.

62 Wat het eerste in punt 60 hierboven genoemde element betreft, diende de Commissie verzoekster in de mededeling van de punten van bezwaar niet te verwittigen omtrent de omvang van de verhoging van de geldboete die in voorkomend geval zou worden toegepast om de afschrikkende werking van de geldboete te verzekeren. Voorzover de Commissie de gegevens, feitelijk en rechtens, heeft vermeld op basis waarvan de geldboete zal worden berekend, behoeft zij immers niet nader uit te leggen op welke wijze zij elk van deze gegevens bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zal gebruiken. Zolang de ondernemingen niet in staat zijn gesteld hun opmerkingen te maken omtrent de tegen hen in aanmerking genomen punten van bezwaar, zou het geven van aanwijzingen omtrent het niveau van de beoogde geldboeten erop neerkomen dat de Commissie vooruitloopt op haar beslissing, hetgeen onjuist zou zijn (arrest Hof Musique diffusion française e.a./Commissie, punt 48 supra, punt 21; arrest Hof van 9 november 1983, Michelin/Commissie, 322/81, Jurispr. blz. 3461, punt 19; arrest Lögstör Rör/Commissie, punt 48 supra, punt 200).

63 Vervolgens dienen de argumenten te worden onderzocht die verzoekster in het kader van haar eerste middel heeft uiteengezet, en de invloed daarvan op de voorlopige conclusie die in punt 56 hierboven is geformuleerd.

64 Met dit middel verwijt verzoekster de Commissie, dat deze haar niet de mogelijkheid heeft gegeven om opmerkingen te maken over een ander specifiek element dat naar haar mening in het kader van de in de beschikking verrichte berekening van het bedrag van de geldboete een aanzienlijke en bestraffende invloed heeft gehad, namelijk het oordeel van de Commissie dat de verweten gedragingen verschillende afzonderlijke inbreuken en niet één enkele inbreuk opleverden.

65 In dit verband moet om te beginnen het belang van het nadeel dat dit oordeel van de Commissie verzoekster heeft kunnen berokkenen, worden gerelativeerd.

66 Verzoekster gaat uit van de opvatting dat indien de Commissie had geconcludeerd dat het in casu om één enkele inbreuk ging, zij haar slechts één enkele geldboete zou hebben opgelegd, waarvan het uitgangsbedrag overeenkomstig de richtsnoeren 20 miljoen EUR zou hebben bedragen, terwijl het uitgangsbedrag van de acht daadwerkelijk aan verzoekster opgelegde geldboeten het achtvoudige was van het uitgangsbedrag dat voor één enkele geldboete mogelijk was.

67 Die opvatting komt evenwel voort uit een onjuiste lezing van de richtsnoeren. Volgens punt 1 A, tweede alinea, ervan, bedragen de „mogelijke boetebedragen” voor „zeer zware inbreuken”, zoals „horizontale beperkingen van het type prijskartel en marktverdelingsregeling”, „meer dan 20 miljoen [EUR]”. Uit deze passage van de richtsnoeren blijkt dus geenszins dat het uitgangsbedrag van een aan een onderneming voor een dergelijke inbreuk op te leggen geldboete in beginsel niet meer dan 20 miljoen EUR mag bedragen.

68 Opgemerkt zij dat de Commissie in punt 675 van de beschikking heeft gepreciseerd dat zij bij het bepalen van het uitgangsbedrag van de geldboete rekening heeft gehouden met de omvang van de markt voor de onderscheiden vitamineproducten in kwestie. Zelfs indien de Commissie in de beschikking zou hebben geconcludeerd tot het bestaan van één enkele inbreuk die de verschillende markten voor deze onderscheiden vitamineproducten omvat, zou zij overeenkomstig het in punt 675 van de beschikking geformuleerde criterium bij de vaststelling van het uitgangsbedrag van de enige op te leggen geldboete rekening hebben kunnen houden met de samengevoegde waarde van die markten. Het uitgangsbedrag zou aldus normaliter zijn vastgesteld op een niveau dat heel wat hoger lag dan 20 miljoen EUR, de indicatieve minimumdrempel voor een zeer zware inbreuk.

69 Aangezien dit bedrag van 20 miljoen EUR, dat in de richtsnoeren als indicatie voor zeer zware inbreuken wordt genoemd, een „minimumbedrag” en geen „maximumbedrag” is, wijst niets erop dat, indien de Commissie in de beschikking had geconcludeerd dat het om één enkele inbreuk ging, zij voor die ene aan verzoekster op te leggen geldboete noodzakelijkerwijs een uitgangsbedrag had moeten vaststellen dat lager was dan de som van de uitgangsbedragen die daadwerkelijk zijn vastgesteld voor de acht aan verzoekster opgelegde geldboeten.

70 De kwalificatie van sommige onrechtmatige handelingen als één en dezelfde inbreuk of als verschillende afzonderlijke inbreuken is in beginsel weliswaar niet zonder invloed op de mogelijke sanctie, aangezien de vaststelling van verschillende inbreuken, telkens binnen de in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 vastgestelde grenzen (arrest Gerecht van 15 juni 2005, Tokai Carbon e.a./Commissie, T‑71/03, T‑74/03, T‑87/03 en T‑91/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 118) en dus met inachtneming van het maximum van 10 % van de omzet in het laatste aan de vaststelling van de beschikking voorafgaande boekjaar, de oplegging van een aantal afzonderlijke geldboeten kan meebrengen.

71 Vaststaat evenwel dat het feit dat de Commissie de vastgestelde feiten als verschillende afzonderlijke inbreuken heeft gekwalificeerd, in casu geen enkele rol heeft gespeeld voor de toepassing van dit maximum. Het totale bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboeten – zelfs vóór de toepassing van de mededeling inzake medewerking (592,32 miljoen EUR) – blijft ruim onder de bovengrens van 10 %, waarbij de omzet voor die bovengrens als de totale omzet moet worden begrepen (arrest Musique Diffusion française e.a./Commissie, punt 48 supra, punt 119), aangezien verzoekster tijdens het jaar dat aan de vaststelling van de beschikking voorafging, te weten 2000, een wereldwijde omzet van 35 946 miljoen EUR heeft behaald (zie de eerste tabel van punt 123 van de beschikking).

72 Hieraan moet worden toegevoegd dat, indien de Commissie had geconcludeerd dat er in casu sprake was van één enkele inbreuk die alle in de beschikking genoemde vitamineproducten dekte, zij voor de berekening van de aan verzoekster op te leggen geldboete waarschijnlijk ook rekening had kunnen houden met de onderlinge afstemming met betrekking tot de vitaminen B 1 en H, die de instelling in de beschikking evenwel niet heeft bestraft omdat zij van mening was dat het afzonderlijke inbreuken betrof waarvoor haar bevoegdheid tot bestraffing overeenkomstig verordening nr. 2988/74 was verjaard.

73 Deze overwegingen, die verzoeksters betoog in een breder en objectief perspectief beogen te plaatsen, volstaan evenwel niet om te concluderen dat het oordeel van de Commissie dat er in casu verschillende afzonderlijke inbreuken waren, geen enkele invloed heeft gehad op het niveau van de aan verzoekster opgelegde geldboeten. Derhalve dient te worden onderzocht of verzoekster in staat is gesteld, in antwoord op de mededeling van de punten van bezwaar haar zienswijze kenbaar te maken met betrekking tot de vraag of de haar in de mededeling van de punten van bezwaar verweten feiten één enkele inbreuk dan wel verschillende inbreuken opleverden.

74 Erkend moet worden dat de Commissie, ofschoon zij in de mededeling van de punten van bezwaar de feiten die werden verweten aan de ondernemingen tot wie deze mededeling was gericht, goed heeft geïdentificeerd en gedetailleerd heeft omschreven en de bepalingen (artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst) heeft genoemd waarop volgens haar door deze feiten inbreuk kon zijn gemaakt, over deze vraag geen duidelijk standpunt heeft ingenomen.

75 Enerzijds signaleert verzoekster namelijk terecht een aantal elementen in de mededeling van de punten van bezwaar die erop kunnen wijzen dat de Commissie ervan uitging dat de betrokken mededingingsverstorende handelingen één enkele inbreuk opleverden.

76 Om te beginnen kan worden verwezen naar punt 206, derde alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar, waar de Commissie het volgende heeft opgemerkt:

„Ongeacht het aantal producenten, de wisselende deelneming aan de bijeenkomsten en de diversiteit van hun productenassortiment, vormt het geheel van heimelijke regelingen in de praktijk en in feite een globaal mechanisme dat ertoe strekt de wereldmarkt te controleren met betrekking tot het gehele assortiment vitamineproducten, met [Roche] in het centrum van het netwerk van overeenkomsten en afspraken.”

(„Notwithstanding the number of producers, the variation in the participation in the meetings and the diversity of their product ranges, the complex of collusive arrangements, in practice and in effect, constituted an overall coordinated scheme to control the world market across the whole range of vitamin products with [Roche] at the centre of the network of agreements and arrangements.”)

77 Vooral punt 212, tweede alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar moet worden genoemd. Daarin heeft de Commissie verklaard:

„Gelet op de continuïteit en de gelijksoortigheid van de gevolgde methoden acht de Commissie het passend om het geheel van overeenkomsten betreffende de verschillende vitaminen in één en dezelfde procedure te behandelen. De Commissie beschouwt dit als één enkel globaal kartel betreffende vitaminen, waarvan [Roche], BASF en Rhône-Poulenc de voornaamste ‚massa’ vormen, en de andere producenten bij het kartel zijn aangesloten, of er deel van uitmaken, voor de specifieke vitaminen die zij produceren.”

(„Given the continuity and similarity of method, the Commission considers it appropriate to treat in one and the same procedure the complex of agreements covering the different vitamins. The Commission will consider this as one single overarching vitamin cartel with [Roche], BASF and Rhône-Poulenc forming the main ‘mass’ and the other producers adhering to, and forming a subset of, the cartel for the particular vitamins which they produce.”)

78 In punt 225, derde en vierde alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar heeft de Commissie beklemtoond dat onmogelijk met zekerheid kon worden gezegd of „de inbreuk” volkomen beëindigd was, en dat van de ondernemingen tot wie deze mededeling was gericht, moest worden geëist dat zij „de inbreuk” beëindigden.

79 Anderzijds refereert verweerster evenzeer terecht aan andere elementen in de mededeling van de punten van bezwaar, die erop wijzen dat zij voornemens was om het bestaan van verschillende inbreuken vast te stellen.

80 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Commissie in punt 212, derde alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar, in de bewoordingen van het arrest van het Hof van 16 december 1975, Suiker Unie e.a./Commissie (40/73–48/73, 50/73, 54/73–56/73, 111/73, 113/73 en 114/73, Jurispr. blz. 1663, punt 111), het volgende heeft verklaard:

„Overwegende dat aan de Commissie nergens wordt verboden zich bij één enkele beschikking over verschillende inbreuken uit te spreken, ook al mochten sommige van die inbreuken buiten sommige adressaten om hebben plaatsgevonden, zolang slechts ieder hunner in de beschikking nauwkeurig kan lezen welke grieven er tegen hemzelf bestaan; [...] Wanneer en ingeval een geldboete zou worden overwogen, zal de Commissie ten volle rekening houden met de rol van iedere deelnemer en met de omvang van de markt van de betrokken vitamine in het bijzonder.”

(„There is no reason at all why the Commission should not make a single decision covering several infringements, even if some of the undertakings to which it is addressed are unconnected with some of these infringements, provided that the decision permits each addressee to obtain a clear picture of the complaints made against it. [...] When and if any penalty is to be assessed, the Commission will take full account of the part played by each of the participants and the size of the market for the particular vitamin concerned.”)

81 Punt 212, eerste alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar bepaalt:

„De Commissie is van mening dat het geheel van inbreuken in casu alle kenmerken van een afgeronde overeenkomst in de zin van artikel 81 [EG] heeft.”

(„The Commission considers that the complex of infringements in this case present all the characteristics of a full agreement in the sense of Article 81.”)

82 In punt 225, derde alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar wordt met name verklaard:

„Voor de meeste producten zijn de inbreuken lang na het begin van het onderzoek voortgezet.”

(„The infringements continued for most products long after the start of the investigations.”)

83 In punt 226, vierde alinea, van de mededeling van de punten van bezwaar heeft de Commissie met betrekking tot de toepassing van de mededeling inzake medewerking gepreciseerd dat zij alle medewerking die de producenten „voor elk product afzonderlijk” (in relation to each product separately) hadden geboden, in aanmerking zou nemen.

84 De partijen in het onderhavige geding verwijzen naar een aantal andere tekstelementen uit de mededeling van de punten van bezwaar die huns inziens een bevestiging vormen van hun respectieve uitlegging van deze handeling met betrekking tot de vraag of er sprake was van één enkele inbreuk dan wel van verschillende afzonderlijke inbreuken. Deze elementen, die met name bestaan uit het gebruik van in het enkelvoud of in het meervoud verbogen woorden zoals „regeling”, „overeenkomst” of „kartel”, lijken minder significant.

85 Aldus beklemtoont verweerster enerzijds met name dat de in de mededeling van de punten van bezwaar gebruikte termen „geheel van overeenkomsten” (complex of agreements), „geheel van overeenkomsten en regelingen” (complex of agreements and arrangements), „kartelafspraken” (cartel agreements), „heimelijke afspraken” (collusive agreements), erop wijzen dat de Commissie wel degelijk van mening was dat er in casu sprake was van verschillende afzonderlijke inbreuken.

86 Deze termen, alsook de uitdrukking „heimelijke regelingen” (collusive arrangements), die eveneens in de mededeling van de punten van bezwaar wordt gebruikt, kunnen evenwel niet aldus worden opgevat dat zij noodzakelijkerwijs een precieze juridische kwalificatie in de zin van verschillende inbreuken impliceren. Volgens de rechtspraak kunnen een aantal gedragingen die hetzelfde mededingingsbeperkende doel hebben en waarvan elke gedraging, op zich beschouwd, onder het begrip „overeenkomst”, „onderling afgestemde feitelijke gedraging” of „besluit van een ondernemersvereniging” in de zin van artikel 81, lid 1, EG valt, immers verschillende verschijningsvormen van één enkele inbreuk op dit artikel zijn (arrest Hof van 8 juli 1999, Commissie/Anic Partecipazioni, C‑49/92 P, Jurispr. blz. I‑4125, punt 113).

87 Verzoekster baseert zich daarentegen op tal van passages uit de mededeling van de punten van bezwaar waarin de Commissie het woord „kartel ”heeft gebruikt zonder specifiek aan deze of gene vitamine te refereren, met name wanneer de instelling in punt 195 van deze mededeling ter staving van haar bevoegdheid ter zake heeft verklaard dat „het kartel een aanzienlijk effect heeft gehad op de handel tussen de lidstaten en op de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt” (the cartel had an appreciable effect on trade between EC Member States and competition in the Common Market).

88 In de eerste plaats impliceert het gebruik van de term „kartel” evenwel niet noodzakelijkerwijs dat van het bestaan van één enkele mededingingsregeling in de zin van artikel 81 EG wordt uitgegaan. Deze term kan immers een mededingingsregeling van het horizontale type aanduiden, maar kan ook, meer algemeen, worden gebruikt voor een structuur, een organisatie die aansprakelijk is voor inbreuken op de mededingingsregels. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de term „kartel” in de mededeling van de punten van bezwaar is gebruikt om de gehele door de vitamineproducenten opgezette organisatie aan te duiden, zonder dat hiermee wordt vooruitgelopen op de mogelijkheid om tot het bestaan van verschillende mededingingsregelingen en dus van verschillende inbreuken te concluderen. In de tweede plaats kunnen een aantal in de mededeling van de punten van bezwaar voorkomende uitspraken met betrekking tot het „kartel”, zoals deze betreffende de effecten ervan op de handel tussen de lidstaten in punt 195, of die betreffende het opzettelijke karakter van de inbreuk op de artikelen 81 EG en 53 van de EER-overeenkomst in punt 227, ook aldus worden uitgelegd dat zij in werkelijkheid ertoe strekten om de gemeenschappelijke kenmerken van alle in de mededeling van de punten van bezwaar genoemde mededingingsregelingen te omschrijven om een onnodige herhaling van deze kenmerken, mededingingsregeling per mededingingsregeling, te voorkomen.

89 Wat de door verweerster aangevoerde structuur van de mededeling van de punten van bezwaar betreft, deze is aldus opgezet dat onder titel C, met als opschrift „het kartel”, een specifieke en gedetailleerde beschrijving van de heimelijke afspraken betreffende elke vitamine afzonderlijk wordt gegeven, behalve voor de vitaminen A en E die samen worden behandeld en met betrekking tot dewelke overigens wordt erkend dat zij tot afzonderlijke markten behoren. Met dit aldus genuanceerde voorbehoud heeft de Commissie in ieder deel van deze titel C een bepaald vitamineproduct onderzocht, alsmede de kenmerken ervan, de producenten en de (als afzonderlijk aangemerkte) markt ervan, de oorsprong, de duur, het basismechanisme, de bijeenkomsten en de werking van het kartel met betrekking tot de vitamine in kwestie, en ook de deelnemers eraan. Hoewel het opschrift ervan in het enkelvoud (the cartel) is gesteld, deed titel C van de mededeling van de punten van bezwaar dus toch aan verschillende afzonderlijke mededingingsregelingen denken.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in