Gerecht EU 13 december 2006, T-217/03, ECLI:EU:T:2006:391

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Gevoegde zaken T‑217/03 en T‑245/03

Fédération nationale de la coopération bétail et viande (FNCBV) e.a.

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Mededinging – Artikel 81, lid 1, EG – Rundvlees – Opschorting van invoer – Opstelling van prijslijst door vakorganisaties – Verordening nr. 26 – Ondernemersverenigingen – Beperking van mededinging – Actie van vakorganisatie – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten – Motiveringsplicht – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten – Evenredigheidsbeginsel – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzwarende en verzachtende omstandigheden – Niet-cumulatie van sancties – Rechten van verdediging”

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Gemeenschapsregels – Ondernemersverenigingen – Begrip

(Art. 81, lid 1, EG)

2. Mededinging – Gemeenschapsregels – Ondernemersverenigingen – Begrip

(Art. 81, lid 1, EG)

3. Mededinging – Mededingingsregelingen – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten

(Art. 81, lid 1, EG)

4. Mededinging – Mededingingsregelingen – Aantasting van mededinging – Vaststelling van prijzen

(Art. 81, lid 1, EG)

5. Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Nationaal rechtskader waarin mededingingsregeling tot stand is gekomen

(Art. 81 EG)

6. Mededinging – Gemeenschapsregels – Materiële werkingssfeer

(Art. 81 EG)

7. Landbouw – Mededingingsregels – Verordening nr. 26

(Art. 33 EG, 36 EG en 81, lid 1, EG; verordening nr. 26 van de Raad, art. 2, lid 1)

8. Mededinging – Administratieve procedure – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud

(Verordening nr. 17 van de Raad; verordening nr. 99/63 van de Commissie, art. 4)

9. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Art. 253 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

10. Exceptie van onwettigheid – Draagwijdte – Handelingen ten aanzien waarvan exceptie van onwettigheid mogelijk is

(Art. 241 EG; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Duur van inbreuk

(Art. 81, lid 1, EG; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

14. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzwarende omstandigheden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Maximumbedrag

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

16. Mededinging – Geldboeten – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk wordt vastgesteld na eerdere beschikking die niet vatbaar is voor beroep en waarbij zelfde onderneming is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Beoordelingsvrijheid van Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht

1. Artikel 81, lid 1, EG is van toepassing op verenigingen, voor zover hun eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de gevolgen teweeg te brengen die deze bepaling beoogt tegen te gaan. Gelet op het doel van deze bepaling moet het begrip ondernemersvereniging aldus worden uitgelegd dat het ook verenigingen kan omvatten die zelf uit ondernemersverenigingen bestaan.

Voor de toepassing van deze bepaling op een overeenkomst tussen verenigingen is niet vereist dat de betrokken verenigingen de door de overeenkomst opgelegde verplichtingen van hun leden kunnen afdwingen.

(cf. punten 49, 89)

2. In de context van het mededingingsrecht omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Onder economische activiteit wordt verstaan elke activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt.

De activiteit van landbouwondernemers, landbouwers of veehouders, is zeker economisch van aard. Zij produceren immers goederen die zij tegen vergoeding te koop aanbieden. Landbouwondernemers vormen dus ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

De vakorganisaties die hen groeperen en vertegenwoordigen, alsook de federaties die deze vakorganisaties groeperen, kunnen derhalve als ondernemersverenigingen in de zin van deze bepaling worden aangemerkt.

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat ook de echtgenoten van landbouwondernemers bij de lokale vakorganisaties kunnen zijn aangesloten. In de eerste plaats nemen de echtgenoten van landbouwers of veehouders die zelf bij een lokale landbouwvakorganisatie zijn aangesloten, waarschijnlijk ook deel aan de taken van het familiebedrijf. In de tweede plaats volstaat het loutere feit dat ook personen of entiteiten die niet als onderneming kunnen worden gekwalificeerd, bij een ondernemersvereniging kunnen zijn aangesloten, hoe dan ook niet om aan deze laatste de hoedanigheid van ondernemersvereniging in de zin van artikel 81, lid 1, EG te ontnemen. Het argument dat wanneer het bedrijf de vorm van een vennootschap aanneemt, het niet deze vennootschap is die zich via haar vertegenwoordiger bij de vakorganisatie aansluit, maar elk van de vennoten, kan evenmin worden aanvaard. Voor de kwalificatie als onderneming is immers niet de rechts‑ of exploitatievorm van het betrokken bedrijf van belang, maar de activiteit van dit bedrijf en van degenen die hieraan deelnemen.

(cf. punten 52‑55)

3. Artikel 81, lid 1, EG is slechts van toepassing op overeenkomsten die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Om de handel tussen lidstaten ongunstig te kunnen beïnvloeden, moet een overeenkomst tussen ondernemingen op grond van een geheel van objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten wordt geschaad.

Wanneer de inbreuk waaraan een onderneming of ondernemersvereniging heeft deelgenomen, de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, hoeft de Commissie niet aan te tonen dat de individuele deelname van deze onderneming of ondernemersvereniging de intracommunautaire handel ongunstig heeft beïnvloed.

Verder hebben gedragingen die de mededinging beperken en die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijken, naar hun aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist. Ten slotte kunnen de leden van een nationaal prijskartel hun marktaandeel op een voor importen ontvankelijke markt slechts behouden door zich te wapenen tegen de concurrentie uit het buitenland.

(cf. punten 63, 66-67)

4. Artikel 81, lid 1, sub a, EG bepaalt uitdrukkelijk dat maatregelen die bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen mededingingsbeperkingen vormen. De vaststelling van prijzen vormt immers een duidelijke mededingingsbeperking.

Een overeenkomst die is gesloten tussen federaties die landbouwondernemers vertegenwoordigen en federaties die exploitanten van slachthuizen vertegenwoordigen, en die minimumprijzen voor bepaalde categorieën koeien vaststelt teneinde deze op te leggen aan alle economische operatoren die op de betrokken markten actief zijn, heeft tot doel de vrije mededinging op deze markten te beperken, met name door de commerciële onderhandelingsmarge van de veehouders en de exploitanten van slachthuizen kunstmatig te verkleinen en de prijsvorming op de betrokken markten te vervalsen.

Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument dat de landbouwmarkten gereguleerde markten zijn waar de mededingingsregels niet van rechtswege van toepassing zijn en waar de prijs vaak niet tot stand komt volgens de wetten van vraag en aanbod. De landbouwsector vertoont weliswaar een zekere eigenheid en maakt het voorwerp uit van een vrij gedetailleerde en vaak vrij interventionistische regulering, maar de communautaire mededingingsregels zijn niettemin van toepassing op de landbouwmarkten, ook al is er in bepaalde uitzonderingen voorzien om rekening te houden met de bijzondere situatie van deze markten.

Bovendien kan het loutere feit dat de minimumprijzen worden vastgesteld op basis van de overheidsinterventieprijzen niet volstaan om de betrokken overeenkomst haar mededingingsbeperkende karakter te ontnemen. Door deze verwijzing naar de overheidsinterventieprijs verliest de betrokken lijst van minimumprijzen immers niet zijn mededingingsbeperkend doel, dat erin bestaat op rechtstreekse en kunstmatige wijze een bepaalde marktprijs vast te stellen. Evenmin kan deze lijst op grond hiervan worden gelijkgesteld met de verschillende openbare steun‑ en interventieregelingen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, die tot doel hebben markten die gebukt gaan onder een overaanbod te saneren door een deel van de productie af te voeren.

(cf. punten 83, 85-87)

5. Het juridische kader waarin door artikel 81 EG verboden overeenkomsten tussen ondernemingen worden gesloten en de juridische kwalificatie die in de verschillende nationale rechtsordes aan dit kader wordt gegeven, hebben geen invloed op de toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels. Bovendien kan de vermeende ontoereikendheid van de overheidsmaatregelen om het hoofd te bieden aan de problemen van een bepaalde sector niet rechtvaardigen dat de getroffen particuliere ondernemers zich gedragen op een wijze die in strijd is met de mededingingsregels of zich bevoegdheden toe-eigenen die toebehoren aan de nationale of communautaire autoriteiten, teneinde hun actie in de plaats te stellen van die van deze autoriteiten.

Zo ook heeft de omstandigheid dat nationale autoriteiten op de hoogte waren van het mededingingsbeperkende gedrag van de ondernemingen of dit hebben goedgekeurd of zelfs aangemoedigd, hoe dan ook geen invloed op de toepasselijkheid van artikel 81 EG. Ten slotte kan de crisis waarin een sector zich bevindt, op zich niet de toepassing van artikel 81, lid 1, EG uitsluiten.

(cf. punten 90‑92)

6. Overeenkomsten die worden gesloten in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners die daarmee gezamenlijk streven naar een verbetering van de werkgelegenheids‑ en arbeidsvoorwaarden, vallen wegens hun aard en hun doel niet onder artikel 81, lid 1, EG. Een overeenkomst tussen federaties van vakorganisaties van landbouwondernemers en federaties van exploitanten van slachthuizen die ertoe strekt minimumprijzen vast te stellen voor de aankoop van runderen door de slachthuizen en de invoer van rundvlees op te schorten, kan evenwel niet ontsnappen aan de toepassing van de verbodsbepalingen van artikel 81 EG.

(cf. punten 98‑100)

7. De handhaving van een echte mededinging op de markten voor landbouwproducten is een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het feit dat artikel 36 EG de Raad opdraagt te bepalen in hoeverre de communautaire mededingingsregels van toepassing zijn op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten, teneinde rekening te houden met de bijzondere situatie van de markten voor deze producten, neemt namelijk niet weg dat deze bepaling als beginsel stelt dat de communautaire mededingingsregels van toepassing zijn in de landbouwsector.

Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 26, volgens hetwelk artikel 81, lid 1, EG niet van toepassing is op overeenkomsten, besluiten en gedragingen die vereist zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dient als uitzondering strikt te worden uitgelegd. Verder is deze bepaling slechts van toepassing indien de betrokken overeenkomst bijdraagt tot de verwezenlijking van alle doelstellingen van artikel 33 EG, met dien verstande dat de Commissie, gelet op het feit dat deze doelstellingen soms uiteenlopen, kan trachten deze te verzoenen. Ten slotte kunnen maatregelen voor de toepassing van deze uitzondering slechts als noodzakelijk voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden beschouwd indien zij evenredig zijn.

(cf. punten 197‑199, 208)

8. De eerbiediging van de rechten van de verdediging in elke procedure die tot de oplegging van sancties, met name geldboeten, kan leiden, is een grondbeginsel van het gemeenschapsrecht, dat zelfs in een administratieve procedure in acht moet worden genomen. De mededeling van de punten van bezwaar, die toepassing geeft aan dit beginsel, vormt een wezenlijke procedurele waarborg. Zij moet duidelijk de belangrijkste feiten vermelden waarop de Commissie zich in dat stadium van de procedure baseert.

Wanneer de Commissie in haar mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd, en zij de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, vermeldt op grond waarvan een geldboete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan, voldoet zij aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord. Aldus verstrekt zij hun de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van een geldboete te verdedigen.

Indien de Commissie in de mededeling van de punten van bezwaar aanwijzingen zou geven omtrent de hoogte van de beoogde geldboeten, terwijl de ondernemingen nog niet in staat zijn gesteld hun opmerkingen te maken omtrent de tegen hen in aanmerking genomen punten van bezwaar, zou zij daarmee vooruitlopen op haar beslissing, hetgeen ongepast zou zijn. Indien in de mededeling van de punten van bezwaar de inachtneming van het plafond van 10 % door de geldboete die eventueel door de uiteindelijke beslissing zal worden opgelegd, ter sprake werd gebracht, zou hiermee eveneens, a fortiori, op ongepaste wijze worden vooruitgelopen op deze beslissing.

(cf. punten 217‑218, 222)

9. Wanneer de Commissie een geldboete oplegt aan een individuele onderneming die een inbreuk heeft gepleegd, is zij behoudens bijzondere omstandigheden niet noodzakelijkerwijs gehouden de inachtneming van het plafond van 10 % van de omzet van de betrokken onderneming uitdrukkelijk te motiveren. Deze laatste dient zowel het bestaan van deze wettelijke bovengrens als het concrete bedrag van haar omzet te kennen en kan dus, zelfs zonder dat de boetebeschikking dienaangaande enig gegeven bevat, beoordelen of de haar opgelegde geldboete het plafond van 10 % al dan niet heeft overschreden.

Wanneer daarentegen de Commissie een sanctie oplegt aan een ondernemersvereniging en aan de hand van de totale omzet van alle of een deel van de leden van deze vereniging verifieert of het wettelijke plafond van 10 % van de omzet in acht is genomen, dient zij dit uitdrukkelijk aan te geven in haar beschikking en uiteen te zetten op welke gronden het gerechtvaardigd is de omzet van de leden in aanmerking te nemen. Zonder een dergelijke motivering zouden de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van een dergelijke beschikking niet kunnen kennen en evenmin kunnen verifiëren of het wettelijke plafond in hun geval in acht is genomen.

(cf. punten 238‑239)

10. De richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, vormen weliswaar niet de rechtsgrondslag van de beschikking waarbij aan een marktdeelnemer een geldboete wordt opgelegd, aangezien deze beschikking op verordening nr. 17 is gebaseerd, maar bepalen op algemene en abstracte wijze de methode die de Commissie zich voor de vaststelling van het bedrag van de geldboeten heeft opgelegd. Bijgevolg bestaat er een rechtstreeks verband tussen deze beschikking en de richtsnoeren, zodat tegen deze laatste een exceptie van onwettigheid kan worden opgeworpen.

(cf. punt 250)

11. Mededingingsregelingen die ertoe strekken de prijzen vast te stellen of de markten af te schermen, zijn naar hun aard zeer zware inbreuken. Bijgevolg heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel niet geschonden door in punt 1 A van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, te bepalen dat dit soort inbreuken dient te worden beschouwd als een zeer zware inbreuk, waarvoor een uitgangsbedrag van 20 miljoen EUR is vastgesteld.

Aangezien de in de richtsnoeren bepaalde forfaitaire bedragen slechts indicatief zijn, kan daaruit hoe dan ook op zich geen schending van het evenredigheidsbeginsel volgen.

(cf. punten 252‑253)

12. Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, dat bepaalt dat de Commissie geldboeten kan opleggen tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, verlangt enkel dat de geldboete die uiteindelijk aan een onderneming zal worden opgelegd, wordt verlaagd indien zij 10 % van haar omzet overschrijdt, ongeacht de tussenstappen in de berekening waarbij de zwaarte en de duur van de inbreuk in aanmerking worden genomen. Bijgevolg staat artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 niet eraan in de weg dat de Commissie bij haar berekening uitgaat van een tussenbedrag dat 10 % van de omzet van de betrokken onderneming overschrijdt, voor zover de uiteindelijk aan de onderneming opgelegde geldboete dit maximum niet overschrijdt. Deze overweging geldt eveneens voor het in dezelfde bepaling vastgestelde maximumbedrag van één miljoen EUR.

(cf. punt 255)

13. Gelet op punt 1 B van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, volgens hetwelk het op basis van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde bedrag van de geldboete op grond van de duur ervan eventueel met een extra bedrag wordt verhoogd, rechtvaardigt de zeer korte duur van de inbreuk, te weten korter dan één jaar, uitsluitend dat het op grond van de zwaarte van de inbreuk bepaalde bedrag niet met een extra bedrag wordt verhoogd. Het feit dat een inbreuk van zeer korte duur is geweest, doet hoe dan ook niet af aan het bestaan van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG.

(cf. punten 134, 257-258)

14. De geheime voortzetting van een overeenkomst nadat de Commissie de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen te kennen heeft gegeven dat zij deze dienden te beëindigen, alsook het gebruik van geweld om een partij te dwingen een overeenkomst te aanvaarden of om op de toepassing ervan toe te zien, vormen verzwarende omstandigheden die de Commissie in aanmerking kan nemen om het bedrag van een op grond van artikel 81 EG opgelegde geldboete te verhogen.

(cf. punten 271, 278-289)

15. Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 verzet zich er niet tegen dat de Commissie geldboeten van meer dan één miljoen EUR oplegt aan verenigingen die beweerdelijk geen omzet behalen. Het in artikel 15, lid 2, gebruikte genusbegrip „inbreuk”, dat zonder onderscheid van toepassing is op overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen, duidt erop dat de in deze bepaling vastgelegde maxima gelijkelijk gelden voor overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen en besluiten van ondernemersverenigingen. Wanneer een ondernemersvereniging geen eigen economische activiteit uitoefent of wanneer haar omzet niets zegt over de invloed die zij op de markt kan uitoefenen, kan de Commissie onder bepaalde voorwaarden de omzet van de leden ervan in aanmerking nemen bij de berekening van het maximumbedrag van de geldboete die haar kan worden opgelegd.

Weliswaar heeft de enige uitdrukkelijke verwijzing in deze bepaling naar de omzet van de onderneming betrekking op de bovengrens van een geldboete die hoger is dan één miljoen EUR, maar punt 5, sub a, van de door de Commissie aan zichzelf opgelegde richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, bepaalt dat het eindresultaat van de berekening van de geldboete volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 in geen geval 10 % van de mondiale omzet van de ondernemingen mag overschrijden. Het plafond van 10 % van de omzet moet dus worden toegepast, zelfs in de gevallen waarin een geldboete van minder dan één miljoen EUR wordt opgelegd.

Verder moet het plafond van 10 % van de omzet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door elk van de ondernemingen die partij is bij de overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, of door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersverenigingen gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden. Deze mogelijkheid om ter zake rekening te houden met de omzet van alle bij een vereniging aangesloten ondernemingen, wordt gerechtvaardigd door het feit dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten onder meer rekening kan worden gehouden met de invloed die de onderneming, bijvoorbeeld als gevolg van haar omvang en haar economische macht, waarvoor de omzet van de onderneming een aanwijzing vormt, op de markt heeft kunnen uitoefenen, alsmede met de preventieve werking die van deze geldboeten moet uitgaan. De invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, hangt niet af van haar eigen omzet, die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar van de omzet van haar leden, die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt.

Het is evenwel niet uitgesloten dat de omzet van de leden van een vereniging in bijzondere gevallen ook in aanmerking kan worden genomen indien deze laatste niet formeel bevoegd is om haar leden te binden, bij gebreke van interne regels die haar een dergelijke bevoegdheid verlenen. Anders zou afbreuk kunnen worden gedaan aan de mogelijkheid voor de Commissie om passende geldboeten voor de betrokken inbreuken op te leggen, aangezien aan verenigingen die een zeer kleine omzet hebben maar een groot aantal ondernemingen groeperen die tezamen een grote omzet behalen, zonder deze daarom formeel te kunnen binden, slechts een zeer lage geldboete zou kunnen worden opgelegd, zelfs indien de door hun leden gepleegde inbreuken een merkbare invloed hebben kunnen uitoefenen op de betrokken markten. Dit zou bovendien afbreuk doen aan de noodzaak, de preventieve werking van de sancties tegen inbreuken op de communautaire mededingingsregels te verzekeren.

Het kan dan ook op grond van andere specifieke omstandigheden dan het bestaan van interne regels krachtens welke de vereniging haar leden kan binden, gerechtvaardigd zijn de gecumuleerde omzet van de leden van de betrokken vereniging in aanmerking te nemen. Het gaat in het bijzonder om gevallen waarin de door een vereniging gepleegde inbreuk verband houdt met de activiteiten van haar leden en waarin de vereniging de betrokken mededingingsverstorende gedragingen rechtstreeks ten gunste van en in samenwerking met haar leden verricht, aangezien zij geen objectieve belangen heeft die losstaan van die van haar leden. Hoewel de Commissie in bepaalde van deze gevallen eventueel niet alleen de betrokken vereniging kan bestraffen, maar ook individuele geldboeten aan elk van de aangesloten ondernemingen kan opleggen, kan dit bijzonder moeilijk of zelfs onmogelijk blijken wanneer het aantal leden zeer groot is.

In deze gevallen dient de mogelijkheid om de omzet van de basisleden van de ondernemersverenigingen in aanmerking te nemen, evenwel hoe dan ook in beginsel te worden beperkt tot de leden die actief waren op de markten die werden getroffen door de inbreuken waarvoor de bestreden beschikking een sanctie heeft opgelegd.

Verder betekent het feit dat de omzet van de leden van een ondernemersvereniging bij de bepaling van het plafond van 10 % in aanmerking is genomen, niet dat hun een geldboete is opgelegd, noch, op zichzelf, dat de betrokken vereniging verplicht is de last ervan op haar leden te verhalen.

(cf. punten 313‑314, 317-319, 325, 343)

16. Het ne bis in idem-beginsel vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht waarvan de rechter de eerbiediging verzekert. Op het gebied van het communautaire mededingingsrecht verbiedt dit beginsel dat een onderneming door de Commissie opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een mededingingsverstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beschikking van de Commissie waartegen geen beroep meer openstaat. De toepassing van het ne bis in idem-beginsel is afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn. Dit beginsel verbiedt dus om een persoon voor een zelfde onrechtmatig gedrag meer dan één keer te bestraffen ter bescherming van hetzelfde rechtsgoed. Het verbiedt daarentegen niet om verschillende ondernemersverenigingen die eenzelfde feit hebben gepleegd, hiervoor een sanctie op te leggen op basis van hun deelneming aan de inbreuk en van de mate waarin elk van hen voor deze inbreuk verantwoordelijk is, zelfs indien sommige onder hen leden zijn van de andere.

(cf. punten 340‑344)

17. De Commissie beschikt bij de bepaling van het bedrag van de geldboeten die wegens inbreuken op de communautaire mededingingsregels worden opgelegd weliswaar over een beoordelingsbevoegdheid, maar het Gerecht heeft niettemin krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht in de zin van artikel 229 EG ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete wordt vastgesteld, en kan bijgevolg de opgelegde geldboete intrekken, verlagen of verhogen. Het Gerecht kan met name in de uitoefening van deze volledige rechtsmacht het bedrag wijzigen van de verlaging van de geldboete die de Commissie ten gunste van een onderneming of ondernemersvereniging heeft toegepast op grond van de omstandigheden die worden genoemd in punt 5, sub b, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd.

(cf. punten 352, 355-361)

ARREST VAN HET GERECHT (Eerste kamer)

13 december 2006 (*)

„Mededinging – Artikel 81, lid 1, EG – Rundvlees – Opschorting van invoer – Opstelling van prijslijst door vakorganisaties – Verordening nr. 26 – Ondernemersverenigingen – Beperking van mededinging – Actie van vakorganisatie – Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten – Motiveringsplicht – Richtsnoeren voor berekening van geldboeten – Evenredigheidsbeginsel – Zwaarte en duur van inbreuk – Verzwarende en verzachtende omstandigheden – Niet-cumulatie van sancties – Rechten van verdediging”

In de gevoegde zaken T‑217/03 en T‑245/03,

Fédération nationale de la coopération bétail et viande (FNCBV), gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door R. Collin, M. Ponsard en N. Decker, advocaten,

verzoekster in zaak T‑217/03,

Fédération nationale des syndicats d’exploitants agricoles (FNSEA), gevestigd te Parijs,

Fédération nationale bovine (FNB), gevestigd te Parijs,

Fédération nationale des producteurs de lait (FNPL), gevestigd te Parijs,

Jeunes agriculteurs (JA), gevestigd te Parijs,

vertegenwoordigd door B. Neouze en V. Ledoux, advocaten,

verzoeksters in zaak T‑245/03,

ondersteund door

Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. de Bergues, F. Million en R. Abraham, vervolgens door G. de Bergues, E. Belliard en S. Ramet als gemachtigden,

interveniënte,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, A. Bouquet en O. Beynet als gemachtigden,

verweerster,

betreffende, primair, verzoeken tot nietigverklaring van beschikking 2003/600/EG van de Commissie van 2 april 2003 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/C.38.279/F3 – Frans rundvlees) (PB L 209, blz. 12), en, subsidiair, een verzoek tot intrekking of verlaging van de bij deze beschikking opgelegde geldboeten,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. García-Valdecasas, kamerpresident, J. D. Cooke en I. Labucka, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 mei 2006,

het navolgende

Arrest

Rechtskader

1 Artikel 1 van verordening nr. 26 van 4 april 1962 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwproducten (PB 1962, 30, blz. 993), bepaalt dat de artikelen [81] EG tot en met [86] EG, evenals de voor hun toepassing uitgevaardigde bepalingen, gelden voor alle in artikel [81], lid 1, en in artikel [82] van het Verdrag bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die betrekking hebben op de voortbrenging van of de handel in de in bijlage [I] van het EG-Verdrag vermelde producten, waaronder met name levende dieren en vlees en eetbare slachtafvallen, onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 2.

2 Artikel 2, lid 1, van de verordening luidt als volgt:

„Artikel [81], lid 1, [EG] is niet van toepassing op de in het voorgaande artikel bedoelde overeenkomsten, besluiten en gedragingen die een wezenlijk bestanddeel uitmaken van een nationale marktorganisatie of die vereist zijn voor de verwezenlijking van de in artikel [33 EG] omschreven doelstellingen. Het is in het bijzonder niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en gedragingen van landbouwondernemers, verenigingen van landbouwondernemers of verenigingen van deze verenigingen binnen één lidstaat, voor zover deze, zonder de verplichting in te houden een bepaalde prijs toe te passen, betrekking hebben op de voortbrenging of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de Commissie vaststelt dat de mededinging zodoende wordt uitgesloten of dat de doeleinden van artikel [33 EG] in gevaar worden gebracht.”

Feiten

3 Verzoekster in zaak T‑217/03, de Fédération nationale de la coopération bétail et viande (FNCBV), omvat 300 coöperatieve verenigingen van producenten in de rundvee‑, varkens‑ en schapensector alsmede een dertigtal groepen of bedrijven die zich in Frankrijk bezighouden met het slachten en verwerken van vlees.

4 Verzoeksters in zaak T‑245/03, de Fédération nationale des syndicats d’exploitants agricoles (FNSEA), de Fédération nationale bovine (FNB), de Fédération nationale des producteurs de lait (FNPL) en de Jeunes agriculteurs (JA), zijn Franse vakorganisaties. De FNSEA is de belangrijkste Franse landbouwvakorganisatie. Zij is territoriaal onderverdeeld in plaatselijke vakorganisaties, die op departementaal niveau zijn gegroepeerd in federaties of verenigingen van vakorganisaties van landbouwondernemers (FDSEA of UDSEA). In elke regio worden de activiteiten van de FDSEA en de UDSEA gecoördineerd door federaties. Daarnaast omvat de FNSEA ook 33 gespecialiseerde organisaties, die de belangen van elke sector vertegenwoordigen, waaronder de FNB en de FNPL. De JA ten slotte vertegenwoordigen de landbouwers die jonger zijn dan 35 jaar. Om lid te kunnen worden van de plaatselijke afdeling van de JA, dient men lid te zijn van de plaatselijke vakorganisatie van de FDSEA of de UDSEA.

I – Tweede „gekkekoeiencrisis”

5 Vanaf oktober 2000 zijn er in verschillende lidstaten nieuwe gevallen van boviene spongiforme encefalopathie, de zogenaamde „gekkekoeienziekte”, ontdekt. In dezelfde periode werd de Britse schapenstapel zwaar getroffen door mond‑ en klauwzeer. Deze situatie heeft geleid tot een verlies van het consumentenvertrouwen, wat een weerslag heeft gehad op de algemene vleesconsumptie in Europa en met name heeft geleid tot een nieuwe crisis in de rundvleessector. De vleesconsumptie is immers aanzienlijk gedaald, in het bijzonder in Frankrijk, en de invoer naar en de uitvoer vanuit dit land zijn eveneens sterk teruggelopen. Zo ook zijn de productieprijzen voor rundvlees in Frankrijk aanzienlijk gedaald, terwijl de prijzen voor de eindverbruiker vrij stabiel zijn gebleven.

6 Om deze crisis te boven te komen, hebben de communautaire instellingen een reeks maatregelen genomen. Zo werd de werkingssfeer van de interventiemechanismen die erop gericht zijn bepaalde hoeveelheden runderen uit de markt te nemen om het evenwicht tussen vraag en aanbod te herstellen, verruimd en werd een opkoopregeling voor levende dieren ingevoerd, alsook een opkoopregeling waarbij via inschrijving hele of halve geslachte dieren konden worden gekocht (de zogenaamde „speciale opkoopregeling”). Bovendien heeft de Commissie verschillende lidstaten, waaronder Frankrijk, toestemming gegeven om subsidies aan de rundvleessector te verlenen.

7 Deze maatregelen werden evenwel door de Franse boeren als ontoereikend beschouwd. In september en oktober 2001 waren de verhoudingen tussen boeren en slachters in Frankrijk bijzonder gespannen. Zo hielden groepen boeren op illegale wijze vrachtwagens tegen om de herkomst van het vervoerde vlees te controleren en organiseerden zij blokkades rond de slachthuizen. In bepaalde gevallen leidden deze acties tot de vernietiging van materieel en vlees. In ruil voor de opheffing van de blokkades eisten de actievoerders bepaalde toezeggingen van de slachthuizen, met name de opschorting van importen en de toepassing van een door de landbouwvakorganisaties opgestelde prijslijst.

II – Sluiting van de litigieuze overeenkomsten en administratieve procedure voor de Commissie

8 In oktober 2001 vonden verschillende bijeenkomsten plaats tussen de organisaties die de rundveehouders vertegenwoordigden (verzoeksters in zaak T‑245/03) en de organisaties die de slachthuizen vertegenwoordigden [de Fédération nationale de l’industrie et des commerces en gros des viandes (FNICGV) en verzoekster in zaak T‑217/03]. Aan het einde van de bijeenkomst van 24 oktober 2001, die op verzoek van de Franse minister van Landbouw was georganiseerd, werd een overeenkomst („Overeenkomst tussen de organisaties van veehouders en slachthuizen over de lijst van minimumprijzen – uitstootkoeien bij aanvoer in het slachthuis”) gesloten tussen deze zes organisaties, namelijk de FNSEA, de FNB, de FNPL, de JA, de FNCBV en de FNICGV.

9 Deze overeenkomst bestond uit twee delen. Het eerste deel betrof een „voorlopige verbintenis tot opschorting van importen”, die geen onderscheid maakte naar gelang van het soort rundvlees. Het tweede deel bestond in een „verbintenis om de lijst van aankoopprijzen bij aanvoer in het slachthuis voor uitstootkoeien toe te passen” (dat wil zeggen voor koeien bestemd voor de melkproductie of de fok) volgens de bepalingen van de overeenkomst. Deze bevatte voor bepaalde categorieën koeien een lijst van prijzen per kilogram slachtgewicht en bepaalde voor andere categorieën volgens welke methode de prijzen moesten worden berekend, waarbij met name werd uitgegaan van de door de communautaire autoriteiten vastgestelde speciale aankoopprijs. De overeenkomst diende op 29 oktober 2001 in werking te treden en tot eind november 2001 te worden toegepast.

10 Op 30 oktober 2001 zond de Commissie een brief aan de Franse autoriteiten, waarin zij verzocht om inlichtingen over de overeenkomst van 24 oktober 2001.

11 Op 31 oktober 2001 zijn verzoeksters in zaak T‑245/03 en de FNICGV, op verzoek van deze laatste, te Rungis (Frankrijk) bijeengekomen. Deze organisaties hebben het volgende compromis gesloten (hierna: „protocol van Rungis”):

„Bijeenkomst ‚invoervlees’

31 oktober 2001 − Rungis

De Franse ondernemingen die zijn gespecialiseerd in import/export, zijn bijeengekomen met de organisaties van producenten (FNSEA, FNB, FNPL en [JA]) die het interprofessioneel akkoord van 24 oktober 2001 hebben ondertekend.

[...]

Zij stellen opnieuw de dwingende noodzaak vast om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen [...].

Tegen de achtergrond van de ongekende crisis die de producenten doormaken, verzoeken de vertegenwoordigers van de veehouders de importeurs/exporteurs nadrukkelijk om met de ernst van deze crisis rekening te houden.

De importeurs/exporteurs verbinden zich ertoe hun solidariteit te tonen.”

12 Op 9 november 2001 hebben de Franse autoriteiten geantwoord op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 30 oktober 2001.

13 Op 9 november 2001 heeft de Commissie tevens aan verzoeksters in zaak T‑245/03 en aan de FNICGV een verzoek om inlichtingen gezonden uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81] en [82] van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204). Aangezien de Commissie op dat tijdstip nog niet wist dat verzoekster in zaak T‑217/03 eveneens de overeenkomst van 24 oktober 2001 had ondertekend, was dit verzoek niet aan haar gericht. De vijf betrokken organisaties hebben hier op 15 en 23 november 2001 op geantwoord.

14 Op 19 november 2001 heeft de voorzitter van de FNICGV de voorzitter van de FNSEA ervan op de hoogte gebracht dat hij zich genoopt zag de einddatum voor de toepassing van de overeenkomst, die oorspronkelijk was vastgesteld op 30 november 2001, naar die dag te vervroegen.

15 Op 26 november 2001 heeft de Commissie aan de zes organisaties die de overeenkomst van 24 oktober 2001 hadden ondertekend, een schriftelijke waarschuwing gezonden met de mededeling dat de feiten waarvan zij kennis had genomen, wezen op een schending van de communautaire mededingingsregels, en hun verzocht haar ten laatste op 30 november 2001 hun opmerkingen te doen toekomen. Zij gaf tevens te kennen dat zij, „indien binnen die termijn geen toereikende voorstellen w[e]rden ingediend, overw[oog] een procedure met het oog op de vaststelling van deze inbreuken in te leiden en de beëindiging ervan te gelasten ingeval de overeenkomst zou zijn verlengd en in voorkomend geval geldboeten op te leggen”. Daarop hebben de organisaties de Commissie geantwoord dat de overeenkomst op 30 november 2001 zou verstrijken en niet zou worden verlengd.

16 Op 17 december 2001 heeft de Commissie op grond van artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 verificaties verricht in de kantoren van de FNSEA en de FNB in Parijs, en, op grond van artikel 14, lid 2, van deze verordening, in de kantoren van de FNICGV, eveneens in Parijs.

17 Op 24 juni 2002 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar opgesteld, die aan de zes organisaties werd toegezonden. Deze hebben tussen 23 september en 4 oktober 2002 hun schriftelijke opmerkingen ingediend. Op 31 oktober 2002 vond een hoorzitting plaats.

18 Op 10 januari 2003 heeft de Commissie verzoeksters een verzoek om inlichtingen uit hoofde van artikel 11 van verordening nr. 17 toegezonden. Zij verzocht hun met name om haar voor de jaren 2001 en 2002 het totale bedrag van de inkomsten van elke organisatie, opgesplitst naar herkomst, mee te delen, alsook hun jaarrekening en, voor het laatste beschikbare belastingjaar, de omzet (zowel de totale omzet als die uit de productie of het slachten van rundvee) van hun directe en/of indirecte leden. Verzoeksters hebben hierop geantwoord bij brieven van 22, 24, 27 en 30 januari 2003.

III – Bestreden beschikking

19 Op 2 april 2003 heeft de Commissie beschikking 2003/600/EG betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] (zaak COMP/C.38.279/F3 – Frans rundvlees) (PB L 209, blz. 12; hierna: „bestreden beschikking”) vastgesteld. Deze beschikking is gericht tot verzoeksters en de FNICGV.

20 Volgens deze beschikking hebben deze organisaties inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, EG door op 24 oktober 2001 een schriftelijke overeenkomst te sluiten met het oog op de vaststelling van een minimumaankoopprijs voor bepaalde categorieën rundvlees en de opschorting van de invoer van rundvlees in Frankrijk, en door tussen eind november en begin december 2001 een mondelinge overeenkomst met hetzelfde doel te sluiten, die vanaf het verstrijken van de schriftelijke overeenkomst van toepassing was.

21 In de punten 135 tot en met 149 van de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat de vrijstelling waarin verordening nr. 26 voor bepaalde activiteiten in verband met de voortbrenging en de verhandeling van landbouwproducten voorziet, niet van toepassing is op het onderhavige geval omdat de overeenkomst niet noodzakelijk is om de in artikel 33 EG vastgelegde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te bereiken. Zij vormt evenmin een van de maatregelen als bedoeld in verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PB L 160, blz. 21) of in de toepassingsteksten ervan. Ten slotte zijn de getroffen maatregelen niet evenredig aan de doelstellingen die daardoor zouden worden nagestreefd.

22 Volgens de bestreden beschikking is de inbreuk op 24 oktober 2001 begonnen en heeft hij ten minste tot 11 januari 2002 geduurd. Op deze datum verstreek de laatste ter uitvoering van de nationale overeenkomst gesloten plaatselijke overeenkomst waarvan de Commissie op de hoogte was.

23 Gelet op de aard van de inbreuk en de geografische omvang van de betrokken markt, is de inbreuk als zeer zwaar aangemerkt. Ter bepaling van de mate waarin elk van de organisaties verantwoordelijk was voor de gepleegde inbreuk, heeft de Commissie de verhouding tussen het bedrag van de door de belangrijkste landbouworganisatie, de FNSEA, ontvangen jaarlijkse bijdragen en die van elk van de andere organisaties in aanmerking genomen. Aangezien de inbreuk verder van korte duur was, heeft de Commissie het basisbedrag van de geldboete niet op deze grond verhoogd.

24 Vervolgens heeft de Commissie ten aanzien van verzoeksters verschillende verzwarende omstandigheden in aanmerking genomen:

– zij heeft het bedrag van de aan de FNSEA, de JA en de FNB opgelegde geldboeten met 3 % verhoogd op grond dat hun leden geweld hadden gebruikt om de organisaties van slachthuizen te dwingen de overeenkomst van 24 oktober 2001 te aanvaarden;

– zij heeft voor alle verzoeksters de geheime voortzetting van de overeenkomst na haar waarschuwingsbrief van 26 november 2001 als verzwarende omstandigheid in aanmerking genomen en hun een verhoging van 20 % opgelegd;

– zij heeft rekening gehouden met de dominerende rol die de FNB bij de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van de inbreuk zou hebben gespeeld, door de geldboete van deze organisatie met 30 % te verhogen.

25 Verder heeft de Commissie verschillende verzachtende omstandigheden in aanmerking genomen:

– gelet op de passieve of ondergeschikte rol die de FNPL heeft gespeeld, heeft zij het bedrag van haar geldboete met 30 % verlaagd;

– voor verzoekster in zaak T‑217/03 heeft zij rekening gehouden, ten eerste, met de nadrukkelijke tussenkomst van de Franse minister van Landbouw, die ijverde voor de totstandkoming van de overeenkomst (verlaging met 30 %), en, ten tweede, met de onwettige blokkades die door de landbouwers rond de bedrijven van hun leden waren opgeworpen (extra verlaging met 30 %).

26 Bovendien heeft de Commissie overeenkomstig punt 5, sub b, van de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de betrokken zaak, met name met de economische context, die werd gekenmerkt door de crisis in de betrokken sector, en heeft zij het bedrag van de geldboeten dat voortvloeide uit de toepassing van bovengenoemde verhogingen en verlagingen, met 60 % verlaagd.

27 Het dispositief van de beschikking bevat met name de volgende bepalingen:

„Artikel 1

[De FNSEA], [de FNB], [de FNPL], [de JA], [de FNICGV] en [de FNCBV] hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, [EG] door op 24 oktober 2001 een overeenkomst te sluiten die betrekking had op de opschorting van importen van rundvlees in Frankrijk en op de vaststelling van een minimumprijs voor bepaalde categorieën van dieren, alsook door eind november en begin december 2001 een mondelinge overeenkomst te sluiten die een soortgelijk doel had.

De inbreuk is op 24 oktober 2001 begonnen en bleef minstens haar werking uitoefenen tot 11 januari 2002.

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde organisaties maken onverwijld een einde aan de in artikel 1 genoemde inbreuk, voor zover zij zulks nog niet hebben gedaan, en onthouden zich voortaan van alle regelingen die hetzelfde doel of effect zouden kunnen hebben als de inbreuk.

Artikel 3

De volgende geldboeten worden opgelegd:

– FNSEA: 12 miljoen EUR,

– FNB: 1,44 miljoen EUR,

– JA: 600 000 EUR,

– FNPL: 1,44 miljoen EUR,

– FNICGV: 720 000 EUR,

– FNCBV: 480 000 EUR.”

Procesverloop en conclusies van partijen

28 Bij verzoekschriften, ingediend ter griffie van het Gerecht op 19 en 20 juni 2003, hebben verzoeksters de onderhavige beroepen ingesteld.

29 Bij verzoekschrift, ingediend op 7 juli 2003, heeft de FNICGV eveneens beroep ingesteld, dat primair strekte tot nietigverklaring van de haar bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete en, subsidiair, tot verlaging van het bedrag van deze geldboete (zaak T‑252/03). Bij beschikking van 9 november 2004 heeft het Gerecht het beroep van de FNICGV niet-ontvankelijk verklaard.

30 Bij afzonderlijke akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 en 11 juli 2003, hebben verzoeksters een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, dat met name strekte tot volledige of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting een bankgarantie te stellen om onmiddellijke invordering van de bij de bestreden beschikking opgelegde geldboete te voorkomen.

31 Op 7 oktober 2003 heeft de Franse Republiek in elke zaak verzocht om toelating tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters. Bij beschikkingen van 6 november 2003 heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht dit verzoek ingewilligd. Op 23 december 2003 heeft de Franse Republiek haar memories in interventie ingediend.

32 Bij beschikkingen van de president van het Gerecht van 21 januari 2004 is met name de verplichting van verzoeksters – behalve die van de FNPL, die geen verzoek in die zin had ingediend – om ten gunste van de Commissie een bankgarantie te stellen om onmiddellijke invordering van de geldboete te vermijden, voor een bepaalde periode en onder bepaalde voorwaarden opgeschort.

33 In het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht op 21 februari, 8 en 9 maart de partijen verzocht bepaalde stukken over te leggen en op bepaalde vragen te antwoorden. De partijen hebben tijdig aan deze verzoeken voldaan.

34 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Eerste kamer) beslist om de mondelinge procedure te openen.

35 Bij beschikking van 3 april 2006 heeft de president van de Eerste kamer van het Gerecht, na de partijen te hebben gehoord, de zaken T‑217/03 en T‑245/03 gevoegd.

36 Ter terechtzitting van 17 mei 2006 hebben de partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Gerecht.

37 Verzoeksters betogen dat het het Gerecht behage:

– primair, de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– subsidiair, de hun bij de bestreden beschikking opgelegde geldboeten in te trekken of, meer subsidiair, het bedrag ervan te verlagen;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

38 De Franse Republiek, die tussenkomt ter ondersteuning van de conclusies van verzoeksters, betoogt dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

39 De Commissie betoogt dat het het Gerecht behage:

– de beroepen te verwerpen;

– verzoeksters in de kosten te verwijzen.

40 Bij brieven van 19 en 22 mei 2006 hebben verzoeksters het Gerecht stukken uit het administratief dossier van de Commissie overgelegd die voordien niet integraal aan het Gerecht waren meegedeeld. Bij beschikking van 7 juli 2006 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 62 van zijn Reglement voor de procesvoering de heropening van de mondelinge procedure bevolen.

41 Na de partijen te hebben gehoord, heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang beslist om de door verzoeksters op 19 mei en 22 mei 2006 overgelegde stukken bij het dossier te voegen. Bij brief van 2 augustus 2006 heeft de Commissie opmerkingen over deze stukken ingediend.

42 De mondelinge procedure is vervolgens gesloten op 2 september 2006.

Ten gronde

43 Primair vorderen verzoeksters nietigverklaring van de bestreden beschikking. Subsidiair vorderen zij intrekking of verlaging van de hun bij deze beschikking opgelegde geldboete.

I – Vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

44 Verzoeksters voeren vijf middelen aan ter ondersteuning van hun vordering tot nietigverklaring van de bestreden beschikking: ten eerste, kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG; ten tweede, kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvatting bij de vaststelling van de omvang en de duur van de inbreuk; ten derde, niet-toepassing van de uitzondering van verordening nr. 26 op de litigieuze overeenkomst; ten vierde, schending van de rechten van de verdediging; ten vijfde, schending van de motiveringsplicht.

A – Eerste middel: kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, lid 1, EG

45 Verzoeksters ontkennen niet dat zij de overeenkomst van 24 oktober 2001 hebben gesloten, maar betwisten dat deze een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG zou vormen. Verzoeksters in zaak T‑245/03 stellen dat de Commissie hen ten onrechte als ondernemersverenigingen in de zin van deze bepaling heeft gekwalificeerd en in de bestreden beschikking hun vrijheid van vakvereniging heeft beknot. Verzoekster in zaak T‑217/03 stelt bovendien dat de betrokken overeenkomst geen merkbare invloed op de handel tussen lidstaten heeft gehad. Ten slotte stellen verzoeksters in beide zaken dat de betrokken overeenkomst geen mededingingsbeperking inhield.

1. Kwalificatie van verzoeksters als ondernemersverenigingen

a) Argumenten van partijen

46 Verzoeksters in zaak T‑245/03 stellen in de eerste plaats dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt en artikel 81, lid 1, EG heeft geschonden door hen als ondernemersverenigingen te beschouwen. Zelfs indien de twee laagste niveaus van hun piramidaal gestructureerde organisaties (namelijk de organisaties op het niveau van de departementen en de lokale vakorganisaties) in aanmerking worden genomen, zijn hun leden geen ondernemingen, maar landbouwfederaties of ‑vakorganisaties. De leden van de lokale vakorganisaties kunnen evenmin met ondernemingen worden gelijkgesteld aangezien het lidmaatschap niet is voorbehouden aan landbouwondernemingen. Om lid te kunnen worden, hoeft men immers, in het geval van een particulier bedrijf, geen bedrijfsleider te zijn (de echtgenote van de particuliere exploitant kan ook toetreden) of, in het geval van een vennootschap, geen vertegenwoordiger van de rechtspersoon (elk van de vennoten beslist afzonderlijk of hij al dan niet lid wordt van de vakorganisatie). In de tweede plaats heeft de Commissie in de bestreden beschikking de kwalificatie van verzoeksters als ondernemersverenigingen niet toereikend gekwalificeerd. Zij heeft met name niet geantwoord op de opmerkingen die de FNSEA dienaangaande tijdens de administratieve procedure heeft gemaakt.

47 De Commissie stelt in de eerste plaats dat, om uit te maken of verzoeksters ondernemersverenigingen zijn, dient te worden vastgesteld wie uiteindelijk hun leden zijn. In casu gaat het om landbouwondernemers, die zonder enige twijfel ondernemingen vormen in de zin van artikel 81 EG. In de tweede plaats heeft zij in de bestreden beschikking in detail uiteengezet waarom zij heeft geconcludeerd dat verzoeksters ondernemingsverenigingen in de zin van deze bepaling vormen.

b) Beoordeling door het Gerecht

48 Om te beginnen dient te worden opgemerkt dat verzoekster in zaak T‑217/03 niet betwist dat de overeenkomst van 24 oktober 2001 wat haar betreft een overeenkomst tussen ondernemersverenigingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG is. Verzoeksters in zaak T‑245/03 daarentegen betogen dat zij niet als ondernemersverenigingen in de zin van deze bepaling kunnen worden beschouwd. Zij stellen in wezen dat noch hun directe leden, noch hun indirecte leden ondernemingen zijn.

49 Artikel 81, lid 1, EG is van toepassing op verenigingen, voor zover hun eigen activiteiten of die van de aangesloten ondernemingen ertoe strekken de gevolgen teweeg te brengen die deze bepaling beoogt tegen te gaan (arrest Hof van 29 oktober 1980, Van Landewyck e.a./Commissie, 209/78–215/78 en 218/78, Jurispr. blz. 3125, punt 88). Gelet op het doel van deze bepaling moet het begrip ondernemersvereniging aldus worden uitgelegd dat het ook verenigingen kan omvatten die zelf uit ondernemersverenigingen bestaan (zie in die zin arrest Gerecht van 26 januari 2005, Piau/Commissie, T‑193/02, Jurispr. blz. II‑209, punt 69; zie ook, naar analogie, arrest Gerecht van 11 maart 1999, Eurofer/Commissie, T‑136/94, Jurispr. blz. II‑263, punt 9).

50 In casu hebben verzoeksters de betrokken overeenkomsten niet gesloten in het belang en in naam van hun directe leden, die inderdaad landbouwfederaties of ‑vakorganisaties zijn, maar in het belang en in naam van de landbouwondernemers die de basisleden van laatstgenoemde organisaties vormen. Zo is de overeenkomst van 24 oktober 2001, getiteld „Overeenkomst tussen de organisaties van rundveehouders en slachthuizen”, met name gesloten door de „organisaties die de veehouders vertegenwoordigen”, „met als doel perspectieven te openen voor nieuwe verhoudingen in de sector met het oog op een billijke en gerechtvaardigde vergoeding van alle actoren, veehouders en ondernemingen”. Ook het protocol van Rungis bevat een uitdrukkelijke verwijzing naar de „organisaties van producenten”. Bijgevolg dient te worden geconcludeerd dat de Commissie gerechtigd was om de indirecte of basisleden van verzoeksters in zaak T‑245/03, namelijk de landbouwondernemers, in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de vraag of verzoeksters ondernemersverenigingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG vormen.

51 Derhalve dient te worden onderzocht of de Commissie terecht ervan is uitgegaan dat de landbouwondernemers, die de indirecte of basisleden van verzoeksters in zaak T‑245/03 vormen, kunnen worden beschouwd als ondernemingen in de zin van artikel 81 EG.

52 Volgens vaste rechtspraak omvat het begrip onderneming in de context van het mededingingsrecht elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (arrest Hof van 11 december 1997, Job Centre, C‑55/96, Jurispr. blz. I‑7119, punt 21). Onder economische activiteit wordt verstaan elke activiteit bestaande in het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt (arrest Gerecht van 30 maart 2000, Consiglio Nazionale degli Spedizioneri Doganali/Commissie, T‑513/93, Jurispr. blz. II‑1807, punt 36).

53 De activiteit van landbouwondernemers, landbouwers of veehouders is zeker economisch van aard. Zij produceren immers goederen die zij tegen vergoeding te koop aanbieden. Landbouwondernemers vormen dus ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

54 De vakorganisaties die hen groeperen en vertegenwoordigen, alsook de federaties die deze vakorganisaties groeperen, kunnen derhalve als ondernemersverenigingen in de zin van deze bepaling worden aangemerkt.

55 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat ook de echtgenoten van landbouwondernemers bij de lokale vakorganisaties kunnen zijn aangesloten. In de eerste plaats nemen de echtgenoten van landbouwers of veehouders die zelf bij een lokale landbouwvakorganisatie zijn aangesloten, waarschijnlijk ook deel aan de taken van het familiebedrijf. In de tweede plaats volstaat het loutere feit dat ook personen of entiteiten die niet als onderneming kunnen worden gekwalificeerd, bij een ondernemersvereniging kunnen zijn aangesloten, hoe dan ook niet om aan deze laatste de hoedanigheid van ondernemersvereniging in de zin van artikel 81, lid 1, EG te ontnemen. Het argument van verzoeksters dat wanneer het bedrijf de vorm van een vennootschap aanneemt, het niet deze vennootschap is die zich via haar vertegenwoordiger bij de vakorganisatie aansluit, maar elk van de vennoten, dient eveneens te worden verworpen. Zoals reeds gezegd (zie punt 52 hierboven), is immers niet de rechts‑ of exploitatievorm van het betrokken bedrijf van belang voor de kwalificatie als onderneming, maar de activiteit van dit bedrijf en van degenen die hieraan deelnemen.

56 Ten slotte dient ook de grief inzake schending van de motiveringsplicht, die in wezen is gebaseerd op het feit dat de Commissie in de bestreden beschikking niet heeft geantwoord op de opmerkingen die de FNSEA tijdens de administratieve procedure heeft gemaakt met betrekking tot haar kwalificatie als ondernemersvereniging, te worden verworpen.

57 De Commissie is weliswaar krachtens artikel 253 EG gehouden, de feitelijke en juridische gegevens waarvan de rechtmatigheid van de beschikking afhangt, en de overwegingen die haar tot het geven van de beschikking hebben geleid, te vermelden, maar zij hoeft niet in te gaan op alle feitelijke en rechtspunten die tijdens de administratieve procedure zijn opgeworpen (arrest Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 388).

58 In casu bevat de bestreden beschikking een summiere uiteenzetting van de stelling van de FNSEA dat zij noch een onderneming noch een ondernemersvereniging, maar een vakorganisatie is, alsook van de argumenten van de FNPL en de JA dienaangaande (zie punten 97, tweede streepje, 98 en 99, tweede streepje, van de bestreden beschikking). Deze argumenten worden vervolgens uitvoerig weerlegd. Zo wordt uitgelegd dat verzoeksters landbouwers vertegenwoordigen, die een activiteit uitoefenen die bestaat in het produceren van goederen die zij te koop aanbieden, en dat verordening nr. 26 geen enkele zin zou hebben indien deze laatsten niet tevens ondernemingen waren (punt 105 van de bestreden beschikking), dat het feit dat verzoeksters de vorm aannemen van vakorganisaties in de zin van het Franse arbeidswetboek geen afbreuk doet aan hun hoedanigheid van ondernemersverenigingen (punten 110 en 111 van de bestreden beschikking), dat hun activiteit als vakorganisatie hun niet het recht geeft de mededingingsregels te schenden en dat de Franse Raad van de mededinging reeds sancties heeft opgelegd aan soortgelijke organisaties (zie punten 112 tot en met 114 van de bestreden beschikking). Ten slotte wordt in de bestreden beschikking ook naar de beschikkingspraktijk van de Commissie en de rechtspraak op dit gebied verwezen (punten 104 en 116 van de bestreden beschikking).

59 Uit het voorgaande volgt dat de Commissie in de bestreden beschikking de kwalificatie van verzoeksters als ondernemersverenigingen toereikend heeft gemotiveerd.

60 Derhalve dient deze grief in haar geheel te worden afgewezen.

2. Geen merkbare invloed op de handel tussen lidstaten

a) Argumenten van partijen

61 Verzoekster in zaak T‑217/03 betoogt dat de Commissie niet heeft bewezen dat de betrokken overeenkomst de handel tussen lidstaten merkbaar heeft beïnvloed. Het deel van deze overeenkomst dat betrekking had op de opschorting van de invoer is met het protocol van Rungis onmiddellijk op losse schroeven gezet en zij voerde hoe dan ook bijna geen runderen in zodat zij totaal niet betrokken was bij dit deel van de overeenkomst. Zij groepeert immers coöperaties van veehouders die zelf over slachthuizen beschikken en deze coöperaties verzamelen en verhandelen bijna uitsluitend de door hun aangesloten leden geproduceerde runderen. Bovendien kon de Commissie niet louter op basis van een onderzoek van de potentiële gevolgen van de overeenkomst concluderen tot het bestaan van een dergelijke invloed op de handel, maar diende zij de reële gevolgen ervan te onderzoeken. Uit een onderzoek van de evolutie van de markt in de betrokken periode blijkt evenwel niet dat de overeenkomst gevolgen heeft gehad voor de invoer. Wat de minimale aankoopprijzen betreft, merkt verzoekster op dat de overeenkomst bijna één maand van kracht is gebleven en dat zij wegens deze korte duur geen gevolgen voor de invoer in Frankrijk heeft gehad.

62 De Commissie blijft erbij dat een overeenkomst die ertoe strekt de invoer te beperken, naar haar aard de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. Ook de overeenkomst over de prijzen kon een ongunstige invloed op de intracommunautaire handel uitoefenen.

b) Beoordeling door het Gerecht

63 Artikel 81, lid 1, EG is slechts van toepassing op overeenkomsten die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Om de handel tussen lidstaten ongunstig te kunnen beïnvloeden, moet een overeenkomst tussen ondernemingen op grond van een geheel van objectieve bestanddelen, feitelijk en rechtens, met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten, dat zij al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kan uitoefenen dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen de lidstaten wordt geschaad (arrest Hof van 29 april 2004, British Sugar/Commissie, C‑359/01 P, Jurispr. blz. I‑4933, punt 27, en arrest Gerecht van 22 oktober 1997, SCK en FNK/Commissie, T‑213/95 en T‑18/96, Jurispr. blz. II‑1739, punt 175).

64 In casu omvatte de overeenkomst van 24 oktober 2001 een verbintenis tot voorlopige opschorting van de invoer van rundvlees in Frankrijk. Zoals in de bestreden beschikking wordt opgemerkt, is Frankrijk een van de belangrijkste invoerders van rundvlees in de Gemeenschap. Het grootste deel van deze invoer (ongeveer 95 %) is bovendien afkomstig van andere lidstaten (punt 11 van de bestreden beschikking). Hieruit volgt noodzakelijkerwijs dat de betrokken overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kon beïnvloeden.

65 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoekster dat het deel van de overeenkomst van 24 oktober 2001 dat betrekking had op de invoer, reeds enkele dagen later is ingetrokken met de sluiting van het protocol van Rungis op 31 oktober 2001. Elke overeenkomst die aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG voldoet, valt immers binnen de werkingssfeer van deze bepaling. Hoe dan ook had het protocol van Rungis, getiteld „Bijeenkomst ‚Invoervlees’”, zoals verder zal worden vastgesteld (zie punt 136 hieronder), uitdrukkelijk betrekking op de invoer en leidde dit protocol niet tot een volledige opheffing van de door verzoeksters vastgestelde maatregelen tot opschorting van de invoer.

66 Ook de stelling van verzoekster dat zij niet betrokken was bij het deel van de overeenkomst dat betrekking had op de invoer, aangezien haar leden bijna geen runderen invoeren, dient te worden verworpen. Volgens de door verzoekster verstrekte cijfers vormt de invoer door haar leden een weliswaar gering, maar niet volkomen verwaarloosbaar percentage van de totale invoer van rundvlees in Frankrijk (ongeveer 1,5 % in 2001, dat wil zeggen 3 865 ton). De Commissie heeft overigens ter terechtzitting volgehouden dat de leden van verzoekster in het verleden grotere hoeveelheden rundvlees hebben ingevoerd (15 000 ton in het jaar vóór de crisis), wat deze laatste niet heeft tegengesproken. Verder is het wel zo dat de bij verzoekster aangesloten coöperaties de door hun leden geproduceerde runderen verzamelen en in de handel brengen, maar dit neemt niet weg dat zij, binnen de grens van 20 % van hun jaarlijkse productie, ook de productie van veehouders die geen lid zijn, in de handel kunnen brengen. Aangezien ten slotte de inbreuk waaraan verzoekster heeft deelgenomen, hoe dan ook de handel tussen lidstaten ongunstig kon beïnvloeden, hoefde de Commissie niet aan te tonen dat de individuele deelname van verzoekster de intracommunautaire handel ongunstig heeft beïnvloed (zie in die zin arrest Gerecht van 10 maart 1992, Montedipe/Commissie, T‑14/89, Jurispr. blz. II‑1155, punt 254).

67 Bovendien kon het deel van de betrokken overeenkomst dat betrekking had op de vaststelling van een lijst van minimumprijzen, op zich reeds de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloeden. Gedragingen die de mededinging beperken en die het gehele grondgebied van een lidstaat bestrijken, hebben immers naar hun aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist (arrest SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 179). In dit verband dient met name het relatieve belang van de mededingingsregeling in de betrokken markt en de economische context waarin zij tot stand is gekomen, te worden onderzocht. In casu dient te worden vastgesteld dat de Franse rundveestapel 25 % van de totale communautaire rundveestapel vertegenwoordigt (punt 10 van de bestreden beschikking). Verder heeft het Hof geoordeeld dat de leden van een nationaal prijskartel hun marktaandeel op een voor importen ontvankelijke markt slechts kunnen behouden door zich te wapenen tegen de concurrentie uit het buitenland (arrest British Sugar/Commissie, reeds aangehaald, punt 28).

68 Ten slotte was de Commissie, anders dan verzoekster stelt, niet verplicht om aan te tonen dat de betrokken overeenkomst in de praktijk de handel tussen lidstaten merkbaar heeft beïnvloed. Zoals reeds gezegd in punt 63, vereist artikel 81, lid 1, EG immers enkel dat de overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen die de mededing beperken, de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden (zie ook arrest Montedipe/Commissie, reeds aangehaald, punt 253).

69 Bijgevolg dient deze grief te worden afgewezen.

3. Geen beperking van de mededinging

a) Argumenten van partijen

70 Verzoeksters stellen in wezen dat de betrokken overeenkomst de mededinging niet heeft beperkt en dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG valt.

71 Volgens hen is de Commissie er ten onrechte van uitgegaan dat de betrokken overeenkomst een mededingingsverstorend doel had. Zij kon hun het deel van de overeenkomst dat betrekking had op de invoer niet ten laste leggen en diende uitsluitend uit te gaan van de eventuele mededingingsbeperking op het gebied van de prijzen. De prijzen van de litigieuze lijst zijn evenwel vastgesteld op basis van de interventieprijzen die de Commissie zelf in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de rundvleessector heeft vastgesteld. Deze vormen de referentieprijzen op de markt en zijn zeer laag. Bovendien heeft de overeenkomst slechts gedurende een zeer korte periode zeer geringe, of zelfs geen, concrete gevolgen gehad en heeft zij geen weerslag gehad op de consumptieprijzen.

72 Verder betrof de overeenkomst van 24 oktober 2001 slechts een aanbevolen minimumprijs en konden verzoeksters van hun leden niet eisen dat zij deze in acht zouden nemen. Bij verticale overeenkomsten vormt de vaststelling van aanbevolen prijzen niet in se een mededingingsbeperking. Artikel 4, sub a, van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, [EG] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21) verbiedt immers enkel de vaststelling van de wederverkoopprijs aan de koper, terwijl de slachthuizen in casu de prijs die zij vroegen van de grootdistributie of ‑handel, nog steeds vrij konden bepalen. Ten slotte wijzen verzoeksters op de bijzondere kenmerken van de landbouwsector, waarin niet op duurzame wijze een spontaan evenwicht kan ontstaan tussen vraag en aanbod en er nood is aan regulering die de vrije marktwerking doorbreekt, en waarop de mededingingsregels niet van rechtswege van toepassing zijn. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben verzoeksters in zaak T‑245/03 een juridisch advies van 2 juni 2003 als bijlage bij hun verzoekschrift bijgevoegd.

73 Verder stellen verzoeksters dat de Commissie bij de beoordeling van een mededingingsbeperking rekening moet houden met de algehele juridische en economische context waarbinnen de betrokken overeenkomst is gesloten en dat niet elke overeenkomst tussen ondernemingen die de handelingsvrijheid van de partijen of van een van hen beperkt, automatisch onder het verbod van artikel 81, lid 1, EG valt (arrest Hof van 19 februari 2002, Wouters e.a., C‑309/99, Jurispr. blz. I‑1577, punt 97). Een overeenkomst die tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt, valt niet onder dit verbod wanneer zij de mogelijkheid biedt andere doelstellingen veilig te stellen, voor zover de mededingingsbeperkende gevolgen daarvoor nodig zijn en niet de gehele mededinging op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt tenietdoen. De Commissie had dus een grondige en concrete analyse moeten verrichten van de aard, het voorwerp en de gevolgen van de betrokken overeenkomst, wat zij niet heeft gedaan.

74 Volgens verzoeksters heeft de Commissie tevens de buitengewone crisissituatie waarin de Franse grootveehouders ten tijde van de feiten verkeerden, onderschat. De prijzen van de runderen waarop de betrokken overeenkomst betrekking had, hadden in 2001 gemiddeld hun laagste niveau bereikt sinds 1980, en de na aftrek van de aanvoerkosten aan de producent betaalde prijzen waren gedaald tot beneden de kostprijs, zelfs na aftrek van de ontvangen steun. De Europese consumptie van rundvlees was in 2001 met bijna 10 % gedaald. De Franse rundveehouders werden rechtstreeks door deze daling getroffen en dreigden van de markt te verdwijnen.

75 Bovendien bleken de opeenvolgende communautaire maatregelen ontoereikend om de crisis het hoofd te bieden. Zo gold de speciale aankoopregeling pas op het ogenblik waarop het vlees het slachthuis verliet, terwijl het inkomen van de producenten uitsluitend werd bepaald op het tijdstip dat het vlees aldaar werd aangevoerd. Wilden de door de Gemeenschap genomen prijsmaatregelen ten goede komen aan de producenten, dan diende dit dus noodzakelijkerwijs te geschieden via een interprofessioneel akkoord tussen de producenten en de slachthuizen.

76 Dienaangaande stellen verzoeksters in zaak T‑245/03 dat de Commissie de overeenkomst van 24 oktober 2001 had moeten onderzoeken als een regulerende actie en dat in de Franse landbouwsector van oudsher beheersoverleg wordt gepleegd tussen de staat en de vakorganisaties. Verzoeksters zijn ingegaan op het uitdrukkelijke en publieke verzoek van de Franse regering, dat tot doel had een economische ramp voor de producenten van rundvlees te voorkomen. Een dergelijke ramp kon leiden tot de ineenstorting van de rundvleessector en veroorzaakte reeds grote problemen voor de openbare orde. De Franse minister van Landbouw heeft opgeroepen tot het sluiten van de overeenkomst en heeft in een verklaring voor het Franse Parlement zijn steun toegezegd aan de partijen die de overeenkomst dienden uit te werken.

77 De Commissie merkt op dat, aangezien de partijen bij de betrokken overeenkomst zijn overeengekomen om de nationale markten af te schermen en minimumprijzen vast te stellen, het voorwerp zelf van de overeenkomst bestond in de beperking van de mededinging. Hoe dan ook heeft zij in de bestreden beschikking wel degelijk rekening gehouden met de economische en juridische context waarin de overeenkomst tot stand is gekomen. Bovendien zijn op gemeenschapsniveau tal van maatregelen ten uitvoer gelegd om de crisis het hoofd te bieden. Ten slotte heeft de toenmalige minister van Landbouw weliswaar aangezet tot het sluiten van de overeenkomst, maar had hij ter zake geen regulerende bevoegdheid.

78 Verder verzoekt de Commissie, het juridische advies dat verzoeksters in zaak T‑245/03 als bijlage hebben bijgevoegd, niet-ontvankelijk te verklaren en als zodanig terzijde te schuiven. Bijlagen bij de memorie hebben immers een loutere bewijs‑ en instrumentele functie (arrest Gerecht van 20 maart 200, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881). De vragen van gemeenschapsrecht dienen door de wettelijke vertegenwoordigers in de procedurestukken zelf te worden onderzocht.

b) Beoordeling door het Gerecht

79 Vooraf dient het verzoek van de Commissie om het door verzoeksters in zaak T‑245/03 overgelegde juridische advies niet-ontvankelijk te verklaren, te worden afgewezen. Alle stukken die tezamen met het verzoekschrift worden overgelegd, worden noodzakelijkerwijs in het dossier opgenomen. Een andere vraag is of verzoeksters zich op bepaalde van deze stukken kunnen beroepen dan wel of het Gerecht deze in aanmerking kan nemen. Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat de tekst van een verzoekschrift op specifieke punten door verwijzingen naar passages in bijgevoegde stukken kan worden gestaafd en aangevuld, op voorwaarde dat de wezenlijke elementen van het juridische betoog in het verzoekschrift zelf staan (zie in die zin arresten Gerecht van 21 september 2005, EDP/Commissie, T‑87/05, Jurispr. blz. II‑3745, punt 155, en 14 december 2005, Honeywell/Commissie, T‑209/01, Jurispr. blz. II‑5527, punt 57). In casu is het Gerecht van oordeel dat verzoeksters hun stelling dat de betrokken overeenkomst dient te worden beschouwd als een nationale regulering, in hun memories voldoende hebben ontwikkeld. De betrokken bijlage dient bijgevolg slechts om deze stelling te staven en aan te vullen. Verzoekster kon zich er derhalve op beroepen.

80 De grief van verzoeksters houdt in wezen in dat de betrokken overeenkomst er niet toe strekte of niet tot gevolg had dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt werd verhinderd, beperkt of vervalst in de zin van artikel 81, lid 1, EG.

81 Om te beginnen dient eraan te worden herinnerd dat de door verzoeksters gesloten overeenkomst van 24 oktober 2001 in de eerste plaats een verbintenis tot voorlopige opschorting van de invoer in Frankrijk omvatte en in de tweede plaats een verbintenis tot toepassing van een lijst van minimumaankoopprijzen bij aanvoer in het slachthuis voor uitstootkoeien. Anders dan verzoeksters stellen, dient, om de hierboven in de punten 65 en 66 uiteengezette redenen, bij het onderzoek naar het beperkende karakter van de betrokken overeenkomst niet alleen rekening te worden gehouden met bovengenoemde prijsmaatregelen, maar ook met de maatregelen die betrekking hadden op de opschorting van de invoer.

82 In de eerste plaats had de in de betrokken overeenkomst opgenomen verbintenis tot opschorting van de invoer met name tot doel de binnenkomst van rundvlees in Frankrijk tegen lagere prijzen dan die van de door verzoeksters vastgestelde prijslijst te verhinderen, teneinde de afzet van de productie van de Franse rundveehouders en de doeltreffendheid van deze lijst te verzekeren. De betrokken overeenkomst had bijgevolg tot doel de Franse nationale markt af te schermen en aldus de vrije mededinging op de gemeenschappelijke markt te beperken.

83 Wat in de tweede plaats de vaststelling van een prijslijst betreft, dient eraan te worden herinnerd dat artikel 81, lid 1, sub a, EG uitdrukkelijk bepaalt dat maatregelen die bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan‑ of verkoopprijzen mededingingsbeperkingen vormen. Volgens vaste rechtspraak vormt de vaststelling van prijzen een duidelijke mededingingsbeperking (arresten Gerecht van 6 april 1995, Tréfilunion/Commissie, T‑148/89, Jurispr. blz. II‑1063, punt 109, en 15 september 1998, European Night Services e.a./Commissie, T‑374/94, T‑375/94, T‑384/94 en T‑388/94, Jurispr. blz. II‑3141, punt 136).

84 In casu hebben verzoeksters voor bepaalde categorieën runderen een akkoord bereikt over een lijst van aankoopprijzen bij aanvoer in het slachthuis, die voor bepaalde categorieën koeien voorzag in prijzen per kilogram slachtgewicht en voor andere categorieën in een methode voor de berekening van de toe te passen prijs, waarbij met name werd uitgegaan van de door de communautaire autoriteiten in het kader van de speciale aankoopregeling vastgestelde prijs. Anders dan verzoeksters stellen, blijkt uit de inhoud zelf van de betrokken bepalingen van de litigieuze overeenkomst dat het niet ging om aanbevolen of richtprijzen, maar om minimumprijzen en dat de organisaties die de overeenkomst ondertekenden, zich ertoe verbonden de inachtneming hiervan te verzekeren. De overeenkomst bepaalde immers dat „de bijdragen minstens in overeenstemming met deze lijst [dienden] te zijn”. Zo ook werd in een bericht van 8 november 2001 van verzoeksters in zaak T‑245/03 aan hun leden, waarin de stand werd opgemaakt van de toepassing van de overeenkomst van 24 oktober 2001, verwezen naar de toepassing van de „lijst van minimumprijzen”.

85 Een overeenkomst als de onderhavige, die is gesloten tussen organisaties die landbouwondernemers vertegenwoordigen en organisaties die slachthuizen vertegenwoordigen, en die minimumprijzen voor bepaalde categorieën koeien vaststelt teneinde deze op te leggen aan alle economische operatoren die op de betrokken markten actief zijn, heeft naar haar aard tot doel de vrije mededinging op deze markten te beperken (zie in die zin arrest Hof van 30 januari 1985, BNIC, 123/83, Jurispr. blz. 391, punt 22), met name door de commerciële onderhandelingsmarge van de veehouders en slachthuizen kunstmatig te verkleinen en de prijsvorming op de betrokken markten te vervalsen.

86 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoeksters dat de landbouwmarkten gereguleerde markten zijn waar de mededingingsregels niet van rechtswege van toepassing zijn en waar de prijs vaak niet tot stand komt volgens de wetten van vraag en aanbod. De landbouwsector vertoont weliswaar een zekere eigenheid en maakt het voorwerp uit van een vrij gedetailleerde en vaak vrij interventionistische regulering, maar de communautaire mededingingsregels zijn niettemin, zoals in het kader van het derde middel zal worden besproken, van toepassing op de landbouwmarkten, ook al is er in bepaalde uitzonderingen voorzien om rekening te houden met de bijzondere situatie van deze markten.

87 Verzoeksters kunnen zich evenmin beroepen op het argument dat de prijzen van de betrokken lijst de mededinging niet beperkten omdat zij waren vastgesteld op basis van de door de Commissie zelf in het kader van de speciale aankoopregeling bepaalde prijzen. Uit de door de partijen op verzoek van het Gerecht overgelegde vergelijkende tabellen blijkt dat voor koeien van gemiddelde of lage kwaliteit de prijzen van de overeenkomst weliswaar zijn vastgesteld op basis van de in het kader van de speciale aankoopregeling vastgestelde prijzen, maar dat voor koeien van hoge kwaliteit (die 30 % vertegenwoordigden van het aantal geslachte koeien in 2001) de in de overeenkomst bepaalde prijzen aanzienlijk hoger waren dan deze interventieprijzen. Hoe dan ook kan het loutere feit dat de minimumprijzen worden vastgesteld op basis van de overheidsinterventieprijzen niet volstaan om de betrokken overeenkomst haar mededingingsbeperkende karakter te ontnemen. Door deze verwijzing naar de overheidsinterventieprijs verliest de betrokken lijst immers niet zijn mededingingsbeperkend doel, dat erin bestaat op rechtstreekse en kunstmatige wijze een bepaalde marktprijs vast te stellen. Evenmin kan deze lijst op grond hiervan worden gelijkgesteld met de verschillende openbare steun‑ en interventieregelingen in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, die tot doel hebben markten die gebukt gaan onder een overaanbod te saneren door een deel van de productie af te voeren.

88 Verder stellen verzoeksters dat het volgens artikel 4, sub a, van verordening nr. 2790/1999 in het kader van verticale overeenkomsten alleen verboden is beperkingen te stellen aan de mogelijkheid van de koper om zijn wederverkoopprijs te bepalen, en dat de in de betrokken overeenkomst vastgestelde prijslijst de mogelijkheid van de slachthuizen om ten opzichte van hun klanten hun prijzen vast te stellen niet heeft beperkt. Deze verwijzing naar verordening nr. 2790/1999 is evenwel in casu niet relevant. Volgens artikel 3 van deze verordening geldt de groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten immers niet indien het marktaandeel van de leverancier op de relevante markt meer dan 30 % bedraagt. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zonder op dit punt door verzoeksters te zijn weersproken, overschreed de productie van de leden van de organisaties van rundveehouders dit plafond van 30 % van de Franse rundvleesmarkt ruimschoots.

89 Met betrekking tot het argument van verzoeksters dat zij hun leden niet konden opleggen de vastgestelde minimumprijzen in acht te nemen, dient te worden vastgesteld dat voor de toepassing van artikel 81, lid 1, EG op een overeenkomst tussen verenigingen niet vereist is dat de betrokken verenigingen de door de overeenkomst opgelegde verplichtingen van hun leden kunnen afdwingen (zie in die zin arrest Hof van 15 mei 1975, Frubo/Commissie, 71/74, Jurispr. blz. 563, punten 29‑31). Verder is de verwijzing naar het reeds aangehaalde arrest Wouters e.a. in casu niet relevant, aangezien de feiten en de juridische problemen in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, dat betrekking had op de regeling door een beroepsvereniging van de uitoefening en de organisatie van het beroep van advocaat, niet vergelijkbaar zijn met die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn.

90 Verzoeksters kunnen zich ter rechtvaardiging van de betrokken overeenkomst evenmin beroepen op de crisis waarin de rundvleessector zich ten tijde van de feiten bevond en die in het bijzonder de Franse grootveehouders trof. Op basis van deze loutere omstandigheid kan immers niet worden geconcludeerd dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 81, lid 1, EG niet waren vervuld (zie in die zin arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 740). Hoe dan ook is de Commissie, zoals met name uit de punten 10 tot en met 15 en 130 van de bestreden beschikking blijkt, bij zijn beoordeling niet voorbijgegaan aan de crisis die de sector doormaakte. Bovendien heeft de Commissie hier bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten rekening mee gehouden, door dit met 60 % te verlagen (zie punten 182 tot en met 185 van de bestreden beschikking).

91 Te verwerpen is ook de stelling van verzoeksters dat de betrokken overeenkomst een nationale regulerende maatregel vormde die beantwoordde aan de traditionele Franse praktijk van beheersoverleg tussen de administratie en de landbouworganisaties en die gerechtvaardigd was door de ondoeltreffendheid van de door de overheid vastgestelde maatregelen. Dienaangaande dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat het juridische kader waarin overeenkomsten in de zin van artikel 81 EG worden gesloten en de juridische kwalificatie die in de verschillende nationale rechtsordes aan dit kader wordt gegeven, geen invloed hebben op de toepasselijkheid van de communautaire mededingingsregels (arrest BNIC, reeds aangehaald, punt 17). In de tweede plaats hebben de vertegenwoordigers van de Franse Republiek ter terechtzitting verklaard dat de betrokken overeenkomst geen deel kan uitmaken van het beheersoverleg tussen de administratie en de landbouworganisaties, en gepreciseerd dat deze laatste in het kader van dit overleg in nationale en communautaire raadgevende organen worden vertegenwoordigd. Ten slotte dient in de derde plaats te worden vastgesteld dat de vermeende ontoereikendheid van de overheidsmaatregelen om het hoofd te bieden aan de problemen van een bepaalde sector niet kan rechtvaardigen dat de getroffen particuliere ondernemers zich gedragen op een wijze die in strijd is met de mededingingsregels of zich bevoegdheden toe-eigenen die toebehoren aan de nationale of communautaire autoriteiten, teneinde hun actie in de plaats te stellen van die van deze autoriteiten.

92 Verder kan met betrekking tot de rol die de Franse minister van Landbouw heeft gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomst van 24 oktober 2001, worden volstaan met de opmerking dat volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat nationale autoriteiten op de hoogte waren van het mededingingsbeperkende gedrag van de ondernemingen of dit hebben goedgekeurd of zelfs aangemoedigd, hoe dan ook geen invloed heeft op de toepasselijkheid van artikel 81 EG (arresten Gerecht van 29 juni 1993, Asia Motor France e.a./Commissie, T‑7/92, Jurispr. blz. II‑669, punt 71, en Tréfilunion/Commissie, reeds aangehaald, punt 118).

93 Ten slotte dient het argument van verzoeksters te worden verworpen dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de betrokken overeenkomst gevolgen voor de invoer of de marktprijzen heeft gehad. Volgens vaste rechtspraak hoeft bij de toepassing van artikel 81, lid 1, EG immers geen rekening te worden gehouden met de concrete gevolgen van een overeenkomst, wanneer blijkt dat deze tot doel heeft de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Bijgevolg is het bewijs van werkelijke mededingingsbeperkende gevolgen niet vereist, mits de mededingingsbeperkende strekking van de verweten gedragingen vaststaat (arrest Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 741; arrest Gerecht van 6 juli 2000, Volkswagen/Commissie, T‑62/98, Jurispr. blz. II‑2707, punt 178). Zoals zojuist is vastgesteld, heeft de Commissie bewezen dat de betrokken overeenkomst tot doel had de mededinging op de betrokken markten te beperken (zie hierboven, punten 82 tot en met 85). Zij hoefde dus niet de concrete gevolgen van deze maatregelen voor de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt, met name in Frankrijk, te onderzoeken.

94 Gelet op al het voorgaande dient deze grief te worden afgewezen.

4. Kwalificatie van de actie van de vakorganisaties

a) Argumenten van partijen

95 Verzoeksters in zaak T‑245/03 stellen dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door beperkingen te stellen aan hun vrijheid van vakvereniging, die is erkend door artikel 12, lid 1, van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (PB 2000, C 364, blz. 1). De Commissie is met name voorbijgegaan aan de specifieke beheerstaken van de Franse landbouwvakorganisaties. Zij is bovendien bijzonder onnauwkeurig geweest door van de organisaties waaraan zij een sanctie heeft opgelegd, te eisen dat zij zich voortaan onthouden van alle overeenkomsten, onderling afgestemde feitelijke gedragingen of besluiten die hetzelfde doel of effect zouden kunnen hebben als de hun verweten inbreuk, terwijl een vakorganisatie gezamenlijke acties van haar leden dient te organiseren ter verdediging van hun collectieve belangen.

96 Volgens de Commissie betekent het feit dat verzoeksters vakorganisaties zijn nog niet dat de mededingingsregels, die van openbare orde zijn, niet op hen van toepassing zijn.

b) Beoordeling door het Gerecht

97 Volgens artikel 3, lid 1, sub g en j, EG omvat het optreden van de Gemeenschap zowel de toepassing van een regime waardoor wordt verzekerd dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst, als de toepassing van een beleid op sociaal gebied. Zo bepaalt artikel 137, lid 1, sub f, EG dat de Gemeenschap het optreden van de lidstaten ondersteunt en aanvult op het gebied van de vertegenwoordiging en collectieve verdediging van de belangen van werknemers en werkgevers. Volgens artikel 139, lid 1, EG kan de dialoog tussen de sociale partners op communautair niveau leiden tot contractuele betrekkingen. Artikel 81, lid 1, EG verbiedt overeenkomsten die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Dit artikel vormt een fundamentele bepaling die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en in het bijzonder voor de werking van de interne markt (arrest Hof van 1 juni 1999, Eco Swiss, C‑126/97, Jurispr. blz. I‑3055, punt 36).

98 Het Hof heeft geoordeeld dat, hoewel een zekere mededingingsbeperkende werking eigen is aan collectieve overeenkomsten tussen werkgevers‑ en werknemersorganisaties, de verwezenlijking van de met dergelijke overeenkomsten nagestreefde doelstellingen van sociaal beleid ernstig zou worden belemmerd indien de sociale partners bij hun gezamenlijke inspanning om de werkgelegenheids‑ en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, zich aan artikel 81, lid 1, EG moesten houden. Uit een nuttige en coherente uitlegging van de bepalingen van het Verdrag, gelezen in hun onderling verband, volgt derhalve dat overeenkomsten die, met dergelijke doelstellingen, in het kader van collectieve onderhandelingen tussen sociale partners worden gesloten, wegens hun aard en hun doel moeten worden geacht niet onder artikel 81, lid 1, EG te vallen (arrest Hof van 21 december 1999, Albany, C‑67/96, Jurispr. blz. I‑5751, punten 59 en 60). Anderzijds heeft het Hof verklaard dat deze bepaling van toepassing is op interprofessionele akkoorden tussen organisaties die producenten, coöperaties, arbeiders en industrieën in het kader van een publiekrechtelijk lichaam vertegenwoordigen (arrest BNIC, reeds aangehaald, punten 3 en 16 tot en met 20, en arrest van 3 december 1987, BNIC, 136/86, Jurispr. blz. 4789, punten 3 en 13).

99 In casu is het Gerecht van oordeel dat de aard en het voorwerp van de betrokken overeenkomst niet rechtvaardigen dat deze aan de werkingssfeer van artikel 81, lid 1, EG wordt onttrokken.

100 In de eerste plaats is de betrokken overeenkomst geen collectieve overeenkomst en is zij niet gesloten tussen werkgevers‑ en werknemersorganisaties. De veehouders bevinden zich immers niet in een arbeidsverhouding ten opzichte van de slachthuizen, aangezien zij geen arbeid voor en onder het gezag van deze laatste verrichten en er niet in zijn geïntegreerd (zie in die zin arrest Hof van 16 september 1999, Becu e.a., C‑22/98, Jurispr. blz. I‑5665, punt 26). Zoals reeds is geoordeeld, kunnen de veehouders integendeel worden beschouwd als ondernemingen in de zin van artikel 81, lid 1, EG (zie hierboven, punt 53). De betrokken overeenkomst vormt aldus een interprofessioneel akkoord tussen twee schakels van de productieketen in de rundvleessector. In de tweede plaats betreft de overeenkomst geen maatregelen ter verbetering van de werkgelegenheids‑ en arbeidsvoorwaarden, maar de opschorting van de invoer van rundvlees en de vaststelling van minimumprijzen voor bepaalde categorieën koeien. Deze maatregelen hebben in casu tot doel de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt te beperken (zie hierboven, punten 82 en 85).

101 Hieruit volgt dat verzoeksters in zaak T‑245/03 als federaties van landbouwvakorganisaties weliswaar rechtmatig de belangen van hun leden kunnen verdedigen, maar dat zij zich in casu niet op de vrijheid van vakvereniging kunnen beroepen ter rechtvaardiging van concrete acties die in strijd zijn met artikel 81, lid 1, EG.

102 De stelling van verzoeksters dat de Commissie, door hun in artikel 2 van de bestreden beschikking te gelasten zich voortaan te onthouden van alle regelingen die hetzelfde doel of effect zouden kunnen hebben als de vastgestelde inbreuk, afbreuk heeft gedaan aan hun taak als vakorganisaties om gezamenlijke acties te voeren ter verdediging van hun collectieve belangen, dient eveneens te worden verworpen. Door verzoeksters te verbieden de ten laste gelegde gedragingen te herhalen of soortgelijke maatregelen te nemen, heeft de Commissie enkel de gevolgen van de in artikel 1 van de bestreden beschikking vastgestelde onwettigheid voor hun toekomstige gedrag aangegeven (zie in die zin arrest Gerecht van 13 december 2001, Krupp Thyssen Stainless en Acciai speciali Terni/Commissie, T‑45/98 en T‑47/98, Jurispr. blz. II‑3757, punt 311). Dit verbod is overigens voldoende nauwkeurig en is gebaseerd op de elementen op grond waarvan de Commissie de onrechtmatigheid van de bestrafte gedragingen heeft vastgesteld, zodat het duidelijk geen betrekking heeft op de algemene activiteit van verzoeksters als vakorganisaties.

103 Gelet op het bovenstaande dient de grief te worden afgewezen.

104 Bijgevolg dient het middel te worden verworpen.

B – Tweede middel: kennelijke beoordelingsfouten en onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de omvang en de duur van de inbreuk

105 Verzoeksters betwisten de omvang en de duur van de inbreuk zoals deze door de Commissie zijn vastgesteld. In de eerste plaats is het deel van de overeenkomst dat betrekking had op de invoer, beëindigd met het protocol van Rungis van 31 oktober 2001. In de tweede plaats is de schriftelijke overeenkomst van 24 oktober 2001 niet verlengd door een mondelinge overeenkomst met hetzelfde doel.

1. Voorafgaande vragen

a) Inaanmerkingneming van de lokale akkoorden

Argumenten van partijen

106 Verzoeksters stellen dat de Commissie zich ter bepaling van de duur van de aan de nationale organisaties ten laste gelegde inbreuk niet kon baseren op overeenkomsten die op lokaal niveau tussen vakorganisaties van veehouders en individuele slachthuizen waren gesloten. Zij herinneren eraan dat de bewijslast met betrekking tot de duur van een overeenkomst op de Commissie rust en dat, voor zover deze ervoor heeft gekozen de inbreuk en de deelneming eraan aan de hand van rechtstreekse schriftelijke bewijzen aan te tonen, zij niet kan uitgaan van het vermoeden dat de deelneming van een partij aan de overeenkomst na haar laatste bewezen deelneming aan een uitvoeringsmaatregel heeft voortgeduurd (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punten 4281‑4283).

107 Verzoeksters merken op dat zij de betrokken lokale akkoorden niet hebben ondertekend, aangezien deze zijn gesloten door afzonderlijke juridische entiteiten, namelijk de landbouworganisaties op het niveau van de departementen, de departementale afdelingen van de JA of de lokale vakorganisaties. Deze lokale akkoorden, in het bijzonder die welke zijn gesloten vanaf 30 november 2001, waren uitsluitend het resultaat van de acties van deze organisaties en hingen af van hun vermogen om van hun kopers minimumprijzen te verkrijgen. Verzoeksters verwijzen dienaangaande naar de handgeschreven notities die de directeur van de FNB op de bijeenkomst van 29 november 2001 heeft gemaakt („onderhandel over uw prijslijsten op regionaal niveau”). Het feit dat de lijst met referentieprijzen door de FNB is toegezonden aan de departementale federaties die daarom verzochten, doet niet af aan deze conclusie, aangezien de lijst niet is verzonden in het kader van de toepassing van de nationale overeenkomst, maar in het kader van de door deze federaties gevoerde lokale onderhandelingen. Zo heeft E.C., een van de directeuren van de FNB, op 11 december 2001 deze lijst toegezonden aan een departementale federatie en haar daarbij uitdrukkelijk erop gewezen dat de toepassing van deze lijst niet bij overeenkomst was verlengd. Ten slotte betwisten verzoeksters de stelling van de Commissie dat de tekst van de lokale akkoorden bijna letterlijk was overgenomen van de nationale overeenkomst.

108 Verzoeksters merken tevens op dat de ondertekenaars van deze lokale akkoorden niet hebben deelgenomen aan de administratieve procedure voor de Commissie. Verzoeksters kunnen niet in hun plaats antwoorden. Het zou dan ook in strijd zijn met de rechten van de verdediging en artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) om deze stukken niet uit de debatten te weren.

109 De Commissie antwoordt hierop dat zij bij de beoordeling van de duur van de inbreuk rekening mocht houden met de vele lokale akkoorden die na de ondertekening van de nationale overeenkomst van 24 oktober 2001 waren gesloten. Het is voornamelijk via deze lokale akkoorden dat de betrokken overeenkomst is uitgevoerd, in het bijzonder na de beëindiging van de schriftelijke overeenkomst. Bovendien zijn alle documenten betreffende deze akkoorden bij verzoeksters in beslag genomen, waaruit blijkt dat de nationale federaties de uitvoering van de nationale overeenkomst op lokaal niveau van nabij volgden.

Beoordeling door het Gerecht

110 Verzoeksters stellen in wezen dat de Commissie bij de bepaling van de duur van de inbreuk geen rekening kon houden met de akkoorden die niet door henzelf zijn gesloten, maar tot stand zijn gekomen tussen departementale federaties of lokale vakorganisaties, enerzijds, en slachthuizen, anderzijds.

111 Het wordt evenwel niet betwist dat de betrokken lokale federaties of vakorganisaties van veehouders rechtstreeks of indirect lid zijn van verzoeksters in zaak T‑245/03.

112 Na de ondertekening van de overeenkomst van 24 oktober 2001 hebben de nationale federaties van veehouders hun leden ertoe opgeroepen de overeenkomst op lokaal niveau uit te voeren. Zo wordt in een brief van 25 oktober 2001 van verzoeksters in zaak T‑245/03 aan hun leden gewag gemaakt van de ondertekening van de overeenkomst de dag voordien en verklaard: „Elk van ons moet vanaf nu nauwlettend toezien op de zorgvuldige toepassing van deze overeenkomst over het hele grondgebied [...] Wij verzoeken u ook om zo snel mogelijk de handtekeningen te verzamelen van de ondernemingen die de overeenkomst nog niet zouden hebben ondertekend. De ondernemingen dienen zich er ook toe te verbinden voorrang te geven aan de nationale bevoorrading.” Verder bevat een brief van verzoeksters aan hun leden van 13 december 2001 de volgende passage: „[...] wij verzoeken u om de gehele organisatie van de FNSEA te mobiliseren [...] om bij alle slachthuizen te controleren welke prijzen zij toepassen zodat de door ons nagestreefde minimale productieprijzen in acht worden genomen. Wij verzoeken u daartoe om bij elk in uw departement gelegen slachthuis stappen te ondernemen.” Ten slotte blijkt uit een brief van 8 november 2001 van verzoeksters in zaak T‑245/03 aan de bij hen aangesloten federaties dat deze laatste de nationale federaties alle informatie over de gevoerde acties dienden te verstrekken zodat de verdere strategie van de vakorganisaties kon worden voorbereid; deze informatie diende met name „een nauwkeurige en gedetailleerde lijst [te omvatten] van ondernemingen die de lijst nog steeds niet [hadden] ondertekend of die hem [hadden] ondertekend, maar hem niet toepas[t]en”.

113 Uit de stukken blijkt dus dat verzoeksters in zaak T‑245/03 hun leden ertoe hebben aangemoedigd concrete acties te voeren bij de slachthuizen die binnen hun gebied werkzaam waren en aldus aan de uitvoering van de betrokken overeenkomst deel te nemen. De actie van de departementale federaties en de lokale vakorganisaties paste dus in een gemeenschappelijke strategie van deze federaties en organisaties en de nationale federaties en strekte ertoe de doeltreffendheid op het gehele Franse grondgebied van de op nationaal niveau vastgestelde maatregelen te verzekeren. Een van de instrumenten in het kader van deze strategie was juist de sluiting van overeenkomsten tussen de lokale vakorganisaties van veehouders en de slachthuizen.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in