Gerecht EU 25 oktober 2005, T-38/02, ECLI:EU:T:2005:367

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Zaak T‑38/02

Groupe Danone

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Boeten – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten – Mededeling inzake medewerking”

Arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 25 oktober 2005

Samenvatting van het arrest

1. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Doel – Eerbiediging van rechten van verdediging – Draagwijdte – Belastende elementen – Uitsluiting van niet-meegedeelde bewijsstukken

(Art. 81, lid 1, EG)

2. Mededinging – Administratieve procedure – Toegang tot dossier – Documenten die zich niet in onderzoeksdossier bevinden – Documenten die dienstig kunnen zijn voor verweer van partijen – Verplichting van partijen, om overlegging daarvan te verzoeken

3. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Mededeling van punten van bezwaar – Vereiste inhoud

(Verordening nr. 17 van de Raad)

4. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Rechten van verdediging – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van gemeenschapsrechter

(Art. 229 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)

5. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden – Verplichting voor Commissie om zich aan haar vroegere beschikkingspraktijk te houden – Geen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

6. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van rechten van verdediging – Toegang tot dossier – Draagwijdte – Belastende elementen die door derde mondeling zijn verstrekt – Verplichting om deze elementen toegankelijk te maken voor betrokken onderneming, zo nodig via opstellen van schriftelijk document

7. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Passend karakter – Rechterlijke toetsing – Elementen die gemeenschapsrechter in aanmerking kan nemen – Elementen die niet zijn vervat in beschikking waarbij geldboete wordt opgelegd, en die niet noodzakelijk zijn voor motivering ervan – Daaronder begrepen

(Art. 229 EG, 230 EG en 253 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 17)

8. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beschikking waarbij geldboeten worden opgelegd – Vermelding van elementen op basis waarvan Commissie zwaarte en duur van inbreuk heeft beoordeeld – Toereikende vermelding

(Art. 253 EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2, tweede alinea; mededelingen van de Commissie 96/C 207/04 en 98/C 9/03)

9. Mededinging – Mededingingsregelingen – Afbakening van markt – Doel – Bepaling van mate van ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten

(Art. 81, lid 1, EG)

10. Mededinging – Gemeenschapsregels – Inbreuken – Geldboeten – Vaststelling – Criteria – Verhoging van algemeen niveau van geldboeten – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Verordening nr. 17 van de Raad)

11. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Berekeningsmethode vastgesteld in richtsnoeren van Commissie – Verplichting voor Commissie om zich daaraan te houden – Gevolgen – Verplichting tot motivering van elke verstoring

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

12. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Inbreuken die uitsluitend wegens aard ervan als zeer ernstig worden aangemerkt – Noodzaak om effect en geografische omvang ervan te bepalen – Geen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

13. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Inaanmerkingneming van totale omzet van betrokken onderneming en van omzet uit verkoop van goederen waarop inbreuk betrekking heeft – Grenzen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

14. Mededinging – Mededingingsregelingen – Deelneming aan bijeenkomsten van ondernemingen die ertoe strekken mededinging te verstoren – Omstandigheid die, bij gebreke van distantiëring van genomen beslissingen, conclusie wettigt dat sprake is van deelneming aan daaruit voortvloeiende mededingingsregeling – Deelneming die onder dwang zou zijn geschied – Geen rechtvaardigingsgrond voor onderneming die geen gebruik heeft gemaakt van mogelijkheid van aangifte bij bevoegde autoriteiten

(Art. 81, lid 1, EG; verordening nr. 17 van de Raad, art. 3)

15. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken gerelateerd aan beoogde afschrikkende werking

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

16. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk is vastgesteld na eerdere beschikking van Commissie die zelfde onderneming betrof – Ontbreken van overeenstemming tussen inbreuken die in beide beschikkingen zijn geconstateerd – Schending van beginsel „ne bis in idem” – Geen

17. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Beoordeling aan hand van absolute waarde van betrokken verkopen – Toelaatbaarheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

18. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk is vastgesteld – Vereiste bewijselementen – Vereiste bewijskracht

(Art. 81, lid 1, EG)

19. Gemeenschapsrecht – Beginselen – Grondrechten – Vermoeden van onschuld – Mededingingsprocedure – Toepasselijkheid

20. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte en duur van inbreuk – Inbreuk begaan door verschillende ondernemingen – Zwaarte individueel te beoordelen

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

21. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuk – Verzwarende omstandigheden – Dreiging met represailles van onderneming jegens andere onderneming

22. Mededinging – Administratieve procedure – Beschikking van Commissie waarbij inbreuk is vastgesteld – Gebruik als bewijs van verklaringen van andere ondernemingen die aan inbreuk hebben deelgenomen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Art. 81 EG en 82 EG)

23. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Invoering van richtsnoeren door Commissie – Hanteren van berekeningsmethode die uitgaat van intrinsieke zwaarte en duur van inbreuk en die bovengrens ten opzichte van omzet van elke onderneming in acht neemt – Wettigheid

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

24. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzwarende omstandigheden – Recidive – Begrip

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

25. Mededinging – Geldboeten – Ontbreken van vaststelling van verjaringstermijn die schending van rechtszekerheidsbeginsel uitsluit

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15; mededeling 98/C 9/03 van de Commissie)

26. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzachtende omstandigheden – Niet-daadwerkelijke toepassing van overeenkomst – Beoordeling aan hand van individueel gedrag van elke onderneming

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15)

27. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzachtende omstandigheden – Ontbreken van maatregelen ter controle van uitvoering van mededingingsregeling – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

28. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Zwaarte van inbreuken – Verzachtende omstandigheden – Financiële situatie van betrokken onderneming – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2)

29. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van beschuldigde onderneming – Noodzaak van gedraging die vaststelling van inbreuk door Commissie heeft vergemakkelijkt – Informatie over handelingen waarvoor geen geldboete uit hoofde van verordening nr. 17 kan worden opgelegd – Niet-inaanmerkingneming

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11, leden 4 en 5, en art. 15; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)

30. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Criteria – Houding van onderneming tijdens administratieve procedure – Beoordeling van mate van medewerking van elke bij mededingingsregeling betrokken onderneming – Inachtneming van gelijkheidsbeginsel – Niet-vergelijkbare mate van medewerking die verschillende behandeling rechtvaardigt

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie)

31. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Niet-oplegging of vermindering van geldboete in ruil voor medewerking van beschuldigde onderneming – Vermindering wegens niet-betwisting van feiten – Voorwaarden

(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 15, lid 2; mededeling 96/C 207/04 van de Commissie, punt D 2)

1. De toegang tot het dossier in mededingingszaken heeft met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van de bewijselementen in het dossier van de Commissie, zodat zij op grond daarvan hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar behoorlijk kenbaar kunnen. De toegang tot het dossier maakt dus deel uit van de procedurele waarborgen die de rechten van de verdediging beogen te beschermen en in het bijzonder de daadwerkelijke uitoefening beogen te waarborgen van het recht om te worden gehoord.

De Commissie is dus verplicht de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 81, lid 1, EG is ingeleid, toegang te verschaffen tot alle belastende en ontlastende stukken die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de instelling en andere vertrouwelijke informatie.

Indien blijkt dat de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd op documenten die zich niet in het onderzoeksdossier bevonden en verzoekster niet zijn meegedeeld, moeten de betrokken documenten als bewijsmiddel worden geweigerd.

(cf. punten 33‑35, 65)

2. In het kader van een administratieve procedure op het gebied van de mededinging staat, wanneer documenten die ontlastende elementen hadden kunnen bevatten deel uitmaken van het onderzoeksdossier van de Commissie, de eventuele vaststelling van een schending van de rechten van de verdediging los van de manier waarop de betrokken onderneming zich tijdens de administratieve procedure heeft gedragen, en van de vraag of die onderneming verplicht was, de Commissie te verzoeken haar toegang tot het dossier te verlenen dan wel haar bepaalde stukken te doen toekomen.

Wat documenten betreft die ontlastend materiaal hadden kunnen bevatten en zich niet in het onderzoeksdossier van de Commissie bevinden, moet de betrokken onderneming de instelling echter uitdrukkelijk om toegang tot die documenten verzoeken. Indien zij dat niet doet tijdens de administratieve procedure, vervalt haar recht om op deze grond beroep tot nietigverklaring van de eindbeschikking in te stellen.

(cf. punten 36‑37, 42, 79)

3. Wanneer zij in haar mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd en zij ook de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, vermeldt op grond waarvan een boete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan, voldoet de Commissie aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord. De Commissie verstrekt deze ondernemingen daardoor de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van geldboeten te verdedigen.

(cf. punt 50)

4. Met betrekking tot de vaststelling van het bedrag van de geldboeten die wegens inbreuk op de mededingingsregels worden opgelegd, worden de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen voor de Commissie gewaarborgd doordat zij in staat worden gesteld hun standpunt kenbaar te maken omtrent de duur, de zwaarte en de voorzienbaarheid van het de mededinging verstorende karakter van de inbreuk. Bovendien hebben de ondernemingen, wat de vaststelling van dit bedrag betreft, een extra waarborg, aangezien het Gerecht krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht in de zin van artikel 229 EG heeft ter zake van beroepen tegen beschikkingen van de Commissie waarin een geldboete wordt vastgesteld, en derhalve de opgelegde geldboete kan intrekken, verlagen of verhogen. In het kader van zijn volledige rechtsmacht dient het Gerecht te controleren, of de hoogte van de opgelegde geldboete in verhouding staat tot de zwaarte en de duur van de inbreuk, en dient het de zwaarte van de inbreuk af te wegen tegen de door de onderneming aangevoerde omstandigheden.

(cf. punten 51, 136)

5. Uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet als een verzwarende omstandigheid heeft beschouwd, kan niet worden afgeleid dat zij verplicht is, zulks in een latere beschikking eveneens te doen. Anderzijds betekent het feit dat een onderneming in een andere zaak in de gelegenheid is geweest zich uit te laten over het voornemen om haar handelwijze als recidive aan te merken, geenszins dat de Commissie verplicht is dit in alle gevallen te doen, noch dat de betrokken onderneming, wanneer zij die mogelijkheid niet heeft, haar recht om te worden gehoord niet volledig kan uitoefenen.

(cf. punten 57, 153, 395)

6. Er bestaat in het kader van de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag geen algemene verplichting voor de Commissie om tijdens de bijeenkomsten met slechts enkele van de deelnemers aan een inbreuk verslagen te maken van de met hen gevoerde besprekingen.

Dat die verplichting niet bestaat, ontslaat de Commissie evenwel niet van de op haar rustende verplichtingen aangaande de toegang tot het dossier. Het is namelijk niet aanvaardbaar dat de praktijk om mondeling betrekkingen met derden te onderhouden de rechten van de verdediging aantast. Dus moet de Commissie, wanneer zij in haar beschikking een belastend element wil gebruiken dat door een andere partij mondeling kenbaar is gemaakt, dit toegankelijk maken voor de betrokken onderneming, opdat deze zich naar behoren kan uitlaten over de conclusies van de Commissie op basis van dit element. Eventueel moet zij daartoe een voor het dossier bestemd schriftelijk document opstellen.

(cf. punten 66‑67)

7. Met betrekking tot beroepen tegen beschikkingen waarbij de Commissie aan ondernemingen geldboeten oplegt wegens schending van de mededingingsregels, heeft het Gerecht een dubbele bevoegdheid. Enerzijds moet het krachtens artikel 230 EG de beschikkingen op hun wettigheid toetsen. Daarbij moet het met name nagaan of de motiveringsplicht van artikel 253 EG is nagekomen; bij niet-nakoming van deze plicht kan de beschikking nietig worden verklaard. Anderzijds is het Gerecht in het kader van de hem bij artikel 229 EG en artikel 17 van verordening nr. 17 verleende volledige rechtsmacht bevoegd om te beoordelen of passende geldboeten zijn opgelegd. Deze beoordeling kan een grond zijn om aanvullende gegevens te doen overleggen en in aanmerking te nemen die als zodanig niet op grond van de motiveringsplicht van artikel 253 EG in de bestreden beschikking behoeven te worden vermeld.

(cf. punt 95)

8. De draagwijdte van de motiveringsplicht inzake de berekening van een wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboete moet worden bepaald aan de hand van het bepaalde in artikel 15, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 17, luidende: „Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt niet alleen rekening gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk”. Aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van de motivering wordt voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft beoordeeld. Anderzijds bevatten de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd en de mededeling inzake medewerking in zaken betreffende mededingingsregelingen regels die aangeven welke factoren de Commissie in aanmerking neemt bij de beoordeling van de zwaarte en de duur van de inbreuk. Bijgevolg wordt aan de eisen van het wezenlijke vormvoorschrift van de motivering voldaan wanneer de Commissie in haar beschikking de factoren aangeeft die zij overeenkomstig de richtsnoeren en, in voorkomend geval, de mededeling inzake medewerking in aanmerking heeft genomen en op basis waarvan zij de zwaarte en de duur van de inbreuk heeft kunnen beoordelen voor de berekening van het bedrag van de geldboete.

(cf. punt 97)

9. In het kader van de toepassing van artikel 81, lid 1, EG moet de relevante markt worden afgebakend om te bepalen of een overeenkomst de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en ertoe strekt of ten gevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Bijgevolg is de Commissie in een beschikking krachtens artikel 81, lid 1, EG uitsluitend verplicht de markt af te bakenen wanneer zonder een dergelijke afbakening niet kan worden uitgemaakt of de overeenkomst, het besluit van een ondernemersvereniging of de onderling afgestemde gedraging de handel tussen lidstaten ongunstig kan beïnvloeden en tot doel of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.

(cf. punt 99)

10. De Commissie beschikt in het kader van verordening nr. 17 over een beoordelingsbevoegdheid bij het bepalen van het bedrag van de geldboeten om het gedrag van de ondernemingen zodanig te sturen dat zij de mededingingsregels naleven.

Het feit dat de Commissie in het verleden voor sommige soorten inbreuken geldboeten van een bepaald niveau heeft opgelegd, kan haar niet beletten dit niveau binnen de in verordening nr. 17 gestelde grenzen te verhogen, indien zulks noodzakelijk is ter uitvoering van het communautaire mededingingsbeleid. Voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels moet de Commissie het niveau van de geldboeten juist op elk moment aan de eisen van dit beleid kunnen aanpassen

(cf. punten 134‑135, 154, 395, 407, 415)

11. Indien de Commissie richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, heeft vastgesteld, teneinde in overeenstemming met het Verdrag de criteria te preciseren die zij bij het gebruik van haar beoordelingsvrijheid voornemens is toe te passen, impliceert dat een zelfbeperking van die bevoegdheid in de zin dat zij zich behoort te voegen naar de indicatieve regels die zij zichzelf heeft opgelegd. Bij de beoordeling van de zwaarte van de inbreuken moet de Commissie dus thans rekening houden met een veelheid aan elementen, waaronder die welke in de richtsnoeren zijn vervat, tenzij zij specifiek de gronden aangeeft die in voorkomend geval een afwijking daarvan op een bepaald punt rechtvaardigen.

(cf. punt 138)

12. De Commissie heeft in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, aangegeven dat horizontale beperkingen van het type „prijskartel” en marktverdelingsregeling, of andere gedragingen die de goede werking van de interne markt in het gedrang brengen, meestal als zeer zwaar worden aangemerkt. Uit deze indicatieve beschrijving blijkt dat overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken de prijzen vast te leggen en de klanten te verdelen, alleen al naar hun aard tot een dergelijke kwalificatie kunnen leiden, zonder dat dit soort gedragingen door een bepaalde weerslag of geografische omvang hoeft te worden gekenmerkt. Deze conclusie vindt steun in het feit dat, hoewel de indicatieve beschrijving van inbreuken die in aanmerking komen voor de kwalificatie „zwaar”, aangeeft dat het om inbreuken van hetzelfde type gaat als die welke als minder ernstig zijn gedefinieerd, „maar die strikter worden toegepast, waarvan de weerslag op de markt ruimer is en waarvan de gevolgen zich over uitgestrekte gebieden van de gemeenschappelijke markt kunnen doen gevoelen”, de beschrijving van zeer zware inbreuken geen eisen stelt aangaande de weerslag of de gevolgen voor een bepaald geografisch gebied.

(cf. punten 150‑151)

13. De criteria voor de beoordeling van de zwaarte van de inbreuk omvatten naar gelang van het geval onder meer: de hoeveelheid en de waarde van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, de omvang en de economische macht van de onderneming en derhalve de invloed die deze op de markt heeft kunnen uitoefenen. Hieruit volgt enerzijds dat bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zowel rekening mag worden gehouden met de totale omzet van de onderneming, die – zij het ook benaderend en onvolkomen – een indruk geeft van haar omvang en economische macht, als met het gedeelte van de omzet dat is behaald met de verkoop van de goederen waarop de inbreuk betrekking heeft, en dat dus een indruk geeft van de omvang van de inbreuk. Anderzijds volgt hieruit dat aan geen van deze omzetcijfers een belang mag worden toegekend dat niet in verhouding staat tot de overige beoordelingselementen, zodat de vaststelling van een passend bedrag van de geldboete niet de resultante kan zijn van een eenvoudige berekening op basis van de totale omzet.

(cf. punten 158, 367)

14. Wanneer is bewezen dat een onderneming heeft deelgenomen aan bijeenkomsten van ondernemingen met een duidelijk de mededinging beperkend karakter, dient zij aanwijzingen te verstrekken waaruit blijkt dat haar deelneming aan die bijeenkomsten geen de mededinging beperkende bedoeling had, en wel door aan te tonen dat zij haar concurrenten duidelijk had gemaakt, dat zij vanuit een andere optiek dan zij aan die bijeenkomsten deelnam. Wanneer dit bewijs van distantiëring niet is geleverd, kan uit haar – zelfs passieve – deelneming aan deze bijeenkomsten worden geconcludeerd dat zij deelneemt aan de daaruit resulterende mededingingsregeling. Bovendien ontslaat de omstandigheid dat deze onderneming geen gevolg geeft aan de resultaten van deze bijeenkomsten, haar niet van de volle aansprakelijkheid voor haar deelneming aan de mededingingsregeling. Wanneer tenslotte vaststaat dat een onderneming aan dergelijke bijeenkomsten heeft deelgenomen, kan zij zich niet beroepen op het feit dat zij daaraan onder dwang van de andere, eventueel economisch sterkere deelnemers heeft deelgenomen. Zij had immers de op haar uitgeoefende druk bij de bevoegde autoriteiten kunnen aangeven en bij de Commissie een klacht kunnen indienen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17, in plaats van aan de betrokken activiteiten deel te nemen.

(cf. punten 164, 245, 423)

15. De afschrikkende werking van geldboeten die worden opgelegd wegens schending van de mededingingsregels maakt namelijk een integrerend onderdeel uit van de weging van de geldboeten op basis van de zwaarte van de inbreuk, omdat daarmee wordt beoogd te voorkomen dat een berekeningsmethode tot boetebedragen leidt die, voor bepaalde ondernemingen, niet het niveau bereikt dat waarborgt dat van de geldboete een voldoende afschrikkende werking uitgaat.

(cf. punt 170)

16. Het beginsel ne bis in idem, dat ook is opgenomen in artikel 4 van het zevende protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht waarvan de eerbiediging door de rechter wordt gewaarborgd.

Op het gebied van het communautaire mededingingsrecht verbiedt dit beginsel dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd door de Commissie wegens een de mededinging verstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beschikking van de Commissie waartegen geen beroep meer openstaat. De toepassing van dit beginsel is afhankelijk van de drievoudige voorwaarde dat de feiten, de overtreder en het beschermde rechtsgoed dezelfde zijn.

(cf. punten 184‑185)

17. De zwaarte van een inbreuk op de mededingingsregels kan niet uitsluitend afhangen van de territoriale omvang ervan of van de verhouding van de verkoop waarop de inbreuk betrekking heeft tot de in de gehele Europese Unie gerealiseerde verkoop. Onafhankelijk van bovengenoemde criteria is de absolute waarde van de betrokken verkoop namelijk ook een relevante aanwijzing voor de zwaarte van de inbreuk, en vormt deze een getrouwe afspiegeling van het economische belang van de transacties die de inbreuk aan de gewone concurrentie wil onttrekken.

(cf. punt 191)

18. Wat de bewijsvoering van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG betreft, staat het aan de Commissie om de door haar vastgestelde inbreuken te bewijzen en de elementen te leveren die rechtens genoegzaam het bestaan van de constitutieve elementen van een inbreuk bewijzen. Indien de rechter twijfels heeft, dienen deze twijfels bovendien in het voordeel te spelen van de adressaat van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. De rechter kan dus niet vaststellen dat de Commissie de betrokken inbreuk rechtens genoegzaam heeft bewezen, indien daarover bij hem twijfel blijft bestaan, met name in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking waarbij een geldboete is opgelegd.

De Commissie moet voldoende bepaalde en onderling overeenstemmende bewijzen verzamelen, die de vaste overtuiging kunnen dragen dat de gestelde inbreuk plaats heeft gehad.

Evenwel dient te worden beklemtoond dat niet elk van de door de Commissie aangevoerde bewijzen noodzakelijkerwijs voor elk onderdeel van de inbreuk aan deze criteria hoeft te voldoen. Het is voldoende dat de door deze instelling aangevoerde verzameling aanwijzingen, in haar geheel beschouwd, aan dit vereiste voldoet.

(cf. punten 215, 217‑218)

19. Het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, maakt deel uit van de fundamentele rechten die volgens de rechtspraak van het Hof – die bovendien is bevestigd in de preambule van de Europese Akte, in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – in de communautaire rechtsorde worden beschermd. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken en op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties geldt het beginsel van het vermoeden van onschuld met name voor procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels die tot het opleggen van geldboeten of dwangsommen kunnen leiden.

(cf. punt 216)

20. Wanneer een inbreuk door meer dan één onderneming is begaan, dient bij de vaststelling van het bedrag van de geldboeten de relatieve ernst van ieders deelneming in aanmerking te worden genomen, wat met name impliceert dat moet worden vastgesteld welke rol elk van hen tijdens de duur van haar deelneming aan de inbreuk heeft gespeeld.

Deze conclusie is het logische voortvloeisel van het beginsel van het persoonlijk karakter van straffen en sancties, volgens hetwelk aan een onderneming slechts een sanctie kan worden opgelegd voor feiten die haar individueel ten laste worden gelegd. Dit beginsel geldt in elke administratieve procedure die tot sancties op grond van de communautaire mededingingsregels kan leiden.

(cf. punten 277‑278)

21. Het feit dat een onderneming die deel uitmaakt van een kartel, een andere partij bij dit kartel dwingt de omvang daarvan uit te breiden door met maatregelen te dreigen bij weigering tot medewerking, kan als verzwarende omstandigheid worden aangemerkt. Een dergelijk gedrag heeft namelijk als rechtstreeks gevolg dat de door het kartel toegebrachte schade groter wordt, en een onderneming die zich op deze wijze gedraagt, moet daarom een bijzondere verantwoordelijkheid dragen.

(cf. punt 281)

22. Geen enkele bepaling en geen enkel algemeen beginsel van gemeenschapsrecht verbieden de Commissie zich tegenover een onderneming te beroepen op verklaringen van andere beschuldigde ondernemingen. Anders zou de op de Commissie rustende bewijslast met betrekking tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 EG en 82 EG, onoverkomelijk zwaar zijn en onverenigbaar met de haar door het Verdrag opgedragen taak van toezicht op de juiste toepassing van die bepalingen. De verklaring van een onderneming die van deelneming aan een mededingingsregeling wordt beschuldigd, waarvan de juistheid door verschillende beschuldigde ondernemingen wordt betwist, kan evenwel niet zonder door andere bewijzen te worden gestaafd, een genoegzaam bewijs van de betrokken feiten vormen. Wanneer bij de mededingingsregeling slechts twee partijen zijn betrokken, volstaat de betwisting van de inhoud van de verklaring van de ene door de andere om te eisen dat deze door andere bewijzen wordt gestaafd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een verklaring die de verantwoordelijkheid van de onderneming namens welke zij is gedaan, kan verminderen door de verantwoordelijkheid van een andere onderneming te accentueren.

Bij de beoordeling van de bewijskracht van een stuk dat aantoont dat er een dreigement is geuit door de ene onderneming jegens de andere, en waarvan de bewijskracht door eerstgenoemde onderneming wordt betwist, moet bovendien worden gekeken naar de waarschijnlijkheid van de daarin vervatte informatie. Daarbij moet met name rekening worden gehouden met de herkomst van het stuk, de omstandigheden waarin het tot stand is gekomen, en degene tot wie het is gericht, en moet worden onderzocht of het stuk, gelet op de inhoud ervan, redelijk en geloofwaardig overkomt.

(cf. punten 285‑286)

23. Ook volgens de methode die is vastgelegd in de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, wordt het bedrag van de geldboeten berekend aan de hand van de twee in artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 genoemde criteria, namelijk de zwaarte en de duur van de inbreuk, waarbij de in dezelfde bepaling vastgestelde bovengrens ten opzichte van de omzet van elke onderneming in acht wordt genomen.

Derhalve blijven de richtsnoeren binnen het rechtskader waarbinnen volgens deze bepaling sancties kunnen worden opgelegd.

(cf. punten 343‑344)

24. Bij de beoordeling van de zwaarte van een inbreuk met het oog op de vaststelling van de hoogte van de geldboete moet de Commissie niet alleen de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, maar ook de context waarbinnen de inbreuk is gepleegd, en moet zij ervoor zorgen dat haar optreden een preventieve werking heeft, inzonderheid met betrekking tot die inbreuken die bijzonder schadelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap.

In dit verband moet bij het onderzoek van de zwaarte van de gepleegde inbreuk rekening worden gehouden met een eventuele recidive. Vanuit het oogpunt van afschrikkende werking is recidive namelijk een omstandigheid die een aanzienlijke verhoging van het basisbedrag van de geldboete rechtvaardigt. Recidive bewijst immers dat de eerder opgelegde sanctie onvoldoende afschrikkende werking heeft gehad.

De omstandigheid van recidive, niettegenstaande het feit dat die op een specifiek kenmerk van de inbreukmaker betrekking heeft, namelijk zijn neiging om dergelijke inbreuken te plegen, is om die reden juist een zeer belangrijke aanwijzing voor de zwaarte van het betrokken gedrag en dus voor de noodzaak de sanctie te verhogen ten behoeve van een afschrikkende werking.

Het begrip recidive wordt in verschillende nationale rechtsstelsels aldus begrepen, dat een persoon nieuwe overtredingen pleegt nadat hij voor soortgelijke overtredingen is gestraft.

Het begrip recidive houdt evenwel, gelet op het ermee beoogde doel, niet noodzakelijkerwijs de vaststelling van een eerdere geldstraf in, maar slechts die van een eerdere inbreuk. De inaanmerkingneming van recidive in het kader van een bepaalde inbreuk strekt er namelijk toe, dat aan een onderneming die zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten die de recidive vormen, een hogere sanctie wordt opgelegd, omdat een eerdere vaststelling van een inbreuk onvoldoende is gebleken om herhaling van het inbreuk makende gedrag te voorkomen. Het beslissende element van recidive is dan ook niet de eerdere oplegging van een sanctie, maar de eerdere vaststelling van een inbreuk door de recidivist.

(cf. punten 347‑349, 362‑363)

25. Een verjaringstermijn moet, om aan zijn doel van bevordering van het rechtszekerheidsbeginsel te beantwoorden en om te bereiken dat de schending ervan een miskenning van dit beginsel vormt, vooraf zijn vastgesteld. Noch artikel 15 van verordening nr. 17, dat het rechtskader vormt voor de sancties die door de Commissie voor een inbreuk op de communautaire mededingingsregels kunnen worden opgelegd, noch de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, voorzien in een maximumtermijn voor de vaststelling van recidive door een onderneming.

(cf. punten 352‑353)

26. De verzachtende omstandigheden genoemd in punt 3 van de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17, respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd, zijn alle gebaseerd op het eigen gedrag van elke onderneming.

Hieruit volgt dat bij de beoordeling van verzachtende omstandigheden, waaronder de niet-toepassing van de overeenkomsten, niet de gevolgen van de inbreuk in haar geheel in aanmerking moeten worden genomen, waarmee rekening moet worden gehouden bij de evaluatie van de concrete weerslag van een inbreuk op de markt ter beoordeling van de zwaarte ervan (punt 1 A, eerste alinea, van de richtsnoeren), maar het individuele gedrag van elke onderneming, om het relatieve gewicht van de deelneming van elke onderneming aan de inbreuk te onderzoeken.

(cf. punten 383‑384)

27. Het ontbreken van maatregelen ter controle van de uitvoering van een mededingingsregeling kan als zodanig geen verzachtende omstandigheid opleveren.

(cf. punt 393)

28. De Commissie kan niet worden verplicht bij de vaststelling van de geldboete die wegens schending van de mededingingsregels dient te worden opgelegd, rekening te houden met de financiële problemen van een onderneming, hetgeen zou neerkomen op het verschaffen van een ongerechtvaardigd concurrentievoordeel aan de ondernemingen die het minst zijn aangepast aan de eisen van de markt.

(cf. punt 413)

29. Een vermindering van de geldboete wegens medewerking tijdens de administratieve procedure is slechts gerechtvaardigd, indien het gedrag van de betrokken onderneming de Commissie in staat heeft gesteld om een inbreuk met minder moeilijkheden vast te stellen en daaraan in voorkomend geval een einde te maken.

De medewerking van een onderneming bij het onderzoek geeft in dit verband geen recht op vermindering van de geldboete wanneer zij niet verder ging dan waartoe die onderneming ingevolge artikel 11, leden 4 en 5, van verordening nr. 17 verplicht was. Wanneer een onderneming daarentegen, in antwoord op een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17, ruimere inlichtingen verstrekt dan de Commissie op grond van dit artikel kan eisen, komt zij in aanmerking voor vermindering van de geldboete.

Ook het feit dat een onderneming de Commissie in het kader van haar onderzoek naar een mededingingsregeling informatie ter beschikking stelt over handelingen waarvoor zij op grond van verordening nr. 17 hoe dan ook geen geldboete had kunnen krijgen, vormt geen medewerking die binnen de werkingssfeer van de mededeling inzake medewerking in zaken betreffende mededingingsregelingen valt, laat staan een medewerking in de zin van punt D daarvan.

(cf. punten 449, 451‑452, 471)

30. De Commissie mag bij de beoordeling van de medewerking van de ondernemingen tijdens de administratieve procedure die wegens een verboden mededingingsregeling is ingeleid, niet ingaan tegen het beginsel van gelijke behandeling, een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.

Op dit punt kan de beoordeling van de mate van medewerking van de onderneming niet afhankelijk zijn van louter toevallige factoren. Een verschillende behandeling van de betrokken ondernemingen moet dus toe te schrijven zijn aan een niet-vergelijkbare mate van medewerking, voorzover die heeft bestaan in de verstrekking van verschillende inlichtingen of in de verstrekking van deze inlichtingen in verschillende fasen van de administratieve procedure of onder onvergelijkbare omstandigheden.

Wanneer de medewerking van een onderneming bovendien slechts bestaat in de bevestiging, op een minder duidelijke en expliciete wijze, van bepaalde informatie die een andere onderneming bij wijze van medewerking reeds heeft verstrekt, is de mate van medewerking van deze onderneming, hoewel die voor de Commissie in zekere zin van nut kan zijn, niet vergelijkbaar met de medewerking van de onderneming die die informatie als eerste heeft verstrekt. Een verklaring die een verklaring waarover de Commissie reeds beschikte, tot op zekere hoogte slechts bevestigt, vergemakkelijkt de taak van de Commissie namelijk niet aanzienlijk, althans niet in die mate dat een vermindering van het boetebedrag wegens medewerking zou zijn gerechtvaardigd.

(cf. punten 453‑455)

31. Een onderneming kan overeenkomstig punt D 2, tweede streepje, van de mededeling inzake medewerking in zaken betreffende mededingingsregelingen slechts een vermindering van het boetebedrag wegens niet-betwisting van de feiten krijgen, indien zij de Commissie na ontvangst van de mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk meedeelt dat zij de feiten niet betwist.

Het is echter niet voldoende dat een onderneming overeenkomstig deze mededeling algemeen verklaart dat zij de verweten feiten niet betwist, indien deze verklaring in de omstandigheden van het geval totaal geen nut heeft voor de Commissie. Een onderneming kan immers alleen in aanmerking komen voor vermindering van het boetebedrag wegens haar medewerking tijdens de administratieve procedure, indien zij zich aldus heeft gedragen dat het voor de Commissie gemakkelijker was om de inbreuk op de communautaire mededingingsregels vast te stellen en tegen te gaan.

(cf. punten 504‑505)

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

25 oktober 2005 (*)

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Geldboeten – Richtsnoeren voor berekening van bedrag van geldboeten – Mededeling inzake medewerking”

In zaak T‑38/02,

Groupe Danone, gevestigd te Parijs (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Winckler en M. Waha, advocaten,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Bouquet en W. Wils als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/569/EG van de Commissie van 5 december 2001 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak IV/37.614/F3 PO/Interbrew en Alken-Maes) (PB 2003, L 200, blz. 1) en, subsidiair, een verzoek tot vermindering van de in artikel 2 van deze beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, E. Martins Ribeiro en K. Jürimäe, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 december 2004,

het navolgende

Arrest

Het rechtskader

1 Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen [81 EG] en [82 EG] (PB 1962, 13, blz. 204) bepaalt in artikel 15, lid 2:

„Wanneer ondernemingen of ondernemersverenigingen opzettelijk of uit onachtzaamheid:

a) inbreuk maken op artikel [81], lid 1, [EG] of artikel [82 EG], of

b) zich gedragen in strijd met een verplichting opgelegd krachtens artikel 8, lid 1, [van de verordening],

kan de Commissie bij beschikking aan deze ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste één miljoen [EUR], of tot een bedrag van ten hoogste tien procent van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, indien bedoeld bedrag hoger is dan één miljoen [EUR].

Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt niet alleen rekening gehouden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk.”

2 De richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 respectievelijk artikel 65, lid 5, van het EGKS-Verdrag worden opgelegd (PB 1998, C 9, blz. 3; hierna: „richtsnoeren”) voeren een methode in voor de berekening van het bedrag van deze geldboeten „die op de vaststelling van een basisbedrag berust, waarop bij verzwarende omstandigheden verhogingen, en bij verzachtende omstandigheden verminderingen worden toegepast” (richtsnoeren, tweede alinea). Volgens deze richtsnoeren „[wordt] [d]it basisbedrag naar gelang van de zwaarte en de duur van de inbreuk bepaald, de enige criteria die in artikel 15, lid 2, van Verordening nr. 17 worden genoemd” (richtsnoeren, punt 1).

3 De Mededeling van de Commissie betreffende het niet opleggen of verminderen van geldboeten in zaken betreffende mededingingsregelingen (PB 1996, C 207, blz. 4; hierna: „mededeling inzake medewerking”) „geeft de voorwaarden aan waaronder ondernemingen die met de Commissie samenwerken wanneer deze een onderzoek naar een mededingingsregeling instelt, van geldboeten kunnen worden vrijgesteld of aanspraak kunnen maken op een vermindering van de boete die hun anders zou worden opgelegd” (punt A 3 van de mededeling).

4 Punt D van de mededeling inzake medewerking luidt als volgt:

„D. Belangrijke vermindering van de geldboete

1. Wanneer een onderneming haar medewerking verleent zonder dat aan alle in [de punten] B of C genoemde voorwaarden is voldaan, komt zij in aanmerking voor een vermindering van 10 tot 50 % van de geldboete die haar zou zijn opgelegd.

2. Dit kan met name het geval zijn indien:

– een onderneming, voordat een mededeling van de punten van bezwaar is verzonden, aan de Commissie inlichtingen dan wel schriftelijke of andere bewijsstukken verstrekt die bijdragen tot het bewijs van het bestaan van de inbreuk;

– de onderneming na ontvangst van de mededeling van de punten van bezwaar aan de Commissie mededeelt dat zij de feiten waarop de Commissie haar beschuldigingen baseert, niet fundamenteel betwist.”

Feiten van het geding

5 Ten tijde van de feiten waren Interbrew NV (hierna: „Interbrew”) en Brouwerijen Alken-Maes NV (hierna: „Alken-Maes”) nummer een, respectievelijk nummer twee op de Belgische biermarkt. Alken-Maes was een dochteronderneming van de groep Danone SA (hierna: „verzoekster”), die via een andere dochteronderneming, Brasseries Kronenbourg SA (hierna: „Kronenbourg”), ook op de Franse biermarkt opereerde. In 2000 heeft verzoekster haar activiteiten op het gebied van bier gestaakt.

6 In 1999 startte de Commissie een onderzoek naar mogelijke inbreuken op de communautaire mededingingsregels in de Belgische brouwerijsector (zaak nr. IV/37.614/F3.

7 Op 29 september 2000 heeft de Commissie in het kader van dat onderzoek een procedure ingeleid en deed zij een mededeling van punten van bezwaar toekomen aan verzoekster alsmede aan de ondernemingen Interbrew, Alken-Maes, NV Brouwerij Haacht (hierna: „Haacht”) en NV Brouwerij Martens (hierna: „Martens”). De tegen verzoekster ingeleide procedure en de aan haar toegestuurde mededeling van punten van bezwaar hadden uitsluitend betrekking op haar vermoedelijke betrokkenheid bij het zogenoemde „Interbrew/Alken-Maes”-kartel op de Belgische biermarkt.

8 Op 5 december 2001 heeft de Commissie beschikking 2003/569/EG gegeven inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak IV/37.614/F3 PO/Interbrew en Alken-Maes) (PB 2003, L 200, blz. 1), die zowel tot verzoekster was gericht als tot de ondernemingen Interbrew, Alken-Maes, Haacht en Martens (hierna: „bestreden beschikking”).

9 In de bestreden beschikking worden twee afzonderlijke inbreuken op de mededingingsregels vastgesteld, te weten een complex geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot in België verkocht bier (hierna: „Interbrew/Alken-Maes-kartel”) enerzijds, en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot private-label-bier anderzijds. In de bestreden beschikking wordt vastgesteld dat verzoekster, Interbrew en Alken-Maes aan de eerste inbreuk hebben deelgenomen, en Interbrew, Alken-Maes, Haacht en Martens aan de tweede.

10 Hoewel verzoekster ten tijde van de feiten het moederbedrijf van Alken-Maes was, wordt in de bestreden beschikking slechts één inbreuk ten aanzien van haar vastgesteld. Gelet op haar actieve rol in het Interbrew/Alken-Maes-kartel is verzoekster namelijk aansprakelijk gehouden voor zowel haar eigen deelneming als die van Alken-Maes aan dit kartel. De Commissie heeft verzoekster daarentegen niet aansprakelijk gehouden voor de deelneming van haar dochteronderneming aan de onderling afgestemde feitelijke gedraging met betrekking tot het private-label-bier, daar zij niet zelf bij dat kartel betrokken was geweest.

11 De aan verzoekster verweten inbreuk bestaat in haar deelneming, zowel rechtstreeks als via haar dochteronderneming Alken-Maes, aan een complex geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met betrekking tot een algemeen non-agressiepact, prijzen en promoties in de detailhandel, de verdeling van klanten in de sector „hotels, restaurants, cafés” (hierna: „horeca”), waaronder de zogenoemde „nationale” klanten, de beperking van de investeringen en reclame op de horecamarkt, een nieuwe tarificatiestructuur voor de horeca en de detailhandel, en uitwisseling van informatie over verkopen in de horeca‑ en detailhandel.

12 In de bestreden beschikking wordt vastgesteld dat de genoemde inbreuk heeft plaatsgevonden gedurende de periode van 28 januari 1993 tot en met 28 januari 1998.

13 Omdat zij uit een aantal elementen meende te kunnen afleiden dat de inbreuk niet meer plaatsvond, heeft de Commissie het niet noodzakelijk geacht de betrokken ondernemingen krachtens artikel 3 van verordening nr. 17 te verplichten een einde aan de inbreuk te maken.

14 De Commissie heeft het echter wel passend geacht Interbrew en verzoekster krachtens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 een geldboete op te leggen wegens hun deelneming aan het Interbrew/Alken-Maes-kartel.

15 In dit verband heeft de Commissie in de bestreden beschikking aangegeven dat alle deelnemers aan het Interbrew/Alken-Maes-kartel de inbreuk opzettelijk hadden gepleegd.

16 Voor de berekening van het bedrag van de op te leggen geldboeten heeft de Commissie in de bestreden beschikking de methode van de richtsnoeren gevolgd en zich door de mededeling inzake medewerking laten leiden.

17 Het dispositief van de bestreden beschikking luidt als volgt:

„Artikel 1

[Interbrew], [Alken-Maes] en [verzoekster] hebben inbreuk gemaakt op artikel 81, lid 1, [EG] door deel te nemen aan een complex geheel van overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen, met betrekking tot een algemeen non-agressiepact, prijzen en promoties in de detailhandel, de verdeling van klanten op de horecamarkt (zowel „klassieke” horeca als nationale klanten), de beperking van de investeringen en reclame op de horecamarkt, een nieuwe tarificatiestructuur voor de horeca en de detailhandel en uitwisseling van informatie over verkopen in de horeca‑ en detailhandel, gedurende de periode van 28 januari 1993 tot en met 28 januari 1998.

Artikel 2

Aan [Interbrew] en [verzoekster] worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:

a) aan [Interbrew]: een boete van 45,675 miljoen EUR;

b) aan [verzoekster]: een boete van 44,043 miljoen EUR.

[...]”.

Procesverloop en conclusies van partijen

18 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 februari 2002, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

19 Het Gerecht (Vijfde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten om de mondelinge behandeling te openen. Uit hoofde van artikel 64 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft het Gerecht partijen verzocht bepaalde documenten over te leggen en op schriftelijke vragen te beantwoorden. Partijen hebben binnen de gestelde termijn aan deze verzoeken voldaan.

20 Bij brief van 30 november 2004 heeft verzoekster het Gerecht verzocht, enerzijds de beschikking van de Commissie van 29 september 2004 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak COMP/C.37750/B2 – Brasseries Kronenbourg, Brasseries Heineken, kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 3597 def.) (hierna: „beschikking Kronenbourg/Heineken”) bij het dossier te voegen, en anderzijds bij wege van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering, de Commissie te verzoeken om zich vóór of tijdens de terechtzitting uit te laten over de uitkomst van haar onderzoek inzake het eventuele misbruik van een machtspositie van Interbrew op de Belgische biermarkt.

21 Bij beschikking van 3 december 2004 heeft het Gerecht de bovengenoemde brief bij het dossier gevoegd en de Commissie meegedeeld dat zij ter terechtzitting zou worden verzocht te reageren op het verzoek van verzoekster om de beschikking Kronenbourg/Heineken bij het dossier te voegen. Het verzoek om een maatregel tot organisatie van de procesgang dat ertoe strekte dat de Commissie zich zou uitlaten over de uitkomst van haar onderzoek inzake het eventuele misbruik van een machtspositie van Interbrew op de Belgische biermarkt heeft het Gerecht evenwel afgewezen.

22 Ter terechtzitting van 8 december 2004 hebben partijen pleidooi gehouden en mondelinge vragen van het Gerecht beantwoord. De Commissie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat zij geen bezwaar had tegen inwilliging van het verzoek van verzoekster om de beschikking Kronenbourg/Heineken bij het dossier te voegen, hetgeen bij beschikking van het Gerecht is geschied.

23 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– de bestreden beschikking krachtens artikel 230 EG nietig te verklaren, en, subsidiair, de in artikel 2 ervan opgelegde geldboete krachtens artikel 229 EG te verminderen;

– de Commissie in de kosten te verwijzen.

24 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep te verwerpen;

– verzoekster in de kosten te verwijzen.

In rechte

25 Tot staving van haar beroep voert verzoekster acht middelen aan. Twee middelen, die primair zijn aangevoerd, hebben betrekking op de nietigverklaring van de bestreden beschikking en zijn ontleend aan schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur (eerste middel), en aan schending van de motiveringsplicht (tweede middel). De zes andere middelen, die subsidiair zijn aangevoerd, hebben betrekking op de vermindering van het bedrag van de opgelegde geldboete. Zij betreffen respectievelijk een onjuiste beoordeling van de zwaarte van de inbreuk met het oog op de vaststelling van het basisbedrag van de geldboete in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van gelijke behandeling en het beginsel non bis in idem (derde middel), een beoordelingsfout inzake de duur van de inbreuk (vierde middel), ongegrondheid van de in aanmerking genomen verzwarende omstandigheid wegens de op Interbrew uitgeoefende druk (vijfde middel), onterechte inaanmerkingneming van recidive als verzwarende omstandigheid ten aanzien van verzoekster (zesde middel), onvoldoende inaanmerkingneming van verzachtende omstandigheden (zevende middel), en een onjuiste beoordeling van de omvang van de medewerking van verzoekster in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en met de mededeling inzake medewerking (achtste middel).

A – De conclusies tot nietigverklaring van de bestreden beschikking

1. Het middel inzake schending van de rechten van de verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur

26 Het middel bestaat uit drie onderdelen. In het eerste onderdeel stelt verzoekster dat zij de context waarin een door de Commissie gebruikt belastend document is opgesteld, niet heeft kunnen onderzoeken. In het tweede middel merkt zij op dat de Commissie haar vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van de bij de berekening van de geldboete in aanmerking genomen elementen. In het derde onderdeel voert verzoekster ten slotte aan dat het feit dat de bijeenkomsten tussen de Commissie en Interbrew niet zijn gedocumenteerd en de weigering van de Commissie om haar het antwoord van Interbrew op de mededeling van punten van bezwaar te doen toekomen niet alleen een schending van de rechten van de verdediging vormen, maar ook een schending van het beginsel van behoorlijk bestuur.

a) Het eerste onderdeel, ontleend aan het feit dat verzoekster de context waarin een door de Commissie gebruikt belastend document is opgesteld, niet heeft kunnen onderzoeken

Argumenten van partijen

27 Verzoekster stelt dat de bestreden beschikking moet worden nietigverklaard omdat zij niet in staat is gesteld de passage van een document dat de Commissie aanvankelijk had gekopieerd bij de onderneming Heineken NV (hierna: „Heineken”) in het kader van een onderzoek in een aanverwante zaak in Nederland, te becommentariëren en te betwisten (hierna: „document Heineken”). De Commissie heeft zich in punt 55 van de bestreden beschikking op dit document beroepen tot staving van haar conclusie dat verzoekster Interbrew, door met represailles op de Franse markt te dreigen, onder druk heeft gezet om de werkingssfeer van het kartel uit te breiden. De overige, ter ondersteuning van deze conclusie in aanmerking genomen elementen, genoemd in punt 54 van de bestreden beschikking, blijven beperkt tot eenzijdige verklaringen van Interbrew.

28 Verzoekster erkent dat het document Heineken in de mededeling van punten van bezwaar wordt genoemd en dat zij daarvan kennis heeft genomen toen zij toegang tot het dossier kreeg. De Commissie heeft in de bestreden beschikking evenwel slechts aangegeven, waar en in welke omstandigheden het document Heineken is verkregen, is zonder verdere formaliteiten op dit document afgegaan en heeft verzoekster niet de kans gegeven de context waarin het is opgesteld te onderzoeken.

29 Zo heeft verzoekster geen toegang gehad tot de brieven of interne nota’s die aan dit document vooraf zijn gegaan of die eruit zijn voortgevloeid, omdat deze geen deel uitmaken van het dossier. Geen van de met dit document samenhangende stukken die tijdens de verificatie in Nederland konden worden verkregen, is bij het dossier gevoegd, ondanks een daartoe strekkend verzoek van verzoekster. De eventuele commentaren van Heineken en Interbrew inzake de draagwijdte van dit document zijn evenmin bij het dossier gevoegd. Voorts bevat de door de Commissie overgelegde correspondentie tussen haarzelf en Heineken over de vertrouwelijkheid van het document Heineken geen aanvullende informatie, noch wordt daarin aangetoond dat de Commissie zelf over de noodzakelijke elementen voor de uitlegging van dit document heeft beschikt.

30 Op dit punt formuleert verzoekster twee alternatieve grieven. Ofwel deze uitleggingselementen bestonden en zijn niet bij het dossier gevoegd, zodat de verleende toegang daartoe onregelmatig is geweest en wel in strijd met de rechten van de verdediging. Ofwel deze elementen bestonden niet en behoorde de Commissie, op grond van haar plicht ook ontlastende elementen te onderzoeken, de geloofwaardigheid van de informatie in het document Heineken te verifiëren, door te trachten de context van de opstelling van dit document te achterhalen.

31 Verzoekster stelt dat haar kennis van de identiteit van de auteur en van de context van de opstelling van het document Heineken hoe dan ook tot een ander resultaat van de administratieve procedure had kunnen leiden, omdat zij alsdan eventueel had kunnen aantonen dat dit document niet echt of niet waar was. In dat geval waren de individuele verklaringen van Interbrew niet voldoende bewijs om de druk te verklaren die op haar zou zijn uitgeoefend. Er is dus sprake geweest van schending van de rechten van de verdediging volgens de rechtspraak van het Gerecht (arrest Gerecht van 15 maart 2000, Cimenteries CBR e.a./Commissie, „Cementarrest” genoemd, T‑25/95, T‑26/95, T‑30/95–T‑32/95, T‑34/95–T‑39/95, T‑42/95–T‑46/95, T‑48/95, T‑50/95–T‑65/95, T‑68/95–T‑71/95, T‑87/95, T‑88/95, T‑103/95 en T‑104/95, Jurispr. blz. II‑491, punt 247).

32 De Commissie merkt op dat verzoekster toegang heeft gehad tot het document Heineken, waarvan zij de „context” volledig heeft kunnen begrijpen, en dat zij in de administratieve procedure bovendien nooit schending van de rechten van de verdediging heeft aangevoerd. Hoe dan ook, het document Heineken is niet het enige bewijsstuk van het dreigement van verzoekster jegens Interbrew.

Beoordeling door het Gerecht

33 Volgens vaste rechtspraak heeft de toegang tot het dossier in mededingingszaken met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van de bewijselementen in het dossier van de Commissie, zodat zij op grond daarvan hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar behoorlijk kenbaar kunnen maken (zie arrest Gerecht van 30 september 2003, Atlantic Container Line e.a./Commissie, T‑191/98 en T‑212/98–T‑214/98, Jurispr. blz. II‑3275, punt 334, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). De toegang tot het dossier maakt dus deel uit van de procedurele waarborgen die de rechten van de verdediging beogen te beschermen en in het bijzonder de daadwerkelijke uitoefening beogen te waarborgen van het recht om te worden gehoord (zie arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, reeds aangehaald, punt 334, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

34 De Commissie is dus verplicht de ondernemingen waartegen een procedure krachtens artikel 81, lid 1, EG is ingeleid, toegang te verschaffen tot alle belastende en ontlastende stukken die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie (zie arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punt 335, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

35 Indien blijkt, dat de Commissie zich in de bestreden beschikking heeft gebaseerd op documenten die zich niet in het onderzoeksdossier bevonden en verzoekster niet zijn meegedeeld, moeten de betrokken documenten als bewijsmiddel worden geweigerd (zie, in die zin, arrest Hof van 25 oktober 1983, AEG/Commissie, 107/82, Jurispr. blz. 3151, punten 24‑30; arresten Cement, aangehaald in punt 31 hierboven, punt 382, en Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punt 338).

36 Aangaande de documenten die ontlastende elementen hadden kunnen bevatten wordt opgemerkt dat, wanneer deze documenten deel uitmaken van het onderzoeksdossier van de Commissie, de eventuele vaststelling van een schending van de rechten van de verdediging los staat van de manier waarop de betrokken onderneming zich tijdens de administratieve procedure heeft gedragen en van de vraag of die onderneming verplicht was, de Commissie te verzoeken haar toegang tot het dossier te verlenen dan wel haar bepaalde stukken te doen toekomen (arrest Gerecht van 29 juni 1995, Solvay/Commissie, T‑30/91, Jurispr. blz. II‑1775, punt 96, en arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punt 340).

37 Wat documenten betreft die ontlastend materiaal hadden kunnen bevatten en zich niet in het onderzoeksdossier van de Commissie bevinden, moet verzoekster de instelling echter uitdrukkelijk om toegang tot die documenten verzoeken. Indien zij dat niet doet tijdens de administratieve procedure, vervalt haar recht om op deze grond beroep tot nietigverklaring van de eindbeschikking in te stellen (arresten Cement, aangehaald in punt 31 hierboven, punt 383, en Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punt 340).

38 In het licht van deze beginselen dient de gegrondheid van de grieven van verzoekster te worden onderzocht.

39 Om te beginnen wordt opgemerkt dat niet wordt betwist dat het document Heineken oorspronkelijk in het bezit van de Commissie is gekomen bij een door haar overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening nr. 17 uitgevoerde verificatie ten kantore van Heineken in Nederland op 22 en 23 maart 2000, in verband met een andere zaak dan de onderhavige. De Commissie heeft Heineken later, namelijk op 14 april 2000, in het kader van de administratieve procedure met betrekking tot deze zaak en bij wege van een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 11 van verordening nr. 17 om een nieuwe kopie van het document verzocht, die bij het dossier is gevoegd.

40 Ook moet worden opgemerkt dat verzoekster erkent dat het document Heineken in de mededeling van punten van bezwaar wordt genoemd en dat zij daarvan kennis heeft genomen toen zij tijdens de administratieve procedure toegang tot het dossier heeft gehad. Wat dit specifieke document betreft, heeft verzoekster haar recht om te worden gehoord dus daadwerkelijk kunnen uitoefenen.

41 Verzoekster stelt evenwel dat zij geen toegang heeft gehad tot eventuele brieven of interne nota’s die wellicht voorafgegaan zijn aan of gevolgd zijn op de opstelling van het document Heineken en die ontlastende elementen konden bevatten.

42 De grief van verzoekster dat de Commissie haar dergelijke brieven of interne nota’s niet heeft doen toekomen, kan evenwel niet worden aanvaard. Volgens de rechtspraak kan verzoekster immers uitsluitend schending van de rechten van de verdediging aanvoeren, indien zij de Commissie tijdens de administratieve procedure uitdrukkelijk om toegang tot de betrokken documenten heeft verzocht (zie boven, punt 37).

43 Verzoekster heeft een dergelijk verzoek evenwel geenszins ingediend. In haar antwoord op de mededeling van punten van bezwaar heeft verzoekster enerzijds aangaande het document Heineken slechts verklaard dat „de bewijskracht van dit document twijfelachtig lijkt [en dat] [g]een element in de [mededeling van punten van bezwaar] of in het document [haar] in staat stelt de auteur ervan te achterhalen of de context ervan na te gaan”. Deze uitlating kan niet als een uitdrukkelijk verzoek om toegang tot de brieven of interne nota’s in kwestie worden aangemerkt. Naar aanleiding van een vraag van het Gerecht op dit punt tijdens de terechtzitting heeft verzoekster overigens gesteld dat haar verzoek om toegang tot het dossier tijdens de administratieve procedure van algemene aard was. Anderzijds heeft verzoekster in haar brieven van 24 en 28 januari 2002 slechts in zeer algemene bewoordingen en zonder een uitdrukkelijke verwijzing naar de betrokken documenten een tweede verzoek om toegang tot het dossier geformuleerd, dat hoe dan ook na de beëindiging van de administratieve procedure is ingediend.

44 Aangaande de grief van verzoekster dat, voor het geval de Commissie geen enkele brief of interne nota bezat die voorafgegaan was aan of gevolgd was op de opstelling van het document Heineken, zij haar plicht tot onpartijdigheid heeft geschonden door de juistheid van de inhoud van dit document niet te verifiëren, kan worden volstaan met de opmerking dat deze grief geen betrekking heeft op de problematiek van de rechten van de verdediging. Verzoekster verzoekt namelijk vast te stellen of de Commissie datgene wat zij wilde bewijzen via met name het document Heineken, voldoende heeft aangetoond, en of, voorzover dit document noodzakelijk was voor de bewijsvoering, de juistheid van het daarin vermelde voldoende vaststaat. Verzoekster trekt derhalve de bewijskracht van het document Heineken in twijfel, een kwestie die irrelevant is voor het onderzoek van dit middel, dat is ontleend aan schending van de rechten van de verdediging (zie, in die zin, arrest Gerecht van 29 juni 1995, ICI/Commissie, T‑37/91, Jurispr. blz. II‑1901, punt 72) en dat hierna in de punten 260, 261, 271 tot en met 273 en 284 tot en met 290 zal worden geanalyseerd.

45 Het eerste onderdeel van dit middel moet dus worden afgewezen.

b) Het tweede onderdeel, ontleend aan het feit dat de Commissie verzoekster vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van de bij de berekening van de geldboete in aanmerking genomen elementen

Argumenten van partijen

46 Verzoekster voert schending van de rechten van de verdediging aan op grond van het feit dat de Commissie haar nooit in de gelegenheid heeft gesteld kennis te nemen van of commentaar te leveren op de elementen die zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wilde gebruiken. In de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie slechts globaal de in de richtsnoeren aanbevolen methode samengevat. Uit niets in deze mededeling viel af te leiden dat verzoekster een dermate ongunstige behandeling zou krijgen en als gevolg daarvan ongelijk ten opzichte van Interbrew zou worden behandeld.

47 In het bijzonder duidde niets in de mededeling van punten van bezwaar erop dat de Commissie van plan was recidive ten aanzien van haar aan te voeren, terwijl deze verzwarende omstandigheid slechts zelden in haar beschikkingspraktijk wordt gebruikt. Zo heeft de Commissie in de loop van 2001 recidiverende ondernemingen meermaals veroordeeld, zonder deze verzwarende omstandigheid evenwel bij de vaststelling van de geldboete jegens hen aan te voeren. Dit geldt voor de onderneming F. Hoffmann-La Roche AG (hierna: „Hoffmann-La Roche”) in beschikking 2003/2/EG van de Commissie van 21 november 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/E-1/37.512 – Vitaminen) (PB 2003, L 6, blz. 1; hierna: „beschikking Vitaminen”) en beschikking 2002/742/EG van de Commissie van 5 december 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/E‑1/36.604 – Citroenzuur) (PB 2002, L 239, blz. 18; hierna: „beschikking Citroenzuur”), evenals voor de onderneming Stora Kopparbergs Bergslags AB (hierna: „Stora”), hoewel zij onder een andere naam adressaat van de beschikking was, in de zaak die heeft geleid tot beschikking 2004/337/EG van de Commissie van 20 december 2001 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/E-1/36/212 – Zelfkopiërend papier (PB 2004, L 115, blz. 1; hierna: „beschikking Zelfkopiërend papier”) en ook voor de onderneming Volkswagen AG (hierna: „Volkswagen”) in beschikking 2001/711/EG van de Commissie van 29 juni 2001 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (Zaak COMP/F-2/36.693 – Volkswagen) (PB L 262, blz. 14; hierna: „beschikking Volkswagen II”). Dit verschil in behandeling is niet gerechtvaardigd.

48 Dat dit niet is vermeld, is des te nadeliger, omdat in de zaak die heeft geleid tot beschikking 2002/405/EG van de Commissie van 20 juni 2001 betreffende een procedure uit hoofde van artikel 82 van het EG-Verdrag (COMP/E-2/36.041/PO – Michelin) (PB 2002, L 143, blz. 1; hierna: „beschikking Michelin II”), waarin de Commissie eveneens recidive als verzwarende omstandigheid in aanmerking heeft genomen, de onderneming in kwestie in staat is gesteld haar argumenten op dit punt vóór de vaststelling van de beschikking naar voren te brengen.

49 De Commissie stelt dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete over een beoordelingsmarge beschikt en dat zij in de mededeling van punten van bezwaar alle elementen heeft genoemd die zij daartoe in aanmerking wilde nemen, waaronder die welke vereist zijn op grond van het motiveringsvereiste. Voorts hoeft zij geen mededeling te doen van haar intentie om recidive als verzwarende omstandigheid in aanmerking te nemen. Hoe dan ook, verzoekster kon niet onkundig zijn van het feit dat de richtsnoeren recidive uitdrukkelijk als verzwarende omstandigheid noemen, noch van het feit dat ten aanzien van haar reeds twee keer een inbreuk was vastgesteld.

Beoordeling door het Gerecht

50 Volgens vaste rechtspraak voldoet de Commissie, wanneer zij in haar mededeling van punten van bezwaar uitdrukkelijk verklaart dat zij zal onderzoeken of aan de betrokken ondernemingen geldboeten dienen te worden opgelegd en zij ook de voornaamste gegevens, feitelijk en rechtens, vermeldt op grond waarvan een boete kan worden opgelegd, zoals de zwaarte en de duur van de veronderstelde inbreuk en de omstandigheid dat deze opzettelijk of uit onachtzaamheid is begaan, aan haar verplichting tot eerbiediging van het recht van de ondernemingen om te worden gehoord. De Commissie verstrekt deze ondernemingen daardoor de nodige gegevens om zich niet alleen tegen de vaststelling van een inbreuk, maar ook tegen de oplegging van geldboeten te verdedigen (arrest Hof van 7 juni 1983, Musique diffusion française e.a./Commissie, 100/80–103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 21, en arrest Gerecht van 20 maart 2002, ABB Asea Brown Boveri/Commissie, T‑31/99, Jurispr. blz. II‑1881, punt 78).

51 Wat de vaststelling van het bedrag van de geldboeten betreft, worden de rechten van de verdediging van de betrokken ondernemingen jegens de Commissie gewaarborgd doordat zij in staat worden gesteld hun standpunt kenbaar te maken omtrent de duur, de zwaarte en de voorzienbaarheid van het mededingingsverstorende karakter van de inbreuk. Bovendien hebben de ondernemingen, wat de vaststelling van dit bedrag betreft, een extra waarborg, voorzover het Gerecht krachtens artikel 17 van verordening nr. 17 volledige rechtsmacht heeft en in het bijzonder de geldboete kan intrekken of verlagen (arrest Gerecht van 6 oktober 1994, Tetra Pak/Commissie, T‑83/91, Jurispr. blz. II‑755, punt 235, en, in die zin, arrest ABB Asea Brown Boveri/Commissie, aangehaald in punt 50 hierboven, punt 79).

52 In casu moet om te beginnen worden vastgesteld dat de Commissie in punt 213 van de mededeling van punten van bezwaar, gelet op de gelaakte feiten, haar voornemen heeft meegedeeld om de ondernemingen waaraan deze mededeling is gericht, waaronder verzoekster, geldboeten op te leggen. In punt 214 van de mededeling van punten van bezwaar heeft de Commissie daaraan toegevoegd dat zij bij de vaststelling van het bedrag van de op te leggen geldboeten rekening diende te houden met alle relevante omstandigheden en in het bijzonder met de zwaarte en de duur van de inbreuk. In punt 216 van deze mededeling heeft de Commissie voorts aangegeven dat zij, wat de in de mededeling van punten van bezwaar genoemde feiten betreft, met name rekening zou houden met het feit dat de genoemde kartels een opzettelijke inbreuk op artikel 81, lid 1, EG vormden.

53 De Commissie heeft, eveneens in punt 216, aangegeven dat de overeenkomsten inzake marktverdeling en vaststelling van de prijzen, zoals in de mededeling van punten van bezwaar beschreven, naar hun aard het zwaarste type inbreuk op artikel 81, lid 1, EG vormden. In punt 215 van de mededeling van punten van bezwaar heeft zij gepreciseerd dat zij bij de vaststelling van de zwaarte van de inbreuk rekening zou houden met de eigen aard van de inbreuk, de concrete weerslag ervan op de markt, wanneer die meetbaar is, en met de omvang van de betrokken geografische markt. In punt 216 van deze mededeling heeft zij voorts aangegeven dat zij de rol van elke onderneming die aan de inbreuk heeft deelgenomen zou vaststellen, door onder meer rekening te houden met de door elk van hen in de bedoelde geheime overeenkomsten gespeelde rol en met de duur van elke deelneming aan de inbreuk.

54 Tevens heeft de Commissie in punt 217 van de mededeling van punten van bezwaar aangegeven dat in het bedrag van de geldboete dat aan elke onderneming zou worden opgelegd, de eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden tot uiting zouden komen en dat zij, wanneer daartoe aanleiding was, de mededeling inzake medewerking zou toepassen. In punt 218 heeft de Commissie ten slotte vermeld dat zij van plan was het bedrag van de geldboeten op een zodanig niveau vast te stellen dat daarvan een voldoende afschrikkende werking zou uitgaan.

55 Uit het bovenstaande volgt dat de Commissie overeenkomstig de bovengenoemde rechtspraak in haar mededeling van punten van bezwaar (punten 213 tot en met 218) uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij van plan was om de betrokken ondernemingen geldboeten op te leggen, en de feitelijke en juridische elementen heeft genoemd die zij mee zou wegen bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoekster op te leggen geldboete, zodat verzoeksters recht om te worden gehoord op dit punt is geëerbiedigd.

56 In de tweede plaats moet aangaande meer in het bijzonder de jegens verzoekster in aanmerking genomen recidive als verzwarende omstandigheid worden opgemerkt, dat de richtsnoeren recidive door dezelfde onderneming voor eenzelfde type inbreuk als verzwarende omstandigheid noemen en dat de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar heeft aangegeven dat zij de individuele rol van elke onderneming in de bedoelde geheime afspraken zou meewegen en in het bedrag van de geldboete de eventuele verzwarende of verzachtende omstandigheden tot uiting zou doen komen. Verzoekster kon dus niet onkundig zijn van het feit dat de Commissie deze verzwarende omstandigheid in aanmerking zou nemen, indien zij tot de conclusie kwam dat de voorwaarden voor de toepassing ervan waren vervuld.

57 In de derde plaats moet aangaande meer in het bijzonder het argument van verzoekster dat zij discriminerend behandeld is ten opzichte van andere recidiverende ondernemingen waarbij deze verzwarende omstandigheid niet is meegewogen, worden onderstreept dat uit het enkele feit dat de Commissie in haar vroegere beschikkingspraktijk bepaalde factoren bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete niet als een verzwarende omstandigheid heeft beschouwd, niet kan worden afgeleid dat zij verplicht is, zulks in een latere beschikking eveneens te doen (zie met name, naar analogie, arresten Gerecht van 17 december 1991, Hercules Chemicals/Commissie, T‑7/89, Jurispr. blz. II‑1711, punt 357; 14 mei 1998, Mayr-Melnhof/Commissie, T‑347/94, Jurispr. blz. II‑1751, punt 368, en 20 maart 2002, LR AF 1998/Commissie, T‑23/99, Jurispr. blz. II‑1705, punten 234 en 337). Anderzijds, zoals volgt uit de overwegingen in punt 56 boven, betekent het feit dat een onderneming in een andere zaak in de gelegenheid is geweest zich uit te laten over het voornemen om haar handelswijze als recidive aan te merken, geenszins dat de Commissie verplicht is dit in alle gevallen te doen, noch dat verzoekster, wanneer zij die mogelijkheid niet heeft, haar recht om te worden gehoord niet volledig kan uitoefenen.

58 In deze omstandigheden moet het tweede onderdeel van het middel worden afgewezen.

c) Het derde onderdeel, ontleend aan het feit dat de bijeenkomsten tussen de Commissie en Interbrew niet zijn gedocumenteerd en aan de weigering van de Commissie om verzoekster het antwoord van Interbrew op de mededeling van punten van bezwaar te doen toekomen

Argumenten van partijen

59 Verzoekster stelt dat noch de mededeling van punten van bezwaar, noch de bestreden beschikking nauwkeurige elementen bevat waaruit zij de inhoud en de draagwijdte kan afleiden van de in punt 34 van de bestreden beschikking genoemde bijeenkomsten van ambtenaren van de Commissie met vertegenwoordigers van Interbrew. Ook zijn er geen notulen van deze bijeenkomsten, waarvan verzoekster in casu vóór de vaststelling van de bestreden beschikking niet in kennis was gesteld, bij het dossier van de Commissie gevoegd. Voorts heeft de Commissie, door bij brief van 7 februari 2002 inzage in het antwoord van Interbrew op de mededeling van punten van bezwaar te weigeren, haar rechten van de verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.

60 Om te beginnen is verzoekster van mening dat zij de eventuele verklaringen van Interbrew tijdens de bovengenoemde bijeenkomsten, die wellicht in grote mate van invloed zijn geweest op de beoordeling door de Commissie van de betrokken feiten en van de samenwerking van de ondernemingen bij wie het onderzoek is ingesteld, niet heeft kunnen verifiëren en eventueel betwisten.

61 Op dit punt wijst verzoekster in het bijzonder op het contrast tussen de in het algemeen soepele opstelling van de Commissie jegens Interbrew en de harde opstelling jegens haarzelf. Het feit dat tijdens de procedure de machtspositie van Interbrew niet is genoemd, die toch de aanleiding voor de verificaties vormde, zou kunnen worden verklaard in het licht van hetgeen tijdens die informele bijeenkomsten is besproken. Voorts wordt het in de bestreden beschikking genoemde telefonisch contact tussen L. B. (Alken-Maes) en A. B. (Interbrew) op 9 december 1996 niet door het dossier gestaafd. Dit geldt ook voor de gerapporteerde inhoud van een interne bespreking bij Interbrew op 5 mei 1994, waarbij de Chief Executive Officer (hierna: „CEO”) van Interbrew (M.), d.w.z. haar hoogste bestuurder, een scenario heeft ontvouwd waar verzoekster om zou hebben verzocht en volgens hetwelk Interbrew 500 000 hl bier moest overdragen aan Alken-Maes.

62 In de tweede plaats stelt verzoekster dat zij geen inzage heeft gehad in het antwoord van Interbrew op de mededeling van punten van bezwaar, daar de Commissie dit heeft geweigerd. Verzoekster heeft de Commissie namelijk bij brieven van 24 en 28 januari 2002 uitdrukkelijk opnieuw om toegang tot het dossier verzocht en met name om inzage in het antwoord van Interbrew op de mededeling van punten van bezwaar, hetgeen de Commissie bij brief van 7 februari 2002 heeft geweigerd.

63 De Commissie stelt dat verzoekster op de hoogte was van het bestaan van de informele bijeenkomsten en dat zij tijdens de administratieve procedure nooit om toegang tot de eventuele verslagen van deze bijeenkomsten heeft gevraagd; overigens waren die verslagen er niet en zouden zij hoe dan ook niet van nut zijn geweest. Alle feitelijke elementen in de bestreden beschikking zijn gebaseerd op de documenten van het dossier; dat zij daartoe toegang heeft gehad is nooit door verzoekster betwist. Wat het verzoek om toegang tot de documenten betreft dat krachtens verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43) is gedaan, dit verzoek is ingetrokken.

Beoordeling door het Gerecht

64 Wat in de eerste plaats de informele bijeenkomsten met de partijen betreft, moet worden opgemerkt dat verzoekster en de Commissie in hun memories niet betwisten dat van deze bijeenkomsten geen verslagen zijn gemaakt. Dit onderdeel van het eerste middel inzake deze bijeenkomsten komt er daarom op neer, dat de eerbiediging door de Commissie van het recht op toegang tot het dossier in mededingingszaken haar ertoe verplicht, dergelijke verslagen op te stellen en de partijen daartoe toegang te verlenen.

65 Volgens de in de punten 33 en 34 hierboven aangehaalde rechtspraak heeft de toegang tot het dossier in mededingingszaken met name tot doel, de adressaten van een mededeling van punten van bezwaar in staat te stellen kennis te nemen van de bewijselementen in het dossier van de Commissie, zodat zij het recht om te worden gehoord naar behoren kunnen uitoefenen. De Commissie is dus verplicht de betrokken ondernemingen toegang te verschaffen tot alle belastende en ontlastende stukken die zij in de loop van het onderzoek heeft verzameld, met uitzondering van de documenten die zakengeheimen van andere ondernemingen bevatten, de interne documenten van de Commissie en andere vertrouwelijke informatie.

66 Volgens de rechtspraak bestaat er in het kader van de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag daarentegen geen algemene verplichting voor de Commissie om tijdens de bijeenkomsten met de andere partijen verslagen te maken van de met hen gevoerde besprekingen (zie, in die zin, arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punt 351).

67 Dat die verplichting niet bestaat, ontslaat de Commissie evenwel niet van de op haar rustende verplichtingen aangaande de toegang tot het dossier. Het is namelijk niet aanvaardbaar dat de praktijk om mondeling betrekkingen met derden te onderhouden de rechten van de verdediging aantast. Dus moet de Commissie, wanneer zij in haar beschikking een belastend element wil gebruiken dat door een andere partij mondeling kenbaar is gemaakt, dit toegankelijk maken voor de betrokken onderneming, opdat deze zich naar behoren kan uitlaten over de conclusies van de Commissie op basis van dit element. Eventueel moet zij daartoe een voor het dossier bestemd schriftelijk document opstellen (zie, in die zin, arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, punt 33 boven, punt 352).

68 In casu moet worden geconstateerd dat de argumentatie van verzoekster, afgezien van twee concrete beweringen, bestaat in de algemene stelling dat de informele bijeenkomsten wellicht een aanzienlijke invloed hebben gehad op de beoordeling van de feiten en van de samenwerking van de ondernemingen bij wie het onderzoek is ingesteld, dat de soepele opstelling van de Commissie gedurende de procedure jegens Interbrew contrasteert met de harde opstelling in de bestreden beschikking jegens haar, en ten slotte dat de tijdens de informele bijeenkomsten verstrekte informatie weliswaar nuttig was voor Interbrew, maar niet zonder gevolgen kon zijn voor haar positie.

69 Deze algemene argumentatie, die niet preciseert in hoeverre de door de Commissie in de bestreden beschikking in aanmerking genomen belastende elementen gebaseerd zijn op gegevens die tijdens de informele bijeenkomsten zijn verstrekt, levert geen schending van de rechten van de verdediging op, die moet worden onderzocht aan de hand van de specifieke omstandigheden van elk afzonderlijk geval (zie, in die zin, arrest Solvay/Commissie, aangehaald in punt 36 hierboven, punt 60). Zoals in punt 33 hierboven is uiteengezet, heeft het recht op toegang tot het dossier in mededingingszaken immers uitsluitend tot doel de betrokken ondernemingen in staat te stellen hun standpunt over de conclusies van de Commissie in de mededeling van punten van bezwaar behoorlijk kenbaar te maken. Nu verzoekster, afgezien van de hierna te onderzoeken concrete beweringen, geen enkel in de mededeling van punten van bezwaar en vervolgens in de bestreden beschikking geformuleerd punt van bezwaar heeft genoemd dat gebaseerd zou zijn op de mondelinge gegevens die zijn verstrekt in de informele bijeenkomsten, waartoe zij geen toegang zou hebben gehad, kan zij de Commissie geen schending van de rechten van de verdediging op dit punt verwijten (zie, in die zin, arrest Atlantic Container Line e.a./Commissie, aangehaald in punt 33 hierboven, punten 353 en 354).

70 Wat betreft de bovengenoemde twee concrete beweringen, dat de verwijzingen naar een telefoongesprek op 9 december 1996 en naar de inhoud van een interne bespreking van 5 mei 1994 in de bestreden beschikking enkel kunnen zijn gebaseerd op de inhoud van de informele bijeenkomsten, moet worden nagegaan of de betrokken feiten op specifieke gegevens in het dossier berusten.

71 Wat ten eerste het telefonisch contact op 9 december 1996 betreft, dat in punt 91 van de bestreden beschikking wordt genoemd, moet worden vastgesteld dat punt 93 van de mededeling van punten van bezwaar vermeldt dat „na een bijeenkomst die op 19 september is gehouden, L. B. (Alken-Maes) op 9 december 1996 telefonisch contact heeft [gehad] met A. B. (Interbrew)”. Bij deze zin hoort voetnoot 116, luidende: „Brief van Alken-Maes van 7 maart 2000 en bijlagen 42 en 44 daarbij ([bladzijden] 7884, 8513, en 8528‑8530 [van het dossier van de Commissie]), met verwijzingen naar de volgende documenten. Verificatie bij Alken-Maes, document AvW19 ([bladzijden] 150‑153 [van het dossier van de Commissie]) en MV17 ([bladzijden 532‑541 [van het dossier van de Commissie])”. Dezelfde verwijzingen staan in de bestreden beschikking, in voetnoot 124, die bij punt 91 hoort.

72 Op een schriftelijke vraag van het Gerecht om nadere precisering van de elementen die de Commissie hebben doen concluderen dat op 9 december 1996 telefonisch contact over de tarieven van Interbrew heeft plaatsgevonden tussen L. B. (Alken-Maes) en A. B. (Interbrew), heeft de Commissie geantwoord dat zij dit heeft geconcludeerd op basis van bladzijde 8513 van haar dossier, dat wil zeggen de laatste bladzijde van bijlage 42 bij de brief van Alken-Maes aan de Commissie van 7 maart 2000.

73 Uit de analyse van dit document, dat bestaat uit handgeschreven notities van L. B. (Alken-Maes), blijkt dat dit document, hoewel daarin een op 9 december 1996 gehouden telefoongesprek niet wordt vermeld, enkele aantekeningen bevat die zichtbaar na de oorspronkelijke redactie zijn aangebracht en die klaarblijkelijk een antwoord zijn op de oorspronkelijk geformuleerde vragen over de tariefvoorwaarden van Interbrew. In drie van deze aantekeningen staat de datum „(9/12/96)” en in twee ervan de afkorting „IB” (Interbrew), terwijl in een ervan tevens de initialen van A. B. (Interbrew) voorkomen.

74 Om te beginnen moet dus worden geconcludeerd dat de vermelding van het bestaan van een contact, op 9 december 1996, tussen Interbrew en Alken-Maes over de tariefvoorwaarden van Alken-Maes wel degelijk voorkomt in de mededeling van punten van bezwaar, en dat het bestaan van het contact waarnaar de Commissie verwijst, wordt bevestigd door een document dat als onderdeel van het dossier toegankelijk was voor verzoekster, omdat haar vroegere dochteronderneming Alken-Maes het zelf aan de Commissie heeft verstrekt. Of het al dan niet om een telefonisch contact ging, is irrelevant vanuit het oogpunt van de uitoefening van het recht om te worden gehoord, omdat verzoekster, hoewel de stelling van de Commissie op dit punt helaas niet wordt gestaafd, haar recht om te worden gehoord moest kunnen uitoefenen met betrekking tot het bestaan van een contact en eventueel de inhoud daarvan, en niet met betrekking tot het feit of dit contact al dan niet telefonisch was, omdat dit punt niet relevant is voor de vaststelling van de al dan niet inbreukmakende aard ervan.

75 Aangaande vervolgens de stelling in punt 53 van de bestreden beschikking, namelijk dat de CEO van Interbrew tijdens een interne bijeenkomst op 5 mei 1994 een „scenario” ontvouwde „zoals verzocht door Danone/Kronenbourg”, dat inhield dat Interbrew 500 000 hl moest overdragen aan Alken-Maes (met name in de detailhandel), moet worden geconstateerd dat in punt 55 van de mededeling van punten van bezwaar staat dat „[t]ijdens een interne discussie bij Interbrew [M.] het volgende scenario ontvouwt, zoals verzocht door Danone/Kronenbourg. Interbrew moest 500 000 hl overdragen aan Alken-Maes (met name in de detailhandel)”, en indien „Interbrew niet op dat verzoek zou ingaan, Interbrew Frankrijk zou worden vernietigd met medewerking van Heineken, en Interbrew in België zou worden aangevallen met zeer lage prijzen”. In het daaropvolgende punt 56 staat dat „[h]et door Kronenbourg voorgestelde scenario in een interne bijeenkomst van Interbrew op 5 mei 1994 is onderzocht”. De bij punt 55 van de mededeling van punten van bezwaar behorende voetnoten 35 en 36 verwijzen naar een brief van Interbrew van 28 februari 2000 en naar bijlage 18 daarbij (bladzijde 7683 van het dossier van de Commissie). Dezelfde verwijzingen zijn te vinden in punt 53 van de bestreden beschikking.

76 In dit verband moet worden opgemerkt dat bijlage 18 bij de brief van Interbrew van 28 februari 2000, die bestaat in een verklaring van C. van Interbrew, op bladzijde 2 van deze verklaring de volgende zinnen bevat:

„[M. M.] a évoqué avec nous, au cours d’une réunion interne (le 5 mai 1994), le scénario qui était une demande de Kronenbourg. En substance, KRO exerçait du chantage pour que ITW transfère 500 000 [hectolitres] vers AM (surtout dans le ‚Food’). Sinon, ils détruiraient ITW-France avec la complicité de Heineken et ils attaqueraient ITW-Belgique avec des prix très bas.”

77 Geconstateerd moet dus worden dat de verklaring in punt 53 van de bestreden beschikking en de punten 55 en 56 van de mededeling van punten van bezwaar in wezen de inhoud van schriftelijk door Interbrew verstrekte informatie weergeven, die zich in het dossier bevindt en derhalve toegankelijk was voor verzoekster. Verzoekster kan dus niet aanvoeren dat zij met betrekking tot de verklaring in punt 53 van de bestreden beschikking haar recht om te worden gehoord niet daadwerkelijk heeft kunnen uitoefenen.

78 Uit het voorgaande volgt enerzijds dat de verklaringen die in de informele bijeenkomsten met Interbrew zouden zijn gedaan, in de mededeling van de punten van bezwaar waren opgenomen en anderzijds dat zij hoe dan ook waren gebaseerd, voorzover zij noodzakelijk waren voor de vaststelling van het bewijs van een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG, op documenten waartoe verzoekster toegang heeft gehad. Geconcludeerd moet dus worden dat verzoekster zich naar behoren over deze verklaringen heeft kunnen uitlaten en dat haar recht om te worden gehoord is geëerbiedigd.

79 Wat ten tweede het argument betreft dat verzoekster, in strijd met de rechten van de verdediging, geen toegang heeft gehad tot documenten die zijn toegevoegd aan het dossier, nadat zij daartoe op 5 oktober 2002 toegang had gehad, waaronder met name het antwoord van Interbrew op de mededeling van de punten van bezwaar, dat ontlastend materiaal had kunnen bevatten, volstaat de opmerking dat het verzoek om toegang tot de aanvullende stukken van het dossier bij brieven van 24 en 28 januari 2002 is ingediend, na de beëindiging van de administratieve procedure. Indien een dergelijk verzoek niet tijdens de administratieve procedure wordt ingediend, vervalt het recht van een verzoekende partij om naderhand op dit punt een beroep tot nietigverklaring in te stellen (zie, in die zin, Cementarrest, aangehaald in punt 31 hierboven, punt 383). Dit argument moet dus worden afgewezen.

80 Aangaande het verzoek om toegang van 4 maart 2002 uit hoofde van verordening nr. 1049/2001 volstaat de vaststelling dat artikel 7, lid 2, daarvan bepaalt: „In geval van volledige of gedeeltelijke afwijzing kan de verzoeker binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het antwoord van de instelling een confirmatief verzoek indienen, welk verzoek ertoe strekt de instelling haar standpunt te doen herzien.” Naar aanleiding van de weigering van de Commissie op 26 maart 2002 om het verzoek tot toegang van verzoekster in te willigen, heeft verzoekster geen confirmatief verzoek binnen de gestelde termijn ingediend, zoals zij ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht heeft bevestigd, zodat moet worden geconstateerd dat haar verzoek van 4 maart 2002 is ingetrokken.

81 Daaruit volgt dat het derde onderdeel van het middel en daarmee dus het middel in zijn totaliteit moet worden afgewezen.

2. Het middel ontleend aan schending van de motiveringsplicht

a) Argumenten van partijen

82 Verzoekster stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, omdat daarin enerzijds de relevante markten niet zijn gedefinieerd, terwijl dat een noodzakelijke voorwaarde is voor de beoordeling van concurrentieverstorende gedragingen, en anderzijds, wat de berekening van het bedrag van de geldboete betreft, slechts naar de richtsnoeren wordt verwezen, zonder vermelding van de precieze draagwijdte van de criteria die zijn gehanteerd bij de vaststelling van het bedrag van de haar opgelegde geldboete.

83 Zo is de bestreden beschikking in de eerste plaats onvoldoende gemotiveerd omdat zij, in strijd met de door de rechtspraak van het Gerecht gestelde eis (arrest Gerecht van 10 maart 1992, SIV e.a./Commissie, „Vlakglas” genaamd, T‑68/89, T‑77/89, en T‑78/89, Jurispr. blz. II‑1403, punt 159) niet gebaseerd is op een adequate definitie van de betrokken relevante markt, maar enkel op de vaststelling van het bestaan van een „Belgische biermarkt”. De Commissie heeft de exacte geografische omvang van de betrokken markt(en) en de eventuele vervangbaarheid van diverse brouwerijproducten ten onrechte slechts summier onderzocht. Met de vervanging van de woorden „biersector in België” door „Belgische biermarkt” in haar verweerschrift komt de Commissie niet tegemoet aan het bezwaar van verzoekster dat in casu de definitie van de markt in wezen neerkwam op de definitie van de inbreuk. De definitie van de genoemde geografische markten, namelijk de Belgische en Franse markten, is in de bestreden beschikking onvoldoende gedocumenteerd.

84 Voorts heeft de Commissie feitelijke elementen in aanmerking genomen die betrekking hebben op de Franse markt, zonder dat een nader onderzoek van de draagwijdte daarvan voor een van de specifieke kenmerken van deze markt nodig werd geacht. In het bijzonder baseert de Commissie zich op het argument dat verzoekster Interbrew met represailles op de Franse markt zou hebben gedreigd, terwijl het bestaan van een dergelijke mededingingsbeperkende gedraging pas na de vaststelling van een bepaalde macht op de markt op een correct gedefinieerde markt kan worden aangetoond.

85 In casu strekten bepaalde feiten die zijn gebruikt ter onderbouwing van de vaststelling van de inbreuk waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, waaronder de bijeenkomst van 11 mei 1994, het telefonisch contact van 6 juli 1994 en de bijeenkomst van 17 april 1997, zich volgens de Commissie verder uit dan België. Ook zijn de interactie tussen Frankrijk en België en het feit dat in beide landen dezelfde gedragingen hebben plaatsgevonden volgens de Commissie belangrijke elementen van de inbreuk, met name wat het gestelde dreigement betreft.

86 In dit opzicht wijkt de Commissie met haar keuze om gedragingen die op elkaar lijken in een verschillend kader te behandelen, af van haar traditionele praktijk, die erin bestaat dat zij in één enkele beschikking verschillende inbreukmakende gedragingen vaststelt wanneer daartussen een relatie bestaat, omdat de partijen bij het kartel identiek zijn, de mechanismen van het kartel in verschillende landen overeenkomen of er een wisselwerking is tussen verschillende grondgebieden of producten [zie bijvoorbeeld beschikking 96/478/EG van de Commissie van 10 januari 1996 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EG-Verdrag (IV/34.279/F3-ADALAT) (PB L 201, blz. 1; hierna: „beschikking ADALAT”) en de beschikkingen Vitaminen en Zelfkopiërend papier].

87 De keuze voor meer dan één beschikking heeft tot rechtsonzekerheid voor verzoekster geleid en heeft tot gevolg dat de Commissie het totale bedrag van de geldboeten die zijn opgelegd voor een bepaald aantal feiten, kunstmatig kan verhogen op grond van de herhaalde toepassing van de basisbedragen en de eventuele vermenigvuldigingscoëfficiënten, zonder dat de betrokken ondernemingen de kans hebben gehad inzicht te krijgen in de vraag waarin de gedragingen verschilden en waarom zij afzonderlijke inbreuken vormden.

88 In de tweede plaats is de bestreden beschikking ook onvoldoende gemotiveerd wat de vaststelling van het bedrag van de geldboete betreft. Door in punt 294 van de bestreden beschikking slechts te verwijzen naar de in de richtsnoeren gevolgde methode, terwijl deze „zowel ten aanzien van het bedrijfsleven als van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de doorzichtigheid en de objectiviteit van de beslissingen van de Commissie moeten kunnen waarborgen”, heeft de Commissie niet voldaan aan de op haar rustende motiveringsplicht en heeft zij het rechtszekerheidsbeginsel geschonden.

89 Omdat de motivering van het bedrag van de geldboete is gebaseerd op een methode die bestaat in het hanteren van een basisbedrag waarop correcties worden toegepast, is het essentieel dat de Commissie op voldoende gedetailleerde wijze de draagwijdte aangeeft van de criteria ter berekening van het boetebedrag om het doel van de motiveringsplicht te verwezenlijken, namelijk verzoekster in staat stellen de samenhang en de wettigheid van de vaststelling van het boetebedrag te beoordelen om haar rechten te kunnen verdedigen, het Gerecht en het Hof in staat stellen hun toezicht uit te oefenen, en elke belanghebbende in staat stellen de voorwaarden voor de toepassing door de Commissie van het EG-Verdrag te kennen.

90 In casu bevat de bestreden beschikking, ondanks het feit dat de Commissie niet verplicht is een rekenkundige formule te hanteren, noch details over de berekening van de opgelegde geldboete, noch de exacte draagwijdte van elk van de genoemde criteria voor de bepaling van het bedrag daarvan. Zo worden, in tegenstelling tot wat is gebeurd in andere beschikkingen op het gebied van kartels, zoals de beschikkingen Vitaminen en Zelfkopiërend papier, de willekeurige keuze van een forfaitair bedrag van 25 miljoen EUR en de draagwijdte van het feit dat van de geldboete een afschrikkende werking moet uitgaan, zoals vermeld in punt 305 van de bestreden beschikking, niet gerechtvaardigd door gekwantificeerde criteria. Ook werkt het ontbreken van een adequate definitie van de relevante markt door in de ontoereikende motivering van de vaststelling van het bedrag van de geldboete, omdat de keuze van het basisbedrag gerelateerd is aan overwegingen inzake de omvang van de betrokken geografische markt, de weerslag van het kartel op deze markt en de daarop behaalde omzet.

91 In het bijzonder heeft de Commissie op basis van de twee verzwarende omstandigheden die ten aanzien van verzoekster in aanmerking zijn genomen, namelijk de op Interbrew uitgeoefende druk en de recidive, slechts één verhogingspercentage van de geldboete met 50 % toegepast, zonder vermelding van de respectieve draagwijdte van elke in aanmerking genomen verzwarende omstandigheid. Door het ontbreken van nadere uitleg over het respectieve belang van de verschillende criteria die bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete zijn gebruikt, kan verzoekster niet beoordelen in hoeverre de opgelegde geldboete moet worden verminderd.

92 Overigens is het ontbreken van duidelijke en relevante gegevens des te kwalijker, omdat de Commissie het bestaan erkent van door haar diensten opgestelde documenten voor intern overleg en beraad inzake de vaststelling van het boetebedrag en deze documenten niet toegankelijk waren. Dit doet vermoeden dat de Commissie in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met andere elementen dan die welke voor verzoekster toegankelijk waren, zonder ze echter daarin te vermelden.

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaalde artikelen

Aangehaald in