Gerecht EU 6 maart 2002, T-127/99, ECLI:EU:T:2002:59

De uitspraak op EUR-Lex

Tekst

Trefwoorden

1. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Beschikking van Commissie waarin zij vaststelt dat steunmaatregel onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt - Beroep ingesteld door overheidsonderneming en door regionale overheid die deze steun heeft verleend - Ontvankelijkheid

(Art. 230, vierde alinea, EG)

2. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Verkoop van goederen door overheidslichaam tegen voordelige voorwaarden - Daaronder begrepen

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

3. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Verkoop van terrein door overheidsonderneming - Gratis gebruik van terrein door koper vóór betaling van verkoopprijs - Daaronder begrepen - Beoordelingscriterium - Normaal gedrag van particuliere onderneming

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

4. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Steun verleend door regionale of plaatselijke lichamen - Daaronder begrepen

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

5. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Selectieve maatregel - Nationale regeling waarbij belastingkrediet wordt ingevoerd - Algemene maatregel die aan administratie beoordelingsvrijheid bij verlening van belastingvoordeel toekent - Daaronder begrepen

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

6. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Selectieve maatregel - Objectieve toepassingscriteria - Geen invloed

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

7. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Specifieke fiscale maatregel - Selectieve maatregel - Rechtvaardiging ontleend aan aard of opzet van belastingstelsel - Daarvan uitgesloten

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

8. Steunmaatregelen van de staten - Begrip - Selectieve maatregel - Maatregel die creëren of behoud van werkgelegenheid tot doel heeft - Geen invloed

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

9. Steunmaatregelen van de staten - Bestaande en nieuwe steunmaatregelen - Begrip - Maatregel houdende wijziging van bestaande steunmaatregelen of van bij Commissie aangemelde voornemens - Kwalificatie als nieuwe steunmaatregelen

[EG-Verdrag, art. 93, lid 3 (thans art. 88, lid 3, EG)]

10. Steunmaatregelen van de staten - Voorgenomen steunmaatregelen - Aanmelding bij Commissie - Algemene steunregeling - Verplichting

[EG-Verdrag, art. 93, lid 3 (thans art. 88, lid 3, EG)]

11. Steunmaatregelen van de staten - Ongunstige beïnvloeding van handel tussen lidstaten - Aantasting van mededinging - Beoordelingscriteria

[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG)]

12. Steunmaatregelen van de staten - Beschikking van Commissie waarin zij vaststelt dat niet-aangemelde steunmaatregel onverenigbaar is met gemeenschappelijke markt - Motiveringsplicht - Omvang

[EG-Verdrag, art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG), en art. 93, lid 3, en 190 (thans art. 88, lid 3, EG en 253 EG)]

13. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Beoordelingsvrijheid van Commissie - Onderzoek van gronden die individuele ontheffing van overeenkomst kunnen rechtvaardigen - Daarvan uitgesloten

[EG-Verdrag, art. 85, lid 3 (thans art. 81, lid 3, EG), en art. 92, lid 1 (thans, na wijziging, art. 87, lid 1, EG)]

14. Steunmaatregelen van de staten - Algemene steunregeling goedgekeurd door Commissie - Individuele steunmaatregel die wordt aangemeld als vallend binnen kader van goedkeuring - Onderzoek door Commissie - Toetsing eerst aan goedkeuringsbeschikking en pas daarna aan artikel 92 van Verdrag (thans artikel 87 EG)

[EG-Verdrag, art. 92 (thans, na wijziging, art. 87 EG) en art. 93 (thans art. 88 EG)]

15. Steunmaatregelen van de staten - Steun verleend met inachtneming van procedureregels van artikel 93 van Verdrag (thans artikel 88 EG) - Eventueel gewettigd vertrouwen bij steunontvangers - Bescherming - Voorwaarden en grenzen

[EG-Verdrag, art. 93 (thans art. 88 EG)]

Samenvatting

1. De overheidsonderneming en het regionale lichaam die staatssteun hebben verleend, worden rechtstreeks en individueel geraakt door de beschikking waarbij de onverenigbaarheid van de steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld. Die beschikking heeft immers niet alleen gevolgen voor handelingen die door verzoeksters zijn verricht, maar zij belet deze laatsten bovendien hun eigen bevoegdheden, die hun rechtstreeks toekomen krachtens nationaal recht, naar eigen goeddunken uit te oefenen.

( cf. punten 50-51 )

2. De verkoop van goederen door een overheidslichaam tegen voordelige voorwaarden kan een steunmaatregel van de staat vormen. Om te beoordelen of een onderneming bij de aankoop van een goed van een overheidsonderneming staatssteun heeft ontvangen, moet worden onderzocht of eerstgenoemde onderneming dit goed heeft gekocht tegen een prijs die zij onder normale marktomstandigheden niet zou hebben kunnen bedingen.

( cf. punten 72-73 )

3. In het geval dat een overheidsonderneming een terrein verkoopt aan een particuliere onderneming die het terrein in gebruik heeft, mag de Commissie, wanneer de koopsom daarvan pas na een gebruik van verschillende maanden wordt voldaan, vaststellen dat de koper dat terrein gratis in gebruik heeft gehad.

De Commissie kan echter uit dit gebruik niet automatisch afleiden dat de overheidsonderneming staatssteun aan de koper heeft verleend. Dit zou alleen het geval zijn indien het gedrag van eerstgenoemde onderneming niet beantwoordde aan het normale gedrag van een particuliere onderneming.

In dit verband moet de Commissie onderzoeken of een particuliere marktdeelnemer de betaling van de verkoopprijs op een eerder tijdstip zou kunnen eisen, en, zo dat niet het geval zou zijn, of hij betaling van een vergoeding voor het gebruik van het terrein vóór de betaling van de verkoopprijs zou kunnen verlangen.

Waar een dergelijk onderzoek niet is verricht, toont de Commissie niet rechtens genoegzaam aan dat de koper staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) heeft ontvangen wegens het gratis gebruik van het terrein voordat de verkoopprijs werd betaald.

( cf. punten 97-100, 105-106 )

4. Het feit dat een belastingkrediet werd toegekend op basis van een wettelijke regeling die door een decentraal lichaam en niet door een lidstaat is vastgesteld, is irrelevant is voor de toepassing van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Immers deze bepaling doelt met steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd" op alle steunmaatregelen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bijgevolg vallen de maatregelen van decentrale (gedecentraliseerde, federatieve, regionale of andere) lichamen van de lidstaten - ongeacht hun statuut en benaming - evenals de maatregelen van de federale of centrale overheid binnen de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, indien aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan.

( cf. punt 142 )

5. Ingevolge artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) moet een maatregel bepaalde ondernemingen of bepaalde producties" begunstigen om als staatssteun te kunnen worden aangemerkt. Het specifieke of selectieve karakter van een maatregel is dus een van de kenmerken van het begrip steunmaatregel van de staat.

Maatregelen met een zuiver algemene strekking vallen niet onder artikel 92, lid 1, van het Verdrag. Maatregelen die op het eerste gezicht op alle ondernemingen van toepassing zijn, kunnen evenwel in zekere mate selectief zijn en dus worden aangemerkt als maatregelen die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigen. Dat is met name het geval wanneer de administratie die een algemene regel moet toepassen, bij de toepassing van de handeling over een zekere beoordelingsvrijheid beschikt.

Voor de uitsluiting van de kwalificatie van algemene maatregel van een nationale regeling waarbij een belastingkrediet voor investeringen wordt ingevoerd, behoeft in dit verband niet te worden nagegaan, of de dienst die het belastingvoordeel toekent, willekeurig heeft gehandeld. Het volstaat dat wordt aangetoond dat die dienst over een beoordelingsvrijheid beschikt, waardoor hij het bedrag of de voorwaarden voor toekenning van het belastingvoordeel naar gelang van de kenmerken van de aan zijn beoordeling onderworpen investeringsprojecten kan aanpassen.

( cf. punten 144, 149, 154 )

6. Zelfs indien een selectieve nationale maatregel zijn werkingssfeer afbakent op basis van objectieve criteria, neemt dit niet weg dat het om een selectieve maatregel gaat, zodat hij als steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) kan worden gekwalificeerd.

( cf. punt 163 )

7. In het kader van de beoordeling van een nationale maatregel als steunmaatregel van de staat kan het selectieve karakter daarvan in bepaalde omstandigheden door de aard of de opzet van het stelsel" worden gerechtvaardigd. Indien dat het geval is, valt de maatregel buiten de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG). Zo zal een specifieke belastingmaatregel die wordt gerechtvaardigd door de interne logica van het belastingstelsel - zoals de progressiviteit van de belasting, die wordt gerechtvaardigd door de herverdelende functie van de belasting - dan ook buiten de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag vallen.

De rechtvaardiging ontleend aan de aard of de opzet van het belastingstelsel, is hoe dan ook een uitzondering op het beginsel van het verbod van steunmaatregelen van de staat, en moet bijgevolg strikt worden opgevat.

( cf. punten 163-164, 250 )

8. Indien moet worden aanvaard dat redenen in verband met het scheppen of het behoud van werkgelegenheid specifieke maatregelen aan de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) kunnen onttrekken, zou deze bepaling elk nuttig effect verliezen. Staatssteun wordt immers in de meeste gevallen verleend om arbeidsplaatsen te creëren of te behouden.

( cf. punt 168 )

9. Als bestaande steunmaatregelen zijn aan te merken steunmaatregelen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag of vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Europese Gemeenschappen zijn ingevoerd en die regelmatig tot uitvoering zijn gebracht onder de voorwaarden van artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG).

Als nieuwe steunmaatregelen waarvoor de aanmeldingsplicht van artikel 93, lid 3, van het Verdrag geldt, moeten daarentegen worden beschouwd de maatregelen tot invoering of wijziging van steunmaatregelen, met dien verstande dat de wijzigingen betrekking kunnen hebben op bestaande steunmaatregelen of op bij de Commissie aangemelde voornemens.

( cf. punt 173 )

10. Artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) maakt geen onderscheid tussen individuele steunmaatregelen en algemene steunregelingen.

Wanneer een lidstaat dan wel een regionale of lokale overheid van een lidstaat een wettelijke en/of bestuursrechtelijke regeling invoert die een algemene steunregeling bevat, is deze derhalve verplicht de regeling bij de Commissie aan te melden.

( cf. punten 184-185 )

11. Staatssteun die aan een onderneming is verleend om haar in staat te stellen een bepaald product in een lidstaat te gaan produceren, heeft op een concurrentiële markt tot gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om hun producten uit te voeren naar de markt van die lidstaat, afnemen. Een dergelijke steunmaatregel kan dus het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen.

( cf. punt 219 )

12. Al kan in sommige gevallen reeds uit de omstandigheden waaronder de staatssteun werd verleend, duidelijk blijken dat die steun het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig zal beïnvloeden en de mededinging zal vervalsen of dreigen te vervalsen, van de Commissie mag toch op zijn minst worden verwacht, dat zij die omstandigheden aangeeft in de motivering van de beschikking waarbij de onverenigbaarheid van een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt wordt vastgesteld.

De Commissie behoeft echter in een beschikking inzake niet-aangemelde steunmaatregelen de werkelijke invloed van de nationale maatregelen niet aan te tonen, daar dit ertoe zou leiden dat lidstaten die steun verlenen zonder zich te houden aan de in artikel 93, lid 3, van het Verdrag (thans artikel 88, lid 3, EG) geformuleerde aanmeldingsplicht, worden bevoordeeld ten opzichte van lidstaten die hun steunvoornemens wél aanmelden.

( cf. punten 201, 225 )

13. Het onderzoek of een steunmaatregel verenigbaar is met het Verdrag, omvat geen beoordeling van de redenen die eventueel een individuele ontheffing van een overeenkomst, een onderling afgestemde gedraging of een mededingingsverstorend besluit overeenkomstig artikel 85, lid 3, EG-Verdrag (thans artikel 81, lid 3, EG) kunnen rechtvaardigen. Wanneer de Commissie rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat de aan een onderneming verleende steun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG) en dat de betrokken steunmaatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden, zijn deze, uitzonderingen daargelaten, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

( cf. punt 233 )

14. Wanneer de Commissie te maken krijgt met een individuele steunmaatregel, waarvan wordt beweerd dat hij op grond van een eerder goedgekeurde steunregeling is toegekend, kan zij deze niet zonder meer rechtstreeks aan het Verdrag toetsen. Zij moet zich om te beginnen, vóór zij enige procedure inleidt, onderzoeken of de steunmaatregel door de algemene regeling wordt gedekt en aan de in de beschikking tot goedkeuring van deze regeling gestelde voorwaarden voldoet. Zou de Commissie dit niet doen, dan zou zij bij het onderzoek van elke individuele steunmaatregel kunnen terugkomen op haar beschikking tot goedkeuring van de steunregeling, ten aanzien waarvan moet worden aangenomen dat zij reeds aan artikel 92 van het Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87 EG) is getoetst. Het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel zouden dan zowel voor de lidstaten als voor de marktdeelnemers in het gedrang komen, aangezien individuele steunmaatregelen die volstrekt in overeenstemming zijn met de beschikking tot goedkeuring van de steunregeling, op elk moment door de Commissie opnieuw ter discussie zouden kunnen worden gesteld.

( cf. punt 228 )

15. Voor de erkenning van een gewettigd vertrouwen bij een onderneming die staatssteun ontvangt, is in beginsel vereist, dat de steun met inachtneming van de procedure van artikel 93 van het Verdrag (thans artikel 88 EG) is toegekend. Er wordt namelijk van uitgegaan dat behoedzame ondernemers en regionale autoriteiten normaliter in staat moeten zijn, zich ervan te vergewissen dat deze procedure is gevolgd.

( cf. punt 236 )

Partijen

In de gevoegde zaken T-127/99, T-129/99 en T-148/99,

Territorio Histórico de Álava - Diputación Foral de Álava, vertegenwoordigd door A. Creus Carreras en B. Uriarte Valiente, advocaten,

verzoeker in zaak T-127/99,

Comunidad Autónoma del País Vasco,

Gasteizko Industria Lurra, SA, gevestigd te Vitoria (Spanje),

vertegenwoordigd door F. Pombo García, E. Garayar Gutiérrez en J. Alonso Berberena, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verzoeksters in zaak T-129/99,

Daewoo Electronics Manufacturing España, SA, gevestigd te Vitoria, vertegenwoordigd door A. Creus Carreras en B. Uriarte Valiente, advocaten,

verzoekster in zaak T-148/99,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Santaolalla, G. Rozet en G. Valero Jordana als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

ondersteund door

Asociación Nacional de Fabricantes de Electrodomésticos de Línea Blanca (ANFEL), gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door M. Muñiz en M. Cortés Muleiro, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënte,

en door

Conseil européen de la construction d'appareils domestiques (CECED) (Europees Comité van fabrikanten van huishoudapparaten), vertegenwoordigd door A. González Martínez, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

interveniënt in zaak T-148/99,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 1999/718/EG van de Commissie van 24 februari 1999 betreffende steunmaatregelen van Spanje ten gunste van Daewoo Electronics Manufacturing España SA (Demesa) (PB L 292, blz. 1),

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer - uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Azizi, kamerpresident, K. Lenaerts, V. Tiili, R. M. Moura Ramos en M. Jaeger, rechters,

griffier: J. Plingers, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 26 juni 2001,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

Rechtskader

In Baskenland toegestane maximumsteunintensiteit

1 Volgens de Spaanse kaart van gesteunde regio's, die de Commissie heeft voorgesteld (PB 1996, C 25, blz. 3), bedraagt het in Baskenland voor regionale steun geldende plafond 25 % nettosubsidie-equivalent (NSE).

Het regionale steunprogramma Ekimen van de autonome gemeenschap Baskenland

2 Bij beschikking van 12 december 1996 [SG (96) D/11028 (steunmaatregel nr. N 529/96)], waarvan de kennisgeving is gepubliceerd (PB 1997, C 189, blz. 7), heeft de Commissie het regionale steunprogramma Ekimen van de autonome gemeenschap Baskenland goedgekeurd, dat op 28 juni 1996 door Spanje als steunvoornemen bij haar is aangemeld. Dit programma is ingevoerd bij besluit 289/1996 van 17 december 1996 (hierna: Ekimen-besluit"), dat is bekendgemaakt in het Boletin Oficial del País Vasco nr. 246 van 23 december 1996, blz. 20138.

3 Dit programma bestreek de periode 1996 tot en met 1998. Het beoogde de regionale ontwikkeling en het scheppen van werkgelegenheid in de autonome gemeenschap Baskenland te stimuleren (artikel 1 van het Ekimen-besluit). De steun kon de vorm aannemen van een subsidie of een zachte lening voor het opzetten van nieuwe of de uitbreiding of modernisering van bestaande installaties (artikel 9 van het Ekimen-besluit). De voor subsidie in aanmerking komende kosten omvatten de terreinen, de gebouwen en de installaties (artikel 7, sub a, van het Ekimen-besluit).

4 Voor de steun konden onder meer industriële ondernemingen in aanmerking komen (artikel 3 van het Ekimen-besluit). Daartoe moesten volgens artikel 5 van het Ekimen-besluit de investeringen voldoen aan de volgende voorwaarden:

- het investeringsproject moet in technisch, economisch en financieel opzicht levensvatbaar zijn en moet binnen een termijn van drie jaar vanaf de datum waarop de steun wordt toegekend, worden uitgevoerd;

- het bedrag van de investering moet hoger liggen dan 360 miljoen Spaanse peseta's (ESP);

- in het kader van het project moeten minimaal 30 arbeidsplaatsen worden gecreëerd;

- een enkele juridische eenheid moet investeren en arbeidsplaatsen scheppen en in geval van ondernemingen die over meerdere productiecentra beschikken, moet zulks in een van deze centra geschieden, tenzij naar behoren wordt aangetoond dat het om een enkel investeringsproject gaat;

- ten minste 30 % van de investering moet uit eigen middelen van de begunstigde onderneming worden gefinancierd.

5 Volgens artikel 10 van het Ekimen-besluit kon de krachtens dit steunprogramma verleende steun niet meer dan 25 % van de investeringen bedragen (zie punt 112 hierna).

Op het Territorio Histórico de Álava geldende belastingvoordelen

6 Het in Baskenland geldende belastingstelsel is vervat in de fiscale regeling (Concierto Económico"), die is ingevoerd bij Spaanse wet 12/1981 van 13 mei 1981, laatstelijk gewijzigd bij wet 38/1997 van 4 augustus 1997. Krachtens deze wettelijke regeling kan de Diputación Foral de Álava (provinciale raad van Álava) onder bepaalde voorwaarden het op haar grondgebied geldende belastingstelsel organiseren.

7 Op grond daarvan heeft de Diputación Foral de Álava verschillende fiscale steunmaatregelen vastgesteld, onder meer in de vorm van een belastingkrediet van 45 % en een vermindering van de belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting.

Belastingkrediet van 45 %

8 De zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 houdende uitvoering van de begroting van het Territorio Histórico de Álava voor het jaar 1995 [Boletín Oficial del Territorio Histórico de Álava (hierna: BOTHA") nr. 5 van 13 januari 1995] luidt als volgt:

Tussen 1 januari 1995 en 31 december 1995 gedane investeringen in nieuwe materiële vaste activa, die 2 500 miljoen Spaanse peseta's (ESP) overschrijden volgens het besluit van de Diputación Foral van Álava, komen in aanmerking voor het belastingkrediet van 45 % van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de Diputación Foral van Álava, dat wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.

De aftrekken die niet worden toegepast omdat onvoldoende belasting verschuldigd is, kunnen worden toegepast gedurende de negen jaar volgende op dat waarin het besluit van de Diputación Foral van Álava is goedgekeurd.

In dit besluit van de Diputación Foral van Álava worden tevens de termijnen en de maximumbedragen vastgelegd die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn.

De in het kader van deze bepaling toegestane voordelen zijn onverenigbaar met elk ander, op dezelfde investering van toepassing zijnde belastingvoordeel.

De Diputación Foral van Álava stelt tevens de duur van het investeringsproces vast, dat zich ook kan uitstrekken over investeringen die zijn gedaan in de fase van voorbereiding van het project waarop de investeringen betrekking hebben."

9 De geldigheidsduur van deze bepaling werd voor 1996 verlengd bij de vijfde aanvullende bepaling van Norma Foral 33/1995 van 20 december 1995 (BOTHA nr. 4 van 10 januari 1996), zoals gewijzigd bij punt 2.11 van de enige uitzonderingsbepaling op Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996 (BOTHA nr. 90 van 9 augustus 1996). Voor 1997 is de belastingmaatregel verlengd bij de zevende aanvullende bepaling van Norma Foral 31/1996 van 18 december 1996 (BOTHA nr. 148 van 30 december 1996). Het belastingkrediet van 45 % van het investeringsbedrag is in gewijzigde vorm voor 1998 en 1999 gehandhaafd bij respectievelijk de elfde aanvullende bepaling van Norma Foral 33/1997 van 19 december 1997 (BOTHA nr. 150 van 31 december 1997) en de zevende aanvullende bepaling van Norma Foral 36/1998 van 17 december 1998 (BOTHA nr. 149 van 30 december 1998).

Vermindering van de belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting

10 Artikel 26 van Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996, bedoeld in het voorgaande punt, luidt als volgt:

1. Ondernemingen die met hun bedrijfsactiviteit beginnen, komen in aanmerking voor een vermindering met 99 %, [7]5 %, 50 % en 25 % van de uit hun economische activiteit voortvloeiende positieve belastinggrondslag, vóór verrekening met negatieve belastinggrondslagen van voorgaande perioden, tijdens de vier opeenvolgende belastingperioden, gerekend vanaf de eerste periode van de termijn van vier jaar vanaf de aanvang van de bedrijfsactiviteit, waarin hun belastinggrondslag positief is.

[...]

2. Om voor deze vermindering in aanmerking te komen, moeten de belastingplichtigen aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) Zij moeten hun bedrijfsactiviteit beginnen met een gestort kapitaal van ten minste 20 miljoen ESP;

b) [...];

c) [...];

d) De nieuwe activiteit mag niet eerder, rechtstreeks of indirect, onder een andere titel zijn uitgeoefend;

e) De nieuwe bedrijfsactiviteit moet worden uitgeoefend in een ruimte of een vestiging waar geen andere activiteiten door andere natuurlijke personen of rechtspersonen worden uitgeoefend;

f) Tijdens de eerste twee jaar van de bedrijfsactiviteit moeten investeringen in materiële vaste activa worden gedaan ten belope van ten minste 80 miljoen ESP, die volledig moeten worden geïnvesteerd in voor de bedrijfsactiviteit bestemde goederen die niet mogen worden verhuurd of aan derden overgedragen om door hen te worden gebruikt; als materiële vaste activa worden ook beschouwd goederen die door leasing zijn verkregen, mits een verplichting tot gebruikmaking van de koopoptie is aangegaan;

g) In de zes maanden volgend op de aanvang van de bedrijfsactiviteit moeten ten minste tien arbeidsplaatsen worden gecreëerd en het jaargemiddelde van de personeelsbezetting moet vanaf dat tijdstip tot het jaar waarin het recht op vermindering van de belastinggrondslag afloopt, op dit niveau worden gehandhaafd;

h) [...];

i) De onderneming moet over een bedrijfsplan beschikken dat een tijdvak van minimaal vijf jaar bestrijkt.

3. [...]

4. Het in lid 2, onder f, vermelde minimumbedrag van de investeringen en het in lid 2, onder g, vastgestelde minimumaantal te scheppen arbeidsplaatsen is onverenigbaar met elk ander belastingvoordeel dat voor bedoelde investeringen of schepping van arbeidsplaatsen is vastgesteld.

5. De in dit artikel bedoelde vermindering wordt aangevraagd bij de belastingadministratie, die, na te hebben gecontroleerd of aan de aanvankelijk gestelde voorwaarden is voldaan, de aanvragende onderneming voorlopig toestemming geeft deze toe te passen. Deze voorlopige toestemming moet bij besluit van de Diputación Foral van Álava worden bekrachtigd.

[...]"

De feiten

11 Op 13 maart 1996 ondertekenden de Baskische autoriteiten en Daewoo Electronics Co. Ltd (hierna: Daewoo Electronics") een samenwerkingsovereenkomst, waarbij Daewoo Electronics zich ertoe verplichtte om in Baskenland een koelkastenfabriek te vestigen. De Baskische autoriteiten verbonden zich ertoe aan dit project bij te dragen door subsidies te verschaffen.

12 Volgens deze overeenkomst kon voornoemd project in aanmerking komen voor een subsidie ten belope van 25 % van de investeringen in vaste activa en de kosten van vestiging, alsmede voor alle andere staatssteun die beschikbaar is voor iedere investeerder die in Baskenland in projecten op het gebied van milieubescherming, onderzoek en ontwikkeling en energiebesparing wenst te investeren.

13 De door Daewoo Electronics opgerichte onderneming moest een bedrijfsplan opstellen dat door de Baskische autoriteiten moest worden goedgekeurd voordat de overeenkomst ten uitvoer werd gelegd. Dit plan, dat de periode 1996 tot en met 2001 omvat, werd in september 1996 aan de Baskische autoriteiten voorgelegd. Het betrof een investering van 11 835 600 000 ESP, waarmee 745 nieuwe arbeidsplaatsen werden geschapen. De verkoop, waarmee in 1997 een begin zou worden gemaakt, zou voornamelijk bestemd zijn voor de Spaanse, de Franse en de Italiaanse markt. Vanaf 1998 zou de afzet naar de Duitse markt en die van het Verenigd Koninkrijk worden uitgebreid. In het begin zou het grootste deel van de omzet afkomstig zijn van de afzet op de Spaanse markt, maar de uitvoer zou jaarlijks toenemen en na een periode van drie tot vier jaar meer dan 60 % van de totale omzet bedragen.

14 Op 7 oktober 1996 is Daewoo Electronics Manufacturing España SA (hierna: Demesa") opgericht, een vennootschap naar Spaans recht en 100 % dochtermaatschappij van Daewoo Electronics.

15 Bij brief van 10 oktober 1996 heeft Gasteizko Industria Lurra SA (hierna: Gasteizko Industria"), een overheidsonderneming, Demesa een bouwrijp gemaakt terrein van 100 000 m2 in het industriegebied Júndiz (Vitoria-Gasteiz) te koop aangeboden voor de prijs van 4 125 ESP/m2. Demesa heeft dit aanbod in november 1996 aanvaard.

16 Omstreeks november 1996 is Demesa met de bouw van haar koelkastenfabriek begonnen.

17 Op 24 december 1996 heeft de raad van de Baskische regering besloten, Demesa op grond van het Ekimen-besluit (zie punten 2-5 hierboven) een subsidie te verlenen ten belope van 25 % van het brutosubsidie-equivalent (BSE) van het totale investeringsbedrag, zijnde 2 958 900 000 ESP.

18 Krachtens besluit 737/1997 van 21 oktober 1997 van de Diputación Foral de Álava werd verzoekster het in de punten 8 en 9 hierboven bedoelde belastingkrediet van 45 % toegekend.

19 Op 30 december 1997, de dag dat de koopakte werd ondertekend, heeft Demesa aan Gasteizko Industria de koopprijs voor het terrein betaald die in het aanbod van 10 oktober 1996 (zie punt 15 hierboven) was vastgesteld.

20 Op 30 december 1997 is ook de koopakte betreffende dit terrein gepasseerd.

Administratieve procedure

21 Bij brief van 11 juni 1996 ontving de Commissie een klacht van de Asociación Nacional de Fabricantes de Electrodomésticos de Línea Blanca (ANFEL) [Spaanse Vereniging van fabrikanten van elektrische huishoudapparaten (witte producten)]. Volgens deze klacht had Spanje ten gunste van Demesa steun verleend in de vorm van subsidies en belastingvrijstellingen die het voor regionale steun in Baskenland toegestane steunplafond overschreden. De Commissie ontving voorts nog klachten hierover van het Europees Comité van fabrikanten van huishoudapparaten (CECED), en van de Associazione Nazionale Industria Elettrotecniche ed Elettroniche (ANIE).

22 Bij brief van 26 juni 1996 verzocht de Commissie de Spaanse autoriteiten om nadere inlichtingen.

23 Bij brief van 16 september 1996 verstrekten de Spaanse autoriteiten de Commissie een bepaald aantal inlichtingen. De Baskische autoriteiten zonden de Commissie bij brief van 11 februari 1997 aanvullende inlichtingen toe.

24 Bij schrijven van 16 december 1997 heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit om onder meer de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag in te leiden met betrekking tot de eventuele overschrijding van het in het gebied toepasselijke steunplafond van 25 % NSE via de toekenning van [...] maatregelen ten gunste van Demesa:

- fiscale maatregelen in het kader van het belastingstelsel van de provincie Álava (Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996 inzake de vennootschapsbelasting);

- het belastingkrediet in de vorm van een vermindering met 45 % van de verschuldigde vennootschapsbelasting [zesde aanvullende bepaling bij Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 inzake de begroting van de provincie Álava voor 1995, verlengd bij Norma Foral 33/1995 van 20 december 1995 (vijfde aanvullende bepaling), Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996 (uitzonderingsbepaling, punt 2.11) en Norma Foral 31/1996 van 18 december 1996 (zevende aanvullende bepaling)];

- het gratis gebruik dat Demesa sinds 1996 mag maken van een terrein van 500 000 m2 in het industriegebied van Júndiz, alsook de eventuele koopprijs ervan welke niet in overeenstemming is met de marktprijs".

25 De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de gestelde steunmaatregelen te maken (PB 1998, C 103, blz. 3). De Spaanse autoriteiten hebben hun opmerkingen bij brieven van 23 januari en 6 maart 1998 ingediend. De Commissie heeft opmerkingen van de belanghebbenden ontvangen en deze aan de Spaanse autoriteiten toegezonden, die haar hun commentaar op de deze opmerkingen bij brief van 20 oktober 1998 hebben doen toekomen.

26 Bij schrijven van 4 juni 1998 heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten in kennis gesteld van haar besluit de lopende procedure uit te breiden tot de steun die aan Demesa in het kader van het Ekimen-programma is verleend, wat betreft de tranche die niet valt onder de algemene regel van artikel 10, lid 1, van het Ekimen-besluit waarbij een steunintensiteit van 10 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende investeringskosten wordt toegestaan (zie punt 112 hieronder).

27 Zij heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen hierover te maken (PB 1998, C 266, blz. 6). De Spaanse autoriteiten hebben hun opmerkingen bij brieven van 22 en 24 juli 1998 ingediend. De Commissie heeft de opmerkingen van de andere belanghebbenden toegezonden aan de Spaanse autoriteiten die daarop bij brief van 3 december 1998 hebben gereageerd.

28 De diensten van de Commissie en de vertegenwoordigers van de Baskische autoriteiten hebben twee vergaderingen gehouden, een te Brussel op 29 oktober 1998 en een te Vitoria-Gasteiz op 15 december 1998.

29 Op 24 februari 1999 heeft de Commissie beschikking 1999/718/EG van de Commissie van 24 februari 1999 betreffende steunmaatregelen van Spanje ten gunste van Daewoo Electronics Manufacturing España SA (Demesa) (PB L 292, blz. 1; hierna: bestreden beschikking"), gegeven.

30 De beschikking bevat onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 1

De staatssteun die door Spanje aan [Demesa] is verleend en die bestaat uit:

a) het voordeel dat overeenkomt met het uitstel van betaling van de prijs van het terrein in de industriezone van Júndiz (Vitoria-Gasteiz), gedurende negen maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop Demesa het terrein in gebruik nam om erop te bouwen (februari 1997) tot dat waarop de prijs werd betaald (niet vóór november 1997); dit voordeel wordt berekend op 184 075,79 euro (30 627 635 ESP);

b) het voordeel dat overeenkomt met het verschil tussen de marktprijs en de prijs die door Demesa werd betaald voor een terrein in het industriegebied van Júndiz en dat op 213 960,31 euro (35 600 000 ESP) wordt berekend:

c) het bedrag dat overeenkomt met de 5 procentpunten waarmee het in het raam van de Ekimen-steunregeling toegestane subsidieplafond van 20 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten wordt overschreden, waarbij van deze kosten overeenkomstig het accountantsverslag dat door de Baskische autoriteiten als bijlage bij de brief van Spanje van 24 juli 1998 werd ingediend, installaties ten belope van 1 803 036,31 euro moeten worden afgetrokken;

d) het verlenen van een belastingkrediet voor een bedrag van 45 % van de door de Diputación Foral van Álava in haar besluit (Acuerdo) 737/1997 van 21 oktober 1997 vastgestelde investeringskosten;

e) de vermindering van de belastinggrondslag voor pas opgerichte ondernemingen, bedoeld in artikel 26 van Norma Foral 24/1996 van 5 juli 1996,

is onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

1. Spanje treft de nodige maatregelen om:

a) de in artikel 1, onder a, b en c, bedoelde steun, die op onrechtmatige wijze ter beschikking van de begunstigde onderneming is gesteld, van deze onderneming terug te vorderen;

b) de voordelen in te trekken welke voortvloeien uit de in artikel 1, onder d en e, vermelde steunmaatregelen, die op onrechtmatige wijze ter beschikking van de begunstigde onderneming zijn gesteld.

2. De terugvordering geschiedt volgens de procedures van het nationale recht. Over het terug te vorderen bedrag is rente verschuldigd vanaf het tijdstip van de toekenning van de steun aan de begunstigde tot het tijdstip van de terugvordering. De rente wordt berekend op basis van het percentage dat gebruikt wordt voor de berekening van het subsidie-equivalent voor regionale steunregelingen.

Artikel 3

Spanje deelt de Commissie binnen twee maanden na kennisgeving van deze beschikking mee welke maatregelen het heeft genomen om daarom te voldoen.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Spanje."

Procesverloop

31 Bij op respectievelijk 25 mei, 26 mei en 18 juni 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschriften hebben verzoekers in de zaken T-127/99, T-129/99 en T-148/99 de onderhavige beroepen tot nietigverklaring van de bestreden beschikking ingesteld.

32 Bij op 17 november 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten heeft ANFEL een verzoek ingediend tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in de zaken T-127/99 en T-129/99.

33 Bij op 13 december 1999 ter griffie van het Gerecht neergelegde akten hebben ANFEL en CECED een verzoek ingediend tot tussenkomst ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie in zaak T-148/99.

34 Bij beschikkingen van de president van de Derde kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 25 februari 2000 is deze tussenkomst toegestaan.

35 ANFEL en CECED hebben hun memories in interventie op 12 april 2000 ingediend, naar aanleiding waarvan partijen hun opmerkingen hebben gemaakt.

36 Bij beschikking van 5 juni 2001 zijn de zaken T-127/99, T-129/99 en T-148/99 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

37 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan.

38 Ter terechtzitting van 26 juni 2001 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de vragen van het Gerecht.

Conclusies van partijen

39 Verzoeker in zaak T-127/99 concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de artikelen 1, sub d en e, en 2, lid 1, sub b, en lid 2, van de bestreden beschikking nietig te verklaren;

- de Commissie in de kosten te verwijzen.

40 Verzoeksters in zaak T-129/99 concluderen dat het het Gerecht behage:

- de bestreden beschikking nietig te verklaren;

- de Commissie in de kosten te verwijzen;

- interveniënte ANFEL te verwijzen in haar eigen kosten.

41 Verzoekster in zaak T-148/99 concludeert dat het het Gerecht behage:

- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- de bestreden beschikking nietig te verklaren;

- de Commissie in de kosten te verwijzen.

42 Verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 verzoeken het Gerecht ook, de Commissie te gelasten haar interne documenten betreffende de vaststelling van de bestreden beschikking over te leggen. In zaak T-129/99 vragen verzoeksters om overlegging van het volledige administratieve dossier betreffende de bestreden beschikking.

43 In zaak T-127/99 en in zaak T-148/99 concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoeker respectievelijk verzoekster in de kosten te verwijzen.

44 In zaak T-129/99 concludeert de Commissie dat het het Gerecht behage:

- het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wat betreft artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking en, subsidiair, het beroep op dit punt ongegrond te verklaren;

- het beroep te verwerpen wat betreft artikel 1, sub a tot en met c, van de bestreden beschikking;

- verzoeksters in de kosten te verwijzen.

45 De Commissie is voorts van mening, dat de verzoeken in de zaken T-127/99, T-129/99 en T-148/99 betreffende de overlegging van bepaalde documenten of van het volledige dossier dienen te worden afgewezen.

46 In hun ter terechtzitting nader toegelichte conclusies verzoeken ANFEL, in de drie zaken, en CECED, in zaak T-148/99, dat het het Gerecht behage:

- het beroep te verwerpen;

- verzoekers in de kosten te verwijzen.

Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in zaak T-129/99

47 De Commissie stelt, dat het beroep in zaak T-129/99 niet-ontvankelijk is, voorzover verzoeksters concluderen tot nietigverklaring van artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking. Verzoeksters worden immers door deze bepalingen niet rechtstreeks en individueel geraakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.

48 Verzoeksters in zaak T-129/99 voeren daartegen aan, dat de bestreden beschikking als een ondeelbaar geheel moet worden beschouwd. De Commissie heeft volgens hen bovendien de fiscale steunmaatregelen van artikel 1, sub d en e, en die van artikel 1, sub a tot en met c, bij elkaar opgeteld om daaruit af te leiden, dat het totale aan Demesa toegekende steunbedrag ruimschoots de in Baskenland toegestane maximumsteunintensiteit overschrijdt. Ten slotte is de autonome gemeenschap Baskenland krachtens Spaans recht bevoegd voor de in artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking bedoelde belastingaangelegenheden. Derhalve heeft zij volgens haar procesbevoegdheid met betrekking tot deze bepalingen van de beschikking.

49 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat verzoeksters in zaak T-129/99, te weten de autonome gemeenschap Baskenland en Gasteizko Industria, niet adressaat van de bestreden beschikking zijn. Derhalve moet worden onderzocht, of de bestreden beschikking kan worden geacht deze partijen rechtstreeks en individueel te raken in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.

50 In dit verband zij opgemerkt, dat artikel 1, sub a en b, van de bestreden beschikking betrekking heeft op steun die Gasteizko Industria aan Demesa zou hebben verleend, en dat artikel 1, sub c, van de bestreden beschikking betrekking heeft op steun die de autonome gemeenschap Baskenland aan dezelfde onderneming zou hebben toegekend. De betrokken bepalingen van de bestreden beschikking hebben niet alleen gevolgen voor handelingen die door verzoeksters in zaak T-129/99 zijn verricht, maar zij beletten deze laatsten bovendien hun eigen bevoegdheden, die hun rechtstreeks toekomen krachtens Spaans recht, naar eigen goeddunken uit te oefenen (zie in deze zin arresten Gerecht van 30 april 1998, Vlaams Gewest/Commissie, T-214/95, Jurispr. blz. II-717, punten 29 en 30, en 15 juni 1999, Regione Autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie, T-288/97, Jurispr. blz. II-1871, punt 31).

51 Bijgevolg wordt Gasteizko Industria rechtstreeks en individueel geraakt door artikel 1, sub a en b, van de bestreden beschikking en wordt de autonome gemeenschap Baskenland rechtstreeks en individueel geraakt door artikel 1, sub c, van de bestreden beschikking.

52 Daar het om één en hetzelfde beroep gaat, kan dus reeds worden vastgesteld, dat het beroep in zaak T-129/99 ontvankelijk is, voorzover het strekt tot nietigverklaring van artikel 1, sub a tot en met c, van de bestreden beschikking (zie in die zin arrest Hof van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C-313/90, Jurispr. blz. I-1125, punt 31).

53 Aangaande de maatregelen van artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking, te weten het belastingkrediet en de vermindering van de belastinggrondslag, staat tussen partijen vast, dat deze maatregelen door geen van de verzoeksters in zaak T-129/99 zijn ingevoerd.

54 Verzoeksters in deze zaak stellen niettemin, dat zij ook rechtstreeks en individueel door deze bepalingen van de bestreden beschikking worden geraakt. Zij verwijzen daartoe om te beginnen naar de eigen fiscale bevoegdheden van de autonome gemeenschap Baskenland.

55 Dit argument kan echter niet slagen, aangezien de autonome gemeenschap Baskenland niet heeft aangetoond, dat artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking haar belet haar fiscale bevoegdheden naar eigen goeddunken uit te oefenen (arrest Vlaams Gewest/Commissie, aangehaald in punt 50 hierboven, punt 29).

56 Verzoeksters kunnen ook geen argument ontlenen aan het feit dat de bestreden beschikking een ondeelbaar geheel zou zijn. De bestreden beschikking laat zich immers lezen als een bundel beschikkingen betreffende verschillende steunmaatregelen die door verschillende overheidslichamen aan dezelfde onderneming zijn toegekend.

57 Voorts heeft de Commissie, anders dan verzoeksters stellen, in de bestreden beschikking niet met de gestelde steunmaatregelen bedoeld in artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking, rekening gehouden bij de beoordeling of de in het kader van het Ekimen-programma aan Demesa toegekende voordelen het in de beschikking van 12 december 1996 toegestane plafond overschreden (zie punt 2 hierboven). Verder heeft de Commissie in de bestreden beschikking haar beoordeling, dat de gestelde steunmaatregelen in de bestreden beschikking onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, ook niet gebaseerd op de bevinding, dat de verschillende aan Demesa verleende voordelen tezamen het plafond van 25 % NSE voor Baskenland overschrijden (zie punt 1 hierboven).

58 Derhalve moet worden geconcludeerd, dat het beroep in zaak T-129/99 niet-ontvankelijk is, voorzover het strekt tot nietigverklaring van artikel 1, sub d en e, van de bestreden beschikking en bijgevolg ook voorzover het strekt tot nietigverklaring van artikel 2, lid 1, sub b, van de bestreden beschikking.

Ten gronde

59 In de verzoekschriften met betrekking tot de onderhavige beroepen kunnen drie gemeenschappelijke middelen worden onderscheiden: schending van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG), schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel en schending van artikel 190 EG-Verdrag (thans artikel 253 EG).

60 In de zaken T-129/99 en T-148/99 stellen verzoeksters eveneens schending van het recht van verweer. Ten slotte voeren verzoeksters in zaak T-129/99 ook nog schending van artikel 92, lid 3, van het Verdrag aan.

I - Het eerste middel: schending van artikel 92, lid 1, van het Verdrag

61 Dit middel omvat zes onderdelen waarvan de eerste vijf betrekking hebben op de verschillende gestelde steunelementen die in het dispositief van de bestreden beschikking (artikel 1, sub a-e) zijn geïdentificeerd. Het zesde onderdeel betreft de eventuele vervalsing van de mededinging en de eventuele ongunstige beïnvloeding van het intracommunautaire handelsverkeer in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

62 Het Gerecht acht het raadzaam eerst het onderdeel inzake het gestelde steunelement van artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking te onderzoeken alvorens de wettigheid van de overige punten van artikel 1 van de bestreden beschikking te beoordelen.

Het eerste onderdeel: de koopprijs van het terrein van 100 000 m2 bedoeld in artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking

63 In de bestreden beschikking heeft de Commissie de marktprijs van het door Gasteizko Industria aan Demesa verkochte terrein van 100 000 m2 op 4 481 ESP/m2 geraamd (bestreden beschikking, punt V.2.2, laatste alinea). Het ging om een bouwrijp gemaakt perceel met aansluitingen voor water, gas, elektriciteit en riolering.

64 De door de Commissie gehanteerde prijs van 4 481 ESP/m2 wordt vermeld in het verslag van Price Waterhouse van januari 1997 (bestreden beschikking, punt V.2.2, zevende alinea): in dit document wordt voor terreinen van 50 000 m2 die in hetzelfde gebied gelegen zijn als het terrein van Demesa, een prijs van 4481 ESP/m2 genoemd" (bestreden beschikking, punt III.2.1, vierde alinea).

65 Blijkens de bestreden beschikking heeft de Commissie de betrouwbaarheid van de raming van Price Waterhouse aan de hand van drie andere verslagen geverifieerd.

66 De Commissie verwijst om te beginnen naar de ramingen van twee vastgoeddeskundigen van 13 januari en 6 februari 1998, die door de Baskische regionale autoriteiten tijdens de administratieve procedure zijn overgelegd. In de bestreden beschikking wordt dienaangaande verklaard:

In de eerste raming wordt er [...] op gewezen dat de verkoopprijs voor een bouwrijp gemaakt terrein van meer dan 10 000 m2 tussen 4 000 ESP/m2 en 4 500 ESP/m2 zou moeten liggen. Volgens de tweede raming, die op reële gegevens is gebaseerd, dit wil zeggen op de verkoopprijs van soortgelijke bouwrijp gemaakte terreinen die de maanden voordien werden verkocht, bedraagt de prijs voor twee terreinen van ongeveer 33 000 m2 en 50 000 m2, een oppervlakte die 10 000 m2 derhalve ruim overschrijdt, 5 000 ESP/m2, en worden op de markt geen bouwrijpe terreinen van 100 000 m2 aangetroffen, zodat een prijs van 4 000 ESP/m2 à 4 800 ESP/m2 in deze omstandigheden en gelet op de kosten voor het bouwrijp maken van grote terreinen, gerechtvaardigd lijkt. Tegelijk wordt gewezen op de politieke aspecten van dit soort verkoop, waarbij onvermijdelijk andere dan financiële overwegingen een rol spelen" (bestreden beschikking punt V.2.2, vijfde alinea).

67 De Commissie heeft zich ook nog gebaseerd op een accountantsverslag van IDOM van juli 1998. De bestreden beschikking verklaart dat in dit verslag werd vastgesteld dat de prijs per vierkante meter voor een niet bouwrijp gemaakt terrein in dezelfde omgeving ongeveer 5 000 ESP/m2 bedraagt. De door Demesa betaalde prijs zou gerechtvaardigd zijn wegens de korting die op grond van de omvang van het terrein werd toegepast. In zijn conclusies blijft de auditor niettemin bij de prijs van 5 000 ESP/m2 en wijst hij op het verschil tussen zijn raming en de door de Baskische autoriteiten vastgestelde prijs van 4 125 ESP/m2" (bestreden beschikking, punt V.2.2, zesde alinea).

68 De Commissie stelt vast dat het gemiddelde van deze ramingen niet wezenlijk verschilt van de door Price Waterhouse in januari 1997 berekende gemiddelde prijs van 4 481 ESP/m2, waarin de kosten voor het bouwrijp maken zijn begrepen" (bestreden beschikking, punt V.2.2, zevende alinea). Dit is volgens de Commissie dan ook de marktprijs.

69 De Commissie vervolgt:

Aangezien Demesa 4 125 ESP/m2 heeft betaald, heeft deze onderneming een voordeel genoten ter hoogte van het verschil tussen beide prijzen (356 ESP/m2), dit wil zeggen ter hoogte van 213 960,31 euro (35 600 000 ESP)" (bestreden beschikking, punt V.2.2, laatste alinea).

70 In die omstandigheden heeft de Commissie in artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking het voordeel dat overeenkomt met het verschil tussen de marktprijs en de prijs die door [Demesa] werd betaald voor een terrein in het industriegebied van Júndiz (Vitoria-Gasteiz) en dat op 213 960,31 euro wordt berekend", als staatssteun gekwalificeerd.

71 Verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 betogen, dat de Commissie artikel 92, lid 1, van het Verdrag heeft geschonden, door zich op het standpunt te stellen dat de aankoopprijs van 4 125 ESP/m2 niet de op de markt geldende verkoopprijs is. Volgens hen heeft de Commissie in de bestreden beschikking willekeurig een marktprijs vastgesteld. De Commissie is immers uitgegaan van een prijs van 4 481 ESP/m2 die het accountantsbureau Price Waterhouse voor een terrein van 50 000 m2 heeft vastgesteld, terwijl in alle verslagen van onafhankelijke deskundigen, die haar tijdens de administratieve procedure zijn toegezonden, de reële verkoopprijs van 4 125 ESP/m2 binnen de marge van de marktprijzen valt.

72 Het Gerecht herinnert in dit verband eraan, dat de verkoop van goederen door een overheidslichaam, zoals dit via Gasteizko Industria is geschied, tegen voordelige voorwaarden een steunmaatregel van de staat kan vormen (arrest Hof van 11 juli 1996, SFEI e.a., C-39/94, Jurispr. blz. I-3547, punt 59).

73 Om te beoordelen of in casu Demesa bij de aankoop van het terrein van 100 000 m2 staatssteun heeft ontvangen, moet worden onderzocht of deze onderneming het betrokken terrein heeft gekocht tegen een prijs die zij onder normale marktomstandigheden niet zou hebben kunnen verkrijgen (arresten Hof van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-342/96, Jurispr. blz. I-2459, punt 41, en 29 juni 1999, DM Transport, C-256/97, Jurispr. blz. I-3913, punt 22).

74 Blijkens de bestreden beschikking (zie punten 63-70 hierboven) heeft de Commissie een doorslaggevend gewicht toegekend aan de in het verslag van Price Waterhouse opgegeven prijs van 4 481 ESP/m2. Voor de beoordeling of de prijs die Demesa werkelijk voor het terrein van 100 000 m2 heeft betaald, een steunelement bevatte, heeft de Commissie immers de verkoopprijs vergeleken met de enige prijs die in het verslag van Price Waterhouse voorkomt. De prijzen in de drie andere in de bestreden beschikking genoemde verslagen, te weten de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 en het verslag van IDOM van juli 1998, zijn enkel gebruikt om na te gaan of de door Price Waterhouse aangegeven prijs betrouwbaar was.

75 Voor de beoordeling van de wettigheid van artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking moet derhalve worden onderzocht, of de Commissie redelijkerwijs een dergelijk doorslaggevend gewicht aan het verslag van Price Waterhouse mocht toekennen.

76 In de bestreden beschikking verklaart de Commissie, dat de bij twee ex post-evaluaties [namelijk die van 13 januari en 6 februari 1998] en een ex post-audit [van IDOM] vastgestelde waarde niet dezelfde kan zijn als die welke bij een ex ante-evaluatie werd vastgesteld" (bestreden beschikking, punt V.2.2, derde alinea).

77 Bij brief van 10 oktober 1996 heeft Gasteizko Industria evenwel Demesa een terrein van 100 000 m2 in het industriegebied van Júndiz voor de prijs van 4 125 ESP/m2 te koop aangeboden. Bovendien heeft Demesa blijkens de stukken in november 1996 dit aanbod mondeling aanvaard. Derhalve dateren de in de bestreden beschikking vermelde vier verslagen, waaronder dat van Price Waterhouse, van na het voorlopig koopcontract. Zelfs indien uit de mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (PB 1997, C 209, blz. 3), blijkt dat een verkoopprijs die overeenkomt met een door een onafhankelijke taxateur vóór de verkoop geschatte prijs geen steunelementen bevat, mocht de Commissie zich derhalve redelijkerwijs niet baseren op de datum van opstelling van het verslag van Price Waterhouse (januari 1997) om daaraan een doorslaggevend gewicht te hechten.

78 Naar aanleiding van een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie verklaard, dat alleen de raming van Price Waterhouse, de accountant van de verkopende vastgoedmaatschappij, aanvaardbaar was, aangezien deze was opgesteld met het oog op de vaststelling van de geldwaarde van haar vastgoedportefeuille. Het was verder de enige raming die was opgesteld vóór het besluit tot inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, EG-Verdrag (thans artikel 88, lid 2, EG). De Commissie trekt voorts de betrouwbaarheid van de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 in twijfel, aangezien het eerste verslag niet op reële marktgegevens is gebaseerd en in het tweede verslag op grond van politieke overwegingen de prijs naar beneden is bijgesteld.

79 Het Gerecht is om te beginnen van oordeel, dat op grond van het feit dat de ramingen van 13 januari en 6 februari 1998 en het verslag van IDOM dateren van na de inleiding van de procedure, in casu aan het verslag van Price Waterhouse van januari 1997 geen doorslaggevend gewicht kan toekomen. Immers, de vier verslagen, waaronder dat van Price Waterhouse, zijn opgesteld in een periode waarin de Commissie reeds met een onderzoek naar de vermeende steun aan Demesa was begonnen. Het eerste verzoek om inlichtingen in deze zaak dateert namelijk van juni 1996.

80 Verder is geen van de vier in de bestreden beschikking genoemde verslagen rechtstreeks gebaseerd op de verkoop van terreinen met een oppervlakte van 100 000 m2. Zoals in de bestreden beschikking wordt verklaard, worden op de markt geen bouwrijpe terreinen van 100 000 m2 aangetroffen" (punt V.2.2, vijfde alinea).

81 De deskundigen die het verslag van 6 februari 1998 en het accountantsverslag van IDOM hebben opgesteld, hebben echter op basis van de beschikbare gegevens een raming trachten te geven van de verkoopprijs van een terrein met een dergelijke oppervlakte. Het verslag van 13 januari 1998 bevat een algemene raming voor terreinen van meer dan 10 000 m2.

82 In het verslag van Price Waterhouse wordt daarentegen een raming gegeven van de prijs van een terrein van 55 481 m2 en wordt de werkelijke oppervlakte van het door Demesa gekochte terrein niet in aanmerking genomen.

83 In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de Commissie, door in de bestreden beschikking de in het verslag van Price Waterhouse opgegeven prijs als doorslaggevende referentieprijs te hanteren, willekeurig heeft gehandeld.

84 Het feit dat de Commissie de door Price Waterhouse opgegeven prijs heeft geverifieerd door deze te vergelijken met het gemiddelde van de prijzen van de drie andere verslagen, te weten de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 en het accountantsverslag van IDOM, kan aan deze conclusie niet afdoen.

85 De Commissie moest onderzoeken, of de door Demesa betaalde prijs een marktprijs was. Zij had dus de werkelijk door Demesa betaalde verkoopprijs, en niet de door Price Waterhouse vastgestelde prijs, moeten vergelijken met de prijzen in de verschillende deskundigenverslagen waarover zij tijdens de administratieve procedure beschikte, om te beoordelen of de door Demesa betaalde prijs niet zo ver van de prijzen in deze verslagen afweek, dat moest worden geconcludeerd dat er sprake was van staatssteun.

86 Verder is in de bestreden beschikking (punt V.2.2, zevende alinea) het gemiddelde van de ramingen in de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 en in het accountantsverslag van IDOM berekend op basis van een onjuiste lezing van deze verslagen.

87 Naar aanleiding van een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft de Commissie namelijk verklaard, dat zij het gemiddelde van de in de bestreden beschikking (punt V.2.2, zevende alinea) vermelde ramingen heeft berekend als volgt:

De minimumprijzen bedroegen [...]: 4 000 ESP/m2 [Bureau Luis Perales (verslag van 13 januari 1998)], 4 000 ESP/m2 [Bureau Juan Calvo (verslag van 6 februari 1998)] en 5 000 ESP/m2 (IDOM). De gemiddelde minimumprijs bedraagt derhalve 4 333 ESP/m2. De maximumprijzen bedroegen: 4 500 ESP/m2 [Bureau Luis Perales (verslag van 13 januari 1998)] en 4 800 ESP/m2 [Bureau Juan Calvo (verslag van 6 februari 1998)]. Daaruit vloeit dus een gemiddelde maximumprijs voort van 4 650 ESP/m2. Bijgevolg is de gemiddelde prijs van de drie ramingen 4 491 ESP/m2."

88 Om te beginnen zij vastgesteld, dat de Commissie heeft gedwaald ten aanzien van de feiten door aan te nemen dat volgens het accountantsverslag van IDOM de minimumprijs van het door Demesa gekochte terrein 5 000 ESP/m2 bedroeg. In het accountantsverslag van IDOM wordt weliswaar een bedrag van rond 5 000 ESP/m2" (entorno a las 5 000 pesetas") genoemd voor een niet-bouwrijp gemaakt terrein, maar wordt tevens bevestigd dat de uiteindelijk door Demesa betaalde prijs, te weten 4 125 ESP/m2, overeenkomt met de marktprijs waarop, gezien de oppervlakte van het terrein, een normale korting is toegepast (el precio final obtenido por Demesa es un precio de mercado con un descuento normal. teniendo en cuenta el tamaño de la superficie comprada"). Hoewel de eindconclusie nogmaals spreekt van een prijs van 5 000 ESP/m2, bevestigt zij ook, dat volgens de verificaties van IDOM de investering van Demesa overeenkomt met de huidige marktprijzen (la inversión realizada por Demesa se ajusta a los precios de mercado actuales, tras las comprobaciones efectuadas por IDOM"). Uit het accountantsverslag van IDOM volgt dus dat, hoewel 5 000 ESP/m2 als de normale prijs kan worden beschouwd, de door Demesa betaalde prijs een marktprijs is indien de oppervlakte van het terrein in aanmerking wordt genomen.

89 In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat uit de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 ook volgt, dat de prijs van 4 125 ESP/m2 een op de markt geldende prijs is. In het eerste verslag wordt immers verklaard, dat de marktprijs voor een terrein van meer dan 10 000 m2 tussen 4 000 en 4 500 ESP/m2 ligt. In het tweede verslag wordt een marktprijs tussen 4 000 en 4 800 ESP/m2 opgegeven. De Commissie heeft bij de berekening van een gemiddelde van de in de verschillende verslagen genoemde waarden de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 evenwel verkeerd geïnterpreteerd. Aangezien de door Demesa betaalde prijs, te weten 4 125 ESP/m2, immers telkens zeer dicht ligt bij de minimumprijs van de marge in de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998, heeft de Commissie, door één enkel gemiddelde van de waarden te berekenen, op basis van de verslagen van 13 januari en 6 februari 1998 onvermijdelijk een vermeende marktprijs vastgesteld die hoger is dan de door Demesa betaalde prijs, terwijl in deze verslagen zelf wordt bevestigd dat een prijs van 4 125 ESP/m2 een marktprijs is.

90 Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de methode volgens welke de Commissie in de bestreden beschikking heeft beoordeeld of de door Demesa voor het terrein van 100 000 m2 betaalde prijs van 4 125 ESP/m2 een steunelement bevat, willekeurig is. Bovendien heeft de Commissie in haar berekeningen feitelijke vergissingen gemaakt.

91 In die omstandigheden heeft de Commissie artikel 92, lid 1, van het Verdrag geschonden, door in de bestreden beschikking aan te nemen dat het verschil tussen de door Price Waterhouse opgegeven prijs van 4 481 ESP/m2 en de prijs van 4 125 ESP/m2 als staatssteun moest worden beschouwd.

92 Het eerste onderdeel van dit middel is dus gegrond. Derhalve moet artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking in de zaken T-129/99 en T-148/99 nietig worden verklaard. In dezelfde zaken moet ook artikel 2, lid 1, sub a, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, voorzover daarbij het Koninkrijk Spanje wordt gelast, de in artikel 1, sub b, van de bestreden beschikking bedoelde, vermeende steun van Demesa terug te vorderen.

Het tweede onderdeel: het uitstel van betaling van de koopprijs van het terrein, bedoeld in artikel 1, sub a, van de bestreden beschikking

93 In artikel 1, sub a, van de bestreden beschikking kwalificeert de Commissie als staatssteun het voordeel dat overeenkomt met het uitstel van betaling van de prijs van het terrein in de industriezone van Júndiz (Vitoria-Gasteiz), gedurende negen maanden, te rekenen vanaf het tijdstip waarop Demesa het terrein [van 100 000 m2 dat de overheidsonderneming, Gasteizko Industria, haar heeft verkocht] in gebruik nam om erop te bouwen tot dat waarop de prijs werd betaald; dit voordeel wordt berekend op 184 075,79 euro".

94 Daar het dispositief van een handeling onafscheidelijk verbonden is met de motivering ervan, moet zij worden uitgelegd met inachtneming van de overwegingen die tot de vaststelling ervan hebben geleid (arrest Hof van 15 mei 1997, TWD/Commissie, C-355/95 P, Jurispr. blz. I-2549, punt 21).

95 Blijkens de overwegingen van de bestreden beschikking is het in artikel 1, sub a, van de bestreden beschikking bedoelde steunelement het voordeel dat Demesa zou hebben genoten door het gratis gebruik van een terrein van 100 000 m2 gedurende ten minste negen maanden als gevolg van het uitstel van het passeren van de koopakte en dus van de betaling van de verkoopprijs van het terrein.

96 Punt V.2.1 van de bestreden beschikking, betreffende artikel 1, sub a, van het dispositief, draagt namelijk als opschrift: gratis gebruik van een terrein van 100 000 m2". Daarin verklaart de Commissie: er werden [...] geen bewijzen aangebracht dat Demesa in de periode tussen het tijdstip waarop deze onderneming het terrein voor het bouwen van de fabriek in gebruik nam [...] en het ogenblik waarop de verkoopprijs werkelijk werd betaald, ook maar enige kosten op zich heeft genomen" (punt V.2.1, tweede alinea). De Commissie vervolgt, dat Demesa, althans tijdens de periode februari 1997-oktober 1997, een terrein [van 100 000 m2 dat de overheidsonderneming, Gasteizko Industria, haar heeft verkocht] in gebruik had met het doel een fabriek te bouwen of te laten bouwen zonder voor dit terrein te hebben betaald en zonder in verband met het gebruik ervan enige kosten op zich te hebben genomen" (punt V.2.1, vijfde alinea). Zij verklaart verder:

Demesa gebruikte een terrein zonder zich verplicht te zien de financiële vergoeding daarvoor te betalen die de verkopende vennootschap had kunnen eisen" (punt V.2.1, zevende alinea).

97 Bij brief van 10 oktober 1996 heeft Gasteizko Industria Demesa een terrein van 100 000 m2 in het industriegebied van Júndiz voor de prijs van 4 125 ESP/m2 te koop aangeboden. Demesa heeft dit aanbod in november 1996 mondeling aanvaard. De overeengekomen koopsom voor dit terrein is voldaan op 30 december 1997, de dag waarop de koopakte is ondertekend.

98 In antwoord op een schriftelijke vraag van het Gerecht heeft Demesa erkend, dat zij omstreeks november 1996 met de bouw van een fabriek op het betrokken terrein was begonnen.

99 Aangezien de koopsom pas op 30 december 1997 was voldaan, mocht de Commissie in de bestreden beschikking vaststellen dat Demesa ten minste gedurende negen maanden een terrein van 100 000 m2 gratis in gebruik heeft gehad.

100 De Commissie kan echter uit dit gebruik niet automatisch afleiden, dat Gasteizko Industria staatssteun aan Demesa heeft verleend. Dit zou uitsluitend het geval zijn indien het gedrag van Gasteizko Industria niet beantwoordde aan het gebruikelijke gedrag van een particuliere onderneming (zie in die zin arrest Hof van 3 oktober 1991, Italië/Commissie, C-261/89, Jurispr. blz. I-4437, punt 8).

101 Ter rechtvaardiging van het uitstel van het passeren van de koopakte en bijgevolg van de betaling van de verkoopprijs beroepen verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 zich op artikel 1502 van het Spaanse burgerlijk wetboek, dat luidt: Wanneer de koper in het bezit of de eigendom van de verkregen zaak gestoord wordt, of goede gronden heeft te vrezen dat hij gestoord zal worden door een vordering tot revindicatie of door een hypothecaire vordering, kan hij de betaling van de prijs opschorten totdat de verkoper de stoornis of de dreigende stoornis heeft opgeheven [...]"

102 In casu is volgens hen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 1502 van het Spaanse burgerlijk wetboek voldaan. Enerzijds had Gasteizko Industria van twee grotere stukken grond een perceel van 100 000 m2 moeten afbakenen. Anderzijds vorderde een groep landbouwers nakoming van een mondelinge overeenkomst met Gasteizko Industria, op grond waarvan zij het terrein mochten bebouwen. Deze landbouwers hebben bij de rechtbank van Vitoria-Gasteiz een procedure aangespannen die eerst op 4 november 1997 is afgesloten. Het voordeel dat uit het gebruik van het terrein vóór de betaling van de verkoopprijs voortvloeit, kan niet als staatssteun worden aangemerkt, aangezien het een gevolg is van de toepassing van algemene regels van Spaans burgerlijk recht.

103 In antwoord op deze argumenten, die ook tijdens de administratieve procedure zijn aangevoerd door de Baskische autoriteiten, verklaart de Commissie in de bestreden beschikking: er werden [...] geen bewijzen aangebracht dat Demesa in de periode tussen het tijdstip waarop deze onderneming het terrein voor het bouwen van de fabriek in gebruik nam [...] en het ogenblik waarop de verkoopprijs werkelijk werd betaald, ook maar enige kosten op zich heeft genomen" (punt V.2.1, tweede alinea; zie ook punt V.2.1, zevende alinea).

104 Blijkens de bestreden beschikking heeft de Commissie haar conclusie dat er sprake was van staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, dus rechtstreeks afgeleid uit haar vaststelling dat Demesa het terrein van 100 000 m2 gedurende ten minste negen maanden gratis in gebruik had, zonder dat zij heeft onderzocht of het gedrag van Gasteizko Industria kon overeenkomen met het gedrag van een particuliere marktdeelnemer.

105 Naar aanleiding van hetgeen tijdens de administratieve procedure is verklaard met betrekking tot de redenen voor het uitstel van het passeren van de koopakte en van de betaling van de verkoopprijs tot 30 december 1997, had de Commissie evenwel moeten onderzoeken of een particuliere marktdeelnemer de betaling van de verkoopprijs vóór deze datum had kunnen eisen, en, zo dat niet het geval was, of hij vóór de betaling van de verkoopprijs van het terrein betaling van een vergoeding voor de duur van het gebruik daarvan had kunnen verlangen.

106 Waar een dergelijk onderzoek niet is verricht, moet worden vastgesteld dat de Commissie niet rechtens genoegzaam heeft aangetoond, dat Demesa staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag heeft ontvangen wegens het gratis gebruik van het terrein van 100 0000 m2 voordat de verkoopprijs op 30 december 1997 werd betaald.

107 Bijgevolg is het tweede onderdeel van dit middel gegrond.

108 Mitsdien moet in de zaken T-129/99 en T-148/99 artikel 1, sub a, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard. In dezelfde zaken moet ook artikel 2, lid 1, sub a, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, voorzover daarbij het Koninkrijk Spanje wordt gelast, de in artikel 1, sub a, van de bestreden beschikking bedoelde steun van Demesa terug te vorderen.

Het derde onderdeel: het gestelde overschrijden van het bij het Ekimen-besluit vastgestelde plafond, bedoeld in artikel 1, sub c, van de bestreden beschikking

109 In artikel 1, sub c, van de bestreden beschikking kwalificeert de Commissie als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun het bedrag dat overeenkomt met de 5 procentpunten waarmee het in het raam van de Ekimen-steunregeling toegestane subsidieplafond van 20 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten wordt overschreden, waarbij van deze kosten overeenkomstig het accountantsverslag dat door de Baskische autoriteiten als bijlage bij de brief van Spanje van 24 juli 1998 werd ingediend, installaties ten belope van 1 803 036,31 euro moeten worden afgetrokken".

110 De argumenten van verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 hebben betrekking op het in het kader van het Ekimen-programma toegestane subsidieplafond en op de aftrek van de kosten van bepaalde installaties van de krachtens de Ekimen-steunregeling voor subsidiëring in aanmerking komende kosten.

In het Ekimen-programma toegestane subsidieplafond

111 Bij besluit van de raad van de regering van de autonome gemeenschap Baskenland van 24 december 1996 werd aan Demesa een subsidie ten belope van 25 % van de investeringen in vaste activa in het kader van het Ekimen-programma verleend.

112 Destijds luidde artikel 10 van het Ekimen-besluit als volgt:

Voor de steun in de vorm van niet terug te betalen subsidie, die niet meer mag bedragen dan 25 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende investeringskosten, gelden de volgende criteria:

1. Er wordt, algemeen, een subsidie ten belope van 10 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende investeringskosten toegekend.

2. Wanneer het strategische projecten betreft en investeringsprojecten die in aanzienlijke mate bijdragen tot het scheppen van werkgelegenheid, dit wil zeggen projecten waarbij ten minste 50 arbeidsplaatsen worden gecreëerd en waarmee een investering van 750 miljoen [ESP] is gemoeid, wordt bovengenoemd percentage met vijf punten verhoogd.

3. Voorts ontvangen ondernemingen voor projecten in gebieden die overeenkomstig artikel 4 van dit decreet als van prioritair belang worden beschouwd, een aanvullende subsidie van 5 % van de voor subsidiëring in aanmerking komende investeringskosten.

4. Ten slotte is een bijkomende verhoging met vijf punten mogelijk op basis van de volgende criteria:

- het integratieniveau van het project in de Baskische industriële textuur,

- de ligging in een voor het Baskenland strategische sector,

- de graad van werkgelegenheidsschepping van het project."

113 In de beschikking van 12 december 1996, waarbij de steunelementen in het Ekimen-programma werden goedgekeurd (zie punt 2 hierboven), heeft de Commissie verklaard:

De Commissie stelt vast dat de niet-restitueerbare subsidie, die niet meer mag bedragen dan het maximumbedrag dat overeenkomt met 25 % van het BSE, als volgt in tranches zal worden toegekend: a) een tranche van algemene aard van 10 %; b) een tranche van 5 % voor strategische projecten of projecten die bijdragen tot het scheppen van werkgelegenheid; c) een tranche van 5 % voor projecten in gebieden van prioritair belang, en d) een tranche van 5 % voor projecten die in aanzienlijke mate bijdragen tot de regionale ontwikkeling of tot het scheppen van werkgelegenheid."

114 In de bestreden beschikking stelt de Commissie, dat de subsidie ten belope van 25 % van de investeringen in vaste activa, die aan Demesa in het kader van het Ekimen-programma is verleend, niet voldoet aan de voorwaarden van het door haar goedgekeurde Ekimen-programma. De correcte toepassing van het Ekimen-programma [...] had moeten leiden tot het verlenen van een niet terug te betalen subsidie van ten hoogste 20 % van het BSE, berekend op grond van de totale, voor subsidiëring in aanmerking komende kosten" (bestreden beschikking, punt V.2.3, derde alinea). Immers, de Commissie is van mening dat het investeringsproject van Demesa voldoet aan het criterium van artikel 10, lid 1, van het decreet (10 % algemeen) alsmede aan dat van artikel 10, lid 4 (aanvullende verhoging met 5 %)" (bestreden beschikking, punt V.2.3, achtste alinea). Daarentegen is niet voldaan aan het criterium van artikel 10, lid 3, van het Ekimen-besluit, aangezien Vitoria-Gasteiz, de gemeente waar Demesa de investering doet, overeenkomstig het Ekimen-programma geen ,gebied van prioritair belang is" (bestreden beschikking, punt V.2.3, negende alinea). Ten slotte is de Commissie van oordeel dat de toekenning van twee tranches van 5 % uit hoofde van artikel 10, lid 2, van het decreet op een onjuiste toepassing van de [in de beschikking van 12 december 1996] door de Commissie goedgekeurde voorwaarden van de Ekimen-regeling berust" (bestreden beschikking, punt V.2.3, tiende alinea). Een project kan dus niet in aanmerking komen voor twee aanvullende tranches van 5 % als strategisch project" of als een project waarbij een aanzienlijk aantal arbeidsplaatsen wordt gecreëerd". Volgens de Commissie kan de toepassing van artikel 10, lid 2, van het Ekimen-besluit namelijk slechts tot een enkele verhoging van 5 % aanleiding geven.

115 Verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 voeren aan, dat Demesa recht had op de subsidie van 25 % van het BSE die haar door de Baskische regering is toegekend: 10 % op basis van artikel 10, punt 1, van het Ekimen-besluit; 5 % als strategisch project en 5 % als werkgelegenheid scheppend project op basis van artikel 10, punt 2; 5 % overeenkomstig de in artikel 10, punt 4, vastgestelde criteria. Demesa heeft dus krachtens artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit recht op twee verhogingen van 5 % van de subsidie, de eerste omdat de investering een strategisch project is en de tweede omdat het een project betreft dat in aanzienlijke mate bijdraagt tot het scheppen van werkgelegenheid, te weten een project waarbij ten minste 50 arbeidsplaatsen worden gecreëerd en waarmee een investering van 750 miljoen ESP is gemoeid. In de beschikking van 12 december 1996 tot goedkeuring van het Ekimen-programma, heeft de Commissie volgens hen ten onrechte vastgesteld, dat volgens artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit een subsidie van 5 % voor strategische projecten of" werkgelegenheid scheppende projecten mag worden verleend.

116 Verzoeksters stellen, dat de Commissie in haar beschikking van 12 december 1996 tot goedkeuring van de Ekimen-regeling een schrijffout heeft gemaakt. Er moet worden aangenomen, dat de Commissie de regeling heeft goedgekeurd zoals zij bij haar is aangemeld. Hoe dan ook, de Commissie is niet bevoegd om een aangemelde steunregeling eenzijdig te wijzigen. Indien het Ekimen-programma haar problematisch was geweest, had zij de onderzoekprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag kunnen inleiden en had zij een voorwaardelijke goedkeuringsbeschikking kunnen geven, hetgeen zij evenwel niet heeft gedaan.

117 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat tussen partijen vaststaat dat Demesa in het kader van het Ekimen-programma een subsidie van 25 % van het BSE heeft ontvangen, te weten 10 % ingevolge artikel 10, punt 1, van het besluit, tweemaal 5 % ingevolge artikel 10, punt 2, van het besluit, en 5 % ingevolge artikel 10, punt 4, van het besluit. Dat artikel 10, punt 2, van het besluit tweemaal werd toegepast, heeft de Commissie in de bestreden beschikking echter afgewezen.

118 Op grond van artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit mag voor een investeringsproject krachtens de betrokken steunregeling de subsidie slechts eenmaal met 5 % worden verhoogd.

119 Artikel 10 van het Ekimen-besluit, waarin het beginsel van een maximumsubsidie van 25 % wordt geformuleerd, omvat vier punten. In het eerste punt is sprake van een subsidie van 10 % en in de drie andere van een verhoging met telkens 5 % (zie punt 112 hierboven). Om het maximumbedrag van de subsidie niet te overschrijden, kunnen de punten 2 tot en met 4 van artikel 10 van het besluit telkens slechts recht geven op één enkele verhoging met 5 %.

120 Bovendien heeft de Baskische regering in de opmerkingen die door de permanente vertegenwoordiging van Spanje op 23 januari 1998 bij de Commissie zijn ingediend, verklaard dat een investeringsproject dat aan alle criteria van artikel 10, punten 1, 2 en 3, van het Ekimen-besluit voldoet, dwingend een brutosubsidie van 20 % moet ontvangen. Indien de door verzoeksters voorgestelde uitlegging van artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit juist was, zou een project dat aan alle criteria van artikel 10, punten 1, 2 en 3, zou voldoen, een brutosubsidie van 25 % moeten ontvangen, hetgeen zojuist werd weersproken.

121 Daar artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit slechts een verhoging van de subsidie met 5 % toestaat, moet worden geconcludeerd dat de lezing die de Commissie van deze bepaling geeft in de beschikking van 12 december 1996 [een (aanvullende) tranche van 5 % voor strategische projecten of werkgelegenheid scheppende projecten" (cursivering toegevoegd)] en in de bestreden beschikking, op een juiste uitlegging van deze bepaling berust.

122 Bijgevolg kon het investeringsproject van Demesa slechts recht geven op één enkele aanvullende tranche van 5 % krachtens artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit, zoals dit door de Commissie in de beschikking van 12 december 1996 is goedgekeurd.

123 Verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 voeren verder nog aan, dat alleen de autonome gemeenschap Baskenland een authentieke uitlegging van haar eigen regelingen kan geven.

124 Dit argument moet worden afgewezen. Alleen de Commissie is immers bevoegd de binnen de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag vallende steunmaatregelen van de staten goed te keuren. Daar de steunmaatregelen van de staten krachtens deze bepaling in beginsel verboden zijn, is een nationale regeling die steunelementen bevat, enkel wettig voorzover de steunelementen door de Commissie zijn goedgekeurd. Blijkens de beschikking van 12 december 1996 (zie punt 113 hierboven) wordt de door de autonome gemeenschap Baskenland aan artikel 10, punt 2, van het Ekimen-besluit gegeven uitlegging echter niet gedekt door de in deze beschikking gegeven goedkeuring. Blijkens de voorgaande analyse is de uitlegging die de Commissie in de beschikking van 12 december 1996 en in de bestreden beschikking aan het Ekimen-besluit geeft, bovendien volkomen verenigbaar met de tekst en de geest van het Ekimen-besluit.

125 Ten slotte merken verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 op, dat de Commissie in juli 1999 het nieuwe Ekimen-besluit (besluit 241/1999 van 8 juni 1999 houdende wijziging van het Ekimen-programma inzake financiële steun aan productieve industriële investeringen die werkgelegenheid scheppen) heeft goedgekeurd, volgens hetwelk voor strategische projecten en investeringsprojecten die in aanzienlijke mate bijdragen tot het scheppen van werkgelegenheid en waarbij ten minste 50 arbeidsplaatsen worden gecreëerd en waarmee een investering van 750 miljoen ESP is gemoeid, bovengenoemd percentage per geval met vijf punten wordt verhoogd".

126 Dit argument is irrelevant voor de beoordeling of de bestreden beschikking wettig is, aangezien de goedkeuring van de Commissie van juli 1999 is gegeven na de vaststelling van de bestreden beschikking en bovendien betrekking heeft op een nieuwe wettekst (zie in die zin arrest Gerecht van 12 december 2000, Alitalia/Commissie, T-296/97, Jurispr. blz. II-3871, punt 86).

127 Blijkens het voorgaande heeft de Commissie zich in de bestreden beschikking terecht op het standpunt gesteld, dat de toegestane maximumsubsidie uit hoofde van de Ekimen-regeling - zoals zij haar in de beschikking van 12 december 1996 had goedgekeurd - 20 % van het BSE bedraagt. Zij heeft dus de door Demesa ontvangen subsidie die dit plafond met 5 % overschrijdt, correct als nieuwe steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag aangemerkt (bestreden beschikking, punt V.2.3, veertiende alinea).

128 De grief inzake het door het Ekimen-programma toegestane maximumsubsidiebedrag moet dus worden afgewezen.

Kosten die in het kader van het Ekimen-programma voor subsidiëring in aanmerking komen

129 In de bestreden beschikking stelt de Commissie vast, dat aan derden overgedragen vaste activa overeenkomstig artikel 7 van het [Ekimen]decreet [...] niet voor subsidiëring in aanmerking komen. Volgens het [door de Baskische regering ingediende] auditverslag is een deel van de door Demesa gekochte productie-installaties (voor een bedrag van 300 miljoen ESP = 1 803 036,31 euro) echter bij derde ondernemingen geïnstalleerd. Deze installaties komen volgens de Ekimen-regeling bijgevolg niet voor subsidiëring in aanmerking en de financiering ervan vormt tevens een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag" (punt V.2.3, laatste alinea).

130 Verzoeksters in de zaken T-129/99 en T-148/99 merken op, dat artikel 7 van het Ekimen-besluit de subsidiëring van aan derden overgedragen activa niet verbiedt, maar enkel verklaart, dat in het algemeen [alleen de actieve die] niet aan derden zijn overgedragen, met of zonder tegenprestatie, [voor subsidiëring in aanmerking kunnen komen]". Hoe dan ook, de productie-installaties (matrijzen en stempels), die door de Commissie in punt V.2.3, laatste alinea, van de bestreden beschikking op 300 miljoen ESP (1 803 036,31 euro) zijn geraamd, zijn opgeslagen bij vier vennootschappen die om redenen van efficiency van verzoekster opdracht hebben gekregen om een gedeelte van het eindproduct te vervaardigen. Deze activa zijn evenwel uitsluitend eigendom van Demesa en het gebruik daarvan is uitsluitend voorbehouden aan Demesa. Deze activa zijn dus niet overgedragen".

131 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat de beschikking van 12 december 1996 tot goedkeuring van het Ekimen-programma (zie punt 2 hierboven), niet specifiek naar artikel 7, sub d, van het Ekimen-besluit verwijst.

132 Tussen partijen staat vast dat deze bepaling, die subsidiëring van aan derden overgedragen activa niet automatisch uitsluit, aldus moet worden uitgelegd, dat zij misbruik wil voorkomen. Artikel 7, sub d, van het Ekimen-besluit beoogt immers te beletten, dat steun die krachtens het Ekimen-besluit aan ondernemingen is verleend, wordt getransfereerd aan ondernemingen die niet aan de voorwaarden van dit besluit voldoen. Een dergelijk misbruik dreigt niet alleen wanneer een onderneming die op grond van het Ekimen-besluit een subsidie heeft ontvangen, de eigendom overdraagt van een goed waarvan de verwervingskosten voor de bepaling van het totale steunbedrag in aanmerking zijn genomen, maar ook indien de betrokken activa op voordelige voorwaarden ter beschikking van een andere onderneming worden gesteld. Economisch gezien is de juridische regeling van de transfer immers niet bepalend voor de beoordeling of een steunelement van de ene onderneming aan de andere is getransfereerd.

133 Gezien de doelstelling van artikel 7, sub d, van het Ekimen-besluit, moet echter worden aangenomen, dat wanneer er geen gevaar voor misbruik bestaat in verband met de transfer van de betrokken steun, de verwervingskosten van - zelfs naderhand overgedragen" - goederen kosten blijven die voor subsidiëring in aanmerking komen in het kader van het regionale steunprogramma Ekimen, zoals dat door de Commissie in de beschikking van 12 december 1996 is goedgekeurd (zie punt 2 hierboven).

134 Derhalve moet worden onderzocht, of de Commissie in de bestreden beschikking afdoend heeft aangetoond, dat in het onderhavige geval de niet-betwiste overdracht van bepaalde goederen aan vier vennootschappen een gevaar voor misbruik in verband met de transfer van steunelementen inhield.

135 In dit verband moet worden vastgesteld dat de Commissie in de bestreden beschikking niet heeft onderzocht, of de overdracht van bepaalde goederen waarvoor Demesa in het kader van het Ekimen-programma steun heeft ontvangen, aan de vier betrokken vennootschappen een voordeel heeft verschaft, dat zij onder normale marktvoorwaarden niet zouden hebben verkregen (zie in die zin arresten SFEI e.a., aangehaald in punt 72 hierboven, punt 60, en Spanje/Commissie, aangehaald in punt 73 hierboven, punt 41).

136 Bovendien moet worden vastgesteld dat de Commissie tijdens de administratieve procedure dit punt nimmer heeft onderzocht. In de mededeling met betrekking tot de onderhavige zaak, die in het Publicatieblad van 25 augustus 1998 (C 266, blz. 6) is gepubliceerd, heeft de Commissie immers zelfs niet geopperd, dat zij voornemens was bepaalde kosten met betrekking tot aan derden overgedragen goederen niet als voor subsidiëring in aanmerking komende kosten te beschouwen.

137 Daar het gevaar voor misbruik in verband met de transfer van steunelementen niet is bewezen, moet worden geconcludeerd, dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de aan derden overgedragen" goederen, die op 1 803 036,31 euro zijn geraamd, niet in aanmerking konden komen voor een subsidie krachtens het Ekimen-besluit. Door zich op het standpunt te stellen dat de door Demesa ontvangen subsidie voor de financiering van de betrokken goederen als nieuwe steun moet worden aangemerkt, die niet wordt gedekt door de beschikking van 12 december 1996 tot goedkeuring van het Ekimen-besluit, heeft de Commissie bijgevolg artikel 92, lid 1, van het Verdrag geschonden.

138 Derhalve moet in de zaken T-129/99 en T-148/99 artikel 1, sub c, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, voorzover daarbij van de in het kader van de Ekimen-steunregeling voor subsidiëring in aanmerking komende kosten installaties ten belope van 1 803 036,31 euro in mindering worden gebracht. In dezelfde zaken moet ook artikel 2, lid 1, sub a, van de bestreden beschikking nietig worden verklaard, voorzover daarbij het Koninkrijk Spanje wordt gelast, de steun terug te vorderen die Demesa krachtens het Ekimen-besluit zou hebben ontvangen voor de financiering van de op 1 803 036,31 euro geraamde goederen die aan derden zijn overgedragen".

Het vierde onderdeel: het belastingkrediet, bedoeld in artikel 1, sub d, van de bestreden beschikking

139 In artikel 1, sub d, van de bestreden beschikking kwalificeert de Commissie het verlenen van een belastingkrediet voor een bedrag van 45 % van de door de Diputación Foral van Álava in haar besluit (Acuerdo) 737/1997 van 21 oktober 1997 vastgestelde investeringskosten" als staatssteun.

140 In het kader van dit onderdeel beroepen verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 zich om te beginnen op de historische rechten van het Territorio Histórico de Álava op belastinggebied. Vervolgens betwisten zij dat het bij de betrokken belastingmaatregel om een specifieke maatregel gaat. Zij stellen, dat de door de Diputación Foral toegepaste zesde aanvullende bepaling van Norma Foral 22/1994 van 20 december 1994 een algemene belastingmaatregel is, die gelijkelijk ten goede komt aan alle belastingplichtigen die 2 500 miljoen ESP investeren. Zelfs indien de belastingmaatregel een specifiek karakter mocht hebben, wordt hij door de aard en de opzet van het betrokken belastingstelsel gerechtvaardigd. Ten slotte wijzen zij erop, dat de belastingmaatregel, zelfs indien hij als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag wordt aangemerkt, als een bestaande steunmaatregel moet worden beschouwd.

Historische rechten van het Territorio Histórico de Álava op belastinggebied

141 Verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 betogen, dat de Commissie bij haar toetsing van het belastingkrediet aan artikel 92, lid 1, van het Verdrag geen rekening heeft gehouden met de historische rechten van het Territorio Histórico de Álava op belastinggebied. Zij herinneren er dienaangaande aan, dat het Territorio Histórico de Álava al honderden jaren lang een fiscale autonomie heeft die door de grondwet van het Koninkrijk Spanje wordt erkend en beschermd.

142 Het Gerecht merkt op, dat het feit dat in casu het belastingkrediet werd toegekend op basis van een wettelijke regeling die door het Territorio Histórico de Álava en niet door de Spaanse Staat is vastgesteld, irrelevant is voor de toepassing van artikel 92, lid 1, van het Verdrag. Immers deze bepaling doelt met steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd" op alle steunmaatregelen die met overheidsmiddelen worden gefinancierd. Bijgevolg vallen de maatregelen van decentrale (gedecentraliseerde, federatieve, regionale of andere) lichamen van de lidstaten - ongeacht hun statuut en benaming - evenals de maatregelen van de federale of centrale overheid binnen de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, indien aan de voorwaarden van deze bepaling is voldaan (arrest Hof van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie, 248/84, Jurispr. blz. 4013, punt 17).

143 De argumenten die verzoekers aan de historische rechten van het Territorio Histórico de Álava op belastinggebied ontlenen, kunnen dus de wettigheid van de bestreden beschikking niet aantasten.

Het specifieke karakter van het belastingkrediet

- Inleidende opmerkingen

144 Er zij aan herinnerd, dat ingevolge artikel 92, lid 1, van het Verdrag een maatregel bepaalde ondernemingen of bepaalde producties" moet begunstigen, om als staatssteun te kunnen worden aangemerkt. Het specifieke of selectieve karakter van een maatregel is een van de kenmerken van het begrip steunmaatregel van de staat (arrest Hof van 1 december 1998, Ecotrade, C-200/97, Jurispr. blz. I-7907, punt 40; arrest Gerecht van 29 september 2000, CETM/Commissie, T-55/99, Jurispr. blz. II-3207, punt 39).

145 In de bestreden beschikking (punt V.2.4.1) verklaart de Commissie, dat het specifieke karakter van Norma Foral 22/1994 waarbij een belastingkrediet van 45 % van het investeringsbedrag wordt ingevoerd, blijkt uit vier criteria, te weten de discretionaire bevoegdheid waarover de Diputación Foral beschikte om vast te stellen welke investeringen in vaste activa die het bedrag van 2,500 miljard ESP overschreden, voor het belastingkrediet in aanmerking kwamen, om te beslissen op welk deel van de investeringen de aftrek van 45 % kon worden toegepast en om de in elk van de gevallen van toepassing zijnde termijnen en maxima vast te stellen" (punt V.2.4.1, veertiende alinea); het minimumbedrag van de investering (2 500 miljoen ESP) dat de toepassing van het belastingkrediet in de praktijk beperkt tot grote investeerders zonder dat deze beperking gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van het belastingstelsel waarop het een uitzondering vormt (punt V.2.4.1, zestiende alinea); de beperking in de tijd van het belastingkrediet die de autoriteiten in feite de mogelijkheid geeft het voordeel ervan slechts aan bepaalde ondernemingen toe te kennen" (punt V.2.4.1, zeventiende alinea) en de sterke overeenkomst tussen de [belasting]maatregel en de [regionale] steunregeling Ekimen, zowel wat de doelstellingen betreft (de financiering van nieuwe investeringen) als ten aanzien van hun geografische reikwijdte (regionaal in het ene geval en provinciaal in het andere geval)" (punt V.2.4.1, achttiende alinea).

146 Anders dan verzoekers stellen, heeft de Commissie zich in de bestreden beschikking voor haar conclusie dat de betrokken belastingmaatregel selectief is, dus niet gebaseerd op de vaststelling dat hij enkel van toepassing is op een deel van het Spaanse grondgebied, te weten Álava. Verzoekers kunnen dus niet stellen, dat in de bestreden beschikking de regelgevende bevoegdheid van het Territorio Histórico de Álava tot vaststelling van algemene belastingmaatregelen wordt betwist.

147 Met inachtneming van de argumenten van verzoekers moet derhalve worden onderzocht, of de door de Commissie in de bestreden beschikking aangevoerde gegevens de conclusie rechtvaardigen dat het bij Norma Foral 22/1994 ingevoerde belastingkrediet een specifieke maatregel vormt, die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties" begunstigt in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

- De gestelde discretionaire bevoegdheid van de Diputación Foral

148 Verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 voeren aan, dat de Diputación Foral de Álava niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt, of het nu is bij de keuze van de begunstigde ondernemingen, van de aanpassing van de intensiteit van het voordeel of van de toepassingsperiode van de belastingmaatregel. De Diputación Foral moet het belastingkrediet uniform en automatisch toepassen, nadat zij heeft vastgesteld of de begunstigde onderneming voldoet aan de in de wet gestelde voorwaarden. Onder verwijzing naar een verklaring van de directeur-generaal Financiën van Álava merken zij op, dat aan geen enkele onderneming die aan deze wettelijke voorwaarden voldoet, de toepassing van de litigieuze maatregel zou zijn geweigerd.

149 Het Gerecht herinnert eraan, dat maatregelen met een zuiver algemene strekking niet onder artikel 92, lid 1, van het Verdrag vallen. In de rechtspraak is evenwel reeds gepreciseerd, dat zelfs maatregelen die op het eerste gezicht op alle ondernemingen van toepassing zijn, in zekere mate selectief kunnen zijn en dus kunnen worden aangemerkt als maatregelen die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigen. Dat is met name het geval, wanneer de administratie die een algemene regel moet toepassen, bij de toepassing van de handeling over een zekere beoordelingsmarge beschikt (arrest Hof van 26 september 1996, Frankrijk/Commissie, C-241/94, Jurispr. blz. I-4551, punten 23 en 24; arrest Ecotrade, aangehaald in punt 144 hierboven, punt 40, en arrest Hof van 17 juni 1999, Piaggio, C-295/97, Jurispr. blz. I-3735, punt 39; conclusie van advocaat-generaal La Pergola bij arrest Spanje/Commissie, aangehaald in punt 73 hierboven, blz. I-2461, punt 8). Zo oordeelde het Hof in het arrest Frankrijk/Commissie (reeds aangehaald, punten 23 en 24), dat het stelsel van deelneming van het Franse Fonds de l'emploi in de begeleiding van sociale plannen van ondernemingen in moeilijkheden bepaalde ondernemingen in een gunstiger positie [kon] brengen dan andere en dus de kenmerken van steun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag [kon] hebben", daar de betrokken instantie [krachtens wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de deelneming van de staat in de begeleiding van sociale plannen] over een discretionaire bevoegdheid [beschikte] waardoor [zij] de financiële bijdrage op grond van diverse criteria [kon] aanpassen, zoals onder meer de keuze van de begunstigden, de hoogte van de financiële bijdrage en de voorwaarden voor de tegemoetkoming".

150 Vastgesteld moet worden dat krachtens de bepalingen van Norma Foral 22/1994 de Diputación Foral de Álava over een zekere beoordelingsmarge beschikt bij de toepassing van het belastingkrediet. Uit Norma Foral 22/1994 (zie punt 8 hierboven) blijkt namelijk, dat het belastingkrediet gelijk is aan 45 % van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de Diputación Foral van Álava". Op grond van Norma Foral 22/1994 kan de Diputación Foral de Álava niet alleen het toelaatbare investeringsbedrag vaststellen, maar ook het bedrag van de financiële bijdrage aanpassen. Voorts is volgens Norma Foral 22/1994 de Diputación Foral de Álava bevoegd tot vaststelling van de termijnen en de maximumbedragen die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn".

151 Met de toekenning van een discretionaire bevoegdheid aan de Diputación Foral de Álava kunnen de bepalingen van Norma Foral 22/1994 inzake het belastingkrediet bepaalde ondernemingen in een gunstiger positie brengen dan andere. Bijgevolg moet de belastingmaatregel worden geacht, aan de voorwaarde van specificiteit te voldoen.

152 Verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 kunnen geen argument ontlenen aan het feit dat aan geen enkele onderneming die aan de in de wet gestelde voorwaarden voldoet, de toepassing van het belastingkrediet zou zijn geweigerd. Een dergelijke verklaring toont immers niet aan, dat alle verzoeken door de Diputación Foral onder dezelfde voorwaarden zijn goedgekeurd.

153 De betrokken verzoekers voeren ook nog aan, dat de discretionaire bevoegdheid waarover de Diputación Foral de Álava beschikt, hoe dan ook niet kan worden aangemerkt als een bevoegdheid tot vaststelling van willekeurige besluiten. Immers, krachtens artikel 9 van de Spaanse grondwet is willekeur van de overheid verboden.

154 Zoals de Commissie evenwel opmerkt, behoeft voor de uitsluiting van de kwalificatie van algemene maatregel niet te worden nagegaan, of de belastingdienst willekeurig heeft gehandeld. Het volstaat namelijk dat, zoals in casu is gedaan, wordt aangetoond dat die dienst over een discretionaire beoordelingsmarge beschikt, waardoor hij het bedrag of de voorwaarden voor toekenning van het betrokken belastingvoordeel op grond van de kenmerken van de aan zijn beoordeling onderworpen investeringsprojecten kan aanpassen.

- Minimumbedrag van de investering

155 In de bestreden beschikking wordt het volgende verklaard (punt V.2.4.1, zestiende alinea):

De Commissie [is] van oordeel dat [...] het minimumbedrag van de investering (2 500 miljoen ESP) dat recht geeft op een dergelijk krediet, voldoende hoog ligt om de toepassing van het krediet in de praktijk te beperken tot investeringen waarmee belangrijke bedragen gemoeid zijn en dat het niet gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van het belastingsysteem waarop het een uitzondering vormt. Het feit dat alleen grote investeerders toegang hebben tot het belastingkrediet, verleent dit een specifiek karakter, dat op zijn beurt ertoe leidt dat het als staatssteun in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag wordt aangemerkt."

156 Verzoekers in de zaken T-127/99 en T-148/99 stellen, dat het vereiste van een minimuminvestering van 2 500 miljoen ESP een objectieve voorwaarde is die geen discriminatie teweegbrengt tussen marktdeelnemers of economische sectoren. Zij wijzen erop, dat in Baskenland de totale belastingdruk groter is dan in de rest van Spanje. Alle belastingstelsels bevatten maatregelen voor de verlening of naleving waarvan een kwantitatief criterium geldt. Bovendien heeft de Commissie zelf kwantitatieve criteria gehanteerd in verschillende richtlijnen, aanbevelingen of mededelingen op belastinggebied. Een kwantitatief criterium is het meest objectieve middel om de werkingssfeer van een bepaalde belastingmaatregel te beperken. In casu bevoordeelt het vereiste met betrekking tot het investeringsbedrag geen enkele onderneming of speciale sector. De Commissie heeft verder niet de drempel aangegeven waaronder een dergelijk vereiste niet als een selectief element wordt beschouwd. Zou de betwiste maatregel als een voordeel voor de grote ondernemingen worden beschouwd, dan moet rekening worden gehouden met het bestaan van vele communautaire programma's inzake steun aan kleine en middelgrote ondernemingen (KMO), alsmede met de soepeler toepassingsvoorwaarden die met betrekking tot de staatssteunregeling voor hen gelden.

157 Het Gerecht stelt vast dat de Baskische autoriteiten, door de toepassing van het belastingkrediet te beperken tot investeringen in nieuwe materiële vaste activa die meer dan 2 500 miljoen ESP bedragen, de facto het betrokken belastingvoordeel hebben voorbehouden aan ondernemingen die over aanzienlijke financiële middelen beschikken. De Commissie mocht dus concluderen, dat het in Norma Foral 22/1994 bedoelde belastingkrediet op selectieve wijze kan worden toegepast op bepaalde ondernemingen" in de zin van artikel 92, lid 1, van het Verdrag.

158 Zelfs aangenomen dat de totale belastingdruk in Baskenland groter is dan in de rest van Spanje, neemt dat niet weg dat Norma Foral 22/1994 het betrokken belastingvoordeel voorbehoudt aan bepaalde ondernemingen die onder de Baskische fiscale regeling vallen.

159 Bovendien kan het feit dat fiscale regelingen vaak voordelen bevatten voor de KMO's of dat de Commissie in verschillende richtlijnen, aanbevelingen of mededelingen kwantitatieve criteria hanteert, ook niet de conclusie rechtvaardigen dat Norma Foral 22/1994 door de invoering van een belastingvoordeel enkel ten gunste van ondernemingen die over aanzienlijke financiële middelen beschikken, buiten de werkingssfeer van artikel 92, lid 1, van het Verdrag zou vallen. Verder zij nog opgemerkt, dat selectieve maatregelen ten gunste van de KMO's wel degelijk als staatssteun worden aangemerkt (zie communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen, PB 1996, C 213, blz. 4).

De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex

Aangehaald in