Gerecht EU 10 mei 2001, T-186/97, ECLI:EU:T:2001:133
Tekst
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Schending van wezenlijke vormvoorschriften - Onderzoek ambtshalve door rechter
[EG-Verdrag, art. 173 (thans, na wijziging, art. 230 EG)]
2. Procedure - Interventie - Verzoekschrift dat strekt tot ondersteuning van conclusies van een van partijen, maar waarin andere argumenten worden voorgedragen - Ontvankelijkheid - Vrije keuze van aangevoerde middelen - Omvang
(Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 116, lid 4)
3. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten - Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 - Beslissingsbevoegdheid van Commissie - Recht van betrokken marktdeelnemer om te worden gehoord - Omvang
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13; verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 905)
4. Gemeenschapsrecht - Eerbiediging van rechten van verdediging - Grondbeginsel - Werkingssfeer - Douanezaken - Administratieve procedure voor kwijtschelding van invoerrechten - Draagwijdte van beginsel
(Verordening nr. 2454/93 van de Commissie, art. 905)
5. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten - Bijzondere situatie" - Omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid" van kant van belanghebbende inhouden - Begrippen
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13)
6. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten - Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 - Strekking - Beslissingsbevoegdheid van Commissie - Wijze van uitoefening - Bijzondere situatie" - Begrip - Ernstige tekortkomingen van overeenkomstsluitende partijen bij toepassing van overeenkomst die Gemeenschap bindt - Ernstig tekortschieten van Commissie
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13)
7. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten - Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 - Navordering van in- of uitvoerrechten - Artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 - Strekking
(Verordeningen van de Raad nr. 1430/79, art. 13, en nr. 1697/79, artikel 5, lid 2)
8. Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Verplichtingen van overeenkomstsluitende partijen
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije)
9. Commissie - Verplichtingen - Toepassing van Associatieovereenkomst EEG-Turkije
[EG-Verdrag, art. 155 (thans art. 211 EG)]
10. Internationale overeenkomsten - Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Twijfel omtrent geldigheid van certificaten inzake goederenverkeer - Verplichting om eerst gebruik te maken van geschillenprocedure van overeenkomst
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije, art. 25)
11. Internationale overeenkomsten - Overeenkomsten van Gemeenschap - Nakoming door derde land van aangegane verplichtingen - Spanningen tussen Gemeenschap en dat land - Verplichtingen van Commissie - Omvang - Grenzen
[EG-Verdrag, art. 155 (thans art. 211 EG)]
12. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Navordering van in- of uitvoerrechten - Voorwaarden voor toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 - Vergissing van administratie die belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken" - Beoordelingscriteria
(Verordening nr. 1697/79 van de Raad, art. 5, lid 2)
13. Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten - Artikel 13 van verordening nr. 1430/79 - Klaarblijkelijke nalatigheid" - Bewijslast
(Verordening nr. 1430/79 van de Raad, art. 13)
Samenvatting
1. Het Gerecht kan de schending van het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging ambtshalve onderzoeken, aangezien het een wezenlijk vormvoorschrift betreft.
( cf. punten 134-135 )
2. Volgens artikel 116, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mag de interveniënt de conclusies van de partij ter ondersteuning waarvan hij is tussengekomen, niet verruimen, doch is hij vrij in de keuze van de middelen en argumenten waarmee hij die conclusies ondersteunt.
( cf. punt 137 )
3. De eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die voor de belanghebbende tot een bezwarend besluit kan leiden, is een grondbeginsel van gemeenschapsrecht dat zelfs bij ontbreken van enige regeling van de betrokken procedure in acht moet worden genomen. Dit beginsel houdt in dat eenieder tegen wie een bezwarend besluit kan worden genomen, zijn standpunt behoorlijk kenbaar moet kunnen maken, op zijn minst over de elementen die de Commissie als basis voor de litigieuze beslissing tegen hem in aanmerking neemt. Gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de Commissie beschikt wanneer zij een beschikking geeft overeenkomstig de algemene billijkheidsclausule van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, dient de eerbiediging van het recht om te worden gehoord a fortiori te worden gegarandeerd in de procedures krachtens die verordening. Dit geldt in het bijzonder wanneer de Commissie in het kader van de uitsluitende bevoegdheid waarover zij beschikt ingevolge artikel 905 van verordening nr. 2454/93, wil afwijken van het standpunt van de nationale autoriteit wat de vraag betreft of is voldaan aan de voorwaarden van dat artikel 13, en inzonderheid of de belanghebbende een klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.
( cf. punten 151-153, 155 )
4. De eerbiediging van de rechten van de verdediging, een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, houdt niet alleen in dat de belanghebbende de gelegenheid krijgt zich behoorlijk te uiten over de relevantie van de feiten, maar ook dat hij minstens zijn standpunt kan bepalen over de documenten waarop de gemeenschapsinstelling zich baseert.
Op grond van het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging is vereist dat degene die om kwijtschelding van invoerrechten verzoekt, de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt te bepalen over de documenten waarop de Commissie de bestreden beschikking heeft gebaseerd.
Het is niet aan de Commissie te beslissen over de eventuele relevantie of het eventuele belang van bepaalde documenten voor de verdediging van een partij. Het is namelijk niet uit te sluiten dat stukken die volgens de Commissie irrelevant zijn, voor de verzoekende partij wel van belang zijn. Zou de Commissie eenzijdig stukken uit de administratieve procedure kunnen weren die eventueel voor haar nadelig zijn, zou zulks een ernstige schending vormen van de rechten van de verdediging van degene die om kwijtschelding van invoerrechten verzoekt.
( cf. punten 179, 185 )
5. Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten, stelt die terugbetaling of kwijtschelding afhankelijk van twee cumulatieve voorwaarden, te weten het bestaan van een bijzondere situatie en het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie van de kant van de belanghebbende.
Het bestaan van een bijzondere situatie is aangetoond, wanneer uit de omstandigheden van het concrete geval blijkt dat de belastingschuldige in een uitzonderlijke situatie verkeert vergeleken met de andere marktdeelnemers die dezelfde activiteit verrichten, en dat hij anders geen nadeel zou hebben ondervonden in verband met de boeking achteraf van de douanerechten.
Wat de voorwaarde van het ontbreken van klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie van de zijde van de belanghebbende betreft, komt het criterium dat de vergissing kan worden ontdekt in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79, overeen met klaarblijkelijke nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, zodat de voorwaarden van deze bepaling van verordening nr. 1430/79 moeten worden beoordeeld in het licht van die van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79.
( cf. punten 217-220 )
6. Artikel 13 van verordening nr. 1430/79, volgens hetwelk tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in bijzondere situaties die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de belanghebbende inhouden, is een algemene billijkheidsclausule.
Teneinde uit te maken of de omstandigheden van het concrete geval een bijzondere situatie opleveren in de zin van die bepaling, moet de Commissie de relevante feitelijke gegevens in hun geheel onderzoeken. In gevallen waarin voor kwijtscheldingsverzoeken een beroep wordt gedaan op ernstige tekortkomingen van de overeenkomstsluitende partijen bij de toepassing van een overeenkomst waardoor de Gemeenschap wordt gebonden, brengt deze verplichting mee dat de Commissie bij haar onderzoek van de gegrondheid van die verzoeken rekening houdt met alle feitelijke omstandigheden van de litigieuze invoer waarvan zij kennis heeft gekregen in de uitoefening van haar toezichthoudende en controlerende taak in het kader van de toepassing van die overeenkomst. Evenmin mag zij relevante inlichtingen buiten beschouwing laten waarvan zij in de uitoefening van haar taak kennis heeft gekregen en die, hoewel zij in het stadium van de nationale procedure niet in het administratieve dossier waren opgenomen, eventueel een kwijtschelding ten gunste van de belanghebbenden hadden kunnen rechtvaardigen.
Voorts beschikt de Commissie bij de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 weliswaar over een beoordelingsmarge, doch moet zij bij de uitoefening van die bevoegdheid het belang van de Gemeenschap bij de naleving van de douaneregels en het belang van de importeur te goeder trouw, geen nadeel te lijden dat verder gaat dan het normale handelsrisico, werkelijk tegen elkaar afwegen. Bij haar onderzoek van de gegrondheid van een kwijtscheldingsverzoek mag de Commissie dus niet uitsluitend rekening houden met de gedragingen van de importeurs. Zij dient eveneens rekening te houden met de gevolgen van haar eigen, eventueel onrechtmatige, gedragingen voor de betrokken situatie.
( cf. punten 216, 222-225 )
7. Volgens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 behoeven de bevoegde autoriteiten niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte. Derhalve is het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige slechts vatbaar voor bescherming uit hoofde van die bepaling, indien het de bevoegde autoriteiten zelf zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige. Deze voorwaarde kan niet vervuld worden geacht, wanneer de bevoegde autoriteiten inzonderheid met betrekking tot de oorsprong van de goederen zijn misleid door onjuiste verklaringen van de belastingschuldige, waarvan zij de geldigheid niet behoeven te controleren of beoordelen. In een dergelijk geval is het de belastingschuldige die het risico moet dragen dat voortvloeit uit een handelsdocument dat bij een latere controle vals blijkt te zijn.
Ook al hebben artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en artikel 13 van verordening nr. 1430/79, volgens hetwelk de bevoegde autoriteiten tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kunnen overgaan in bijzondere situaties die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de belanghebbende inhouden, hetzelfde doel, die bepalingen stemmen niet in alle opzichten met elkaar overeen. Eerstgenoemde bepaling heeft namelijk een beperktere doelstelling dan de laatstgenoemde, aangezien zij uitsluitend de bescherming beoogt van het gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot navordering van douanerechten over te gaan, terwijl artikel 13 van verordening nr. 1430/79 een algemene billijkheidsclausule is.
Wanneer de bevoegde autoriteiten geen douanerechten hebben geboekt omdat zij door verklaringen van exporteurs zijn misleid, kan de belastingschuldige derhalve geen beroep doen op artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Gezien artikel 4, punt 2, sub c, van verordening nr. 3799/86 en artikel 904, sub c, van verordening nr. 2454/93 kan de belastingschuldige evenmin stellen, dat de overlegging van ongeldige certificaten en derhalve de vergissing van die bevoegde autoriteiten op zich een bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 vormen. Die bepalingen staan daarentegen niet eraan in de weg dat de belastingschuldige andere omstandigheden aanvoert ter motivering van zijn verzoek om kwijtschelding op grond van artikel 13 van verordening nr. 1430/79. Er kan namelijk bijvoorbeeld niet worden uitgesloten, dat de vergissing van de bevoegde autoriteiten op haar beurt in de hand is gewerkt door een gebrekkige controle van de Commissie op de toepassing van de bepalingen van een associatieovereenkomst, wat een bijzondere situatie kan opleveren.
( cf. punten 231-235 )
8. Overeenkomstig artikel 7 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de EEG en Turkije, dienen de overeenkomstsluitende partijen alle algemene of bijzondere maatregelen te nemen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, en zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van die overeenkomst in gevaar kunnen brengen. Deze bepaling is de uitdrukking van het beginsel pacta sunt servanda" alsmede van het beginsel van goede trouw, waardoor partijen bij een overeenkomst van internationaal publiekrecht zich moeten laten leiden.
( cf. punt 237 )
9. Ingevolge artikel 155 van het Verdrag (thans artikel 211 EG) en het beginsel van behoorlijk bestuur is de Commissie verplicht, de juiste toepassing te verzekeren van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de EEG en Turkije, en het Aanvullend Protocol.
( cf. punt 257 )
10. Volgens de opzet van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de EEG en Turkije, moet de Commissie bij twijfel omtrent de geldigheid van door de Turkse douaneautoriteiten afgegeven certificaten inzake goederenverkeer A.TR.1, gebruik maken van de geschillenprocedure van artikel 25 van die overeenkomst alvorens de certificaten ongeldig te verklaren. Dit klemt te meer omdat de overeenkomst niet voorziet in de mogelijkheid voor een overeenkomstsluitende partij om de door de douaneautoriteiten van de andere overeenkomstsluitende partij afgegeven certificaten ongeldig te verklaren. Bovendien lijkt een dergelijke handelwijze moeilijk verenigbaar met het stelsel van bevoegdheidsverdeling tussen de douaneautoriteiten van partijen bij de overeenkomst en met het beginsel dat de douaneadministratie van het land van invoer de door de autoriteiten van het land van uitvoer rechtsgeldig uitgebrachte beoordelingen erkent.
( cf. punt 270 )
11. Het bestaan van spanningen tussen de Gemeenschap en een derde land ontslaat de Commissie als hoedster van het Verdrag en van de op de grondslag daarvan gesloten overeenkomsten niet van de plicht om zich via de in de overeenkomst voorziene middelen of de op de grondslag daarvan genomen besluiten te vergewissen van de juiste nakoming door dit land van de verplichtingen die dit op grond van een met de Gemeenschap gesloten overeenkomst is aangegaan. Is zij wegens het bestaan van die spanningen niet in staat aan die verplichting te voldoen, inzonderheid omdat de haar ter beschikking gestelde middelen onwerkzaam of ondoeltreffend blijken te zijn, dan dient zij op zijn minst de lidstaten onverwijld in kennis te stellen van de maatregelen die moeten worden getroffen om eventuele schade voor de Gemeenschap en haar marktdeelnemers te voorkomen. In geen geval mag de Commissie gebruik maken van haar uitsluitende bevoegdheid inzake navordering en kwijtschelding van invoerrechten om de gebrekkige toepassing van een tussen de Gemeenschap en een derde land gesloten overeenkomst te compenseren.
( cf. punten 271-272 )
12. Om te beoordelen of de belastingschuldige de vergissing van de bevoegde autoriteiten redelijkerwijze niet kon ontdekken" in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, dient met name te worden gelet op de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de betrokken ondernemer en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid. Bij die beoordeling moet rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van het concrete geval. Bij de beoordeling van de aard van de vergissing wordt in het bijzonder gelet op de tijdsspanne gedurende welke de bevoegde autoriteiten zich zijn blijven vergissen en op de complexiteit van de betrokken bepalingen.
( cf. punten 279, 282 )
13. Overeenkomstig artikel 13 van verordening nr. 1430/79 kan tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten worden overgegaan in bijzondere situaties die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de belanghebbende inhouden. Het staat aan de Commissie om het bewijs te leveren van een klaarblijkelijke nalatigheid wanneer de verzoekende partijen hun koopcontracten hebben gesloten en tot de betrokken invoer zijn overgegaan volgens de geldende handelsgebruiken.
( cf. punt 297 )
Partijen
In de gevoegde zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97-T-218/97, T-279/97, T-280/97, T-293/97 en T-147/99,
Kaufring AG, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-186/97,
Crown Europe GmbH, gevestigd te Gelsenkirchen (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-187/97,
Profex Electronic Verwaltungsgesellschaft mbH, gevestigd te Tiefenbach (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Sobotta, vervolgens door E. O. Rau, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-190/97,
Horten AG, gevestigd te Düsseldorf, vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-191/97,
Dr. Seufert GmbH, gevestigd te Karlsruhe (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-192/97,
Grundig AG, gevestigd te Fürth (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-210/97,
Hertie Waren- und Kaufhaus GmbH, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-211/97,
Lema SA, gevestigd te Gennevilliers (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Goguel, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-216/97,
Masco SA, voorheen Seiga SA (High Tech Industries), gevestigd te Thiais (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Goguel, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in de zaken T-217/97 en T-218/97,
DFDS Transport BV, gevestigd te Venlo (Nederland), vertegenwoordigd door C. Grisart, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-279/97,
Wilson Holland BV, gevestigd te Hoogvliet Rotterdam (Nederland), vertegenwoordigd door C. Grisart, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-280/97,
Elta GmbH, gevestigd te Dreieich-Sprendlingen (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Breit en A. Breit, advocaten,
verzoekster in zaak T-293/97,
Miller NV, gevestigd te Willebroek (België), vertegenwoordigd door Y. Van Gerven en I. Bernaerts, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster in zaak T-147/99,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-279/97, T-280/97 en T-293/97 vertegenwoordigd door M. Ewing en R. V. Magrill, bijgestaan door D. Wyatt, QC, als gemachtigden, en in de zaken T-216/97-T-218/97 vertegenwoordigd door D. Cooper, bijgestaan door D. Wyatt, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënt in de zaken T-186/97, T-187/97,
T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97-T-218/97,
T-279/97, T-280/97 en T-293/97,
Bondsrepubliek Duitsland, aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Röder en C.-D. Quassowski, vervolgens door W. D. Plessing en C.-D. Quassowski als gemachtigden,
interveniënte in de zaken T-186/97, T-187/97,
T-190/97-T-192/97 en T-210/97,
en
Franse Republiek, aanvankelijk vertegenwoordigd door K. Rispal-Bellanger, G. Mignot en F. Pascal, vervolgens door K. Rispal-Bellanger en C. Vasak als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënte in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97,
T-210/97, T-211/97 en T-216/97-T-218/97,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97 en T-293/97 vertegenwoordigd door R. B. Wainwright, aanvankelijk bijgestaan door K. Schreyer, vervolgens door G. zur Hausen, als gemachtigden, in de zaken T-216/97-T-218/97 aanvankelijk vertegenwoordigd door M. Nolin, vervolgens door R. Tricot, als gemachtigden, bijgestaan door A. Barav, advocaat en barrister, in de zaken T-279/97 en T-280/97 vertegenwoordigd door R. B. Wainwright, bijgestaan door R. Tricot, als gemachtigden, en in zaak T-147/99 vertegenwoordigd door R. Tricot als gemachtigde, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97-T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-279/97, T-280/97 en T-293/97 een beroep tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 19 februari, 25 maart en 5 juni 1997 houdende vaststelling dat de kwijtschelding van invoerrechten niet gerechtvaardigd is, en in de zaken T-216/97-T-218/97 en T-147/99 een beroep tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 24 april 1997 en 26 maart 1999 houdende vaststelling dat de invoerrechten moeten worden nagevorderd en dat de kwijtschelding van die rechten niet gerechtvaardigd is,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, J. Azizi en M. Jaeger, rechters,
griffier: P. de Bandt, referendaris,
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 10 juli 2000,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Rechtskader
I - De regeling inzake de compenserende heffing
A - Associatieovereenkomst EEG-Turkije
1 De onderhavige zaken moeten worden geplaatst in het kader van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Associatieovereenkomst"), die te Ankara is ondertekend door de Turkse Republiek enerzijds en door de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds (hierna: overeenkomstsluitende partijen"). De Associatieovereenkomst is goedgekeurd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685) en op 1 december 1964 in werking getreden.
2 Volgens artikel 2, dat deel uitmaakt van titel I, De beginselen", heeft de Associatieovereenkomst tot doel, de gestadige en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen.
3 De Associatieovereenkomst omvat een voorbereidende fase, waarin Turkije in staat wordt gesteld zijn economie te versterken met steun van de Gemeenschap (artikel 3), een overgangsfase voor het geleidelijk tot stand brengen van een douane-unie en het nader tot elkaar brengen van het economisch beleid van Turkije en dat van de Gemeenschap (artikel 4), en een definitieve fase die is gegrondvest op de douane-unie en die een versterking van de coördinatie van het economisch beleid van de overeenkomstsluitende partijen omvat (artikel 5). Volgens artikel 28 moet de Associatieovereenkomst het op termijn toelaten, de mogelijkheid van een toetreding van Turkije tot de Gemeenschap te onderzoeken.
4 Luidens artikel 7 nemen de overeenkomstsluitende partijen alle algemene of bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Associatieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren en onthouden zij zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de overeenkomst in gevaar kunnen brengen.
5 De artikelen 22 en 23, die staan in titel III, Algemene en slotbepalingen", voorzien in de instelling van een Associatieraad, bestaande uit leden van de regeringen van de lidstaten, de Raad en de Commissie enerzijds en uit leden van de Turkse regering anderzijds. De Associatieraad, die zich uitspreekt met eenparigheid van stemmen, is bevoegd tot het nemen van besluiten voor de verwezenlijking van de in de Associatieovereenkomst vermelde doelstellingen. Artikel 25 verklaart de Associatieraad bevoegd, elk door een overeenkomstsluitende partij aan hem voorgelegd geschil inzake de toepassing of de uitlegging van de Associatieovereenkomst te beslechten of dit aan het Hof van Justitie voor te leggen.
6 Ten slotte wordt in artikel 1 van de Overeenkomst inzake maatregelen en procedures nodig ter toepassing van de Associatieovereenkomst (PB 1964, 217, blz. 3703) geregeld, op welke wijze het gemeenschappelijk standpunt van de vertegenwoordigers van de Gemeenschap en van de lidstaten in de Associatieraad wordt bepaald.
B - Artikel 3, lid 1, van het Aanvullend Protocol
7 Teneinde vast te stellen onder welke voorwaarden, op welke wijze en in welk ritme de in de Associatieovereenkomst bedoelde overgangsfase ten uitvoer zal worden gelegd, hebben de overeenkomstsluitende partijen op 23 november 1970 te Brussel een Aanvullend Protocol ondertekend. Dit Protocol is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1).
8 Aangezien de in de Associatieovereenkomst bedoelde definitieve fase pas op 31 december 1995 in werking is getreden (besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie; PB 1996, L 35, blz. 1), waren op het tijdstip van de invoer bedoeld in de beschikkingen van de Commissie waarvan in de onderhavige zaken de nietigverklaring wordt gevorderd, de bepalingen van het Aanvullend Protocol van toepassing.
9 Een van die bepalingen is artikel 3, lid 1, volgens hetwelk de bepalingen van het protocol inzake de afschaffing van de douanerechten en kwantitatieve beperkingen (hierna: preferentiële regeling") eveneens van toepassing [zijn] op in de Gemeenschap of in Turkije vervaardigde goederen waarin producten uit derde landen zijn verwerkt, die zich noch in de Gemeenschap noch in Turkije in het vrije verkeer bevonden".
10 Volgens voormeld artikel 3, lid 1, is de toepassing van de preferentiële regeling op deze goederen evenwel afhankelijk van een compenserende heffing in het land van uitvoer, waarvan de hoogte gelijk is aan een percentage van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief die worden geheven op producten uit derde landen die daarin zijn verwerkt (hierna: compenserende heffing").
11 Tevens is daarin bepaald, dat de Associatieraad het percentage van de compenserende heffing en de wijze van inning ervan vaststelt. Ten slotte stelt de Associatieraad de wijzen van administratieve samenwerking ter toepassing van artikel 3, lid 1, van het Aanvullend Protocol vast (artikel 4 van het Aanvullend Protocol).
12 Op grond van laatstbedoelde bepalingen heeft de Associatieraad een aantal besluiten betreffende de compenserende heffing vastgesteld.
13 Bij besluit nr. 2/72 van 29 december 1972 (niet bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen) heeft de Associatieraad het voor de berekening van de compenserende heffing geldende percentage van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief vastgesteld op 100 voor de in Turkije vervaardigde goederen.
14 Bij besluit nr. 3/72 van 29 december 1972 (niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) heeft de Associatieraad de wijze van inning van de compenserende heffing vastgesteld. Volgens dit besluit moet de heffing worden berekend op basis van de soort en de douanewaarde van de producten van oorsprong uit landen die geen deel uitmaken van de associatie, die zijn gebruikt bij de vervaardiging van goederen op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen (hierna: onderdelen van oorsprong uit derde landen") (artikel 1). In geval van vrijstelling of van gedeeltelijke of gehele schorsing van de douanerechten over die onderdelen van oorsprong uit derde landen is compenserende heffing verschuldigd ten belope van het bedrag van de niet-geïnde rechten (artikel 3). De Gemeenschap en Turkije verstrekken elkaar onderling inlichtingen en stellen de Associatieraad op de hoogte van de maatregelen die zij treffen om de uniforme toepassing van het besluit te verzekeren (artikel 4).
15 Ten slotte heeft de Associatieraad op 29 december 1972 besluit nr. 5/72 betreffende de methoden van administratieve samenwerking ter toepassing van de artikelen 2 en 3 van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst van Ankara (PB 1973, L 59, blz. 74) vastgesteld, volgens hetwelk een bewijsstuk dat op verzoek van de exporteur door de douaneautoriteiten van Turkije of van een lidstaat is afgegeven, moet worden overgelegd om voor de preferentiële regeling in aanmerking te komen. Voor goederen die rechtstreeks van de Gemeenschap naar Turkije worden vervoerd, is dat bewijsstuk het certificaat inzake goederenverkeer A.TR.1 (hierna: A.TR.1-certificaat"), waarvan een model aan het besluit is gehecht (artikel 2). Dit model is vervangen door het formulier dat is gehecht aan besluit nr. 1/78 van de Associatieraad van 18 juli 1978 tot wijziging van besluit nr. 5/72 (PB L 253, blz. 2).
16 Op de achterkant van dit formulier is een toelichting opgenomen over goederen welke voor het viseren van een [A.TR.1-certificaat] in aanmerking komen". Volgens punt I, 1, sub c, van die toelichting is dit het geval voor goederen welke in de uitvoerende staat zijn vervaardigd en waarin producten zijn verwerkt op welke de toepasselijke douanerechten en heffingen van gelijke werking niet zijn geheven of waarvoor gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten of heffingen is verleend, onder voorbehoud dat, indien daartoe aanleiding bestaat, de ten aanzien van die goederen voorziene heffing wordt geïnd".
17 Artikel 11 van besluit nr. 5/72 bepaalt, dat de lidstaten en Turkije elkaar, ter verzekering van een juiste toepassing van de bepalingen van dit besluit", door tussenkomst van hun onderscheiden douaneadministraties bijstand verlenen met het oog op de controle van de echtheid en de regelmatigheid van de certificaten. Artikel 12 van besluit nr. 5/72 bepaalt vervolgens: [De Republiek] Turkije, de lidstaten en de Gemeenschap nemen elk voor zich de nodige maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van dit besluit."
C - De uitvoering van de regeling inzake de compenserende heffing door de Turkse autoriteiten
1. De periode vóór de vaststelling van het decreet van januari 1994
18 Tot 15 januari 1994 had de Turkse regering geen algemene regeling ingevoerd voor de inning van een compenserende heffing overeenkomstig artikel 3, lid 1, van het Aanvullend Protocol van goederen bij de vervaardiging waarvan onderdelen van oorsprong uit derde landen waren gebruikt die in Turkije niet in het vrije verkeer waren gebracht. De Turkse regering had daarentegen een uitvoerstimuleringsprogramma uitgewerkt en in juni 1992 twee decreten vastgesteld betreffende de inning van een compenserend recht en de schorsing van bepaalde invoerrechten.
a) Het uitvoerstimuleringsprogramma
19 Ter bevordering van de uitvoer van Turkse producten naar de Gemeenschap en derde landen hadden de Turkse autoriteiten een uitvoerstimuleringsprogramma uitgewerkt (export incentive scheme"). Dit programma voorzag in een vrijstelling van invoerrechten voor onderdelen van oorsprong uit derde landen, voorzover die onderdelen werden gebruikt voor de vervaardiging van producten die vervolgens naar de Gemeenschap of naar derde landen werden uitgevoerd. De Turkse ondernemingen die voor die vrijstelling in aanmerking wensten te komen, dienden te beschikken over een door de Turkse autoriteiten afgegeven uitvoerstimuleringscertificaat. De naam van de door het programma begunstigde ondernemingen werd jaarlijks in de Turkse Staatscourant bekendgemaakt. De vrijstelling van de douanerechten bij invoer gold slechts op voorwaarde dat de producten waarin die onderdelen waren verwerkt, vóór het verstrijken van een bepaalde termijn na de invoer van die onderdelen in Turkije, werden uitgevoerd. Bij de invoer werden de normaliter verschuldigde rechten berekend en bij een bank gedeponeerd. Nadat het gerede product was uitgevoerd, moest de onderneming vervolgens aantonen dat de uitvoer had plaatsgevonden, om de gedeponeerde bedragen terug te krijgen.
b) De door de Turkse regering in juni 1992 vastgestelde decreten
20 Bij brief van 28 juli 1992 deelde de permanente vertegenwoordiging van de Turkse Republiek bij de Europese Gemeenschappen de Associatieraad mee, dat de Turkse regering op 16 juni 1992 twee decreten had vastgesteld.
21 Het gaat in de eerste plaats om decreet 92/3177 van 16 juni 1992, dat is bekendgemaakt in de Turkse Staatscourant nr. 21277 van 7 juli 1992 en op diezelfde dag in werking is getreden. Volgens dit decreet moeten exporteurs die door middel van een A.TR.1-certificaat kleurentelevisietoestellen willen uitvoeren, een deskundigenrapport van hun Kamer van Koophandel overleggen waaruit blijkt dat de waarde van de onderdelen van oorsprong uit derde landen niet meer dan 56 % van de totale fob-waarde (free on board) van de televisietoestellen bedraagt. De douaneautoriteiten passen een compenserende heffing toe, indien de waarde van de onderdelen van oorsprong uit derde landen dit percentage blijkt te overschrijden. Deze compenserende heffing wordt gestort in het Fonds voor steun en prijsstabilisatie (Support and Price Stabilization Fund). De uitvoering van dit decreet behoort tot de bevoegdheid van de minister bij wiens ministerie het Staatssecretariaat van Financiën en Buitenlandse Handel (Undersecretariat for Treasury and External Commerce) is ondergebracht.
22 Diezelfde dag stelde de Turkse regering decreet 92/3127 vast, dat is bekendgemaakt in de Turkse Staatscourant nr. 21277 van 7 juli 1992 en op die datum in werking is getreden. Dit decreet voorziet in schorsing van de invoerrechten op in Turkije ingevoerde kathodestraalbuizen voor kleurentelevisies, ongeacht hun herkomst (EEG of derde landen) en bestemming (gemonteerd in televisietoestellen bestemd voor de binnenlandse markt of voor uitvoer naar de EEG of een derde land).
2. Het door de Turkse regering in januari 1994 vastgestelde decreet
23 Op 12 januari 1994 stelde de Turkse regering decreet 94/5168 vast, dat is bekendgemaakt in de Turkse Staatscourant nr. 21832 van 28 januari 1994. Artikel 1 van dit decreet voorziet in een compenserende heffing op onderdelen van oorsprong uit derde landen die gemonteerd zijn in kleurentelevisietoestellen bestemd voor de Gemeenschap. Het heffingspercentage komt overeen met het in het gemeenschappelijk douanetarief voor dit soort producten vastgestelde recht. De geheven bedragen worden gestort in het Fonds ter bevordering van investeringen en deviezendiensten (Fund for the Promotion of Investments and Foreign Exchange Earning Services). Bij artikel 2 van decreet 94/5168 is voornoemd decreet 92/3127 ingetrokken. Een mededeling met betrekking tot decreet 94/5168 is bekendgemaakt in de Turkse Staatscourant nr. 21845 van 10 februari 1994.
24 Voorts stelde de Turkse regering op 16 augustus 1994 decreet 94/5782 vast, bekendgemaakt in de Turkse Staatscourant van 26 augustus 1994, waarbij de inning van de compenserende heffing wordt uitgebreid tot alle producten die onderdelen van oorsprong uit derde landen bevatten die in Turkije niet in het vrije verkeer zijn gebracht.
II - De regeling inzake kwijtschelding en niet-navordering van douanerechten
A - De materiële bepalingen betreffende kwijtschelding en niet-navordering van douanerechten
1. De op de litigieuze invoer toepasselijke bepalingen
25 De bestreden beschikkingen hebben blijkens de tweede overweging van de considerans ervan betrekking op de invoer in de Gemeenschap van kleurentelevisietoestellen uit Turkije in de jaren 1991-1993 en begin 1994 (hierna: betrokken periode"). Voor nagenoeg de gehele invoer gelden dus verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB L 175, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 (PB L 286, blz. 1), en verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB L 197, blz. 1).
26 Aangaande de invoer die plaatsvond na de inwerkingtreding op 1 januari 1994 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1; hierna: douanewetboek") zij opgemerkt, dat de relevante bepalingen van de verordeningen nrs. 1430/79 en 1697/79 zijn vervangen door nagenoeg identieke bepalingen van het douanewetboek. Wegens die overeenstemming geldt de rechtspraak van het Hof en het Gerecht betreffende de bepalingen van voornoemde verordeningen eveneens voor de bepalingen van het douanewetboek (arrest Gerecht van 16 juli 1998, Kia Motors en Broekman Motorships/Commissie, T-195/97, Jurispr. blz. II-2907, punt 33, en arrest Hof van 11 november 1999, Söhl & Söhlke, C-48/98, Jurispr. blz. I-7877, punt 53). Derhalve hoeft de invoer die onder vigeur van het douanewetboek plaatsvond, niet afzonderlijk te worden behandeld. De relevante bepalingen van het douanewetboek worden dus enkel aangehaald voor zoveel dit nodig is.
2. Het verschil tussen kwijtschelding en niet-navordering
27 Het belangrijkste verschil tussen kwijtschelding en niet-navordering van douanerechten is, dat de douanerechten in het geval van kwijtschelding reeds door de douaneautoriteiten zijn geboekt, terwijl dit bij niet-navordering niet het geval is. Onder boeking" wordt verstaan de registratie door de douaneautoriteiten van het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet (artikel 217 van het douanewetboek).
3. De voorwaarden voor de kwijtschelding van douanerechten
28 De voorwaarden voor de kwijtschelding van douanerechten waren tot 1 januari 1994 vastgesteld in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, zoals gewijzigd. Dit artikel bepaalt: Tot [...] kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in [...] bijzondere situaties [...] die het gevolg zijn van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de kant van de betrokkene inhouden."
29 Artikel 4, punt 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening nr. 1430/79 (PB L 352, blz. 19) bepaalt, dat er op zichzelf geen sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, wanneer, met het oog op het verkrijgen van een preferentiële tariefregeling voor voor het vrije verkeer aangegeven goederen, zelfs indien dit te goeder trouw geschiedt, bescheiden worden overgelegd waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij vals, vervalst of voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefregeling ongeldig waren".
30 Verordening nr. 1430/79 is met de inwerkingtreding van het douanewetboek ingetrokken (artikel 251 van het douanewetboek). Artikel 13, lid 1, van deze verordening is overgenomen in artikel 239, lid 1, van het douanewetboek, dat in nagenoeg identieke bewoordingen bepaalt: Tot [...] kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen [...] welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden [...]."
31 Verordening nr. 3799/86 is ingetrokken bij artikel 913 van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het douanewetboek (PB L 253, blz. 1).
32 Artikel 4, punt 2, sub c, van verordening nr. 3799/86 is vervangen door artikel 904 van verordening nr. 2454/93, dat bepaalt: Er wordt niet tot [...] kwijtschelding van rechten bij invoer overgegaan wanneer het verzoek om [kwijtschelding], al naar gelang van het geval, uitsluitend is gegrond op: [...] c) de overlegging, zelfs te goeder trouw, ter verkrijging van een preferentiële tariefbehandeling voor goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, van documenten waarvan naderhand wordt vastgesteld dat zij hetzij vals of vervalst hetzij ongeldig waren voor het verkrijgen van deze preferentiële tariefbehandeling."
4. De voorwaarden voor niet-navordering van douanerechten
33 De voorwaarden voor niet-navordering van douanerechten waren tot de inwerkingtreding van het douanewetboek vastgesteld in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Dit artikel bepaalt: De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte [...]."
34 Met de intrekking van verordening nr. 1697/79 als gevolg van de inwerkingtreding van het douanewetboek is de tekst van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 overgenomen in artikel 220, lid 2, van het douanewetboek, dat in nagenoeg identieke bewoordingen bepaalt: Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:
[...] b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan [...]."
B - De procedurele bepalingen betreffende kwijtschelding en niet-navordering van douanerechten
1. De op de litigieuze invoer toepasselijke procedurele bepalingen
35 Aangezien volgens vaste rechtspraak [arresten Hof van 12 november 1981, Salumi e.a., 212/80-217/80, Jurispr. blz. 2735, punten 9-14, en, specifiek voor kwijtschelding en niet-navordering, van 6 juli 1993, CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, C-121/91 en C-122/91, Jurispr. blz. I-3873, punt 22] procedurele bepalingen dienen te gelden voor alle bij hun inwerkingtreding aanhangige geschillen, zijn de procedurele bepalingen van het douanewetboek en verordening nr. 2454/93 van toepassing op na de inwerkingtreding van die bepalingen ingediende verzoeken om kwijtschelding. Het gaat meer in het bijzonder om de artikelen 236 tot en met 239 van het douanewetboek en de artikelen 878 tot en met 909 van verordening nr. 2454/93.
36 Er moet evenwel worden opgemerkt, dat de procedure voor de kwijtschelding en de terugbetaling van douanerechten tot de inwerkingtreding van het douanewetboek op nagenoeg identieke wijze was geregeld in de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1430/79 alsmede in verordening (EEG) nr. 1574/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1430/79 (PB L 161, blz. 3). De procedurele bepalingen voor de niet-navordering waren neergelegd in verordening (EEG) nr. 2380/89 van de Commissie van 2 augustus 1989 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 (PB L 225, blz. 30).
2. De procedure voor de kwijtschelding van douanerechten
37 De belanghebbende die kwijtschelding van douanerechten wenst, moet daartoe een specifiek verzoek indienen (hierna: kwijtscheldingsverzoek") (artikel 878, lid 1, van verordening nr. 2454/93). Dit verzoek moet bij de bevoegde douaneautoriteit worden ingediend (artikel 879, lid 1, van verordening nr. 2454/93). Om de behandeling ervan te vergemakkelijken, moet het verzoek worden ingediend door middel van het in bijlage 111 bij het douanewetboek bedoelde formulier. Wanneer de bevoegde douaneautoriteit in het bezit is van alle nodige gegevens, beslist zij door middel van een schriftelijke beschikking op het kwijtscheldingsverzoek (artikel 886, lid 1, van verordening nr. 2454/93).
38 Wanneer de douaneautoriteit echter niet in staat is om op grond van de artikelen 899 en volgende van verordening nr. 2454/93, waarin een aantal situaties worden vermeld waarin al dan niet kwijtschelding kan worden verleend, te beslissen, en indien de aanvraag vergezeld is van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden", legt de lidstaat waaronder deze autoriteit ressorteert het geval voor aan de Commissie (artikel 905, lid 1, van verordening nr. 2454/93). Het aan de Commissie gezonden dossier moet alle gegevens bevatten die nodig zijn voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval (artikel 905, lid 2). Binnen vijftien dagen volgende op de datum van ontvangst van het dossier doet de Commissie een afschrift hiervan aan de lidstaten toekomen (artikel 906, eerste alinea). Vervolgens geeft de Commissie, na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het Comité douanewetboek bijeenkomen om het betrokken geval te onderzoeken, een beschikking waarbij wordt vastgesteld dat de onderzochte bijzondere situatie de [...] kwijtschelding al dan niet rechtvaardigt" (artikel 907, eerste alinea). Deze beschikking moet worden gegeven binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van ontvangst door de Commissie van het door de lidstaat voorgelegde dossier (artikel 907, tweede alinea) en moet zo spoedig mogelijk ter kennis van de betrokken lidstaat worden gebracht (artikel 908, lid 1). Ten slotte beslist de beschikkende autoriteit op grond van de beschikking van de Commissie op het verzoek van de belanghebbende (artikel 908, lid 2).
39 De in de vorige punten beschreven procedurele voorschriften zijn enigszins gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding op 6 augustus 1998 van verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998 tot wijziging van verordening nr. 2454/93 (PB L 212, blz. 18). De nieuwe voorschriften zijn toegepast in het kader van zaak T-147/99, Miller/Commissie.
40 Bij verordening nr. 1677/98 is onder meer een nieuw artikel 906 bis ingevoegd, dat bepaalt: In elke fase van de in de artikelen 906 of 907 omschreven procedure deelt de Commissie, wanneer zij voornemens is een besluit te nemen ten nadele van degene die om kwijtschelding of terugbetaling van de rechten heeft verzocht, aan deze persoon haar bezwaren schriftelijk mee en doet zij deze persoon alle bescheiden toekomen waarop haar bezwaren berusten. Degene die om de kwijtschelding of terugbetaling van rechten heeft verzocht, deelt zijn standpunt binnen een maand na de verzending van dit schrijven schriftelijk mee. Indien deze persoon binnen deze termijn zijn standpunt niet heeft meegedeeld, wordt ervan uitgegaan dat hij van de mogelijkheid zijn standpunt uiteen te zetten heeft afgezien." De in artikel 907 van verordening nr. 2454/93 vastgestelde termijn van zes maanden is vervangen door een termijn van negen maanden.
3. De procedure voor de niet-navordering van douanerechten
41 Anders dan bij kwijtschelding is voor niet-navordering van douanerechten niet noodzakelijkerwijs een verzoek van de belanghebbende vereist. Het betreft hier een beslissing die de douaneautoriteiten zelf kunnen nemen, wanneer is voldaan aan de voorwaarden die bij de in artikel 869 van verordening nr. 2454/93 limitatief opgesomde gevallen zijn aangegeven.
42 Wanneer de bevoegde autoriteiten evenwel van oordeel zijn dat aan de in artikel 220, lid 2, onder b, van het [douane]wetboek bedoelde voorwaarden is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, leggen zij dit geval aan de Commissie voor", waarbij het aldus toegezonden dossier alle voor een volledig onderzoek van het voorgelegde geval noodzakelijke gegevens dient te bevatten (artikel 871, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93). Binnen vijftien dagen volgende op de datum van ontvangst van het dossier doet de Commissie een afschrift daarvan aan de lidstaten toekomen (artikel 872, eerste alinea). Vervolgens neemt de Commissie, na raadpleging van een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten die in het kader van het Comité douanewetboek bijeenkomen om het betrokken geval te onderzoeken, een beschikking waarbij zij vaststelt dat hetzij de onderzochte situatie van zodanige aard is dat niet behoeft te worden overgegaan tot boeking achteraf van de betreffende rechten, hetzij dat deze situatie niet van dien aard is" (artikel 873, eerste alinea).
43 Deze beschikking dient te worden gegeven binnen zes maanden na de ontvangst door de Commissie van het door de lidstaat toegezonden dossier (artikel 873, tweede alinea) en moet zo spoedig mogelijk ter kennis van de betrokken lidstaat worden gebracht (artikel 874, eerste alinea).
44 De in de vorige punten beschreven procedurele voorschriften inzake niet-navordering zijn, evenals die voor de kwijtschelding van douanerechten, gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van verordening nr. 1677/98. De nieuwe voorschriften zijn toegepast in het kader van zaak T-147/99, Miller/Commissie.
45 Zo is bij verordening nr. 1677/98 onder meer een nieuw artikel 872 bis ingevoegd, dat bepaalt: In elke fase van de in de artikelen 872 of 873 [van verordening nr. 2454/93] omschreven procedure deelt de Commissie, wanneer zij voornemens is een besluit te nemen ten nadele van de persoon die bij het voorgelegde geval betrokken is, aan deze persoon haar bezwaren schriftelijk mee en doet zij deze persoon ook alle bescheiden toekomen waarop haar bezwaren berusten. De persoon die bij het aan de Commissie voorgelegde geval betrokken is, deelt zijn standpunt binnen een maand na de verzending van dit schrijven schriftelijk mee. Indien deze persoon binnen deze termijn zijn standpunt niet heeft meegedeeld, wordt ervan uitgegaan dat hij van de mogelijkheid zijn standpunt uiteen te zetten heeft afgezien." De in artikel 873 van verordening nr. 2454/93 vastgestelde termijn van zes maanden is vervangen door een termijn van negen maanden.
De feiten
I - Algemeen kader
46 De onderhavige zaken hebben betrekking op de invoer van in Turkije geassembleerde kleurentelevisietoestellen tijdens de betrokken periode. De televisietoestellen waren gefabriceerd door verschillende Turkse ondernemingen, in het bijzonder Vestel, Meta, Profilo, Bekoteknik en Cihan. Voor de fabricage van die toestellen werden onderdelen van Turkse oorsprong gebruikt, maar eveneens onderdelen van oorsprong uit de Gemeenschap of uit derde landen (in het algemeen Korea, Japan, Hongkong en Singapore).
47 In de betrokken periode zijn de in Turkije gefabriceerde kleurentelevisies met A.TR.1-certificaten in de Gemeenschap ingevoerd, zodat zij overeenkomstig de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol waren vrijgesteld van douanerechten.
48 Na een aantal klachten en berichten over onregelmatigheden stuurde de Commissie van 18 oktober tot en met 9 november 1993 een verificatiemissie naar Turkije, waaraan twee vertegenwoordigers van haar diensten en vijf vertegenwoordigers van de Belgische, de Franse, de Nederlandse, de Duitse douanedienst en van de douanedienst van het Verenigd Koninkrijk deelnamen. Van die verificatie werd een rapport opgesteld (hierna: missierapport"). Bij deze verificatie werd vastgesteld, dat de Turkse autoriteiten de A.TR.1-certificaten waarmerkten zonder dat een compenserend recht was geïnd.
49 De Commissie concludeerde in het missierapport, dat de overgelegde certificaten ongeldig waren, aangezien zij de facto betrekking hadden op in Turkije gefabriceerde kleurentelevisies waarvan de onderdelen van oorsprong uit derde landen noch in het vrije verkeer waren gebracht noch aan de compenserende heffing waren onderworpen, zodat die televisies bij invoer in de Gemeenschap niet in het vrije verkeer hadden mogen worden gebracht.
50 Bij brieven van 2 maart en 21 april 1994 gelastte zij de betrokken lidstaten derhalve, de in het gemeenschappelijk douanetarief voorziene douanerechten (te weten 14 % van de totale waarde van de televisietoestellen op het tijdstip van de invoer ervan in de Gemeenschap), met inachtneming van de toepasselijke verjaringstermijn na te vorderen van de ondernemingen die in de betrokken periode televisietoestellen uit Turkije hadden ingevoerd. De lidstaten die dat wensten, mochten van de Commissie de navordering van de rechten evenwel opschorten of uitstellen totdat zij zich een definitief oordeel over de resultaten van de verrichte verificatie had gevormd.
51 Ten slotte bevestigde de Commissie bij brief van 25 november 1994 aan de lidstaten, dat, met inachtneming van de verjaringstermijn van drie jaar, de douanerechten voor de kleurentelevisies die op basis van vóór 15 januari 1994 afgegeven A.TR.1-certificaten waren ingevoerd, onmiddellijk moesten worden nagevorderd.
II - Bijzondere omstandigheden
A - De bijzondere omstandigheden van de Duitse zaken (T-186/97, T-187/97, T-190/97, T-191/97, T-192/97, T-210/97, T-211/97 en T-293/97)
1. De navorderingsaanslagen van de Duitse autoriteiten
52 Kaufring AG (hierna: Kaufring") (T-186/97), Crown Europe GmbH (hierna: Crown") (T-187/97), Profex Electronic Verwaltungsgesellschaft mbH (hierna: Profex") (T-190/97), Horten AG (hierna: Horten") (T-191/97), Dr. Seufert GmbH (hierna: Dr. Seufert") (T-192/97), Grundig AG (hierna: Grundig") (T-210/97), Hertie Waren- und Kaufhaus GmbH (hierna: Hertie") (T-211/97) en Elta GmbH (hierna: Elta") (T-293/97) (hierna: Duitse verzoeksters") hebben in de betrokken periode een aantal partijen kleurentelevisies van oorsprong uit Turkije ingevoerd. Elke ingevoerde partij ging vergezeld van een A.TR.1-certificaat en viel derhalve onder de preferentiële regeling. Alle A.TR.1-certificaten waren door de Turkse douaneautoriteiten geviseerd.
53 Overeenkomstig het bevel van de Commissie (zie boven, punten 50 en 51) zonden de Duitse douaneautoriteiten de Duitse verzoeksters gewijzigde kennisgevingen (Steueränderungsbescheide). Daarbij werd van Kaufring betaling van douanerechten gevorderd voor een totaalbedrag van 545 727,35 DEM, van Crown voor een totaalbedrag van 238 352,97 DEM, van Profex voor een totaalbedrag van 2 269 866,84 DEM, van Horten voor een totaalbedrag van 123 809,12 DEM, van Dr. Seufert voor een totaalbedrag van 126 828,26 DEM, van Grundig voor een totaalbedrag van 6 596 210,31 DEM, van Hertie voor een totaalbedrag van 593 110,16 DEM en van Elta voor een totaalbedrag van 113 875,49 DEM.
2. De verzoeken van de Duitse verzoeksters aan de Duitse autoriteiten om kwijtschelding en/of niet-navordering
54 De Duitse verzoeksters dienden tegen deze aanslagen bezwaar in. Zij verzochten de betrokken douanekantoren om kwijtschelding van de douanerechten. Dr. Seufert, Crown en Grundig verzochten tevens om niet-navordering van die rechten.
3. De kwijtscheldingsverzoeken van de Duitse autoriteiten aan de Commissie
55 Na onderzoek van de door de Duitse verzoeksters ingediende verzoeken stelde het Bondsministerie van Financiën, waaraan de betrokken douanekantoren de dossiers hadden gezonden, zich op het standpunt, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de douanerechten als genoemd in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en in artikel 239 van het douanewetboek.
56 Derhalve zond het Bondsministerie van Financiën de dossiers overeenkomstig artikel 905 van verordening nr. 2454/93 aan de Commissie, daarbij aantekenend dat zijns inziens was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de douanerechten.
57 Vóór de verzending van die dossiers verzocht het Bondsministerie van Financiën elk van de Duitse verzoeksters om commentaar op het ontwerp van het verzoek dat zij aan de Commissie wilde sturen en om een schriftelijke bevestiging, dat het verzoek alle omstandigheden van het concrete geval en al hun argumenten bevatte en dat het dossier compleet was.
58 Kaufring, Horten, Hertie, Profex en Elta verklaarden zich bereid een dergelijke schriftelijke verklaring te verstrekken. Grundig, Dr. Seufert en Crown daarentegen lieten het Bondsministerie van Financiën weten, hiertoe niet bereid te zijn. Zij verzochten om hun kwijtscheldingsverzoeken met de bijlagen daarbij toe te voegen aan de door het Bondsministerie verzonden dossiers, waarmee dit ministerie akkoord ging. Het stemde er eveneens in toe, dat wat die partijen betreft de volgende passage in de begeleidende brieven aan de Commissie werd opgenomen:
De belanghebbende verzoekt de Commissie haar beslissing te baseren op het aan deze brief gehechte gedetailleerde kwijtscheldingsverzoek met bijlagen. Zij verzoekt eveneens om vóór een beslissing rechtstreeks door de Commissie te worden gehoord teneinde haar rechten van de verdediging tegenover de Commissie geldend te maken; zij is van mening, dat zij door de Commissie in kennis moet worden gesteld van de essentiële feiten en documenten op basis waarvan de Commissie haar beslissing over de kwijtschelding van de douanerechten denkt te geven."
59 Alvorens definitief op elk van de bovenbedoelde kwijtscheldingsverzoeken te beschikken, raadpleegde de Commissie de groep deskundigen bedoeld in artikel 907, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93. Deze onderzocht de voorgelegde gevallen op haar bijeenkomst van 10 januari 1997. Met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek spraken alle op deze bijeenkomst aanwezige vertegenwoordigers van de lidstaten zich uit voor kwijtschelding.
60 Vervolgens besliste de Commissie bij beschikkingen REM 14/96, REM 15/96, REM 16/96, REM 17/96, REM 18/96, REM 19/96 en REM 20/96 van 19 februari 1997, respectievelijk betrekking hebbend op Horten, Kaufring, Elta, Grundig, Hertie, Crown en Profex, en bij beschikking REM 21/96 van 25 maart 1997 met betrekking tot Dr. Seufert, dat de gevraagde kwijtschelding niet gerechtvaardigd was. Deze individuele beschikkingen zijn door de nationale autoriteiten ter kennis van de Duitse verzoeksters gebracht.
B - De bijzondere omstandigheden van de Franse zaken (T-216/97-T-218/97)
1. De navorderingsaanslagen van de Franse autoriteiten
61 Lema SA (hierna: Lema") (T-216/97) en Masco SA (hierna: Masco") (T-217/97 en T-218/97) (hierna: Franse verzoeksters") hebben op gezette tijden partijen kleurentelevisies van oorsprong uit Turkije ingevoerd. Elke ingevoerde partij ging vergezeld van een A.TR.1-certificaat en viel derhalve onder de preferentiële regeling. Alle A.TR.1-certificaten waren op het tijdstip van uitvoer door de Turkse douaneautoriteiten en vervolgens op het tijdstip van invoer in Frankrijk door de Franse douaneautoriteiten geviseerd.
62 Na het bevel van de Commissie (zie boven, punten 50 en 51) constateerden de Franse douaneautoriteiten, in casu de Direction nationale du renseignement et des enquêtes douanières (hierna: DNRED"; nationale dienst voor douane-inlichtingen en -onderzoek), dat Lema en Masco een overtreding hadden begaan door televisies in te voeren onder dekking van A.TR.1-certificaten. Op die grond werd van Lema betaling van douanerechten gevorderd voor een totaalbedrag van 12 201 564 FRF en van Masco voor een totaalbedrag van 32 966 173 FRF (zaak T-217/97) alsmede van 4 192 502 FRF (zaak T-218/97).
2. Het onderzoek door de Franse autoriteiten van de door de Franse verzoeksters ingediende verzoeken om kwijtschelding en niet-navordering
63 Lema en Masco dienden tegen die navorderingen van de douanerechten bezwaar in. Zij verzochten de DNRED, hetzij de betreffende rechten niet na te vorderen hetzij kwijtschelding van die rechten te verlenen. Deze individuele verzoeken waren, wat de niet-navordering betreft, gebaseerd op de artikelen 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek, en, wat de kwijtschelding betreft, op de artikelen 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en 239 van het douanewetboek.
3. De verzoeken van de Franse autoriteiten aan de Commissie om niet-navordering en kwijtschelding
64 Na onderzoek van de verschillende door de Franse verzoeksters ingediende verzoeken stelde het Franse ministerie van Economische Zaken en Financiën (hierna: ministerie") zich op het standpunt, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79. Het ministerie zond elk van de Franse verzoeksters een ontwerp van het verzoek dat het dienaangaande aan de Commissie wilde richten. Lema en Masco verzochten in hun antwoorden om een afschrift van de volledige verzoeken die zij aan de DNRED hadden gericht, aan het dossier toe te voegen. Zij herinnerden eraan, dat zij tevens hadden verzocht om kwijtschelding op de grondslag van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79, en lieten weten dit als subsidiair verzoek te willen handhaven.
65 Het ministerie zond vervolgens de dossiers met de door de Franse verzoeksters aan de DNRED overgelegde stukken naar de Commissie.
66 Het ministerie wees er met klem op, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden voor niet-navordering van de rechten.
67 Het verzocht de Commissie eveneens de subsidiaire verzoeken om kwijtschelding van de rechten te onderzoeken.
68 Alvorens een definitieve beslissing te geven, raadpleegde de Commissie de groep deskundigen bedoeld in de artikelen 873 en 907 van verordening nr. 2454/93. Deze onderzocht de voorgelegde gevallen op haar bijeenkomst van 10 januari 1997. Met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek spraken alle op deze bijeenkomst aanwezige vertegenwoordigers van de lidstaten zich uit voor niet-navordering en kwijtschelding.
69 Vervolgens besliste de Commissie bij beschikkingen REC 7/96 en REC 9/96 met betrekking tot Masco, en bij beschikking REC 8/96 met betrekking tot Lema, alle gedateerd 24 april 1997, dat de invoerrechten moesten worden nagevorderd en kwijtschelding van die rechten niet gerechtvaardigd was.
70 Die beschikkingen werden door het secretariaat-generaal van de Commissie meegedeeld aan de permanente vertegenwoordiging van de Franse Republiek bij de Europese Unie. De nationale autoriteiten hebben ze vervolgens ter kennis van de Franse verzoeksters gebracht.
C - De bijzondere omstandigheden van de Nederlandse zaken (T-279/97 en T-280/97)
1. De navorderingsaanslagen van de Nederlandse autoriteiten
71 DFDS Transport BV (hierna: DFDS") (T-279/97) en Wilson Holland BV (hierna: Wilson") (T-280/97) (hierna: Nederlandse verzoeksters") hebben een aantal partijen kleurentelevisies van oorsprong uit Turkije ingevoerd. Elke ingevoerde partij ging vergezeld van een A.TR.1-certificaat en viel derhalve onder de preferentiële regeling. Alle A.TR.1-certificaten waren in Turkije door het douanekantoor te Istanbul en daarna in Nederland door het douanekantoor te Rotterdam geviseerd.
72 Overeenkomstig het bevel van de Commissie (zie boven, punten 50 en 51) zonden de Nederlandse douaneautoriteiten DFDS en Wilson een uitnodiging tot betaling. Daarbij werd van DFDS betaling van douanerechten gevorderd voor een totaalbedrag van 212 657 NLG en van Wilson voor een totaalbedrag van 30 712,50 NLG.
2. De kwijtscheldingsverzoeken van de Nederlandse verzoeksters aan de Nederlandse autoriteiten
73 De Nederlandse verzoeksters dienden tegen deze uitnodigingen tot betaling bezwaar in. Zij verzochten de betrokken douanekantoren om kwijtschelding van de douanerechten.
3. De verzoeken van de Nederlandse autoriteiten aan de Commissie om kwijtschelding
74 Na onderzoek van het door de Nederlandse verzoeksters ingediende verzoek stelde de Belastingdienst, waaraan de betrokken douanekantoren de dossiers hadden gezonden, zich op het standpunt, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de douanerechten als genoemd in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en artikel 239 van het douanewetboek.
75 Derhalve zond de Belastingdienst de dossiers overeenkomstig artikel 905 van verordening nr. 2454/93 aan de Commissie, daarbij aantekenend dat zijns inziens was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de douanerechten.
76 Vóór de verzending van die dossiers lieten de Nederlandse verzoeksters de nationale autoriteiten desgevraagd weten, dat zij kennis hadden genomen van het hen betreffende dossier en dat dit dossier compleet was.
77 Alvorens een definitieve beslissing te geven, raadpleegde de Commissie de groep deskundigen bedoeld in artikel 907, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93. Deze onderzocht de voorgelegde gevallen op haar bijeenkomst van 7 maart 1997. Met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek spraken alle op deze bijeenkomst aanwezige vertegenwoordigers van de lidstaten zich uit voor kwijtschelding.
78 Ten slotte besliste de Commissie bij beschikkingen REM 26/96 en REM 27/96 van 5 juni 1997, respectievelijk betrekking hebbend op DFDS en Wilson, dat de gevraagde kwijtschelding niet gerechtvaardigd was. Deze beschikkingen zijn ter kennis van de nationale autoriteiten gebracht, die de Nederlandse verzoeksters ervan in kennis hebben gesteld.
D - De bijzondere omstandigheden van de Belgische zaak (T-147/99)
1. De navorderingsaanslag van de Belgische autoriteiten
79 In de betrokken periode heeft Miller NV (hierna: Miller") (T-147/99) een aantal partijen kleurentelevisies van oorsprong uit Turkije ingevoerd. Elke ingevoerde partij ging vergezeld van een A.TR.1-certificaat en viel derhalve onder de preferentiële regeling. Alle A.TR.1-certificaten waren in Turkije door het douanekantoor te Istanbul en daarna in België door het douanekantoor te Antwerpen geviseerd.
80 Overeenkomstig het bevel van de Commissie (zie boven, punten 50 en 51) zonden de Belgische douaneautoriteiten Miller een uitnodiging tot betaling. Daarbij werd van haar betaling van douanerechten gevorderd voor een totaalbedrag van 11 381 735 BEF.
2. Het verzoek van Miller aan de Belgische autoriteiten om niet-navordering
81 Miller diende tegen die uitnodiging tot betaling bezwaar in. Zij verzocht het betrokken douanekantoor de douanerechten niet na te vorderen. Dat verzoek was gebaseerd op artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek.
3. Het verzoek van de Belgische autoriteiten aan de Commissie om niet-navordering en kwijtschelding
82 Na onderzoek van het door verzoekster ingediende verzoek stelde het ministerie van Financiën, Administratie der douane en accijnzen, waaraan het betrokken douanekantoor het dossier had gezonden, zich op het standpunt, dat in casu was voldaan aan de voorwaarden voor niet-navordering als genoemd in artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 en artikel 220, lid 2, sub b, van het douanewetboek. Subsidiair meende het ministerie van Financiën, dat eveneens was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding als genoemd in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en artikel 239 van het douanewetboek.
83 Derhalve zond het ministerie van Financiën het dossier overeenkomstig de artikelen 871 en 905 van verordening nr. 2454/93 aan de Commissie, daarbij aantekenend dat zijns inziens was voldaan aan de voorwaarden voor niet-navordering en kwijtschelding.
84 Vóór de verzending van het dossier verzochten de Belgische autoriteiten Miller om eventuele opmerkingen kenbaar te maken over het ontwerp van het verzoek om niet-navordering en kwijtschelding dat zij aan de Commissie wilden sturen, en te bevestigen dat het dossier compleet was. Bij brief van 24 april 1998 antwoordde Miller, dat het dossier compleet was. Bij die brief was een verklaring van haar raadsman gevoegd waarin de verschillende stukken werden beschreven die het ministerie van Financiën haar als bijlage bij de ontwerpbrief aan de Commissie had gezonden, haar voornaamste argumenten kort werden weergegeven en eveneens werd verzocht om inzage in het dossier van de instelling.
85 De Commissie onderzocht het dossier overeenkomstig de artikelen 871 en 905 en volgende van verordening nr. 2454/93.
86 Bij brief van 24 november 1998 zond de Commissie Miller een samenvatting van het dossier overeenkomstig de artikelen 872 bis en 906 bis van verordening nr. 2454/93. Zij stelde haar eveneens op de hoogte van haar voornemen de Belgische douaneautoriteiten te gelasten, over te gaan tot navordering van de betrokken douanerechten en de kwijtschelding ervan te weigeren. In die brief stelde de Commissie namelijk, dat zij betwijfelde of aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 was voldaan. Voorts vormden de omstandigheden van het concrete geval haars inziens geen situatie[...] die het gevolg [is] van buitengewone omstandigheden" in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79. De Commissie verzocht Miller evenwel, haar binnen een maand na ontvangst van de brief haar eventuele opmerkingen te doen toekomen.
87 In antwoord op dit schrijven verzocht verzoekster de Commissie bij brief van 2 december 1998 onder verwijzing naar de rechtspraak van het Gerecht (arrest van 19 februari 1998, Eyckeler & Malt/Commissie, T-42/96, Jurispr. blz. II-401, punten 78-88) om inzage in alle stukken van haar dossier teneinde met volledige kennis van zaken haar opmerkingen te kunnen maken.
88 Bij brief van 22 december 1998 wees de Commissie dit verzoek af op grond dat Miller reeds kennis had kunnen nemen van dit dossier, dat uitsluitend de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens bevatte. Zij erkende, dat het missierapport daarvan geen deel uitmaakte, doch verklaarde dat zij het, aangezien dit rapport slechts de waarheidsgetrouwheid van de feiten en dientengevolge de ongeldigheid van de litigieuze certificaten bevestigde, niet zinvol achtte Miller het dossier toe te zenden.
89 Bij brief van 7 januari 1999 protesteerde verzoekster tegen die weigering van de Commissie en gaf zij te kennen dat, mocht de definitieve beschikking van de Commissie voor haar nadelig zijn, zij zich het recht voorbehield bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van die beschikking in te stellen wegens schending van de rechten van de verdediging. Zij verzocht daarom opnieuw om toegang tot de stukken waarop de Commissie haar definitieve beschikking mogelijk zou baseren, alsmede tot alle andere stukken - daaronder begrepen de administratieve stukken - die op de zaak betrekking hadden.
90 Bovendien antwoordde Miller bij schrijven van 22 januari 1999 op de brief van de Commissie van 24 november 1998. Zij noemde daarin de redenen waarom haars inziens wel aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 was voldaan. Voorts stelde zij, dat er volgens haar in casu sprake was van een situatie die het gevolg was van buitengewone omstandigheden, en dat haar geen nalatigheid of manipulatie in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 kon worden verweten.
91 Na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van Miller en alvorens een definitieve beslissing te geven, raadpleegde de Commissie de groep deskundigen bedoeld in de artikelen 873 en 907, eerste alinea, van verordening nr. 2454/93. Deze onderzocht de zaak op haar bijeenkomst van 25 februari 1999. Met uitzondering van de vertegenwoordigers van de Republiek Oostenrijk en de Portugese Republiek spraken alle op deze bijeenkomst aanwezige vertegenwoordigers van de lidstaten zich uit voor niet-navordering en kwijtschelding.
92 Vervolgens besliste de Commissie bij beschikking REC 3/98 van 26 maart 1999, dat de invoerrechten moesten worden nagevorderd en kwijtschelding van die rechten niet gerechtvaardigd was. De Belgische autoriteiten hebben die beschikking bij brief van 21 april 1999 ter kennis van Miller gebracht.
III - De motivering van de bestreden beschikkingen
93 Aan de bestreden beschikkingen ligt een nagenoeg identieke motivering ten grondslag. Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen de beschikkingen die uitsluitend betrekking hebben op kwijtscheldingsverzoeken krachtens artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 en die welke betrekking hebben op kwijtscheldingsverzoeken die tegelijk met verzoeken om niet-navordering krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 zijn ingediend.
94 De Commissie herinnerde er in de bestreden beschikkingen aan, dat volgens vaste rechtspraak het gewettigd vertrouwen van een ondernemer slechts voor bescherming in aanmerking komt indien de bevoegde autoriteiten zelf dat vertrouwen hebben gewekt, en stelde vervolgens vast, dat de Turkse exporteurs in vak 13 van de A.TR.1-certificaten hadden verklaard, dat de daarin omschreven goederen voldeden aan de voorwaarden voor het verkrijgen van dat certificaat. Dat was evenwel niet het geval, omdat, zoals was gebleken tijdens de in Turkije verrichte verificatie, de in Turkije gefabriceerde televisietoestellen onderdelen van oorsprong uit derde landen bevatten die noch in het vrije verkeer waren gebracht noch aan de in artikel 3, lid 1, van het Aanvullend Protocol bedoelde compenserende heffing waren onderworpen.
95 De Commissie stelde zich derhalve op het standpunt, dat de bevoegde Turkse autoriteiten door de onjuiste verklaringen van de exporteurs waren misleid en dat deze autoriteiten dientengevolge geen enkele actieve vergissing kon worden verweten. Gelet op deze omstandigheid, kon het feit dat de Turkse autoriteiten de litigieuze certificaten hadden afgegeven op basis van de verklaringen van de exporteurs, nog geen gewettigd vertrouwen in de geldigheid van die certificaten opwekken bij de importeurs.
96 Voorts merkte de Commissie op, dat de regelgeving ter zake bekend en betrekkelijk eenvoudig was wat de voorwaarden voor de afgifte van een A.TR.1-certificaat betreft en dat de importeurs daarvan dus niet onkundig konden zijn. Zij stelde eveneens, dat een zorgvuldige ondernemer twijfel omtrent de geldigheid van de A.TR.1-certificaten gehad zou moeten hebben.
97 De Commissie kwam tot de conclusie, dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding en/of niet-navordering van de douanerechten.
98 Wat de voorwaarden voor kwijtschelding betreft, verduidelijkte de Commissie overigens, dat de omstandigheden van het geval alsmede de vermeende lacunes in de toepassing van het Aanvullend Protocol geen bijzondere situatie in de zin van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 konden vormen, aangezien er voor de onderdelen van oorsprong uit derde landen eenvoudig aanspraak op vrij verkeer had kunnen worden gemaakt door deze in Turkije in het vrije verkeer te brengen.
Procesverloop
99 Bij afzonderlijke verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht tussen 20 juni 1997 en 18 juni 1999, hebben verzoeksters de onderhavige beroepen tot nietigverklaring ingesteld.
100 Bij beschikkingen van 25 mei 1998 is de Bondsrepubliek Duitsland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de verzoeksters in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97 en T-210/97.
101 Bij beschikkingen van 25 mei 1998 is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de verzoeksters in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97 tot en met T-218/97, T-279/97, T-280/97 en T-293/97.
102 Bij beschikkingen van 25 mei 1998 is de Franse Republiek toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de verzoeksters in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97 en T-216/97 tot en met T-218/97.
103 Bij afzonderlijke brieven, neergelegd ter griffie van het Gerecht in mei, juni en juli 1998, hebben Grundig, Dr. Seufert, Crown, Hertie, Horten en Kaufring het Gerecht verzocht, de Commissie te gelasten een aantal documenten met betrekking tot de grond van het geschil over te leggen. De Commissie alsmede interveniënten is verzocht, hun opmerkingen dienaangaande in te dienen.
104 Bij maatregel tot organisatie van de procesgang van 29 oktober 1999 heeft het Gerecht de Commissie verzocht, een aantal documenten over te leggen met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van de Associatieovereenkomst en het Aanvullend Protocol op de invoer van kleurentelevisies van oorsprong uit Turkije. De Commissie heeft aan dit verzoek voldaan door op 29 november 1999 een dossier over te leggen, bestaande uit 24 ordners met ongeveer 7 000 pagina's. Dit dossier heeft zij op 22 december 1999 aangevuld met een aantal bijkomende documenten en op 13 januari 2000 met een niet-officiële Engelse vertaling van de Turkse aangiften ten invoer en ten uitvoer die zich in dat dossier bevonden.
105 Na daartoe door het Gerecht te zijn uitgenodigd, hebben alle verzoeksters (behalve Elta) alsmede de Commissie en de Franse Republiek op 6 december 1999 een informele bijeenkomst bijgewoond teneinde de raadpleging van het op 29 november 1999 overgelegde dossier te regelen en het verloop van de terechtzitting te organiseren.
106 Vervolgens heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht, na partijen op dit punt te hebben gehoord, bij beschikking van 10 januari 2000 de onderhavige zaken gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.
107 Tussen 17 januari en 28 februari 2000 hebben verzoeksters en de Franse Republiek het op 29 november 1999 overgelegde dossier ter griffie van het Gerecht geraadpleegd. Na die raadpleging hebben deze partijen in de loop van januari, februari en maart 2000 opmerkingen ingediend. De Commissie heeft op die opmerkingen geantwoord bij memorie van 24 maart 2000.
108 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het partijen uitgenodigd bepaalde vragen te beantwoorden. Partijen hebben aan deze uitnodigingen gevolg gegeven.
109 Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 10 juli 2000.
Conclusies van partijen
110 Kaufring (T-186/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 15/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
111 Crown (T-187/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 19/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
112 Profex (T-190/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 20/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te gelasten het verzoek om kwijtschelding van de rechten in te willigen;
- het te wijzen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zo nodig met zekerheidstelling;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
113 Horten (T-191/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 14/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
114 Dr. Seufert (T-192/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 21/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
115 Grundig (T-210/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 17/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
116 Hertie (T-211/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 18/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
117 Elta (T-293/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 16/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
118 Lema (T-216/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REC 8/96 nietig te verklaren;
- te verklaren dat zij recht heeft op niet-navordering van de litigieuze rechten;
- subsidiair, te verklaren dat zij recht heeft op kwijtschelding van die rechten;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
119 Masco (T-217/97 en T-218/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- de beschikkingen REC 7/96 en REC 9/96 nietig te verklaren;
- te verklaren dat zij recht heeft op niet-navordering van de litigieuze rechten;
- subsidiair, te verklaren dat zij recht heeft op kwijtschelding van die rechten;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
120 DFDS (T-279/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 26/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
121 Wilson (T-280/97) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- beschikking REM 27/96 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten.
122 Miller (T-147/99) concludeert, dat het het Gerecht behage:
- primair:
- beschikking REC 3/98 nietig te verklaren;
- de Commissie te verwijzen in de kosten;
- subsidiair, de Commissie te verwijzen in de kosten;
- meer subsidiair, de Commissie te verwijzen in haar eigen kosten.
123 De Bondsrepubliek Duitsland concludeert, dat het het Gerecht behage de beschikkingen waarop de beroepen in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97 en T-210/97 betrekking hebben, nietig te verklaren.
124 Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland concludeert, dat het het Gerecht behage de beschikkingen waarop de beroepen in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97 tot en met T-218/97, T-279/97, T-280/97 en T-293/97 betrekking hebben, nietig te verklaren.
125 De Franse Republiek concludeert, dat het het Gerecht behage de beschikkingen waarop de beroepen in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97 en T-216/97 tot en met T-218/97 betrekking hebben, nietig te verklaren.
126 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
- wat zaak T-190/97 betreft, verzoeksters vorderingen ertoe strekkende dat het Gerecht haar gelast het verzoek om kwijtschelding in te willigen en het te wijzen arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaart, zo nodig met zekerheidstelling, niet-ontvankelijk te verklaren;
- wat de zaken T-216/97 tot en met T-218/97 betreft, de vorderingen ertoe strekkende dat het Gerecht verklaart dat verzoeksters recht hebben op niet-navordering van de douanerechten of, subsidiair, op kwijtschelding van die rechten, niet-ontvankelijk te verklaren;
- voor het overige, de onderhavige beroepen tot nietigverklaring ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten.
127 Ter terechtzitting heeft Profex haar vorderingen ertoe strekkende dat het Gerecht de Commissie gelast haar verzoek om kwijtschelding in te willigen en het te wijzen arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaart, zo nodig met zekerheidstelling, ingetrokken.
128 Lema en Masco hebben hun vorderingen ertoe strekkende dat het Gerecht verklaart dat zij recht hebben op niet-navordering van de douanerechten of, subsidiair, op kwijtschelding van die rechten, eveneens ingetrokken.
129 Bijgevolg behoeft niet te worden beslist over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van die vorderingen.
In rechte
130 Verzoeksters hebben tal van grieven aangevoerd betreffende zowel schending van wezenlijke vormvoorschriften als schending van materiële rechtsregels. Gezien de bijzondere omstandigheden van het geval heeft het Gerecht evenwel besloten, achtereenvolgens het middel inzake schending van de rechten van de verdediging en het middel inzake schending van artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1430/79 te onderzoeken.
I - Schending van de rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure
A - Het onderzoek van dit middel in het kader van de onderhavige beroepen
1. Argumenten van partijen
131 Crown, Dr. Seufert, Grundig en Miller stellen schending van hun rechten van de verdediging tijdens de administratieve procedure die tot de vaststelling van de door hen bestreden beschikkingen heeft geleid. Ter terechtzitting hebben Kaufring, Profex, Horten, Hertie en Elta verklaard, dat zij hun beroepen eveneens op dit middel van openbare orde baseren.
132 Dit middel wordt tevens door de Franse Republiek aangevoerd in de zaken waarin zij een memorie in interventie heeft ingediend, te weten de zaken T-186/97, T-187/97, T-191/97, T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97, T-217/97 en T-218/97.
133 De Commissie werpt evenwel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op in de zaken T-186/97, T-191/97, T-211/97 en T-216/97 tot en met T-218/97, op grond dat dit middel niet door verzoeksters is aangevoerd, zodat de Franse Republiek zich hierop niet kan beroepen zonder artikel 37 van 's Hofs Statuut-EG te schenden. Zij stelt eveneens, dat het ongerijmd zou zijn een interveniënt toe te staan een dergelijk middel voor te dragen terwijl het niet is aangevoerd door de partij die wordt geacht door het betrokken beginsel te worden beschermd. Zij verwijst dienaangaande naar het arrest van het Hof van 17 maart 1993, Commissie/Raad (C-155/91, Jurispr. blz. I-939) alsmede naar de conclusie van advocaat-generaal Lagrange bij het arrest van het Hof van 23 februari 1961, De Gezamenlijke Steenkolenmijnen in Limburg/Hoge Autoriteit (30/59, Jurispr. blz. 1., inz. blz. 61).
2. Beoordeling door het Gerecht
134 Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging een wezenlijk vormvoorschrift, de schending waarvan ambtshalve kan worden onderzocht (arresten Hof van 7 mei 1991, Interhotel/Commissie, C-291/89, Jurispr. blz. I-2257, punt 14, en 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink's France, C-367/95 P, Jurispr. blz. I-1719, punt 67; zie eveneens arrest Gerecht van 15 maart 2000 in de zaken Cimenteries CBR e.a./Commissie, T-25/95, T-26/95, T-30/95-T-32/95, T-34/95-T-39/95, T-42/95-T-46/95, T-48/95, T-50/95-T-65/95, T-68/95-T-71/95, T-87/95, T-88/95, T-103/95 en T-104/95, Jurispr. blz. II-491, punt 487).
135 Derhalve dient het Gerecht in alle zaken ambtshalve te onderzoeken, of de Commissie verzoeksters' rechten van de verdediging heeft geëerbiedigd in het kader van de administratieve procedure die tot de vaststelling van de bestreden beschikkingen heeft geleid.
136 Bovendien is het Gerecht van oordeel, dat het argument van de Commissie dat het door de Franse Republiek voorgedragen middel inzake schending van de rechten van de verdediging niet-ontvankelijk zou zijn, niet kan worden aanvaard.
137 De interveniënt mag volgens artikel 116, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering de conclusies van de partij ter ondersteuning waarvan hij is tussengekomen, weliswaar niet verruimen, doch hij is vrij in de keuze van de middelen en argumenten waarmee hij die conclusies ondersteunt (arrest van 25 maart 1999, Forges du Clabecq/Commissie, T-37/97, Jurispr. blz. II-859, punt 92).
B - Schending van verzoeksters' rechten van de verdediging in de zaken T-186/97, T-187/97, T-190/97 tot en met T-192/97, T-210/97, T-211/97, T-216/97 tot en met T-218/97, T-279/97, T-280/97 en T-293/97
1. Argumenten van partijen
138 Grundig, Dr. Seufert en Crown stellen, dat de Commissie hun rechten van de verdediging heeft geschonden, aangezien zij hen ondanks hun expliciet verzoek daartoe niet heeft gehoord alvorens te beslissen dat kwijtschelding van de rechten in hun geval niet gerechtvaardigd was. Huns inziens is de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen rechtsbeginsel dat de Commissie, zelfs bij gebreke van enig specifiek voorschrift, in iedere procedure die tot een bezwarende handeling kan leiden, in acht moet nemen (arresten Hof van 12 februari 1992, Nederland e.a./Commissie, C-48/90 en C-66/90, Jurispr. blz. I-565, punt 44; 29 juni 1994, Fiskano/Commissie, C-135/92, Jurispr. blz. I-2885, punten 39 en 40, en 24 oktober 1996, Commissie/Lisrestal e.a., C-32/95 P, Jurispr. blz. I-5373, punt 21).
139 Ook volgens de Franse Republiek heeft de Commissie de rechten van de verdediging van Kaufring, Crown, Horten, Dr. Seufert, Grundig, Hertie, Lema en Masco geschonden, aangezien zij die partijen niet duidelijk heeft laten weten, welke onzorgvuldigheid zij hun verweet, en hun niet in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt ten aanzien van die grief te bepalen. Interveniënte verwijst dienaangaande naar het arrest van het Gerecht van 9 november 1995, France-aviation/Commissie (T-346/94, Jurispr. blz. II-2841) alsmede naar het reeds in punt 87 aangehaalde arrest Eyckeler & Malt/Commissie (punt 78).
140 De Commissie betwist, dat zij verzoeksters had moeten horen alvorens de bestreden beschikkingen te geven.
141 Zij brengt in de eerste plaats in herinnering, dat de procedure inzake de kwijtschelding van douanerechten niet voorziet in een formele deelneming van de belanghebbende aan de procedure voor de totstandkoming van de beschikking en dat het Hof reeds herhaaldelijk heeft bevestigd, dat die procedure de belanghebbenden alle noodzakelijke rechtswaarborgen biedt [arresten Hof van 17 maart 1983, Control Data/Commissie, 294/81, Jurispr. blz. 911, punt 17, en 13 november 1984, Van Gend & Loos en Bosman/Commissie, 98/83 en 230/83, Jurispr. blz. 3763, punten 8 e.v., alsmede het reeds in punt 35 aangehaalde arrest CT Control (Rotterdam) en JCT Benelux/Commissie, punt 48]. De vergelijking met de procedures op het gebied van antidumping kan evenmin grond opleveren om de in casu toepasselijke formele bepalingen ter discussie te stellen, gezien de verschillen tussen beide soorten procedures.
142 In de tweede plaats zijn volgens de Commissie de in het arrest Commissie/Lisrestal e.a. (reeds aangehaald in punt 138 supra) geformuleerde beginselen niet relevant voor de onderhavige zaken, omdat zij voor een andere situatie gelden. De beschikking in die zaak was immers vastgesteld zonder dat de betrokken onderneming vooraf was gehoord, noch door de nationale administratie noch door de Commissie. In de onderhavige zaken zijn verzoeksters evenwel door hun nationale administratie gehoord en hebben zij toegang gehad tot alle relevante feitelijke gegevens. De Commissie wijst er voorts op, dat zij de bestreden beschikkingen heeft gebaseerd op de door de nationale autoriteiten toegezonden dossiers, dat wil zeggen op feitelijke elementen die verzoeksters bekend waren en ten aanzien waarvan zij hun standpunt hebben kunnen bepalen.
143 In de derde plaats merkt de Commissie op, dat het Gerecht in zijn reeds in punt 139 aangehaalde arrest France-aviation/Commissie de kwestie van de noodzaak van een contradictoire procedure in het kader van kwijtschelding van douanerechten reeds grondig heeft onderzocht, en de bepaling die niet voorziet dat de belanghebbende door de instelling wordt gehoord, niet onwettig heeft geoordeeld. In dat arrest heeft het Gerecht enkel verduidelijkt, dat de Commissie het beginsel van hoor en wederhoor schendt wanneer zij beslist op basis van een onvolledig dossier of wanneer zij niet alle relevante feiten in aanmerking neemt omdat de nationale administratie de belanghebbenden niet volledig heeft gehoord. Volgens de Commissie is hiervan in casu geen sprake, omdat de procedure voorafgaande aan de vaststelling van de bestreden beschikkingen een normaal verloop heeft gehad, nu verzoeksters alle gelegenheid hebben gehad om hun standpunt voor de nationale administratie uiteen te zetten, en alle elementen die zij van wezenlijk belang achtten, zich in de dossiers bevonden.
144 Na het arrest France-aviation/Commissie (reeds aangehaald in punt 139) heeft de Commissie de procedure van de verklaring door de belanghebbende ingevoerd. Overeenkomstig die procedure moeten de nationale autoriteiten de belanghebbende om een bevestiging vragen, dat hij kennis heeft genomen van het aan de Commissie toe te zenden dossier en dat hij daaraan niets heeft toe te voegen. Zonder een dergelijke verklaring is het verzoek om kwijtschelding niet-ontvankelijk. In casu hebben alle verzoeksters, met uitzondering van Grundig, Dr. Seufert en Crown, een dergelijke verklaring afgegeven. Dat laatstgenoemden een dergelijke verklaring hebben geweigerd, doet niets ter zake, omdat uit een vergelijking van de kwijtscheldingsverzoeken die zij in het kader van de administratieve procedure hebben ingediend, met hun verzoekschriften tot nietigverklaring van de na deze procedure vastgestelde beschikkingen blijkt, dat op het tijdstip van de vaststelling van die beschikkingen de Commissie en de nationale autoriteit alle relevante feiten kenden.
145 In de vierde plaats acht de Commissie de verwijzing door de Franse Republiek naar de beginselen die door het Gerecht zijn ontwikkeld in het arrest Eyckeler & Malt/Commissie (reeds aangehaald in punt 87) irrelevant, omdat de aan dat arrest ten grondslag liggende feiten verschillen van die van de onderhavige zaken. In die zaak heeft het Gerecht namelijk vastgesteld, dat in dat geval alleen de Commissie over de gegevens beschikte om de preferentiële regeling te kunnen controleren. Dit is in de onderhavige zaken niet het geval. Voorts verlangt de eerbiediging van de rechten van de verdediging volgens de Commissie niet noodzakelijkerwijs, dat de persoon ten aanzien van wie een mogelijk bezwarende beschikking wordt gegeven, door de instelling zelf wordt gehoord.
146 In dit verband herinnert de Commissie eraan, dat er tal van procedures zijn waarin de belanghebbende enkel door de nationale autoriteiten en niet door haar diensten wordt gehoord. Als voorbeeld noemt zij de procedure betreffende de vrijstelling van douanerechten bij de invoer van wetenschappelijke apparaten en verwijst zij naar de rechtspraak van het Hof betreffende de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het kader van deze procedure (arresten Hof Control Data/Commissie, reeds aangehaald in punt 141, en van 8 maart 1988, Nicolet Instrument, 43/87, Jurispr. blz. 1557).
147 Wat ten slotte de kwijtschelding van douanerechten betreft, mag de eerbiediging van de rechten van de verdediging in het kader van de nationale procedure niet worden verward met de eerbiediging van die rechten in het kader van de communautaire procedure. Voorzover de belanghebbende de door de nationale autoriteiten aan de Commissie gezonden elementen wil aanvechten, moet hij een beroep op de nationale rechter doen.
2. Beoordeling door het Gerecht
148 De administratieve douaneprocedure voor kwijtschelding van invoerrechten, zoals die is geregeld in verordening nr. 2454/93, verloopt in eerste instantie op nationaal niveau. De belastingschuldige moet namelijk zijn kwijtscheldingsverzoek indienen bij de nationale autoriteit, die een beslissing moet nemen overeenkomstig de artikelen 899 en volgende van verordening nr. 2454/93; in deze bepalingen zijn een aantal situaties aangegeven waarin al dan niet kwijtschelding kan worden verleend. Tegen een dergelijke beslissing kan op grond van artikel 243 van het douanewetboek worden opgekomen bij de nationale rechter, die zich overeenkomstig artikel 177 EG-Verdrag (thans artikel 234 EG) tot het Hof kan wenden (zie, met name, arrest Hof van 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher, C-64/89, Jurispr. blz. I-2535, punt 13).
149 Indien de nationale autoriteit zich evenwel niet in staat acht om op grond van voornoemde bepalingen een beslissing te nemen, en het kwijtscheldingsverzoek vergezeld gaat van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van een bijzondere situatie die het gevolg is van omstandigheden die geen manipulatie of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, legt zij het geval voor aan de Commissie (artikel 905 van verordening nr. 2454/93). Tijdens die tweede fase, die uitsluitend op communautair niveau plaatsvindt, beslist de Commissie na raadpleging van een groep deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten, of kwijtschelding al dan niet gerechtvaardigd is. Die beslissing kan op grond van artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, vierde alinea, EG) door de gemeenschapsrechter worden getoetst.
150 Verordening nr. 2454/93 voorziet dus slechts in contacten tussen de aanvrager van de kwijtschelding en de nationale autoriteit en tussen de nationale autoriteit en de Commissie. Er is geen enkel rechtstreeks contact tussen de aanvrager van de kwijtschelding en de Commissie voorzien (arrest France-aviation/Commissie, reeds aangehaald in punt 139, punt 30).
151 Volgens vaste rechtspraak is de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure die voor de belanghebbende tot een bezwarend besluit kan leiden, evenwel te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van enige regeling van de betrokken procedure in acht moet worden genomen (arresten Nederland e.a./Commissie, punt 44; Fiskano/Commissie, punt 39, en Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, alle reeds aangehaald in punt 138).
152 Gelet op de beoordelingsmarge waarover de Commissie beschikt wanneer zij een beschikking geeft overeenkomstig de algemene billijkheidsclausule van artikel 13 van verordening nr. 1430/79, dient de eerbiediging van het recht om te worden gehoord a fortiori te worden gegarandeerd in het kader van de procedures betreffende de kwijtschelding of de teruggave van invoerrechten (arresten Gerecht France-aviation/Commissie, reeds aangehaald in punt 139, punt 34, en Eyckeler & Malt/Commissie, reeds aangehaald in punt 87, punt 77; arresten Gerecht van 17 september 1998, Primex Produkte Import-Export e.a./Commissie, T-50/96, Jurispr. blz. II-3773, punt 60, en 18 januari 2000, Mehibas Dordtselaan/Commissie, T-290/97, Jurispr. blz. II-15, punt 46; zie, eveneens in die zin, conclusie van advocaat-generaal Mischo bij arrest Hof van 19 oktober 2000, Hans Sommer, C-15/99, Jurispr. blz. I-8989, punten 78-86). Dit geldt in het bijzonder wanneer de Commissie in het kader van de uitsluitende bevoegdheid waarover zij beschikt ingevolge artikel 905 van verordening nr. 2454/93, wil afwijken van het standpunt van de nationale autoriteit wat de vraag betreft, of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 (arrest France-aviation/Commissie, reeds aangehaald in punt 139, punt 36).
153 Het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging houdt in, dat eenieder tegen wie een bezwarend besluit kan worden genomen, in staat moet worden gesteld zijn standpunt behoorlijk kenbaar te maken, op zijn minst over de elementen die de Commissie als basis voor haar beslissing tegen hem in aanmerking neemt (zie, in die zin, arresten Fiskano/Commissie, punt 40, en Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, beide reeds aangehaald in punt 138).
154 Het is evenwel duidelijk, dat in de onderhavige zaken geen van de verzoeksters vóór de vaststelling van de bestreden beschikkingen in staat is gesteld haar standpunt te bepalen en haar opvatting behoorlijk kenbaar te maken over de elementen waarop de Commissie haar vaststelling heeft gebaseerd, dat kwijtschelding niet was gerechtvaardigd.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex