HvJ EU 17 maart 2015, F-73/13, ECLI:EU:F:2015:9
Tekst
ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Eerste kamer)
17 maart 2015 ( *1 )
„Openbare dienst — Personeel van de ECB — Tuchtprocedure — Tuchtrechtelijke sanctie — Ontslag — Rechten van de verdediging — Inzage in het tuchtdossier — Toegang tot informatie en documenten betreffende andere diensten — Redelijke termijn — Rechtmatigheid van de samenstelling van het tuchtcomité — Adviserende rol van het tuchtcomité — Zwaardere dan de aanbevolen sanctie — Motiveringsplicht — Leiding van een dienst — Kennelijke beoordelingsfout — Evenredigheid van de sanctie — Verzachtende omstandigheden — Verzwarende omstandigheden — Exceptie van onwettigheid”
In zaak F‑73/13,
betreffende een beroep, ingesteld krachtens artikel 36.2 van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het VEU en het VWEU,
AX, voormalig personeelslid van de Europese Centrale Bank, wonende te Kibæk (Denemarken), vertegenwoordigd door L. Levi, advocaat,
verzoeker,
tegen
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door M. López Torres en E. Carlini als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,
verweerster,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Barents, kamerpresident, E. Perillo en J. Svenningsen (rapporteur), rechters,
griffier: X. Lopez Bancalari, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 december 2014,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 17 juli 2013, vraagt AX met name om, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van de directie van de Europese Centrale Bank (ECB of hierna: „Bank”) van 28 mei 2013 om hem de tuchtmaatregel van ontslag met eerbiediging van de opzegtermijn op te leggen en, ten tweede, toekenning van een bedrag van 20000 EUR voor de immateriële schade die hij zou hebben geleden.
Toepasselijke bepalingen
1. Protocol betreffende de statuten van het ESCB en de ECB
2 Artikel 36, „Personeel”, van het Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het EU-Verdrag en het WEU-Verdrag (hierna: „Protocol betreffende de statuten van het ESCB en de ECB”) luidt: „36.1 De Raad van bestuur stelt op voorstel van de directie de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vast. 36. 2 Het Hof van Justitie van de Europese Unie is, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de arbeidsvoorwaarden, bevoegd ter zake van geschillen tussen de ECB en haar personeelsleden.”
2. Reglement van orde van de ECB
3 Op basis van artikel 12.3 van het Protocol betreffende de statuten van het ESCB en de ECB heeft de Raad van bestuur van de ECB op 7 juli 1998 het reglement van orde van de ECB vastgesteld. De leden 2 en 3 van artikel 11, „Personeel van de ECB”, van het reglement van orde van de ECB, in de versie die van toepassing is op het onderhavige geding en die volgt uit besluit ECB/2009/5 van 19 maart 2009 (PB L 100, blz. 10), bepaalt: „11.2. Onverminderd de artikelen 36 en 47 [van het Protocol betreffende de statuten van het ECSB en de ECB] stelt de directie Organisatievoorschriften (hierna ,administratieve circulaires’ te noemen) vast, waaraan het personeel van de ECB zich dient te houden. 11.3. De directie stelt gedragsregels vast en past ze aan; deze regels dienen als leidraad voor haar leden en de personeelsleden van de ECB.”
4 Artikel 21 van het reglement van orde van de ECB, „Arbeidsvoorwaarden”, luidt: „21.1. De arbeidsvoorwaarden en de personeelsverordeningen en ‑regelingen bepalen de arbeidsverhouding tussen de ECB en haar personeel. 21.2. De Raad van bestuur keurt op voorstel van de directie en na raadpleging van de Algemene Raad de arbeidsvoorwaarden goed. 21.3. De directie stelt de personeelsverordeningen en -regelingen, die strekken tot uitvoering van de arbeidsvoorwaarden, vast. 21.4. Het Personeelscomité wordt geraadpleegd alvorens tot goedkeuring van nieuwe arbeidsvoorwaarden of personeelsverordeningen en ‑regelingen wordt overgegaan. Het advies van het comité wordt respectievelijk aan de Raad van bestuur of de directie voorgelegd.”
3. Arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB
5 Op basis van artikel 36.1 van het Protocol betreffende de statuten van het ESCB en de ECB en, met name, het reglement van orde van de ECB, heeft de raad van bestuur van de ECB bij besluit van 9 juni 1998, dat is gewijzigd op 31 maart 1999 (PB L 125, blz. 32), de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de ECB vastgesteld (hierna: „arbeidsvoorwaarden”). De arbeidsvoorwaarden zijn daarna verschillende malen gewijzigd. De op 1 januari 2010 geldende versie van de arbeidsvoorwaarden bepaalde met name: „3. De voorrechten en immuniteiten die het personeel van de ECB geniet op basis van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten [van de Europese Unie] worden uitsluitend toegekend in het belang van de ECB. Deze voorrechten en immuniteiten ontheffen de personeelsleden die ze genieten, niet van de plicht hun particuliere verplichtingen na te komen en de geldende wetten en de voorschriften na te leven. [...] a) De personeelsleden oefenen hun functie gewetensvol uit en zonder rekening te houden met hun persoonlijk belang. Zij gedragen zich op een wijze die overeenkomt met hun functie en de aard van orgaan [van de Unie] van de ECB [...] [...] a) De arbeidsverhoudingen tussen de ECB en haar personeelsleden worden geregeld door in overeenstemming met de arbeidsvoorwaarden gesloten arbeidsovereenkomsten. [...] De personeelsverordeningen en ‑regelingen die door de directie worden vastgesteld, preciseren de modaliteiten van deze arbeidsvoorwaarden. [...] c) De arbeidsvoorwaarden worden niet door enig specifiek nationaal recht beheerst. De ECB past toe: i) de algemene rechtsbeginselen die de lidstaten gemeen hebben, ii) de algemene beginselen van [Unie] recht, iii) de regels in de aan de lidstaten gerichte verordeningen en richtlijnen [van de Unie] betreffende sociaal beleid. Telkens wanneer dit noodzakelijk is, worden die rechts[instrumenten] door de ECB toegepast. Er zal naar behoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen [van de Unie] op het gebied van het sociaal beleid. Voor de uitlegging van de in de arbeidsvoorwaarden opgenomen rechten en verplichtingen zal naar behoren rekening worden gehouden met de verordeningen, regels en de rechtspraak die op het personeel van de instellingen [van de Unie] van toepassing zijn. [...] a) De ECB kan op basis van een met redenen omkleed besluit van de directie, in overeenstemming met de in de personeelsverordeningen en ‑regelingen omschreven procedure de met de personeelsleden gesloten overeenkomsten beëindigen om de volgende redenen: [...] iv) om tuchtrechtelijke redenen. b) Gedurende de proeftijd of in geval van ontslag om tuchtrechtelijke redenen bedraagt de opzegtermijn één maand. [...] 41. De personeelsleden kunnen vragen om de jegens hen genomen besluiten aan een administratief toezicht te onderwerpen, overeenkomstig de procedure die is voorzien in deel acht van de personeelsverordeningen en -regelingen. [...] [...] Tuchtmaatregelen kunnen alleen worden betwist middels de procedure van bijzonder beroep zoals voorzien in de personeelsverordeningen en ‑regelingen. [...] 44. Afhankelijk van het geval kunnen jegens de personeelsleden die zich opzettelijk of door nalatigheid schuldig hebben gemaakt aan plichtsverzuim de volgende tuchtmaatregelen worden getroffen: i) [...] ii) de directie kan bovendien één van de volgende maatregelen opleggen: [...] — een terugzetting in de rang met een wijziging van tewerkstelling van het personeelslid binnen [de ECB]; — ontslag met of zonder inachtneming van de opzegtermijn, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen vergezeld van een vermindering van de uitkeringen welke in het kader van het pensioen worden toegekend of van de invaliditeitstoelage, zonder dat de gevolgen van deze maatregel zich kunnen uitstrekken tot de personen die ten laste van het personeelslid komen. [...] [...] 45. De tuchtmaatregelen zijn evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim en moeten worden gemotiveerd. Om de ernst van het plichtsverzuim en de op te leggen tuchtmaatregel te beoordelen, wordt met name rekening gehouden met: — de aard van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden; — de mate waarin ten gevolge van het plichtsverzuim schade is toegebracht aan de integriteit, de reputatie of de belangen van de ECB; — de mate waarin bij het plichtsverzuim sprake was van opzet of nalatigheid; — de redenen die het personeelslid voor het plichtsverzuim heeft gehad; — de rang en de anciënniteit van het personeelslid; — de mate van verantwoordelijkheid van het personeelslid; — de recidive van de handeling of het gedrag dat plichtsverzuim oplevert; — het gedrag van het personeelslid gedurende zijn loopbaan tot dusver. De tuchtmaatregelen worden genomen overeenkomstig de procedure voorzien in de personeelsregelingen en ‑verordeningen. Deze procedure garandeert dat jegens een personeelslid waarop de arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn geen tuchtmaatregel kan worden getroffen zonder dat het eerst in de gelegenheid is gesteld om te antwoorden op de verwijten die hem worden gemaakt. [...] 46. Indien ernstig plichtsverzuim is aangevoerd kan de directie beslissen om het personeelslid, na het te hebben gehoord, met onmiddellijke ingang te schorsen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden. [...]”
4. Personeelsverordeningen en -regelingen van de ECB
6 Deel 8.3, „Tuchtprocedures”, van de door de directie vastgestelde personeelsverordeningen en ‑regelingen van de ECB (hierna: „personeelsverordeningen en ‑regelingen”), luidt in de op het onderhavige geding toepasselijke versie: „De bepalingen van de artikelen 43, 44 en 45 van de arbeidsvoorwaarden worden toegepast als volgt. 8.3.1 Onder ‚plichtsverzuim’ wordt verstaan een niet-nakoming van de verplichtingen voorzien in het [Protocol betreffende] de statuten van het [ESCB] en de [ECB], de arbeidsvoorwaarden, de personeelsverordeningen en ‑regelingen, de gedragscode van de [ECB] en elke andere juridische handeling, norm of interne regel die van toepassing is op de personeelsleden. 8.3.2 Op basis van een rapport waarin de feiten en de omstandigheden van het plichtsverzuim worden uiteengezet, daaronder begrepen verzwarende of verzachtende omstandigheden die met bewijselementen worden onderbouwd, en waarin melding wordt gemaakt van de uitkomst van het verhoor van het betrokken personeelslid nadat hem alle stukken van het dossier zijn toegezonden, kan de directie beslissen om: — een tuchtprocedure in te leiden wegens plichtsverzuim; [...] Het personeelslid jegens wie de tuchtprocedure wordt ingeleid wordt schriftelijk van die inleiding op de hoogte gesteld en van de [tegen hem] aangevoerde bezwaren. [...] 8.3.4 Elke andere tuchtmaatregel dan een schriftelijke waarschuwing of berisping kan alleen worden opgelegd na raadpleging van het tuchtcomité. 8.3.5 Het tuchtcomité bestaat uit de vijf volgende leden: a) een voorzitter zonder stemrecht, die door de directie wordt aangesteld op basis van een lijst van voormalige hoge ambtenaren van een andere instelling van de Europese Unie of van eminente leden van een internationale Europese organisatie. [...] b) de directeur-generaal of [de] adjunct-directeur-generaal Human Resources, Budget en Organisatie [van de ECB]; c) twee door de directie aangestelde personeelsleden; d) een vertegenwoordiger van het personeel die door de directie is aangesteld op basis van een lijst waarop in volgorde van voorkeur drie namen van personeelsleden voorkomen en welke door het personeelscomité en de vertegenwoordigende organen is toegezonden. [...] De leden van het tuchtcomité die overeenkomstig de punten c) en d) worden aangesteld mogen niet tot dezelfde dienst behoren als het personeelslid tegen wie de tuchtprocedure is ingeleid. [...] [...] 8.3.6 Onder voorbehoud van de goedkeuring van de voorzitter van het comité, kan een lid van het tuchtcomité om legitieme redenen van deze functie worden ontslagen en dient het zich terug te trekken indien er sprake is van een belangenconflict. Het wordt daarop vervangen door zijn waarnemer. 8.3.7 De beraadslagingen en de werkzaamheden van het tuchtcomité zijn persoonlijk en vertrouwelijk, overeenkomstig de interne regels van de ECB op het gebied van de vertrouwelijkheid. De leden van het tuchtcomité handelen op persoonlijke titel en oefenen hun functie in volledige onafhankelijkheid uit. 8.3.8 De voorzitter van het tuchtcomité zorgt voor de uitvoering van de besluiten die in het kader van de procedure voor het tuchtcomité zijn genomen en stelt elk lid op de hoogte van alle relevante informatie en stukken. [...] 8.3.10 Het personeelslid [tegen wie de tuchtprocedure is ingeleid] wordt op de hoogte gesteld van de samenstelling van het tuchtcomité en kan binnen vijf daaraanvolgende dagen één van de leden van dat comité wraken. 8.3.11 Het in artikel 8.3.2 bedoelde rapport wordt aan het personeelslid toegezonden. Vanaf de ontvangst van dat rapport heeft hij recht op volledige toezending van zijn persoonsdossier en op het maken van een kopie van alle stukken van de procedure, met inbegrip van de stukken die zijn onschuld kunnen aantonen. Hij beschikt over ten minste vijftien kalenderdagen vanaf de ontvangst van het rapport om zijn verdediging voor te bereiden. 8.3.12 Het tuchtcomité hoort het personeelslid, dat schriftelijke of mondelinge opmerkingen kan maken en zich kan laten bijstaan door een persoon van zijn keuze. [...] [...] 8.3.15 Het tuchtcomité brengt bij meerderheid een door alle leden ondertekend eindadvies uit over de echtheid van de feiten, over de vraag of zij een plichtsverzuim opleveren en over elke tuchtmaatregel. Elk lid van het tuchtcomité kan een afwijkende mening bij het advies voegen. Het tuchtcomité stuurt zijn eindadvies toe aan de directie en aan het personeelslid, en wel binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving aan laatstgenoemde van de inleiding van de tuchtprocedure. Indien het tuchtcomité aanvullend onderzoek verricht, bedraagt deze termijn vijf maanden. In elk geval moet rekening worden gehouden met de ingewikkeldheid van het [tucht]dossier. [...] 8.3.16 Het personeelslid kan binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de toezending van het met redenen omklede eindadvies van het tuchtcomité zijn eigen opmerkingen bij de directie indienen. 8.3.17 Binnen een maand na ontvangst van het met redenen omklede eindadvies van het tuchtcomité en de opmerkingen van het personeelslid beslist de directie welke tuchtmaatregel het meest geschikt is. Zij houdt naar behoren rekening met de aanbevelingen van het tuchtcomité, zonder daaraan echter gebonden te zijn. [...]”
5. Circulaire nr. 1/2006
7 De regels voor administratieve onderzoeken binnen de ECB worden gepreciseerd in administratieve circulaire nr. 1/2006, welke de directie heeft vastgesteld op 21 maart 2006 (hierna: „circulaire nr. 1/2006”). Artikel 2, lid 1, van deze circulaire bepaalt dat de administratieve onderzoeken tot doel hebben de feiten te verhelderen, maar dat zij niet vooruitlopen op enige tuchtprocedure.
8 Artikel 6, lid 14, van circulaire nr. 1/2006 vermeldt dat aan het einde van het administratieve onderzoek de persoon of de groep van personen (hierna: „groep” of „onderzoeksgroep”) die belast zijn met de uitvoering van het administratieve onderzoek, aan de verantwoordelijke van het onderzoek een met redenen omkleed rapport over moeten leggen en dat deze, wanneer hij een senior manager is, de directie daarvan op de hoogte moet stellen.
9 Artikel 7, lid 3, van circulaire nr. 1/2006 bepaalt: „De werknemers van de ECB naar wie een administratief onderzoek is ingesteld: a) worden vóór de presentatie van het met redenen omklede rapport door de persoon die belast is met het onderzoek of door de groep op de hoogte gesteld van de inhoud van het hun verweten plichtsverzuim en krijgen toegang tot de documenten betreffende de jegens hen aangevoerde bezwaren en waarin melding wordt gemaakt van belangrijke feiten om hun rechten van verweer uit te oefenen, en b) hebben de mogelijkheid om hun standpunt kenbaar te maken en opmerkingen toe te voegen aan op hen betrekking hebbende conclusies; deze opmerkingen worden met het oog op de volledigheid van het onderzoeksdossier opgenomen in het met redenen omklede rapport, en c) kunnen de bijstand van een vertegenwoordiger van het personeel vragen. De werknemers van de ECB of andere bij het administratief onderzoek betrokken personen hebben eveneens toegang tot alle op hen betrekking hebbende feiten alsmede tot hun persoonsgegevens, teneinde te garanderen dat deze exact en volledig zijn; zij hebben er recht op dat de verantwoordelijke voor administratieve onderzoeken, handelend in zijn hoedanigheid van controleur, elke onjuistheid of nalatigheid die betrekking heeft op hun persoonsgegevens onmiddellijk rectificeert.”
6. Gedragscode van de ECB
10 De relevante bepalingen van de gedragscode van de ECB, opgesteld overeenkomstig artikel 11.3 van het reglement van orde van de Bank (PB 2001, C 76, blz. 12; hierna: „gedragscode”), luiden: „[...] 2. [...] Van de [personeelsleden van de ECB,] geadresseerden [van deze gedragscode,] wordt verwacht dat zij met exclusieve loyaliteit aan de ECB eerlijk, onafhankelijk, onpartijdig, discreet en niet gedreven door eigenbelang of nationaal belang handelen, dat zij strenge normen van beroepsethiek onderschrijven en dat zij enigerlei situatie vermijden die tot een belangenconflict aanleiding zou kunnen geven. [...] 2.2 Toewijding, efficiëntie, verantwoordelijkheid Van de geadresseerden [van deze gedragscode] wordt verwacht dat zij de aan hen toevertrouwde verantwoordelijkheden en taken toegewijd, efficiënt en naar beste vermogen uitvoeren. Van hen wordt verwacht dat zij handelen indachtig het belang van hun taken en verantwoordelijkheden, dat zij rekening houden met de verwachtingen van het publiek aangaande hun moreel gedrag, dat zij zich gedragen op een wijze die het vertrouwen van het publiek in de ECB in stand houdt en versterkt, en dat zij bijdragen aan de efficiëntie van het beheer van de ECB. [...] 4.1 [...] Voor de geadresseerden [van deze gedragscode] betekent loyaliteit niet alleen de uitvoering van de door hun meerderen aan hen toevertrouwde taken en opvolging van de door deze meerderen gegeven instructies en de inachtneming van de toepasselijke rapportagelijnen, maar tevens hulp, advies, openheid en doorzichtigheid in al hun betrekkingen met meerderen en collega’s. In het bijzonder dienen de [personeelsleden van de ECB] betrokken collega’s op de hoogte te houden van lopend werk en hen in staat te stellen daaraan een bijdrage te leveren. Het voor meerderen of collega’s achterhouden van informatie die de uitvoering van het werk zou kunnen beïnvloeden, in het bijzonder met het oog op persoonlijk voordeel, het verschaffen van valse, verkeerde of overdreven informatie, het weigeren samen te werken met collega’s of het tentoonspreiden van enig obstructief gedrag, is strijdig met het soort loyaliteit dat van de [personeelsleden van de ECB] wordt verwacht. [...] 4.2 [...] Van de [personeelsleden van de ECB] wordt verwacht dat zij het eigendom van de ECB respecteren en beschermen, en derden niet toestaan gebruik te maken van de diensten en/of voorzieningen van de ECB. Alle apparatuur en voorzieningen, ongeacht hun aard, worden uitsluitend aan de [personeelsleden van de ECB] ter beschikking gesteld voor officieel gebruik, tenzij privégebruik is toegestaan ofwel overeenkomstig desbetreffende interne regels of praktijken, ofwel op discretionaire basis. Van de [personeelsleden van de ECB] wordt tevens verwacht dat zij alle redelijke en gepaste maatregelen nemen om de kosten en uitgaven van de ECB waar mogelijk te beperken, zodat de beschikbare middelen op de meest efficiënte wijze kunnen worden aangewend. 5. Tenuitvoerlegging 5.1. De rol van de [personeelsleden van de ECB,] geadresseerden [van deze gedragscode] De juiste tenuitvoerlegging van deze gedragscode hangt bovenal af van de vakkundigheid, het geweten en het gezond verstand van de geadresseerden. Naast de waakzaamheid die geadresseerden [van deze gedragscode] in gezaghebbende posities worden verwacht tentoon te spreiden, wordt tevens van hen verwacht dat zij zich op voorbeeldige wijze gedragen met betrekking tot het naleven van de beginselen en regels zoals vastgelegd in deze [gedrags]code. [...]”
7. Handboek van de bedrijfspraktijk
11 Hoofdstuk 7 van het „Handboek van de bedrijfspraktijk” („Business Practices Handbook”; hierna: „handboek van de praktijk”) bepaalt dat, wat de gecentraliseerde begrotingscentra betreft, de taken en fondsen die aan een centrale begroting zijn toegewezen verband houden met de diensten die door de dienst die verantwoordelijk is voor deze gecentraliseerde begroting, worden geleverd aan de andere diensten van de ECB. De managers van deze begrotingscentra („Budget Center Managers”) zijn verantwoordelijk en moeten rekenschap afleggen voor alle activiteiten van hun respectief begrotingscentrum. Zij zijn verantwoordelijk voor het beheer van hun financiële kredieten, binnen de grenzen van hun goedgekeurde begroting en overeenkomstig de toepasselijke regels en richtsnoeren. Zij worden geacht ervoor te zorgen dat de kosten onder de juiste financiële post worden geboekt. Volgens de bewoordingen van hoofdstuk 8 van het handboek voor de praktijk, passen de personeelsleden van de ECB voor al hun aankoopactiviteiten de regels op het gebied van de overheidsopdrachten en de goede praktijken toe. Zij moeten zich inspannen om de beste prijs-kwaliteitverhouding te krijgen, rekening houden met de totale kosten van de goederen, en niet alleen de huidige behoeften voor ogen houden, maar ook de potentiële toekomstige behoeften. Artikel 8.1.1 van het handboek van de praktijk bepaalt dat de manager van een begrotingscentrum verantwoordelijk is voor de goede werking en de positieve resultaten van de aankopen, dat wil zeggen dat hij de beste prijs‑kwaliteitverhouding moet krijgen en in verband met de aankopen de standaarden van de ECB en de gedragscode in acht moet nemen.
Aan het geding ten grondslag liggende feiten
1. Oorspronkelijke feiten die eveneens zijn aangevoerd in de gevoegde zaken F‑7/11 en F‑60/11
12 Verzoeker is op 1 juni 2003 in dienst getreden van de ECB en is met ingang van 1 juni 2007 na een interne aanwervingsprocedure aangesteld in de post van hoofd van de afdeling Bureaudiensten van het directoraat-generaal (DG) Algemeen Beheer, welke afdeling vanaf 19 februari 2008„afdeling Interne Dienstverlening” wordt genoemd. Deze afdeling diende met name te zorgen voor de goede werking van de centrale postdiensten, de telefooncentrale en de reprografie, voor het beheer van de onderaanbesteding van schoonmaakdiensten, de interne horeca, de gegroepeerde reservering van hotelkamers, de diensten van vertolking en de dienstreizen, voor de feitelijke organisatie van vergaderingen die binnen de ECB werden gehouden, voor de goede werking van een chauffeurs- en vervoersdienst, voor het in ontvangst nemen van leveringen, het beheer van de ruimte die diende voor de opslag van goederen alsmede voor de verstrekking van meubilair en voor de interne verspreiding van goederen.
13 In zijn hoedanigheid van hoofd van een multidisciplinaire afdeling die de andere afdelingen van de Bank van apparatuur en diensten moest voorzien, met uitzondering van computerapparatuur, was verzoeker verantwoordelijk voor een gecentraliseerde begroting. Hij werd in zijn functie bijgestaan door een adjunct-hoofd (hierna: „adjunct-afdelingshoofd”).
14 Overeenkomstig het door de directie goedgekeurde aankoopbeleid van de ECB, is de „‚verantwoordelijkheid voor de bevoorrading en de aankopen gecentraliseerd, [onder meer voor alle] gecentraliseerde investeringen op het gebied van de informatica (daaronder begrepen hard- en software)’, en toevertrouwd aan de afdeling Infrastructure and Operations van het [DG Informatiesystemen]”.
15 Op 26 februari 2010 heeft de directie op basis van circulaire nr. 1/2006 besloten om een administratief onderzoek in te stellen teneinde opheldering te krijgen over „alle feiten en omstandigheden verband houdende met de aankoop van bepaalde artikelen en het gebruik van bepaalde goederen van de ECB door het personeel [van de afdeling Interne Dienstverlening]” alsmede naar „alle feiten en omstandigheden verband houdende met een eventueel plichtsverzuim door bepaalde personeelsleden, in verband met de aankoop en het gebruik van die [goederen]” (hierna: „aanvankelijk administratief onderzoek”). De directie heeft eveneens besloten om niet alle personeelsleden daarvan onmiddellijk op de hoogte te stellen teneinde geen afbreuk te doen aan het administratieve onderzoek. Bij datzelfde besluit van 26 februari 2010 is de directeur van het directoraat Interne Audit aangewezen als verantwoordelijke voor het onderzoek. Er is tevens een onderzoeksgroep ingesteld, bestaande uit vier personeelsleden van de ECB.
16 Op 26 maart 2010 is verzoeker door de onderzoeksgroep gehoord over de aankoop door de afdeling Interne Dienstverlening van drie verschillende categorieën artikelen, namelijk i) laptops van het merk X, ii) andere soorten laptops, en iii) e‑readers. Bij die gelegenheid werd verzoeker overeenkomstig artikel 7, lid 1, van circulaire nr. 1/2006 meegedeeld dat naar hem een administratief onderzoek in de zin van artikel 2, lid 1, van die circulaire was ingesteld. Op 22 april 2010 is hem een ontwerpverslag van het verhoor toegezonden, zodat hij daarover opmerkingen kon maken, hetgeen hij op 10 mei daaraanvolgend heeft gedaan.
17 Bij besluit van 6 april 2010, dat de volgende dag inging, heeft de directie verzoeker geschorst met behoud van zijn volledige basissalaris voor de duur van het administratieve onderzoek (hierna: „besluit van 6 april 2010”). In dit besluit werd aangegeven dat het met name was gebaseerd op de onrust binnen de afdeling Interne Dienstverlening en op de noodzaak om het goede verloop van het aanvankelijke administratieve onderzoek te vergemakkelijken alsmede op het rapport over de voortgang van de onderzoekswerkzaamheden van de groep (hierna: „rapport over de voortgang van de onderzoekswerkzaamheden op 6 april 2010”), dat de directie diezelfde dag was toegezonden. Het besluit van 6 april 2010 is op 3 juni 2010 betwist door verzoeker, die op basis van artikel 41 van de arbeidsvoorwaarden en artikel 8.1.6 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen een bijzonder beroep heeft ingesteld.
18 In antwoord op een verzoek van de onderzoeksgroep, heeft verzoeker één van zijn collega’s gevraagd om een aantal voorwerpen, eigendom van de Bank, die verzoeker buiten de ruimten van de Bank bewaarde, aan de Bank terug te geven. Op 22 juli 2010 heeft die collega die voorwerpen teruggegeven aan de Bank. Tot die voorwerpen behoorden drie laptops, een e-reader, een draagbaar navigatiesysteem, twee fotocamera’s en een handprojector.
19 Bij brief van 22 juli 2010 heeft verzoeker de onderzoeksgroep meegedeeld dat hij om medische redenen niet aanwezig kon zijn bij het verhoor dat voor die dag was gepland. In die brief gaf hij echter uitvoerig antwoord op de vragen van de groep over de aankopen die de afdeling Interne Dienstverlening tussen 2007 en 2010 had gedaan.
20 In dit verband beklemtoonde hij met name dat talrijke betwiste aankopen waren gedaan bij wijze van proef en experiment. Hij zette voorts uiteen dat de aankoop van computers, van „MacBooks” en van ander computermateriaal bedoeld was om een ruimte te creëren voor verzoekers die gekomen waren om deel te nemen aan vergaderingen bij de ECB, waar zij hun e-mails konden lezen, informatie over hun vluchten konden controleren en zich online konden aanmelden. Ander materiaal was bestemd voor de wachtruimten die de chauffeurs van de ECB tussen hun ritten gebruikten. Het ging er volgens verzoeker om om hun afleiding te bezorgen, met name gedurende de lange wachttijden ’s avonds. De afdeling Interne Dienstverlening zou daarom ook spelcomputers (Wii) hebben gekocht. De draagbare navigatiesystemen waren volgens verzoekers bedoeld voor de lange ritten die de chauffeurs in Duitsland en in Europa aflegden. De mobiele telefoons konden worden uitgeleend aan personeelsleden aan wie de Bank geen permanente telefoon ter beschikking had gesteld of dienen ter vervanging van de kapotte telefoons die door het DG Informatiesystemen waren geleverd. De aankoop van de BlackBerry mobiele telefoons en van daarbij behorend materiaal werd eveneens gerechtvaardigd door de vervanging van de kapotte telefoons die de afdeling Interne Dienstverlening door het DG Informatiesystemen ter beschikking waren gesteld. Verzoeker had opdracht gegeven voor de aankoop van draadloze keyboards teneinde deze in de vergaderzalen te plaatsen.
21 In diezelfde brief aan de groep van 22 juli 2010 gaf verzoeker eveneens uitleg over de aankoop van vijf e-readers, namelijk dat deze waren gekocht met het oog op een test teneinde te bepalen of zij in de toekomst door de Bank konden of moesten worden aangekocht om bij wijze van cadeau onder haar personeel te worden verspreid. Bovendien gaf hij aan dat hij, daar hij constant beroepsliteratuur las, zijn e-reader altijd bij zich had om in de trein of tijdens dienstreizen te kunnen lezen.
22 De fotocamera’s die de afdeling Interne Dienstverlening had aangekocht zouden zijn bedoeld om kwalitatief goede foto’s te nemen van voorwerpen die waren opgenomen in de catalogus van leveringen van die afdeling. Ander audio- en videomateriaal zou zijn aangekocht voor presentaties tijdens vergaderingen. Er waren eveneens tassen aangekocht zodat de medewerkers van de afdeling Interne Dienstverlening hun laptops en documenten gemakkelijker konden vervoeren. De digitale fotolijsten en de SD-kaarten („Secure Digital”) voor het opslaan van digitale foto’s zouden zijn aangekocht om eventueel het personeel van de afdeling Interne Dienstverlening te kunnen belonen.
23 Op 26 juli 2010 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de ECB op de hoogte gesteld van zijn op 1 juli daaraan voorafgaand genomen besluit om een onderzoek in te stellen. Met de instelling van dat onderzoek is het aanvankelijke administratieve onderzoek afgesloten, en wel krachtens verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136, blz. 1). Daar het onderzoek van de groep op 26 juli 2010 niet was afgesloten, heeft de onderzoeksgroep de verantwoordelijke van het onderzoek niet een „met redenen omkleed rapport waarbij de feiten en omstandigheden van de zaak worden vastgesteld alsmede het bestaan of het ontbreken van voldoende bewijs ter onderbouwing van het gestelde verzuim” overgelegd in de zin van artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen en van artikel 6, lid 14, van circulaire nr. 1/2006.
24 Bij besluit van de directie van 3 augustus 2010 waarbij uitspraak werd gedaan over het door verzoeker ingestelde bijzondere beroep, heeft de directie het besluit van 6 april 2010 uitgesteld en verzoeker een symbolische vergoeding van 1 EUR toegekend.
25 Bij besluit van 4 augustus 2010, waarvan diezelfde dag kennis is gegeven, heeft de directie verzoeker met ingang van 5 augustus 2010 geschorst met behoud van zijn basisbezoldiging (hierna: „besluit van 4 augustus 2010”). Dit besluit geeft aan dat het gebaseerd is op, enerzijds, stellingen die, indien zij aangetoond waren, een ernstig plichtsverzuim door verzoeker zouden opleveren gezien de schade die is toegebracht aan het imago van de ECB en de hoge positie van de betrokkene binnen de instelling en, anderzijds, de noodzaak om het onderzoek van OLAF te vergemakkelijken.
26 In de brief waarbij verzoeker het besluit van 4 augustus 2010 werd toegezonden, dat met name ondertekend was door de directeur-generaal van het DG Human Resources, Budget en Organisatie (hierna: „DG HR”), werd met name beklemtoond dat verzoeker herhaaldelijk had geweigerd om aanwezig te zijn bij een verhoor vóór de vaststelling van dat besluit. Onder verwijzing naar de rechtspraak over het horen van de betrokkene na de vaststelling van een besluit om hem te schorsen, werd verzoeker in die brief uitgenodigd voor een verhoor op 11 augustus 2010 om 11.00 uur of op een door hem te bepalen eerdere datum dan wel, bij gebreke daarvan, om ten laatste op 3 september 2010 zijn schriftelijke opmerkingen over het besluit van 4 augustus 2010 in te dienen.
27 Bij brief van 17 augustus 2010 heeft de directeur-generaal van het DG HR verzoeker op de hoogte gesteld van de jegens hem aangevoerde beschuldigingen die aan de directie waren toegezonden. Het ging om: „[...] [Ten eerste] aan de directie toegezonden verklaringen opgenomen in [het rapport over de voortgang van de onderzoekswerkzaamheden op] 6 april 2010 en naar aanleiding van een onderhoud met [verzoeker] op 26 maart 2010, waarvan [verzoeker] het verslag was toegezonden en waarover hij op 10 mei 2010 schriftelijke opmerkingen h[ad] gemaakt, betreffende: i) [de aankoop van] laptops van het merk [X], de aankoop van andere laptops en e-readers door de [afdeling Interne Dienstverlening]; ii) [het feit dat] de reden, het gebruik en de lokalisatie van die artikelen onzeker waren. [Ten tweede d]e aan de directie toegezonden verklaringen, opgenomen in [het rapport over de voortgang van de onderzoekswerkzaamheden] op 6 april 2010, welke opnieuw waren samengevat en onderbouwd in het [verslag van de vergadering die was gehouden op] 14 juli 2010, waarvan de voorlopige versie [verzoeker] was toegezonden bij brief van 21 juli 2010[, namelijk dat:] i) een bepaald aantal artikelen zoals laptops van het merk [X], andere soorten laptops en pc’s alsmede e-readers [waren] aangekocht bij één van de twee gecentraliseerde begrotingscentra waarvoor de [afdeling Interne Dienstverlening] verantwoordelijk is, terwijl de meerderheid van die artikelen op dit moment niet kon worden gelokaliseerd; ii) [verzoeker], in zijn hoedanigheid van hoofd van de [afdeling Interne Dienstverlening], de aankoop van die artikelen had geïnitieerd, toegestaan of mogelijk h[ad] gemaakt; iii) de redenen voor die aankopen eveneens discutabel [waren] gelet op de rol en de verantwoordelijkheden van de [afdeling Interne Dienstverlening], zoals deze volgen uit de [door de directie goedgekeurde] omschrijving van de taken [van de afdeling]; iv) [verzoeker], als verantwoordelijke van de [afdeling Interne Dienstverlening], geen redelijke uitleg kon geven over de plaats waar de meerderheid van die artikelen zich bevond. [Ten derde] verklaringen die aan de directie waren toegezonden en die waren opgenomen in de voortgang van de onderzoekswerkzaamheden op 19 juli 2010[, namelijk]: i) 127 aankopen door de [afdeling Interne Dienstverlening] van artikelen die k[onden] worden verdeeld in 13 verschillende categorieën, waarvan de belangrijkste waren: i) laptops van het merk [X] en van de bijbehorende accessoires; ii) andere computers en bijbehorende accessoires; iii) andere soorten computermateriaal en software; iv) navigatiesystemen, en v) mobiele telefoons. Op [17 augustus 2010] was slechts voor een beperkt aantal van die 127 artikelen bepaald waar zij zich bevonden; ii) [de] onzekerheid over de professionele reden voor de aankoop van die artikelen, gezien het project of de taak waarmee zij verband h[ielden] en de relaties tussen het betrokken project of de betrokken taak en de functionele verantwoordelijkheden van de [afdeling Interne Dienstverlening]. [...]”
28 Bij brief van 10 augustus 2010 heeft verzoeker de ECB gevraagd om inzage in een bepaalde aantal documenten. Bij brief van 17 augustus 2010 heeft de ECB geweigerd dit verzoek in te willigen, en zij verwees hiervoor naar haar standpunt in de eerdere brieven van 28 april, 21 mei en 5 juli 2010, alsmede in de brief van 4 augustus 2010 waarbij het besluit van 4 augustus 2010 was toegezonden. In de bijlage bij de brief van 17 augustus 2010 herhaalde de ECB de aan verzoeker gemaakte verwijten waarop het besluit van 4 augustus 2010 was gebaseerd.
29 Bij brieven van 3 en 10 september 2010 heeft verzoeker zijn opmerkingen over het besluit van 4 augustus 2010 gemaakt. Hij heeft in het bijzonder gewezen op zijn kwaliteiten als afdelingshoofd („manager”), en met name op het feit dat hij de ECB 3 miljoen euro had bespaard in het kader van een contract inzake een computersysteem, met applicaties en bijbehorende producten, bedoeld voor de behandeling van gegevens en genaamd „SAP”.
30 Wat de betwiste aankopen betreft, stelde hij dat deze waren gedaan conform de bij de ECB geldende regels en normen en dat zij beantwoordden aan professionele behoeften in verband met de werkzaamheden van de afdeling Interne Dienstverlening.
31 Aangaande de aankoop van laptops van het merk X gaf verzoeker aan dat deze waren gedaan met het oog op de behoeften van de ruimte voor bezoekers van de ECB en dat voor computers van dit merk was gekozen omdat zij, afgezien van het esthetische aspect ervan, technisch betrouwbaarder waren voor draadloos internetgebruik dan die van het merk Y, die gewoonlijk bij de ECB worden gebruikt.
32 De directie heeft de onderzoeksgroep vervolgens gevraagd om in antwoord op verzoekers argumenten een nota voor te bereiden met daarin haar opmerkingen, vaststellingen en resultaten van haar gesprekken/verhoren tot en met 26 juli 2010.
33 Bij brief van 30 september 2010 heeft verzoeker bijzonder beroep ingesteld tegen het besluit van 4 augustus 2010. Dit beroep is verworpen bij besluit van de directie van de ECB van 23 november daaraanvolgend.
34 Diezelfde 23 november 2010 heeft de directie, na verzoekers situatie naar aanleiding van zijn schriftelijke opmerkingen opnieuw te hebben onderzocht, een nieuw besluit genomen waarbij het besluit van 4 augustus 2010 werd bevestigd. In dit nieuwe besluit werd aangegeven dat het was genomen nadat de directie de onderzoeksgroep had gevraagd om een nota voor te bereiden met haar opmerkingen over de door verzoeker gegeven toelichting. De redenen voor verzoekers schorsing waren, ten eerste, de vaststelling door de directie dat bepaalde door verzoeker gegeven toelichtingen niet overeenkwamen met bepaalde opmerkingen en conclusies van de groep; ten tweede, het ontbreken van uitleg door verzoeker over de 127 voorwerpen waarvoor hij werd beschuldigd van ernstig plichtsverzuim, daar zijn toelichting niet volstond om die beschuldigingen voldoende onwaarschijnlijk of kennelijk ongegrond te maken, en, ten derde, het verrichten van naspeuringen door OLAF in het kader van zijn onderzoek. In de brief waarbij werd kennisgegeven van dit besluit waren uittreksels opgenomen van de voorlopige conclusies van de groep waarop de directie aangaf zich te hebben gebaseerd.
35 In de loop van januari 2011 heeft de ECB verzoeker op de hoogte gesteld van haar besluit om jegens hem een invaliditeitsprocedure in te leiden.
36 Bij besluit van 15 maart 2011 heeft de directie van de ECB het bijzondere beroep verworpen dat verzoeker op 21 januari 2011 had ingesteld tegen het besluit van 23 november 2010 waarbij het besluit van 4 augustus 2010 was bevestigd.
37 Op 16 maart 2011 heeft de directeur-generaal van het DG HR verzoeker meegedeeld dat hij vanaf 28 maart 2011 geen bezoldiging meer zou ontvangen, maar een gelijkwaardige invaliditeitstoelage.
38 Op 22 maart 2011 is verzoeker door OLAF uitgenodigd voor een verhoor op 12 en 13 mei 2011.
39 Bij verzoekschriften, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 2 februari respectievelijk 25 mei 2011, heeft verzoeker twee beroepen ingesteld. Het eerste, dat is ingeschreven onder nummer F‑7/11, strekte tot nietigverklaring van het besluit van 4 augustus 2010, terwijl het tweede, dat is ingeschreven onder nummer F‑60/11, strekte tot nietigverklaring van het besluit van 23 november 2010 waarbij het besluit van 4 augustus 2010 is bevestigd, in casu de twee besluiten waarbij de ECB verzoeker had geschorst.
40 Bij arrest van 13 december 2012, AX/ECB (F‑7/11 en F‑60/11, EU:F:2012:195), heeft het Gerecht de twee beroepen verworpen en verzoeker verwezen in de kosten.
2. Rapport over de werkzaamheden van de groep
41 Uit het dossier blijkt dat ofschoon de onderzoeksgroep op 26 juli 2010, de datum waarop zij als gevolg van de kennisgeving door OLAF van de instelling van zijn onderzoek haar dossier heeft gesloten, haar werkzaamheden niet had afgerond, zij in de vorm van een activiteitenrapport („Activity Report”; hierna: „rapport over de werkzaamheden van de groep”) van 15 maart 2011 niettemin rekenschap heeft afgelegd van de werkzaamheden die zij tot dan toe had verricht. In dit rapport werd rekenschap afgelegd voor de „voorlopige beoordeling door de onderzoeksgroep op 26 juli 2010 van de redenen voor de aankoop van elk van de categorieën betrokken voorwerpen alsmede van de samenhang van de gegeven uitleg”.
42 Het rapport over de werkzaamheden van de groep is een jaar later, op 22 maart 2012, door de verantwoordelijke voor het onderzoek, namelijk de directeur Interne Audit, toegezonden aan het DG HR. Voor deze toezending werd als reden gegeven het feit dat het rapport „informatie bevat[te] die niet voorkwam in het eindrapport van OLAF [zoals bedoeld in punt 51 van dit arrest] en die aanvullende elementen k[on] geven, waaronder mogelijk verzwarende of verzachtende omstandigheden, waarmee [het DG HR] rekening k[on] houden bij [zijn] besluit om al dan niet een tuchtprocedure in te leiden”. Voorts preciseerde de directeur Interne Audit dat het rapport over de werkzaamheden van de groep „een verkorte weergave vorm[de] van alle opmerkingen en uitkomsten van de gesprekken die tot en met 26 juli 2010 waren verkregen en dat een duidelijk onderscheid [moest] worden gemaakt tussen dit rapport en een ,met redenen omkleed rapport waarin de feiten en omstandigheden van de zaak werden vastgesteld alsmede het bestaan of het ontbreken van afdoende bewijs ter onderbouwing van het gestelde verzuim”, in casu een rapport in de zin van artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen en van artikel 6, lid 14, van circulaire nr. 1/2006.
3. Rapport van OLAF
Uitvoering van het onderzoek
43 In het kader van zijn onderzoek heeft OLAF de ECB bij brief van 29 juli 2010 om informatie gevraagd, welke hem is verstrekt bij brief van 6 augustus 2010. Het onderzoeksteam van OLAF heeft van 20 tot en met 24 september 2010 ook een bezoek aan de Bank afgelegd, waarbij het twaalf personeelsleden van de ECB als „getuigen” heeft gehoord. Op 19 november 2010 heeft OLAF ook een ander personeelslid van de Bank ondervraagd.
44 Op 23 maart 2011 zijn de leden van de onderzoeksgroep bijeengekomen in de kantoren van OLAF en bij die gelegenheid hebben zij opmerkingen uitgewisseld over elke categorie voorwerpen die de afdeling Interne Dienstverlening had aangekocht, hun voorlopige beoordeling over de feiten op 26 juli 2010 gegeven en geantwoord op de vragen van OLAF daarover.
45 Uit het dossier blijkt dat de onderzoeksgroep dus hulp heeft geboden bij de uitvoering van het onderzoek van OLAF. In het kader daarvan heeft OLAF de Bank bij schrijven van 29 maart 2011 gevraagd om hem een kopie toe te zenden van het rapport over de werkzaamheden van de groep, dat die groep had genoemd in één van haar antwoorden op verzoeken om inlichtingen van OLAF.
46 Op 30 maart 2011 heeft de directeur van het directoraat Interne Audit, in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke voor het onderzoek, OLAF het rapport over de werkzaamheden van de groep toegezonden waarbij hij wees „op het feit dat [d]it rapport uitsluitend de werkzaamheden van de onderzoeksgroep weerg[af] op 26 juli 2010, [dat wil zeggen] op de datum waarop de ECB door OLAF [was] geïnformeerd over de instelling van een onderzoek in deze zaak, waardoor het [aanvankelijke] administratieve onderzoek werd afgesloten. De belangrijkste opmerkingen en voorlopige beoordelingen van de onderzoeksgroep ten aanzien van de [dertien] categorieën betwiste aankopen door de afdeling Interne Dienstverlening dien[den] dus in geen geval te worden uitgelegd als eindconclusies over elk van die categorieën of over enig ander onderdeel van het dossier”.
47 Daar verzoeker niet beschikbaar was, heeft OLAF hem gevraagd om ten laatste op 31 augustus 2011 opmerkingen te maken of toelichtingen te geven over de samenvatting van de op hem betrekking hebbende verklaringen en hem bovendien een aantal vragen gesteld.
48 Op 30 augustus 2011 heeft de ECB verzoekers raadsman alle of slechts een deel van de stukken gezonden waarom deze raadsman op 26 augustus 2011 had gevraagd. Bij brief van zijn raadsman van 30 augustus 2011 heeft verzoeker geantwoord op de drie belangrijkste vragen die OLAF in een schrijven van 13 juli 2011 had gesteld en toelichtingen gegeven over de redenen voor de betwiste aankopen en over het verband daarvan met de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden van de door verzoeker geleide afdeling Interne Dienstverlening.
49 Aangaande de lijst van de betwiste aankopen die de afdeling Interne Dienstverlening had gedaan, herinnerde verzoeker OLAF eraan dat hij op 29 juni 2010 door de onderzoeksgroep reeds was gevraagd om zijn opmerkingen daarover te maken. Hij beklemtoonde met name dat hij van mening was dat er geen kwaad in stak om materiaal van de ECB mee naar zijn huis te nemen, aangezien hij daardoor de configuratie en de ingebruikneming ervan kon afronden waardoor hij werktijd bespaarde. Hij stelde dat hij nooit de aankoop van goederen ten laste van de begroting van de Bank voor eigen of privégebruik had gelast en dat zijn gezin en hijzelf in elk geval altijd op hun eigen kosten zeer goed uitgerust waren geweest met computer en fotomateriaal. In zijn antwoord aan OLAF stelde hij eveneens dat hij nooit opdracht had gegeven om bepaalde begrotingsposten van de afdeling Interne Dienstverlening te gebruiken voor de betrokken aankopen aangezien de concrete bepaling van de juiste begrotingspost aan de hand van de betrokken aankoop een taak was van het adjunct-afdelingshoofd.
50 Na te hebben vastgesteld welk personeelslid ongeveer een derde van de betwiste aankopen had goedgekeurd, namelijk het adjunct-afdelingshoofd, heeft OLAF hem op 13 oktober 2011 gehoord.
Conclusies van het rapport van OLAF
51 Na afloop van zijn onderzoek heeft OLAF een eindrapport opgesteld waarin het ten aanzien van verzoeker de aanbeveling deed om het onderzoek af te sluiten met tuchtrechtelijke gevolgen (hierna: „rapport van OLAF”). Dit rapport, dat vergezeld ging van aanbevelingen aan de ECB en is opgesteld op 8 november 2011, is de Bank op 27 januari 2012 toegezonden. Verzoeker is door OLAF op 23 januari 2012 op de hoogte gesteld van de afsluiting van het onderzoek.
52 Uit het rapport van OLAF blijkt dat een personeelslid van de ECB die om anonimiteit heeft gevraagd [hierna: „klokkenluider” („whistleblower”)] heeft gewezen op het bestaan van mogelijke onregelmatigheden binnen de afdeling Interne Dienstverlening. Deze hielden verband met de aankoop van twee draagbare navigatiesystemen die verzoeker in 2010 zou hebben gedaan, terwijl de officiële voertuigen van de ECB standaard reeds uitgerust waren met een dergelijk systeem, alsmede met andere aankopen: verschillende led-projectors, drie fotocamera’s waarvan één van professionele kwaliteit alsmede talrijke laptops en toebehoren. De klokkenluider had aangegeven de indruk te hebben dat verzoeker, die aanzienlijke financiële problemen zou hebben, de met geld van zijn dienst aangekochte apparatuur ten eigen bate doorverkocht.
53 Met betrekking tot de aankoop van laptops van het merk X, dat bij de ECB niet wordt gebruikt, en de bijbehorende accessoires, heeft OLAF opgemerkt dat de aankoop van dergelijke computerapparatuur niet onder de taken van de afdeling Interne Dienstverlening viel. Ook al werd verwezen naar een project om de vergaderzalen van één van de gebouwen van de ECB uit te rusten met een draadloze internetverbinding, OLAF heeft vastgesteld dat dit project onder het DG Informatiesystemen viel en dat in het kader van dat project geen laptop was aangekocht. In elk geval heeft OLAF zich op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat de betrokken laptops door verzoeker geruime tijd vóór het opstarten van dit project waren aangekocht, de twijfel deed toenemen over de opportuniteit van die aankopen. OLAF concludeerde dus dat er geen enkele geldige professionele reden was die de aankoop van die categorie goederen kon verklaren.
54 Aangaande de aankoop van digitale fotolijsten („electronic photo frames”) en e‑readers („e-books”) heeft OLAF eveneens geconcludeerd dat er geen professionele reden was die deze aankopen, die evenmin tot de taken van de afdeling Interne Dienstverlening behoorden, te rechtvaardigen.
55 Ook met betrekking tot de aankoop van „[a]ndere computers en toebehoren” („[o]ther computers and related accessories”) heeft OLAF opgemerkt dat deze aankopen niet tot de taken van de afdeling Interne Dienstverlening behoorden en dat de door verzoeker en het adjunct-afdelingshoofd gegeven rechtvaardiging, namelijk telewerk, de continuïteit van het werk en het uitlenen aan het personeel van de Bank voor vergaderingen en presentaties, in strijd was met de verklaringen van de door hem gehoorde getuigen. OLAF heeft daaruit de vaststelling getrokken dat er geen professionele reden was die deze aankopen kon rechtvaardigen.
56 Ten aanzien van de aankoop van draagbare navigatiesystemen heeft OLAF vastgesteld dat de door verzoeker aangevoerde rechtvaardigingen, namelijk om tegemoet te komen aan de behoeften van de chauffeurs van de ECB voor hun lange ritten in Duitsland en door Europa, duidelijk werd tegengesproken door de verklaringen van die chauffeurs zelf alsmede door die van het adjunct-afdelingshoofd, namelijk dat de officiële voertuigen van de Bank standaard reeds waren uitgerust met ingebouwde navigatiesystemen. Volgens OLAF bestond er dus geen geldige professionele reden voor die aankopen.
57 Met betrekking tot de aankoop van andere computers en toebehoren heeft OLAF vastgesteld dat deze aankopen hadden moeten worden gecentraliseerd op het niveau van het DG Informatiesystemen en dat zij niet gerechtvaardigd werden uit het oogpunt van de professionele behoeften van de afdeling Interne Dienstverlening.
58 Voorts heeft OLAF zich op het standpunt gesteld dat de aankoop, in de periode 2007‑2010, van twaalf BlackBerry telefoons en andere mobiele telefoons alsmede de afsluiting van mobiele telefooncontracten niet gerechtvaardigd werden door professionele redenen en dat de aankoop van die goederen en diensten niet tot de taken van de afdeling Interne Dienstverlening behoorden.
59 Wat de aankoop van vier digitale fotocamera’s in 2007 en 2010 betreft, heeft OLAF verzoekers rechtvaardiging dat deze zouden zijn gebruikt om de kwaliteit te verzekeren en voor de online catalogus, afgewezen. De uitleg die verzoeker heeft gegeven ter rechtvaardiging van het feit dat hij twee van die digitale camera’s mee naar huis heeft genomen, namelijk de noodzaak om deze in te stellen, ze op te laden en de gebruiksaanwijzing ervan te lezen, heeft OLAF eveneens afgewezen, met name omdat verzoeker tegelijkertijd met die camera’s niet de gebruiksaanwijzing had meegenomen.
60 Aangaande de aankoop van printers heeft OLAF vastgesteld dat, indien er binnen de afdeling Interne Dienstverlening behoefte was aan printers, die afdeling zich had moeten bevoorraden via het DG Informatiesystemen. Datzelfde gold voor de aankoop van producten van het merk Logitech.
61 Met betrekking tot de aankoop van een televisie, schermen en projectors, heeft OLAF toegegeven dat de aankoop van één televisie en één scherm kon worden gerechtvaardigd door de behoeften van de chauffeurs van de ECB. Er bestond zijns inziens echter geen geldige rechtvaardiging voor de aankoop van projectors en schermen die zogenoemd bedoeld waren voor presentaties in de kantoren en de vergaderzalen.
62 Wat de aankoop van spelcomputers en ‑software betreft, met name software genaamd „Body for LIFE companion”, bedoeld om dagelijkse sportoefeningen te plannen, en een spel met het logo van een Amerikaans voetbalteam, heeft OLAF opgemerkt dat de chauffeurs van de ECB hebben ontkend dat zij dat vrijetijdsmateriaal ter beschikking hebben gehad, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker ter rechtvaardiging van die aankopen had aangegeven.
63 OLAF heeft geconcludeerd dat de afdeling Interne Dienstverlening tussen oktober 2007 en maart 2010 127 computer- en afgeleide producten had gekocht die in totaal 411 individuele voorwerpen vertegenwoordigden, en dit door voor een totaalbedrag van ongeveer 65000 EUR een beroep te doen op de begrotingslijn „Ondersteuning aan de administratieve diensten [...]” („Administrative Services Support [...]”) van de gecentraliseerde begroting van de afdeling Interne Dienstverlening. Voor twee derde van die kosten was de opdracht gegeven door verzoeker, voor het overige deel was de opdracht gegeven door het adjunct-afdelingshoofd.
64 OLAF heeft vastgesteld dat de ECB in staat was geweest om 95 van de betrokken voorwerpen terug te vinden of te lokaliseren, terwijl de plaats van de overige 316 voorwerpen, voor een waarde die op 40674,74 EUR werd geschat, nog steeds niet bekend was. Aangezien geen van die voorwerpen was geïnventariseerd in het daartoe voorziene logistieke systeem van voorzieningen („Equipment Logistics System”; hierna: „ELS-systeem”) of in een ander inventarisatiesysteem van de ECB, was het moeilijk om te bepalen waar zij zich bevonden. OLAF gaf echter aan geen elementen te hebben gevonden ter versterking van de verdenking dat verzoeker de betrokken voorwerpen had verduisterd of dat deze waren gestolen of verduisterd door een personeelslid van de ECB. Zelfs al vormden de betrokken aankopen plichtsverzuim, OLAF deed dus niet de aanbeveling om daaraan een gerechtelijk gevolg te geven.
65 Afgezien van zijn conclusies van het onderzoek, heeft OLAF de Bank een aantal aanbevelingen gedaan, namelijk, ten eerste, om de financiële circuits binnen de afdeling Interne Dienstverlening te herzien teneinde te vermijden dat een ondergeschikte medeondertekenaar is, aangezien dit, wegens een kennelijk gebrek aan onafhankelijkheid van de ondergeschikte, geen enkele toegevoegde waarde heeft voor de controle van de opdrachtgever; ten tweede, dat zij de gecentraliseerde begrotingscentra op gelijke wijze rationaliseert als dat van de afdeling Interne Dienstverlening met het oog op een grotere transparantie van het door die afdeling toegepaste aankoopstelsel; ten derde, dat zij ervoor zorgt dat de procedures binnen de afdeling Interne Dienstverlening een strikte toepassing geven aan het beginsel van budgettaire specificatie en een gezond financieel beleid garanderen, en, ten vierde, dat zij het niveau van interne controle herziet, dat in het algemeen te laag is, zowel binnen de afdeling Interne Dienstverlening als wat het toezicht van die afdeling betreft.
4. Krachtens artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen ingeleide tuchtprocedure
Inleiding van de tuchtprocedure en het rapport van artikel 8.3.2
66 Na het rapport van OLAF is verzoeker op basis van artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen gehoord door het hoofd van de afdeling Human Resources Policies and Staff Relations van het DG HR alsmede door twee leden van de afdeling belast met de sociale betrekkingen („Staff Relations Division”) (hierna: „onderzoekscommissie”). Bij e-mail van 24 augustus 2012 heeft verzoeker de onderzoekscommissie een aantal documenten toegezonden. Nadat verzoeker op 18 oktober 2012 zijn opmerkingen had ingediend over het ontwerprapport dat hem op 26 september daaraan voorafgaand was toegezonden, heeft het directoraat Personeelszaken van de ECB op 19 november 2012 het rapport vastgesteld zoals voorzien in artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen, genaamd „Rapport over een mogelijk plichtsverzuim [...]” (hierna: „rapport van artikel 8.3.2”).
67 Het rapport van artikel 8.3.2 preciseert met name: „[...] Dit rapport is door het DG [HR] uitgewerkt op basis van artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen teneinde de feiten en omstandigheden te presenteren betreffende een mogelijk plichtsverzuim [door verzoeker] in verband met zijn betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor aankopen door de afdeling Interne Dienstverlening. [...] Het is uitgewerkt op basis van[, ten eerste,] het rapport [...] van OLAF, [ten tweede,] informatie verkregen door het [directoraat Interne Audit] over de werkzaamheden van de onderzoeksgroep [...] tot en met 26 juli 2010, de datum waarop het [aanvankelijke] administratieve onderzoek is onderbroken, [ten derde,] [door verzoeker] verkregen informatie en[, ten vierde,] andere administratieve informatie waarover het DG [HR] beschikt. [...] Onder [leiding van verzoeker] heeft de [afdeling Interne Dienstverlening] 127 [computer- en afgeleide] producten gekocht die 411 afzonderlijke individuele voorwerpen vertegenwoordigden om professionele redenen die, gelet op de verantwoordelijkheden van [die afdeling], ter discussie kunnen worden gesteld. [...] Van de 411 afzonderlijke voorwerpen die de [afdeling Interne Dienstverlening] in [opdracht van verzoeker] heeft gekocht, heeft de Bank 95 voorwerpen kunnen recupereren of lokaliseren. Van de overige 316 voorwerpen is niet bekend waar zij zich bevinden. De geschatte waarde van de ontbrekende voorwerpen is 40674,74 EUR. Aangezien geen van die voorwerpen is geïnventariseerd in het [ELS-systeem] of in een ander inventarisatiesysteem van de ECB, is het moeilijk geworden om deze ontbrekende voorwerpen [...] te lokaliseren. Volgens [verzoeker] is dit niet het gevolg van het feit dat de voorwerpen niet waren ingeschreven in een systeem. Zijns inziens zijn de volgende verklaringen mogelijk: i) de voorwerpen bevinden zich nog steeds in de voorraadruimten van de ECB en zijn niet gevonden omdat er niet goed is gezocht; volgens [verzoeker] is het niet erg waarschijnlijk dat dit het geval is, aangezien de personen van de [afdeling Interne Dienstverlening] die deze voorwerpen in de voorraadruimten hebben geplaatst zich exact zouden herinneren waar zij ze hebben geplaatst, en wel met of zonder [inventarisatie]systeem; ii) de voorwerpen zijn door personeel van buiten d[ie afdeling] ([personeel] van andere afdelingen of van externe ondernemingen die toegang tot de voorraadruimten hebben) [elders] geplaatst, of iii) de objecten zijn door één of meerdere personen weggehaald met het doel om [verzoeker] te beschuldigen of ten eigen bate. [...]”
68 In het rapport van artikel 8.3.2 werd eveneens melding gemaakt van een reeks verzwarende en verzachtende omstandigheden voor verzoekers handelingen.
69 Bij brief van 29 november 2012 is verzoeker op de hoogte gesteld van het op 27 november daaraan voorafgaand genomen besluit van de directie om de tuchtprocedure in te leiden alsmede om de samenstelling van het tuchtcomité vast te stellen, namelijk een voormalig lid van het Gerecht als voorzitter en vier personeelsleden afkomstig van verschillende directoraten-generaal van de ECB alsmede vervangende leden. In het besluit om de tuchtprocedure in te leiden werd expliciet vermeld dat het niet op het rapport over de werkzaamheden van de groep was gebaseerd, maar op het rapport van artikel 8.3.2 waarvan verzoeker in die context een kopie werd toegezonden.
70 De tegen verzoeker aangevoerde grieven hielden verband met het feit dat hij, in zijn hoedanigheid van verantwoordelijke van de afdeling Interne Dienstverlening, de aankoop van goederen had geïnitieerd, toegestaan of mogelijk had gemaakt die niet onder de taken van die afdeling vielen en/of waarvoor het gecentraliseerde budget van die afdeling niet was bedoeld; dat hij bepaalde taken en verantwoordelijkheden niet had vervuld met de vereiste zorgvuldigheid en de budgettaire kredieten niet zodanig had gebruikt dat de hoogste mate van doeltreffendheid, efficiëntie en besparingen werd verkregen; dat hij meermaals niet loyaal was geweest ten opzichte van zijn collega’s of niet alle redelijke en gepaste maatregelen had genomen om de kosten en lasten van de ECB zo veel mogelijk te beperken, en dit in strijd met artikel 4, onder a), van de arbeidsvoorwaarden, van de bepalingen van de gedragscode en van de artikelen 0.1.1, 0.4 en 0.5 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen en van de hoofdstukken 7 en 8 van het handboek van de praktijk. Voorts werd verzoeker verweten dat, ten eerste, een groot aantal aan de ECB toebehorende voorwerpen zich buiten de ruimten van de Bank bevonden en hij niet had voldaan aan de verplichting om voor de goederen van de Bank te zorgen en, ten tweede, hij niet in staat was geweest om uit te leggen waar een groot aantal van de door de afdeling Interne Dienstverlening aangekochte voorwerpen zich bevonden. Bovendien werd hem slecht beheer van begrotingskredieten verweten.
Advies van het tuchtcomité
71 Bij brief van 4 december 2012 heeft verzoeker verzocht om wraking van twee leden van het tuchtcomité en van de vervanger van één van die twee leden alsmede om volledige toegang tot alle informatie en documenten die in het bezit van de Bank waren.
72 In dit verband heeft verzoeker het tuchtcomité om inzage in bepaalde documenten gevraagd, waaronder het rapport over de werkzaamheden van de groep. Daar het niet over laatstgenoemd document beschikte, heeft het tuchtcomité het directoraat Interne Audit op 11 december daaraanvolgend gevraagd om hem dit document te verstrekken, zodat het kon beoordelen of het relevant was voor verzoekers rechten van verdediging. De ECB heeft het rapport over de werkzaamheden van de groep aan het tuchtcomité toegezonden en bij brief van zijn voorzitter van 11 januari 2013 heeft het tuchtcomité verzoeker meegedeeld dat het, na onderzoek van de relevantie van het gevraagde document en van zijn toegevoegde waarde in vergelijking met de documentatie die reeds met verzoeker was gedeeld, niet wilde ingaan op het verzoek om toezending van het rapport over de werkzaamheden van de groep. Het tuchtcomité heeft zijn standpunt als volgt uiteengezet: „[...] Bovendien is, wanneer dat gepast was, rekening gehouden met andere overwegingen, daaronder begrepen de identificatie van derden en de behoefte om de verlenging van de [procedure]termijnen te vermijden. Het tuchtcomité stelt zich op het standpunt dat [verzoekers] rechten van verdediging, met name wat de vraag van toegang [tot documenten] betreft, door de documenten die hem reeds zijn verstrekt volledig zijn gewaarborgd. Voorts is het tuchtcomité van mening dat het rapport [van artikel 8.3.2] geen element bevat dat uitsluitend of voornamelijk kan worden bewezen aan de hand van andere documenten dan die waarover [verzoeker] beschikt. [...]”
73 Op 5 december 2012 heeft de ECB verzoeker daarentegen het volledige rapport van OLAF toegezonden.
74 Op 29 januari 2013 heeft verzoeker schriftelijke opmerkingen bij het tuchtcomité ingediend, met name een „[v]erweernota”, en op 30 januari 2013 heeft hij een gewijzigde eindversie van die nota overgelegd nadat hij door dat comité was gehoord (hierna: „verweernota”). Uit het verslag van dat verhoor blijkt dat verzoeker opnieuw is opgekomen tegen de weigering van de ECB om toegang tot bepaalde documenten te verlenen. In dat verband heeft hij betoogd dat het niet de taak van de Bank was om te beoordelen welke documenten relevant waren voor zijn verweer en dat volgens hem niet alle informatie in het rapport van artikel 8.3.2 alleen kon worden bewezen aan de hand van de in zijn bezit zijnde stukken.
75 Tijdens zijn verhoor door het tuchtcomité heeft verzoeker eraan herinnerd dat de bedragen van de betwiste aankopen relatief laag waren, slechts een klein percentage van de begroting vertegenwoordigden waarvoor hij verantwoordelijk was, en dat die aankopen zichtbaar en, derhalve, controleerbaar waren door de diensten van de boekhouding, interne audit en controle van de ECB. Hij heeft ontkend dat hij zijn medewerkers opdracht heeft gegeven om de aangekochte goederen niet op te nemen in het ELS-systeem.
76 Aangaande zijn plan om het personeel van de afdeling Interne Dienstverlening te belonen door het geven van goederen van geringe waarde, heeft verzoeker in verband met de digitale fotolijsten gesteld dat hij deze praktijk had beëindigd zodra zijn chef hem had meegedeeld dat hij dit niet goedkeurde. Het feit dat hij verschillende goederen mee naar huis had genomen heeft hij gerechtvaardigd door zijn neiging om thuis te werken, waarbij hij beklemtoonde dat één derde van de door hem teruggegeven voorwerpen boeken uit de bibliotheek van de ECB waren, één derde standaardvoorzieningen waren zoals mobiele telefoons, laptops en rugtassen, terwijl het laatste derde goederen waren die hij mee naar huis had genomen om deze te configureren of zich er vertrouwd mee te maken alvorens het personeel van zijn afdeling instructies voor het gebruik ervan te geven.
77 Verzoeker heeft het tuchtcomité voorts uitgelegd dat hij voor de betrokken goederen geen gebruik had gemaakt van de procedures voor openbare aanbesteding, aangezien de aankoopwaarde per eenheid minder dan 10000 EUR was. Met betrekking tot de aankoop van e-readers heeft hij beklemtoond dat binnen de afdeling Interne Dienstverlening het accent op de besparing van papier lag en dat hij ermee had ingestemd om op het niveau van die afdeling de mogelijkheid uit te proberen om deze e-readers te gebruiken voor het gehele personeel, op alle niveaus van de hiërarchie.
78 Met betrekking tot de aankoop van software om fit te worden, die door het verbranden van calorieën zou leiden tot gewichtsverlies, heeft verzoeker uiteengezet dat die software, waarin fitnessoefeningen werden aangeboden, zinvol kon zijn om de chauffeurs van de ECB fit te houden. Hij heeft bevestigd dat hij niet het advies van de medische dienst van de ECB had gevraagd over dit gebruik noch had nagegaan of dit initiatief niet een overlapping vormde van de bestaande gezondheidsprogramma’s van de ECB. Aangaande de draagbare navigatiesystemen heeft verzoeker aangegeven dat bepaalde chauffeurs hadden geklaagd over de veroudering van bepaalde systemen waarmee de voertuigen van de ECB waren uitgerust en dat daarop was besloten om nieuwe en moderne draagbare systemen te kopen in plaats van de geïntegreerde systemen bij te werken waarmee de voertuigen van de ECB waren uitgerust.
79 Toen hem werd gevraagd of hij het werk bij de ECB wilde hervatten, heeft verzoeker het tuchtcomité aangegeven dat hij bereid was om het werk te hervatten, zelfs al zou dit voor hem en voor andere personen pijnlijk kunnen worden.
80 Het tuchtcomité heeft op 5 april 2013 zijn advies opgesteld (hierna: „advies van het tuchtcomité”). Met betrekking tot de voor hem gevolgde procedure en de toegang tot documenten, heeft het tuchtcomité gesteld: „[D]e gehele procedure is verlopen conform de toepasselijke bepalingen en met volledige eerbiediging van [verzoekers] fundamentele rechten. Meer bepaald, het tuchtcomité is unaniem van mening dat de in [punt] 14 van [verzoekers] nota aangevoerde grieven niet worden onderbouwd en beklemtoont met betrekking tot met name de grief betreffende de beperkte toegang tot bepaalde documenten dat verzoeker zowel vóór als nadat het tuchtcomité met zijn zaak was belast een aanzienlijk aantal stukken heeft ontvangen om zijn verweer te kunnen voorbereiden. De toezending van andere stukken zou slechts tot een onnodige verlenging van de procedure hebben geleid en eventueel negatieve gevolgen hebben gehad voor de belangen van derden, zonder enige toegevoegde waarde voor [verzoekers] verweer te hebben.”
81 Het aan verzoeker verweten plichtsverzuim heeft het tuchtcomité in de drie volgende categorieën ingedeeld: „i) [Verzoeker] heeft een aanzienlijk aantal aankopen geïnitieerd en/of toegestaan die niet tot de taken van de [afdeling Interne Dienstverlening] behoorden en/of niet overeenstemden met het heersende beleid bij de ECB. In bepaalde gevallen heeft [verzoeker] niet blijk gegeven van een gezonde en constructieve werkverhouding ten opzichte van het DG Informatiesystemen door in sommige gevallen openlijk in te gaan tegen de weigering van het DG Informatiesystemen om bepaalde [door hem beoogde] aankopen te doen, zodat hij meer op een persoon leek die de concurrentie met het DG Informatiesystemen aanging. Hij heeft bewust de instructies van de directie aangaande het gebruik van voorzieningen voor telewerk genegeerd. In dit opzicht kan melding worden gemaakt van de computers [van het merk X], de computers voor noodgevallen, de mobiele telefoons en het contract met [een telefoonmaatschappij die tussen juli 2008 en april 2010 voor een bedrag van 17162,49 diensten heeft verleend]. ii) [Verzoeker] heeft een aanzienlijk aantal aankopen geïnitieerd en/of toegestaan die niet gerechtvaardigd werden door vastgestelde en gedocumenteerde professionele behoeften en/of waarvoor de professionele reden en de haalbaarheid van de toepassing onvoldoende waren aangetoond. Het gaat hierbij om computers die bedoeld zouden zijn voor de bezoekersruimten, om computers voor noodgevallen, dure digitale fotocamera’s en [eveneens] dure toebehoren, e-readers en miniprojectors. Deze aankopen hebben de ECB aanzienlijke financiële schade opgeleverd. iii) [Verzoeker] heeft geen controlesysteem van de aangekochte goederen opgezet en heeft geen persoon van de [afdeling Interne Dienstverlening] opdracht gegeven om dit te doen, waardoor de aangekochte voorwerpen dus het gevaar liepen om kwijt te raken. Het feit dat [verzoeker] een groot aantal goederen van de ECB buiten de ruimten van de Bank in bezit heeft gehad, zonder dat hij daarvoor een rechtvaardiging kon aanvoeren, verzwaart zijn plichtsverzuim bij het beheer van de aangekochte goederen.”
82 Het tuchtcomité heeft zich dus op het standpunt gesteld dat verzoeker gedurende een lange periode en bij een groot aantal gelegenheden niet had voldaan aan artikel 4, onder a), van de arbeidsvoorwaarden, aan de gedragscode, met name de artikelen 2, 2.2, 4.1 en 4.2 daarvan, en aan de hoofdstukken 7 en 8 van het handboek voor de praktijk, waardoor hij de Bank bewust financiële schade heeft toegebracht. Het tuchtcomité achtte „[verzoekers] plichtsverzuim zeer ernstig en was van mening dat het tot op zekere hoogte een opzettelijke niet-eerbiediging van de bij de ECB geldende regels was”, temeer daar het plichtsverzuim door een afdelingshoofd betrof, die verantwoordelijk was voor de bescherming van de financiële belangen van de ECB.
83 Het tuchtcomité heeft besproken of dergelijk bewust, continu en langdurig plichtsverzuim een rechtvaardiging voor tuchtrechtelijk ontslag kan opleveren. In dit verband was het van mening dat rekening moest worden gehouden met een factor, namelijk de externe reputatie van de ECB als instelling van de Unie en hoedster van het geld van de Europese belastingbetaler alsmede met haar rol als efficiënte en verantwoordelijke modelbank, die wordt geleid door onpartijdige functionarissen. De meerderheid van het tuchtcomité vond dat die sanctie moest worden opgelegd indien bovendien werd vastgesteld dat het plichtsverzuim eveneens was ingegeven door eigenbelang, hetgeen onherstelbare schade zou hebben veroorzaakt aan de vertrouwensrelatie tussen de ECB en verzoeker. Wat de kwestie van het eigenbelang betrof, was de meerderheid van het tuchtcomité na discussie er niet volledig van overtuigd dat een dergelijk eigenbelang „in stricto sensu, zonder de minste twijfel, kon worden aangetoond”, met name gelet op de vaststellingen en de conclusies van OLAF.
84 Gelet op de in het rapport van artikel 8.3.2 genoemde verzachtende omstandigheden, namelijk de gebreken in de interne controles binnen de afdeling Interne Dienstverlening voordat verzoeker daar in functie was getreden, de bijzondere structuur van die afdeling die slechts weinig hoge posten telde waardoor de managers van die afdeling meer verantwoordelijkheden droegen alsmede verzoekers zeer goede staat van dienst, waarvan zijn beoordelingsrapporten getuigden, deed het tuchtcomité de aanbeveling om verzoeker als passende sanctie twee salaristrappen terug te zetten, dat wil zeggen een achteruitgang in salaris waardoor hij weer op het niveau van zijn salaris kwam vóór zijn bevordering in 2007 tot hoofd van de afdeling Interne Dienstverlening.
5. Bestreden besluit
85 Bij brief van 24 april 2013 heeft verzoeker zijn opmerkingen ingediend over het advies van het tuchtcomité. Op 16 mei daaraanvolgend heeft het DG HR de directie van de ECB een ontwerpbesluit voorgelegd om een sanctie conform het advies van het tuchtcomité op te leggen.
86 Tijdens haar vergadering van 21 mei 2013 heeft de directie van de ECB echter besloten om verzoeker te bestraffen door hem te ontslaan. Uit de werkzaamheden ter voorbereiding van het besluit van de directie blijkt dat zij zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker, door zijn door het tuchtcomité vastgestelde en door hem bestreden plichtsverzuim als manager, „onherstelbare schade had toegebracht aan de noodzakelijke vertrouwensband tussen het tot aanstelling bevoegd gezag van de ECB en haar personeel”.
87 Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de directie van de Bank verzoeker dus de sanctie van ontslag met eerbiediging van de opzegtermijn opgelegd zoals voorzien in artikel 44, onder ii), van de arbeidsvoorwaarden (hierna: „bestreden besluit”). In dat besluit heeft de directie met name als verzwarende omstandigheid aangemerkt het feit dat „verzoeker zich als manager, die verplicht is om de reputatie en de financiële belangen van de ECB te bewaken, schuldig [had] gemaakt aan plichtsverzuim”, waarbij zij beklemtoonde dat „de ECB haar geloofwaardigheid als Europese instelling baseert [...] op haar rol van een doeltreffende en verantwoordelijke modelinstelling, die wordt geleid door personeel van onbesproken gedrag”.
88 Bij brief van 16 juli 2013 heeft verzoekers raadsman de directie van de ECB gevraagd om te bevestigen dat het bestreden besluit alleen gebaseerd was op in dat besluit genoemde stukken, dat wil zeggen het rapport van OLAF, het besluit van 4 augustus 2010, het rapport van artikel 8.3.2, de berichtgeving van verzoekers vermeende plichtsverzuim die de ECB op 6 maart 2013 aan het Duitse Openbare Ministerie had gezonden, het advies van het tuchtcomité, het verslag van verzoekers verhoor door het tuchtcomité en de schriftelijke opmerkingen die hij op 29 januari 2013 bij het tuchtcomité had ingediend. Indien dat niet het geval was, verzocht hij de ECB om hem de andere in het bezit van de directie zijnde stukken te verstrekken waarop zij zich had gebaseerd. Verzoekers raadsman herinnerde er voorts aan dat verzoeker de directeur-generaal van het DG HR via hem had gevraagd om een kopie van de brief van 6 maart 2013 die de ECB aan het Duitse Openbaar Ministerie had gezonden.
89 Bij brief van 16 september 2013 heeft de directeur van het DG HR verzoeker geantwoord en aangegeven op welke documenten de directie van de ECB zich had gebaseerd voor de vaststelling van het bestreden besluit. Het rapport over de werkzaamheden van de groep en het document betreffende de berichtgeving van de ECB aan het Duitse Openbaar Ministerie van 6 maart 2013 behoorden niet tot die documenten.
Conclusies van partijen en procesverloop
90 Verzoeker verzoekt het Gerecht: — het bestreden besluit nietig te verklaren; — dientengevolge, zijn volledige re-integratie te gelasten, met de nodige publiciteit teneinde zijn waardigheid te herstellen; — in elk geval, zijn immateriële schade te vergoeden door de toekenning van een bedrag dat ex aequo et bono op 20000 EUR wordt begroot; — de ECB te verwijzen in de kosten.
91 De ECB verzoekt het Gerecht: — het beroep ongegrond te verklaren; — verzoeker te verwijzen in alle kosten.
92 In zijn repliek heeft verzoeker de vraag aan de orde gesteld van de opportuniteit voor het Gerecht om de ECB in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten om elk document over te leggen dat verband houdt met de correspondentie tussen die instelling en het Duitse Openbaar Ministerie alsmede OLAF.
93 In dupliek heeft de ECB zich daartegen verzet en betoogd dat het Gerecht niet bevoegd is om stukken te vragen die niet binnen het kader van de onderhavige procedure vallen en dat verzoeker in feite die maatregel tot organisatie van de procesgang alleen wil proberen te gebruiken om de weigering te ontwijken die hij heeft ontvangen op zijn schrijven genaamd „A[dministratieve heroverweging]” („A[dministrative review]”), dat hij op 29 november 2013 heeft ingediend tegen het besluit van 30 september daaraan voorafgaand waarbij hetzelfde verzoek om toegang tot de documenten van de ECB werd afgewezen.
94 Overigens heeft de ECB naast haar memorie in dupliek een vertrouwelijke versie overgelegd van het rapport over de werkzaamheden van de groep, die uitsluitend voor het Gerecht was bestemd, zodat het kon vaststellen dat dit document geen andere informatie bevatte dan die welke was opgenomen in het rapport van artikel 8.3.2. De Bank verzocht het Gerecht bovendien om het niet aan verzoeker te geven.
95 Bij brief van de griffie van 17 juni 2014 heeft het Gerecht de Bank in het kader van artikel 44, lid 2, van het destijds geldende Reglement voor de procesvoering gevraagd waarom het rapport over de werkzaamheden van de groep als vertrouwelijk moest worden beschouwd. De Bank werd met name verzocht om uit te leggen waarom dit document, anders dan het rapport van OLAF en het rapport van artikel 8.3.2 op basis waarvan de ECB had besloten om de tuchtprocedure in te leiden en die verzoeker eveneens volledig had ontvangen, vertrouwelijk moest worden behandeld. De ECB diende het Gerecht met name aan te geven welke feiten of informatie in dat rapport over de werkzaamheden van de groep waren opgenomen die niet in de twee andere rapporten voorkwamen.
96 Bij brief van 30 juni 2014 heeft de ECB het Gerecht uitgelegd dat zij verzoeker alle vertrouwelijke documenten had verstrekt waarop het tuchtcomité zich had gebaseerd en dat de andere in haar bezit zijnde documenten, die de directie niet had gebruikt, dus vertrouwelijk konden blijven. In elk geval was alle relevante informatie uit het rapport over de werkzaamheden van de groep overgenomen in het rapport van artikel 8.3.2. Om de anonimiteit te beschermen van de personen die hadden meegewerkt aan het niet-afgeronde aanvankelijke administratieve onderzoek diende het rapport over de werkzaamheden van de groep niet aan verzoeker te worden verstrekt.
97 Op 23 oktober 2014 heeft het Gerecht partijen in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang vragen gesteld en de ECB verzocht om overlegging van bepaalde documenten, waaronder een niet-vertrouwelijke versie van het rapport over de werkzaamheden van de groep. Partijen hebben hieraan voldaan en zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om opmerkingen over hun respectieve antwoorden te maken.
98 Bij brief van 7 november 2014 heeft verzoeker krachtens artikel 57 van het Reglement voor de procesvoering een nieuw bewijsaanbod gedaan, voornamelijk bestaande in correspondentie in het kader van de teruggave door de ECB van zijn persoonlijke zaken. In haar opmerkingen van 24 november 2014 over verzoekers bewijsaanbod heeft de ECB voornamelijk beklemtoond dat de teruggave van die zaken had plaatsgevonden op 30 mei 2014 en verliet zij zich op het Gerecht om te beoordelen of de laattijdigheid van dit nieuwe bewijsaanbod naar behoren gerechtvaardigd was. Het Gerecht heeft besloten om het nieuwe bewijsaanbod te aanvaarden.
In rechte
1. Vordering tot re-integratie van verzoeker
99 Volgens vaste rechtspraak, die eveneens van toepassing is op beroepen ingesteld krachtens artikel 36.2 van het Protocol betreffende de statuten van het ESCB en de ECB, staat het niet aan het Gerecht om de instellingen van de Unie bevelen te geven (zie arresten Da Silva Pinto Branco/Hof van Justitie, F‑52/09, EU:F:2010:98, punt 31, en DH/Parlement, F‑4/14, EU:F:2014:241, punt 41).
100 Verzoekers vordering tot re-integratie moet derhalve meteen kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Vordering tot nietigverklaring
101 Ter onderbouwing van zijn vordering tot nietigverklaring voert verzoeker acht middelen aan, respectievelijk ontleend aan: — schending van de rechten van de verdediging, van artikel 45 van de arbeidsvoorwaarden, van artikel 8.3.1 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de ECB heeft geweigerd om hem toegang te verlenen tot bepaalde documenten en/of informatie; — onwettigheid van artikel 8.3.5 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen, gelet op het beginsel van onpartijdigheid en artikel 47 van het Handvest; — schending van het vermoeden van onschuld, van het beginsel van onpartijdigheid en van de artikelen 47 en 48 van het Handvest; — niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht wegens de niet-eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn; — niet-nakoming van de motiveringsplicht; — misbruik van bevoegdheid van de directie en schending van artikel 8.3.17 van de personeelsverordeningen en -regelingen; — kennelijke beoordelingsfout en schending van het evenredigheidsbeginsel; — onwettigheid van de artikelen 44 en 45 van de arbeidsvoorwaarden alsmede van artikel 8.3 van de personeelsverordeningen en -regelingen, gelet op de in artikel 28 van het Handvest neergelegde vrijheid van vereniging en van het recht op collectieve onderhandeling.
102 Om te beginnen herinnert het Gerecht er voor de behandeling van die middelen aan dat volgens de bewoordingen van artikel 9, onder c), van de arbeidsvoorwaarden „[v]oor de uitlegging van de in de arbeidsvoorwaarden opgenomen rechten en verplichtingen naar behoren rekening wordt gehouden met de beginselen die zijn neergelegd in de verordeningen, de regels en de rechtspraak voor het personeel van de instellingen [van de Unie]”.
103 Voor zover de tuchtprocedure die is voorzien in de regels die gelden voor de personeelsleden van de ECB, bepaalde overeenkomsten vertoont met die welke is voorzien in het Statuut van de ambtenaren van de Unie, eveneens van toepassing op de andere personeelsleden van de Unie, voortvloeiende uit verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968, zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 (hierna: „Ambtenarenstatuut”), kan de Unierechter in die mate dus, indien nodig, naar analogie de rechtspraak toepassen die is ontwikkeld in verband met de statutaire tuchtprocedure.
Eerste middel: schending van de rechten van de verdediging, van artikel 45 van de arbeidsvoorwaarden, van artikel 8.3.11 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen en van artikel 47 van het Handvest
Argumenten van partijen
104 Verzoeker verwijt de ECB, alsook het tuchtcomité, dat zij hem niet volledige toegang hebben gegeven tot alle informatie en documenten waarover de Bank beschikte, met name die welke hem ontlasten, en die voor hem nuttig waren geweest om zijn standpunt te verdedigen. Meer bepaald is verzoeker van mening dat, ten eerste, de toegang tot de lijsten van aankopen van niet-standaard voorzieningen, van computermateriaal, van software en van de prestaties van technische adviseurs, welke in de loop van de periode 2003‑2010 zijn opgesteld door het DG Informatiesystemen, het DG Administratie, het DG HR en, ten slotte, door hetgeen thans het directoraat Interne Audit vormt, noodzakelijk was voor de uitoefening van zijn rechten van verweer. Ditzelfde geldt voor de documenten van het directoraat Interne Audit over de onderzoeken betreffende het adjunct-afdelingshoofd.
105 Ten tweede verwijt verzoeker de ECB dat zij niet is ingegaan op zijn verzoek om verstrekking van „alle informatie over facilitair management en het plan voor de organisatorische ontwikkeling […], daaronder begrepen de presentaties [...] en de documenten van het directiecomité en de directie” alsmede van „alle documentatie van de [afdeling Communicatie] over de [plannen voor de organisatorische ontwikkeling], daaronder begrepen de presentaties [...] en de documenten van het directiecomité en de directie”.
106 Ten derde voert verzoeker het ontbreken van het rapport over de werkzaamheden van de groep aan, waarvan hij het bestaan in de loop van de tuchtprocedure heeft ontdekt. Het rapport van artikel 8.3.2 was echter ten dele op dat rapport gebaseerd en in elk geval had dit document, aangezien het tuchtcomité daarvan kennis had genomen om te kunnen antwoorden op het door verzoeker op 4 december 2012 gedane verzoek om toegang tot dat document, althans vanaf de datum van dat aan het tuchtcomité gedane verzoek om toegang, moeten worden opgenomen in zijn tuchtdossier. Aangezien het comité kennis had genomen van het rapport over de werkzaamheden van de groep teneinde zich op 11 januari 2013 uit te spreken over verzoekers verzoek van 4 december 2012, is dit comité bij de opstelling van zijn advies noodzakelijkerwijs beïnvloed door de inhoud van dat rapport. Voorts betoogt hij dat hij zonder het rapport over de werkzaamheden van de groep niet in staat is om het rapport van artikel 8.3.2 volledig te begrijpen en dat het behoud van de anonimiteit van bepaalde getuigen geen voorrang kan hebben op de rechten van de verdediging. In zijn antwoord van 6 november 2014 op de maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft verzoeker echter toegegeven dat het er niet zozeer om ging of hij in staat was om het rapport van artikel 8.3.2 al dan niet te begrijpen, maar veeleer of hem toegang was verleend tot alle documenten waarover de ECB beschikte.
107 Ten vierde beklemtoont verzoeker dat de directie van de ECB vóór de vaststelling van het bestreden besluit ervan op de hoogte was gesteld dat het directoraat Interne Audit de zaak bij het Duitse Openbaar Ministerie had gemeld en dat het bestreden besluit deze inschakeling van de Duitse gerechtelijke instanties specifiek vermeldde. Dit toont aan dat dit aspect een belangrijke of zelfs doorslaggevende reden vormde voor het besluit van de directie om verzoeker te ontslaan, in plaats van hem terug te zetten in salaristrap. In deze omstandigheden kon de ECB hem niet de toegang weigeren tot de concrete inhoud van deze berichtgeving aan het Duitse Openbaar Ministerie, daar deze door de ECB was gebruikt om verzoeker verder te beschuldigen en om de zwaardere sanctie te rechtvaardigen die hem is opgelegd. Verzoeker betwist voorts de gegrondheid van de berichtgeving van zijn zaak aan de Duitse gerechtelijke instanties en beklemtoont dat OLAF niet de aanbeveling had gedaan om een gerechtelijk gevolg aan zijn dossier te geven.
108 In verband met de weigering van het tuchtcomité van 11 januari 2013 om hem toegang te geven tot het rapport over de werkzaamheden van de groep betwist verzoeker bovendien de mogelijkheid van het tuchtcomité om in zijn plaats te beoordelen welke documenten een toegevoegde waarde voor zijn verdediging konden hebben.
109 De ECB concludeert tot afwijzing van het eerste middel en beklemtoont dat zij verzoeker toegang heeft verleend tot alle documenten waarop het bestreden besluit is gebaseerd en dat hij zich in feite vergist over de omvang van zijn rechten, daar hij recht meent te hebben op toegang tot elk document dat hij nuttig voor zijn verdediging acht en op verificatie van elke informatie die of elk document dat zich binnen de Bank bevindt ook al is het bestreden besluit niet noodzakelijkerwijs gebaseerd op die informatie of dat document.
110 Met betrekking tot het rapport over de werkzaamheden van de groep, beklemtoont de ECB dat het is uitgewerkt vóór de inleiding van de tuchtprocedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, dat het nooit aan de directie van de ECB is toegezonden aangezien het geen deel uitmaakte van het „volledige tuchtdossier” en dat de relevante elementen van dat rapport in elk geval zijn overgenomen in het rapport van artikel 8.3.2 waartoe verzoeker volledige toegang heeft gehad, evenals tot het rapport van OLAF. Aangezien verzoeker zijn rechten van verweer met betrekking tot het rapport van artikel 8.3.2 heeft kunnen uitoefenen, bestaat er geen basis voor nog een recht van verweer met betrekking tot het rapport over de werkzaamheden van de groep als zodanig, temeer daar het rapport van artikel 8.3.2 het enige document was waarop het besluit was gebaseerd om al dan niet een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden. Het feit dat het tuchtcomité kennis heeft genomen van het rapport over de werkzaamheden van de groep is slechts het gevolg van verzoekers verzoek om toegang daartoe te verkrijgen, maar betekent niet dat het tuchtcomité zich voor de opstelling van zijn advies op dat rapport heeft gebaseerd.
111 De berichtgeving aan het Duitse Openbaar Ministerie betreft een afzonderlijke vraag, namelijk de mogelijke kwalificatie van de betrokken feiten als overtredingen naar Duits recht, doch deze berichtgeving is niet een doorslaggevende reden voor verzoekers ontslag geweest. De directie heeft in het bestreden besluit de berichtgeving aan het Duitse Openbaar Ministerie door het directoraat Interne Audit slechts genoemd teneinde „van meet af aan zeer duidelijk te maken dat [deze kwestie] onder de bevoegdheid van het Duitse gerechtelijke stelsel v[iel]”, anders dan uit het advies van het tuchtcomité had kunnen worden opgemaakt. De directie heeft eveneens laten weten dat deze kwestie geen invloed had op het verlies van vertrouwen bedoeld in de punten 12 tot en met 14 van het bestreden besluit. Dit wordt aangetoond door het feit dat het op het adjunct-afdelingshoofd betrekking hebbende tuchtbesluit eveneens verwijst naar een berichtgeving aan de Duitse gerechtelijke instanties, zonder dat de ECB echter heeft besloten om hem te ontslaan.
Beoordeling door het Gerecht
– Algemene overwegingen
112 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest bepaalt dat eenieder het recht heeft om toegang te verkrijgen tot het dossier hem betreffende, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim. Artikel 45 van de arbeidsvoorwaarden bepaalt op zijn beurt dat de tuchtprocedure er zorg voor moet dragen dat aan geen enkel personeelslid een tuchtmaatregel wordt opgelegd zonder dat hij vooraf in de gelegenheid is gesteld om de tegen hem aangevoerde grieven te weerleggen (arresten X/ECB, T‑333/99, EU:T:2001:251, punten 176 en 177, en Afari/ECB, T‑11/03, EU:T:2004:77, punt 50).
113 Met betrekking tot de omvang van het recht op toegang van de betrokkene tot de documenten en elementen ter onderbouwing van de bezwaren waarop de Bank het bestreden besluit heeft gebaseerd, moet worden vastgesteld dat het besluit om een tuchtprocedure in te leiden op grond van artikel 8.3.2 van de personeelsverordeningen en ‑regelingen door de directie wordt genomen nadat de betrokkene alle stukken van het dossier en van zijn verhoor zijn toegezonden en dat hij op grond van artikel 8.3.11 van die personeelsverordeningen en ‑regelingen „[v]anaf de ontvangst [van het] rapport [van artikel 8.3.2 (in casu dus vanaf 19 december 2012) recht heeft op volledige toezending van zijn persoonsdossier en op het maken van kopieën van alle processtukken, daaronder begrepen die welke hem kunnen vrijpleiten”.
114 De voor de ECB geldende bepalingen schrijven dus weliswaar voor dat de functionaris tegen wie een tuchtprocedure is ingeleid in beginsel zonder beperking recht heeft op toegang tot de elementen van het tuchtdossier, daaronder begrepen de elementen in zijn voordeel, doch zij bepalen niet dat hij onbeperkt toegang heeft tot elke informatie die of elk document dat zich binnen de Bank bevindt of kan worden gereconstrueerd op basis van bestaande stukken of informatie die binnen de Bank beschikbaar is. Met betrekking tot laatstgenoemde soort informatie of „gereconstrueerde” documenten, die in beginsel niet worden geacht integrerend deel uit te maken van het tuchtdossier, bepalen de personeelsverordeningen en -regelingen immers niet dat deze ambtshalve aan de betrokkene worden gezonden.
115 Het Gerecht is van oordeel dat het recht op inzage in het tuchtdossier, dat is voorzien in de regels die gelden voor het personeel van de ECB, beantwoordt aan de vereisten vastgesteld door het Unierecht en met name door artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest alsmede door de rechtspraak van de Unie op het gebied van de tuchtprocedure. Het contradictoire karakter van een tuchtprocedure, zoals deze zich afspeelt voor het tuchtcomité van de Bank, en de rechten van de verdediging in een dergelijke procedure vereisen inderdaad dat de verzoeker en, eventueel, zijn advocaat kennis kunnen nemen van alle feitelijke elementen waarop het tuchtrechtelijk besluit is gebaseerd, en wel tijdig genoeg om hun opmerkingen in te dienen. De eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dus dat de belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de relevantie van de feiten, maar eveneens dat hij althans een standpunt kan innemen over de documenten waarover de instelling van de Unie beschikt en waaruit belangrijke feiten blijken om zijn rechten van verdediging uit te oefenen (arrest Kaufring e.a./Commissie, T‑186/97, T‑187/97, T‑190/97–T‑192/97, T‑210/97, T‑211/97, T‑216/97–T‑218/97, T‑279/97, T‑280/97, T‑293/97 en T‑147/99, EU:T:2001:133, punt 179). Het vereiste dat de belanghebbende toegang moet hebben tot de op hem betrekking hebbende stukken kan echter alleen gelden voor de stukken die in de tuchtprocedure en/of in het eindbesluit van de administratie worden gebruikt. Voor het beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging behoeft de administratie dus niet noodzakelijkerwijs andere documenten te verstrekken (zie in die zin arrest N/Commissie, T‑273/94, EU:T:1997:71, punt 89).
116 Het Gerecht merkt eveneens op dat verzoeker in de loop van de tuchtprocedure die is begonnen met de kennisgeving van het rapport van artikel 8.3.2 volledige toegang heeft gehad tot zowel dat rapport als tot het rapport van OLAF en een reeks documenten die de ECB hem ter beschikking heeft gesteld in antwoord op de vele verzoeken om toegang tot de documenten.
117 Rekening houdend met de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld of de documenten en informatie waartoe de ECB verzoeker de toegang heeft geweigerd en die worden bedoeld in het onderhavige middel ontleend aan een schending van de rechten van de verdediging, integrerend deel uitmaakten van verzoekers tuchtdossier en/of zijn gebruikt ter onderbouwing van het advies van het tuchtcomité en het bestreden besluit.
– Verzoeken om toegang tot de aankooplijsten en tot de documentatie over bepaalde informaticaprojecten
118 Aangaande, ten eerste, verzoekers verzoeken tot verkrijging van de ECB en/of het tuchtcomité van de aankooplijsten van bepaalde goederen en prestaties waartoe in de periode 2003‑2010 opdracht was gegeven alsmede van elk document, met name afkomstig van het directoraat Communicatie van het DG Algemeen Beheer, in verband met het „plan voor de organisatorische ontwikkeling” en het „facilitair management”, merkt het Gerecht op dat die informatie, ook al kan deze worden gereconstrueerd op basis van de databases van de Bank, niet noodzakelijkerwijs als zodanig aanwezig was binnen de ECB, in casu in de vorm van bestaande documenten zoals deze door verzoeker in zijn verzoeken worden bedoeld. Voorts blijkt uit het dossier niet dat dergelijke documenten of informatie, ook al konden deze inderdaad in het bezit van het DG HR zijn of door dit directoraat-generaal of andere diensten worden gereconstrueerd, ter beschikking van het tuchtcomité en de directie zijn gesteld of geweest.
119 Deze documenten of informatie zijn dus niet gevraagd omdat zij bestonden of in het bezit waren van het tuchtcomité en/of de directie, maar omdat verzoeker speculeerde over de bewijskracht ervan om hem te ontlasten.
120 Het is weliswaar niet de taak van de ECB of van het tuchtcomité om zich uit te spreken over de relevantie die of het belang dat bepaalde stukken voor de verdediging van een personeelslid kunnen hebben, aangezien niet kan worden uitgesloten dat stukken die de ECB of het tuchtcomité niet relevant acht, voor de belanghebbende wel een belang kunnen hebben. Noch de ECB noch het tuchtcomité kan derhalve stukken die de belanghebbende kan gebruiken om hem te ontlasten, eenzijdig van de administratieve procedure uitsluiten (zie naar analogie arresten ICI/Commissie, T‑36/91, EU:T:1995:118, punt 93; Eyckeler & Malt/Commissie, T‑42/96, EU:T:1998:40, punt 81, en Kaufring e.a./Commissie, EU:T:2001:133, punten 179 en 185).
121 In casu is echter noch aangetoond noch gesteld dat de betrokken aankooplijsten als zodanig beschikbaar waren bij de ECB of het tuchtcomité en dat de directie zich voor de vaststelling van het bestreden besluit op die aankooplijsten heeft gebaseerd. De rechten van de verdediging, met name het recht om te worden gehoord over de documenten die het tuchtcomité en vervolgens de directie voor het bestreden besluit hebben gebruikt, kunnen echter niet zover gaan dat zij voor verzoeker het recht inhouden om in het bezit te komen van elke informatie die of document dat binnen de Bank beschikbaar is of kan zijn, alleen op grond van het feit dat verzoeker bij zijn eigen onderzoek naar de betwiste feiten speculeert over de bewijskracht van die documenten of informatie om hem te ontlasten.
122 In elk geval is het Gerecht van oordeel dat, ervan uitgaande dat soortgelijke aankopen als de betrokken aankopen in andere afdelingen van de ECB hebben kunnen plaatsvinden, hetgeen verzoeker door middel van de gevraagde aankooplijsten kennelijk probeert te bewijzen, dergelijke gedragingen die niet in overeenstemming zijn met de bij de Bank geldende regels, zo deze al zijn vastgesteld, in geen geval een rechtvaardiging hebben kunnen opleveren voor de gedragingen die verzoeker in casu worden verweten noch een verzachtende omstandigheid hebben kunnen vormen.
123 Verzoekers aansprakelijkheid moet immers individueel en afzonderlijk worden onderzocht, dat wil zeggen los van de eventuele wettigheid of onwettigheid van het besluit of van het ontbreken van een besluit jegens andere personeelsleden. Een functionaris kan voor de betwisting van de hem opgelegde sanctie dus niet met succes aanvoeren dat er geen tuchtprocedure is ingeleid tegen verschillende andere personeelsleden wegens soortgelijke feiten als die welke hem ten laste zijn gelegd (zie in die zin arresten Williams/Rekenkamer, 134/84, EU:C:1985:297, punt 14, en de Compte/Parlement, T‑26/89, EU:T:1991:54, punt 170, in hogere voorziening bevestigd bij het arrest de Compte/Parlement, C‑326/91 P, EU:C:1994:218, punt 52).
– Verzoek om toegang tot het dossier dat aan de Duitse gerechtelijke instanties is gezonden
124 Met betrekking tot het verzoek om toegang tot het dossier dat het directoraat Interne Audit op 6 maart 2013 aan het Duitse Openbaar Ministerie heeft gezonden, moet allereerst worden vastgesteld dat het rapport van OLAF, voor zover het daarin niet nodig werd geacht om de aanbeveling van een „gerechtelijk gevolg” te doen, niet tot gevolg kan hebben dat de ECB de mogelijkheid wordt ontnomen om de nationale gerechtelijke instanties in te schakelen. In het kader van haar institutionele autonomie kon de Bank de elementen betreffende verzoekers gedraging dus voorleggen aan de gerechtelijke instanties, opdat zij onderzochten of deze konden worden aangemerkt als overtredingen naar Duits recht en uit dien hoofde een grond konden opleveren voor strafvervolging.
De tekst gaat verder: De uitspraak op EUR-Lex
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HvJ EU 19 november 2014, F-42/14, ECLI:EU:F:2014:250
- HvJ EU 30 april 2014, F-28/13, ECLI:EU:F:2014:55
- Gerecht EU 12 maart 2008, T-100/04, ECLI:EU:T:2008:68
- HvJ EU 8 november 2007, F-40/05, ECLI:EU:F:2007:189
- Gerecht EU 10 juni 2004, T-307/01, ECLI:EU:T:2004:180
- Gerecht EU 1 april 2004, T-198/02, ECLI:EU:T:2004:101
- Gerecht EU 16 maart 2004, T-11/03, ECLI:EU:T:2004:77
- Gerecht EU 10 mei 2001, T-186/97, ECLI:EU:T:2001:133
- HvJ EU 18 november 1999, C-191/98, ECLI:EU:C:1999:565
- Gerecht EU 19 februari 1998, T-42/96, ECLI:EU:T:1998:40
- Gerecht EU 29 juni 1995, T-36/91, ECLI:EU:T:1995:118
- Gerecht EU 26 januari 1995, T-549/93, ECLI:EU:T:1995:15
- HvJ EU 2 juni 1994, C-326/91, ECLI:EU:C:1994:218
- Gerecht EU 17 oktober 1991, T-26/89, ECLI:EU:T:1991:54